
Uit: "Ons Volk ontwaakt."
Zesde jaargang nr. 45.
6 november 1920.
""Ons Volk" wijdde verleden jaar een artikel aan Sint-Niklaas, den grooten kindervriend. Sint Maarten is een niet min populaire heilige in Vlaanderen en zijn wonderbaar leven reeds alleen, waarover de legende ook rijkelijk haar goudstof uitstrooide, leent er zich bijzonder toe om de fantazie der kinderen te treffen. Onze Vlaamsche schilder Antoon Van Dijck vereeuwigde het edelmoedig gebaar waarmede hij, aldus de legende, nabij de poort der stad Amiens, zijn rijken krijgsmantel in tweeën kapte en de helft er van aan een naakten bedelaar gaf. Zulk een gebaar verovert onmiddellijk het volkshart. Het is ook onder de gedaante van een jeugdigen, fraaien krijger, die te paard zit en zijn fluweelen mantel met zijn zwaard doorhakt, dat ons volk den later zo beroemd geworden bisschop het liefst afgebeeld ziet. En in menige kerk in Vlaanderen staat hij aldus gestambeeld. Tot voor een vijftiental jaren prijkte boven het hoogaltaar der St.-Martenskerk, te Aalst, een reusachtige ruiter, gedrapeerd in een wijden mantel welke hij met de eene hand strak opengevouwen hield, terwijl hij met de andere, in een sierlijk gebaar, het zwaard in de hoogte hief, gereed om te kappen. Zijn gelaat, fijn getekend en aanminnig van profiel, wendde hij meteen naar den geknielden bedelaar onder hem. Bij feestdagen vooral rees de liefdadige krijger daar, als de verschijning uit een wonderwereld, majestatisch en glorieus, tegen den kleurigen gedempten lichtgloed der glasramen, in een apotheose van wierook en orgelmuziek. Onze kinderverbeelding omhing hem met een schoonheidstoover uit hemelsche landen, en toen de groote Sint-Maartensdag, 11 November naderde, dan werd het ruiter standbeeld in onze illuzievolle oogen iets ontzagwekkends en zalig-vreeswekkends meteen. Toen gebeurde het mirakel waarbij ons heerlijk kindergeloof zich geheel neerlegde: de ruiter daalde van zijn hoogen altaartroon en werd de stralende, witbebaarde bisschop, met gouden mijter en gouden staf, die des nachts met zijn knechten uitreed op paarden, met gouden hoefijzers beslagen, en door de schouw onze korven en mandjes kwam vullen met koeken en suikergoed uit 't paradijs. Den avond te voren hadden we een raapje en een worteltje voor 't paard van den heiligen man in den korf neergelegd, wij hadden hem een briefje geschreven waarin wij zegden dat we braaf geweest waren als Sanctjes, en bedelden om bergen van suiker en chocolade. en toen waren we met onze mandjes en paanders in triomfprocessie door het huis getogen, en hadden gekraaid met volle longen het refreintje dat de verfranschte "masoeurkes" (God vergeve 't hun!) ons aanleerden:
Sint Martin, mon bon ami,
Descendez du paradis,
Apportez de suite,
Vite, vite, vite,
Du bonbon,
Et du macaron!
Waar haalt het feest, van Sinte Maarten zooals het vooral vroeger heel Vlaanderen door, en elders werd gevierd, zijn oorsprong vandaan? Vele gebruiken van het Germaansche kerstfeest, aan "Wodan" gewijd, houden hiermee verband.
Onder de afgoden door onze voorouders aangebeden, stond op de eerste plaats Woen of Wodan, de machtige godheid die winden en wolken regeerde.
De scheppingsgrage volksverbeelding stelde zich Wodan voor als een wilde jager, die des nachts op zijn stormros door de luchten draafde. De zwarte wolken waren zijn mantel. Bij oogsttijd lieten de boeren een schoof haver op hunne velden staan: dat was voor zijn paard. Hiermede hoopten zij de gunst van den machtigen god te winnen, en hun veld tegen alle rampspoed te beschutten.
Weber rept hierover in zijn boek "Dreizehnlinden", (vertaald door E. De Lepeleer) waar hij zegt:
Jongens zoekt niet al te neerstig
Ieder aarken voor den menner:
Laat den laatsten schoof op 't veld voor
Ouden Woên's gezwinden renner;
Laat voor d'ouden Wodan zelve
't Laatste vruchtjen te uwen boome
Dat om't jaar hij meer nog drage, en
Geler nog uw tarwe kome.
Toen de eerste geloofszendelingen als Sint Eloy, Sint Amand en Sint Omaars in onze streken belandden, om er het licht van het Evangelie te brengen, gingen zij aanstonds het heidendom te keer. Om het volk des te gemakkelijker tot de nieuwe leer over te halen, schaften zij hunne gebruiken en feesten niet af, doch zij beijverden zich om ze te "verchristelijken".
In plaats van Wodan stelden zij Sinte Maarten, den grooten apostel van Gallië die de wereld vervuld had met de faam zijner mirakelen. Geen heilige paste beter om den wintergod onzer heidensche voorouders te vervangen. Zijn sterfdag werd ook bij wintertij gevierd. Hij reed ook te paard en had zijn mantel met den arme gedeeld. Sinte Maarten werd eertijds gevierd met een niet te zeggen uitbundigheid en geestdrift. Zijn feest was het volksfeest bij uitnemendheid. Eenige dagen te voren reeds liepen de jongens te schooien achter hout voor het Sint Martensvuur. Bij 't vallen van den avond waren zij nog op de baan, en zongen dat het kletterde, met brandende fakkels in de hand:
Stookt vier
Maakt vier
Sint Maarten komt alhier
Met zijnen blooten arme
Hij zou hem geern warmen.
In Limburg zongen de knapen die van deur tot deur hout bedelden:
Sint Maarten heeft zoo 'n groote kou,
geef ons maar zoo groot als een boone
Onze lieve Heer zal 't in den hemel loonen.
Des avonds ontstak men groote vreugdevuren, en dan vingen de rondedansen aan bij luid gejoel van liederen. In de "Anthologie Belge" par Amélie Struman et Godefroid Kurth, blz. 200, vinden wij daarover de volgende verzen:
"Lorsque la brume était venue,
On allumait un grand foyer,
La flamme montait vers la nue,
Le vent la faisait tournoyer.
Et puis, quel plaisir d'être au monde!
Chaque enfant, gai comme un lutin,
Dansait et chantait à la ronde
Près des feux de la Saint Martin."
Enkele schrijvers beweren dat de Sint Maartensvuren, evenals deze van het "groot carnaval" ontstoken werden om het begin van den vasten aan te kondigen, want de vasten van den advent, die ook genoemd werd "de vasten van Sint Maarten" duurde eertijds zes weken.
Karl Simrock schrijft er over in zijn "Deutsche mythologie":
"Die Martinsfeuer sollten vielleicht die wiedergeburt des jezt verdunkelten sonnenlichts verheiszen. Wie hernach der Advent, so scheint diese zeit schon den Heiden eine vorbereitung auf das Julfest, wo die Sonne sich verjüngte und nun auch das natürliche Neujahr eintrat."
Deze openbare vreugdevuren werden naderhand verboden, omdat er brand of andere ongelukken van voort kwamen. Dit was o. m. het geval te Kortrijk waar ten jare 1736 eenige vuurvonken, door den wind voortgeblazen, brand veroorzaakten in het college der Jezuïeten en andere huizen. Naar aloud gebruik doorliepen de kinderen op den vooravond van Sinte Maarten, de straten van Kortrijk met zwaaiende wierookvatjes, wijl ze riepen om ter luidst:
Sinte Maarten avond
Den torre ga meê naar Gent
En als mijn moeder wafels bakt,
Ik zit er zoo geern omtrent, Stokt vier,
Makt vier,
Sinte Maarten komt alhier;
Al met zijnen blooten arme,
Hij zou zoo geren warmen,
Warmen tot den vieren;
't Is van dage Sinte Liere
't Is morgen Sint Lap,
Eet uwen buk vul zoetepap.
Bij onze voorouders was het gebruik in zwang op Sint Maartens-avond feestmalen te houden, waarop de arme geburen uitgenoodigd werden. Te Gent en in de omstreken van Brussel kende men in de laatste jaren nog de "St. Maartens wafels of koeken". Te Bergen in Henegouwen vergaderden 's avonds de huisgezinnen en er worden gestoofde appels met worsten gesmuld. In Brabant bakte men koeken, en in de omgeveing van Venloo kregen de dienstboden een goed en lekker avondmaal. Of dit nu nog gebeurt?
Eertijds, in België zoo wel als in Duitschland at men de "Sint-Maartens gans". Ten onzent komt die niet meer op tafel. Langs de boorden van den Rijn werd er van de "Sint Maartens gans" druk gezongen in liederen. Van zingen heeft ook ons volk immer veel gehouden, en in vele dier oude Sint-Maarten-deuntjes ligt er een naïeve, gemoedelijke poëzie, terwijl zij tevens vroegere zeden en gewoonten op heel karakteristieke wijze belichten. Te Leffinghe, Middelkerke, Mariekerke, en langs de zeekust van West-Vlaanderen klonk het op den vooravond van de geliefden feestdag, terwijl de jeugd met allerhande lichten in de hand door de straten stoeide:
Sinte Maartensavond
Den torre gâ meê naar Gent,
En als mijn moeder koeken bakt
Ik zit er zoo geern omtrent
Ik zit al in het hoekske,
Ik krijg daar een koekske,
Ik zit al onder de tafele,
Ik krijg daar ne wafele,
Ik zit al onder den zoldertrap
Ik krijg daar nen scheutel pap.