6. ... en van de "Kaarsjesprocessie" uit het Mechelse. In zijn land teruggekeerd had hij het geluk zijn moeder te bekeren vooraleer naar Gallië weer te keren. Zijn ganse leven vloeide van liefdadigheid over. Hij stierf in een hoge ouderdom en werd te Tours begraven, waar zijn graf weldra een bedevaartplaats werd, waar talrijke mirakelen geschiedden.
EINDE.
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
5. ... met het kruis van Christus. De avond vóór het gevecht kwam de vijand zich onderwerpen. Ten gevolge van dit mirakel, koos Maarten de geestelijke staat en werd bisschop van Tours. Men haalt nog talrijke mirakelen aan, geschied toen Maarten in Gallië verbleef en waaraan in ons land wordt herinnerd door feesten en overleveringen, namelijk deze van de "Sint-Maartensvuren"...
4. Dit gebeurde in November. Maar het werd schoon weder gedurende dit tijdstip en Maarten leed geenszins van zijn goede daad. Van toen af noemt men dit tijdstip van het jaar: "Sint-Maarten's Zomer." Van lafheid beschuldigd door Keizer Juliaan, stelde Maarten, om zijn moed te tonen, voor, ten strijde te trekken, gewapend alleen ...
3. De volgende nacht zag Maarten in een droom Jezus-Christus, die de mantel droeg, die hij aan de ongelukkige had geschonken. Van heiden, die hij was, werd Maarten christen; hij ontving het doopsel op 22-jarige leeftijd. Hij bleef evenwel nog tal van jaren bij het leger. Maar om zijn mantel te hebben verdeeld, werd hij door een overste gestraft om half gekleed drie dagen aan de kaak te worden gesteld.
Schoolradio.
Illustratie bij de uitzending van de schoolradio. (11.11.49)
Uit: "JUVA. Encyclopedie voor de jeugd.
Wekelijks uitgegeven door het
Belgisch Nationaal werk tot bestrijding der Tuberculose.
2 november 1949. 2fr. Nr.53."
(Oorspronkelijke tekst.)
1. In het jaar 316 van de Christelijke tijdrekening, werd in Hongarije een jongen geboren met name Maarten, die een der meest volksgeliefde heiligen zou worden van ons land. Heel jong vrijwilliger in de onoverwinnelijke Romeinse legioenen, was hij op vijftienjarige leeftijd een vurig en vrolijk soldaat, die het leven hartstochtelijk beminde, maar tevens een goed hart.
Litanie van sint-Martinus.
"Schat-kiste der Litanien."
"Uyt de drukkerye van C. de Moor en Zoon, in de Philipsstok-straet. Brugge. 1778."
Een litanie is een gebed in een christelijke eredienst om God (of Maria, of één of meer heiligen) te aanroepen en te smeken voor een genade, een geschenk, of een genezing. Een litanie wordt gebeden tijdens een dienst of een processie en heeft de vorm van een aantal aanroepingen. Iemand (meestal de priester of een diaken) bidt voor en de gelovigen antwoorden met een bepaalde formule zoals bid voor ons, ontferm u over ons, of verhoor ons.
In de loop der eeuwen zijn tal van litanieën ontstaan ter ere van afzonderlijke geloofsgeheimen (Bv. van de Heilige Geest) of van heiligen, in zo'n grote getale en vaak van zo'n willekeurige aard, dat Rome zich het recht van approbatie (goedkeuring) van al de litanieën, die in de openbare eredienst gebruikt worden, heeft voorbehouden.
In de vroegste litanieën werd God aanroepen om bevrijd te worden van de aanval en overheersing door woeste stammen, of om van pest, cholera of andere besmettelijke ziekten gevrijwaard te worden. Pas later ontstonden de litanieën van de heiligen waarin deze worden aanroepen, en om hulp en bijstand gesmeekt.
De mantel van sint-Martinus.
Een "overladen" Antwerps santje van Johannes Van Sande. (1713) De overdreven randversieringen overheersen dit prentje. Je moet als het ware de heilige gaan zoeken. Waarschijnlijk heeft de graveerder zijn kunde willen tonen in de gebruikte dier- en plantenornamenten. Of hebben twee kunstenaars aan dit beeldeken gewerkt? Eén graveerde de enorme randversieringen en een andere (leerling?) sneed de voorstelling van de heilige. Spijtig dat het belangrijkste, de manteldeling, nauwelijks te zien is. Ook het met de hand inkleuren gebeurde vrij slordig. Gelukkig is het prentje in perfecte staat.
Iedereen kent het verhaal van de manteldeling aan de stadspoort van Amiens. Sintemetten deelde zijn wijde soldatenmantel met een schaars geklede bedelaar. De volgende nacht verscheen Christus aan Martinus gehuld in de halve mantel die de arme gekregen had. Tot de engelen die Hem vergezelden zei Hij: "Martinus, hoewel nog slechts doopleerling (adhuc catechumenus) heeft mij met deze mantel bekleed."
De mantelhelft die Martinus behield, verwierf een eigen geschiedenis, hij ging als het ware een eigen leven leiden. Hij kreeg een plaats in het nationale heiligdom van de Franken, de basiliek van Tours, de latere bisschopsstad van de heilige Martinus. Daar werd de mantelhelft (cappa) bewaard in een eigen kapel (capella) door daartoe aangestelde kapelaans of "chapelains" (capellani). De chapelains of aalmoezeniers droegen de wonderbaarlijke mantel met het leger mee, als de Franken ten oorlog trokken. Ze hoopten daardoor te overwinnen.
Sintemetten en de wonderbare visvangst op paasdag.
De inkleuring gebeurde onzorgvuldig, hier en daar overlapt de verf de tekening, of gaat buiten de ovalen kader. Waarschijnlijk is hier een leerling aan het werk geweest in dienst van J.de Man. Ook de foutieve N in de naam van de heilige steunt dit vermoeden. Al bij al een prentje voor het gewone volk.
Uit de vele gebeurtenissen in het wonderbaarlijke leven van Sintemetten nemen we het verhaal van de vis van Pasen. Het is een amusante geschiedenis, die doet denken aan de wonderbare visvangst uit het evangelie.
"Op paasdag, Martinus en zijn vele gezellen hadden pas de vasten beëindigd, was er geen enkele vis in de Loire te bespeuren. Sint-Maarten en zijn vrienden aten nooit vlees, maar enkel vis bij feesten. De rentmeester van het klooster, een diaken, Lato, een behendig visser, kon geen enkele vis verschalken. Ook andere bedreven vissers bij de Loire hadden niets kunnen vangen. Martinus vroeg de diaken of hij opnieuw het net wilde uitwerpen en verzekerde hem dat hij deze keer wel vis zou bovenhalen. Alle monniken keken naar Lato. Ze waren er zeker van dat het net niet leeg zou blijven omdat Sintemetten het bevel gegeven had. De visser had nog maar pas zijn net uitgegooid of hij kon al een heel grote vis uit het water slepen. De aanwezigen konden hun ogen niet geloven.
In de abdij vierde men een vrolijk paasfeest met lekkere vis op het menu!"
Het leven van Martinus. Geschiedenis of legende?
Wat is waar, wat is historisch juist in het leven van Martinus, of wat behoort tot de legende of verzinsel? We weten dat de "Vita Martini" van Sulpicius Severus de belangrijkste bron is van het leven van sint-Martinus. Vertelde deze schrijver de waarheid, of was hij een fantast en leugenaar? Was hij een betrouwbare getuige, of moeten we zijn verhaal met een korreltje zout nemen? Natuurlijk zegt Severus zelf over zijn werk dat het allemaal zeker waar is wat hij schrijft. "Dit verhaal heb ik van Martinus zelf vernomen."
Geschiedenis of legende? Of beide? We weten dat een legende een levensbeschrijving is van een martelaar, een heilige of held. Ze vertelt mirakels en daden door de heilige of held verricht. Een legende berust op een volkse overlevering die met de tijd aangedikt werd. Het is moeilijk ware gebeurtenissen en verzinsels van elkaar te onderscheiden.
De manteldeling aan de poort van Amiens. Echt gebeurd of fantasie van Sulpicius Severus? Het hele gebeuren illustreert een passus uit het evangelie volgens Mattheüs, waarin de evangelist vertelt naar welke gedragingen de mensen later, bij hun dood zullen beoordeeld worden. Het is een parabel over het Laatste Oordeel, waarin de Herder de scheiding maakt tussen de goeden en de slechten.
Na het delen van de mantel, vertelt de legende dat Martinus 's nachts een verschijning van de Heer zag, die sprak tot de engelen: "De geloofsleerling, Maarten, gaf mij deze mantel, toen hij die aan een arme stakker gaf."
Deze en vele andere verhalen werden over sint-Martinus verteld en verspreid. Vele geschiedschrijvers nemen die verhalen niet ernstig, omdat er geen data, geen namen van personen, geen plaatsnamen in voor komen. Ze menen dat ze verzonnen zijn.
Maar Sintemetten heeft echt bestaan ... Niemand twijfelt daaraan.
Jef Van den Eynde.
Ouders: Karel A. (geb. te Antwerpen) en Octavie L. J. Van Ballaer (geb. te Kasterlee). Vader was gemeente-ontvanger en woonde met zijn groot gezin (10 kinderen) op de Pas, dicht bij de vest van de pastorij.
Jef studeerde te Hoogstraten en later aan het seminarie te Mechelen, waar hij op 11 juni 1938 priester werd gewijd. Werd leraar aan het sint-Stanislascollege van Berchem. In 1964 kapelaan in Westmalle en in 1973 volwaardig pastoor aldaar.
In 1988 ging hij op rust bij zijn zus Maria en broer Louis te Retie.
Jef was een man met vele gaven. Zo was hij een echte "Gezelle-kenner", die door zijn vele lezingen in Retie en daarbuiten, de mensen vaak wist te ontroeren.
Hij regisseerde niet alleen toneelstukken, hij schreef er ook.
Na zijn opruststelling werd hem gevraagd een toneelstuk te schrijven naar aanleiding van de 600ste verjaardag van het overlijden van sint-Martinus. Het werd gedrukt en opgevoerd onder de titel "Sint-Martinus van Tours". Jef kende natuurlijk ook het werk van Sulpicius Severus, de levensbeschrijving van de heilige, nog samengesteld tijdens het leven van Sintemetten. Hij gebruikte dit boek als voornaamste bron voor zijn toneelspel. Het toneelstuk laat ons vier episodes uit het leven van de heilige van Tours zien, die steunen op historische feiten. Voor zijn kostumering kon hij putten uit het rijke BRTN-archief, het textiel voor het grote toneeldoek werd verzameld via de Soesafoon van BRT2-radio en er werd gebruikt gemaakt van de 80 dia's over sint-Martinus die uitgegeven werden naar aanleiding van het pausbezoek aan Tours het jaar voor de opvoering in Retie. De prachtige toneelvoorstellingen in de sint-Martinuskerk werden door de Kortoren massaal bijgewoond.
René en Paul Stappaerts schrijven in hun boek "Retiese Koppen" (2001): "Dit Sint-Maartenspel mag als zijn levensbekroning beschouwd worden en ook als zijn geestelijk testament: de uitdrukking van alles wat hij dierbaar en waardevol vond in het leven, zijn liefde voor alles wat goed en waar en schoon is."
De nieuwste sint-Martinusklok.
Opschrift: A.D.1962 (anno domini)
Petit & Fritsen Aarle - Rixtel Holland.
"Sint Martinus bronzen stem
Wenkt uw harte
In vreugd en smarte
Keer tot God u, kom tot Hem.
Ik werd gegoten te Aarle-Rixtel
Gedoopt in't jaar onzes Heren 1962.
Mijn peter: Louis Smets, voorzitter Kerkfabriek
Mijn meter: Maria Hulselmans
Z.E.Heer Carolus Josephus Govaerts, pastoor ab anno 1946"
Langs de andere zijde staat de beeltenis van sint-Martinus en op de kroon:
"Frans Schepens, burgemeester."
De grauwe oorlogsjaren gingen voorbij zonder dat er over nieuwe klokken gesproken werd. Pas in 1946 lezen we in de notulen van de kerkvergadering er iets over. Het vervangen van de geroofde klokken werd een echte lijdensweg. Er waren te veel organisaties die allemaal hun zeg moesten doen. Men maakte van alles een discussiepunt. Zijn de klokken wel gesmolten? Is er een attest betreffende de weggevoerde klokken, hoeveel bedraagt de financiële staatssteun? Moeten er geen twee dossiers gemaakt worden, één voor de klokken en een ander voor de torenrestauratie? ... Jarenlang probeerde men tot een goede oplossing te komen. In 1953 is er nog steeds geen schadeloosvergoeding uitbetaald en heeft men nog altijd geen toestemming om nieuwe klokken te gieten, want door de oorlog in Korea is de prijs van het koper veel te hoog!
Het is uiteindelijk pas in 1962 dat de firma Petit en Fritsen, klokkengieters uit Aarle-Rixtel in Nederland, de nieuwe klokken mag gieten. Veel schoon volk was daarbij aanwezig: Pastoor Karel Govaerts, burgemeester Frans Schepens en al de leden van de kerkfabriek.
De wijding van de klokken gebeurde op 1 juli 1962 om 14.30 uur, met een optocht door de belangrijkste straten van Retie. In de stoet mocht natuurlijk sint-Martinus met zijn Romeinse soldaten niet ontbreken. De klokken opgesteld in de sint-Martinuskerk, werden gewijd door de deken Franken uit Mol.
De notulen van 7 oktober 1962 vermelden dat de installatie van de twee klokken is voltrokken...
Sindsdien galmen de klokken weer vrij over mijn prachtig Sintemettendorp, zijn neten, zijn velden en zijn Kortoren! Precies alsof het nooit anders is geweest ...
De sint-Martinusklok geroofd door de Duitse bezetter.
Precies honderd jaar lang galmden de drie klokken vrij over mijn Neten-dorp. De sint-Martinusklok luidde men bij feesten en processies, de Lievevrouwklok bij kerkelijke diensten en de kleine sint-Jozefklok (het schelleken) klepte drie maal per dag het angelus. Bij dood en begrafenis werden de twee grote klokken samen gebruikt, bij brand en ander onheil de drie klokken tegelijk.
Op 5 augustus 1943 kwam daar een abrupt einde aan. Die dag begonnen de "klokkenpikkers" (de Duitse bezetter) de dikke oude muren rond de galmgaten in de voorkant van de sint-Martinustoren weg te kappen. De twee grote klokken werden naar beneden gelaten. (De Duitsers eisten de klokken op bij een verordening van 10 maart 1943. Het herderlijk protest van 15 mei haalde niets uit.) De kleine sint-Jozefklok mocht blijven hangen. Op 19 augustus 1943 werden de klokken op een wagen geladen en naar Duitsland vervoerd om daar gesmolten te worden voor het gieten van kanonnen. Dat alles gebeurde onder ruime belangstelling van de Kortoren. De haat tegen de bezetter werd er niet minder op. Toch moest men lijdzaam toezien ...
De sint-Martinusklok hergoten.
"Joan. Bap. Verbist pastor ab anno 1819 - Car. Gil. Van Den Eynde praetor - Patrinus Lud. Dom. Van den Eynde notarius - Matrina Mar. Jon. Van Ganzewinkel - Glyck gy door myn geluyd somtyds van schrik zult beven. Zoo zal ook myn geluyd u somtyds vreugde geven. - In hororem S.Martini. (Afbeelding van "Sinte Marten") Gaulard père fils fondeurs 1843."
Op 10 augustus werden de klokken feestelijk ingezegend door de deken van Geel. Ze werden gewogen ( S.M. 2526 kg. en O.L.V. 1823 kg.) en in de toren gehangen.
De nieuwe sint-Martinusklok luidde voor de eerst over mijn mooi Kempisch dorpje op 27 augustus 1843.
De sint-Martinusklokken van Retie.
Govert van der Vliet, kerkmeester (Telkenjare vernieuwd, beëdigd door de drossaard en deeluitmakend van de Wet van Rethy.) en Jan van Santvoert hebben bij Peter Wagevens, te Mechelen een klok, "weegende omtrent XXVI oft XXVII hondert ponden" gekocht voor 12 rijngulden en 5 stuivers de honderd pond.
Origineel document ondertekend door Jan van der Vliet, Jan van Santvoert en Peter Wagevens.
Klokken waren door de eeuwen heen onmisbaar.
1507 is de eerste oorlogsdatum die we tot nu toe vonden in de geschiedenis van ons dorp. Een legertje Geldersen en Fransen rukten van uit Roermond op naar onze gewesten en hebben Rethy, samen met nog andere Kempische dorpen, platgebrand.
Bij het nieuws dat de bendes in aantocht waren, holde een man naar de klok en luidde "storm" over het dorp.
Sint-Martinus en Arendonk.
Arendonk viert al eeuwenlang de heilige Catharina van Alexandrië op 25 november. Haar leven is één en al legende. Op haar 15de kende ze alle werken van Plato. Ze moest van keizer Maxentius haar geloof in Christus afzweren, maar ze weigerde. Ze werd veroordeeld tot het rad, maar dat werktuig werd vernietigd door de bliksem. Ze werd steeds op miraculeuze wijze gered. Toen ze onthoofd werd, vloeide er melk uit haar wonden die de pest verdreef. Waarschijnlijk heeft ze nooit bestaan. Attributen: Als rijke jonge vrouw met een kroon op het hoofd, zwaard in de hand, boek, gebroken rad, palmtak. In Arendonk werd ze vereerd (waarschijnlijk) omdat ze de patroonheilige is van de kantwerksters.
Als brave Retiese inwijkeling en begaan met het rijke verleden van mijn Sintemetten-dorp, had ik natuurlijk ook belangstelling voor de, voor mij, duistere dorpsgeschiedenis van Arendonk. Hoe kan je je dan beter informeren dan door het lezen van "bekende" heemkundige boeken? " Het vizirgat." van Jan Goris werd mij sterk aanbevolen. "Zo was het", "goed geschreven", "geschiedkundig juist", allemaal positieve commentaren die ik er gratis bij kreeg. Met enorme leeshonger verslond ik de eerste bladzijden. Groot was echter mijn verbazing toen ik op blz. 33 van dit "naslagwerk" las:
"Vroegertijd werd er te Arendonk met SINTE MERTEN aan de huizen gezongen:
Vandaag is't Sinte Merten
En morgen is't z'n kruk
Wij komen van goeder herten
En helpt ons uit den druk.
En wilde ons wat geven
Wij zijn zoo rap content
Wij vragen U z'n zegen
Als gij ons gift 'n cent.
Maar Ste Mertensvuur werd enkel gestookt door Retische inwijkelingen, die hun dorpsche overlevering hier wilden inplanten. Arendonk nu, duldt op dit gebied, geen invoerartikel. Wel hoorde men, op de Beirendonk en Huiskens, een korte wijl:
Sinte Merten, turf en heit
Sinte Merten z'n voeten zijn keit
maar de Retische tongval stond in voor het verdwijnen."
Ik moest even slikken. Da's straffe taal. Wat gedurfde uitspraken! " Arendonk nu, duldt op dit gebied, geen invoerartikel." Ruikt dat niet een beetje naar discriminatie? (Woord en begrip moesten toen natuurlijk nog worden uitgevonden.) Als je zoiets nu zou schrijven, werd je zeker bestempeld als ... De Arendonkse mentaliteit veranderde sindsdien. Nu is men heel wat toleranter geworden voor "inwijkelingen", zelfs al hebben die een heel andere godsdienst en taal. Gelukkig maar!
Arendonk heeft van de liefdadigheid van Sintemetten dan toch iets geleerd.
Martinellum.
Een martinellum is een verzameling teksten rondom de heilige Martinus van Tours, waarin de Vita B. Martini van Sulpicius Severus de belangrijkste plaats inneemt. Het martinellum had een functie binnen de liturgie. Feitelijk was het één van de voorgangers van de missaal, waarin men later onder meer de lessen bundelde die op bepaalde feestdagen gelezen werden. Zo werden uit het martinellum bepaalde gedeelten voorgelezen op de feestdag van Martinus en op de dag waarop zijn gebeente naar Tours werd overgebracht, de zogenaamde "translatio" (14 juli).
Utrecht, waar de Dom aan sint-Martinus is gewijd, bezat zo'n twaalfde-eeuwse martinellum. (Nu in de universiteitsbibliotheek.) Hoewel dit handschrift geen miniaturen bevat, is het met zijn zestien gedecoreerde initialen één van de zeer weinige voorbeelden van codices die in de Noorderlijke Nederlanden in de twaalfde eeuw geschreven en verlucht zijn. Dit handschrift is door vijf verschillende handen geschreven in een schrift dat nog niet gotisch genoemd kan worden. Specialisten noemen dit geschrift "littera pregotica".
Deze 128 perkamenten bladzijden, geschreven in het Latijn, zijn van grote cultuur-historische waarde.
De zuivelfabriek Sint-Martinus. S.M.
Zichtkaart :Uitgave Gevers-Melis. Afgestempeld in 1954.
Ik kan mijn onvolledig bezoek aan onze mooie sint-Martinusstraat niet afsluiten zonder even de melkerij te bespreken, die de naam van onze patroonheilige kreeg. De officiële naam was: "Zuivelfabriek Sint-Martinus S.M."
(Samenwerkende Maatschappij.)
Boeren-aandeelhouders zorgden voor het beginkapitaal. De firma De Groot uit Heist-op-den-Berg bouwde de fabriek. De B.B. leverde de technische uitrusting. Aloïs Melis, eerste directeur-bedrijfsleider, begon met vier werklieden.
Op 3 december 1933 was de installatie klaar en werd er met water geproefdraaid. Op de melkerij begon men om 8 uur te werken.
Op de boerderij werd de melk in kitten van 25 liter gegoten. Elke boer had een nummer dat in koperen cijfers op de nek van de "melkkit" was aangebracht. De metalen kitten werden dan door "melkkarren" aan de boerderij opgehaald.
Ik weet nog hoe ik als jeugdige knaap mee kon met zo'n "melktoer". Zelfs mocht ik van de voerder al eens de leidsels vasthouden, zo fier als een gieter was ik dan. Wist ik veel dat "Bles" met zijn ogen dicht de weg kende!
In de melkerij goot de melkaanvoerder de melk per bedrijf (per nummer) in de weegbak en plaatste de lege kitten omgekeerd op het uitdrup-apparaat dat langzaam wegdraaide. Men noteerde de hoeveelheid melk, nam de lege kitten, spoelde ze uit, liet de afgeroomde melk - in verhouding tot de hoeveelheid geleverde melk - erin lopen. De voerder verplaatste zijn wagen naar de andere deur van de ontvangsthal en laadde zijn kitten terug op zijn kar. Hij kreeg de briefjes waarop het gewicht van de melk per bedrijf genoteerd stond en vertrok. Onderweg stak hij die papiertjes tussen deksel en kit van de betreffende veehouder. Hij zette de kitten, in omgekeerde volgorde, af aan de boerderijen.
Dat deel van zijn dagtaak zat er dan al op. In mijn jeugd gebeurde dat nog allemaal met paard en kar, later verving men de paarden door lawaaierige tractoren en nu komt een glimmende tankwagen de melk "opzuigen".
De melkerij werd heel wat meer dan alleen maar een "melkfabriek". De Kortoren waren er fier op, en terecht.
En nu ... " De Melkerij." ... een appartementenkazerne ...
De nieuwe tijd. Net wat u zegt ...
Sint-Martinusstraat. Beroemde inwoners. A. Luyten.
"A. Luyten "Klompke" Rethy op velo"Bristol".
-Kampioen der Kempen in 1909.-
Onoverwinbaar in 1910 meer dan 50 eerste prijzen behaald."
Postkaart geschreven in 1911.
Let op de warme trui "Bristol", met rolkraag en de zware koersfiets van het zelfde merk, zonder remmen.
In de sint-Martinusstraat woonde destijds deze bekende sportman. Aloysius Andreas Ludovicus Luyten, alias "De Klomp" of "Klompke". (1888-1941) Hij woonde naast de katholieke school en was in 1912 gehuwd met Maria Caroline Dierckx, deze stierf echter op zesentwintig jarige leeftijd. Aloïs hertrouwde in 1915 met Pauline Melis.
Hij was een zeer talentvolle "coureur", die voor het merk Bristol reed. In 1909 werd hij kampioen der Kempen en in 1910 was hij bijna onklopbaar. Hij won in dat jaar meer dan vijftig koersen. Tot omstreeks 1927 was hij ook velomaker. Een beroep dat zeer goed bij zijn wielrennen paste. Ervaren als hij was in het herstellen van lekke banden, het repareren van gebroken kettingen of het plaatsen van nieuwe spaken. Het spaarde hem veel tijd tijdens zijn koersen en het was bovendien goedkoop.
In 1925 opende hij een bioscoop: Cinema Roxy. In glazen "kijkkasten" werden glimmende cinema-foto's met duimspijkers opgehangen.( Aan het aantal gaatjes kon je zien of de film al veel gespeeld was of niet.) Zo kregen we een beeld van de komende film. Er werden steeds twee films gespeeld, één voor de pauze en de belangrijkste erna. Tijdens de onderbreking kon men in de gelagzaal, die vol hing met de gewonnen "palmen", krantenknipsels en foto's van "de Klomp", vlug één (of meerdere) pinten drinken. Velen waren niet tijdig terug voor de hoofdfilm! Ze werden dan met gevloek onthaald, omdat ze door het beeld liepen.
Met Retie-kermis werd de filmzaal als danszaal gebruikt en was er dus die week "geen cinema".
Met de opkomst van de televisie in 1953 kregen de dorpsbioscopen harde klappen, de toeschouwers bleven weg.
In 1955 sloot cinema Roxy voorgoed zijn deuren.
Wij moesten ons "filmplezier" buiten het dorp gaan zoeken.
De Katholieke School in de sint-Martinusstraat.
Samen met de sint-Martinuskerk, het gemeentehuis en de pastorij wist iedere Kortoor tot in de jaren zestig "de Katholieke School" staan in de sint-Martinusstraat. Iedereen had er vroeg of laat mee te maken gehad. Iedereen was er al eens binnen geweest, soms zonder het te beseffen.
Het was een in baksteen opgetrokken vrij eenvoudig gebouw, met zes grote ramen langs de straatkant. Het werd in 1879 gebouwd. Het was verplicht opgericht voor de jongens ten tijde van de liberale regering en de schoolstrijd.(1879-1885) Veel vroeger werden de lessen onderwezen in "de Borcht", in de Burchtstraat.
(Dit oude soliede bouwwerk werd door mijn vader, Gustaaf Breugelmans, afgebroken. Alle waardevolle bouwmaterialen - B.v. eiken balken met de bouwdatum erin, antieke haardplaten - werden aan particulieren verkocht.)
Eerst werd er les gegeven door meester Graulus, (1842-1921) later door meester Verheyen.
Na de verkiezingen van 1885 kwamen de katholieken opnieuw aan de macht en werd de "Katholieke School" een parochiaal lokaal en vergaderzaal. Wij zouden nu zeggen, een multi-functioneel centrum! Wat gebeurde er al die jaren in de bekende school? Lokalen werden verhuurd aan de jongens- en meisjesschool. Het werd een ontspanningszaal met toneel, film, zang en cultuur. Tijdens de laatste jaren van de eerste wereldoorlog werd er aan soepbedeling gedaan. Het "Hulp- en Voedingscomiteit" had er zijn intrek genomen. Het werd het lokaal van de katholieke (een andere was er niet) studentenbond "Willen is kunnen", van de K.A.J., van de V.K.A.J., van het A.C.V., van de K.W.B., van de C.M. en van de K.B.G. Het was zelfs even een bibliotheek (1922-1925). In 1956 vergaderden de Chiroleiders er. Het "Kinderheil" is er in ondergebracht. De K.A.J.-drumband oefende er onder leiding van onderpastoor Van Hoof tot 1960.
Omstreeks die tijd werd de "Katholieke School" verkocht door de vzw Pariochiale Werken Dekenij Mol. De nieuwe eigenaar was meubelmaker Jos Frederickx uit Mol.
Moesten die muren hebben kunnen spreken!

