Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

Het geheim van de vooruitgang

 

Het geheim van de vooruitgang

Een korte meditatie bij het gedenkteken van dr. Karel Van Noppen

“Weigering (van een compromis - n.v.d.r.) is altijd een essentieel gebaar geweest. De weinigen die geschiedenis hebben geschreven, zijn zij, die nee hebben gezegd, niet de hovelingen en assistenten van de kardinalen. Om de weigering te laten functioneren, moet deze groot zijn, niet klein, volledig, niet op dit of dat punt, ‘absurd’, zonder gezond verstand.”

Dit citaat uit “Intervista corsare sulla politica e sulla vita” of de corsaire interviews d.d. 1955-1975 van de op 2 november 1975  vermoorde Italiaanse cineast en dichter Piero Paolo Pasolini staat op een plakkaat geplaatst ter gelegenheid van de dertigjarige herdenking van de gruwelijke moord op dr. Karel Van Noppen (1953-1995) op zijn gedenkplaats in Wechelderzande. 

Het gaat om de weigering om toe te geven aan hebzucht en nog andersoortig kwaad dat betaald wordt met de afbraak van het leven; het gaat om de weigering om zich te compromitteren met wat mensonwaardig is, het is een radicaal afwijzen van de corruptie en van de dubbele moraal, van het bedrog en van de achterbaksheid. 

En die weigering is uiteraard een belediging aan het adres van de boze die zich almachtig waant, zij is een slag in het gezicht van wie geloven dat ze iedereen te grazen mogen nemen want zij getuigt van een kracht die de dood niet vreest: wie radicaal neen zeggen tegen onrecht, staan met hun leven borg voor datgene waarin zij geloven en waarvoor zij vechten; zij weten dat er dingen zijn die erger zijn dan de dood en daarvan leggen zij ook getuigenis af. 

In 2015 publiceerde de grote Roemeense filosoof Costica Bradatan over het onderwerp in kwestie dat het martelaarschap behandelt, Dying for Ideas. The Dangerous Lives of the Philosophers. (In de Nederlandse vertaling: Sterven voor een idee. Filosoferen met gevaar voor eigen leven). Het werk gaat over de psychologie van de zelfopoffering en de trouw, waarvoor naast Socrates ook figuren zoals Giordano Bruno en Thomas More voorbeeldig zijn. Het trotseren van wereldlijk nadeel, fysieke pijn en schade tot en met het risico van om te komen, gedood te worden of zelfs het bewust kiezen voor de dood zijn niet slechts waanzin, zij getuigen van een 'heilige waanzin' welke gepaard gaat met extase. 

Het toonbeeld hier is uiteraard Socrates die zich in zijn verdedigingsrede aldus richtte tot het volk: “Schaamt u zich niet dat u zich bekommert om geld (…) en om aanzien en eer, zonder zorg of aandacht te hebben voor de bestemming en over de gevaren ervan'?” Maar “de daad is zijn eigen beloning”, aldus Bradatan: martelaars moeten “hun belichaming transcenderen” en hij citeert Simone Weil: “'De mens is zo gemaakt dat degene die verplettert niets voelt; het is de verpletterde persoon die voelt wat er gebeurt'” Hij doet bewust wat hij doet en vastberaden en zo zegt Giordano Bruno tot zijn vervolgers: “'U bent ongetwijfeld banger om dit vonnis tegen mij uit te spreken dan ik om het te horen.'” Omtrent “'de meest Socratische van de moderne filosofen'”, Jan Patocka, merkt Havel op dat het getuigenis iemands ultieme test is voor zijn geloofwaardigheid: Op een cruciaal moment “kan iemand zijn geloofwaardigheid alleen behouden door ervoor te kiezen om te sterven.”

Bradatan verduidelijkt dit middels een personage uit Dostojevski's Duivels, namelijk Kirillov, die inziet dat onze doodsangst verbonden is met het heilige en dat is de zelftranscendentie, de vrijheid, de wil. De martelaar plaatst zichzelf buiten het begrijpelijke maar tegelijk ook buiten de menselijke samenleving (“hij gaat in tegen het overlevingsinstinct waarop het leven gebaseerd wordt” en veroorzaakt aldus fascinatie en afkeer (het fascinans et tremendum van het heilige sec. Rudolf Otto). 

Dat lot onderging ook Jan Palach die zichzelf in brand stak op de protesten tegen de inval van de Sovjets (Praag, 1969): zijn ontoegankelijkheid verschaft hem tevens “de mysterieuze macht die voortkomt uit het feit dat hij de dood nabij is.” Dat gebeurde ook met de hongerstakende Gandhi. Het offer maakt heilig: 'sacrifice' is een samenstelling uit 'sacrum' en 'facere'. Ook bij de filosofe en mystica Simone Weil is het een kwestie van “trouw blijven aan zichzelf, ongeacht de gevolgen. Ze moet het zelfs als een opperste bevrijding hebben ervaren. Want de ware vrijheid (…) 'wordt niet bepaald door een relatie tussen begeerte en bevrediging daarvan, maar door een relatie tussen denken en handelen.'” Bradatan: “In de kern is het martelaarschap een dematerialisatieproject.” (bronnen: Jan Bauwens, Achter de coulissen: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129869.pdf   en Cryptofascisme: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129870.pdf  ).

Het plichtsbewustzijn van Karel Van Noppen plaatst hem in de rij van die enkelingen die vandaag de lichtende voorbeelden voor de mensheid zijn: zonder hen - want mensen met heldenmoed zijn schaars - géén vooruitgang, géén beschaving, géén ethiek maar slechts geweld, verderf en oorlog. 

(J.B., 10 juni 2026)

 

 

Over de pikorde

 

Over de pikorde

Volgens sommigen zijn mensen predatoren of roofdieren die aan de top van de voedselketen staan: zij doden en consumeren principieel alle andere dieren en planten en zij doen dat in de hoedanigheid van jagers maar tevens parasiteren zij - niet op de dieren en de planten zelf maar op de soorten die zij bovendien voederen en kweken om met dat parasiteren door te kunnen gaan en dat doen zij in de hoedanigheid van landbouwers en veetelers. Tevens zou men kunnen zeggen dat mensen naast veestapels ook nog ‘mensenstapels’ houden ofwel slaven, loonslaven en soldaten doordat zij hun soort in categorieën onderverdelen in de zogenaamde pikorde met aan de top de potentaten - zij die de macht hebben: de macht over soortgenoten die zich situeren in de lagere echelons. Op die manier is de maatschappij of het sociale leven van het mensdom dan een afspiegeling van het dieren- en het plantenrijk met aan de basis de genoemde slaven die in feite sociaal dood zijn en aan de top de genoemde machthebbers die andermans leven consumeren - in de vorm van onder meer tijd. 

Hiërarchieën zijn nodig om orde te houden in samenlevingen en om het rendement van de samenwerking te optimaliseren: ze bestaan bij vele diersoorten en dus ook bij mensen en zij hoeven niet perse met uitbuiting te maken te hebben: zelfs het (niet met het kerkendom te verwarren) christendom, dat zich beroept op de naastenliefde en op het dienaarschap als hoogste goed, kent hiërarchieën die ook aanwezig zijn in een zeker gelijkaardig humanisme: zij worden volstrekt probleemloos op voorwaarde dat de top zich vrijwillig in dienst stelt van de basis. Men zou zelfs kunnen stellen dat een welbepaalde omkering van de pikorde ervoor kan zorgen dat zich de utopie realiseert van een meer volmaakte wereld. In het licht van een ethiek waarin de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, verschijnt het zogenaamde ‘recht van de sterkste’ als een wet voor wezens van een lagere orde, wezens met een beperkt bewustzijn, wezens die van niet beter weten. 

Een zeker deel van het mensdom boekt ontegenzeggelijk vooruitgang maar een ander deel blijft jammerlijk achter en waar de besten de dienstbaarheid vieren als het hoogste goed, missen degenen die geloven van die situatie te moeten profiteren, het besef dat zij in feite achterblijvers zijn; zij verkijken zich op positie en op macht zoals de dieren doen die ongevoelig blijven voor het verheffende geluk van de solidariteit. 

Het gemis waarvan sprake is uiteraard bijzonder duidelijk waar zich geweld manifesteert en niemand die bij zijn verstand is, kan in twijfel trekken dat met oorlogszuchtige ‘wereldleiders’ aan de top, de mensenwereld als het ware de hele natuur op zijn kop zet want natuurlijkerwijze dragen alle dieren de grootste zorg voor hun jongen en naar dat voorbeeld voegen kuddedieren zich naar de bevelen van hun aanvoerders die slechts het welzijn van allen op het oog hebben. 

Waar daarentegen presidenten de aan hen toevertrouwde mensen depersonaliseren om hen vervolgens te degraderen tot kanonnenvoer, is allang geen sprake meer van leiderschap: aan de orde aldaar is een vreselijke ziekte welke voortkomt uit een losgeslagen drift, uit de hebzucht en de moordlust, uit een verslaving aan eindeloze concurrentie en uit een ongeremde drang tot zelfdestructie. In oorlogen maar evenzeer in andere vormen van genocide zoals in de veelsoortige massamoorden op de kwetsbaren en de weerlozen komt een achterlijkheid aan het licht die helaas alomtegenwoordig blijkt en die zich in vredestijd verschuilt in allelei verkapte handelsvormen.

Polarisering en onderscheidingsdrang wortelen paradoxaal genoeg al te vaak in ideologieën die pretenderen verheffend te zijn: zij spreken in termen van ‘goed-beter-best’ en de parameter voor kwaliteit kan uiteraard geen andere zijn dan de concurrentie, de strijd, het gevecht, het geweld of de oorlog. Zij die zich de beteren achten, lijken verheven doordat zij de anderen naar beneden duwen maar hun activiteit draagt helemaal niets bij tot het welzijn van de samenleving die zich onder de invloed van hun waanzin verdeelt in elkaar bekampende individuen waardoor zij uit elkaar valt. 

Edoch, achter de praalzucht van de ‘winnaars’ schuilt een krampachtige angst om uit de groep te worden uitgestoten, een angst om te moeten terugvallen op een zelf dat veel te zwak is om alleen en niet afhankelijk te zijn. De helden van de oorlog zijn alleen al om die reden marionetten en zij dansen naar de pijpen van een meester die hen met haar en huid bezit en die op zijn beurt bang is en zich moet verschuilen achter dikke muren, die zich omgeeft met bodyguards en die geen hap meer durft te eten die niet werd voorgeproefd door een meute van geminachte lakeien. 

Nood aan bevestiging hebben alleen zij die weten dat hun wandel wankel is omdat wie recht staan in hun schoenen, zichzelf van bij het begin tot meester zijn. Het proselitisme kenmerkt wie lijden aan onzekerheid: zij denken het hebben van ongelijk te kunnen vereffenen met het krijgen van een gelijk dat zij dan afdwingen van wie zij uit hun handen laten eten. Maar wie aldus zichzelf bedriegen, houden uiteraard ook alle anderen voor de gek.

Het meest hoogstaand zijn om die reden wellicht al degenen die helemaal onderaan staan op de maatschappelijke ladder: de werklui en, nog onder hen, de zogenaamde onaanraakbaren. Zij worden gevreesd door alle clowns omwille van hun blik die, volledig bevrijd van de illusie van het ego, een spiegel is. 

(J.B., 8 juni 2026)

 

 

HET LEVEN ALS REIS - ENKELE BESCHOUWINGEN (delen 1 en 2) (Herhaling d.d. 1995 en 2013)

 

HET LEVEN ALS REIS - ENKELE BESCHOUWINGEN
(delen 1 en 2)

(J.B., 1995 en 2013, herhaling)
 
1.
 

 In dimidio dierum meorum/ vadam ad portas inferni - aldus Isaïas, vers 38. Voor de 'anders-geletterden': In het midden van mijn levensdagen/ zal ik gaan naar de poorten van de onderwereld.

We gaan ons niet verliezen in citaten, maar voor de epigonen die we tot op zekere hoogte toch allemaal zijn, ware het zonde om hier de onsterfelijke Dante te vergeten. De eerste verzen van de eerste zang in het eerste lied van zijn Commedia luiden als volgt: Juist midden op de reistocht van ons leven/ zag ik mij in een donker woud verloren,/ daar ik van 't goede pad was afgeweken.



U zal merken dat deze verzen eigenlijk best als leidmotieven kunnen fungeren. Maar laten we de hele zaak eerst eens in filosofisch perspectief plaatsen.

Want eigenlijk heeft een van de grootste filosofen van de twintigste eeuw - met name Alfred North Whitehead - van 'het Zijn' - U weet, 'het Zijn' waarover filosofen het altijd hebben - Whitehead heeft van dat Zijn eigenlijk een Reizen gemaakt. De titel van zijn groot werk, 'Process and Reality', spreekt voor zich: het bestaan - ook ons bestaan - is in werkelijkheid geen Zijn, maar een Worden: het bestaan is wezenlijk een proces, dat wil zeggen: een onderweg-zijn. Dat wij bestaan, betekent: dat wij onderweg zijn. Elk bestaan, elk leven, is onderweg. Wat stagneert, wat niet meer vooruitgaat, wat niet meer zoekt en wrocht, kan alleen maar... dood zijn.

Nu is de hele realiteit een zaak die ons uiteindelijk boven het hoofd gaat - de filosofen spreken in dit verband van 'het transcendente' - datgene dat groter is dan wat wijzelf zijn, datgene waarvan wij deel uitmaken. Onze weg - fysisch, psychisch, sociaal, economisch, kosmisch zelfs - past in een groter geheel - een geheel, waarvan men zou kunnen zeggen dat het altijd 'op weg' is. 

Het onderweg-zijn is een gebeuren dat wij samen én ondergaan, én realiseren, scheppen, waar maken. 

Dit brengt vanzelfsprekend met zich mee, dat wij al een heel eind weegs zijn, op het moment dat wij ons ueberhaupt realiseren dat wij effectief onderweg zijn. De weg die we al hebben afgelegd op het ogenblik dat wij gaan beseffen dat we ergens heen gaan, was dus niet alleen maar de onze.



Wij zijn van bij onze geboorte, een weg gegaan die ons door de natuur gegeven werd. En dat geldt vanzelfsprekend niet alleen voor ons allen, individueel, maar ook voor onze soort, dé mens. 

Dat geldt ook voor hét leven, voor de kosmos, voor het hele bestaan: behalve datgene wat we zelf creëren, vormt ook al datgene waarvan wij deel uitmaken - de hele lange geschiedenis door - één groot proces. Het is één reusachtig Onderweg-Zijn. Wij waren reeds onderweg, lang voordat wij dat gingen beseffen.



Keren we nu een ogenblik terug naar Dante Alighieri.

Dante was vijfendertig, dus ongeveer halverwege op zijn levensreis, toen hij - zoals wij het zouden uitdrukken - zijn 'andropauze' beleefde. De grote dichter verloor zijn platonische geliefde, Beatrice, heel vroeg, en daarbij kwam nog dat hij uit zijn geboortestad, Firenze, verbannen werd. Wij weten vanzelfsprekend - hoe jammer het ook is - dat het ongeluk vaak de rijkste voedingsbodem van de wijsheid is gebleken. Pas de van zijn geluk verbannen mens, is de grote dichter geworden.

Kortom: zijn ballingschap bracht Dante tot inkeer: over de weg die hij had afgelegd, over de weg die hij nog af te leggen had, over dé Weg die wij allen te gaan hebben.



Het moet nu ook worden gezegd, dat ook de eerste filosofen bannelingen, of breder nog: reizigers, ontheemden, of gastarbeiders waren.

Wij weten dat aan de basis van onze Westerse beschaving de Griekse cultuur ligt. Maar eigenlijk waren het niet de Grieken zelf die de sophia, de wijsheid, stichtten: de eerste filosofen waren sofisten, inwijkelingen afkomstig van Ionië, Klein-Azië, mensen die hun kennis als enige koopwaar aan de man trachtten te brengen. 

Mensen ook die, precies omdat ze van elders kwamen, niet verblind werden door de waas van vanzelfsprekendheden die ons allen begoochelt. Zij brachten een ander perspectief, zij deden dingen zien die wij niet meer zagen. Zij waren - ook letterlijk - op weg: weg van thuis, weg van het vanzelfsprekende en van het 'gewone'. 

Wij staan er eigenlijk niet bij stil, maar eigenlijk is niéts 'gewoon'. 



Dat niéts gewoon is, ontdekken we meestal pas wanneer we gehinderd worden in onze gewone gang van zaken. En wie van ons verkeert, vroeg of laat, niet een keer in dat geval?



Wij zijn onvolmaakte wezens, ons leven verloopt niet - nooit - vlekkeloos, soms zijn wij de weg bijster, en willen wij plots 'wég' van de plaats waar we ons dan bevinden: wij willen dan uit het slop geraken, wij creëren een 'opstand', wij gaan opstaan en we gaan 'wég'. 

We gaan op zoek naar onze oorsprong, naar het begin van onze weg. Wij vragen ons af waar onze weg ons heen leidt. Wij willen niet verstarren, en daarom willen wij opstaan, en ergens heen gaan.



De commedia van Dante schildert een reis die als het ware een allegorie vormt op onze levensreis zelf. Welnu, ongetwijfeld is het zo, dat wij onze eigen levensreis beter kunnen leren begrijpen... wanneer wij ons die op een allegorische of metaforische manier kunnen bewust worden... door het maken van een kleine reis, of een pelgrimage.



Laten we ons eens bezinnen over deze manier van reizen, over dit... pelgrimschap, dit op weg zijn, en over de zin ervan.

We zouden ons eerst de volgende, eenvoudige vraag kunnen stellen: 'Wat is reizen?'



Wanneer wij om het even welke onderneming starten, tasten wij eigenlijk in het duister naar de uiteindelijke afloop ervan.

We bouwen een huis, of we vatten een studie aan, of we willen een voordracht bijwonen - het is om het even: telkens kunnen we ons voorbereiden op wat we van plan zijn te doen - we verzamelen informatie, we doen prospecties, we verzekeren ons om eventuele risico's uit te schakelen - maar tenslotte kunnen we nooit volkomen anticiperen op wat komen gaat. 

Stel dat we een perfect plan hebben voor een huis: we halen de beste architect in huis, en we informeren ons bij de meest ervaren adviseurs. Met gesofisticeerde computerprogramma's kunnen we, bij wijze van spreken, al door de kamers wandelen, nog voor de eerste steen van het huis gelegd is. 

De bouw neemt een aanvang, en na enkele maanden trekken wij er in. En wat blijkt? We vergaten de kelder. Of we komen plotseling tot de ontdekking dat we de kamers een nog veel leukere bestemming kunnen geven dan deze waarvoor ze aanvankelijk bedoeld waren. De buren vallen mee of tegen. Onvoorziene lawaaihinder in gevolge plots aangevangen wegwerkzaamheden zullen ons jarenlang tergen. Of we bevinden ons onverhoopt in een oase van rust en stilte. Of iemand wordt ziek en de trap moet herbouwd worden.

Kortom: telkens wij iets ondernemen, hoe omzichtig we ook te werk gaan - er blijft steeds de factor van het onverwachte, het onbepaalde, het niet-voorspelbare. En die dingen kunnen zowel gelukkig als ongelukkig uitvallen.

Welnu, indien wij ons niet op voorhand kunnen neerleggen bij de realiteit van het onvoorziene, dan zullen we ook niet en nooit in staat zijn om keuzen en beslissingen te maken.



Dat geldt voor het bouwen van een huis, voor het aangaan van een studie of een werk, en ook en vooral geldt dit voor het hele leven zelf.

Morgen doen wij aan eugenetica, en zullen wij misschien mensen 'op bestelling' maken. Maar niets of niemand zal verhinderen dat alles toch anders zal blijven verlopen dan wij hadden verwacht, of gepland.



De reis, als metafoor van het leven, bevat al deze kenmerken op de meest pregnante manier. Wij leven niet om te reizen, maar wij reizen om te leren... leven.

Want net zoals het leven, houdt elke reis in dat men een weg volgt. De weg is voor de reiziger zelf onbekend, maar het feit dat er een weg is, betekent vanzelfsprekend dat anderen in het verleden het traject al hebben afgelegd.

Dat de weg werd aangelegd, betekent ook dat hij ergens heen leidt, want niemand haalt het in z'n hoofd om zomaar een weg te bouwen: elke weg heeft een doel.



Wij kunnen, door allen dezelfde weg te gaan, dit doel tot het onze maken, maar tegelijk blijft het een persoonlijk doel: we komen dan aan op dezelfde plaats, maar we bereiken elk een andere bestemming.

De Vlaming en de Moslim-migrant bereiken, via dezelfde weg, dezelfde plaats - bij voorbeeld de heilige stad Mekka. Maar hun bestemming is verschillend: de Vlaming komt aan in zijn vakantie-oord, of, wanneer hij als journalist vertrekt, op zijn werkterrein, en de Moslim komt aan bij zijn God. De ene is op zakenreis, de andere reist als pelgrim.

Zelfs wanneer alles er aan de buitenkant gelijkaardig uitziet, is elke reis die wij ondernemen, aan de binnenkant, een hoogst persoonlijke weg, met eigen bedoelingen, verwachtingen en betekenissen.



We kunnen met verschillende bedoelingen reizen, maar wanneer we ons willen bezinnen over het leven, dan moeten wij reizen zoals wij leven. En daarbij is het dan onze bestemming om het leven beter te begrijpen.

En dit soort van reizen mag wel heel bijzonder heten, want, anders uitgedrukt, is onze reisbestemming deze: de bestemming van het leven te achterhalen.



Nu kunnen wij de bestemming, de zin van het leven, ongetwijfeld terugvinden in de reis. Maar dan moeten we ook de moeite doen om na te denken over de betekenis van het 'op weg zijn'. 

En, om te beginnen, houdt elke tocht in, dat wij ergens weggaan.



Wie reist, laat het vertrouwde achter zich, zoals men het verleden achter zich laat: hij neemt afscheid - van een plaats, maar ook van alle mensen en gebeurtenissen die aan deze plaats verbonden zijn.

Hij neemt ook afscheid van zichzelf, als verbondene met die vertrouwde omgeving.

Hij bevrijdt zich van zijn verleden, terwijl hij het toch onoverkomelijk met zich mee zal blijven dragen - in zijn herinneringen, maar ook in zijn verwachtingen en in zijn wensen, wanneer hij zal terugdenken aan, of terugkeren naar die plaats.

Hij bevrijdt zich van bepaalde banden en verplichtingen, maar ook verliest hij tegelijk verworven zekerheden en geborgenheden.

Hij ruilt het oude voor het nieuwe in: het bekende voor het onbekende, het geplande voor het ongeplande, het verleden voor de toekomst.

Eigenlijk verbreekt hij voor een stuk de continuïteit van zijn bestaan: hij slaat een bres in zijn dagen, hij schept zelf een kloof, hij gaat plotseling een door anderen niet verwachte richting uit, en hij laat vallen wat hij heeft, blijkbaar om iets anders te verwerven - iets waarnaar hij zozeer verlangt dat hij er alles, voorlopig, voor achter laat.



De reiziger kan een doel hebben, en zijn doel kenbaar maken, en, bijvoorbeeld, zeggen: 'Ik ga naar Santiago de Compostella'. Maar zijn eigenlijke bestemming blijft voor alle anderen, die deze plaats nochtans goed kunnen situeren, één groot raadsel.



'Tout choix est une sacrifice', schreef de Franse filosoof Henri Bergson. 

Welnu, de bestemming van de weg moet dit offer zeker waard zijn.

En ongetwijfeld is dit het geval waar wij de bestemming van het leven zelf voor ogen hebben.



Nu heeft niet iedereen een pelgrimage nodig, want niet iedereen is de weg - van het leven - bijster. Of beter: niet iedereen beseft het, de weg bijster te zijn.

De echte bedevaarder zal daarom nooit pogingen ondernemen om anderen met zich mee te trekken: als de bestemming, in de vorm van de verwachting, niet reeds in het hart ligt van bij het vertrek, dan heeft het geen enkele zin om op reis te gaan.

De pelgrim reist per definitie alleen - hij vertrekt althans alleen. Wanneer hij voor een kortere of langere tijd kompanen zal krijgen, zullen die onverwacht, misschien onverhoopt, maar zeer zeker ongepland zijn.

Over de bestemming die zij tegemoet gaan, kan hij leren, door het samen onderweg zijn, en hierdoor kan ook licht op zijn eigen bestemming worden geworpen.



Bekijken we nu eens onze pelgrim. Ik bedoel: vragen we ons eens af, wat iemand tot pelgrim maakt.

En het is hier belangrijk om twee manieren van 'reizen' te onderscheiden. 

Want er zijn mensen die 'ergens willen zijn', en er zijn anderen die willen 'wegvluchten' van de situatie in dewelke ze zich bevinden. 

De eersten, zij die een doel voor ogen hebben, zullen dit doel beschouwen als kostbaar genoeg om er de inspanningen en de tijd aan te spenderen.

Bij de laatst genoemden, zij die alleen maar willen wegvluchten, stelt zich het probleem van het offer niet: zij hebben immers niets te verliezen, en ze zijn er van overtuigd dat het alleen maar beter kan worden wanneer zij hun pakken achterlaten.

De eerst genoemden streven een hoogstaand doel na, de laatst genoemden zijn eigenlijk vluchtelingen, of ballingen.



Het is duidelijk dat wij het hier niet over de vluchtelingen zullen hebben. Maar tegelijk moet gezegd worden, dat wij in wezen allemaal voor een stuk ballingen zijn.

Milton's Paradise Lost of Vondel's Adam in ballingschap: het is doorheen de hele geschiedenis van de literatuur, maar ook elders, een constant gegeven.

Wanneer Noord-Afrikanen, haast zonder middelen, het leven riskeren in een vermetele overtocht naar het beloofde land van Europa, dan is het uiteindelijk niets anders dan die drang naar het Verloren Paradijs, die hen daartoe de - vaak bovenmenselijke - kracht geeft.

Weliswaar werden de meesten van hen misleid door sterke maar leugenachtige verhalen, zodat ze meestal reeds na een kortstondig verblijf geen andere verzuchting meer koesteren dan zo gauw mogelijk terug te keren naar de plaats van herkomst - als dit tenminste nog mogelijk is.

Deze dikwijls zieltergende tragedies zijn ons maar al te goed bekend. Dat mensen toch steeds weer bereid blijken zich in dergelijke roekeloze avonturen te storten, kan ons alleen maar van de ernst van hun armoedige situatie overtuigen.

Met andere woorden: vluchten is geen hoogstaand doel, maar toch moet het gezegd worden: hoe erger het met ons gesteld is, des te meer zijn wij bereid - of voorbereid - om te vertrekken.



En hoe is het met ons gesteld? - en ik doel hier niet op onze materiële verzuchtingen, ik doel hier niet op zaken zoals onze carrière, zelfs niet op onze gezondheid: ik bedoel hier enkel en alleen onze condition humaine in vraag te stellen.

Meteen kunnen wij het antwoord distilleren uit de lading die aan de uitdrukking - condition humaine - zelf haar diepe betekenis heeft gegeven: met de mens is het, welhaast per definitie, niet te best gesteld.

Van nature zijn wij, mensen, onafgewerkte dieren. Wij dragen geen pels, onze 'jongen' kunnen niet overleven als wij hen niet vele jaren lang met zorg ommantelen, onze soort zou weldra uitsterven indien wij ons niet met techniek inlieten, en indien de duizenden problemen van de wetenschap niet de onze waren.



Maar ook als mens, zijn wij onaf, en voelen wij - althans in momenten waarop wij tot eerlijkheid met onszelf gedwongen worden - in het diepste van onze ziel, een vage ontevredenheid, een verre heimwee, en een pijn als van een groot verlies.

Ook voelen wij, haast voortdurend, dat wij onze bestemming nog niet hebben bereikt: we willen vooruitgang, verandering, vernieuwing, en wij hopen daarbij telkens een stapje dichter te zullen komen bij datgene waarvan we ons leven lang dromen, terwijl we het toch niet exact kunnen benoemen.



Citeren we nogmaals Dante, de verzen 124 tot 126 uit het tiende gezang van het Purgatorium: Non v' accorgete voi, che noi siam vermi,/ nati a formar l' angelica farfalla,/ che vola alla quistizia senza schermi?

In vertaling: Beseft ge niet, dat wij de rups gelijken,/ waaruit de hemelvlinder zich ontwikkelt,/ die onverhuld ten oordeel op moet stijgen?

 

 

 

Wij kùnnen, om het met andere woorden te zeggen, onmogelijk berusten in de situatie waarin wij verkeren, omdat het ons lot is om naar het hogere te streven: de mens heeft een roeping, hij moét hogerop, hij is gedoemd om, keer na keer, het verworvene en het vertrouwde gedag te zeggen, nieuwe horizonten te verkennen, risico's te nemen, het onbekende recht in de ogen te kijken, en het te overwinnen, om zo hogerop te gaan. dat is de enige weg die ons kan vrijwaren voor een troosteloze ondergang. De mens is aan een eeuwige verpopping onderhevig. En het is precies dank zij dit 'juk', dank zij zijn heimwee en zijn troosteloze zoeken, dat hij zich 'mens' kan noemen. De mens, de nooit gearriveerde, de altijd op weg zijnde, de reiziger bij uitstek.

(J.B., 1995)


2.

We kennen allen het verhaal van het doel en de weg erheen, maar als inderdaad niet het doel het belangrijkste is, doch de weg erheen, dan perverteert het kapitalisme de vooruitgang omdat het tijd identificeert met geld terwijl het mikt op snelheid of tijdwinst.

Indien het maar mogelijk was dan zou de kapitalist ervoor zorgen dat men in helemaal géén tijd van punt A naar punt B kon reizen. Het zou dan volstaan om in B te willen zijn om daar ook effectief te arriveren. Wie dacht aan B, was al in B aanwezig. Het onderscheid tussen de wens en het feit ware onbestaande, het verschil tussen werkelijkheid en droom opgeheven. De vraag luidt echter of er dan überhaupt nog iets zou (kunnen) zijn. 

In zijn Jeder für Sich und Gott gegen alle uit 1974 laat de Duitse cineast Werner Herzog, de vondeling Kaspar Hauser enkele van zijn visioenen vertellen nadat hij werd bevrijd uit de kelder waarin hij zijn hele kindertijd heeft doorgebracht. In een van die visioenen ziet de zonderling een lange karavaan van mensen die over de wereld trekken, maar de karavaan heeft kop noch staart, de mensen blijken helemaal nergens heen te gaan. (1)

In dezelfde zeventiger jaren publiceerde de prestigieuze Club Van Rome, een boek over de grenzen aan de groei, dat herinnert aan de legendarische toren van Babel: de toren groeit totdat hij op een dag niet verder groeien kan omdat het materiaal dat aangevoerd wordt voor de verdere bouw, voor de onderhoudswerkzaamheden onderweg wordt opgebruikt.

Onze communicatiemiddelen worden complexer, onze taal differentieert en op den duur verstaan we elkaar niet meer en loopt alles in het honderd. De instrumenten die ons leven makkelijker moeten maken, bemoeilijken het. Tuigen die ons moeten helpen om tijd te winnen, nemen ons hele leven in beslag. Scholen maken ons afhankelijk en dom. De tegendoelmatigheid uit de Griekse tragedies blijkt ook onze vloek; de weg is een modderpoel en aan de einder verzwinden onze doelstellingen in een dichte mist. 

De mensheid verlangt naar vrijheid én naar veiligheid; de vrijheid schept met ongeremde droom het doel maar de veiligheid verspert de weg erheen daar deze ligt bezaaid met wolfijzers en schietgeweren. De vrijen gaan op weg en de voorzichtigen blijven bij de pakken zitten omdat zij geloven sowieso hetzelfde lot te delen: worden zij niet allen buit gemaakt door de dood? Zij die op weg willen naar hun doel, wensen alleen niet te beseffen dat wat gebeuren moet, hoe dan ook gebeuren zal; zij verkeren in de waan dat zij hun toekomst kiezen.

Als het leven een reis is dan leidt hij naar de dood, zoveel is zeker en geen mens die dapper genoeg is om de feiten onder ogen te zien, zal dit ontkennen. Toch geven wij allen een eigen betekenis aan het einde van onze weg en dat doen we heel terecht, alleen al omdat er geen einde is zonder weg, zodat het steeds gaat over het specifieke einde van een specifieke weg. Het einde van een plezierreis is daar waar het plezier ophoudt - het is een triestig einde; het einde van een lijdensweg is daar waar geen leed meer is - het is een verlossing. De dood kan eruit zien als een dief die het genot wegsteelt of als een zalf die alle wonden heelt. Elk eindpunt wordt bepaald door de weg die daaraan voorafgaat en omdat wijzelf het zijn die een weg kiezen, kiezen we ook een eigen eindpunt.

Het begrip vooruitgang zelf - het vooruitgaan - bevat reeds het op weg zijn, maar tevens duidt vooruitgang op een toename of een vermeerdering, een groei van al datgene wat de toekomst tegemoet gaat. Dat wij vooruitgaan betekent dat wij winst boeken, het wil zeggen dat wij klimmen, van niveau veranderen, carrière maken, hogerop geraken. En zo begint een honderd jaar oud lied als volgt:

Heidewitsjka! Vooruit geef gas! Dat oude getreuzel komt niet meer van pas!

Het gaat hier om de letterlijke vooruitgang die geboekt wordt door de uitvinding van de auto, die zal toelaten dat wij ons sneller verplaatsen. Sneller, hoger, sterker, zo scanderen de Olympische atleten het in hun vurige vlaggen. Want er moet tijd gewonnen worden, tijd is immers geld, of is het veeleer andersom? Onze levenstijd is beperkt, gewis heeft elk van ons een eigen dood welke geduldig op hem wacht, de tijd tikt weg en niemand kan hem stoppen; daarom ook zoeken wij soelaas in het opdrijven van de snelheid waarmee wij door het leven gaan of razen. Ergens spiegelen wij onszelf voor dat als onze snelheid maar hoog genoeg is, de dood ons niet zal inhalen. Maar Achilles haalt de schildpad in, wat Zeno ons ook wil laten geloven. Een hogere snelheid laat ons toe om in dezelfde tijd een grotere afstand af te leggen, maar de tijd blijft uiteraard dezelfde, er komt geen fractie van een seconde bij. Het is bovendien zo dat grote snelheden onze aandacht zozeer opslorpen, dat wij als het ware helemaal onttrokken worden aan de weg en aan de plaatsen waaraan wij nog slechts voorbijrazen, terwijl zij ooit, in veel tragere tijden, rustpauzen boden en lafenis, verhalen en histories, geheimen en beloften. Vandaag lijken alle plaatsen eender, zij zijn verworden tot louter punten op de rechte lijn waartoe onze reis herleid werd. En inderhaast hebben wij helemaal niets gewonnen, integendeel vergooien we aldus het weinige dat wij ooit bezaten of ervoeren. En naast die hypersnelle verplaatsingen spenderen wij ons hele leven aan de fabricatie van de supersnelle tuigen en aan het bijeenschrapen van energie en andere middelen om ze te laten werken. Winst boeken wij niet bij die hele onderneming, zeer in tegendeel: rust verkeert in haast en drukte, ons bestaan verwordt tot dat van een robot die sowieso geen tijdsbesef meer heeft.

De weg is belangrijker dan het doel en zeg nu zelf wat uw voorkeur geniet: een langzame uitstap met paard en kar via veldwegels tussen bloemen en bossen met een picknick her en der, een schuilplaats als een onweer losbarst, een fazant of een haas op een geïmproviseerde barbecue en spannende verhalen na de zonsondergang bij een kampvuur na een frisse duik in een of andere wal - ofwel een reis per supersonische raket waarin men stokstijf neerligt, niet bewegen kan, een zuurstofmasker op de snuit en instrumentenborden die doen duizelen.

Weliswaar geraakt men met de raket véél verder dan met de houten kar, misschien wel honderdduizend keren verder, misschien belandt men met die tuigen op de maan, op Mars of in een ander zonnestelsel, terwijl de kar ons zelfs niet van de aarde kan verheffen, geen stroom kan oversteken en bij ontij wachten moet. Maar andermaal: indien het inderdaad zo is dat het doel er niet toe doet en dat het om de weg gaat die erheen leidt, zou men dan kiezen voor een leven in de gevangenis van een astronautenpak en in de hoogspanning van aandacht en gevaar terwijl daar altijd nog het aards paradijs te wachten ligt van bij 't begin der tijden om ontdekt te worden?

(J.B., 31 augustus 2013)

 

Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview

Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview

Omsk Van Togenbirger, men zou het niet zeggen maar u bent intussen hoogbejaard zoals men dat zegt?

OVT: Zo zegt men dat inderdaad, het einde komt in zicht.

Het is zeer zeker een ongenuanceerde vraag maar zou ik u mogen vragen tot welke conclusies u gekomen bent inzake uw wereldbeeld, in zoverre men tot conclusies kan komen uiteraard, want meningen veranderen en het is niet ondenkbaar dat ze nog verder zouden veranderen indien u, om maar iets te zeggen, nog eens zo oud werd als u heden bent?

OVT: Wat betreft uw laatste vraag, geloof ik niet dat mijn mening nog sterk zou veranderen indien ik nog veel ouder werd dan ik nu ben.

Ook niet als er ineens een wezen zou nederdalen uit de hemel dat beweert de schepper van hemel en aarde te zijn?

OVT: Dan zou ik onmiddellijk denken aan een illusie, hetzij ingevolge een mentale ziekte, hetzij door technologische trucs!

U vindt mijn vraag ook niet misplaatst?

OVT: Neen hoor. Om te beginnen is mijn mening helemaal niet zo belangrijk maar anderzijds zou het wel vervelend zijn om op het laatste nippertje nog in de mot te moeten krijgen dat men in het wilde weg gaat speculeren... Niemand kan het fijn vinden dat men hem of haar belijdenissen in de mond gaat leggen die niet de zijne of de hare zijn.

Komt u dan tot een eenduidige slotsom?

OVT: Mijn slotsom is tweevoudig en kan in twee woorden worden uitgedrukt, al doet men op die wijze de waarheid sowieso geweld aan. Er zijn twee punten en ze zijn niet zonder morele implicaties, maar dan wel morele implicaties voor het eigen leven... dat bijna ten einde is, want dat is paradoxaal genoeg een grandioos euvel, nietwaar?

U bedoelt dat men pas tot een definitieve moraal kan komen als het leven er op zit?

OVT: Eenmaal een vakman zijn stiel begint te kennen, wordt hij te oud om die nog uit te oefenen, ja, en dat geldt voor iedereen.

Twee punten, zegt u?

OVT: Het eerste laat zich samenvatten in een erkenning van de bevindingen van het historisch onderzoek omtrent de Abrahamitische godsdiensten, de openbaringsgodsdiensten: ik geloof te begrijpen dat de betrokken religies weliswaar reuzen zijn maar dan wel reuzen op lemen voeten.

En dat wil zeggen?

OVT : Dat de feiten ontbreken: alles berust op fantasie, inbeelding en dus waanzin. Vergeeflijk weliswaar maar niet langer vergeeflijk in het licht van de genoemde bevindingen waarvan iedereen kennis kan nemen. Traagheid gecombineerd met onwetendheid maken dat de religieuze wereldbeelden vooralsnog bestaan. Ook is er de immoraliteit die met die religies samenhangt, maar dat is hier nu niet aan de orde.

En de overige godsdiensten?

OVT: Fantasie! Meestal met bijbedoelingen, bijvoorbeeld in het geval van het Hindoeïsme, dat het kastensysteem ondersteunt. Ik beweer niet dat profeten allerhande geen ware dingen hebben gezegd, volkswijsheden bijvoorbeeld, maar dat maakt niet uit.

Dan bent u een verlichte geest?

OVT: Helemaal niet en dat is mijn tweede punt.

Leg eens uit!

OVT: Het belang van de rede bestaat er volgens mij in dat zij gedegen kritiek mogelijk maakt op onder meer de genoemde godsdiensten. Het zou oneerlijk zijn om historici die hebben aangetoond dat de feiten waar religies naar verwijzen, luchtspiegelingen zijn, over het hoofd te zien. Fair play vereist dat men zich daarbij neerlegt, punt.

Maar er is een maar?

OVT: Waar de rede zich in de plaats gaat stellen van het geloof, maak zij zichzelf tot profeet en vervalt zij alras in een gelijkaardige waanzin.

Wat bedoelt u daarmee?

OVT: De werkelijkheid heeft geen redelijke structuur, als ik het zo mag uitdrukken. Met de rede kan men wel graven tot op een zekere diepte maar daaronder zitten nog lagen die onkenbaar zullen blijven.

U bedoelt dat het mysterie blijft?

OVT: Het zou zelfs vloeken met de rede als men aannam dat de werkelijkheid rationeel uitlegbaar was. De stelling dat hetgeen wij niet kunnen begrijpen, ook niet kan bestaan, is gewoon onnozel.

En de wetenschappelijkheid dan?

OVT: Wetenschappen beschrijven, hun verklaringen zijn louter beschrijvingen, ze verklaren niet ten gronde en een grondige verklaring is bovendien principieel onmogelijk.

Waarom dan?

OVT: Het gekende is een klein deeltje van het Zijn maar sommigen willen het Zijn met hun kennis insluiten en dat zet alles op zijn kop: dat is een muizenval, zoals het solipsisme.

De Verlichting zegt u derhalve niets?

OVT: De rede laat ons toe om aan te tonen dat iets niet zus of zo kan zijn. Maar waar zij dan verder het laken naar zich toe trekt, krijgt men een potsierlijkheid vanjewelste. U hebt beslist gehoord over de Verlichte geesten van de Franse Revolutie met hun nieuwe kalender en hun nieuwe heiligen?

Moeten wij de wetenschappen dan achter ons laten?

OVT: Beslist niet. Maar waar zij systemen worden, dreigen zij te veranderen in leugenfabrieken. Systemen vertonen niet bepaald de neiging om hun fouten te erkennen of om toe te geven dat zij werken met waarschijnlijkheden en allerminst met waarheid. Zij schermen met feiten maar men kan nooit beschikken over alle feiten en dat maakt de feiten waarover wij wel geloven te beschikken, irrelevant.

Is dat zo?

OVT: Nieuwe feiten, ontdekkingen, kunnen een wereldbeeld op zijn kop zetten. Het snijdt geen hout om zich te gaan verschuilen achter het geloof dat men het met de rede uiteindelijk wel zal klaarspelen. Geef ons nog wat tijd, zo zegt men, maar dat argument houdt helemaal geen steek, het heeft alleen vat op fans. Ook wie zweren bij de Verlichting, zijn fans of dus gelovigen.

En wat zijn de morele implicaties van uw wereldbeeld?

OVT: Wie tot de genoemde slotsom menen te moeten komen, behouden een verwondering met betrekking tot het leven.

En wat houdt die verwondering dan in?

OVT: Dat is niet langer uitdrukbaar omdat verwonderd zijn een toestand is waarin men gaat verkeren, zoals bijvoorbeeld de verliefdheid.

En daar houdt het op?

OVT: Ik zou zeggen, daar begint het eindelijk.

(J.B., 2 juni 2026)

 

Canetti's Massa en macht Aflevering 9: Totalitarisme en de anticipatie van alle kritiek

Canetti's Massa en macht

Aflevering 9: Totalitarisme en de anticipatie van alle kritiek

Manufacturing Consent uit 1988 van Noam Chomsky en Edward Herman1 over hoe potentaten de massa bewerken met het oog op het bereiken van instemming met de gevoerde politiek, is uiteraard ook en vooral van toepassing bij een bespreking over de verhouding tussen macht en massa. In dat werk wordt met talrijke voorbeelden aangetoond hoe de beïnvloeding van het oordeel van de massa heel subtiel gebeurt, wat wil zeggen: niet door grofweg te gaan liegen maar door bijvoorbeeld publicaties die in de kaart van de potentaat spelen, te promoten en door kritiek op zijn politiek te verzwijgen. Promotie gebeurt onder meer middels eerbetoon in de vorm van toekenning van grote prijzen - een handelwijze die de machtigen der aarde hanteren sinds het begin ter tijden - wat eigenlijk alles verdacht maakt wat zich afspeelt in het licht van de schijnwerpers. Het verzwijgen van kritiek is dan het uit het licht van de schijnwerpers houden van alle mogelijke tegenstanders van het gevoerde beleid.

Dat die tactiek mettertijd ook agressiever is geworden, leidt geen twijfel: aan medestanders worden Nobelprijzen toegekend maar er wordt ook steeds vaker actief naar tegenstanders gezocht die dan genadeloos worden afgemaakt en hier wordt dan niet langer vrede genomen met het verzwijgen van de waarheid maar gaat men zich daarentegen bezondigen aan het verspreiden van leugens. De leugenaar doet er alles aan om zijn ontmaskering als een maskerade - als een leugen - voor te stellen, wat vaak gebeurt door zijn eigen gekleurde oordelen voor te stellen als zijnde afkomstig van een objectieve rechter. In een kapitalistisch systeem deelt het geld de lakens uit en is het niet alleen ondenkbaar maar tevens onvermijdelijk dat de bemanning van grote prijzencommissies zoals het Nobelprijscommitee maar ook die van machtige organisaties zoals de WHO wordt aangeduid door het kapitaal dat op die manier zijn beleggingen beveiligt.

Wanneer Elias Canetti, zelfverklaard atheïst maar desalniettemin met joodse roots, in Meute und Religion, het derde hoofdstuk van zijn Masse und Macht, op een bijzonder selectieve manier de religies gaat behandelen, gaat nu als vanzelf het door Chomsky en Herman gesmede belletje rinkelen en aan de aandachtige lezer zal de ijver niet ontgaan waarmee de auteur onderscheid maakt tussen zijn mede- en tegenstanders op het vlak van religie. Waarschijnlijk geheel ongewild blijkt ook Canetti een slachtoffer van de systemen die hij analyseert.

(J.B., 28 mei 2026)

1Noam Chomsky en Edward S. Herman, Manufacturing Consent. De politieke economie van de massamedia, vertaling naar het Nederlands door Jan Reyniers, Epo, Berchem 2025. Oorspronkelijk: Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media, Pantheon Books, New York 1988.

 

Canetti's Massa en macht - Aflevering 8: Canetti en Poe

Canetti's Massa en macht

Aflevering 8: Canetti en Poe

De kerk heeft het kwaad in het algemeen en in het bijzonder het hier aan de orde zijnde euvel dat inherent is aan de technologie uitmuntend beschreven, echter zoals ook heel wat andere instellingen dat deden en dat nog steeds doen, met het oog op het zich profileren als de ultieme remedie en zoals Coca-Cola zich opwerpt als de beste dorstlesser, zo werpt ook de kerk zich op als het beste medicament tegen het door haar beschreven kwaad. Maar zoals Coca-Cola slechts een (ondermaatse) Ersatz is voor zuiver water, zo ook houdt de kerkelijke leer zichzelf geheel onterecht voor de waarheid en zoals het succes van Coca-Cola blijkt uit de bloei van deze multinational, zo ook kan men het succes van de kerk aflezen uit de pracht en praal van de dictatuur die het Vaticaan is en waar zij haar heuse wereldse zetel heeft. De kerk was sinds haar begintijd een aan de wereldse machten verkocht christendom maar in 1929 vestigde zij haar zetel in het hart van Rome, symbool van de wereldse macht, en dit krachtens het Verdrag van Lateranen, gesloten tussen Pius XI en de fascistische dictator Benito Mussolini die aldus naar de sympathie dong van de paus, waarna het katholicisme de Italiaanse staatsgodsdienst werd met door de staat betaalde weddes in ruil voor de bisschoppelijke loyauteit aan de staat. Wel bijzonder hypocriet daarbij was de belofte van de kerk zich voortaan te zullen onthouden van politiek, ook in acht genomen het onuitgesproken pact van de paus met de zogenaamde 'zwarte adel'.

Onder het verstommende illusionisme van de kerk bezweek kennelijk ook Elias Canetti, daar hij haar in zijn Masse und Macht beschreef als een vijand van de massa, zoals blijkt uit zijn paragraaf 3.9, getiteld: “Katholizismus und Masse”, waar hij bijvoorbeeld schrijft: “Das Mißtrauen gegen die Masse hat den Katholizismus seit langem nicht mehr verlassen, das alles hat die Kirche schon früh dazu bestimmt, in der offenen Masse ihren Hauptfeind zu sehen und sich auf jede mögliche Weise gegen sie zu stellen. (…) Alle ihre Glaubensinhalte, wie auch alle praktischen Formen ihrer Organisation, sind von dieser unerschütterlichen Erkenntnis gefärbt. Es hat bis jetzt keinen Staat auf der Erde gegeben, der sich auf so mannigfaltige Weise gegen die Masse zu wehren verstand. An der Kirche gemessen, erscheinen alle Machthaber wie traurige Stümper.” Verbijsterend inderdaad, evenals The Purloined Letter van Edgar Allan Poe: om te verhinderen dat een geheim ontdekt wordt, moet het worden uitgestald in het zicht van iedereen, waar immers niemand het zal zoeken.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 27 mei 2026)

 

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten