Tussen twee veldwegen tuur ik naar
voorbijgaand verkeer vanop een bank in het geschemerte. Zelfs in het halfdonker
blijven regendruppels aan een twijg als parels bestaan. Ik plas uitbundigheid
uit mijn lijf. De regen striemt mijn ogen bloeddoorlopen in een kort
vergezicht. Ik vervolg mijn weg. Straks arriveren is mijn doel.
Het stormt over dit land.
De berk ruift zijn wintertwijgen,
het overgebleven riet buigt
en danst met windvlagen...
het kapblok staat ernaast.
Zijbijmij leunt liefkijk zwaar op mijn schouder
en leest wat ik schrijf.
Ik schrijf terwijl ze leest
zoen haar zoals die eerste keer.
Dan gaat ze slapen,
blijf ik alleen achter in deze avond.
Mijn kleren hangen te drogen over stoelen.
Ik ben in tegenwind terug gekomen,
stroomopwaarts in de storm, met pijn en welgenoegen.
De omgeving leeft.
Met tussenpozen ga ik buiten staan.
Alles beweegt zo heftig....
het lijkt op een voorteken van het einde van de winter.
Misschien is het verbeelding die me spraakzaam maakt.
Er is geen hout meer. De deur blijft dicht. Hij kijkt naar de aankomende avond met een J.D.,
een inktpot en tabak. De vrouw brengt hout. Binnen zijn ze blij. Hij is blij.
De vrouw is blij. De bergrug is blij. Zelfs dit blad papier is blij. Het wordt
duister. Hij ziet niet meer wat hij schrijft.
Ik wordt wakker en zeg: ik rijd naar Leuven.
Ge zijt zot, zucht ze.
Vannacht reed ik langs onderbroken wegen en stond ik in een fietswinkel waar niemand kwam.
In het bos zag ik een panter vanuit een verlaten huis.
Ik kwam een kwartier te laat op het werk door een wegversperring.
Aan het station miste ik de tram en nam wat verder de bus aan een roltrap met veel volk.
Nu nog een schil soepvlees bakken en opeten. Dan mijn eerste sigaret in de wind.
Daarna snuit ik mezelf een bloedneus. De rest komt vanzelf.
De buurvrouw van een honderdtal meter verder stapt met haar keffer
voorbij. Ze is naar de krantenwinkel geweest. Onze hond raast als een
woeste beer naar de poort. Ze kan erom lachen en wuift me vriendelijk
een goede morgen toe.
Een beetje verliefd op zoveel genegenheid knipper ik wederzijds met
mijn rechteroor. Het is een begin van een droge winderige dag met
opklaringen.
Ik fiets naar de stad en neem mijn klassiek fototoestel mee dat ik al
twintig jaar bezit. Een handbediend zwaar metalen apparaat met een
zwart-wit film erin. Ik heb er een groothoeklens opgevezen. Daarmee ga
ik straks op het trottoir aan portretfotografie doen.
10h55: ik koop in een grootwarenhuis groentesap. Net voor de kassa krijg ik weer een bloedneus. Gênant is dat.
Met mijn neus in de weer geef ik aan de dame achter mij mijn portefeuille en vraag om te betalen.
Als ik buiten kom schijnt de zon en is na vijf minuten het bloed in mijn neus gestold.
12h10: ik eet alleen gezeten op de oude markt een dagschotel. De wind waait het stof van de weg.
Daarna laat ik op een bank in het begijnhof mijn eten verteren in bijtend zonlicht.
Op de terugweg langs het veld heerst tegenwind. Het overbevolkt hoge
gras woelt met de wind. Coureurs snellen mij regelmatig voorbij. Mijn
fiets waait omver.
Ze wil schijn en illusie ontgoochelen
niet meer op zoek
streelt ze verbeelding
verstopt om gezien te worden
Ze weet nooit hoe laat het is
het lijkt altijd nacht
met slijk in haar aders.
Och ja, zwijgzaam zit ik nu
zij die dit willen lezen,
lezen niets
Tesamen gestrengd in een menseleven
kneed ik het gedrocht wat men wijsheid noemt.
Snol gedrocht!!!
Ikbijhaar is als
laatste opgestaan. Volle maan bakt spiegelei.
Voor u drie? Ja, drie voor mij.
Na het ontbijt
ruimt ikbijhaar de tafel af en stopt Marco het vuile servies in het afvasmachien.
Er klinkt muziek door het huis. Vandaag is het windstil. Ikbijhaar heeft slecht
geslapen. Hij had over zijn vader en zijn broer gedroomd. Zijn vader was een
verbitterd man die niemand genegen was. Ikbijhaar moest op een bijeenkomst een
door iemand anders geschreven tekst voorlezen. Hij wist bij voorbaat dat de
tekst slecht geschreven zou zijn. Bovendien kende hij het onderwerp niet eens.
Daarom had hij gevraagd hem voorafgaandelijk te mogen lezen, maar de schrijver
bleek spoorloos te zijn.
Hij ging naar hem
op zoek in een groot gebouw waar mensen van alle soort pluimage logeerden. Het
was ingedeeld in ontelbare kleine schemerige kamers die verbonden werden door
centrale gangen. De mensen lagen er door elkaar. Plots zag hij zijn broer in
één van de gangen. “Haast u naar buiten. Iemand zal u de tekst overhandigen”
riep hij.
Eens buiten kwam
zijn vader aangelopen. Hij stopte haastig iets in zijn fietszak. Nog voor hij
hem kon aanspreken verdween hij alweer in het duister.
Het is snikheet.
Kleine fragiele wolken vatten vuur in de azuurblauwe hemel. Volle maan heeft
het ook gezien. Zijbijmij zit in de schaduw van een struik.
Moeders, we zijn
blij door julie gebaard te zijn, het nageslacht te vereeuwigen en niet gedoemd
in armoede geschapen te zijn.
Volle maan heeft
hoog boven de vallei twee roofvogels gezien. De hoofdpijn is verdwenen. Wie
kent deze laaiende maan?
Ikbijhaar zou een
lied in dit landschap van stilte willen zingen maar zijn stem is te schor,
verschrompeld door de roes van genot.
Niet ver vandaan
breekt een vlinder uit haar eerste gedaante. In een zonnestraal proeft ze voor
het eerst nectar uit het bloeisel. Zolang zal het duren tot haar veelkleurige
dunne vleugels verschrompelen in haar kortstondig bestaan.
Zijbijmij en Volle
maan gaan naar het dorp. Marco heeft in de zetel een deken over zich heen
getrokken. Hij slaapt. Ikbijhaar zit aan een tafel bij de deuropening. De zon
schijnt over de bergkam. De wind komt eraan. De kat zit naast hem op de stoel.
Het voorlaatste ontbijt...de laatste brunch op deze plaats. Nog geen afscheid.
Dat komt morgen wel.
Langzaam glijdt
het daglicht van de heuvel en doet de wind onverwacht het blad papier op en
neer bewegen. Schichtig proberen zijn gerimpelde handen alles te bedaren.
Weeral hangt in het Oosten een onbeweeglijk wolkendek over de bergen. Voor de
avond valt zal het hen niet bereiken.
Hij zweet en
stinkt door de hitte van de dag. Hij zal zijn voeten baden, zijn oksels wassen
met geurige zeep om bekoorlijk voor zijn geliefden te zijn. Hij is de tijd vergeten.
Hij weet niet wanneer Zijbij en Volle maan terug komen. Het lijkt of de avond
niet gaat vallen, dat het licht onbeweeglijk blijft.
De wind is opnieuw
gaan liggen. Hij kwam vanuit het Oosten. Er komt rook uit de schouw. Marco
heeft het vuur aangestoken. Een teken dat de dag ten einde gaat.
Pas in het
avondrood komen Volle maan en zijbijmij van het bergpad gewandeld. Het was de
laatste keer dit jaar.
Vanmorgen meer blauw dan wolken.
Windsdronk. Nachtelijke verzen opgeborgen tot ze opnieuw verschijnen om
vergeten te worden. Zijbijmij heeft goed geslapen. Nog een tijdszucht en de zon
spreidt haar licht en warmte over het dal.
Ik ijhaar loopt heen en weer rond het huis,
de brede voegen van het plaveisel ontwijkend. Dan gaat hij naar het
boventerras. In het Oosten hangt onbeweeglijk een dicht wolkenveld. Het lijkt
op bergen achter de bergen. Het lied van de wind kan hij door zijn doofheid
niet horen maar hij ziet de willekeurige beweging in de citroenbomen. Zelden heeft
hij zich zo intens en doelloos verbonden
gevoeld met de elementen van het leven: vuurzon, windadem en bewegende
schaduwen. Levensroes. De compagneros lezen een boek. Het is winter.
Hier dragen de bomen nu hun vruchten,
bloeien de bloemen en groeit het kruid over de heuvels. Onderweg plukken ze
mandarijnen, appelsienen, citroenen en rode cactusvruchten. Citroengeel,
oranje, olijfgroen en Bordeauxrood kleuren dit landschap. Het wordt tijd om
langs de bergpas naar het dorp te gaan. Hij gaat alleen. Zij pikken hem later
op. Ze rijden naar een verdergelegen dorp.
Net bij avondval zijn ze terug aan het
huis. Volle maan heeft hoofdpijn. Ze slaapt in de zetel terwijl ikbijhaar kip
ala rattatouille klaar maakt. Zijbijmij en Marco lezen. Het is muisstil in
huis. Je kan hier voetstappen op sokken horen. Zijbijmij snuffelt in de keuken.
Het eten moet nog anderhalf uur in de oven staan.
Niemand, behalve ikbijhaar, zal nog zin
hebben in een laatavondmaal. Alleen hongerige heksen uit het dal eten mee.
Dacht hij maar.
De ochtend nadien drijven donkergrijze
wolken haastig over hen heen. Miskende Godin der stormen, bemin ons met uw
toorn. Omhels ons met mistdampen, grijp ons met uw zwaarmoedigheid. Tappas! Een festijn met witte wijn. Voor
mij varkensnier in een gekruide sherry-saus. Ze rijden naar Malaga. In Malaga
wordt veel verbouwd. Aan het plein van de kathedraal lopen ze toevallig met hun
neus door een wijdopenstaand deurgat van een Ierse pub. Een pint Guines please.
Er scharrelen een vijftal duiven rond. Ze moeten zien dat ze voor het donker
aan het huis zijn. Op de terugweg breekt de zon door knoopsgaten
in het wolkendek. De hond en de katten verschijnen uit het struikgewas. Niet
veel later staan er opnieuw sterren aan de hemel. De kosmische avondroes begint.
De stormgod is gezwicht voor de nacht. Uitbundigheid maakt zich meester van
deze Goddeloze geesten, verlangend naar zintuiglijk genot. Marco en ikbijhaar hebben bij het vuur muziek
gespeeld. Ikbijhaar wil nog wat schrijven. De hond en de katten vliegen buiten. Ga niet over uw limiet. Drie dagen geleden
hebt ge uw grens al eens overschreden.. Dat is voor niks nodig. Dit middernachtuur ver overschreden gaat ikbijhaar
buiten staan en kijkt hij naar wat hem als kind fascineerde: de wijdsheid van
de sterrenhemel. Hij kust de maan, kilte en wind. Dierbaren gaan nu slapen. Zijbijmij
blijft bij hem omdat ze het niet vertrouwt hem alleen achter te laten in de
wellusten van het leven. Zwakkelingen zouden het beschamend vinden, maar hij,
een ridder in de nacht, vind het een voordeel tot ‘z on liefde veroordeeld te
zijn. Het is tijd om te besluiten slapen te gaan. Zijn lichaam te laten rusten
dicht bij haar, haar lichaam, haar geest dicht bij hem.