gewoon
Wat bedoel je daarmee?
gewoon
verdorie toch
maandag 21 mei 2007's Middags zat ik op een lage kerkhofmuur een boterham te eten. Nadien, toen ik iets over een Lernout en Hauspie-souflé begon te lezen, dwaalde mijn blik toevallig naar de arduinen deksteen waarop ik zat. Deze krioelde van grijze beestjes die leken op een kruising van een kakkerlak en een duizendpoot. Ik had die grijze insecten op die grijze arduin niet gezien. Ze bewogen ook al niet snel.
Ze kwamen uit een open voeg tussen twee dekstenen. Daaronder zat een kolonie van een nest. Ik zag hoe ze langs de spleet piepjonge lieveheersbeestjes versjouwden. Met afgrijzen sprong ik recht. Ik heb namelijk een hekel aan kleine insecten die niet kunnen vliegen met zoveel poten. De plaats waar eerder mijn zitvlak gezeten was lag vol doodgeplette kadavers.
Terwijl ik mijn achterwerk sta af te schudden komt er een vrouw met een minipoedel langs.
Hangen er geen insecten aan mijn broek?
Ze voelt zich blijkbaar ongemakkelijk door mijn vraag want ze doet alsof ze me niet hoort en gaat haastiger dan voordien verder.
Ik kan haar begrijpen. Ze kent de context niet.
Dan ga ik verder naarwaar ik naartoe ging en noteer mijn plaatsbezoek: acht nieuwe ramen, vier nieuwe toegangsdeuren met dorpel, nokken in slechte staat vervangen, dak in goede staat, luiken van de dakkapellen vervangen, aanwerken dakvlakken tegen opstanden, er ontbreekt een hanggoot, hermetsen daktorentje in witte steen, pater is akkoord om aftapwater maar vraagt standpijp op binnenplein, nazien of elektrabord in orde is, elektrameter laten openen.
Nu terug naar de stad. Het is verdorie warm. Alhoewel de zon niet schijnt doet de bewolking pijn aan mijn ogen.
Vooraleer ik daarna naar huis fiets klim ik nog eens in de toren. Het is windstil. De stijger beweegt niet meer.
zaterdag 19 mei 2007
vrijdag 18 mei 2007
donderdag 17 mei 2007
vieze regen
dinsdag 15 mei 2007
blog
bier
zondagfot

addervel
sint Jacob
bordeaux
nacht
kat, lang haar en ik
ik weet het
weer
nonkel piemijn kinderen lezen
wat ik geschreven heb
ze lachen in gedachten als ik ongeschoren in mijn onderlijfje
met tranende ogen een blad papier op de keukentafel leg
en vraag: wat vind je ervan
ik kijk naar hun
gezicht terwijl ze het lezen, tel de tijd der begrijpbaarheid
herkenbaarheid kan ik niet verwachten
het is een huislijk ritueel
nog iemand anders is
een zielsgenoot die samen met mij op een schalie met een griffel leerde schrijven
: de melkboer brengt melk
zo gaat dat
mekaar een half mensenleven vergeten om dan bij toeval verbaasd te zeggen:
ben jij het?
die oude zat daar elke zondag net voor het middaguur aan de keukentafel op zijn toegeëigende plaats
de keuken zelf lag achterin en diende tegelijk als waskot en bergplaats
waar de keukentafel stond was het benepen klein
ik herinner me vaag een ruimte van vier meter op twee
toen niet zo klein vanuit kinderogen gezien
als vrijgezel kwam hij recht vanuit het café
bobonne kon er niet om lachen
hij deed het nochtans alleen op zondag
hij zat daar in zondagskostuum met gebogen rug voor zich uit te staren
alsof hij naar iets keek dat wij niet konden zien
uit zijn neusgaten stulpten witte haartjes van ouderdom
bobonne knipte die af en toe met haar kleermakersschaar weg
als kinderen vonden we die oude tof
we konden hem van dichtbij onder tafel besluipen
en bijna hardop zeggen: nonkel pie is ne vrouwenzot
hij bleef daarbij onverstoord zitten want hij was meer dan halfdoof
bij klokslag twaalf uur in de klokkentoren was het nog even wachten op de koekoeksroep uit het houten kooitje
dan werd de kippensoep gloeiend heet opgediend
dampende groengele soep met drijvende vetplasjes
terwijl wij de soep in ons bord blazend verkoelden
lepelde hij met bevende hand het deugddoend voedsel naar zijn lippen
om het dan slurpend over de tong door het keelgat te slokken
dat slurpen, zo schaterde hij, was om zijn tong niet te verbranden
kippensoep slurp je op zen heetst tot het vet van de kin druipt
meer dan vijftig jaar later spookt die tafel redenloos door mijn gedachten
alsof het verleden me in klaarlichte dag wenkt
ze diende ook het naaigerief en schaar
want bobonne was een kleermaakster toenertijd
als de mensen hun kleren in aanmaak kwamen passen
gebeurde het niet zelden
dat patronen en kleermakersschaar werden geruild voor koffie en gebak op die tafel van zondagse kippensoep
terwijl de dames het wereldnieuws van buiten de dorpsgrenzen vertelden
slopen wij onder de koffietafel
en keken onder de rokken
soms durfden we al eens in een stoutmoedige bui aan een chartel te trekken
niet om seksistische redenen
het was ons om de verrassing te doen
naar die verschrikte kreet luisteren
en dan als muizen schaterlachend
vanonder die tafel naar buiten stuiven
ik bedoel: alleen mijn broer en ik
aan die tafel werden bij feestdagen avondlijke elexiers gedronken
tenminste, als de oude erbij was
dan vertelde hij over amerika waar hij geweest was
en over weerwolven uit zijn kindertijd
hij had nog echte indianen gezien
en achter dwaallichten gezeten
zever niet man, zei bobonne
ge hebt al uw geld vanuit amerika aan de wijven verkwanselt
nietwaar, schreeuwde hij dan aangedaan
ik heb er landgoed, koeien en een varken mee gekocht
zonder reden denk ik aan de tafel, nonkel pie en bobonne
ze zijn allang vergaan
maar ze blijven in mijn gedachten bestaan
zou er dan toch iets onsterfelijk zijn?
die oude,
ja, echt waar
had zeven koeien, een os en een varken
de kippen waren er vanzelf bijgekomen zomaar vanuit het niets
een kraaiende haan op het aanrecht
ik kan het weten want bobonne ging er elke woensdag kuisen
mijn broer en ik mochten mee
in het huis waren drie kamers
de leefkamer, de slaapkamer en het salon
naast de leefkamer was een koeienstal met een houten deur
telkens als bobonne ging kuisen
slopen we naar de stal om naar de koeien te kijken
we slopen want toenertijd mocht niks
ik herinner me nog de waterput met zijn oneindige diepte
en die kleine varkensstal
dat varken zat daar niet voor het plezier ook al heette het Jhonny
het was zich om het vlees te doen
de oude maakte de varkensbrij uit patatten en selderij
een maand voor het slachten goot hij er in goede tijden wat bier bij
om het varken goede manieren te leren, zo zei hij
want het was bijna slachtrijp
in het salon stond een stoel met geklakkereerd leer en een eiken tafel
met op de kast een stenen geneverkruik
die plaats mochten we niet betreden
daar lagen de sacramenten van de oude
om gods vloek met een vierkante te verbannen
ik heb hem nooit in dat huis gezien
we zagen hem alleen op zondag bij bobonne vanaf het middaguur
op een dag hebben ze hem met een glimlach in de kruiwagen gevonden
morsdood
de pie is gestorven heette het dan
pas dan is bobonne te weten gekomen
dat hij de wijven niet kon laten
ze heeft de erfenis met zijn drie vriendinnen moeten delen
volgens mij is ze dat nooit te boven gekomen
zatte wesp