Naar de inhoud

verbruikte toekomst

verbruikte toekomst
akke.beakke.be

Archief

zondagsmarkt

Ze is vanmorgen op een half uur tijd van gedachten veranderd. Eerst wou ze gaan fietsen, toen ze naar de grijze lucht keek weer niet en dan wel.
Ik ben wakker nu, laten we toch gaan fietsen, zei ze terwijl ze van de trap liep.
Ik had ondertussen mijn werkmanskleren al aan en wou de gewelven in de kelder verder afkappen; nu wou ze toch gaan fietsen.
Vanbinnen ergerde ik me de overrijpe appels uit de boom maar ik bleef uitermate kalm want ik had een week baldadigheid goed te maken.
We praatten een ogenblik over onze bijna weldra fin-de-carrière.
    Jij verdient niet meer dan ik, zei ze.
Voor geen geld zou ik jouw beroep willen doen, antwoordde ik.
    Als kind heb ik altijd graag met een poppenhuis gespeeld. Daardoor doe ik dit beroep graag.
Ik knutselde graag in mijn vaders atelier. Ik probeerde met benzine en karton raketten te maken die naar de maan konden vliegen. Heb jij toenertijd de maanlanding gezien, vroeg ik.
    Neen.
We fietsten tenslotte naar Leuven langs het veld. Een voorbeeldige zondagmorgen in de herfst. Zij met de oude fiets, ik met de nieuwe. Een weg elke werkdag heen en weer, twee keer zeventig minuten elke dag. Telkens passeer ik vier volhouders die eveneens door de winter rijden.
Deze zondag heeft het land bezaaid met wandelaars op bedevaart langs landelijke wegen. Ze vreten in het najaar de boomgaarden leeg.
Die vurige solidaire wandelaarsblik doet me halskokken.
Wij reden verder. Het toegeeflijke kon niet meer breken nu ze naast mij reed, stampend op de pedalen de markt tegemoet.
Deze veldtocht maakt veel goed. Brunchen met geroosterd brood gesmeerd met pesta en gedroogde tomaten.
Dat is een krimp van liefde.
Dan keren we terug met tegenwind in regen.
Oh, wat zijn we blij
een zondagsmarkt in de herfst
wat voelen we ons vrij
als vogels die niet produceren
wat is het heerlijk om zo blij te zijn
als vogels zo vrij te zijn
alleen het lot kan ons stoppen
en verdwijnen we in het begin
we komen en gaan
en zijn zo blij
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 23:16 2 reacties Reageer op dit bericht

poker

Ik heb rauwe look gegeten. Mijn adem stinkt.
    Woorden kunnen niet stinken.
Jawel. Snuit uw neus en snuffel maar.
In deze vooruirgang zie ik vrouwen in mijn dorp hengsten berijden, zitten luxieuse vissers boven het wateroppervlak de tijd te verdoen. Niet alleen in de week ambeteert het mij. Sluipend langs modderwegen probeer ik mij van hun aanwezigheid te ontdoen. Vanavond komen goede vrienden eten. Zij en hij bij ik bij haar. Ik heb aubergines en zalm gekocht.
    Dag Warket. We hebben wat overschot van vorige nacht mee gebracht.
Hoe dikwijls heb ik haar kaken al niet gekust in dit leven. Mijn lippen zijn nog niet versleten. Het was lang geleden om nog een nacht met vieren door te scheuren.
    Ik zie u graag, zegt mister Daniels.
Ik knijp in de schouder van zij bij mij en haal wat herinneringen op.
    Dupont, weet ge nog van toen?
Ja en zwijg. We zijn aan het spelen. Zeveren doe je achteraf.
Ze heeft rimpels in haar gelaat gekregen en ook een loshangend buikje vanwege de ouderdom. Midden in een pokerspel zegt ze: warket, begin nu niet te janken.
    Ik jank toch niet? Kijk, mijn tranen blijven droog.
Jawel, en let op uw kaarten.
Mister Daniel, Michiels, Dupont en Warket pokeren een gat in de vroegte. Ondertussen ligt de kardinaal in de zetel te snurken. De zoon zat er gedeeltelijk bij.

warket
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 16:50 1 reactie Reageer op dit bericht

onzin

als passant
onderweg
met twaalf bakstenen
twee maanden elke dag
neem ik twaalf bakstenen mee naar huis

de boeren doen de bieten uit
veldwegen zijn dan modderig
en met die felle wind van vrijdagnacht
liggen daar waar bomen staan
afgewaaide takken op de grond

met twaalf bakstenen in het pikkedonker
op een modderige veldweg
in een lichtstraal van twaalf meter
klief ik mij door de koude lucht naar huis

Met verkleumde vingers schrijf ik deze woorden op papier, gezeten op een klomp arduin, zonder dat de inkt door de kou in mijn pen verstolt. Ze blijven maar doorrazen met hun machines over smalle wegen. Ik voel ijskkoude wind van winterzon. En dan gaat ze onder, wordt het donker. De wind komt opzetten in open vlakten. Het wordt koud. Mijn adem verdampt.
In dit nachtelijk uur schrijf ik verder aan mijn partituur. Het wordt een muziekstuk zonder refrein. Ziehier klinken woorden in sol mineur. Luister naar het klankspel van loslippige zinnen alsof het door een idioot geschreven is.
Ik leg me pas te slapen als dit muziekstuk ten einde is.
nog niet
voor dit ten einde is
zal alles met rijm bedekt zijn
miezeneus verschonden als een refrein

niets erweer
kan niet meer
erweer niets
zoweer is een wereldbeeld verdwenen
erweer in zwijm
vier met zes klanken rijmen niet in dit lied

s'Anderendaags verlies ik mijn menselijkheid als ik naar de eenden op het water kijk, hoe ze vliegen en kwetteren in een onverstaanbare taal. Twee eenden komen dichterbij. Ze vragen om eten maar ik heb niets bij. Hoe vinden ze hun eten om te overleven? Hoe is het om zonder bewustzijn te zijn? Ze leven om ons heen. We hebben geen contact met elkaar. Het is moeilijk om te begrijpen waarom wilde dieren schrik hebben van ons. Misschien omdat we roofdieren zijn of is het onze geur? Hoe komt het dat mensen doodvriezen als ze buiten slapen in de winter en dieren niet? Ik zou dat eens willen weten, weet ik veel, dat mensen doodvriezen en dieren niet, als ze buiten slapen in de winter.

weer niets
niets erweer
kan niet meer
zoweer is een wereldbeeld verdwenen
van eenden in volle vlucht
kwetterend in een onverstaanbare taal
vier met zes klanken rijmen niet in dit lied
mizeneus verbonden met een refrein
meeraa..., meeraa.., meera...

vanuit een zekere leegte deze wereld bekijken, vliegen als een vogel in dromen, balanceren op de drempel van de werkelijkheid, het begin tot nu in herinneringen herbeleven en alles loslaten tot alle gedachten verdwijnen

Een uitbundig mens en een weinig gestructureerd gestoord. Het slaat op de overvloed in de natuur, ' en theos', god vanbinnen.
Laten we dansen van vreugde, overlopen van levenslust zonder angst om te sterven. Het is op zijn minst een aanstekelijk enthousiasme in levende lijve. Helemaal onjuist is het niet, ook al kan die uitbundigheid overslaan in woede.

zo verblijf ik hier als een ongevleugeld dier
met de gedachte van: ik zou een vogel willen zijn
glijden op de wind
op en neer
tot boven wolken
en de zon zien
zelfs
toevallig sterven in mijn lot

ze bestaan
bij het krieken van de dag en voor zonsondergang
vliegen ze met honderden
met duizenden
weg van hier nu het winter wordt
vrijheid zonder keuze
ik zou een vogel willen zijn

vliegen zoals in dromen
nog beter dan vogels
met traagheid
en mensengedachten
vliegen zonder vleugels
toevallig in een droom
moeder
zal ik koffie maken
ja zoon
de borze staat op het schap
we kusten mekaars lippen

tegen mijn vader zei ik
ik geef u een hand
we zongen herinneringen
gingen daarna verder
aan een lege horizon
en bloesem van avondrood
beken ik
koppig
in een roes van windsdronk
met een zwaar hart
tot zo’n liefde
veroordeeld te zijn
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 23:19 2 reacties Reageer op dit bericht

marcel

tot...een jaar later

Wat vind gij het bekoorlijkst: de voor- of achterkant van een vrouwenlijf?
Wat zegt u?
Ik vroeg wat u bekoort: de foef of de billen?
De ogen, antwoord ik.
Hij kijkt beteuterd. Sta hier niet te liegen tegen mij.
Het is vroeg. De rijm is nog niet verdampt. Hij vraagt of ik ook een druppel wil.
Ondertussen wringt hij een fles goedkope wodka uit zijn binnenzak.
Het is Marcel die me stond op te wachten aan de sint-jacobskerk. Puur toeval, zou je zeggen.
De foef en de bilspleet begeer ik al vanuit mijn kindertijd, vervolgt hij na een stevige dronk.
Ze stinken naar kak en pis als ze ongewassen zijn en toch zijn ze geliefkoosd in mijn leven.
Voor mij de ogen, zei ik opnieuw.
Ga je nu de hele tijd blijven liegen, schatert hij. Moet ge echt geen druppel proeven?
Een proevertje maar.
Ik vind het min of meer walgelijk om aan die teut te drinken. Wie weet waar hij met zijn mond vannacht ingezeten heeft.
Ik neem een slok uit respect voor deze wilde die zo afstotend en vertederend kan zijn.
Wat doet ge momenteel voor de kost, vraag ik, ons laatste gesprek indachtig.
Alles in het zwart. Heb je voor mij geen klus die een ander niet wil doen?
Neen, dat kan niet, dat mag niet. Terwijl ik dat zeg bekijkt hij mij onbegrijpend, meewarig aan en  zegt:
het is de moeite waard om mekaar nog eens te zien.
Ja, zeg ik. Het verdient respect.
Ons gesprek dat oerkreten bedwelmt, is onmogelijk te beschrijven in mijn woordenschat.
Voor ik voortga zeg ik nog: het zijn de billen die me het meest intrigeren maar de ogen zijn het bekoorlijkst.
Hij knikt en vraagt: intrigeren, wat betekent dat? Dat is wat jij de waarheid noemt. Verdwijn nu maar uit mijn leven tot de volgende keer.
De gedachte aan Marcel zal me de rest van de dag achtervolgen. Zijn postuur van kleine gestalte met te grote gekloven handen blijft op mijn netvlies gebrand. Telkens als ik iemand tegenkom denk ik: sta hier tegen mij zo niet te liegen.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 16:01 2 reacties Reageer op dit bericht

bouwvakkers

Vier uur ’s ochtends en ze zijn al onderweg. Geen kat op de baan. De ruitenwissers proberen tevergeefs de gutsende regen van de voorruit te vegen. In het busje riekt het naar sigarettenrook en cement. Vooraan wordt druk gediscussieerd over voetbal. Marcel zit achteraan, stinkt nog naar bier en zal verder slapen tot ze ter plaatse zijn. Ze zijn met vier. Hij, zijn twee zonen en een neef werken onafscheidelijk voor een bouwbedrijf. Ze pendelen naar alle uithoeken van het land, winter en zomer. Bouwen is niet moeilijk, zei hij op een keer. Het is een opeenvolging van dagen, weken, maanden hard werken met breekhamer, schop, kruiwagen en truweel. Van het geheel heeft hij geen verstand. Dat is iets voor de architect.
Marcel is de vijftig voorbij, is graatmager en is tot mijn schouderhoogte gegroeid. Hij heeft handen als een kolenschop. Zijn snor is als een borstel over zijn mond gegroeid. Zo zien ze niet dat ik maar vier tanden heb, zegt hij.

Als ze ter plaatsen zijn eten ze eerst een boterham en wordt koffie uit de thermos geschonken. Iedereen heeft zijn koffie mee. Marcel giet er voor zichzelf stiekem een paar klutsen rum bij. Hij denkt nog altijd dat niemand het merkt. Het is begonnen in de winter, het was tegen de kou, vertelt zijn oudste zoon. Sinds verleden jaar is hij overgeschakeld op het zomeruur. Het is tijd, ons kwartier is om.
Ze staan gedisciplineerd op en bewegen zich voort in het schijnsel van het halogeenlicht. Even later ontwaakt de omgeving in het lawaai van breekhamers die zich onmeedogenloos in het beton vastbijten.
Om negen uur zullen ze buiten een luchtje scheppen want op deze werf wordt benedendeks gewerkt. Dan staan ze gedurende tien minuten te glunderen naar al wie billen en tieten heeft onder de dertig jaar. Daarna opnieuw in lawaai en stof, geroep en getier van Marcel want zijn mannen kennen nog niet genoeg van de stiel.

Het lijken bruten op oorlogspad, ongemanierd maar met een gouden hart. Ze denken luidop en ploeteren tot de puzzel in elkaar past, het geheel waarvan ze zeggen niks te begrijpen. Ze doen het bijna met hun ogen dicht.
’s Anderendaags werd ik zowat opgeschrikt. Het was Marcel die zonder enige gêne, een witte stofwolk achterlatend in de eiken hall van het stadhuis, de marmeren trap opliep en me halverwege luidkeels toevertrouwde dat hij zijn ontslag had aangeboden. Ze hebben mijn zoon afgedankt dus ga ik mee, zo luidde het. De patron had nog getracht hem te overtuigen dat het beter was te blijven en te profiteren van al die jaren dienst maar er was geen houden meer aan. Marcel was gekrenkt in zijn vaderlijke trots. Zie dat ge om vier uur buiten geraakt. Ik betaal een pint, zei hij nog terwijl hij rechtsomkeer maakte nu hij me gezien had.
Toevallige toeschouwers lachten beleefd met het spektakel. De kuisploeg werd erbij gehaald en in een mum van tijd waren zijn voetsporen weggeveegd.

De breekhamers zwegen niet. Hij werkte tot de laatste minuut uit trots en eergevoel.
Toen we iets gingen drinken zat hij nog altijd onder het stof. Alleen zijn ogen die hij tijdens het werk beschermde hadden nog iets menselijks. Ze fonkelden vurig toen hij met een snor vol bierschuim zei: ik ga zelfstandig in het zwart werken.
 Weinigen hebben op mij een zodanige indruk achtergelaten zoals die man met weinig manieren die altijd luidop dacht ook al dacht hij niet veel.
Na die pint heb ik  Marcel lange tijd niet meer gezien tot…op die keer dat…..
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 10:53 1 reactie Reageer op dit bericht

festijn

Net niet tot op het vriespunt. Halverwege komt ze tevoorschijn als ik laat vertrek. Dat gaat niet blijven duren. De winter komt eraan. Voorlopig spaar ik nog mijn winterhandschoenen tegen de sleet. Toch zal ik binnenkort opnieuw een lange onderbroek aantrekken, mijn gelaat omwikkelen tegen de kou, zelfs mijn neus; zal het landschap onderweg bevriezen en krassen de kraaien door koud geschemerte. De winter komt er aan.
Sneeuw zal opnieuw het verstand bevriezen in een eindeloos wit tapijt. Prachtig zal dat zijn om weeral de grond te voelen kraken onder onzekere voetstappen vol ongeduld naar de lente. Een festijn.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 13:39 Reageer op dit bericht

nog wat tijd

Langs de veldweg staan oude eiken en knotwilgen. Ze hebben veel seizoenen doorstaan; zelfs een wereldoorlog.
De wind waait de opklaringen weg.
De kachel brand al de ganse dag. Sommige houtblokken knetteren in het vuur. Het huis blijft warm. Buiten waait koude natte wind. De hond zucht en snurkt verder. Alle lichten branden binnenshuis.
Soms loop ik in het huis nadenkend heen en weer over de stenen vloer met voetstappen over onpare tegels. Met tussenpozen ga ik buiten in de regen staan.
Rust uit. Het vuur knettert weer. Dop de inkt van de pen en klap deze bladzijde dicht.
Nog even een klein moment.
Wat dan?
Iets onbeschrijfelijks beschrijven. Geef me nog wat tijd. Dan stop ik er mee.
Dwaas. Je ogen staren in tijdsverlies.
Verlies bestaat niet, mijn liefste. We kunnen dit heden alleen maar verbruiken. Ooit kopen we een comfortabel bed waarin we als foetussen in elkaar gestrengeld kunnen slapen. Weet je, ik hou van jou.
Ik ook van jou. Toch zijt ge een dwaas.
Dan is dat zo. Ik kan het me niet laten.
Ik schrijf gezeten op een muur. Een vrouw met grijs haar vraagt: hebt ge het niet koud?
Neen, ik heb een degelijke jas aan.
Daarna fietst ze verder en blijf ik alleen achtergezeten op deze plaats. Heerlijk is dat om in koude wind onder een hemel met opklaringen te verblijven. Nu ga ik voort.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 17:31 1 reactie Reageer op dit bericht

pint bier

Met kerstmis eenenveertig kaarsjes uitblazen. Waar is de tijd.
Schenk dat meiske een pint bier. Ik trakteer.
    En?
Ja, en met U?
    Ja, ook goed.
Welke geurige naajaarswind brengt jou hierheen?
    Het regent buiten. Ik kom hier elke week. Meende je dat nu echt?
Wat meende ik?
    Dat van dat meiske.
Neen, dat was maar om te zeveren. Bij jou merk ik dat leeftijdsverschil niet eens. Er hangt een herfstblad in je haar. Mag ik een beetje tabak van je lenen?
Het blijft regenen met koude wind in het donker. Meer dan de helft van de wereldbevolking moet dit ontberen. Laten we kontent zijn.
    Zullen we wat roddelen over collega's?
Oh ja, fijn. Wie begint?
    Jij. Zeg iets over Theofiel.
Theofiel is een dommerik. Arthur is goedaardig en Gustaaf is best aardig. Nu is het jouw beurt.
    Ik ben dezelfde mening toegedaan.
Is dat alles?
    Neen, Jacquelinne vind ik een trezebees.
Vanwege de muziek leg ik mijn rechteroor rakelings aan haar mond te luisteren. Ik voel de wind van haar spraak terwijl mijn neus in haar haren verstrengeld geraakt. Het is een noodzaak om elkander te verstaan.
    Eet jij graag kip?
Ja, op voorwaarde dat het een Mechelse koekkoek is.
    Waarom een Mechelse koekoek?
Omdat die minstens een uitloop van negentig dagen heeft voor ze hem slachten op een kipvriendelijke manier. De verpakking zou ook milieuvriendelijk zijn.
    Weet je wat ik mis in deze stad?
Neen.
    Een minaret met een zanger erbij. Ik ben dat klokkengelui beu.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:01 3 reacties Reageer op dit bericht

jeke

En waarom, vraagt iemand zich dat af?
Ik zou het niet eens weten, alhoewel; het heeft misschien iets met perceptie te maken in dit aardbewonersbestaan.
Warket gaat iets beschrijven...in het straatbeeld hoor ik muziek; zigeurermuziek. Mijn voorbijgangers kijken niet eens naar die accordionist die een muziekstuk speelt.
Zigeunermuziek.
Kinderen, dronkhaards en clochards gooien iets in zijn kartonnen bakje. Muzikant op straat.
Dan zie ik iemand op hoge hakken vooraan. Op de kasseiweg heeft ze het moeilijk. Haar benen gaan alle richtingen uit. Haar lichaam is gevangen in een soort gelatine-keurslijf. Dat kan toch niet comfortabel zijn.
In de zomer stoken zigeuners vuurtjes waarop ze hun eten klaar maken. De kinderen spelen in open lucht, net zoals ik dat deed. Ze gaan pissen en kakken tussen de struiken. Ze poetsen hun tanden buiten in de dauw met een emmer water, ieder om beurt.
Ik heb het gezien. Ze leven zoals wij, maar dan op een andere manier
In dit straatbeeld zie ik ook een grijsaard met een hond, een halfblinde met een vooruit gestoken witte stok en roekeloze jongelingen. En ik daar tussendoor
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 23:56 2 reacties Reageer op dit bericht

droom1000

Ik heb vannacht van je gedroomd.
We waren op een groot feest. Jij flirte met voorname personen. Ik stond er langszij naar te kijken terwijl een dame de onnoziliteiten uit haar leven tegen me vertelde.
Nadien zijn we weggegaan. Je stuurde roekeloos de wagen naar een ondergrondse parking tot min vier. Op het tiende verdiep was een restaurant. Het duurde lang eer we er geraakten want de lift bengelde voortdurend. Meermaals moesten we uitstappen om onvolkomendheden te verhelpen.
Jij was een gekende klant daarboven. Ik bestelde een meergangenmenu. De hoofdschotel was mossel-friet. We dronken witte wijn. De bediening liet lang op zich wachten.
Je was wispelturig en nonchalant. Is ze weeral niet content, fluisterde de ober onopvallend in mijn linker oor. Ik voelde me een klein beetje ambetant door jouw gedrag en tegelijkertijd genoot ik ervan.
Ik betaalde de rekening en dan gingen we voort. We sliepen in het leegstaand grootmoedershuis helemaal boven.
Toen ik s'nachts beneden ging plassen zat mijn grootmoeder in de keuken en schreeuwde ze bekijvend: "Hoe is dit toch mogelijk. Maak dat je wegkomt!".
Dan liepen we over het trottoir. Er liepen mensen op straat. Je had je lichaam om het mijne geklemd. Ook al was dat een heerlijk gevoel, ik voelde me gegeneerd voor de voorbijgangers op de stoep.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:14 Reageer op dit bericht

Meer van verbruikte toekomst

↑ Terug naar de berichten