vrouw
ik raak je aan nogmaals
kus ik lippen
ruikt gij mij
elkander
het is goed zo
bijeen te zijn.
vrouw
ergens in augustus 2004
12 september 2004Ze waagt zich iets na het middaguur tussen de duizenden fietsers onder een zinderende zon ergens tussen D en G. Wat haar meteen opvalt is de gejaagdheid waarmee iedereen haar voorbij fietst. Ze rijden nochthans in dezelfde richting en ze is een geoefend fietster, ja, zelfs een straatkrijger. Het ligt mischien aan haarzelf, die traagheid. Ze kijkt om zich heen en schrikt van de massahysterie die democratie al zolang bepaalt. Bier, pensen, hamburgers en zweterige lijven, men schreeuwt het gejoel voorbij. Haar schreeuw houd ze voor zichzelf, die jankt door alles heen.
Eenzame fietsers horen er niet bij en worden van de
weg geduwd, de weg die vandaag aan het peleton behoort. Ik zei het al, wellicht
ligt het aan haarzelf of komt het door de zon die als een gloedheet zwaard haar
vel aanslaat.
Haar geliefkoosde plek is de buitentafel s'nachts met dansend kaarslicht
beschenen, zonder lawaai, een bewegende lichtkring om helemaal alleen te zijn.
Het wordt dan zo stil dat ze het bloed in haar oren hoort suizen. Suizend
bloed, zo zal ze in een volgend leven heten. Who knows.
Halverwege heb ik besloten om te spijbelen. Mijn gevoelens zijn even diffuus als de lucht. Uit het oosten waait een zachte luchtstroom om me heen. Het zal niet lang meer duren voordat de zon licht en warmte gaat verspreiden. Ik vertoef in veld- en boswegen. Het hemd dat ik vanmorgen aangetrokken heb riekt nog naar nieuw. De dag is vroeg begonnen en is voor mij alleen. De wereld is vandaag zoals ik hem me zal voorstellen: sereen, vluchtig en onwaarschijnlijk. Halfdoof en met een troebel zicht beleefd, observerend in en buiten mij want God bestaat. Ik wil ernaar kijken en beleven.
“ We hebben mekaar onverwacht gezien. Ik keek naar die katachtige blik in je ogen. Onze ontmoeting was even schuchter als een eeuwigheid geleden” .
Hoe is het met jou?
Goed, en hoe is het met jou?
Ook goed.
En met de kunst?
Ik werk aan een tentoonstelling. Wanneer ga jij publiceren?
Het zal er nooit van komen.
Waarom niet?
Ik heb de ambitie niet.
De omstandigheden onderbraken ons gesprek dat geen gesprek was, maar een reden voor samenzijn, vluchtig en schuchter maar zo intens dat de breuk een definitief afscheid leek. Deze dag is begonnen met een gedachte aan haar.
Ik kijk naar de in haar bochten kolkende rivier en sta in de schaduw van haar begroeïng. Ze stroomt steeds in dezelfde richting, elke dag is nieuw. Ze heeft al zoveel seizoenen ongemoeid meegemaakt en de tijd verslonden in haar loop. Diep in haar draagt ze leven mee, altijd in beweging. Het water blijft niet in mijn handen staan als ik haar aanraak .
Een reiger scheert langszij met een trage, zelfzekere vleugelslag. Ik zou willen voelen hoe het is om een reiger te zijn, of een boom waarin je de stilte hoort.
Weer verder zie ik de peripherie rond Leuven. Torenspitsen rijzen uit dorpen, bedolven in bebouwing, ze bestaan.
Zonovergoten Brabants landschap, met maïs- en aardappelvelden. Het koren is pas geoogst. De rand van een bos, veld en dan de stad die mateloos moeilijk te onderscheiden grenzen inpalmt. Ik koester haar bevolking, de begangkenis, de geur van frietkoten, zweet, bier-en tabaksgeur die uit cafedeuren walmt.
De troebelheid in vergezichten slokt me op. Mijn rede blijft bestaan als een relekwie. Door verblindend licht zie ik mijn pad niet meer. Ik smeek te beschikken over mijn leven zolang ik het nodig acht, en erover te beslissen. Steek je hand op. Kom op, steek je hand op, niemand kan je zien! Schreeuw jouw schreeuw, al is het regelrechte onzin. Ik heb de kennis van een onwetende.
11 september 2003
eke
slaap slaaptToen hij belde moest hij langer wachten dan hij dacht vooraleer een man, een
generatiegenoot van zijn vader, de voordeur open deed.
Goeie avond mijnheer. Ik maak een wandeling met mijn hond. Die heeft per
ongeluk haar behoefte in uw voortuin gedaan. Geef mij een vuilblik en ik kuis
het op.
Laat maar, ik regel dat morgen wel, antwoordde de man.
Bedankt mijnheer.
Drie straten verder dacht hij, moest het nodig zijn iemand te bestelen om te
overleven, hij zich met die brave man gemakkelijk zou kunnen verrijken. Hij
schaamde zich voor die gedachte.
Niets meer dan een gedachte als een verzinsel voor wat lijkt te zou kunnen
zijn.
Slapende slaap slaapt slapend, voorspelde hij veel later diep in de nacht nadat
hij een zoete haring gebakken had.
Slaap slaapt, schreef hij op een blad papier.
Na de nachtslaap klemt hij uit gewoonte een zelfgedraaide sigaret tussen
twee bruine vingers, net zoals de ochtend voordien. Geboren dagen overleven met
een goed begin.
Mag ik u hierbij mijn medeleven betonen mevrouw? Ik weet het, we worden
onvermijdelijk oud. Een voor een. Het is een kwestie van tijd. Alleen de
sneeuw, regen en wind verouderen niet.
Op zeventien december tweeduizend en vijf heeft hij het licht uitgedaan om de
sneeuwstorm langs het venster beter te kunnen zien. Het verleden welde in hem
op door naar die opgejaagde sneeuwvlokken te kijken. Hij zou er haast de
geschiedenis door herschrijven maar daarvoor zat er te veel chaos in zijn kop.
Liever nog het schrift twintig keer herlezen dan een lettergreep veranderen.
Opwelling in plattelandstaal schrijft hij niet voor iedereen.
De telefoon rinkelt twee keer. Het is zij die vraagt naar hem. Of hij
weggeweest en thuis gekomen is. Ja, zegt hij nog half in slaap.
Een kuch, een zucht, een snuffel in de keukenkast. Wakker worden als een scheet
in een fles.
marktrock
iemand
zonsopgang
ik
tekwar
warkettekraw
het jaar 2000Vertel me over gisterenavond, vraagt ze.
Het was plezant. Ik heb gespeeld.
Ze vraagt of ik niet teveel gedronken had.
Neen, jammen op ritme, dat was muziek.
Ze gaat een schaar halen en begint mijn nagels te knippen.
Kun jij daartegen, vraagt ze.
Ja, ik vind het leuk. Zelf doe ik het niet graag.
Ik ben moe. Een vliegtuig
besturen zit er vandaag niet meer in.
Hij vraagt of hij een verdorde
struik mag aansteken. Van mij mag het. Veel rook en weinig vuur. Het
zal de buren ergeren.
later...
ik ben
aan het verschroeien
onzichtbaar
Je hebt me op een donderdag verteld dat ik een vrouwenzot ben.
Misschien is dat ook wel zo.
Ik doof mijn sigaret en riek aan mijn vinger.
ik pis in sneeuw
allerheiligGekleed met naakt,
zelfs dan blijft een impressie bestaan.
Op dertig oktober van dit jaar was het mooi ochtendweer. De stad is bijna leeg.
De kraaien vliegen voor
over bedauwde grond die langer zal bestaan dan dit geschrevene.
De bladeren gestorven in het najaar en die alle kleuren hebben doorstaan,
rotten nu op de platgestampte aarde.
Ik heb erg veel zin op eten in een ochtendcafé.
Er zit een man met gekruiste benen voor een kansspel. Op de glasplaat ligt
een pakje Marlboro. Een vrouw kijkt rond, tuurt bij de koffie door het raam.
Ze heeft krullend haar en ze draagt een bril.
De ochtend broeit, loeit en reikt over iedereen heen.
Schaduwen over de stoep van zij die buiten zijn en bewegen.
Zelf vind ik mijn schaduw niet. Misschien besta ik niet meer.
Loeit, broeit, reikt die ochtend over iedereen heen als een reusachtig lichtgordijn in een roes van overspeligheid.
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen
en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Maar nu, in dat reusachtig lichtgordijn zonder mijn schaduw nog te zien
besta ik niet meer.
Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
Toen ik op de begraafplaats kwam viel het me op dat de mensen die daar
rondliepen vooral ouderen zijn.
Ze hebben al veel leeftijdsgenoten verloren en herdenken hen nu.
De doden komen weer tot leven.
Vroeger kwamen we met heel de familie bijeen en werden er pannenkoeken gegeten.
Dat doen we nu nog, maar er is een generatie verdwenen en een nageslacht bij gekomen.
We bezoeken ook de graven niet meer en versieren ze ook niet meer met bloemen.
Het enige dat overgebleven is, is het feest en de nagedachtenis.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind. Het weer is in de herfst omgeslagen, net op tijd voor Allerheiligen.
de laatste zonsopgang
niemand weet wat daarna gebeurt
de straten worden donker
de huizen omhuld in een winterlucht
de aarde bevriest
Hij slabbert met zijn tong wanneer hij leest. Hij degusteert het geschrevene,
zegt zijn moeder.
De familie zit bijeen aan tafel: hij, zei, hem, haar, haar van hem, hem van haar, zij van mij.
En nu zit ik hier alleen
niemand die iets hoort
tenzij, ja gij die mijn gebaar leest,
denkt zichzelf te herkennen in onmetelijkheid.
Wie weet zijn we eendagsvliegen in een jaar,
houden we de seizoenen in stand en zijn we meer
dan een herinnering.
Het lawaai, de stank, het geklaag van de meerderheid,
zijn niets meer dan anekdotes in het verstand.
zinIk heb zin
om voor een keer geen onzin uit te kramen, om socio-economisch en
multicultureel over deze samenleving na te denken met een innig verlangen de
wereld te verbeteren en een rooskleurige toekomst voor alles vast te
leggen. Voor ik dat probeer sla ik mijn armen om haar heen en staan we
minuten in gedachten drie seconden stil. Ik zeg: ik ga een echt artiekel
schrijven zoals journalisten dat dagelijks doen.
Een half uur zit ik hier neuspeuterend te peinzen zonder resultaat. Ik kan
zelfs de 'ik-vorm' niet kwijt. Wanhopig neem ik de krant en noteer opschriften
zoals:
verkeerswet wordt weeral herschreven
geen hoop voor wie zonder stroom winter in moet
dronken doodrijder maakt tweede slachtoffer
opwarming klimaat bedreigt gezondheid Europeanen
merendeel oude computers heeft porno op harde schijf
regering is niet bij machte beheerders elektriciteitsnet te dwingen
niemand spelt radicalen de les
kroniek van veel menselijk verdriet
er valt geen hol te beleven in de grot
laptopnek, muispols,Sms-duim, en....iPodvinger
sinterklaas over Generatiepact
Neen, het lukt me niet iets zinnigs te vertellen. De opschriften zijn me al te
veel. En dan al die geschriften van zogenaamde feitelijkheden. Dan ga ik
nog liever in de winter met rubberen laarzen in de Dijle staan kijken naar
kwakende eenden.
Zolang we geen medeleven betonen, onverdraagzaam blijven en met angst door het
leven ploeteren, zal ik niet het verlangen hebben om iets zinvol te schrijven.
alhoewel, ik heb haar verteld dat ik iets zinnigs zou schrijven
aan elke bedelaar geef ik een euro omdat ik naïef en medelevend ben
ik verplaats me met de fiets of te voet
ik probeer een voorbeeld te zijn voor mijn volwassen kinderen
en ik tracht niet te verdwalen in gedachten
en dan vraagt ge u misschien af: waarom schrijft ge dat
en zeg ik: dat vertel ik nu niet
MIJN zaterdagSchitterende dag. Ze is thuis vandaag. Zaterdag, zondag en maandag is ze thuis. We zijn tot negen uur onder de lakens blijven liggen. Normaal werkt ze op zaterdag. Dat is dan MIJN zaterdag. Dan duik ik zeer traag de dag in, beginnende met een krant waarin ik niets meer dan de titels lees. Politiek en sport verdwijnen meteen in de papiermand. Daarna wordt de chaos van woorden en zinnen die doorweeks tussen kladschriftuur bleven haperen geordend. Tas koffie, toilet, sigaret…, het gebeurt in vertraging tot het middaguur. Tijd om mijn kleren aan te trekken en mijn haar te kammen. Scheren en tanden poetsen volgen daarna, waarna zijbijmij even komt pauzeren. Dan lees ik de teksten in de krant. Maar vandaag is het ONZE zaterdag. Ze moet niet denken dat dat iets aan mijn zaterdagritueel zal veranderen.
Eigenlijk is het beter dat ik er op zaterdag niet ben, zegt ze.
Ja, eigenlijk wel.
onnozeliteit van zwijgen
zevensterren
Vooraleer ik binnen ga rook ik een voorlaatste sigaret, kijkend naar de sterrenhemel. In al die tijd is daarboven niets veranderd. Het is een geruststelling, een houvast.
Ik liep met mijn broer achter onze ouders aan als we ’s avonds na een familiefeest naar huis gingen. We keken naar de sterren in een gitzwarte hemel en probeerden ze allemaal te tellen. Af en toe bleef mijn vader staan en wees hij naar de grote en de kleine beer. Dan liep hij weer verder langs het voetpad naast de kasseiweg met ons moeder, zij aan zij.
Bij elke lantaarnpaal zagen we hoe onze schaduw in het oranje lichtschijnsel bewoog, terugkeerde en opnieuw verdween. Mijn broer en ik keken er zwijgzaam naar en vroegen ons af vanwaar die schaduw kwam.
Nu ik in die sterrenhemel kijk denk ik aan toen. Niets is daarboven veranderd.
Bijna nacht. Straks zwiert jonkheid over de hekkens, als schimmen alsof ze geschapen zijn voor de zonde. Onverwoestbare zaterdagnacht.
Wij hadden thuis een zwart-wit TV waarmee we naar twee zenders konden kijken. Op zaterdagavond keken we in het kleine salon in het pikkedonker naar een western of een oorlogsfilm en aten we gebak dat ik meestal ging kopen in de winkel halverwege de straat. Kopen was een groot woord. In de winkel hielden ze de rekeningen bij, die ons moeder achteraf ging betalen. Onze nonkel en mijn grootmoeder, die hardhorig was, kwamen ook.
Alleen mijn vader mocht de TV bedienen. Ze hadden hem verteld hoe alles marcheerde. Op het toestel mocht zo weinig mogelijk sleet komen in de tijd. In die tijd van slijtbaarheid is veel veranderd. De tijd heeft hem in grootvaderschap veranderd.

Als toeschouwer leer ik mezelf begrijpen. Ik heb twee zonen en ben heel blij zoals ze zijn. De stilte in mijn leven is een toevallig dierbaar geschenk.
Mijn gedachten die ik koester schrijf ik op papier. Uiteraard klad ik papier vol met emoties zonder anderen ermee te confronteren. Wie dat ooit zal lezen zal mij begrijpen of niet. Eigenlijk is dat niet belangrijk in ons vergankelijk bestaan, tenzij voor mezelf. Het zou me na mijn leven vereren dat iemand mijn schrijfsels zou doneren aan de toekomst die later verleden is. De moed ontbreekt me soms om dingen te beschrijven, zoals dit ogenblik gevangen tussen ik was, ik ben en zal zijn. Ik ben en ik was; ik zal zijn twee seconden later. Rock me baby....een cliché....we sterven allemaal....een cliché; er is al zoveel verteld. Grootse verlangens naar wat je niet beleeft. Och, wie ben ik om die wartaal te schrijven; een chaotisch samenraapsel van een moment, ook al zal de dageraad die er nu niet is me morgen misschien bezinnen. Ik ben gelukkig omdat ik geluk mis, ik ben verliefd omdat ik de liefde mis, ik leef uit angst om te sterven.Weet je, ik wil dat de wereld beter wordt en het is niet moeilijk, we moeten alleen bij onszelf beginnen en dan komt alles vanzelf.
Ze zijn pas afgestudeerd en hebben werk.
ik herinner me nog de wandelingen in het bos
hoe ze schaterlachend wild langs elkaar liepen, dicht bijeen
ik kan die kinderhand nog zo in mijn handpalm voelen
nu fladderen ze traag met zekerheid weg
Aan de zeven sterren bleef ik staan. Daar liggen drie gebroken stenen die in elkaar passen en een ronde schijf vormen van drie meter op veertig centimeter.
Het verleden vertelt dat een boer die grote brokken steen bij het afgraven van zijn veld gevonden heeft. Ze hebben die met de ossenkar midden naar het park gebracht. Men vermoedt dat het restanten van een meteoor zijn, maar het kan evengoed een altaar geweest zijn.
Ik zie opnieuw hoe zij die stenen beklimmen, kraaiend een kreet slaken van: ik sta op de top .
Ik heb hun verteld: dat is een stukje van een ster
In die periode woonden we pas in het huis dat we gekocht hadden. De oudste kon pas lopen en de jongste pendelde tussen Neanderthaler en mens.
We waren aan het verbouwen. Ik deed bijna alles zelf, terwijl zij voor de kinderen zorgde in de ruimten ernaast. Haar ouders leefden nog. Mijn vader kwam regelmatig naar mijn werk kijken. Het lijkt zowel lang geleden als dichtbij.
ik ging verder
bleef staan
ging verder
bleef staan in een zonnestraal
er lagen kastanjes op de weg
gek dat niemand die wou
In Lissabon kochten we s’avonds gepofte kastanjes aan het station. We gingen in het spitsuur naar het drukke centrum, naast elkaar met een krantenpapieren trechter vol gepofte kastanjes.
jager