Archief
zondagnacht
ietwat verward
alles ligt verspreid
de tuin bezaaid met afval
het hemelwater stroomt door het dak
ik verpulver het gebinte
in mijn vingers
nu ook draagmuren
kantelen in de storm
verlaat ik niet dit pand
ik heb een woonst beloofd
beneden zitten twee knechten
en een vogelverkoper
met twee kanaries
een ervan kan niet zingen
maar heeft bonte veren
reinig ik een vogelkooi
en laat de kanarie vliegen
in zijn vlucht
de knechten werken
zijbijmij zit op het dak
en duikt
het laken is nat
ik ben nat
halfdonker, het is nog maar tien voor vijf
naakt sta ik voor de spiegel
en schrik van mezelf
ze bijt
nachtvandaag
het is nacht vandaag
stil en vroeg
in dit schrijfsel
ik ben het maar
lees dit, smeek ik U
poken
De vrouw pookt de stoof. Overschot van het
avondmaal pruttelt op de hete plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien.
Telkens vertelt hij hetzelfde verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep
die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.
Er klopt iets niet, zou mijn grootvader
gezegd hebben moest ik hem verteld hebben dat de patatten in zijn bord
uit China komen en de Chinezen ons witloof eten, dat we niet meer knielen voor
de natuur, dat we zoveel meer kennis vergaard hebben zonder er iets mee te
doen, dat we comfortabel leven en er desnoods voor zullen vechten om het in
stand te houden. Hij zou het niet begrepen hebben moest ik hem verteld hebben
dat we mekaar zomaar voorbij lopen en
ervoor zorgen dat er geen hondenpoep blijft liggen, dat je een zebrapad opzoekt
om de straat over te steken. Over het weer wordt nog gepraat al gaat dat
steevast over wegsmeltende poolkappen en gletsjers. Ik schrijf het met enige
nostalgie zonder zwaarmoedig te kijken naar een toekomst die geregeerd wordt
door een stelletje hypocrieten waar industriebaronnen en filmacteurs het
presidentschap mogen verdienen, waar democratie bezworen wordt met een klamme
hand op de bijbel gedrukt als een glimlach van God. Het is niet het gegeven dat
irriteert maar wel dat je er niets aan kunt doen. Wat mij bedroeft is dat in
Amerika een wetsvoorstel ingediend werd dat het dragen van laaghangende
jeansbroeken strafbaar maakt. Geen slipjes meer tot net boven het schaamhaar.
Vrouwelijke welvingen zijn onzedig geworden. Ik beitel ze dan maar uit een
zwerfsteen en sleur hem mee in het restant van mijn bestaan.
De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen op de rand van een wolkbreuk. Luttele minuten later overtrekt het en gutst de regen als een waterval op de binnenkoer. Ik sta ernaar te kijken vanuit de deuropening tot het al even onverwacht opklaart en het water verdampt in de zon. Het is een zeldzaam teken. Ik word daar gelukkig van.
Wie wil een gebakken haring van mij?
Menslief, het is bijna kerstmis zeggen ze nu. Gauw de koer opruimen en de lege flessen weg. Het stof van de vensterbank blazen en de tafel sieren. Tijd te kort om alles gedaan te krijgen. Trappistenbier hier klinkt het in de oren. Geen kruimel gaat verloren in het gekletter van leeggoed. Ze hebben altijd verteld dat kerstmis een feest van heiligen en niet van heidenen is.
Ach zo, schrijf ik in mijn moedertaal. Ik eet een rauwe varkenspens. Ik verdun de mast van de parasol met raspend schuurpapier totdat hij open gaat.
Wat gaan jullie doen
vanavond?
We gaan iets koken.
Bij haar of bij ons?
Bij haar.
Toen we uw leeftijd hadden bakten we een brood voor kerstavond en gingen we
wandelen in de nacht.
Het wordt tijd om een fles wijn uit de kelder te halen
en buiten leeg te drinken.
De klokken luiden. Binnen ruikt het naar soep. Proef eens. We dansen daarna kousloos met sandalen aan in een verschroeiend graag zien. De kans is groot dat we beiden oud worden zonder verloren tijd te moeten inhalen. Het is koud en stil geworden in mijn oren
nooit gestopt
En toen heb ik haar ontmoet in een dans op een kermisbal. Ze was vijftien.
Was het haar lijfgeur of die aarzelende verlangende ogen die me bekoorden?
Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik zou vechten als een leeuw om haar gratie te verdienen. Ik bad tot de sterrenhemel, smeekte de maan en doolde rond tot ik haar opnieuw zag. Achter de kerkmuur kuste ik haar voor het eerst op de mond in een eeuwigdurende tongzoen. Vanaf dan wist ik dat we tezamen zouden blijven. Nu nog bestaat ze als liefde in mij, herinnert ze mij aan die eerste tederheid die mij als een blinde adelaar deed ontwaken. Ik begon te schrijven.
Sindsdien ben ik met schrijven, net zoals met roken, nooit gestopt.
Enige tijd later moest ik noodgedwongen in Duitsland mijn legerdienst vervullen. Aanvankelijk spraken de discipline van regelmaat en de fysieke inspanningen mij aan. Ik kon echter geen militair gezag verdragen en begon mij te verzetten tegen de waarden die een militaire gemeenschap hoog in het vaandel draagt. Na een weekend desertie en opeenvolgende oproermakende incidenten belandde ik met eindejaarsavond achter de tralies.
Overmand door onmacht, opgesloten als een dier voor een daad dat niet eens een misdaad was, las ik de in het pleisterwerk gekerfde geschriften van mijn voorgangers steeds opnieuw tot mijn gedachten zich samenbalden in een schreeuw. Ik had de wortels van het anarchisme ontdekt. Geen enkel gezag zou ik nog aanvaarden. Deze wereld behoorde mij toe, mijn eigen wereld.
‘Gelukkig nieuwjaar mijn liefste, ze weten niet wat ze doen’, kerfde ik met een lepelsteel in de muur. Het was een begin van een dagboek dat nooit zou eindigen.
hoe mijn leven begon
CURRICULUM VITAE
ik hoor, voel haar hart bewegen
en glijd de bevrijding tegemoet
vanaf nu ga ik een mens worden,
word ik door de wereld opgeslokt
uit het water
heb ik afscheid genomen
van wat ik me niet meer herinneren kan
september 1954
Ik ben geboren op een bovenkamer in een
doodlopende straat vlakbij het station. Naar verluidt was de huisdokter een
kettingroker.
‘Lowie en Hilda hebben een zoon’, klonk het de dag nadien in het dorpscafé.
Mijn vader was schrijnwerker. Winter en
zomer fietste hij elke dag naar zijn atelier in het nabijgelegen dorp.
We woonden boven in het grootouderhuis op twee kamers. Aan de zoldertrap was
een keukentje van drie meter op twee. Er ging een steile trap naar beneden waar
mijn grootouders woonden.
Mijn grootvader was een smid en mijn grootmoeder naaister.
De smidse had iets betoverend. Er was een grote houten rolpoort die uitgaf op
de binnenkoer. Ze was eveneens toegankelijk langs het waskot.
In de buitenmuur ontbrak een steen. Wanneer ik de smidse niet
binnen mocht als mijn grootvader met snijbranders werkte, kon ik langs die
opening naar binnen gluren.
Over de lengte van de werkbank bevond zich een serrenraam dat
zodanig door stof en roet aangeslagen werd dat het nauwelijks lichtdoorlatend
bleef. Soms mocht ik het vuur aanwakkeren en keek dan toe hoe de smeedhamer het
gloeiend staal verpletterde op het aambeeld.
Net zoals de smidse waren de kelder en de zolder mijn eerste
magische ruimten die ik zelden alleen mocht betreden vanwege de voor een kind
onzichtbare gevaren die er sluimerden: het smidsvuur, de kelder- en de
zoldertrap. Net dat maakte mij nieuwsgierig.
Toen ik de leeftijd bereikte om katachtig trappen op en af te
klimmen had mijn grootmoeder de gewoonte om, als ik kattenkwaad uitgespookt
had, me voor enige tijd in de kelder op te sluiten. Dat was voor mij de kans om
dat onderaards hol te verkennen.
Een gemetste trap daalde naar een gewelfde spelonk met een aarden
vloer van zeven op zeven meter. Ik hield van de paddenstoelengeur die er
heerste. Mijn grootvader had er jaren voordien nog als bijverdienste
champignons gekweekt. Aan de witgekalkte muur naast de trap hingen houten
rekken volgestapeld met winterfruit. Onder het keldergat stond een spinde met
een deur uit muggenzift gemaakt. Die moest als koelkast dienen. Daar zat ik dan
in mijn ondergronds hof van Eden.
Toen mijn grootmoeder later de afgeknaagde fruitresten in een
hoekje ontdekte heeft ze de kelderstraf afgeschaft.
In die tijd heb ik mijn vader zelden gezien. Hij bouwde voor en na de werkuren
samen met zijn vader en twee metsers ons huis. Zo ging dat in die naoorlogse
tijd. De nieuwe woonst verrees op een lap grond vlak naast een perceel grenzend
aan het huis van zijn ouders. In die tijd was de Achtbundersstraat nog schaars
bewoond.
Ik herinner mij nog de eerste dagen in ons nieuw huis. Er hing een
kille verfgeur. We hadden nog geen binnendeuren.
Een badkamer was er wel. Een ruimte van vijf vierkante meter met
een douche en lavabo. Dat is altijd zo gebleven.
Ze werd verwarmd met een metalen paraboolschotel met in het midden
een omwikkelde porseleinen spoel die roodgloeiend werd wanneer de stekker in
het stopcontact gestoken werd.
Het huis had een kleine en twee grote slaapkamers, een salon,
eetplaats en een keuken. Achteraan was er een serretje dat toegang verleende
tot de binnenkoer en het waskot. We hadden ook een buitentoilet met beerput en
krantenpapier. Mij maakte het niet veel uit want ik kakte nog steeds buiten op
een vel krantenpapier.
Links van de tuin, die toen niets meer dan een lap braakliggende
vruchtbare grond voorstelde, bevond zich
het atelier van mijn vader. Rechts woonden Marieke en Remy die kinderloos
bleven.
Achteraan lag landbouwgrond die zich uitstrekte tot Sterrebeekbos.
Het duurde niet lang of mijn vader besloot een kippenren te bouwen
over de helft van het braakliggend terrein. De andere helft moest dienen als
groentetuin en een smalle reep gazon met laagstammige fruitbomen.
Midden in het kippenren stond op een paal een duivenhok waarin
vier witte duiven hun intrek hadden genomen. Dat werd mijn vierde magische
ruimte. Als mijn vader thuis was smeekte ik hem om me tot aan het duivenhok te
tillen zodat ik door de boogvormige poortjes kon zien of ze thuis waren.
In het salon en de grote slaapkamer hadden we kolenkachels die
zelden aangestoken werden vanwege een slecht functionerende schouw. In de
eetplaats stond het fornuis dat mijn moeder ’s winters elke ochtend een uur
voor we uit bed kwamen aanwakkerde. Alle aanpalende deuren bleven dan gesloten
om de warmte binnen te houden. De eetplaats werd leefplaats en tevens
ziekenboeg tijdens kinderziekten. Pas in het midden van de jaren zestig heeft
mijn vader met zijn broer een centrale verwarming aangelegd.
Toen ik naar de kleuterklas moest was dat een ramp. Voor de eerste keer in mijn
leven voelde ik me verlaten.
De eerste dag liep ik weg van school. Ze vonden me algauw in het dorp op de
dool. Mijn moeder werd erbij gehaald waarna ik opnieuw opgesloten werd achter
die verschrikkelijke schoolpoort.
Ik had ook een broer die een jaar jonger was.
Door de zwakke gezondheid van mijn moeder verbleven mijn broer en ik vaak bij
mijn grootmoeder, vooral nadat mijn grootvader op jonge leeftijd stierf.
Voor het eerst zag ik een lijk en liep ik als jong familielid mee in de stoet.
Het was gezellig om bij Bobonne (zo noemden we mijn grootmoeder) op vakantie te
gaan.
Overdag plukten we de rijpste aardbeien uit de tuin en aten die dan op met
griessuiker. ’s Avonds speelden we tot het donker werd huisjes bouwen met de
kaarten. Daarna deed Bobonne alle lichten uit en gingen we naar bed, met
Bobonne in het midden.
Ik had ook een nonkel. We noemden hem de oude. Hij was vrijgezel en halfdoof.
Elke zondag kwam hij eten bij Bobonne. Hij zat daar telkens voor het middaguur
aan de keukentafel op zijn toegeëigende plaats. De keuken lag achterin en
diende tevens als waskot en bergplaats.
Aan diezelfde tafel werden tijdens feestdagen avondlijke elexiers gedronken,
tenminste, als de oude erbij was. Dan vertelde hij over Amerika waar hij
geweest was of over weerwolven uit zijn kindertijd. Hij had nog echte indianen
gezien en achter dwaallichten gezeten.
Bobonne ging elke woensdag bij hem kuisen. Mijn broer en ik mochten mee.
In het salon stond een stoel in gekrakeeld leer en een eiken tafel met op de
kast een stenen geneverkruik. Die plaats mochten we niet betreden. Daar lagen
de sacramenten van de oude om Gods vloek met een vierkante te verbannen.
In de lagere school noemden ze me de Flurk. Ik was een dromer. De leraar had
mijn vader hierover aangesproken en gezegd dat ik te verstrooid was in de klas.
Ik maakte papieren vliegers en houten zwaarden. Mijn
schuilplaatsen (die ik mijn kampen noemde) kan ik zo terug vinden in het bos.
Ivanhoe, Zorro, Winitou,…waren mijn helden die ik op alle mogelijke manieren
imiteerde.
In die periode begon ik ook te experimenteren met benzine
en terpentijn. Het mengsel moest als brandstof dienen voor de stuwraket die ik
bouwde in het atelier van mijn vader. Toen dat project mislukte begon ik
kikkervisjes te kweken vanuit een nabijgelegen poel.
Thuis hadden we geen
TV. Mijn vader had wel een transistorradio gekocht in de dorpswinkel. Een
roodbruin robuust toestel van Duitse makelij dat stond voor kwaliteit. Op
zondag fietsten we na het middageten naar het bos en luisterden dan liggend in
het gras naar de muziek die onze portatif te bieden had. Jaren later zou
mijn vader zich laten overhalen om een zwart-wit tv aan te schaffen waarmee we
vier zenders konden ontvangen. Gekluisterd aan het beeld in het pikkedonker
zagen we de Congolezen vechten voor onafhankelijkheid. Zelfs naar het testbeeld
werd gekeken.
Midden in de jaren zestig vond mijn vader dat het tijd werd dat ik
een stiel zou leren. De oude schoolkameraden zwermden als jonge bijen uit het
nest. De ene wou plaatslager worden, de ander loodgieter, sommigen
automecanicien en de slimsten van de klas gingen naar de humaniora. Ik trok
naar Leuven en ging voor houtbewerking.
Als twaalfjarige mocht ik nu voor het eerst zelfstandig naar de
stad. Het was een schril contrast met
het plattelandsdorp waar ik opgegroeide. Elke dag pendelen met de bus tot aan
het Fochplein was op zich al een beleving. Het duurde niet lang of ik stapte af
aan het station om dan verder te voet langs de Bondgenotenlaan te gaan. Halfweg
kocht ik een croissant en at die telkens aan dezelfde zitbank op. Tijdens de
drie kwartier durende busrit leerde ik twee meisjes kennen die ouder waren dan
ik. Ze hadden dezelfde eindbestemming. Elke ochtend zaten we tezamen op een
arduinen dorpel aan de Sint-Pieterskerk tot net voor schooltijd. Dan ging
elkeen zijn eigen weg. Een van hen leerde mij sigaretten roken. Sindsdien ben
ik nooit meer gestopt.
De bengel in mij begon te verdwijnen. Het was mei 68.
Studentenprotesten, de Beatles, het feminisme, de
provo’s, Black Power,…
In Frankrijk braken straatgevechten uit tegen de politie, gevolgd
door een algemene staking van studenten en twee derde van de
arbeidersbevolking. Het parlement werd ontbonden. Het woord flic werd
voor het eerst gebruikt.
Het communisme en anarchisme
werden populair. Velen zagen hierin een gelegenheid om ‘de gevestigde
maatschappij’ door elkaar te schudden. Jean-Paul Sartre was hiervan een
boegbeeld.
In Tsjchoslowakije was er de Praagse lente en in België staakten
de studenten in Leuven tegen de Franstalige invloed in de universiteit.
Ik stapte stiekem mee in studentenbetogingen zonder te begrijpen
waartegen ze precies revolteerden. Het was me om de spanning en de
waterkanonnen te doen.
Begin jaren zeventig kwam ik in Brussel terecht om er bouwkunde te
gaan studeren. In die periode experimenteerde ik met alles wat ik kon vast
krijgen. Het werd een benevelde periode waarin ik koorddansend het ene zwijn na
het andere uit de rapen joeg.
Ik liet mijn haren groeien, trok liftend naar Amsterdam, wou in
een commune gaan wonen en werd zo langzamerhand de drop-out in de familie tot
grote ergernis van mijn ouders die er niets van begrepen.
Elke dag liep ik langs de rue de Midi heen en weer van Zuid naar
Noord. Ik bleef telkens voor dezelfde vitrines staan.
Zo was er de Aziatische winkel met zijn bronzen beelden, de
tekenwinkel waar een schilderspalet stond uitgestald en de stock Americain die
ik regelmatig bezocht zonder iets te kopen want thuis waren ze karig met
zakgeld. Door mijn dagelijkse voettocht kon ik het tramgeld dat ik thuis kreeg
aan andere dingen besteden.
’s Middags ging ik samen met een vriend langs een verlaten fabriek
tussen het puin zitten. Verscholen voor de buitenwereld zaten we dan te
filosoferen over een abstract toekomstig leven.
roi Albert
ik geniet van dit grillig weer,
met opgestroopte hemdsmouwen
aan mijn tafel onder een parasol
in wind en kletterende regen.
Een nationale feestdag is het vandaag
in Belgenland.
De straaljagers moeten nog overvliegen
met de toespraak van roi Albert
op deze betaalde feestdag.
Krampachtig probeer ik van mijn schrijfsel
een gedicht te maken,
woorden en zinnen in een vergeetput te gooien,
maar dat lukt niet eens
omdat elk woord mij te kostbaar is
als het geschreven is.
Mijn gom is na een jaar versleten
tot vijf centimeter lang
na al die beklaaglijke woorden
die niet meer bestaan
Laat de soldaten nu maar marcheren
in dit regenweer.
kilte dampt
halfweg slaat de bliksem in
hij licht rimpels van mijn handen op
in vloeiende regen
een plotselinge dood
zou het leven niet waardig zijn
moest ze te vermijden zijn
ik vraag me af
waarom vogels
nog op de vlucht slaan voor mij
morgen regent de zon
Vanwaar komt die kilte vandaan?
Mijn adem dampt.


