Vannacht sliep ik met tussenpozen in halfwakkere
toestand. In mijn halfdroom ontmoette ik mijn nicht en nonkel als
personages uit de late ja…
Vannacht sliep ik met tussenpozen in halfwakkere
toestand. In mijn halfdroom ontmoette ik mijn nicht en nonkel als
personages uit de late jaren zestig.
Ik herbeleefde de begrafenis van mijn grootvader, ook al was ik toen nog heel jong.
Terwijl de mensen langs de binnenkoer in een plechtige tristesse naar
binnen gingen om de overledene een laatste groet te brengen, hoorde ik
mijn grootmoeder ontroostbaar huilen.
Ik had het lijk ook gezien en was geschrokken van dat wit vertrokken
gelaat met ingezakte oogleden. Ik voelde zo de dood in die kamer. Het
rook er naar Keuls water.
Ik werd halfwakker en zag door het dakraam dat het klaar werd. Ik
hoorde duizenden vogels als in een concert zingen. Nochtans ben ik
halfdoof. Ofwel hoorde ik een zwak signaal dat door mijn gedachten
versterkt werd, ofwel werd het door mijn geest geschapen. Ik denk dat
het dat laatste was.
Ik lag nog te dromen, mij ervan bewust zijnde dat ik in bed lag en
wakker zou worden. Mijn geest was ijl, mijn lichaam zo licht als lucht.
Plots begon ik neerwaarts te kantelen en hoorde ik achter mijn rug een
geluid dat op een aanraking leek. Het leek zo echt.
Toch besefte ik dat dit gebeurde tussen droom en wakker zijn.
Ik besloot om op te staan. Ik trok een short aan en ging buiten zitten
kijken naar de blauwe lucht. De zon was opgekomen in koelte van de
nacht.
Ik rookte een sigaret en bleef daar maar zitten. Die droomnevel trok maar langzaam weg.
Ik voelde me nog een mens van de lege ruimten, een schaduw op een witte steen.
De nacht had de ochtend geteisterd als het begin van een onechte dag.
Diezelfde dag, s’avond bij zonsondergang, vertelde mijn vader enthousiast over zijn kindertijd.
Ze leefden in oorlogstijd en hadden een os.
Hij vertelde me hoe ze vluchtten en de os lieten slachtten en daarvan het beste stukje vlees overhielden
en over de zoete melk om te overleven.
In Kathmandou was de revolutie net gedaan toen ik er aan kwam. Zij zou
later op de dag komen. In afwachting ging ik naar een jeugdherberg
w…
In Kathmandou was de revolutie net gedaan toen ik er aan kwam. Zij zou
later op de dag komen. In afwachting ging ik naar een jeugdherberg
waar ik vroeger al gelogeerd had. De hippies waren teruggekomen. Het
was vervallen. Het stonk er naar pis en bovendien was er geen plaats
meer.
Ik plaste in de hall, nam mijn bagage en ging de stad in.
Het was er druk. De mensen zongen en dansten. Op een plein kwam ik mijn
ouders tegen die eveneens op zoek waren naar een logement. Wat doen die
hier in Nepal, vroeg ik me af.
Ik herinnerde me nog een leegstaand huis aan de rand van de stad waar
ik op een vorige reis, lang geleden, gewoond had. We gingen er naartoe
en moesten eerst hout ruimen dat iemand binnen opgestapeld had. Plots
stormde een neushoorn op ons af. We verstopten ons achter een houten
wand.
Dan zag ik haar komen langs een aarden weg. Ze herinnerde zich ook het
huis maar had de neushoorn niet gezien. Er loopt hier een neushoorn
rond, riep ik. Ze lachte en droeg een kind op haar arm.
Het speelde zich af in een voortdurend veranderende wereld, ook in de tijd. Ik had geen keus om in te grijpen. Ik kon alleen maar ondergaan.…
Het speelde zich af in een voortdurend veranderende wereld, ook in de tijd.
Ik had geen keus om in te grijpen. Ik kon alleen maar ondergaan.
Het begon bij mijn vader die ziek werd. Uit zijn huid liep een pijnlijke
etter. Het was besmettelijk want mijn moeder kreeg het ook.
Daarna mijn broer, mijn zus en de mensen om me heen.
Plots liep ik op een landweg ingesloten door grasweiden. Er draafde een
paard recht op me af.
Ik lag me neer op de weg en sloot mijn ogen.
Het paard kwam naast mij liggen. Ik was bang dat het me zou
verpletteren, maar het neuriede lieflijk en omhelsde me.
Dan brak een woeste stier vlakbij door een afspanning.
Opnieuw sloot ik ineengekrompen mijn ogen en kwam ik in een verouderd
klaslokaal terecht.
Mijn medeleerlingen waren jonger dan ik. Ik spijbelde voortdurend en had
nooit schoenen aan.
We moesten in een cinemazaal een voorstelling bekijken over een
torenkraan. De ruimte was immens. De kraan stond er echt.
Er was geen scherm.
We moesten aandachtig kijken. Achteraf zouden er vragen over gesteld worden.
Weeral sloop ik op versleten sokken naar een belendende ruimte.
Tot mijn verbazing zat daar een vriendin die ik lang geleden niet meer
gezien had. Ze vroeg of ik karnemelk meegebracht had.
Ik heb de laatste fles leeggedronken, zei ik.
Pas dan zag ik de gaatjes in haar huid waaruit etter sijpelde.
Ik wou terug, maar aan de deuropening gaapte een weidse diepte.
We gingen op reis naar het zuiden op een avond in
een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat
klanten binnen te lok…
We gingen op reis naar het zuiden op een avond in
een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat
klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om
met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in weiland terecht
kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat in een wei.
Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om
de voorbijganger te groeten.
Op een keer was het paard alleen en
vonden we de eenzaat in een sloot met zijn bovenlichaam verstijfd. Ze
droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We
brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.
Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren
ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had
een leidende rol. Hij was nog jong, feitelijk jonger dan ik. Ze
stoomden behangpapier van de muren.
Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar op die ik van een vriend
gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het
tabaksblad verpulverde in mijn mond.
Plots besefte ik dat ze verdwenen was. Ik was eenzaam en in paniek,
ging op zoek in het groot gebouw maar vond haar niet. In elke kamer
waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik
voelde me zeer onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder
haar zou ik dit leven niet overleven.
Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij
leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken.
Ik ging buiten en vond het paard.
Kamiel was op een avond schielijk overleden. Ik
kende hem beter dan in werkelijkheid. Ik had een beeld gemaakt dat ik
hem net te laat als sy…
Kamiel was op een avond schielijk overleden. Ik
kende hem beter dan in werkelijkheid. Ik had een beeld gemaakt dat ik
hem net te laat als symbool voor onze vriendschap wou schenken.
Ze hadden zijn lichaam gemummificeerd en opgebaard in een witte heldere kamer.
Mijn oudste zoon was bij mij, weeral veel jonger dan in werkelijkheid.
Deze keer vroeg hij me geen bladgoud meer te eten te geven, maar
troostte hij mij in mijn ondraaglijk verdriet.
Kamiels zus zei me dat ik zijn overblijfsel mocht bewaren nadat iedereen vertrokken was. Zijn ouders keken me bekijvend aan.
s'Anderendaags was de witte heldere kamer verlaten. Ik wikkelde hem in een linnenzak en bond hem op mijn fiets.
Ik zeulde hem overal mee en vertelde tegen iedereen die het horen wou: deze mummie was Kamiel, mijn beste vriend.
Samen met mijn zoon dwaalde ik door onherbergzame gebieden, sliepen we
in spelonken en was mijn verdriet verdwenen. Ik probeerde Kamiel zo
goed mogelijk te bewaren. En dan onverwacht in een getijdestorm waarvan
ik met mijn zoon aan het genieten was, daagden Kamiel zijn ouders op.
Ze vroegen of ze hem nog eens mochten bekijken.
Toen ik de linnenzak open maakte waren er ledematen verdwenen. Ik voelde me diep beschaamd, maar ze vonden het niet erg.
Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een
anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij
mijn broer zich had aangeslo…
Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een
anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij
mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was
niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond
bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn gezin dat mijn levensstijl
afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol als lid van de
tegenstrever. Ik stond op het punt broedermoord te plegen.
Ik
torste voortdurend schuld van afzondering en asociaal gedrag, bestreed
de strenge regels van verrechtsing. Soms klauterde ik over een
omheining in een veld en werd ik achtervolgd door een stier. Bangelijk
was dat!
Iedereen sliep toen ik in een nacht me wou te slapen leggen. Dan
ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als twee tegengestelde
gemeenschappen buiten, dicht bij elkaar. Mijn zoon was wakker geworden,
nog als een kind. Hij vroeg om eten en toen ik vroeg wat hij wilde
antwoordde hij: bladgoud.
Ik was met collega’s op werfbezoek. De pas gegoten betonvloer was onstabiel geschoord. Het gebouw was moeilijk toegankelijk.
Net voor de ve…
Ik was met collega’s op werfbezoek. De pas gegoten betonvloer was onstabiel geschoord. Het gebouw was moeilijk toegankelijk.
Net voor de vergadering kwam iemand vertellen dat er een zwaar onweer op komst was.
We dachten: de zon schijnt, we hebben tijd.
Plots kwamen donkere turbulente wolken op ons af.
We vluchtten naar een lager gelegen plaats en hoorden de wind loeien.
Het werd donker en ik zag de sterren in de hemel oplichten in flitsende explosies.
Nadien fietste ik langs grauwe straten met smeltende sneeuw.
In een vlaag van helderziendheid zag ik een kind omkomen.
Ik spoedde me naar de plaats waar het ongeluk zich zou voordoen en zag het kind aan de straatkant onbedachtzaam spelen.
Het liep nog onstabiel met de handjes graaiend in de lucht.
De weg was glad. Er kwam razendsnel een motor zigzag aangereden. Ik
kende die motor. De bestuurder was een vriend van mij. Ik snapte niet
wat hem bezielde. Ik stond als aan de grond genageld en kon niets doen.
Ik heb het niet zien gebeuren want plots stond ik bij dageraad in een
verlaten straat. Ook hier lag smeltende sneeuw. Het was de straat waar
ik opgegroeid was.
Het licht brandde beneden in het oudershuis. Ik zag mijn moeder met haar badjas aan ronddwalen.
Ik maakte mijn fietszakken leeg in de voortuin en reed verder zonder
binnen te gaan. Ik was om een of andere reden bang om met haar
geconfronteerd te worden, ook al wist ik dat ze ongerust was omdat ik
al twee dagen weggebleven was
Ik heb toevallig een mens vermoord en begraven. De grond waar ik hem
begraven heb is nog korrelig. Ik had mijn dode beter verbrand of i…
Ik heb toevallig een mens vermoord en begraven. De grond waar ik hem
begraven heb is nog korrelig. Ik had mijn dode beter verbrand of in
een beerput gegooid. Maar nu is het te laat. Ik heb hem begraven en
zou het niet aandurven om hem opnieuw op te graven.
Ik ben bang dat ik hem niet diep genoeg begraven heb en dat er iemand
voorbij zal komen, de uit de grond wasemende stank zal rieken, of
waarschijnlijker nog, dat een hond het lijk zal opgraven zodat
iedereen zal zien dat hier een mens begraven werd en mij zal
aanwijzen als de vermoedelijke dader.
De volgende dag kom ik terug om te zien of ik niks verkeerds riek. Op
de plaats waar ik hem begraven heb leg ik een zware steen. Terwijl
mijn dode stinkend onder de grond me roerloos kwelt met angst om
betrapt te worden, denk ik aan wat ze mij verteld had over de dood van
haar moeder.
Ze zei: De onwetendheid over wat na de dood is of niet is, speelt
voor mij geen rol. De pijn en de angst ervaren tijdens het langzaam
doodgaan is mijn grootste angst in het leven. Moest jij er niet meer
zijn als ik dood ga, wil ik een goeie priester bij mij.
Ik zei: het overkomt ons allemaal. Als je het leed ondergaan hebt en
de pijn en de angst voelt als een gekwetst dier, hulpeloos en
verwonderd voor datgene waarvan je wist dat het je ooit overkomen
zou, aanvaard je het lot en wordt je weldra de herinnering bij
diegenen die je dierbaar zijn.
Vannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kanse…
Vannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen
Dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen
Ik hecht waarde aan mijn dromen. De droom is als een bloot lijf…
naakt laat geen verbeelding meer toe. Er is een huis met ruimten die me
toe…
Ik hecht waarde aan mijn dromen.
De droom is als een bloot lijf…
naakt laat geen verbeelding meer toe. Er is een huis met ruimten die me
toebehoren. Ik ben niet alleen.In het huis is een kleine stoffige
ruimte vol spinnenwebben. Alleen ik ga daarbinnen. In het huis bevinden
zich plaatsen waar verondersteld wordt dat ik die niet betreed.
Weelderige ruimten die ik stiekem verken. Verlaten ruimten die
onaangeroerd horen te blijven. Onbewoond. Toch is er iemand als ik er
niet ben.