Tienerliefde.


Tienerliefde.

Sinterklaas!

Waar is de tijd? Dagen vervuld met angstige spanning, hoop, verwachting en geloof in wonderen. Ik herinner mij als de dag van gisteren, en het is echt al wat langer geleden, die avond begin december. Ik moet een jaar of 6-7 geweest zijn en Zwarte Piet was op ronde in de straat en zou ook ons huis aandoen. Vol angstige spanning zaten wij braaf te wachten. Opeens een hard gebons op de deur. Niemand van ons verroerde een vin en we staarden als gebiologeerd naar de deur waarachter een zwarte hand verscheen. En daar kwamen er twee Pieten binnen met een grote jutezak, waarin ze blijkbaar één en ander meezeulden. De Chefpiet nam ons een voor een op de korrel en mijn zus was onder de divan gekropen en was absoluut niet van plan om daar onderuit te komen, zolang het bezoek niet verdwenen was!
De Pieten vertelden ons dat ze reeds de hele straat waren afgegaan en dat het maar goed was, dat wij nogal braaf geweest waren, want iets verder in de straat was er een kindje, dat echt stout was geweest! En waar denken jullie dat dat kindje nu zit??? Juist ja, in mijn zak hier, zegde de Piet, die de jutezak voortzeulde! In eerste instantie waren wij natuurlijk verstijfd van angst, maar ik wilde toch echt weten, of dat wel waar was. Dus ik vroeg met een bang stemmetje, of dat ook echt zo was, dat zij een kindje in de zak meesleurden. De Piet draaide zich naar mij toe, waarschijnlijk verwonderd, dat ik zoiets durfde te vragen, en zegde: Kom maar kijken, hier zit ze in!
En geloof het of niet, maar ik deed inderdaad een paar passen naar voor en wierp een blik in de zak. En wat zag ik? Suzanne, een meisje uit de straat met blonde krullen, zat in de zak!! Er was maar een meisje met blonde krullen, dus het was zéker Suzanne! Daaruit blijkt maar weer, hoe kinderen, en soms ook volwassenen, zien, wat ze verwachten te zien op een bepaald ogenblik. Na nog wat gebrom en gepreek, vertrokken de Pieten, ons achterlatend met het vreselijke gevoel, dat de blonde krullebol in de zak ons buurmeisje was.
Toen wij al wat groter waren en 's avonds samen aan tafel ons huiswerk maakten, gebeurde het met Sinterklaas regelmatig, dat er keihard op de rolluiken werd geroffeld. Iedereen hield dan zijn adem in en hield betreffend venster in de gaten. Natuurlijk werd er dan van een totaal andere zijde lekkers naar binnen gezwierd! Dat was, ondanks de hartkloppingen, een welkomme afleiding, want wij werden nooit overstelpt met zoetigheden of mandarijnen, en iedereen haastte zich om zijn deel bijeen te grabbelen.
De avond van Sinterklaas, zetten wij dan allemaal een bord op de eetkamertafel, met wortelen of brood erin en daarna gingen de deuren op slot. Sinterklaas en Piet konden overal binnen, die hadden geen sleutel nodig! Slapen werd een erg moeilijke klus die nacht en bij het ochtendgloren stonden wij dan ook aan het bed van onze ouders, "of het nog niet tijd was om op te staan?".
Wij werden dan nog een tijdje aan de draai gehouden tot het ogenblik aanbrak dat iedereen naar beneden ging. We moesten allemaal gewassen, aangekleed en netjes gekamd zijn, eerder gingen de deuren niet van het slot. Mijn pa treuzelde dan behoorlijk om de spanning op te voeren en wij probeerden om beurten door het sleutelgat iets te ontwaren. Iedereen zag vanalles en nog wat! Dat was echter absoluut onmogelijk omdat alle lichten gedoofd waren en de rolluiken naar beneden. In de plaats was het aardedonker en alleen onze kinderfantasie nam een loopje met ons, net als bij die zak! We zagen of meenden te zien, waar we het meeste naar verlangden.
Als eindelijk de deuren opengingen, was het één groot feest. Veel speelgoed was er voor ons in die jaren niet bij. Maar we kregen altijd nieuwe kleren, die dan broodnodig waren voor de winter, wat snoep en fruit , een gezelschapsspel, spullen voor school en, wat mij het meest interesseerde: leesboeken. Dan kon mijn dag niet meer stuk en had ik niet eens meer oog voor al het andere. Het was mijn weg naar een andere wereld, vol spanning, avonturen en dromen.
ZOMERGEVOEL (Michelly 11-2005)
JIJ, ALTIJD WEER JIJ. (Michelly 25-11-2005)
Jij bent mijn lach en mijn traan
Brazilië en Duitsland!
Ik had niet alleen een Waalse penvriend, maar ook nog een Braziliaanse en een Duitse! De taal in Brazilië is portugees, en dat als enig land in Zuid-Amerika.In alle andere landen van Zuid-Amerika wordt er spaans gesproken. In Duitsland natuurlijk duits. Mijn Duitse penvriend was van het toenmalige Oost-Duitsland, namelijk van Halle a/d Saale. Volker, was een student aan de hogeschool (of universiteit?) van Klingenthal en hij volgde ingenieurstudies, die iets van doen hadden met chemie. Precies weet ik het allemaal niet meer. Hij was een blonde, knappe jongen en dat laatste weet ik alleen maar van de foto's, die hij stuurde. Ontmoet heb ik hem nooit, ofschoon hij dat dolgraag wilde. Ik weet nog dat hij schreef dat hij stages moest lopen in een bedrijf, dat muziekinstrumenten vervaardigde en ik kan mij voorstellen, dat de legering van zo'n instrument erg nauwkeurig moet berekend zij om een zuivere klank voort te brengen.
Oefening baart kunst!

Ik was een jaar of vijftien, en zat op de humaniora, waar natuurlijk ook vreemde talen als duits, engels en frans werden onderwezen. Daar mijn interesse in taal, de onze zowel als vreemde talen, steeds erg groot is geweest en nog is, was ik er direct voor te vinden om een briefwisseling te beginnen met meisjes of jongens van mijn leeftijd. Hoe wij aan die adressen geraakt zijn, kan ik mij niet meer exact herinneren, maar wij kregen die wel via de school toegespeeld en popelden om lange brieven te schrijven naar voor ons onbekende jongeren! Ik had het adres ontvangen van een jongen uit Vresse-sur-Semois in de Ardennen en ik haalde mijn beste frans boven, en vertelde over alle kleine gebeurtenissen op school en thuis. Claude was één van de twee zonen van de commandant van de gendarmerie van Vresse-sur-Semois en er ontwikkelde zich een gezellige correspondentie, die gedurende de ganse humaniora voortkabbelde. Tijdens het groot verlof na mijn humaniora zou ik hem voor de eerste keer ontmoeten, want ik mocht (!) op vakantie op de gendarmerie en mijn correspondentievriend ontmoeten na al die jaren van ijverig schrijven.
Maar schrijven is natuurlijk één ding, en praten een héél ander! Als je schrijft in een vreemde taal kun je nadenken en eventueel iets opzoeken, waaraan je twijfelt. Als je praat moet het er direct zijn, en fouten uitwissen gaat niet!
Toen ik daar dan arriveerde, was mijn hartje dan ook erg klein en was ik héél weinig van zeggen. Ik kan echt mijn zegje wel doen, maar daar was op dat ogenblik helemaal niets meer van te merken en mijn zwijgen "in alle talen", werd alleen maar af en toe onderbroken door een "oui" of "non" en daarmee hield het op.
Claude en zijn broer hadden duidelijk in de gaten, waar het schoentje wrong en begonnen mij behoorlijk te plagen en op mijn kop te zitten en hun vader keek lachend toe en had van ons drie het meeste plezier, denk ik. Zo te zien, kon hij de strategie van zijn zonen wel waarderen!
Het geplaag werd zo erg, dat ik het echt niet meer over mijn kant kon laten gaan. Ik was nochtans aardig wat gewoon met zes broers!
En toen ik de eerste repliek in het frans gegeven had, was ik natuurlijk vertrokken en dat was de bedoeling geweest van de hele plagerij.
Ik voelde mij best op mijn gemak op de gendarmerie met de twee broers, want ik was het gewoon om met jongens om te gaan en begreep aardig wat van hun leefwereld.
Vlakbij de gendarmerie lag een klein hotel en daar verbleven een groep Waalse jongeren, meisjes en jongens, die ook hun humaniora beeindigd hadden en samen hun vakantie doorbrachten, vooraleer verdere studies aan te vatten. Wij troffen hen 's avonds op het terras bij een drankje en geraakten in gesprek. Het klikte en het gevolg daarvan was, dat wij elke dag samen optrokken, lange wandelingen maakten, plaatsen bezochten of gewoon rustig langs de Semois zaten te keuvelen terwijl er gezwommen, gevist, kano gevaren of alleen maar pootje gebaad werd.
Op een dag waren wij weer te voet onderweg en de voertaal was, zoals steeds frans.Plots vroeg iemand mij, waar ik dat vlotte frans geleerd had. Ik antwoordde hem: Op school.
Daar begrepen ze dus niets van. Want zij hadden ook nederlands op school geleerd, maar konden toch echt niet, volgens henzelf, een vlot gesprek voeren in het nederlands!
Ik vroeg hen om iets te zeggen in het nederlands. Wat er toen kwam, vergeet ik mijn hele leven niet meer, omdat het zo ongelooflijk grappig was: Eerst volgden de nodige krachttermen !!! Toen ik hen vertelde, dat fatsoenlijke mensen, die niet gebruikten, schakelden ze over op een hoger niveau.
Eerste zinnetje was: De dunne telefoondraden wiebelen tussen de dunne dunnebossen!
Ik vertelde hen dat het geen "dunnebossen" waren, maar dennebossen.
Het volgende zinnetje: De forellen ijlen door de wateren van de Semois.
En dan moeten jullie die "ij" en "w" op z'n frans uitspreken!
Toen ik hen vroeg welke schrijvers zij toch wel te lezen gekregen hadden, kreeg ik als antwoord: Guido Gezelle en Multaluli.
Geen wonder dat die arme stakkers geen normaal gesprek in het nederlands konden voeren. Maar gelachen heb ik zeker, en ze namen het me echt niet kwalijk.
Mijn correspondentievriend zou naar Brussel gaan om verder te studeren aan de school voor officieren bij het leger. Geleidelijk verwaterde de correspondentie.
Jaren later gebeurde er echter iets grappigs. Twee van mijn broers studeerden in Brussel en kregen les in wiskunde van een officier van het leger. Zelf volgden zij een opleiding voor officier bij de rijkswacht.
Plots keek de docent hen aan en vroeg: hebben jullie een zus, die Michelly heet?
Mijn twee broers, stomverbaasd, knikten allebei dat dit inderdaad zo was.
Hij zegde: Doe haar de groeten van mij, ik ben haar vroeger correspondentievriendje uit Vresse-sur-Semois!
Prachtig vond ik het en ZO KLEIN is onze wereld!
Licht uit, licht aan.........
In een gezin als het onze, was er telkens wel iets loos. En ik verwonder er mij over, dat het niet eens ophef makende gebeurtenissen zijn, die onbewust in mijn onderbewustzijn bleven hangen.
De bloemen, de bijtjes ........

Waar is de tijd, dat wij niet eens wisten wat een TV was, nooit gehoord hadden van een computer of van computerspelletjes en wij de radio alleen interessant vonden, als er, voor onze begrippen, mooie muziek te horen was, hetgeen gelijk alle nieuwsberichten of sportuitslagen uitsloot!
Ja wat voerden wij dan uit de ganse dag? Vervelen? Géén sprake van, want er was héél veel te doen. Een van onze geliefkoosde spelletjes was vogeltjes vangen. Ik denk dat Gaia nog niet bestond in die tijd, of is het mogelijk daarvoor aangeklaagd te worden met terugwerkende kracht?
Hoe wij dat deden? Met veel geduld en list. Wij namen het rechthoekige zeef, waarmee de assen uit de kachel gezeefd werden om de sintels eruit te halen. Dat zeef zetten wij schuin omhoog op een stevig stokje en aan dat stokje was een lang, dun koordje bevestigd. We plaatsten dat zeef op het betonnen paadje, dat de hof netjes in twee helften sneed. Onder dat zeef legden wij in melk geweekte broodkruimels en dan leidden wij dat koordje tot om de hoek van de staldeur, waar wij aan het wachten begonnen. En de musjes kwamen hoor, héél zeker. Alleen geduld was nodig en uithoudingsvermogen. Daarbij kwam dan nog, dat er in alle talen moest gezwegen worden, want anders kwam natuurlijk geen vogeltje opdagen. Op het ogenblik dat het musje parmantig onder het zeef wipte en een beetje wantrouwig en schichtig aan zijn broodmaaltijd begon, trokken wij bliksemsnel aan het koordje, het zeef klapte naar beneden en het musje zat gevangen. De kunst bestond er nu in, het diertje onder dat zeef uit te halen zonder dat het ontsnapte. En raar maar waar, het lukte ons telkens zonder moeite. Ik voel nog steeds dat kleine lijfje in mijn hand en dat hartje dat als een wilde tekeerging. Het musje werd dan in een vogelkooi gezet en met heel veel liefde verzorgd, en van brood en water voorzien. Toch kon het niet uitblijven dat het diertje stierf, want musjes zijn niet gemaakt om in kooien te leven en zoveel begrip van de natuur, hadden wij op die leeftijd nog niet. Verdrietig als wij dan waren, werd het diertje op zacht gras in een sigarenkistje gelegd en plechtig begraven ergens onder een bloemenstruik in de hof en er werd zelfs een zelfgemaakt kruisje opgezet, gemaakt van enkele takjes.
Mijn vader heeft waarschijnlijk zonder ruchtbaarheid, veel van die kistjes stiekem weer verwijderd, om zijn graafwerkzaamheden in het voorjaar niet in het gedrang te brengen.
Wij vingen niet alleen vogeltjes maar ook dikke hommels! Die beestjes zaten in grote getale op de bloemen, die veelvuldig aanwezig waren in onze hof. Wij vouwden kleine repen karton dubbel en met de open kant van het gewouwen kartonnetje plukten wij de hommels van de bloemen en plaatsen ze allemaal tegen het venster binnen in de stal. Daar bleven die lieve diertjes met veel misbaar tegen het glas vliegen en zoemen, en het was niet eens nodig de staldeur dicht te doen, want het kwam niet in hen op van het venster weg te vliegen. Als het vensterglas helemaal vol hommels zat, stopten wij met onze vangst en was het spelletje over. Tot ons ma in de stal kwam. Zij had totaal geen begrip voor deze sport en gebood ons elke keer opnieuw, de diertjes hun vrijheid terug te geven. Door het venster te openen, kozen er heel wat die vluchtweg, maar veel van hen moesten wij terug met dat geplooide kartonnetje opnemen en buiten laten vliegen. Het vensterglas was dan natuurlijk telkens aan een grondige poetsbeurt toe!
En in de gemetste kooien, mooi hun naam op het hout rond het gazen deurtje geschreven, keken onze konijnen met grote ogen en wippende neusjes toe.
De Zee!

Wat is het lang geleden, dat ik nog aan mijn Italiaanse vriendinnetje gedacht heb! Die met de vele gevlochten staartjes op de humaniora. Zij was, net als ik de oudste van een resem kinderen en woonde in een mijndorp niet ver van mijn geboortedorp. Wij hebben elkaar leren kennen op de humaniora en zijn dan ook enkele jaren bevriend gebleven. Ze is zelfs met mij op internaat geweest in de provincie Antwerpen (Torentjes Waver) en werd daar na een jaar wandelen gestuurd, omdat ze op de slaapzaal, onder de chambretten door met haar buurmeisje had liggen te babbelen en daarbij betrapt werd door de non.Het buurmeisje werd niet doorgestuurd, maar zij wel. Haar ouders waren dan ook minder welstellend.
Zij was geboren in Tripoli, het noorden van Afrika, waar haar vader, een Italiaan, grenswachter was. Haar moeder was een Duitse, en licenciate in de Germaanse talen. Het was een warm, beschaafd gezin en ik had het er echt naar mijn zin, als ik daar was. Wij trokken elke dag met elkaar op, tijdens de eerste vier jaren van de humaniora, totdat zij totaal onverwacht uit mijn leven verdween, omdat zij naar huis gestuurd werd, en ik verder op internaat zat. In de tijd, dat zij en ik samen naar Maaseik naar school gingen, nodigde zij mij op een dag uit, om samen met haar familie, met de trein naar zee te gaan!
Ik was totaal perplex! Zo'n cadeau had ik nog nooit van iemand gekregen en ik had nog nooit de zee gezien! Ik was trouwens in die tijd nog nooit buiten Limburg geweest, buiten de zeldzame bezoekjes aan een tante in Lier, samen met mijn moeder.
De vader van mijn vriendinnetje werkte in de mijn in Eisden en de mijnwerkers kregen treincoupons, waarmee ze gratis konden reizen. En ik mocht mee!! Ik sliep er gewoon niet meer van.
De dag brak aan, dat we het avontuur zouden aanvangen en de avond voordien was ik reeds bij haar blijven slapen, omdat er 's morgens erg vroeg vertrokken werd. Onze knapzak werd klaargemaakt, met boterhammetjes en drinken en fruit voor de ganse dag, en wij voelden ons lijk jonge veulens, die voor het eerst in de lente de weide in mochten. En daar gingen wij beiden. De een met lange zwarte haren en ik met lange middelblonde haren, netjes gekleed in de zondagse kleren, schoenen opgeblonken en witte sokjes aan. We waren 14 jaar oud en in die tijd waren dat nog "kinderen"met sokjes aan.
Gedurende de ganse treinreis hebben wij met grote ogen het voorbijsnellende landschap bewonderd. Er waren de nodige overstappen en dat was weeral spannend, en na enkele uren treinen kwamen wij in het station van bestemming aan. Ik realiseer mij nu, dat ik niet eens meer weet, naar welke badstad we geweest zijn. Zal wel Oostende geweest zijn, maar ik kan het niet bezweren. En dan met onze pick-nick richting strand. Het was geen mooi weer. De lucht zag grijs en er waaide een frisse wind. Maar niets kon ons deren. Het leven behoorde ons toe, want wij gingen de zee zien! Tot op heden voel ik dat gevoel, bij de aanblik van de zee. Ze was loodgrijs en de golven beukten op het strand. Er was geen greintje zonneschijn te zien, en ik liep daar op dat strand, richting water, terwijl het zand in mijn gezicht striemde. En toch was dat het mooiste, wat ik ooit gezien had. Ik ben de ganse dag in de buurt van de waterlijn blijven lopen. De schoenen met de veters bijeen gebonden en de sokken in mijn tasje. Ik kreeg niet genoeg van het geluid, de geur, het schreeuwen van de meeuwen en het bulderen en af- en aanrollen van de golven.
Tot op heden is de zee mijn grote liefde. In al haar schakeringen van grijs en zwart, groen en blauw, smaragd en wit schuim. Nog steeds zingt zij voor mij het mooiste lied, dat ooit gezongen werd en wordt. En dat cadeau had ik gekregen van mijn toenmalig vriendinnetje, waardoor zij voor mij voor altijd zal verbonden blijven met die herinnering aan de zee.
EEN HART VOL REGEN. (Michelly 09-2005)
De regen roffelt op de ruiten
Het gevonden broertje!
Ik had inderdaad ook nog wat broers! Zes in in aantal. Van één van hen herinner ik mij als gisteren, dat hij geboren is. Ik was net zeven en deed dat jaar mijn eerste communie. Voor dat grote gebeuren werd er door de naaister een communiekleedje gemaakt en dat moest natuurlijk ook gepast worden. Op een zekere dag kwam de naaister thuis om het kleedje aan mijn moeder te tonen. Ma lag echter boven in bed en als kind stel je jezelf helemaal geen vragen daarbij. Wij woonden toen nog in het kleine huisje, waar zeven van de acht kinderen geboren zijn.
JOUW WERELD (25.09.2005)

Je huppelt, je springt,
je danst blij, je zingt,
je neemt héél mijn hart
met je mee.
Je weent en je lacht,
je rent en verwacht
een wereld vol liefde
voor twee.
Voetsporen!Elke avond, als wij uit school kwamen, was de boodschap : eerst eten om 17u00 en daarna prompt allemaal aan de eetkamertafel om huiswerk te maken en lessen te leren. In de zogenaamde salon stond een tweede grote tafel en het jonge volkje werd dus in twee groepen verdeeld, zodat iedereen voldoende plaats had om zich te verdiepen in alles, wat ons slim kon maken. In de lagere klas werd in mijn tijd nog geschreven met een pen, die in de inkt gedoopt werd! Dat was geen sinecure, want als er een teveel aan inkt aanhing, viel al eens een klodder op het schrijfvlak en kon de hele tekst vanaf het begin opnieuw geschreven worden. In mijn herinnering werden zo héél veel nieuwjaarsbrieven meerdere malen geschreven en herschreven. Op een zekere dag werden wij allemaal op het matje geroepen bij pa. Dat wil zeggen, diegenen, die reeds met pen en inkt schreven. Wij stonden daar allemaal wat angstig te kijken want een boze pa, was echt niet om vrolijk van te worden. Zijn vraag luidde: wie heeft er met zijn pen naar het plafond gegooid??? Wij stonden hem allemaal stomverbaasd aan te kijken! Met een pen naar het plafond gooien! Hoe kwam hij erbij! En niemand van ons zou zich zulke baldadigheden in zijn hoofd halen, dat was wel heel zeker. Hij kreeg hierop dus van niemand een antwoord, maar hij bleef ervan overtuigd, dat wij wel eens met pennen naar het plafond gooiden want er waren allemaal kleine inktspotjes op ! Wij werden in groep gestraft omdat de dader zich niet bekendgemaakt had. Straf dat heette: vroeg naar bed en wij moesten sowieso reeds elke avond om 19u00 naar bed. Als we 12 jaar geworden waren, werd dat 21u00. Maanden later liep mij pa door het huis en ving op een bepaald ogenblik een vlieg. Hij was daar ontzettend handig in. Toen hij het insect dooddrukte had hij een inktvlek op zijn vingers! Opeens werd duidelijk, wie die inktvlekjes op het plafond gemaakt had. De vliegen zaten soms op de rand van de inktpot , vlogen weer weg en gingen dan op het lichte plafond zitten en lieten daar grandioos hun voetsporen na!
Het kleine zusje!
Ja dat had ik dus ook, een kleiner zusje! Ze is vier jaar jonger dan ik en wij verschillen als water en vuur! En daaraan is tot op heden niets veranderd! Gek eigenlijk als je uit hetzelfde nest komt en door dezelfde ouders bent groot gebracht en opgevoed. Ik heb dus steeds meer overeenkomsten gehad qua karakter met mijn broers, waar ik uiteraard dan ook beter mee kon opschieten. Ze huilde om het minste geringste en mijn broers vertikten het om met haar te spelen, want ze konden dus echt niet tegen dat "gezump" zoals ze dat zo mooi verwoordden!
Biologieles.

Eénmaal per week kregen wij met de leerlingen van de twee richtingen biologieles. De "latinisten" zaten helemaal achteraan in de klas, en die klassen waren, zoals reeds meegedeeld, niet bijzonder groot, zodat er met de plaats gewoekerd werd. Helemaal achteraan werden banken geplaatst, die dan ook nog tegen elkaar aangeschoven werden, zodat er één lange bank ontstond. De stoelen stonden met de rugleuning tegen de achterwand van de klas. Daar zaten wij dan met ons zevenen en er werd regelmatig wat afgegibberd! Op een dag had iemand een doosje, mooi verpakt op de lessenaar van de juffrouw gedeponeerd. Het enige wat wij wisten was, dat de inhoud iets griezeligs was. Zij kwam nietsvermoedend de klas in, zette haar schooltas op haar stoel en bemerkte het pakje op de lessenaar. Blijkbaar ging ze er van uit , dat iemand van de andere leraren of leraressen dat daar voor haar had neergelegd. Iedereen zat in spanning te wachten, hoe ze zou reageren en het was opmerkelijk stil in de klas, hetgeen voor haar een teken had moeten zijn, dat er iets niet klopte!
Ze was echter zo nieuwsgierig naar de inhoud, dat het haar helemaal niet opviel. Voorzichtig begon ze het papier rond het doosje te verwijderen en deed ze het deksel open. Iedereen hield letterlijk de adem in! Ze slaakte een luide kreet, werd lijkbleek, wilde gaan zitten maar haar tas stond op de stoel, en werd gelukkig opgevangen door een van de leerlingen op de eerste rij!
Uit het pakje kwam een dode muis te voorschijn en het arme diertje zal wel nooit hebben kunnen vermoeden, dat ze voor de bijna-flauwte van onze lerares verantwoordelijk zou zijn!
De lerares werd naar huis begeleid door een van haar collega's en de biologieles werd getransformeerd naar strafles. Tot op heden, weet ik niet wie die stunt heeft uitgehaald, maar spannend was het wel!
Dat was niet de enige straf, die ik ooit in de biologieles gekregen heb. Eén van mijn vriendinnetjes, een blonde goedlachse doktersdochter, zat naast mij, toen wij les kregen over de voortplanting van reptielen. De vraag was of die levend baarden! Iedereen van ons ging ervan uit dat dat inderdaad het geval was. National Geographic was nog niet te zien op televisie, dus daar konden wij ons licht nog niet gaan opsteken.
Onze lerares vertelde ons echter, dat slangen eieren leggen, en sommigen van hen zelfs zeer grote eieren! Mijn vriendinnetje was zodanig onder de indruk van dat ongelooflijk feit, dat ze hardop op hoge toon zegde: Maar hoe kan dat dan, die hebben toch geen "gieëtje"!(gaatje)
Ik kwam op dat ogenblik gewoon niet meer bij van het lachen, en heb de rest van de les buiten op de gang mogen doorbrengen! Alsof het mijn fout was, dat slangen wel een "gieëtje" hebben!!
De Jas van S.

Het was vroeger de gewoonte, dat er elk schooljaar klasfoto's gemaakt werden en dan van ieder kind ook nog eens een individuele foto, waarvan er één op postkaartformaat en een stuk of vier op pasfotoformaat aangeboden werden. Men kon die dan kopen of ook niet. Daarin was iedereen vrij. In onze tijd waren meisjes van 12 à 13 jaar nog echt kleine meisjes. De meesten van ons hadden vlechten of een paardestaart en we droegen gewoonlijk witte sokjes.Toen de klasfoto's gemaakt werden, was dat niet anders.
Op een zekere dag kwam onze klastitularis, een kruisheer S, met de foto's de klas ingestapt en zette zich pontificaal aan de lessenaar! Hij legde de foto's voor zich, nam ze één voor één in zijn handen en becommentarieerde ieder van ons! Verweer hiertegen hadden wij natuurlijk niet, want ons was geleerd in alle talen te zwijgen, als meerderen het woord voerden! Toen hij bij mijn foto aangekomen was, bekeek hij mij, dan de foto en zegde: Jij staat op de foto zoals je altijd kijkt: vrank! Ik moet ter verduidelijking zeggen, dat ik vrij lichte, grijs-groene ogen heb en de gewoonte had en nog steeds heb, de mensen recht aan te kijken als ik met hen praat of naar hen luister.
Het woord "vrank" werd door de meeste mensen echter gebruikt in de betekenis van "brutaal" en als ik iets niet was, was het wel brutaal. Mijn pa zou me alle hoeken van het huis hebben laten zien, als ik brutaal had durven zijn!
Ik ervoer zijn opmerking dan ook als een slag in mijn gezicht en zat daar eigenlijk totaal beduusd te bekomen van zijn commentaar. Nadat hij de foto's allemaal besproken had, ging hij verder met de les van Latijn.
Het was de gewoonte als een lesuur voorbij was, dat een van de leerlingen de jas en de schooltas van de leraar naar de volgende klas bracht. Die twijfelachtige eer was mij toebedeeld en ik moest zijn lange zwarte jas en tas naar het volgende lokaal brengen.. Daar stond ik in de lange, zeer hoge gang met de zwarte attributen van mijnheer S. In die lange, hoge gang waren ook zeer hoge vensters met diepe vensterbanken. Die vensters waren echter zo hoog in de muur aangebracht, dat ik nauwelijks aan de vensterbank raakte met uitgestrekte armen. Waarschijnlijk was dat om te voorkomen dat men door de vensters de buitenwereld zou zien. Alleen lichtinval was toegelaten! Het logische gevolg van die hoge vensterbanken was, dat er zelden of nooit stof geveegd werd!
En wat deed dit vranke kind nu???? Ik heb die mooie lange zwarte jas, priesters droegen in die tijd nog een soutane, op een van de vensterbanken gezwierd, de schooltas eronder gezet en naar mijn volgende leslokaal gegaan.
Hoe die jas van die vensterbank afkwam, kan iedereen zich vast wel voorstellen ? En het gevolg voor mij hoef ik ook niet aan de verbeelding over te laten zeker! Ik kreeg drie woensdagnamiddagen strafstudie. Dan mocht ik moederziel alleen, als enige in het ganse gebouw, straf schrijven in een klas. Mijnheer S. kwam om mij mijn opgave te geven en kwam later om 16u00 of 16u30 om de straf op te halen. Verder zag ik hem niet gedurende de hele namiddag.
Ik was totaal verdiept in mijn strafwerk, toen ik opeens opgeschrikt werd door zingen buiten! Nieuwsgierig stak ik mijn hoofd omhoog naar het venster. Staande op een stoel kon ik beneden in de straat, een groep jongens zien wandelen, begeleid door S.. Het waren een groep internen van het H. Kruiscollege op hun woensdagnamiddagwandeling. En een van hen zong uit volle borst het liedje dat ik steeds zal verbinden met mijn eerste strafstudie: Oh Carol!!!(I am but a fool!)
Geschiedenisles!

Kleine meisjes blijven niet klein, en plots was daar het ogenblik aangebroken, dat ik naar de "Humaniora" zou gaan. In die tijd had je de keuzemogelijkheid tussen "Oude Humaniora" en "Moderne Humaniora" en mijn keuze, of was het die van mijn ouders (?), viel op de Oude Humaniora, ttz. de Grieks-Latijnse. Het was een wereld van verschil. Elke dag vertrekken met de fiets naar de nabijgelegen stad om te gaan studeren. We waren met ganse groepen, jongens en meisjes, die van de dorpen rondom naar de stad fietsten en de groep werd alsmaar groter, naargelang we de stad naderden, want in elk dorp, dat wij doorkruisten, voegden zich opnieuw studenten bij de karavaan.
De manier van onderwijs krijgen, was natuurlijk totaal verschillend van het lager onderwijs. Voor elk vak hadden wij een andere leerkracht en dat waren Kruisheren voor sommige vakken en voor andere vakken dan weer regentessen.
In onze klas waren erg weinig leerlingen, nl. zeven Latinisten en vier Modernisten. Het was namelijk eerst het tweede jaar dat de Kruisheren een afdeling voor meisjes hadden en die beperkte zich de eerste jaren tot het Lager Middelbaar.
Bepaalde vakken kregen wij allemaal samen, anderen kregen wij natuurlijk apart, zoals Latijn, Grieks, wiskunde.
Wij zaten in erg kleine klassen. Het waren kamers van het klooster van de Ursulinen. De kamers waren volgepropt met lange banken, waarin wij met drie of vier meisjes zaten, en die aan een zijde tegen de muur geschoven waren. Als iemand naar het toilet moest, moest de hele rij opstaan om plaats te maken en die persoon doorgang te verlenen.
Er zat in onze klas een Italiaans meisje, waarmee ik jaren bevriend ben gebleven. Ze had lange zwarte haren, die ze in een paardestaart bijeengebonden droeg.
Op een bepaald ogenblik, in de les van geschiedenis,had ze zich geamuseerd met van die paardestaart een ongelooflijk aantal vlechtjes te maken, die ze over haar schouders drapeerde.
Onze leraar had reeds enkele malen gezegd, dat ze daarmee diende op te houden en haar aandacht bij de les moest houden, maar ze deed net alsof ze hem niet hoorde en ging rustig door met vlechten.
Zij zat op de plaats tegen de muur en er zaten drie meisjes, waaronder ik naast haar.
Onze leraar was een grote, forse en erg kalme man, maar iedereen wist, dat als hij boos was, hij een tafelblad in twee kon slaan met zijn vuist.
En opeens werd hij boos!
Met een daverende klap kwam zijn vuist op de lessenaar terecht en hij riep dat ze moest maken dat ze buiten kwam! Ik heb nog nooit iemand zo snel en lenig op het schrijfblad van die bank zien springen, voor onze neus doorrennen, met een sprongetje op de grond belanden en als een schicht verdwijnen naar buiten.
Als ik aan die scene denk, borrelt de lach in mijn keel omhoog en heb ik na 49 jaar nog steeds napret!
Onze leraar vervolgde zijn les, alsof er geen onvertogen woord gevallen was, en wij zaten allemaal muisstil en roerloos naar hem te luisteren.
Mijn vriendin heeft nooit meer vlechtjes gemaakt in eender welke les!
NACHTPIJN. (Michelly: 14-08-2005)

De dag loopt ten einde,
ik sta in het duister,
zoek woordeloos sterren,
hoor donker gefluister.
Van binnen één leegte,
een vuist rond mijn hart,
verscheurend verlangen,
naar ik weet niet wat!
de tranen, ze stromen
onstuitbaar en woest,
ze brengen verlichting,
bedaren mijn bloed.
En als dan de wind
mijn wangen beroert,
dan wordt alles vredig...
de nacht dekt mij toe.
VERDRIET. (Michelly 12.08.2005)

Je snoetje is nat van je tranen,
je hebt zo'n immens groot verdriet,
mijn hart splijt in twee
ik voel met je mee,
echt troosten, kan ik je niet.
Je ogen, die poelen van blauw,
ze kijken nu donker van pijn,
je kan niet bevatten,
weet niet in te schatten,
waarom moet het leven ZO zijn!
Die pijn zal nu langzaam verstillen,
daar mag je op tellen, mijn lief,
dan zal je weer zingen,
van duizende dingen,
het heeft nooit bestaan, dit verdriet!
Mysterie!!!

Als kind van een jaar of acht, werd ik vroeger gewekt en moest dan zorgen dat ik gewassen en aangekleeed geraakte. Mijn moeder had haar handen méér dan vol aan de kinderen, die na mij kwamen en nog niet zo handig waren, dat ze dat allemaal zelf konden. Ik had als klein meisje zéér lange haren en die werden natuurlijk elke morgen door mijn moeder geborsteld en gewoonlijk in twee lange vlechten verwerkt, zodat ik er netjes bijliep voor de rest van de dag. Voor een paardestaart waren ze veel te lang. Soms kruiste zij die vlechten en leidde de linkervlecht langs rechts en de rechtervlecht langs links terug omhoog, waarop ze boven op mijn hoofd weer bijeengestoken werden, en er als het ware een krans van vlechten rond mijn hoofd lag. Mijn gezicht was ingekaderd in vlechten! Men ziet dat nog wel eens op oudere foto's of afbeeldingen van meisjes uit Duitsland of Oostenrijk. Na dat ochtendritueel, en als alle kinderen gewassen en aangekleeed waren, was het etenstijd. Want een deftig onbijt was in onze jeugd de meest normale zaak van de wereld. Naar school met een lege maag bestond niet. Later, toen we iets ouder werden, en elke morgen naar de mis gingen, moesten we natuurlijk wel nuchter zijn, en namen onze boterhammetjes, netjes in een papier gewikkeld mee naar school. Ons drinken werd in een bidon gedaan en na de mis, ging het richting klaslokaal en werd het ontbijt verorberd. In de winter werd de bidon met de melk met koffie op de kachel geplaatst, totdat het goedje een beetje opgewarmd was. De bidon zelf werd gewoonlijk véél warmer dan het drankje, dat erin zat. En menig vingertje is daaraan verbrand.
Als we ons ontbijt thuis opaten, was dat normaliter: gebakken spek en bruid brood en daarbij warme melk met honig .Ik lustte geen pure melk en ik lustte geen spek. Alleen als het volledig krap uitgebakken was, vond ik het heerlijk, maar er werd een grote pan gebakken en gewoonlijk was dat spek allesbehalve krap gebakken! Ik zat dan ook steeds als laatste aan tafel om het rare goed door mijn keel te wurgen. Ik krijg nu nog de rillingen, als ik eraan denk! Alle kinderen waren vertrekkens gereed, als ik nog steeds aan tafel zat. Mijn moeder hielp hen de deur uit en dan zag ik mijn kans schoon om het spek in de zak van mijn schort te laten verwijnen! Ieder kind droeg namelijk in die tijd een zwart satijnen schort, die langs achter vastgemaakt werd door enkele knopen en een gestrikte tailleband. Als ik dan een eindje verder in de straat achter de bocht verdween en mijn moeder, die mij stond na te wuiven, uit het zicht was, gooide ik mijn spekje van de berg af en de rondscharrelende kippen deden zich daar elke dag tegoed aan.
Ik had mijn "probleem" zo een tijdje kunnen oplossen tot op die bewuste avond! Ik kwam thuis uit school en mijn moeder kwam naar mij toe met uitgestoken wijsvinger en zegde: Jij gooit elke morgen je spek van de berg af! Ik was zo verbouwereerd, dat mijn gezicht boekdelen sprak en ontkennen had dus totaal geen zin. Ik kon er met mijn vetsand niet bij, hoe mijn moeder dit kon weten. Ze kon mij niet meer zien, en ik lette ook wel op dat niemand anders mijn handeling in de gaten had. Ik ben dus jaren overtuigd geweest, dat mijn moeder door de muren kon zien! Dat zij, ondanks het feit dat ik de bocht om was en zij mij letterlijk niet meer zag, door die muren heen met haar blik de bocht afsneed en mij dat spek zag weggooien!
De waarheid, die zij me jaren later vertelde, was natuulijk véél simpeler. Ze was namelijk mijn zwarte schort aan het wasssen, en dat werd in de tijd nog handmatig gedaan en niet door een machine. Plots merkte ze, dat ze vettige kringen op haar handen had. Stomverwonderd vroeg ze zich af waar dat vet vandaan kon komen. Ze inspecteerde die schort eens minutieus en keerde de zakken binnenste buiten en wat bleek??? In die zak zat er natuurlijk een laagje vet van alle spekken, die er in verdwenen waren!
Het mysterie van mijn moeder, die door de muren kon kijken was met één klap opgelost!
3 reacties op dit bericht
Wat een geweldige ontdekking...
Maar toch niet gelukt,ben hem blijven zien:)
..
Soms wens ik dat ik hem het gewoon kon zeggen dat ik het niet was die het uitmaakte maar mijn vader....