Archief
vuur
Het kluitenland schuift onder mijn tweewieler door. Ik wil geen wielrenner zijn.
De deuren van een warenhuis gaan open. Mensen staan in de rij met ik wil de eerste zijn op kop.
Voor ik het vergeet, het heeft nog niet geregend vandaag en ik ben geen spijbelaar. Integendeel.
Aan het voetbalstadion moet de inwendige orde nageleefd worden. Toch plas ik tegen een boom. Misschien wordt dit een goed kortverhaal. Ik ga nu verder en schrijf de toekomst later op.
Neem een andere weg, een onbekende weg. Een weg van twijgen en knoppen kijken. De herfstbladeren zijn krokant. Mijn tenen krijgen kou. Ik ga verder.
Op een vitrine is een aankondiging geplakt. Iemand wil een pachthof tot woning en kantoor verbouwen. Aan de kleuterschool krijsen kinderen. Het is speeltijd nu. Een boer pompt koeienzijk in de beek.
11h: Eindelijk verdwaald in een holleweg. Hier zijn konijnengaten. Daarboven ligt mijn houten zwaard begraven. Nu gaat het bergop in zure tegenwind. Zet een zonnebril op om de wind tegen te gaan in men ogen en grijsheid te verbergen. En voor de rest kom ik thuis, maak de tafel schoon en zorg voor het eten. Daarna zien we wel hoe het donker wordt. Ik ben er niet zo zeker van dat ze mijn rug streelt voor het slapen gaan.
Gisteren keek ik in vuur hoe vlammen een houten rots omarmen tot hij gloeiend breekt, verzwolgen wordt en het vuur dooft. Ik was op zoek naar je in een andere wereld. Telkens als je verscheen glipte je weer weg. Er wonen maar weinig mensen daar. De man met het paard, de stier, en er is een kamelendorp. Ze kennen mekaar al heel lang. Als vreemdeling moet je op je hoede zijn. Het paard beschermt je tegen de aanstormende stier.
22h: De stilte maakt lawaai. Ik hoor het bloed door men aders stromen. Mijn lichaam leeft.
De zoon heeft een nieuwe geluidsversterler gekocht speciaal voor akoustische gitaar. Vanaf nu kunnen we tesamen spelen als we dat willen. Honderdvijftig watt. Met gehoorapparaten aan lukt dat wel. Nog een micro voor mijn bluesharp. Het is vrijdagavond vandaag...bewolkt...nu sterren in een opklaring. En nog wordt het niet nacht.
zaterdag 21 maart
niksniksniks
vandaag doe ik niks
dan dansen naar de waterton
op zoek naar lentetwijgen
en een merelnest
zie mezelf in een waterspiegel
bakelierend in de zon
een nieuw woord verzinnen
kijkend naar een muizenlijkje
vandaag
maak ik opnieuw
er een rotzooi van
schrijf ik MIJN gedicht
en een zinloze vierde zin
een vijfde in een laat refrein
zwerfvuil
Op een bank eet een bejaarde vrouw friet. Ach ja, bejaard ben ik ook niet ver vandaan. Het tikken van de timmerman galmt door de winkelstraat en ook de hoge hakken van chique dames in gezoem van optrekkende scooters. De betonmolen maakt lawaai en snerpend slijpschijfgeluid van de man die straatstenen maait. Ik kijk naar de benen van een mooie vrouw. Een kind kraait iets onverstaanbaars in de lucht. Aan het einde van de laan pieken torens kitsch-kitsch-kitsch met geleerdenbeelden in mijn zicht. Iemand schreeuwt tegen mij omdat ik haar geen voorrang verleen aan het zebrapad. Stom van mij, die onoplettendheid. Waar gaan al die mensen naartoe?
Ik ga zitten op een bank en kijk hoe iedereen zich verplaatst. Zie de stadsduiven zonder hoogtevrees. Als ze tippelen sjokken ze met hun kop. Mijn bank is nat. Niemand komt erop.
Vanuit een bruin café kijk ik door het venster naar een jonge vrouw die terrastafels buiten zet. Als ze zich buigt zie ik de welvingen van haar rug naar haar dijen gaan. Schoon is dat. Het beest in mij is nog niet verdwenen. Is die kortgekleedheid nonchalance of doen ze het met opzet vraag ik me af. Een man speelt scrabbel aan de toog met lauwe thee.
Ik ga verder en bij de volgende stop aan mijn vertrouwde bank kijk ik naar de verdroogde modder op mijn fiets. De bank is nu nog bemost…deze waar ik sliep…met zielsgenoten. Die wordt opnieuw zomer.
Het is bewolkt vandaag. Toch noopt het licht mij een zonnebril aan te doen, kraait het licht. Later scharrelen kraaien restanten uit een gemaaid maïsveld. Op de terugweg beukt de wind in men ogen. Het lijkt of de zon gaat schijnen, maar nee, het motregent nu. Toch zwermen muggen in een zwak tegenlicht. Hoe houden ze hun vleugels droog? Als ik thuis kom kus ik haar hals.
luchtbelheiligen
’s Avonds op stap kwam ik voorbij een gebouw dat met schaduwen verlicht werd. Het bestond uit meerdere torens overkoepeld met glas. Het leek op een modern paleis. Hoewel het donker was kon ik de omgeving duidelijk waarnemen. Er hing doorzichtige mist die langzaam bewoog. In die mist hing de zon, de maan en nog andere hemellichamen. Vreemd genoeg verspreidden ze geen licht. Nochtans zag ik hun wezen. Het was als een uitgedoofd heelal dat tot in de aardatmosfeer gezakt was in vredige stilte die mij aanvankelijk schrik aanjoeg maar geleidelijk tot me doordrong. Dan zag ik grote luchtbellen zweven. Er zaten heiligen in die me roerloos aankeken. Ik kon ze net niet aanraken. Toen ik begon te zweven werd ik wakker, viel opnieuw in slaap en kwam bij een collega terecht. Hij was druk bezig met een architect. De plannen lagen verspreid over de vloer. Hij wou dat ik hen mee hielp. Ik moest echter naar een verjaardagsfeest van mijn zoon dat reeds in de kelder begonnen was. Zijn vriendjes hadden speelgoed meegebracht. Mijn moeder, die voor het eten zorgde, maande me aan om in het vervolg op tijd te komen. Ik fotografeerde de aanwezigen in hun spel. Toen mijn vader de foto’s zag schold hij me uit voor pedofiel. Ik werd opnieuw wakker.
We weten dat er iets anders is maar wat precies weten we niet, zei ik luidop waarna zijnaastmij me porrend zegde dat ik luidop aan het dromen was.
coiffeur
woensdag 25 februari 2009
Rond twintig voor vijf wordt ik wakker. Het is nog te vroeg om op te staan. Ik trek het deken over me heen. Ze kreunt in haar slaap door die beweging.
In een resterende droom stap ik langs een autoweg op sandalen naar Namen, verlies ik de weg en kom ten einde raad een opdrachtgever tegen die me iets te drinken geeft. Dan wordt ik opnieuw wakker, deze keer rond halfzeven.
In de spiegel is mijn linker oog rood en kleiner dan het rechter.
Ik poets mijn tanden en was mijn lijf. Mijn haar en wimpers zijn te lang.
Het licht komt eraan met zes kraaien in een naakte boom en een vuurbal uit de grond. Ik ga naar de coiffeur rond het middaguur.
Zal ik mijn gehoorapparaten aan doen?
Neen, dat hoeft niet. Wij praten toch niet tegen elkaar.
Dan doe ik mijn ogen dicht en voel haar schaar en vingers in mijn haar. Zalig is dat. Af en toe bekijk ik haar in de spiegel. Haar buikje is verdikt en haar tepels drukken door haar blouse. Zou ze zwanger zijn? Ik durf het niet te vragen en sluit opnieuw mijn ogen.
Op de terugweg trekken ze voren in de berm opdat zigeuners er niet zouden kamperen.
hazenrug
hazen schuilen 's nachts in voren
vreten en spelen voor wij wakker zijn
sterven soms in ochtend of bij volle maan
gestrikt door zachte wreedaarden
slurp ik het gestoofde vlees van een hazenrug
niets ontziend met een volschonk glas wijn
ik wil nu bij iemand zijn
desnoods met een onbekende slapen gaan
mijn wil schrapen uit een nachthol
speekselgeut
Jij hield mij wakker in paniek met blauw flitslicht in de kamer. Ik hield een baby zonder ledematen in mijn armen. Het hoofd lachte de wereld toe.
Ze strijkt een kledingstuk dat ze meteen zal aantrekken. Ze vraagt om de was te drogen. Op de slaapkamer staat een rek. Doe ik zo meteen. Dan gaat ze weg.
Vandaag schipper ik tussen wat ik zou willen en wat ik hoor te doen: mezelf onwaarschijnlijk overtreffen en halve waarheden tot de verbeelding sublimeren. Er druipt onverwacht een speekselgeut uit mijn mond.
Kijk naar die ouwe stoel in de struiken die reikt naar
afwezige tijden. Zie het uitgedroogde wijnglas van gisteren rood aangeslagen
staan. Het zijn getuigen in langzaam verderf.
Deze dag omhult de tijd en veegt het brood van tafel. Niet verplicht denk ik
aan Kamiel. Ik houd me taai, had hij gezegd.
Terwijl ik zachtbeulend maretakken uit bomen haal, woekerende bruidssluiers uit dakpannen snoei, kijk ik uit naar vanavond. Ik ga proberen mijn leven te beteren want het is niet alleen van mezelf. Soms verliezen we een spel, valt zomaar een vogel in volle vlucht uit de lucht en gaan dingen verkeerd. Soms gaat alles kapot en zeggen we neen, ontstemd losgeslagen. Dan lezen we een boek tot de bladzijden loodzwaar in slaap bedwelmen.
Tien voor negen. Ze is net vertrokken als ik beneden kom. Ik ruim het huis, vul het afwasmachien, kuis het gasvuur, dweil de vloer, klop het tapijt en de kussens uit, cireer de eettafel en maak nu stoofvlees klaar.
De zon schijnt sinds vanmorgen. Het huis ruikt naar kruidig stoofsel van laurier en tijm. De temperatuur is zacht. Het nageslacht eet vanavond mee. Ik ga zelfgemaakte frieten bij het stoofsel serveren. Niet vergeten om naar C. te bellen.
C.?
Hé, gij zijt het. Ik dacht u ook te bellen.
Is dat Cubaans optreden vanavond?
Ja.
We kunnen niet komen.
Dat is jammer. Zeg, ik ga afleggen want ik sta hier in ’t stad in een pashokje.
Even in het kasserol roeren en wat trappist bijgieten. Dan ga ik aan de buitentafel in witlicht met insecten zitten. Er ligt een goudgroen kussen op de tafel. Het is het zonlicht dat het groen een goudkleur geeft. De paasbloem die twee weken geleden verplant werd staat nog recht. Iemand in de buurt maait het gras. Een herkenbaar zomers zaterdaggeluid. Het is nog geen zomer.
Achteraan in de hof staat een meer dan honderdjarige Taxusboom en een houten kruis met een christusfiguur eraan genageld. Recht tegenover is de pastorie. Tussen het kruis en de pastorie loopt een smalle kasseiweg.
Ik proef van de saus. De stoofpot mag van het vuur. Nu kunnen de kruiden nog twee uur in het stoofvlees trekken.
Ze is blij als ze ’s avonds thuis komt en haar zonen en schoondochter ziet. Het eten is klaar. Tafelen in gepalaver. De muren luisteren mee.
De volgende ochtend sta ik als eerste op. Het is half negen. Wind en motregen. Geroosterd brood met kaas en hesp. Sterke koffie. Ik drink een tweede grote jat met veel suiker en melk.
“Je moet eens naar de kapper gaan” zegt ze, wanneer ze een half uur later erbij komt zitten. Ze wil vandaag ergens naartoe. Desnoods gaat ze alleen weg. Ik aarzel, bedenk, wankel in gedachten en…”Waarheen zullen we gaan?”
Naar een museum?
Te saai.
De markt?
Er is nog eten genoeg. Laten we een nieuwe regenton kopen.
Oh ja. Een houten regenton. Maak je klaar en kam je haar. Ze straalt.
Ik rijd. Ze kijkt verbaasd. Het gaspedaal staat rechts. Anavent, we zijn vertrokken met dertig kilometer per uur. Het moet nog wennen. Op de hoofdbaan wordt de snelheid stoutmoedig naar vijfenzestig gedreven en op de autostrade halen we een duizelingwekkende snelheid van honderd kilometer per uur. Nog een wegomleiding, wat verkeerslichten, zien dat niets omver gereden wordt…kijk, een tuincentrum!
Waar is de parking?
Aan de overkant. We zijn er net niet voorbij.
Opgelucht volg ik haar langs de automatisch opengaande deur.
Namiddag: we zijn terug, doch zonder regenton. Het moest een houten zijn.
De jongste zoon doet aikido in de tuin. Het gaspedaal staat nu weer op nul. Op de tafel ligt het paradijs: een half uitgelezen boek, een ongelezen krant en wat eigen schriftuur om te verbeteren.
Zal ik wat houtklompen klieven en het vuur aansteken?
Doe dat.
zondag vijftien februari tweeduizend en negen
8h: wakker worden met een maandagochtendgevoel op een zondag. Koffie met een witte pens. Daarna een sigaret in pyjama.
9h30: ze scharen zich met een een slaapkop achter tv. Het zal nog een uur duren vooraleer ze zich omkleden.
10h: ik scan het verleden en leg het vast op internet.
12h10: ik blijf in de auto zitten als ze in het warenhuis gaat. De mensen die hier in en uit lopen…velen dragen een trainingsbroek. Er staat zelfs een coureur met schoenen zonder kousen aan en een helm op zijn kop. Sloddervossen op een zondagmiddag. We gaan brunchen.
Brunch
We huren een helicopter in New York.
Dan ben je algauw honderd euro kwijt op een kwartier. Dan nog liever een bordeel.
Da ga keineig worden. Twee dames op sittietrip in New York. Ik zou als een vlieg met hen willen mee reizen om er een kortverhaal over te schrijven.
Hebt ge gehoord wat Greet zei?
Neen.
‘Dan nemen we een vliegenmepper mee’.
Ah Ja?


