Archief
ik
tekwar
Hoor je dat War? Wat. Die stem. Neen. Je moet hieraan nog wennen Tek. Hoe ben jij hier terechtgekomen War? Ik herinner mij nog dat ik met het galgenkoord rond mijn nek nog naar de hemel bleef kijken. De overstap is niets geweest. Ik heb er niets van gevoeld. Hoe lang ben jij dan hier? De tijd bestaat hier niet Tek. We hebben toch zonet een lied geschreven War? Hoelang is zonet Tek? Zolang het nodig was War. Neen Tek. Zonet was allang genoeg om onnodig te zijn. Herinner jij nog het moment toen je naar hier keek? Je zag een tip van de sluier. Wat doe jij hier War? Ik heb een doel Tek. Ik wil het eindige in deze oneindigheid begrijpen. Ik heb het geluk gehad om een mooie weg te bewandelen en die stopt hier niet. Ik wil het verband tussen iets en niets begrijpen. Mogelijk komt niets uit iets zoals dit oneindige uit het eindige kan komen. Weet je nog War? Ja Tek. Ik ben moe War. Ik wil slapen en dromen. Dat kan niet Tek. Dits IS een droom. De feiten hebben hier geen betekenis meer. Alles in dit heelal is een illusie. We bestaan niet eens.
warkettekraw
Wat vind je van deze ruimte? Hoezo. Dit heelal. Komplete stilte. Een lege snelweg van woorden. Wat doe jij hier trouwens? Ik ben hier net zoals jij. Tek en War. Warket en Tekraw. Gek he? Het zou evengoed Tekkram kunnen zijn. Of Warklep. Doet er niet toe rek. Gooi maar eens tijdens een wandeling in het bos een stok weg en kijk waar hij beland. Komt hij in een plas terecht, op een zonnige plaats of blijft hij haperen in de takken van een oude boom? Ze is met hem op dit ogenblik gaan winkelen Stel je voor dat ze niet thuis komen en vanavond op de deur geklopt wordt met de mededeling: mijnheer, het spijt me om u te moeten mede te delen dat...Dan stort mijn leven in elkaar, gedaan met de rust etcetera.
Een vol hoofd, mijn kop in een virtueel wespennest steken, misschien kan ik daar iets aan doen. Ik heb ik geen zin meer om verder te schrijven. Dat had ik me voorgenomen. Nietwaar War ?
het jaar 2000
Vertel me over gisterenavond, vraagt ze.
Het was plezant. Ik heb gespeeld.
Ze vraagt of ik niet teveel gedronken had.
Neen, jammen op ritme, dat was muziek.
Ze gaat een schaar halen en begint mijn nagels te knippen.
Kun jij daartegen, vraagt ze.
Ja, ik vind het leuk. Zelf doe ik het niet graag.
Ik ben moe. Een vliegtuig
besturen zit er vandaag niet meer in.
Hij vraagt of hij een verdorde
struik mag aansteken. Van mij mag het. Veel rook en weinig vuur. Het
zal de buren ergeren.
later...
ik ben
aan het verschroeien
onzichtbaar
Je hebt me op een donderdag verteld dat ik een vrouwenzot ben.
Misschien is dat ook wel zo.
Ik doof mijn sigaret en riek aan mijn vinger.
ik pis in sneeuw
De inktpot kwam na de griffel en de lei. Met blauwe vingers keerden we dan terug naar huis.
Nu schrijf ik met zwarte inkt. Mijn schrift is standvastiger geworden. Ik heb zelfs geen lijntjes meer nodig om de letters te leiden. Ik kijk niet meer naar een bord. Nu kras ik alles uit het niets op perkamentpapier.
Het gaat allang niet meer over de melkboer en Jan. Toch is er iets van dat gevoelen van toen overgebleven. De traagheid van het schrijven misschien, de letters die het grafisch vermogen van de schrijver opeisen.
Op zo een blad papier beginnen te schrijven is als zich in een sneeuwlandschap begeven waar geen grenzen zijn. Ik pis mijn naam in de sneeuw.
Nu veeg ik de etensresten van de buitentafel. Het is avond. Deze wilde drassige dag is mild geworden. De wind is gaan liggen. Op de schouw van de pastorie zit een duif. Waar kijkt ze naar? Van daaruit zie je het dorp.
Mijn hand rust. De stop is van de inktpot. Rechts van mij ligt toiletpapier. Dat dient om de inkt van mijn pen te vegen. Na een paar zinnen zit ik wat om me heen te kijken. Ik draai een sigaret, tuur en gluur. Daarna rolt er weer een zin uit deze door ouderdom verstomde geest.
allerheilig
Gekleed met naakt,
zelfs dan blijft een impressie bestaan.
Op dertig oktober van dit jaar was het mooi ochtendweer. De stad is bijna leeg.
De kraaien vliegen voor
over bedauwde grond die langer zal bestaan dan dit geschrevene.
De bladeren gestorven in het najaar en die alle kleuren hebben doorstaan,
rotten nu op de platgestampte aarde.
Ik heb erg veel zin op eten in een ochtendcafé.
Er zit een man met gekruiste benen voor een kansspel. Op de glasplaat ligt
een pakje Marlboro. Een vrouw kijkt rond, tuurt bij de koffie door het raam.
Ze heeft krullend haar en ze draagt een bril.
De ochtend broeit, loeit en reikt over iedereen heen.
Schaduwen over de stoep van zij die buiten zijn en bewegen.
Zelf vind ik mijn schaduw niet. Misschien besta ik niet meer.
Loeit, broeit, reikt die ochtend over iedereen heen als een reusachtig lichtgordijn in een roes van overspeligheid.
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen
en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Maar nu, in dat reusachtig lichtgordijn zonder mijn schaduw nog te zien
besta ik niet meer.
Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
Toen ik op de begraafplaats kwam viel het me op dat de mensen die daar
rondliepen vooral ouderen zijn.
Ze hebben al veel leeftijdsgenoten verloren en herdenken hen nu.
De doden komen weer tot leven.
Vroeger kwamen we met heel de familie bijeen en werden er pannenkoeken gegeten.
Dat doen we nu nog, maar er is een generatie verdwenen en een nageslacht bij gekomen.
We bezoeken ook de graven niet meer en versieren ze ook niet meer met bloemen.
Het enige dat overgebleven is, is het feest en de nagedachtenis.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind. Het weer is in de herfst omgeslagen, net op tijd voor Allerheiligen.
de laatste zonsopgang
niemand weet wat daarna gebeurt
de straten worden donker
de huizen omhuld in een winterlucht
de aarde bevriest
Hij slabbert met zijn tong wanneer hij leest. Hij degusteert het geschrevene,
zegt zijn moeder.
De familie zit bijeen aan tafel: hij, zei, hem, haar, haar van hem, hem van haar, zij van mij.
En nu zit ik hier alleen
niemand die iets hoort
tenzij, ja gij die mijn gebaar leest,
denkt zichzelf te herkennen in onmetelijkheid.
Wie weet zijn we eendagsvliegen in een jaar,
houden we de seizoenen in stand en zijn we meer
dan een herinnering.
Het lawaai, de stank, het geklaag van de meerderheid,
zijn niets meer dan anekdotes in het verstand.
zin
Ik heb zin
om voor een keer geen onzin uit te kramen, om socio-economisch en
multicultureel over deze samenleving na te denken met een innig verlangen de
wereld te verbeteren en een rooskleurige toekomst voor alles vast te
leggen. Voor ik dat probeer sla ik mijn armen om haar heen en staan we
minuten in gedachten drie seconden stil. Ik zeg: ik ga een echt artiekel
schrijven zoals journalisten dat dagelijks doen.
Een half uur zit ik hier neuspeuterend te peinzen zonder resultaat. Ik kan
zelfs de 'ik-vorm' niet kwijt. Wanhopig neem ik de krant en noteer opschriften
zoals:
verkeerswet wordt weeral herschreven
geen hoop voor wie zonder stroom winter in moet
dronken doodrijder maakt tweede slachtoffer
opwarming klimaat bedreigt gezondheid Europeanen
merendeel oude computers heeft porno op harde schijf
regering is niet bij machte beheerders elektriciteitsnet te dwingen
niemand spelt radicalen de les
kroniek van veel menselijk verdriet
er valt geen hol te beleven in de grot
laptopnek, muispols,Sms-duim, en....iPodvinger
sinterklaas over Generatiepact
Neen, het lukt me niet iets zinnigs te vertellen. De opschriften zijn me al te
veel. En dan al die geschriften van zogenaamde feitelijkheden. Dan ga ik
nog liever in de winter met rubberen laarzen in de Dijle staan kijken naar
kwakende eenden.
Zolang we geen medeleven betonen, onverdraagzaam blijven en met angst door het
leven ploeteren, zal ik niet het verlangen hebben om iets zinvol te schrijven.
alhoewel, ik heb haar verteld dat ik iets zinnigs zou schrijven
aan elke bedelaar geef ik een euro omdat ik naïef en medelevend ben
ik verplaats me met de fiets of te voet
ik probeer een voorbeeld te zijn voor mijn volwassen kinderen
en ik tracht niet te verdwalen in gedachten
en dan vraagt ge u misschien af: waarom schrijft ge dat
en zeg ik: dat vertel ik nu niet
MIJN zaterdag
Schitterende dag. Ze is thuis vandaag. Zaterdag, zondag en maandag is ze thuis. We zijn tot negen uur onder de lakens blijven liggen. Normaal werkt ze op zaterdag. Dat is dan MIJN zaterdag. Dan duik ik zeer traag de dag in, beginnende met een krant waarin ik niets meer dan de titels lees. Politiek en sport verdwijnen meteen in de papiermand. Daarna wordt de chaos van woorden en zinnen die doorweeks tussen kladschriftuur bleven haperen geordend. Tas koffie, toilet, sigaret…, het gebeurt in vertraging tot het middaguur. Tijd om mijn kleren aan te trekken en mijn haar te kammen. Scheren en tanden poetsen volgen daarna, waarna zijbijmij even komt pauzeren. Dan lees ik de teksten in de krant. Maar vandaag is het ONZE zaterdag. Ze moet niet denken dat dat iets aan mijn zaterdagritueel zal veranderen.
Eigenlijk is het beter dat ik er op zaterdag niet ben, zegt ze.
Ja, eigenlijk wel.
onnozeliteit van zwijgen
Misschien wacht ze op iemand en is ze zo weg, dacht ik. Ik ga hier niet weg. Het is MIJN plaats. Bovendien was dit de enige bank in de omgeving.
Het is moeilijk zegbaar maar toen het begon te schemeren zaten we nog altijd zwijgzaam naast elkaar in een onweerstaanbare drang om niet op te staan. Ik wachtte op het moment waarin iets in mij of in haar zou overschakelen in een woord zodat onze verschijning een acte van précense zou krijgen.
Streel me, zei ze dan totaal onverwacht.
Wat zegt u?
Streel me.
Is dit een grap?
Neen.
Voorzichtig raakte ik met mijn vingertoppen haar hand aan. Ze had prachtige slanke handen, net niet knokig. Nog nooit had ik een doodvreemde zo doelloos aangeraakt. Ik wist niet eens wat strelen voor haar betekende.
Je hebt eelt op je vingers, zei ze dan.
Ja, alleen de vingertoppen van mijn linkerhand. Dat komt door dat instrument dat ik bespeel.
Ik had gehoopt hiermee een gesprek aan te knopen maar ze antwoordde niet. Ze had haar ogen gesloten. Ik bleef dan maar haar hand strelen, wat me aanvankelijk onnozel leek maar naarmate de tijd verstreek ontstond er intimiteit tussen vingers en hand als een doofstomme taal van voorzichtige aanraking. Net op dat ogenblik begon de poedel te blaffen.
Ik ga nu verder, zei ze.
Ja, ik ook.
Meer hadden we niet te vertellen in deze kortstondige vriendschap teweeggebracht door de onnozeliteit van het zwijgen.


