"Eertijds was't in de Kempen een algemeen gebruik op Sint-Maartensavond vreugdevuren te ontsteken ter eere van den grooten volksheilige Sint Martinus. De meeste menschen van een dorpswijk, ieder met een mutsaard rijshout op den schouder, kwamen alsdan bijeen op een bepaalde plaats en trokken altegader naar een nabijgelegen hoogte. Daar werd van het bijeengebracht hout een stapel getast, die aangestookt werd door middel van brandende wijpen. Terwijl de laaie vlammen van den vuurgloed den omtrek verlichtten, dansten oud en jong om den brandstapel een rondedans onder 't zingen van 't Sint Maartenslied.
Het was weer eens Sint-Maartensavond. De vrome menschen van den Heikant, een verafgelegen plaats waar drij armzalige huttekens stonden, wilden ook den goeden heilige eer bewijzen. Zij hadden met dat inzicht hun houtstapel bijeengetast, maar elken keer dat de mannen het rijshout poogden aan te stoken met een brandende wijp, kwam er een nijdige rukwind,- de adem van de duivel -, het vuur uitblazen. De duivel is immers altijd afgunstig geweest, als er iets ter eere van Gods lieve heiligen gedaan werd. Gelukkig kwamen de vrouwen op een goeden inval; het schietgebedeken, dat zij prevelden, maakte de adem van de duivel machteloos. De woorden "Sint Maarten, sta ons bij!" waren nog niet koud of de houtstapel vloog in brand. Men hoorde een gedempt gezucht en in de verlichte omgeving zag men een kromme gestalte knarstandend over de hei vluchten naar de kant van 't moeras. De menschen van den Heikant zijn al lang dood, hun huizekens zijn van ouderdom ingevallen; maar bij elken Sint-Maartensavond dwalen nog altijd in den omtrek van de plaats, waar eens drij hutten stonden, drij brandende wijpen als dwaallichten over de heide rond. 't Zijn volgens het zeggen van de dorpelingen de zielen van de vroegere bewoners, die met hun brandende strooproppen naar een houtstapel zoeken om het Sint-Maartensvuur te ontsteken; zo'n stapel kunnen ze niet vinden, omdat er in die onbewoonde streek niemand is om hout bijeen te brengen. Bij de eerste morgenklaarte verdwijnen de wijpen en daarmee komt er een einde aan 't gedempte gezucht en het tandegeknars van den duivel."


