Martinus leefde in een woelige tijd.
Bij de geboorte van Martinus, in de provincie Pannonië van het West-Romeinse Rijk, was het grote Romeinse Rijk op sterven na dood.
In 313 erkent keizer Constantinus de christenen als volwaardige burgers. Het monogram dat op Christus wijst vervangt de Romeinse adelaar in het schild van het Romeinse Rijk. De slaven krijgen een menselijke behandeling en het gezinsleven steunt voortaan op andere normen. Men legt de nadruk op wederzijdse liefde en trouw, overspel wordt strafbaar.
Het Romeinse Rijk is zieltogend, het is een reus op lemen voeten geworden. De kaders wankelen en de administratie is uitgerafeld. Het kan niet meer de veiligheid van zijn eigen grenzen verzekeren, maar eist van zijn burgers toch meer en meer geld, de fiscale druk is huizenhoog. Werkeloosheid, crisis en armoede steken overal de kop op. Keizer Julianus wil het keizerrijk herstellen, maar mislukt. De kerk komt op in Gallië. De bisschoppen nemen zelf taken op zich die eigenlijk de wereldlijke macht toebehoren. Ze beschermen zwakken en armen, ze houden zich bezig met de materiële toestand van de bevolking.
In deze verwarde tijden wordt Martinus, monnik en asceet, bisschop van Tours tegen zijn wil, zoals hij ook tegen zijn zin vroeger soldaat werd.
Op de drempel van de oude wereld, het Romeins heidendom, het boerse heidendom op het platteland en het christendom, dat vooral in de steden geboren wordt, zal Martinus het voorbeeld geven van naastenliefde, zachtheid, nederigheid en vredelievendheid. Hij zal de geschiedenis ingaan als "Martinus van Gallië", de geestelijke vader en patroon van het toekomstige Frankrijk.

