Toen ik naar huis keerde had ik een gevoel van twijfelende zekerheid. De zekerheid was ons bestaan. Niet ons als wij, maar ook de vogels in de lucht, konijnen en kraaien in het veld, bomen en gras...dat wij vernietigend doorkruisen als apparte overheersers in eenzaamheid. Zie dat gedierte in het gebladerte in vier seizoenen overleven. Ze hebben schrik van ons. De twijfel komt vanuit een droom van vorige nacht. Ik zweefde in een bol door het heelal. Heerlijk was dat. Het was doofstil en buiten was het pikkedonker tussen de sterren. Ik zweefde door de hemel waar ik als kind altijd naar zat te kijken. Er was iemand bij mij waarvan ik zijn gestalte niet meer kan herinneren. De onzichtbare gestalte wees naar een blauwe schijn in de ruimte en zei: kijk, dat is de aarde. Volgens de oude geschriften zou daar leven geweest zijn. Dan gingen we in een blauw verlichte ruimte volgestapeld met bokalen gevuld met gesteriliseerde mensenhersenen. Dat is wat er gelukkig nog van overblijft. Zo kunnen we de geschiedenis ontrafelen.
niets is ooit een laatste keer ze pitste een duivelshaartje weg terwijl ze met haar ogen vertelde over onzekerheden ik kon ook de waarheid niet weten en vertelde iets over ouderdom we gingen in een vervallen kerk waar iemand zich nog de communiebank herinnerde, geknield naast drie verbruinde bloedvlekken op het arduinen plaveisel als een niet loslatende droom voor de eerste keer zag ze het interieur van een klokkentoren we liepen over de gewelven en op de wenteltrap vroeg ik om de spinnenwebben te laten en niets aan te raken in deze verlaten kerk
Als katten de nacht inzwerven. Het is koud en de mist blijft hangen. Volle maan en zo stil dat je het lawaai alleen nog in je binnenste kan horen. De wereld staat nu verder van de zon dan in de zomer. We stuiven terug in de herfst. Ik zit me uit te puren met koptelefoon in popmuziek en drink een meergranenbier. Dansend gezeten op mijn stoel schrijvend en hoor een prachtig lied
onbelangrijk
wat belangrijk was
ben binnenshuis
alleen
toch blijft rivier afwaarts vloeien
zwerven katers langs de kant
geruisloos potelen
onzichtbaar in nacht
mens riekt aan duim
en denkt: het is nog geen tien uur
neus tussen duim en wijsvinger
riekt naar voorbije dag
het leven heeft een geur
zou willen zwerven in new jork
kan niet
alhoewel
met geld koop je mogelijkheid
een propere onderbroek, vlieger, new jork
hier sta ik in new jork
zonder onderbroek maar dat zien ze niet eens
oh, wat is dit multicultureel
net zoals brussel vergroot
ik heb mijn lief vergeten en geen onderbroek aangedaan
nu sta ik hier in new jork
hulpeloos zonder lief en half naakt
keer terug naar schrijverstafel
hier ben ik weer
was maar wat fantasie
ja, was, gelukkig maar
Het was heet vandaag. Er
vielen zweetdruppels van mijn kop op dit blad papier. Ik hoop dat ze me
overleven, uitgedroogd tussen deze woorden. Mijn collega had een
bloesje met korte mouwen aan. Ze had haar haar met een elastiek in een
vijf centimeter lang staartje ingebonden. Zo fris had ik haar eerder
niet gezien. Zomerweer onthult, ontluikt, maakt mensen mooi en blij. Ook buiten zijn ze licht gekleed. Als een voyeur-mobile rijd ik voorbij. Nu
zit ik buiten geblust maar wat te stamelen in bloot lijf met
pyjamabroek aan. De hond ligt erbij. Zij is binnen. We hebben lang
genoeg aan tafel gezeten. Hij is weg. Hij blijft bij zijn broer slapen. Ik ben moe en heb geen zin om te slapen. De wereld kijkt scheef.
vrijdag 25 mei 2007
Nu
is het dertien uur op vrijdag 25 mei en zit ik op een bank aan een
veldweg dit te schrijven. De zon prikt aan m'en vel en in mijn ogen. Ik
heb een zonnebril aan. Vooraleer te soezen in deze gebeurtenis braak ik nog wat woorden uit onverstand ...niks is... ...alles erweer... ...erweer niks... Daarna, ja, dan zien we wel. Het is nog niet te laat voor deze wereld.
Vooraleer naar huis te gaan ga ik nog iets drinken aan de teut. Eentje
maar. Neergevleid kijken naar voorbijgangers, naar zwijgzame koppels
hand in hand, kwetterende jongelingen of hier en daar een enkeling.
Ziedaar valt mijn blik niet ver vandaan op iets opmerkelijks. Ze
is groter dan hij. Dat zie je zo hoe ze daar tegenover mekaar zitten op
een terras aan de oude markt. Haar schouders zijn ook breder dan die
van hem. Zij zit met een rechte rug. Hij zit voorovergebogen. Misschien
lijkt het wel zo dat ze groter is dan hij. Hij luistert terwijl ze
spreekt, of kijkt hij maar naar haar? Hij lijkt jonger dan zij net
volwassen te zijn. Ze geniet ervan. Ze heeft een sigaret
aangestoken. Ze inhaleert niet eens. Ik vraag me af of hij dat merkt.
Niet dat dat belangrijk is in een kijkend gesprek. Ze zit daar a-la Catherine Deneuve tegen een zwijgzame gebogen rug te keuvelen. Misschien is het wel oprecht. Nu
keutert hij langdurig met zijn pink in zijn oor. Aai, doe dat niet in
deze tête à tête met een beeldschone vrouw op een zomerterras! Toch blijft haar aandacht bij deze ongemanierdheid onverschrokken. Waarschijnlijk zijn ze broer en zus.
Nu schreeuw ik iets nieuws tegen een kennis in een ver buitenland:
Hier wat nieuws uit het buitenland.
Na de aanhoudende droogte en recordtemperaturen van voordien heeft het
deze maand geregend. De temperatuur is zacht. Ik fiets al drie dagen in
mijn hemd met opgestroopte mouwen naar het stadhuis.
Vanmorgen hing er mist in het veld maar die was rond negen uur al
verdwenen.
Rond een uur of vier zei Julien dat er regen vanuit de walen
op komst is. Ge kunt beter op tijd vertrekken zei hij bezorgd.
Neen jong, het is windstil. Die regen komt hier pas toe in een
laatavonduur.
Nu is het kwart voor elf en buiten is het nog altijd windstil zonder
regen.
In de tuin groeien druiven aan de druivelaar. Het graan zit in het veld
te wassen en de vroege patatten zijn bijna rijp. De maaiïs staat al
tien centimeter hoog en in de holten van veldwegen staan plassen van
eerdere regen. Aan de campus leren eenden hun jongen overleven en de
Dijle stroomt. De
groendienst zit in de stad te verplanten en aan elk stoplicht zie je
een camionet van de technische dienst. De stadswachters staan 's
morgens aan crusiale plaatsen het
schoolverkeer voorrang te geven.
Jozef heeft zijn functie opgegeven van de ene dag op de andere
zonder boe of ba. Genoeg krediet voor onopgebruikt ziekteverlof na al
die jaren. Vakantie tot aan het pensioen. Ik ben met haar aan iets
bezig. De samenwerking loopt goed. Ze heeft iets van u. Dat zit in de
genen.
Nu ben ik moe. Binnen een kwartier is het middernacht.
's Middags zat ik op een lage kerkhofmuur een boterham te eten. Nadien, toen ik iets over een Lernout en Hauspie-souflé begon te lezen, dwaalde mijn blik toevallig naar de arduinen deksteen waarop ik zat. Deze krioelde van grijze beestjes die leken op een kruising van een kakkerlak en een duizendpoot. Ik had die grijze insecten op die grijze arduin niet gezien. Ze bewogen ook al niet snel. Ze kwamen uit een open voeg tussen twee dekstenen. Daaronder zat een kolonie van een nest. Ik zag hoe ze langs de spleet piepjonge lieveheersbeestjes versjouwden. Met afgrijzen sprong ik recht. Ik heb namelijk een hekel aan kleine insecten die niet kunnen vliegen met zoveel poten. De plaats waar eerder mijn zitvlak gezeten was lag vol doodgeplette kadavers. Terwijl ik mijn achterwerk sta af te schudden komt er een vrouw met een minipoedel langs. Hangen er geen insecten aan mijn broek? Ze voelt zich blijkbaar ongemakkelijk door mijn vraag want ze doet alsof ze me niet hoort en gaat haastiger dan voordien verder. Ik kan haar begrijpen. Ze kent de context niet. Dan ga ik verder naarwaar ik naartoe ging en noteer mijn plaatsbezoek: acht nieuwe ramen, vier nieuwe toegangsdeuren met dorpel, nokken in slechte staat vervangen, dak in goede staat, luiken van de dakkapellen vervangen, aanwerken dakvlakken tegen opstanden, er ontbreekt een hanggoot, hermetsen daktorentje in witte steen, pater is akkoord om aftapwater maar vraagt standpijp op binnenplein, nazien of elektrabord in orde is, elektrameter laten openen. Nu terug naar de stad. Het is verdorie warm. Alhoewel de zon niet schijnt doet de bewolking pijn aan mijn ogen. Vooraleer ik daarna naar huis fiets klim ik nog eens in de toren. Het is windstil. De stijger beweegt niet meer.
Atelier of woonkamer, woonkamer of atelier. Voor haar maakt het niets
uit. Ze leeft wellicht in het atelier en werkt in de woonkamer. Op
het schab staan penselen en schrijfpennen bedekt met opgedroogde inkt.
Het salon dient de verzameling van bijeengereigde voorwerpen en
kunstenaarsschap. Ik kijk naar de instrumenten die ze gebruikt om
uiting te geven aan haar gedachten en emoties die me verbazen en
verwarren. Gevangen in zichzelf met het hoofd verheven, ronddwalend op zoek naar open deuren. Ik heb twee stenen meegebracht. Mooi! Waar heb je die gevonden? Ze legt ze in de keuken te drogen. Jaren geleden vanuit Bretagne meegebracht. Ze zijn duizenden jaren geboetseerd door erosie. Bijna woonde ik recht tegenover jou maar dat kerkhof zonder bomen was er teveel aan met al die geesten. Geloof jij dan in geesten? Ja. Ik niet. Ik denk dat het verbeelding is.Ik ga voort. Wil je iets drinken? Een pint aan de teut. Leef jij van de kunst? Neen, ik doe nog iets anders voor de kost. Ze vertelt iets over iemand met problemen waar ze elke week drie dagen bij blijft.
Nu, sprankelende ochtend met strijklicht in de tuin in het zuidwesten.
Blauwe hemel waarin vliegtuigen condensstrepen maken. De bruine merel
is er niet. Daarvoor moet je vroeger opstaan. Die is allang op zoek
naar zijn gerief. Merels fluiten bij het krieken van de dag. Het licht
glijdt over de tafel. Mijn pen trekt schaduwen over een blad papier.
Ze heeft last van claustrofobie. Ze durft zich haast niet meer te
verplaatsen in huis. Het gaat op en af, de ene dag al wat beter. We
gaan wandelen. Meteen wentelt ze zich uitbundig in een plas. Het slijk
druipt van haar buik. Dan rolt ze door het gras. De open ruimte doet
haar deugd.
Het zomerweer lokt de mensen buiten. Thuisblijvers, gepensioneerden,
half-timers, vrouwen met postnataal verlof.... ze snoeien, keuteren in
voor- en achtertuinen en de durvers stoken vuurtjes.
De pen heeft nu een vlijmscherpe schaduw, zo omlijnd dat het schrift er beter van wordt. Schrijven in laag
zonlicht wordt driedimensioneel met de gedachte in een vierde dimensie. Het verkleint de woorden.
De eerste bijen brommen rond mijn hoofd. Ik heb ook een vlieg gezien. Als je aandachtig kijkt zoemt het
leven rond je kop. Blijven stilzitten en kijken in het tegenlicht.
Wonderlijk, dat nauwelijks zichtbare geroezemoes. Het is het niets
doen waard.
De zon zakt naar het westen. De schaduw op het blad papier is
verschoven naar het noorden. Ik zit op dezelfde plaats als vanmorgen
met mijn aangezicht naar het zuidwesten. Straks ga ik een kip braden
om mijn luiheid in deze lentedag goed te maken en daarna, als het bijna
donker is, luisteren naar de bruine merel.
Als een dronkaard duik ik duizelig in de dag. In de nachtelijke uren
had ik mij lallend ontpopt als een waarachtig filosoof en gevestigde
waarden vernederd. Ik wou erkenning. Ik wou laten herkennen wat in mijn
diepste wezen aanwezig is. Het allesverslindende beest van de
werkelijkheid dat met niemand rekening houd moest eruit. Nu
wil ik weten waar ik aan toe ben. Ik wil weten waarom zoveel concepten
hun betekenis verloren hebben. Ik wil de illusie van innerlijke
vrijheid opnieuw koesteren in de schemerzone van droom en bestaan, een
heroïsche strijd aanbinden voor gratie en gezond verstand in deze
samenleving geterroriseerd door efficiëntie. Ik wou dat wie deze
zinnen leest niet alleen de woorden hoort maar ook mijn ziel. Beiden
zijn onafscheidelijk als een instrument dat het gevoel tot leven brengt.