Sinte Mette.


"Voor de groote snoepwinkels en peperkoekbakkers bleven ze het graagste staan en zongen 't liefst hun liedje. Bij de bakkers kregen ze speculoos, boterkoeken, mariekenskoeken of nopjes met gekleurde suiker erop: in de snoepwinkels gaf men hun plakkende bollen, pepermuntjes, siroopstekken en half gesmolten chocolade.
In de straten was nu heel wat gewoel opgekomen: haastige menschen, zingende kinderen op Martinusronde en hobbelende paardenkarren. De zon strooide wat poover licht op de toppen van de gevels. De beiaard rinkelde. De Rosse luisterde meer naar 't aardig klokgeschel dan naar den valschen zang van z'n dragers. Hij hield van den beiaard en zijn beiaardier, die nu ook op zijn beurt "Sinte Mettelied" gillen deed. 't Gaf de Rosse 'n ongekend gevoelen. Voor iederen winkel, ook voor elk gesloten burgershuis, werd stilgehouden. Algemeen verrasten hen de menschen met allerlei zoetigheid: koeken en appelsienen, appelen en peren. Waar de inwoners geen buit in huis hadden, ontvingen ze 'n nikkeltje of 'n koperen cent. Martinus glansde van pret, z'n lippen plakten van 't bollen-knauwen, welke hij heimelijk uit de "provisie" pikte. De dragers hadden den diefstal van de Rosse gauw in 't snuitje. Michiel was er zoo door verontwaardigd, dat hij met zijn eigen geen weg meer wist en de Rosse toeschreeuwde: "As g'er nog iene kie aanzit, dan smaat ik a 't ondersteboven!" "Kunde da wee ni oatstaan da 'k maan heitteke deugd doen?" weerlegde Martinus bekoorlijk-fijn. "Mutte ga dan het water in onze mond doen kome, sloekker! Ge zou ne mensch doen vier spave," meende Michiel. Hierop zei de Rosse geen woord, en voort gingen de knapen. Martinus had echter dorst gekregen van al die flauwe zoetigheid: "Ik stik van de dorst!" kloeg hij. "Ha, leût ons na ien heirbeirg trekke," stelde de Fonne voor. "Waar ieverans?" vroeg de Rosse. "Nar de Tent!" besloot Michiel. Zoo gezegd , zoo gedaan. verleden jaar hadden ze daar ook gezongen, toen hadden ze van 't bazinnetje 'n pint bier gekregen die ze onder hun vijven verdeelden. Ze hielden stil voor de herberg. Als gewoonte stootten ze deur open en begonnen te kelen dat het klonk tot in de buurt.
"Sinte Mette, Sinte Mette reed door sneeuw en wind,
Zijn vurig paard droeg hem gezwind
Sint Mette reed met 'n licht gemoed,
Zijn mantel dekt hem warm en goed!"
"Kom is veu! riepen ze luid. 't Was de baas die zich vertoonde. " Niks te geve!" zei hij barsch en wou de deur al sluiten. "Meuge me dan astemblieft is drinke?" smeekte Martinus. "As ge nog eens zingt!" Ze schreeuwden dat hooren en zien vergingen:
"Sinte Mette van de ruggenuchte
Ha mee zane grazen baard
Uffran wild'ons kabaske is vulle
En leut ons ni mi staan
En ha lust en ha lust is vuule
Houwe tot de vrouwe tot te neuste jaar
Ha-j-ei zane mantel deurgesné-é-je
Oem aan den eirreme te gé-e-ve
Dat ieder oat z'n oege zag
Wat dat hem aan den eirreme gaf,
Dat ieder oat z'n oege zag
Wat dat hem aan den eirreme gaf!"
De herbergier hield woord en haalde 'n emmer gevuld met allerhande kletskes bier: drijdraad, stout, faro, ster, uitzet ... . De Rosse mocht er 't eerst z'n keel aan deugd doen. Hij smakte en vond er zooveel in, dat hij niet meer dronk ... maar ... zoop! Zijn maten reklameerden , waarop Martinus als antwoord gaf: "Iest den halige en dan zaan knechte!" "Ha nemt goed in." spotte Michiel. "Ha heet den aard na ze vader!" De herbergier die zag dat de Rosse bleef drinken greep hem bij zijn kraag: "'t Is na al genoeg, Martinus, let d'andere joengens na oek nog ien sloekje drinken." Nu de Rosse toch z'n bekomst had overhandigde hij 't glas aan Michiel. Schoon was het, hoe broederlijk de drank werd verdeeld. Het glas werd telkenmale in den emmer gevuld en rondgegeven, altijd hetzelfde glas waaraan ieder zijn "toot" had gestoken. Om de baas te bedanken voor z'n vrijgevigheid zongen de knapen nog 'n straatdeuntje en trokken er met 'n "merci en tot de neûste jaar" vandoor. Martinus wezen was intusschen gerood en uitgeslagen als 'n stuk gebraden ossenvleesch, de drank steeg hem reeds naar 't hoofd. Toch gevoelde zich de Rosse kloek en "zitvast"! In de Keizerstraat schooiden ze van deur tot deur. Aan O.L.Vrouwbeeld van 't stedeelijk gasthuis werd halt gehouden. De "Sinte Mettekensvierders" vormden een soort eerewacht voor het wit Heilig Moederbeeld, dat in de steenen nis van den straatmuur prijkt. Het rust daar op 'n heemelsmollige blauwe wolk, gedragen door glimlachende serafijntjes, die met hun lelie-witte vleugels de wolk nauwelijks raken. O.L.Vrouw houdt het naakte Jezuskindje gedeeltelijk verdoken onder haar mantel, als om het te beschutten tegen de slang die ze onder haar linkervoet in bedwang houdt. De bengels bekeken het beeld precies of ze hadden het nooit gezien, en ze gluurden naar de Latijnschen tekst waar ze geen snars van verstonden, gelukkig dat er ook 'n vertaling was te lezen:
"Langs dezen weg stel geenen voet
Of zeg Maria Weesgegroet!"
Toen stampvoetten ze voort. Martinus wezen werd van rood ... blauw van de kou, die zich leelijk deed gevoelen. Af en toe biggelde 'n waterbelleke aan 't tipke van zijn neus, welke hij vergenoegd wegblies. Ze passeerden 't stadstheater en naderden de monumentale pomp, verbeeldend den god "Neptunus", gezeten op 'n gereepte ton, gehouden door blaaskakende dolfijnen: het geheel gedragen door 'n arduinen voetstuk, dat het vloeiende water moest verbeelden. In de wandeling wordt dat beeld "Vadderik" genoemd, zinnebeeld van vadzigheid. De bengels dronken aan de pomp en zwierden dan hand in hand in 't rond voor den steenen Vadderik al zingend 't alom gekende deuntje:
"Van Beneden was oep de lappen
Met Magrit, met Magrit
En met Sinte Vadderik,
Uffra wilt ons kabaske is vulle
En leût ons ni lang mier staan
En ha hust, ha hust, ha hei ien valling
Geft hem ien pastilleke 't zal wel overgaan!"
De Rosse zong daarna nog 'n paar strophen van 'n heel oud liedekijn, dat zijn vader had meegezongen in de beroemde Mechelsche cavalcade:
"Al die daar zegt : de reus di komt
Zij liegen daarom
Keere weerom Reuske
Reuske keere weerom, Reuzegom!"
Zo kuierden ze terug door de Befferstraat om te rusten voor 't beroemde "Hof van Beffer". 'n Lekkere rosbiefgeur waaide hen uit het portaal tegen. De gadders voelden zich week worden, kreegen 't water in de oogen en 't zilt in de mond. Ze werden echter jammerlijk op de vlucht gedreven door 'n blaffende poedel, dewelke hun broekspijpen bedreigde. De Rosse was van 't verschieten van zijn kruk gesprongen, zijn mijter hing naast van zijn lijf. Als een achtervolgde dief rende hij over de straat. Aan 't museum werd beraadslaagd de Vleeschhouwerstraat te bezoeken, vermaard om haar lekkere vleezen. Tegen de groote vleeschhalle bevonden zich oude winkeltjes, genaamd "penskraampjes" waar er longen en nieren, lever en zoom, kalver en varkenskoppen verkocht werden. Ze waren het schuiloord van arme drommels die een leege maag hadden. De kornuiten hoopten daar hun buit te krijgen. Belust op vettige pensen kraamden ze van winkel tot winkel:
"Had ik een appel
'k Gaf a ien stuk
Had ik ien peir
'k Gaf a ien smeir
Sinte Mette den babbeleir!"
Bij sommige verkoopers kreegen ze zwarte en witte pensen, anderen gunden hen 'n schelletje lever, dun als papier. Nog anderen gaven hen varkenspooten, varkensooren, varkensblazen ... . Zo stonden ze voor 't laatste "penskraampje". 't Was bij een oud goedhartig bazinneke, die 'n fijn kanten muts droeg met toze lintjes aan, 'n geweldige snuifster, dat was te merken aan haar snuifdoos die op den toog openstond, en aan haar bebruinde bovenlip. De bengels kraaiden:
"Geft nen appel, geft ien stuk,
Geft ien peir en wa smeir,
Sinte Mette den beideleir!"
wijl ze begeerig oogden naar de rode hartekens, de fijn nieren en de geurige levers. De Rosse bekeek smeekend de oude vrouw, die schreeuwend meezong. "Awel, roodje, wa denkt ge zoeal van maan stem?" "Dar meuge we nog ien puntje aan zôage!" fleemde hij haar, en hij merkte dat ze er fier om was. "A propos," hernam het vrouwtje, "kende gale het Sint Mettelied van Borgerhaat?" Het vijftal als van de hand Gods geslagen die dachten dat er nergens 'n Sinte Mettenlied bestond dan te Mechelen, schuddebolden beschaamd ... neen! " 'k Zal ik het is veur zinge," zei het bazinneke "en die ma kan nazingen, hawel, die kreit ne halve kalfskop!" Met bibberende schille stem, sopranoboog, galmde het:
"Oat, oat Borgerhaat
M'n vutjes zen zoe kaad,
'k Zou zoe geire vuurke stoke,
Mar 'k hem gien haat,
Gien gelang, geen gelang,
Oat de gave leire mand,
Oat de gave leire kist,
Da 'k wist, da 'k wist,
Dat het Sinte Mette is!"


















