Naar de inhoud

verbruikte toekomst

verbruikte toekomst
seniorennet.beseniorennet.be

gewoon

Moet zeker terugkomen om een en ander uit te klaren.
    Wat bedoel je daarmee?
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 19:01 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

verdorie toch

Vooraleer naar huis te gaan ga ik nog iets drinken aan de teut. Eentje maar. Neergevleid kijken naar voorbijgangers, naar zwijgzame koppels hand in hand, kwetterende jongelingen of hier en daar een enkeling. Ziedaar valt mijn blik niet ver vandaan op iets opmerkelijks.
Ze is groter dan hij. Dat zie je zo hoe ze daar tegenover mekaar zitten op een terras aan de oude markt. Haar schouders zijn ook breder dan die van hem. Zij zit met een rechte rug. Hij zit voorovergebogen. Misschien lijkt het wel zo dat ze groter is dan hij. Hij luistert terwijl ze spreekt, of kijkt hij maar naar haar? Hij lijkt jonger dan zij net volwassen te zijn. Ze geniet ervan.
Ze heeft een sigaret aangestoken. Ze inhaleert niet eens. Ik vraag me af of hij dat merkt. Niet dat dat belangrijk is in een kijkend gesprek.
Ze zit daar a-la Catherine Deneuve tegen  een zwijgzame gebogen rug te keuvelen. Misschien is het wel oprecht.
Nu keutert hij langdurig met zijn pink in zijn oor. Aai, doe dat niet in deze tête à tête met een beeldschone vrouw op een zomerterras!
Toch blijft haar aandacht bij deze ongemanierdheid onverschrokken. Waarschijnlijk zijn ze broer en zus.

Nu schreeuw ik iets nieuws tegen een kennis in een ver buitenland:
Hier wat nieuws uit het buitenland.
Na de aanhoudende droogte en recordtemperaturen van voordien heeft het deze maand geregend. De temperatuur is zacht. Ik fiets al drie dagen in mijn hemd met opgestroopte mouwen naar het stadhuis.
Vanmorgen hing er mist in het veld maar die was rond negen uur al verdwenen.
Rond een uur of vier zei Julien dat er regen vanuit de walen op komst is. Ge kunt beter op tijd vertrekken zei hij bezorgd.
    Neen jong, het is windstil. Die regen komt hier pas toe in een laatavonduur.
Nu is het kwart voor elf en buiten is het nog altijd windstil zonder regen.
In de tuin groeien druiven aan de druivelaar. Het graan zit in het veld te wassen en de vroege patatten zijn bijna rijp. De maaiïs staat al tien centimeter hoog en in de holten van veldwegen staan plassen van eerdere regen. Aan de campus leren eenden hun jongen overleven en de Dijle stroomt. De groendienst zit in de stad te verplanten en aan elk stoplicht zie je een camionet van de technische dienst. De stadswachters staan 's morgens aan crusiale plaatsen het schoolverkeer voorrang te geven.
Jozef heeft zijn functie opgegeven van de ene dag op de andere zonder boe of ba. Genoeg krediet voor onopgebruikt ziekteverlof na al die jaren. Vakantie tot aan het pensioen.
Ik ben met haar aan iets bezig. De samenwerking loopt goed. Ze heeft iets van u. Dat zit in de genen.
Nu ben ik moe. Binnen een kwartier is het middernacht.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 23:58 2 reacties Reageer op dit bericht

maandag 21 mei 2007

's Middags zat ik op een lage kerkhofmuur een boterham te eten. Nadien, toen ik iets over een Lernout en Hauspie-souflé begon te lezen, dwaalde mijn blik toevallig naar de arduinen deksteen waarop ik zat. Deze krioelde van grijze beestjes die leken op een kruising van een kakkerlak en een duizendpoot. Ik had die grijze insecten op die grijze arduin niet gezien. Ze bewogen ook al niet snel.
Ze kwamen uit een open voeg tussen twee dekstenen. Daaronder zat een kolonie van een nest. Ik zag hoe ze langs de spleet piepjonge lieveheersbeestjes versjouwden. Met afgrijzen sprong ik recht. Ik heb namelijk een hekel aan kleine insecten die niet kunnen vliegen met zoveel poten. De plaats waar eerder mijn zitvlak gezeten was lag vol doodgeplette kadavers.
Terwijl ik mijn achterwerk sta af te schudden komt er een vrouw met een minipoedel langs.
     Hangen er geen insecten aan mijn broek?
Ze voelt zich blijkbaar ongemakkelijk door mijn vraag want ze doet alsof ze me niet hoort en gaat haastiger dan voordien verder.
Ik kan haar begrijpen. Ze kent de context niet.
Dan ga ik verder naarwaar ik naartoe ging en noteer mijn plaatsbezoek: acht nieuwe ramen, vier nieuwe toegangsdeuren met dorpel, nokken in slechte staat vervangen, dak in goede staat, luiken van de dakkapellen vervangen, aanwerken dakvlakken tegen opstanden, er ontbreekt een hanggoot, hermetsen daktorentje in witte steen, pater is akkoord om aftapwater maar vraagt standpijp op binnenplein, nazien of elektrabord in orde is, elektrameter laten openen.
Nu terug naar de stad. Het is verdorie warm. Alhoewel de zon niet schijnt doet de bewolking pijn aan mijn ogen.
Vooraleer ik daarna naar huis fiets klim ik nog eens in de toren. Het is windstil. De stijger beweegt niet meer. 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 17:43 Reageer op dit bericht

zaterdag 19 mei 2007

Atelier of woonkamer, woonkamer of atelier. Voor haar maakt het niets uit. Ze leeft wellicht in het atelier en werkt in de woonkamer.
Op het schab staan penselen en schrijfpennen bedekt met opgedroogde inkt. Het salon dient de verzameling van bijeengereigde voorwerpen en kunstenaarsschap. Ik kijk naar de instrumenten die ze gebruikt om uiting te geven aan haar gedachten en emoties die me verbazen en verwarren.
Gevangen in zichzelf met het hoofd verheven, ronddwalend op zoek naar open deuren.
    Ik heb twee stenen meegebracht.
Mooi! Waar heb je die gevonden?
Ze legt ze in de keuken te drogen.
    Jaren geleden vanuit Bretagne meegebracht. Ze zijn duizenden jaren geboetseerd door erosie.
Bijna woonde ik recht tegenover jou maar dat kerkhof zonder bomen was er teveel aan met al die geesten.
    Geloof jij dan in geesten?
Ja.
    Ik niet. Ik denk dat het verbeelding is.Ik ga voort.
Wil je iets drinken?
    Een pint aan de teut. Leef jij van de kunst?
Neen, ik doe nog iets anders voor de kost.
Ze vertelt iets over iemand met problemen waar ze elke week drie dagen bij blijft.

Nu, sprankelende ochtend met strijklicht in de tuin in het zuidwesten. Blauwe hemel waarin vliegtuigen condensstrepen maken. De bruine merel is er niet. Daarvoor moet je vroeger opstaan. Die is allang op zoek naar zijn gerief. Merels fluiten bij het krieken van de dag. Het licht glijdt over de tafel. Mijn pen trekt schaduwen over een blad papier.
Ze heeft last van claustrofobie. Ze durft zich haast niet meer te  verplaatsen in huis. Het gaat op en af, de ene dag al wat beter. We gaan wandelen. Meteen wentelt ze zich uitbundig in een plas. Het slijk druipt van haar buik. Dan rolt ze door het gras. De open ruimte doet haar deugd. 
Het zomerweer lokt de mensen buiten. Thuisblijvers, gepensioneerden, half-timers, vrouwen met postnataal verlof.... ze snoeien, keuteren in voor- en achtertuinen en de durvers stoken vuurtjes.
De pen heeft nu een vlijmscherpe schaduw, zo omlijnd dat het schrift er  beter van wordt. Schrijven in laag
zonlicht wordt driedimensioneel met de gedachte in een vierde dimensie.  Het verkleint de woorden.
De eerste bijen brommen rond mijn hoofd. Ik heb ook een vlieg gezien.  Als je aandachtig kijkt zoemt het
leven rond je kop. Blijven stilzitten en kijken in het tegenlicht. Wonderlijk, dat nauwelijks zichtbare geroezemoes. Het is het niets doen  waard.
De zon zakt naar het westen. De schaduw op het blad papier is verschoven naar het noorden. Ik zit op dezelfde plaats als vanmorgen met mijn aangezicht naar het zuidwesten.  Straks ga ik een kip braden om mijn luiheid in deze lentedag goed te maken en daarna, als het bijna donker is, luisteren naar de bruine merel.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 15:48 1 reactie Reageer op dit bericht

vrijdag 18 mei 2007

Als een dronkaard duik ik duizelig in de dag. In de nachtelijke uren had ik mij lallend ontpopt als een waarachtig filosoof en gevestigde waarden vernederd. Ik wou erkenning. Ik wou laten herkennen wat in mijn diepste wezen aanwezig is. Het allesverslindende beest van de werkelijkheid dat met niemand rekening houd moest eruit.
Nu wil ik weten waar ik aan toe ben. Ik wil weten waarom zoveel concepten hun betekenis verloren hebben. Ik wil de illusie van innerlijke vrijheid opnieuw koesteren in de schemerzone van droom en bestaan, een heroïsche strijd aanbinden voor gratie en gezond verstand in deze samenleving geterroriseerd door efficiëntie.
Ik wou dat wie deze zinnen leest niet alleen de woorden hoort maar ook mijn ziel. Beiden zijn onafscheidelijk als een instrument dat het gevoel tot leven brengt.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 14:24 Reageer op dit bericht

donderdag 17 mei 2007

Ik twijfel vier keer tussen dromen en wakker zijn. Als het ochtendlicht in daglicht verdwijnt sta ik op met ochtendstijfheid in mijn rug. Het glas van het dakvenster is bedrupt. Dat is het eerste waarnaar ik kijk. Ik raap mijn kleren van de grond. Die verdomde rug doet weer pijn. Straks gaat dat over als ik beneden ben. Niet klagen Warket.
Ik zorg voor een ontbijt. Het moet een verrassing zijn. Ontbijt zonder champagne of zo, en ook geen stokbrood. Er is zelfs geen konfituur meer in huis. Alleen nog een beetje geitekaas. De boter is ook al op.
Wanneer de tafel gedekt is met mooi servies zoals in het beste hotel zet ik koffie op ouderwetse manier. De dampen zoeken onzichtbaar hun weg naar boven. Ik heb met opzet de kamerdeur open laten staan. Een engel maak je niet wakker met woorden. De koffiegeur haalt haar wel uit haar dromen.
Nog voor melk en suiker op tafel staan komt ze in paignoir langs de wenteltrap beneden.
    Oh, je hebt voor een ontbijt gezorgd! Ik ga eerst plassen.
Ja, en de keuken is ook opgeruimd. De hondenstronten haal ik straks uit het gras.
Ze weet dat dit ochtendtafereel een vrijgeleide voor de rest van mijn dag betekent.
De lucht is grijs in hels licht dat mijn ogen moeilijk kunnen verdragen. Het vocht hangt in de lucht. Het is windstil.
    Ga je nu weeral datzelfde beschrijven?
Niets is hetzelfde. Elk moment is wat eerder toekomst was. Kijk ernaar, dan zal je wel zien.
Nu trekt ze van mijn eerste sigaret. In het struikgewas staat een rottende stoel waar haar vader en moeder ingezeten hebben.
Stoel overwoekerd door netels en Spirea. De leuningen zijn nog intact.
Stoel die in een verleden splinternieuw gekocht werd en nu in deze tuin verrot tussen het zichzelf vernieuwend kruid. Het aura van de gezetenen blijft in mijn verbeelding bestaan. Zie hen daar zitten in deze opkomende zomer.
Een halve dag later heeft de zon de tafel gedroogd. Al die tijd heb ik buiten gezeten met gekloven verstand, mijn ziel opengebroken in plooien van tijd. Roerloos is het gebladerde vandaag. De palm sterft een langzame dood hier buiten. De voorjaarsbloemen bloeien dood.
    Waarom zit je altijd te beschrijven, vraagt ze terwijl ik aan mijn handpalm riek.
Moest ik dat weten zou ik het waarschijnlijk niet doen. Nu ga ik hondenstronten weghalen en het gras maaien. Daarna zien we wel.
Mijn pols riekt naar tabak en menselijkheid. Eerst nog een stukje rabarbertaart. Wil jij ook een tas koffie?
Later in de keuken, de deur is dicht, maakt ze een maaltijd klaar voor hem, ik en haar. Volle maan doet dat ook op dit moment.
Ik hoor de stem van de jongste zoon. Hij praat zacht tegen haar. Straks zitten we dierlijk aan tafel in windstilte te eten.
Het riekt hier naar gras en uitgetrokken kruid. De kleuren verdwijnen met het avondlicht. Boomstronken en uitstekende twijgen krijgen vorm in het donker. Geluiden verdrinken in het einde van deze dag. De merel fluit.



Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:24 Reageer op dit bericht

vieze regen


Vieze regen krijsen ze allemaal. Mijn flierefluiter staat hier lamlendig te bengelen, klagen ze.
Ze moesten het eens tegen Jhonny vertellen die al wekenlang zonder Marjet met een stevige knuppel tussen zijn benen rondloopt. Ik bedoel: goesting is relatief.
Ik vind het op dit ogenblik zalig om ( weliswaar verpakt in een kwalitatief regenpak ) in stralende regen op deze grijzende plaats te bewegen. Door een regengordijn gaan onder een ondoorbreekbare hemel.
Wie weet valt er straks tijdens een opklaring een verdwaalde engel uit de lucht voor Jhonny en de regenkrijsers. Vraag het maar aan Marcel. Die kan er tenminste om lachen.
Ooit vroeg hij in mijn bijzijn aan een winkelende dame of ze ondergoed droeg.
    Waarom ben je zo onbeschoft, vroeg ik hem.
Och, ik wou het gewoon weten, zuchte hij.
Marcel, een snor met een gezicht en primitief verstand.
Om vier uur 's morgens was hij al met zijn zonen op de baan. De ruitenwissers proberen tevergeefs de gutsende regen van de voorruit te vegen. In het busje riekt het naar sigarettenrook en cement. Vooraan wordt druk gediscusiëerd over voetbal. Marcel zit achteraan, stinkt nog naar bier en zal verder slapen tot ze ter plaatse zijn. Ze zijn met vier. Ze werken onafscheidelijk voor een bouwbedrijf. Ze pendelen naar alle uithoeken van het land, winter en zomer.
Bouwen is niet moeilijk, zei hij op een keer.
Het is een opeenvolging van dagen, weken, maanden hard werken met breekhamer, schop, kruiwagen en truweel. Van het geheel heeft hij geen verstand. Dat is iets voor de architect.Marcel is de vijftig voorbij, is graatmager en is tot mijn schouderhoogte gegroeid. Hij heeft handen als een kolenschop. Zijn snor is als een borstel over zijn mond gegroeid. Zo zien ze niet dat ik maar vier tanden heb, zegt hij.

Als ze ter plaatse zijn eten ze eerst een boterham en wordt koffie uit de thermos geschonken. Iedereen heeft zijn koffie mee. Marcel giet er voor zichzelf stiekem een paar klutsen rhum bij. Hij denkt nog altijd dat niemand het merkt. Het is begonnen in de winter, het was tegen de kou, vertelt zijn oudste zoon. Sinds verleden jaar is hij overgeschakeld op het zomeruur. Het is tijd, ons kwartier is om.

Ze staan gedisciplineerd op en bewegen zich voort in het schijnsel van het halogeenlicht. Even later ontwaakt de omgeving in het lawaai van breekhamers die zich onmeedogenloos in het beton vastbijten.Om negen uur zullen ze buiten een luchtje scheppen want op deze werf wordt benedendeks gewerkt. Dan staan ze gedurende tien minuten te glunderen naar al wie billen en tieten heeft onder de dertig jaar. Daarna opnieuw in lawaai en stof, geroep en getier van Marcel want zijn mannen kennen nog niet genoeg van de stiel.Het lijken bruten op oorlogspad, ongemanierd maar met een gouden hart. Ze denken luidop en ploeteren tot de puzzel in elkaar past, het geheel waarvan ze zeggen niks te begrijpen. Ze doen het bijna met hun ogen dicht.

’s Anderendaags werd ik zowat opgeschrikt. Het was Marcel die zonder enige gêne, een witte stofwolk achterlatend in de eiken hall van het stadhuis, de marmeren trap opliep en me halverwege luidkeels toevertrouwde dat hij zijn ontslag had aangeboden. Ze hebben mijn zoon afgedankt dus ga ik mee, zo luidde het. De patron had nog getracht hem te overtuigen dat het beter was te blijven en te profiteren van al die jaren dienst maar er was geen houden meer aan. Marcel was gekrenkt in zijn vaderlijke trots. Zie dat ge om vier uur buiten geraakt. Ik betaal een pint, zei hij nog terwijl hij rechtsomkeer maakte nu hij me gezien had. Toevallige toeschouwers lachten beleefd met het spektakel. De kuisploeg werd erbij gehaald en in een mum van tijd waren zijn voetsporen weggeveegd. De breekhamers zwegen niet. Hij werkte tot de laatste minuut uit trots en eergevoel. Toen we iets gingen drinken zat hij nog altijd onder het stof. Alleen zijn ogen die hij tijdens het werk beschermde hadden nog iets menselijks. Ze fonkelden vurig toen hij met een snor vol bierschuim zei: ik ga zelfstandig in het zwart werken.Na die pint heb ik van Marcel niets meer gehoord. Mensen verschijnen en verdwijnen daarna in de anonimiteit als passanten in het leven.Weinigen hebben op mij een zodanige indruk achtergelaten zoals die man met weinig manieren die altijd luidop dacht ook al dacht hij niet veel. Misschien komen we elkaar ooit nog eens tegen. Dat hebben we elkaar beloofd.

Nu sta ik te kijken naar zes koeien en vier kalveren. Ze staan daar vreedzaam te grazen. Iets anders doen ze niet. Of toch wel. Ze kwispelen met hun staart. Ze weten niet eens dat iemand binnen zes maand hun geflambeerd ribstuk zal afknagen. Zie ze daar genieten in de wei. Ribstuk op een bord.
God-ten-ere, in dit leven valt nog veel te verbeteren, al was het maar om geen veelvraat te zijn.
Kom buiten, het is donker, het regent. Ik weet met zekerheid dat dit ogenblik geen moment uit het verleden is, dat ik niet thuis gekomen ben
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 17:57 1 reactie Reageer op dit bericht

dinsdag 15 mei 2007

en ben ik bezig, mijn beste zielsgenoot
in deze woelige twijfelende dagen
onszelf niet meer herkennend
We moeten een gordijn hangen voor het dakraam boven ons bed. Nu het zomer wordt, wordt ik te vroeg wakker door het licht dat erdoor schijnt. Ik heb recht op anderhalf uur langer slaap dan jij.
    Door dat licht wordt ik ook wakker. Dat is de reden dat ik op tijd vertrek Anders moet je maar zien dat we een wekker kopen en dat je me ten laatste om kwart voor zes wakker maakt.
Die wekker gaat dan ook op datzelfde uur piepen, wordt ze wakker, stompt ze in mijn dromend lichaam,
gaat ze plassen en slaapt ze anderhalfuur verder terwijl ik bijna ter plaatse ben.
Met haar leef ik nog altijd samen. Niets is zo moeilijk dan de liefde bij een ander te vinden. We hebben feilloos gekrijsd, geparticipeerd en geëmancipeerd. Toch blijft er een eenzame geest in een eenzaam lichaam over.
Zonder tekort aan tederheid zoek ik in nachtgewaad naar een ander, een ander zijn, iets verhevener. Het is als zeepbellen...de aanraking is meestal fataal. Af en toe de waarheid vermoorden in onschendbaarheid. Liever dat dan te kleumen bij het onvermijdelijke.
Ik heb een generatie zien verdwijnen. De tweede is ook al tot zijn einde. Daarna is het mijn beurt.
Het leven niet ver op zijn einde. De wreedheid van de dood is oprecht.



Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 00:00 Reageer op dit bericht

bier

Bier, bier en nog eens bier. Het begon allemaal nadat ik ontsnapte uit een terroristenkamp in Afghanistan. Samen met drie andere gevangen hadden we onze ontsnapping voorbereid. Moeilijk was het niet want we hadden enkele bewakers omgekocht. Toch moesten we nog drie hoge omheiningen over klimmen. Daarna verspreidden we ons om de pakkans te verkleinen. Ik bleef bij een van hen omdat ik als westerling alleen weinig overlevingskans zou hebben. Bovendien bleek mijn kompaan een dorpshoofd te zijn en kende hij de streek goed.
We waren vier dagen onderweg in het gebergte en aten gedroogd fruit. Hij kende enkele waterbronnen en leerde me hagedissen vangen. De vijfde dag waren we in zijn dorp dat op een bergflank lag. De mensen waren er arm.
Ze negeerden me wantrouwig, doch waren niet vijandig omdat ik de bescherming van het dorpshoofd genoot.
Aangezien er geen hotel noch een kruidenier of beenhouwer was mocht ik bij zijn familie logeren en van de schamele maaltijd één keer per dag mee eten. Die bestond meestal uit rijst met linzen en een groene pikante saus.
Wat ik zeer vervelend vond was dat ik op blote voeten door het slijk moest lopen. Ik verstond de taal en hun gebruiken niet.
Na een week werd de leegte ondraaglijk. Ik verveelde me dood.
Zo begon ik uit verveling stiekem bier te brouwen. Alleen het dorpshoofd wist ervan. Hij liet het oogluikend toe.
Van hem kreeg ik rijststengels die voor hen onnuttig waren. Die had ik nodig voor het bier.
Mijn brouwerij lag verscholen in een hogergelegen grot. Wekenlang was ik bezig. Toen mijn eerste liters rijpgegist waren
kon ik hem na lang aandringen overhalen om te proeven, eerst uit een theekopje, daarna uit een kruik. Hij vond het zo lekker dat hij
me zijn twee dochters, een tweeeiïge tweeling trouwens, ten huwelijk aanbood.
Ondertussen hadden andere dorpelingen van mijn bier geproefd. Het werd populair. Die bekendheid verontrustte me. In Afghanistan
is bierdrinken verboden en krijgen brouwers de strop.
Zo gebeurde het onvermijdelijke. In de vroege ochtend verscheen de Taliban in het dorp. Ze hadden ervan gehoord en zochten mij.
Het duurde niet lang of tien strijders stonden in wit gewaad voor de brouwerij. Ik trachtte me nog te verstoppen achter een struik.
Helaas, liggend op mijn rug zag ik een geheven zwaard glimmen in de zon. Dan kliefde het naar mijn keel. Zou dit nu het einde zijn,
vroeg ik me af.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 11:43 Reageer op dit bericht

addervel

En nu, ja nu.
Volle maan gezien.
Rustig zat ze daar.
Volle maan en ik in een schermutseling met zonlicht.
Ga voort, zei ze voorwaardelijk.
De stilte slaakt een kreet van verzuchting
om eenzame zondaars op kruistocht tegen onrecht
op zoek naar een rustplaats
waar onomstootbaar verlangen
kronkelt rond de tand des tijds.
Een verhaal meegewaaid met de wind
waarin een zeldzame adder ontvelt
tussen helgroen mos
en waar toeval en willekeur
zich van betekenis ontdoen.
Ik heb het addervel vol koestering gedragen,
ongeschonden meegebracht door weer en wind
als gedaante uit een vorig leven
in een schrikkelgedachte
gegraaid uit ongeboren bestaan.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 00:36 Reageer op dit bericht

sint Jacob

De inkompoort aan het portaal stond open. Ik had ze een half uur voordien ontgrendeld, was dan
met mijn zaklamp in de klokkentoren geklommen en nu ik terug beneden ben zie ik het silhouet
van een vrouw in de deuropening met haar rug naar mij gekeerd. Ze staart naar buiten in het
stadsgebeuren. Ze wacht op iemand.
Ik blijf op tien voetstappen staan om haar postuur in me op te nemen. Ze blijft onbeweeglijk
staan als een schaduw zonder uitgerekte contouren.
Ik dacht nog: ik mag haar niet laten schrikken door geruisloos uit het donker dicht bij haar te
komen. En dan draaide ze zich plotseling om, sloeg ze haar handen in een kreet van
verschrikking rond haar borsten.
    Sorry, zei ik. Ik wou je niet laten schrikken.
Geeft niet, ben jij van hier?
    Ja, overdag behoor ik aan de stad. De merels beginnen te fluiten, de winter is zo voorbij.
Zullen we dansen?
Net op tijd flap ik die gedachte er niet uit en zeg ik: had jij mij vorige week gebeld?
    Neen, dat was mijn collega. Die komt zo.
Wat gaan jullie hier precies doen?
    We maken een inventaris van wat hierbinnen overgebleven is na al die jaren.
Alhoewel ze perfect Nederlands praat verraad haar accent haar Franstalige afkomst. Het klinkt
aristocratisch. Ze moet zo rond de veertig zijn. Ik vermoed dat ze een leidende functie heeft.
Niet dat ze daarover iets zei, maar dat zie je meteen aan de blik, de manier van voortbewegen,
die vriendelijke gedistancieerdheid en gebrek aan tijd die leiders zo herkenbaar maakt.
Er verschijnt een glimlach in haar ogen. Ik heb het koud, zegt ze.
Aan het andere eind van de kruisbeuk had ik de deur laten open staan. Dat maakt tocht. Ik zal
die deur sluiten.
    Ik kan hier niet blijven, zeg ik terwijl ik haar mijn telefoonnummer geef. Bel me als jullie
gedaan hebben. Dan kom ik nog even langs.
Ik had nog graag gebleven en haar rondgeleid in deze immense ruimten. Ik wou haar de plaatsen tonen
waar het licht een  voortdurende strijd aangaat met het duister, waar verlaten stoffige
spinnenwebben al jaren in tochtkieren bewegen. Ik wou het mysterie van leegstand ophelderen
maar daarvoor zou ze een toverspreuk moeten doen die me van kikker in een prins zou
veranderen. Dat deed ze niet.
Ze belde me net voor het middaguur. Ik kwam later. We hebben mekaar niet meer gezien.
Dagenlang heeft de stem in gedachten geklonken, is de onuitgestrekte schaduw op het netvlies
gebleven, zijn de ogen nog altijd niet verdwenen, is alles opgeborgen als een pakje sneeuw in
een bevroren landschap tot alles smelt.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 19:54 Reageer op dit bericht

bordeaux

Een trektocht door de stad met in de rechterhand een beladen fiets en in de linkerhand een uitgedoofde sigaret. Onmogelijk om die bij dit winderig weer nog aan te steken. Een rookloze tocht door een geweldige stad.
Geblondeerde stad op fijne hakken die tokkelen op haar plaveisel.
Zacht woelende stad in dagelijkse beweging nu, en binnen tweeduizend jaar in de middeleeuwen.
Passanten zijn wij hier, de toekomst in stand houdend.
Rijdend, parend, stervend lopen we mekaar voorbij. Niets staat stil in dit veranderend middeleeuws landschap. Zelfs mijn adem gaat zijn eigen gang.
Beffende stad in een handsvol geneugten. Wie hier een betekenis zoekt zal ze niet vinden.
Terwijl ik in het kreupelhout sta te tierlanflieren kijk ik naar de brede beek. Haar kleur is grijs.
Haar water stroomt al voor mijn geboorte.
Haar water stroomt na mijn dood.
De tijd inspireert.
Gekloond naar netels gericht sta ik nog een zin te schrijven verscholen in tegenwind.
Nu zit ik naar merels te luisteren. Ze hebben een taal. Onverstoord fluiten ze naar elkaar, doof voor andere geluiden.
Niet alleen vliegen is een kunst. Ook fluiten. Vogeltaal.
De vinken beginnen te zingen. Ik herken het geluid van subber...subbersekwiet in sopraan zo bordeaux als een goeie wijn.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door warket om 22:29 1 reactie Reageer op dit bericht

kat, lang haar en ik

Hij schenkt anderhalf glas Wodca in een glas.
    Oei, een schotelvod vlug! Dat was uit gulzigheid.
In het salon staat een massiefhouten tablet dat dit besmeurd aanrecht zal vervangen. Hij heeft het voor haar meegebracht. Een woord is een woord. Bovendien hebben tafels wel iets. Je zit er met je knokels op te discusiëren over recht en onrecht. Ze zijn bemorste getuigen van achterklap, gezwets  en baldadigheid.
    Omdat ik net dan in het buitenland ben kan ik niet stemmen voor de politiek. Een volmacht aan iemand geven kan ook niet.
Allé, dat kan toch niet, zegt ze.
    Jawel, zeg ik overtuigd van mijn gelijk. Zij bij mij is zich op het gemeentehuis gaan renseigneren en de rest heb ik in een kwaliteitskrant gelezen.
Zo zitten we aan een versleten aanrecht onder ons drie tien minuten over politiek te discusiëren. Twee mannen en een vrouw met beginnende sleet in de organen.
Hij reed lang geleden met een blauw afgebleekte Kever en voordien met een brommer. Af en toe mocht ik daar achterop gaan zitten en reden we samen naar school. Haar heb ik ook in die periode leren kennen. Lang geleden. Nu nog zie ik hen langs mijn overspelige weg.
    Een tas soep?
Neen, ik ga voort.
    Blijf nog wat  en drink een tas soep, zegt ze voor mijn bestwil.
Hij van de Kever van vroeger is vertrokken. Hij moet nog ergens in een bos naar iets gaan kijken.  Haar vriend is ondertussen thuis gekomen.
 Ga nu nog niet weg, zegt ze. Dat is onbeleefd.
Nog even en dan ben ik weg. Ik wil nog voor het gedonkerte thuis komen. Voor ik vertrek kus ik haar katachtig gezicht.
In het geraas van voorbijrijdend verkeer en overvliegende vliegers hoor ik nog altijd de merel fluiten. Ongestoord zit hij daar te zingen in dit lawaai.
Vanmorgen zag ik jonge hazen spelen. Ze schrokken niet eens toen ik voorbij reed.
Kinderhazen speels in roekeloosheid. Ik reed hen met rugwind en bedampte brilglazen voorbij. De zon scheen niet eens.
Nu maken vliegers lawaai en brult de samenleving langs mijn hoorapparaten in mijn kop. Ik doe ze uit. Dan is het stil. Ik hoor de merel niet meer.
Spijtig is dat.
Als een nutteloze nazaat uit de roedel van de samenleving klaag ik onmachtig hiervoor mijn medemens aan. Ik wil de merel in stilte horen zingen.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:21 Reageer op dit bericht

ik weet het

Ik weet het...


Een nieuwe ochtend in de mist.
Mist voor mijn ogen, in mijn gedachten, in mijn hart, in mijn ziel.
Een paradijs van witte parels en schimmen die langzaam opduiken en weer verdwijnen.
Vanavond zat ik met haar in een rokerig café bij hen. Zij naast mij, zij voor mij en ik tussen hen.
Ze zijn blij en nog zo jong.
    Wij worden ouder, we zijn jong, jonger dan zij die jong zijn.
Mijn woorden verdreven de rook uit haar rimpelloos gelaat.
Zij voor mij is opgewonden door ze, zij naast mij, zichzelf en ik.
De navel of het schaamhaar, kaviaar of zalm, chez sois of dit café. Het doet er niet toe, de
strijd is allang gestreden.
Ik heb over leven en dood geschreven. Nu ik de dood zo dichtbij voel ben ik blij dat mijn
woorden geen luchtkastelen zijn. Iemand zal mijn verhaal verder schrijven, met eigen
woorden, als een zilveren ruiter op een wit paard, het leven beschrijvend uit blijdschap in
alle jaargetijden. Of misschien zal die schrijver een vogel zijn en de zon zien boven de
wolken.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:34 Reageer op dit bericht

weer

Ik lag nog in bed toen zijn vriendin wenend in de slaapkamer kwam. Mijn oudste zoon stond erbij, helemaal onder het bloed met een verminkt gezicht in een hels lawaai van een overvliegend vliegtuig waarvan ik wakker werd.
Net voor het slapen gaan had ik nog vier haringen met ajuin gegeten. Daar droom je van.
Iemand heeft me verteld dat  sommige indianen ( vanuit de tijd van mijn nonkel Pie ) rauwe bizonlever aten voor het slapen gaan om visioenen te krijgen.
Bij mij gebeurt het per ongeluk. Onwaar is het vermoedelijk niet. Echter zijn het geen visioenen maar een paar bewegingen in mijn slapende kop.

Zelden heb ik zo van regen genoten bij het opstaan, kijkend naar een witgrijze lucht waarin wolken in kruissnelheid voorbij schuiven.
Ik ben meteen in de hof niet ver van de mesthoop aan een eerste sigaret gaan lurken en bij overmaat van weldaad is zij bij mij in haar paignoir komen staan, ook al kon ze nog een halve dag in bed blijven liggen.

Met rugwind in zachte regen rijd ik zonder capuchon op mijn hoofd naar het werk.
Omwille van de verkeerschaos die ontstaat door de bizarre omwenteling van het weer,  nemen behalve het kliekje alledaagse egoïsten nog meerdere autobomilisten de sluipweg langs de verboden veldweg waarop ik me verplaats. Ik erger me er niet meer aan. Ze doen het tenslotte uit een goedbedoelde slaafse overlevingsdrang.
Aan de campus rijden roekeloze studenten me bijna overhoop. Ze komen zij aan zij in trio met versleten fietsen gehaast in tegenrichting op me af.
Ik erger me er niet aan. Ze doen het tenslotte uit roekeloosheid.
Op het werk trek ik mijn werkschoenen aan. Dan ga ik verder en eet twee croissants met chocolade onderweg. Het regent niet meer.

Met de wind staat de stijger rond de toren opnieuw te bewegen. De steunen komen los. Niemand daar beneden weet wat daarboven gebeurt. Ze zien alleen de zeilen wapperen. Tachtig meter hoger wordt er verder getimmerd op rendement. Gasten  die spreken in dialect,  getatoueerd en met oorbellen aan.  Hoogtewerkers die klimmen in de lucht.

Nu fiets ik terug naar huis in tegenwind. Het gaat niet sneller dan acht kilometer per uur. Tussen de windvlagen in  neem ik een versnelling hoger. Dit gaat twee uur duren vooraleer ik thuis ben. In de hevigste windvlagen vloek ik het ergste uit de hel.
Maar zie, hoe betoverend is dit wuivend landschap met halfvolgroeid koren waarin je de wind kan zien als golven in de zee.
Het niet loslatend sidderend gebladerde en distels die buigen tot aan de grond.
De grijsheid onder het wolkendek toont kleuren met groen  die anders in verblindend zonlicht dit contrast in mijn  zwakke ogen niet gunnen.
Mooi is dat!
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 22:03 Reageer op dit bericht

nonkel pie

mijn kinderen lezen wat ik geschreven heb
ze lachen in gedachten als ik ongeschoren in mijn onderlijfje
met tranende ogen een blad papier op de keukentafel leg
en vraag: wat vind je ervan

ik kijk naar hun gezicht terwijl ze het lezen, tel de tijd der begrijpbaarheid
herkenbaarheid kan ik niet verwachten

het is een huislijk ritueel

nog iemand anders is een zielsgenoot die samen met mij op een schalie met een griffel leerde schrijven : de melkboer brengt melk
zo gaat dat

mekaar een half mensenleven vergeten om dan bij toeval verbaasd te zeggen:

ben jij het?

 

 

 

 

die oude zat daar elke zondag net voor het middaguur aan de keukentafel op zijn toegeëigende plaats

de keuken zelf lag achterin en diende tegelijk als waskot en bergplaats

waar de keukentafel stond was het benepen klein

ik herinner me vaag een ruimte van vier meter op twee

toen niet zo klein vanuit kinderogen gezien

als vrijgezel kwam hij recht vanuit het café

bobonne kon er niet om lachen

hij deed het nochtans alleen op zondag

hij zat daar in zondagskostuum met gebogen rug voor zich uit te staren

alsof hij naar iets keek dat wij niet konden zien

uit zijn neusgaten stulpten witte haartjes van ouderdom

bobonne knipte die af en toe met haar kleermakersschaar weg

als kinderen vonden we die oude tof

we konden hem van dichtbij onder tafel besluipen

en bijna hardop zeggen: nonkel pie is ne vrouwenzot

hij bleef daarbij onverstoord zitten want hij was meer dan halfdoof

bij klokslag twaalf uur in de klokkentoren was het nog even wachten op de koekoeksroep uit het houten kooitje

dan werd de kippensoep gloeiend heet opgediend

dampende groengele soep met drijvende vetplasjes

terwijl wij de soep in ons bord blazend verkoelden

lepelde hij met bevende hand het deugddoend voedsel naar zijn lippen

om het dan slurpend over de tong  door het keelgat te slokken

dat slurpen, zo schaterde hij, was om zijn tong niet te verbranden

kippensoep slurp je op zen heetst tot het vet van de kin druipt

meer dan vijftig jaar later spookt die tafel redenloos door mijn gedachten

alsof het verleden me in klaarlichte  dag wenkt

ze diende ook het naaigerief en schaar

want bobonne was een kleermaakster toenertijd

als de mensen hun kleren in aanmaak kwamen passen

gebeurde het niet zelden

dat patronen en kleermakersschaar werden geruild voor koffie en gebak op die tafel van zondagse kippensoep

terwijl de dames het wereldnieuws van buiten de dorpsgrenzen vertelden

slopen wij onder de koffietafel

en keken onder de rokken

soms durfden we al eens in een stoutmoedige bui aan een chartel te trekken

niet om seksistische redenen

het was ons om de verrassing te doen

naar die verschrikte kreet luisteren

en dan als muizen schaterlachend

vanonder die tafel naar buiten stuiven

ik bedoel: alleen mijn broer en ik

aan die tafel werden bij feestdagen avondlijke elexiers gedronken

tenminste, als de oude erbij was

dan vertelde hij over amerika waar hij geweest was

en over weerwolven uit zijn kindertijd

hij had nog echte indianen gezien

en achter dwaallichten gezeten

zever niet man, zei bobonne

ge hebt al uw geld vanuit amerika aan de wijven verkwanselt

nietwaar, schreeuwde hij dan aangedaan

ik heb er landgoed, koeien en een varken mee gekocht

 

zonder reden denk ik aan de tafel, nonkel pie en bobonne

ze zijn allang vergaan

maar ze blijven in mijn gedachten bestaan

zou er dan toch iets onsterfelijk zijn?

 

die oude,

ja, echt waar

had zeven koeien, een os en een varken

de kippen waren er vanzelf bijgekomen zomaar vanuit het niets

een kraaiende haan op het aanrecht

ik kan het weten want bobonne ging er elke woensdag kuisen

mijn broer en ik mochten mee

in het huis waren drie kamers

de leefkamer, de slaapkamer en het salon

naast de leefkamer was een koeienstal met een houten deur

telkens als bobonne ging kuisen

slopen we naar de stal om naar de koeien te kijken

we slopen want toenertijd mocht niks

ik herinner me nog de waterput met zijn oneindige diepte

en die kleine varkensstal

dat varken zat daar niet voor het plezier ook al heette het Jhonny

het was zich om het vlees te doen

de oude maakte de varkensbrij uit patatten en selderij

een maand voor het slachten goot hij er in goede tijden wat bier bij

om het varken goede manieren te leren, zo zei hij

want het was bijna slachtrijp

in het salon stond een stoel met geklakkereerd leer en een eiken tafel

met op de kast een stenen geneverkruik

die plaats mochten we niet betreden

daar lagen de sacramenten van de oude

om gods vloek met een vierkante te verbannen

ik heb hem nooit in dat huis gezien

we zagen hem alleen op zondag bij bobonne vanaf het middaguur

op een dag hebben ze hem met een glimlach in de kruiwagen gevonden

morsdood

de pie is gestorven heette het dan

pas dan is bobonne te weten gekomen

dat hij de wijven niet kon laten

ze heeft de erfenis met zijn drie vriendinnen moeten delen

volgens mij is ze dat nooit te boven gekomen

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 21:42 Reageer op dit bericht

zatte wesp

Op zondag zit ik op het terras te lezen. De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen. De violen klinken op de rand van een wolkbreuk. Luttele minuten later overtrekt het in donkergrijs en gutst de regen als een waterval op de binnenkoer. Ik sta ernaar te kijken vanuit de deuropening tot het al even onverwacht opklaart en het water verdampt in de zon. Ik wordt daar gelukkig van. Het is een zeldzaam teken.
Er balanceert een wesp op de rand van een trappistglas. Eerst kruipt ze naar de overgebleven bodemfond, dan klimt ze moeizaam langs de gladde wand naar boven, en nu kruipt ze al even moeizaam eindeloze rondjes langs de rand. Vermoedelijk zijn haar vleugels met trappist doorweekt want geregeld pauzeert ze om te zoemen. Ze komt echter niet omhoog. Dan wrijft ze met haar voorpootjes over haar slanke lijf en kruipt ze verder. Zo kijk ik al een hele tijd naar een wandelende dronken wesp.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 14:23 Reageer op dit bericht

Meer van verbruikte toekomst

↑ Terug naar de berichten