Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
bier
We waren vier dagen onderweg in het gebergte en aten gedroogd fruit. Hij kende enkele waterbronnen en leerde me hagedissen vangen. De vijfde dag waren we in zijn dorp dat op een bergflank lag. De mensen waren er arm.
Ze negeerden me wantrouwig, doch waren niet vijandig omdat ik de bescherming van het dorpshoofd genoot.
Aangezien er geen hotel noch een kruidenier of beenhouwer was mocht ik bij zijn familie logeren en van de schamele maaltijd één keer per dag mee eten. Die bestond meestal uit rijst met linzen en een groene pikante saus.
Wat ik zeer vervelend vond was dat ik op blote voeten door het slijk moest lopen. Ik verstond de taal en hun gebruiken niet.
Na een week werd de leegte ondraaglijk. Ik verveelde me dood.
Zo begon ik uit verveling stiekem bier te brouwen. Alleen het dorpshoofd wist ervan. Hij liet het oogluikend toe.
Van hem kreeg ik rijststengels die voor hen onnuttig waren. Die had ik nodig voor het bier.
Mijn brouwerij lag verscholen in een hogergelegen grot. Wekenlang was ik bezig. Toen mijn eerste liters rijpgegist waren
kon ik hem na lang aandringen overhalen om te proeven, eerst uit een theekopje, daarna uit een kruik. Hij vond het zo lekker dat hij
me zijn twee dochters, een tweeeiïge tweeling trouwens, ten huwelijk aanbood.
Ondertussen hadden andere dorpelingen van mijn bier geproefd. Het werd populair. Die bekendheid verontrustte me. In Afghanistan
is bierdrinken verboden en krijgen brouwers de strop.
Zo gebeurde het onvermijdelijke. In de vroege ochtend verscheen de Taliban in het dorp. Ze hadden ervan gehoord en zochten mij.
Het duurde niet lang of tien strijders stonden in wit gewaad voor de brouwerij. Ik trachtte me nog te verstoppen achter een struik.
Helaas, liggend op mijn rug zag ik een geheven zwaard glimmen in de zon. Dan kliefde het naar mijn keel. Zou dit nu het einde zijn,
vroeg ik me af.
zondagfot


addervel
Volle maan gezien.
Rustig zat ze daar.
Volle maan en ik in een schermutseling met zonlicht.
Ga voort, zei ze voorwaardelijk.
De stilte slaakt een kreet van verzuchting
om eenzame zondaars op kruistocht tegen onrecht
op zoek naar een rustplaats
waar onomstootbaar verlangen
kronkelt rond de tand des tijds.
Een verhaal meegewaaid met de wind
waarin een zeldzame adder ontvelt
tussen helgroen mos
en waar toeval en willekeur
zich van betekenis ontdoen.
Ik heb het addervel vol koestering gedragen,
ongeschonden meegebracht door weer en wind
als gedaante uit een vorig leven
in een schrikkelgedachte
gegraaid uit ongeboren bestaan.
sint Jacob
met mijn zaklamp in de klokkentoren geklommen en nu ik terug beneden ben zie ik het silhouet
van een vrouw in de deuropening met haar rug naar mij gekeerd. Ze staart naar buiten in het
stadsgebeuren. Ze wacht op iemand.
Ik blijf op tien voetstappen staan om haar postuur in me op te nemen. Ze blijft onbeweeglijk
staan als een schaduw zonder uitgerekte contouren.
Ik dacht nog: ik mag haar niet laten schrikken door geruisloos uit het donker dicht bij haar te
komen. En dan draaide ze zich plotseling om, sloeg ze haar handen in een kreet van
verschrikking rond haar borsten.
Sorry, zei ik. Ik wou je niet laten schrikken.
Geeft niet, ben jij van hier?
Ja, overdag behoor ik aan de stad. De merels beginnen te fluiten, de winter is zo voorbij.
Zullen we dansen?
Net op tijd flap ik die gedachte er niet uit en zeg ik: had jij mij vorige week gebeld?
Neen, dat was mijn collega. Die komt zo.
Wat gaan jullie hier precies doen?
We maken een inventaris van wat hierbinnen overgebleven is na al die jaren.
Alhoewel ze perfect Nederlands praat verraad haar accent haar Franstalige afkomst. Het klinkt
aristocratisch. Ze moet zo rond de veertig zijn. Ik vermoed dat ze een leidende functie heeft.
Niet dat ze daarover iets zei, maar dat zie je meteen aan de blik, de manier van voortbewegen,
die vriendelijke gedistancieerdheid en gebrek aan tijd die leiders zo herkenbaar maakt.
Er verschijnt een glimlach in haar ogen. Ik heb het koud, zegt ze.
Aan het andere eind van de kruisbeuk had ik de deur laten open staan. Dat maakt tocht. Ik zal
die deur sluiten.
Ik kan hier niet blijven, zeg ik terwijl ik haar mijn telefoonnummer geef. Bel me als jullie
gedaan hebben. Dan kom ik nog even langs.
Ik had nog graag gebleven en haar rondgeleid in deze immense ruimten. Ik wou haar de plaatsen tonen
waar het licht een voortdurende strijd aangaat met het duister, waar verlaten stoffige
spinnenwebben al jaren in tochtkieren bewegen. Ik wou het mysterie van leegstand ophelderen
maar daarvoor zou ze een toverspreuk moeten doen die me van kikker in een prins zou
veranderen. Dat deed ze niet.
Ze belde me net voor het middaguur. Ik kwam later. We hebben mekaar niet meer gezien.
Dagenlang heeft de stem in gedachten geklonken, is de onuitgestrekte schaduw op het netvlies
gebleven, zijn de ogen nog altijd niet verdwenen, is alles opgeborgen als een pakje sneeuw in
een bevroren landschap tot alles smelt.
bordeaux
Geblondeerde stad op fijne hakken die tokkelen op haar plaveisel.
Zacht woelende stad in dagelijkse beweging nu, en binnen tweeduizend jaar in de middeleeuwen.
Passanten zijn wij hier, de toekomst in stand houdend.
Rijdend, parend, stervend lopen we mekaar voorbij. Niets staat stil in dit veranderend middeleeuws landschap. Zelfs mijn adem gaat zijn eigen gang.
Beffende stad in een handsvol geneugten. Wie hier een betekenis zoekt zal ze niet vinden.
Terwijl ik in het kreupelhout sta te tierlanflieren kijk ik naar de brede beek. Haar kleur is grijs.
Haar water stroomt al voor mijn geboorte.
Haar water stroomt na mijn dood.
De tijd inspireert.
Gekloond naar netels gericht sta ik nog een zin te schrijven verscholen in tegenwind.
Nu zit ik naar merels te luisteren. Ze hebben een taal. Onverstoord fluiten ze naar elkaar, doof voor andere geluiden.
Niet alleen vliegen is een kunst. Ook fluiten. Vogeltaal.
De vinken beginnen te zingen. Ik herken het geluid van subber...subbersekwiet in sopraan zo bordeaux als een goeie wijn.
nacht
nachtelijk tintelt de tijd in mijn vingers
in een stilstaand uur met seconden opgeteld
graai ik in niks dat ooit iets zou zijn
loop ik in de stoet van betekenis
kat, lang haar en ik
Oei, een schotelvod vlug! Dat was uit gulzigheid.
In het salon staat een massiefhouten tablet dat dit besmeurd aanrecht zal vervangen. Hij heeft het voor haar meegebracht. Een woord is een woord. Bovendien hebben tafels wel iets. Je zit er met je knokels op te discusiëren over recht en onrecht. Ze zijn bemorste getuigen van achterklap, gezwets en baldadigheid.
Omdat ik net dan in het buitenland ben kan ik niet stemmen voor de politiek. Een volmacht aan iemand geven kan ook niet.
Allé, dat kan toch niet, zegt ze.
Jawel, zeg ik overtuigd van mijn gelijk. Zij bij mij is zich op het gemeentehuis gaan renseigneren en de rest heb ik in een kwaliteitskrant gelezen.
Zo zitten we aan een versleten aanrecht onder ons drie tien minuten over politiek te discusiëren. Twee mannen en een vrouw met beginnende sleet in de organen.
Hij reed lang geleden met een blauw afgebleekte Kever en voordien met een brommer. Af en toe mocht ik daar achterop gaan zitten en reden we samen naar school. Haar heb ik ook in die periode leren kennen. Lang geleden. Nu nog zie ik hen langs mijn overspelige weg.
Een tas soep?
Neen, ik ga voort.
Blijf nog wat en drink een tas soep, zegt ze voor mijn bestwil.
Hij van de Kever van vroeger is vertrokken. Hij moet nog ergens in een bos naar iets gaan kijken. Haar vriend is ondertussen thuis gekomen.
Ga nu nog niet weg, zegt ze. Dat is onbeleefd.
Nog even en dan ben ik weg. Ik wil nog voor het gedonkerte thuis komen. Voor ik vertrek kus ik haar katachtig gezicht.
In het geraas van voorbijrijdend verkeer en overvliegende vliegers hoor ik nog altijd de merel fluiten. Ongestoord zit hij daar te zingen in dit lawaai.
Vanmorgen zag ik jonge hazen spelen. Ze schrokken niet eens toen ik voorbij reed.
Kinderhazen speels in roekeloosheid. Ik reed hen met rugwind en bedampte brilglazen voorbij. De zon scheen niet eens.
Nu maken vliegers lawaai en brult de samenleving langs mijn hoorapparaten in mijn kop. Ik doe ze uit. Dan is het stil. Ik hoor de merel niet meer.
Spijtig is dat.
Als een nutteloze nazaat uit de roedel van de samenleving klaag ik onmachtig hiervoor mijn medemens aan. Ik wil de merel in stilte horen zingen.
ik weet het
Een nieuwe ochtend in de mist.
Mist voor mijn ogen, in mijn gedachten, in mijn hart, in mijn ziel.
Een paradijs van witte parels en schimmen die langzaam opduiken en weer verdwijnen.
Vanavond zat ik met haar in een rokerig café bij hen. Zij naast mij, zij voor mij en ik tussen hen.
Ze zijn blij en nog zo jong.
Wij worden ouder, we zijn jong, jonger dan zij die jong zijn.
Mijn woorden verdreven de rook uit haar rimpelloos gelaat.
Zij voor mij is opgewonden door ze, zij naast mij, zichzelf en ik.
De navel of het schaamhaar, kaviaar of zalm, chez sois of dit café. Het doet er niet toe, de
strijd is allang gestreden.
Ik heb over leven en dood geschreven. Nu ik de dood zo dichtbij voel ben ik blij dat mijn
woorden geen luchtkastelen zijn. Iemand zal mijn verhaal verder schrijven, met eigen
woorden, als een zilveren ruiter op een wit paard, het leven beschrijvend uit blijdschap in
alle jaargetijden. Of misschien zal die schrijver een vogel zijn en de zon zien boven de
wolken.
weer
Net voor het slapen gaan had ik nog vier haringen met ajuin gegeten. Daar droom je van.
Iemand heeft me verteld dat sommige indianen ( vanuit de tijd van mijn nonkel Pie ) rauwe bizonlever aten voor het slapen gaan om visioenen te krijgen.
Bij mij gebeurt het per ongeluk. Onwaar is het vermoedelijk niet. Echter zijn het geen visioenen maar een paar bewegingen in mijn slapende kop.
Zelden heb ik zo van regen genoten bij het opstaan, kijkend naar een witgrijze lucht waarin wolken in kruissnelheid voorbij schuiven.
Ik ben meteen in de hof niet ver van de mesthoop aan een eerste sigaret gaan lurken en bij overmaat van weldaad is zij bij mij in haar paignoir komen staan, ook al kon ze nog een halve dag in bed blijven liggen.
Met rugwind in zachte regen rijd ik zonder capuchon op mijn hoofd naar het werk.
Omwille van de verkeerschaos die ontstaat door de bizarre omwenteling van het weer, nemen behalve het kliekje alledaagse egoïsten nog meerdere autobomilisten de sluipweg langs de verboden veldweg waarop ik me verplaats. Ik erger me er niet meer aan. Ze doen het tenslotte uit een goedbedoelde slaafse overlevingsdrang.
Aan de campus rijden roekeloze studenten me bijna overhoop. Ze komen zij aan zij in trio met versleten fietsen gehaast in tegenrichting op me af.
Ik erger me er niet aan. Ze doen het tenslotte uit roekeloosheid.
Op het werk trek ik mijn werkschoenen aan. Dan ga ik verder en eet twee croissants met chocolade onderweg. Het regent niet meer.
Met de wind staat de stijger rond de toren opnieuw te bewegen. De steunen komen los. Niemand daar beneden weet wat daarboven gebeurt. Ze zien alleen de zeilen wapperen. Tachtig meter hoger wordt er verder getimmerd op rendement. Gasten die spreken in dialect, getatoueerd en met oorbellen aan. Hoogtewerkers die klimmen in de lucht.
Nu fiets ik terug naar huis in tegenwind. Het gaat niet sneller dan acht kilometer per uur. Tussen de windvlagen in neem ik een versnelling hoger. Dit gaat twee uur duren vooraleer ik thuis ben. In de hevigste windvlagen vloek ik het ergste uit de hel.
Maar zie, hoe betoverend is dit wuivend landschap met halfvolgroeid koren waarin je de wind kan zien als golven in de zee.
Het niet loslatend sidderend gebladerde en distels die buigen tot aan de grond.
De grijsheid onder het wolkendek toont kleuren met groen die anders in verblindend zonlicht dit contrast in mijn zwakke ogen niet gunnen.
Mooi is dat!
nonkel pie
mijn kinderen lezen
wat ik geschreven heb
ze lachen in gedachten als ik ongeschoren in mijn onderlijfje
met tranende ogen een blad papier op de keukentafel leg
en vraag: wat vind je ervan
ik kijk naar hun
gezicht terwijl ze het lezen, tel de tijd der begrijpbaarheid
herkenbaarheid kan ik niet verwachten
het is een huislijk ritueel
nog iemand anders is
een zielsgenoot die samen met mij op een schalie met een griffel leerde schrijven
: de melkboer brengt melk
zo gaat dat
mekaar een half mensenleven vergeten om dan bij toeval verbaasd te zeggen:
ben jij het?
die oude zat daar elke zondag net voor het middaguur aan de keukentafel op zijn toegeëigende plaats
de keuken zelf lag achterin en diende tegelijk als waskot en bergplaats
waar de keukentafel stond was het benepen klein
ik herinner me vaag een ruimte van vier meter op twee
toen niet zo klein vanuit kinderogen gezien
als vrijgezel kwam hij recht vanuit het café
bobonne kon er niet om lachen
hij deed het nochtans alleen op zondag
hij zat daar in zondagskostuum met gebogen rug voor zich uit te staren
alsof hij naar iets keek dat wij niet konden zien
uit zijn neusgaten stulpten witte haartjes van ouderdom
bobonne knipte die af en toe met haar kleermakersschaar weg
als kinderen vonden we die oude tof
we konden hem van dichtbij onder tafel besluipen
en bijna hardop zeggen: nonkel pie is ne vrouwenzot
hij bleef daarbij onverstoord zitten want hij was meer dan halfdoof
bij klokslag twaalf uur in de klokkentoren was het nog even wachten op de koekoeksroep uit het houten kooitje
dan werd de kippensoep gloeiend heet opgediend
dampende groengele soep met drijvende vetplasjes
terwijl wij de soep in ons bord blazend verkoelden
lepelde hij met bevende hand het deugddoend voedsel naar zijn lippen
om het dan slurpend over de tong door het keelgat te slokken
dat slurpen, zo schaterde hij, was om zijn tong niet te verbranden
kippensoep slurp je op zen heetst tot het vet van de kin druipt
meer dan vijftig jaar later spookt die tafel redenloos door mijn gedachten
alsof het verleden me in klaarlichte dag wenkt
ze diende ook het naaigerief en schaar
want bobonne was een kleermaakster toenertijd
als de mensen hun kleren in aanmaak kwamen passen
gebeurde het niet zelden
dat patronen en kleermakersschaar werden geruild voor koffie en gebak op die tafel van zondagse kippensoep
terwijl de dames het wereldnieuws van buiten de dorpsgrenzen vertelden
slopen wij onder de koffietafel
en keken onder de rokken
soms durfden we al eens in een stoutmoedige bui aan een chartel te trekken
niet om seksistische redenen
het was ons om de verrassing te doen
naar die verschrikte kreet luisteren
en dan als muizen schaterlachend
vanonder die tafel naar buiten stuiven
ik bedoel: alleen mijn broer en ik
aan die tafel werden bij feestdagen avondlijke elexiers gedronken
tenminste, als de oude erbij was
dan vertelde hij over amerika waar hij geweest was
en over weerwolven uit zijn kindertijd
hij had nog echte indianen gezien
en achter dwaallichten gezeten
zever niet man, zei bobonne
ge hebt al uw geld vanuit amerika aan de wijven verkwanselt
nietwaar, schreeuwde hij dan aangedaan
ik heb er landgoed, koeien en een varken mee gekocht
zonder reden denk ik aan de tafel, nonkel pie en bobonne
ze zijn allang vergaan
maar ze blijven in mijn gedachten bestaan
zou er dan toch iets onsterfelijk zijn?
die oude,
ja, echt waar
had zeven koeien, een os en een varken
de kippen waren er vanzelf bijgekomen zomaar vanuit het niets
een kraaiende haan op het aanrecht
ik kan het weten want bobonne ging er elke woensdag kuisen
mijn broer en ik mochten mee
in het huis waren drie kamers
de leefkamer, de slaapkamer en het salon
naast de leefkamer was een koeienstal met een houten deur
telkens als bobonne ging kuisen
slopen we naar de stal om naar de koeien te kijken
we slopen want toenertijd mocht niks
ik herinner me nog de waterput met zijn oneindige diepte
en die kleine varkensstal
dat varken zat daar niet voor het plezier ook al heette het Jhonny
het was zich om het vlees te doen
de oude maakte de varkensbrij uit patatten en selderij
een maand voor het slachten goot hij er in goede tijden wat bier bij
om het varken goede manieren te leren, zo zei hij
want het was bijna slachtrijp
in het salon stond een stoel met geklakkereerd leer en een eiken tafel
met op de kast een stenen geneverkruik
die plaats mochten we niet betreden
daar lagen de sacramenten van de oude
om gods vloek met een vierkante te verbannen
ik heb hem nooit in dat huis gezien
we zagen hem alleen op zondag bij bobonne vanaf het middaguur
op een dag hebben ze hem met een glimlach in de kruiwagen gevonden
morsdood
de pie is gestorven heette het dan
pas dan is bobonne te weten gekomen
dat hij de wijven niet kon laten
ze heeft de erfenis met zijn drie vriendinnen moeten delen
volgens mij is ze dat nooit te boven gekomen
zatte wesp
Er balanceert een wesp op de rand van een trappistglas. Eerst kruipt ze naar de overgebleven bodemfond, dan klimt ze moeizaam langs de gladde wand naar boven, en nu kruipt ze al even moeizaam eindeloze rondjes langs de rand. Vermoedelijk zijn haar vleugels met trappist doorweekt want geregeld pauzeert ze om te zoemen. Ze komt echter niet omhoog. Dan wrijft ze met haar voorpootjes over haar slanke lijf en kruipt ze verder. Zo kijk ik al een hele tijd naar een wandelende dronken wesp.
ganzen

Ik struikel regelmatig en geraak moeizaam recht. In de lucht vliegen trekkende ganzen. Ik vergezel een actrice met een tatoeage op haar arm. We zijn een paar dagen op locatie. Ik slaap in een tent waarin twaalf gsm's verstopt liggen onder de slaapzak. De omgeving waar ik opgegroeid ben is onveranderd gebleven. Ook de mensen in onze straat. |
![]()
|
test

We hadden niet veel te vertellen. Dat hebben we al zoveel gedaan. We deden waar we al zoveel over vertelden in een matige zwijgzaamheid. En dan gooide ze ons buiten. Haar geest, haar innige bekoorlijkheid hing om ons heen.We hadden mekaar toevallig ontmoet en dan afscheid genomen. Ze had haar toekomst verbruikt. Soms vraag ik me af: waarom groeit (alles) naar boven en niet naar onder, waarom wordt (alles) groter en verkleint het niet van bij de geboorte? Weet ik wel dat dit geschrevene gelezen wordt. Ben ik op een stoel gezeten, sprakeloos, zwijgend, dan sprekend in ongelezen stilte verzwijgend. Weet ik wel als lippen sprakeloos worden en de gedachte niet uitgesproken wordt. De woorden bestaan al lang. Toch is de wereld nog vol ongeschreven verhalen.
|
![]() |
op reis
Niets is zo mooi als die welvende beweging, de illusie van hartstocht verwekkend.
Vier dagen gezworven en evenveel nachten buiten geslapen met volle maan in de ogen. De omgeving gezien met natte dauwvoeten en een zonverbrand gezicht. Het leek wel een eeuwigheid van genot dat uiteindelijk uitdeinde in de branding van terugkerende dagelijksheid. Daarna was het even wennen aan een wereld waarvan men denkt dat hij is wat hij is.
De woorden tollen weer in mijn kop. Ik schrijf, lees, herschrijf, herlees tot het nachtuur voorbij. Dan ga ik buiten om tot rust te komen.
Nog ga ik op banken zitten om mijn gedachten op te schrijven. Zal ik ooit sprakeloos worden? Het lukt me innerlijk niet.
Die zaterdag 28 april 2007 rond 14h30 eet ik in een schaduw kalfskop met vinaigrettesaus die ik onderweg gekocht heb.
Naast mijn rechterbeen groeit een distel en op de boomstam achter mij een scheut. Mijn voeten staan in de netels. Ik zit op een verhard tractorspoor.
Vannacht slaap ik onder een struik.
Op maandag dertig april bevind ik me op de Deurnevoetweg in Schoten. Het is me gelukt om niet verloren te rijden. Bij het krieken van de dag was ik vertrokken.
Aan de overkant van de bank waarop ik zit, zit een generatiegenoot in een fluor-oranje pak geduffeld. Hij heeft een stootkar, een schop en een bezem mee.
Eerst heeft hij zijn boterhammen opgegeten. Nu leest hij een krant. Zwijgzaam zitten we tegenover elkaar. De mistral tocht. Ik moet zien om vanavond ergens een slaapplaats te vinden. Vooraleer dat lukt in de buurt van een nachtelijk terras vraagt een meneer: 'schrijft u?'
Ja, al meer dan twintig jaar, maar nog nooit iets gepubliceerd. Mijn broodwinning is anders. Ik ben vrij.
Amaai, dat is neig.
Jawel, zeg dat wel. Ik vind dat ook. Mag ik vannacht in uw tuin slapen?
Geen probleem.
vertrek
9h: Drie gesoigneerde dames vertrekken.
Oh, wat een mooie tuin.
Pas op voor de hondestronten!
Eerst drinken ze nog koffie. Nog wat kletsen. Dikke zoen en ze zijn weg.
Ook ik maak me klaar voor een driedaagse fietstocht. Het is stralend weer. Vanavond zal ik voorbij Antwerpen overnachten.
Wat ben ik blij. Wat zijn ze blij.
De doodsklokken luiden.
Zal ik eerst nog een broodje met zalm eten voor ik vertrek? Zal ik dit dagboek met pen en inktpot meenemen?
De twijfel bekruipt me. De inktpot is bijna leeg waardoor de punt van mijn nieuwe vergulde pen de bodem raakt
als ik haar erin sop. Dat slijt. Ik koop nieuwe inkt en meteen een krant.
De klokken luiden opnieuw. Stef slaapt waarschijnlijk het middaguur voorbij. Dan ben ik allang vertrokken.
Zal ik me scheren voor ik vertrek? Neen, ik heb me gisteren geschoren.
Naar het toilet, ja, dat wel. Toiletpapier en een propere zakdoek niet vergeten. De hond blaft. Ik mag niet vergeten haar eten en drinken te geven.
Op het kerkplein speelt de Jakke op zijn saxofoon. Hij is al ladderzat. Stillist met valse noten.
Hij is zelfstandig trappenmaker. Zelfstandig trappenmaker improviseert op zaterdagochtend op een plein. Je moet het maar doen.
Lang zal het niet meer duren vooraleer de klokken voor hem zullen luiden. Zijn lever is kapot.
warketmijm
Ik voel me een mislukt filosoof in een tijdelijke vlaag van waanzin, een lamlendig mens als een dood paard in een wijnglas.
Ik las dat vijftig de jeugd van de ouderdom is. Ik ondervind het vanavond aan den lijve.
Ik kijk ernaar uit om met zeldzame vrienden het onbesprokene uit te spreken, in de sluier van mysteries te kijken diep in de nacht.
zwoel
Misschien is ze jong gebleven in gedachten of zijn de herinneringen gebleven. Een Stella drinkende oude vrouw naast mij. Wie weet masturbeert ze nog. Zou ze nog een minnaar willen? De straat oversteken is allang geen schijnbeweging meer.
Nu ze weggegaan is met haar krokodillen lederen handtas kijk ik naar een overblijvend straatbeeld. De zomer maakt de mensen mooi.
Jonksheid door de kleren kijken. Ze moeten maar zo schoon niet zijn.
Hun gekwetter schalmt in mijn oren. Mijn nalatenschap zal minder zijn dan deze samenleving te bieden heeft.
Ze gaan heen en weer in een zekere liefkozing van zichzelf. Soms staan ze te wachten op een bus of een trein. Ze proberen thuis te geraken.
Nu zit er iemand met wit geverfd haar en een tatoeage op haar bovenarm naast mij. Ze stinkt naar de déodorant.
Ik ga naar huis. In het veld nog even in een berm landschooien. Het riekt er naar groen.
Vanavond gaat het weeral donker worden vanuit het schemer waarin woorden nog nauwelijks leesbaar zijn. Mooi, die gloed in die warmte.
dagdeel3
het vervolg.
Wel, rond de avond zijn we met zen vieren naar een salsafeest geweest. Zij bij mij, volle maan, zij van lang geleden en ik.
Hun mannen waren te moe om mee te gaan. Ik voelde me als een vrouwenzot.
Ter plekke kwam ik iemand tegen die ik twintig jaar niet meer gezien had.
Jawel, een vrouw. Deze avond is een en al vrouwelijkheid.
Met die rimpels in haar gelaat was ik eerst niet zeker of zij het was. Ze zat aan de toog met iemand te praten.
Is dat Linda niet, vroeg ik aan zij bij mij.
Ja, dat is Linda, antwoordde volle maan. We gaan naar haar toe.
Smak...ik verpletter haar bijna in mijn armen.
Dat is lang geleden. Door uw ouderdom had ik u eerst niet herkend, zei ik beneveld.
Ik twijfelde ook toen ik je zag als je binnen kwam.
Ondertussen roefelt ze door mijn haar en neemt ze een trek van de Cubaanse sigaar die ik van André gekregen heb.
André rookt ook een sigaar.
Veel hebben we niet verteld. Het was zich om de dans te doen.
Net zoals vroeger kleeft ze zich met passie tegen mijn dansend lichaam aan.
Die katachtige blik, haar onafhankelijkheid. Het lijkt of de tijd heeft stil gestaan.
Ik kon het me niet laten om haar vluchtig aan te raken. Volle maan en zij bij mij lonkten ernaar.
Ondertussen is het zondag in heet weer. Twintig meter verder ligt zij bij mij in een luirik met haar voeten op een tabouret een boek te lezen.
Ik kijk naar haar. Ik zit hier maar. We zijn hier maar. Zij in een luirik, ik aan een tafel.
Zij leest, ik schrijf.
dagdeel 2
variëteiten zwerven door het donkerbruin overschot dat ooit keukenafval was.
Ze doen ongestoord verder, vreten alles op. Ik denk dat het hun uitwerpselen zijn die composteren.
Wat zegt het groot woordenboek der nederlandse taal?
"Compost is een meststof van fecaliën en allerlei andere dierlijke en plantaardige stoffen, met huis- en straatafval vermengd".
Deze middag is ze niet thuis gekomen. Ik eet dan maar een boterham met confituur vooraleer het leeggoed weg te doen.
De zon staat nu het hoogst. Het wordt trouwens hoog tijd om ook iets te drinken. Een glas wijn of zo. Dit is het middaguur net voorbij.
Straks begint het typisch zaterdaggeluid: grasmaaiers. Eerst begint er eentje. Dan volgen ze allemaal. Ik doe het natuurlijk met de hand.
Het autoverkeer wordt ook drukker. Met zen allen naar de supermarkt.
Mij niet gezien. Ik koop mijn waar hier vlakbij bij de bakker, de kruidenier en de beenhouwer. Een viswinkel ontbreekt hier nog.
Schandalig duur, dat wel, maar ik rijd al jaren met geen auto meer. Ik heb ronduit een grondige hekel aan wagens.
Antwerpen, Brussel, Leuven...toujour en vélo, winter en zomer.
Verdorie, nu ik eraan denk: ik moet mijn zadel nog invetten!
Het is veertien uur wanneer mijn zoon oververhit uit bed komt.
Vanmorgen goed gefuifd zeker?
Nogal, ja.
Je hebt het beste van de dag gemist.
Zonder iets te zeggen loopt hij mij op blote voeten voorbij, gaat naar zijn fiets ( ik heb de indruk dat hij zich wil vergewissen of er alles nog opstaat )
komt dan terug en vraagt: 'wil je mijn remmen bijregelen?'
Als jij me helpt met de takken in de hof.
Voila. Een deal gesloten.
In feite heb ik meer zin om hier zomaar te blijven zitten.
Over de ronde tuintafel schijnt boven de middenlijn de zon en eronder ligt een schaduw.
In die schaduw zit ik hier.
Een meter verder ligt de hond uitgestrekt te slapen. Ze heeft net een brok rauw soepvlees gekregen. Zes Euro en haar gelukzaligheid waard.
Oei, de doodsklokken luiden. Weeral iemand aan zijn einde gekomen.
Nu vliegt een hommel bijna in mijn oor. Ik heb de aanraking gevoeld.
Alleen de stank van oorsmeer heeft haar gedachten veranderd. In feite heeft mijn oor de vorm van een bloem met een menselijke geur. Dat schrikt die insecten af.
Instinctmatig ( en ook uit ervaring ) weet ik dat ik nu moet ophouden met te beschrijven. Anders wordt onzin onverdraagelijk.
( wordt misschien vervolgd )



