Naar de inhoud

Sintemetten.

Retiese Patroonheilige.
seniorennet.beseniorennet.be

Sinte Mette.

"Voor de groote snoepwinkels en peperkoekbakkers bleven ze het graagste staan en zongen 't liefst hun liedje. Bij de bakkers kregen ze speculoos, boterkoeken, mariekenskoeken of nopjes met gekleurde suiker erop: in de snoepwinkels gaf men hun plakkende bollen, pepermuntjes, siroopstekken en half gesmolten chocolade.

In de straten was nu heel wat gewoel opgekomen: haastige menschen, zingende kinderen op Martinusronde en hobbelende paardenkarren. De zon strooide wat poover licht op de toppen van de gevels. De beiaard rinkelde. De Rosse luisterde meer naar 't aardig klokgeschel dan naar den valschen zang van z'n dragers. Hij hield van den beiaard en zijn beiaardier, die nu ook op zijn beurt "Sinte Mettelied" gillen deed. 't Gaf de Rosse 'n ongekend gevoelen. Voor iederen winkel, ook voor elk gesloten burgershuis, werd stilgehouden. Algemeen verrasten hen de menschen met allerlei zoetigheid: koeken en appelsienen, appelen en peren. Waar de inwoners geen buit in huis hadden, ontvingen ze 'n nikkeltje of 'n koperen cent. Martinus glansde van pret, z'n lippen plakten van 't bollen-knauwen, welke hij heimelijk uit de "provisie" pikte. De dragers hadden den diefstal van de Rosse gauw in 't snuitje. Michiel was er zoo door verontwaardigd, dat hij met zijn eigen geen weg meer wist en de Rosse toeschreeuwde: "As g'er nog iene kie aanzit, dan smaat ik a 't ondersteboven!" "Kunde da wee ni oatstaan da 'k maan heitteke deugd doen?" weerlegde Martinus bekoorlijk-fijn. "Mutte ga dan het water in onze mond doen kome, sloekker! Ge zou ne mensch doen vier spave," meende Michiel. Hierop zei de Rosse geen woord, en voort gingen de knapen. Martinus had echter dorst gekregen van al die flauwe zoetigheid: "Ik stik van de dorst!" kloeg hij. "Ha, leût ons na ien heirbeirg trekke," stelde de Fonne voor. "Waar ieverans?" vroeg de Rosse. "Nar de Tent!" besloot Michiel. Zoo gezegd , zoo gedaan. verleden jaar hadden ze daar ook gezongen, toen hadden ze van 't bazinnetje 'n pint bier gekregen die ze onder hun vijven verdeelden. Ze hielden stil voor de herberg. Als gewoonte stootten ze deur open en begonnen te kelen dat het klonk tot in de buurt.

"Sinte Mette, Sinte Mette reed door sneeuw en wind,

Zijn vurig paard droeg hem gezwind

Sint Mette reed met 'n licht gemoed,

Zijn mantel dekt hem warm en goed!"

"Kom is veu! riepen ze luid. 't Was de baas die zich vertoonde. " Niks te geve!" zei hij barsch en wou de deur al sluiten. "Meuge me dan astemblieft is drinke?" smeekte Martinus. "As ge nog eens zingt!" Ze schreeuwden dat hooren en zien vergingen:

"Sinte Mette van de ruggenuchte

Ha mee zane grazen baard

Uffran wild'ons kabaske is vulle

En leut ons ni mi staan

En ha lust en ha lust is vuule

Houwe tot de vrouwe tot te neuste jaar

Ha-j-ei zane mantel deurgesné-é-je

Oem aan den eirreme te gé-e-ve

Dat ieder oat z'n oege zag

Wat dat hem aan den eirreme gaf,

Dat ieder oat z'n oege zag

Wat dat hem aan den eirreme gaf!"

De herbergier hield woord en haalde 'n emmer gevuld met allerhande kletskes bier: drijdraad, stout, faro, ster, uitzet ... . De Rosse mocht er 't eerst z'n keel aan deugd doen. Hij smakte en vond er zooveel in, dat hij niet meer dronk ... maar ... zoop! Zijn maten reklameerden , waarop Martinus als antwoord gaf: "Iest den halige en dan zaan knechte!" "Ha nemt goed in." spotte Michiel. "Ha heet den aard na ze vader!" De herbergier die zag dat de Rosse bleef drinken greep hem bij zijn kraag: "'t Is na al genoeg, Martinus, let d'andere joengens na oek nog ien sloekje drinken." Nu de Rosse toch z'n bekomst had overhandigde hij 't glas aan Michiel. Schoon was het, hoe broederlijk de drank werd verdeeld. Het glas werd telkenmale in den emmer gevuld en rondgegeven, altijd hetzelfde glas waaraan ieder  zijn "toot" had gestoken. Om de baas te bedanken voor z'n vrijgevigheid zongen de knapen nog 'n straatdeuntje en trokken er met 'n "merci en tot de neûste jaar" vandoor. Martinus wezen was intusschen gerood en uitgeslagen als 'n stuk gebraden ossenvleesch, de drank steeg hem reeds naar 't hoofd. Toch gevoelde zich de Rosse kloek en "zitvast"! In de Keizerstraat schooiden ze van deur tot deur. Aan O.L.Vrouwbeeld van 't stedeelijk gasthuis werd halt gehouden. De "Sinte Mettekensvierders" vormden een soort eerewacht voor het wit Heilig Moederbeeld, dat in de steenen nis van den straatmuur prijkt. Het rust daar op 'n heemelsmollige blauwe wolk, gedragen door glimlachende serafijntjes, die met hun lelie-witte vleugels de wolk nauwelijks raken. O.L.Vrouw houdt het naakte Jezuskindje gedeeltelijk verdoken onder haar mantel, als om het te beschutten tegen de slang die ze onder haar linkervoet in bedwang houdt. De bengels bekeken het beeld precies of ze hadden het nooit gezien, en ze gluurden naar de Latijnschen tekst waar ze geen snars van verstonden, gelukkig dat er ook 'n vertaling was te lezen:

"Langs dezen weg stel geenen voet

Of zeg Maria Weesgegroet!"

Toen stampvoetten ze voort. Martinus wezen werd van rood ... blauw van de kou, die zich leelijk deed gevoelen. Af en toe biggelde 'n waterbelleke aan 't tipke van zijn neus, welke hij vergenoegd wegblies. Ze passeerden 't stadstheater en naderden de monumentale pomp, verbeeldend den god "Neptunus", gezeten op 'n gereepte ton, gehouden door blaaskakende dolfijnen: het geheel gedragen door 'n arduinen voetstuk, dat het vloeiende water moest verbeelden. In de wandeling wordt dat beeld "Vadderik" genoemd, zinnebeeld van vadzigheid. De bengels dronken aan de pomp en zwierden dan hand in hand in 't rond voor den steenen Vadderik al zingend 't alom gekende deuntje: 

"Van Beneden was oep de lappen

Met Magrit, met Magrit

En met Sinte Vadderik,

Uffra wilt ons kabaske is vulle

En leût ons ni lang mier staan

En ha hust, ha hust, ha hei ien valling

Geft hem ien pastilleke 't zal wel overgaan!"

De Rosse zong daarna nog 'n paar strophen van 'n heel oud liedekijn, dat zijn vader had meegezongen in de beroemde Mechelsche cavalcade:

"Al die daar zegt : de reus di komt

Zij liegen daarom

Keere weerom Reuske

Reuske keere weerom, Reuzegom!"

Zo kuierden ze terug door de Befferstraat om te rusten voor 't beroemde "Hof van Beffer". 'n Lekkere rosbiefgeur waaide hen uit het portaal tegen. De gadders voelden zich week worden, kreegen 't water in de oogen en 't zilt in de mond. Ze werden echter jammerlijk op de vlucht gedreven door 'n blaffende poedel, dewelke hun broekspijpen bedreigde. De Rosse was van 't verschieten van zijn kruk gesprongen, zijn mijter hing naast van zijn lijf. Als een achtervolgde dief rende hij over de straat. Aan 't museum werd beraadslaagd de Vleeschhouwerstraat te bezoeken, vermaard om haar lekkere vleezen. Tegen de groote vleeschhalle bevonden zich oude winkeltjes, genaamd "penskraampjes" waar er longen en nieren, lever en zoom, kalver en varkenskoppen verkocht werden. Ze waren het schuiloord van arme drommels die een leege maag hadden. De kornuiten hoopten daar hun buit te krijgen. Belust op vettige pensen kraamden ze van winkel tot winkel:

"Had ik een appel

'k Gaf a ien stuk

Had ik ien peir

'k Gaf a ien smeir

Sinte Mette den babbeleir!"

Bij sommige verkoopers kreegen ze zwarte en witte pensen, anderen gunden hen 'n schelletje lever, dun als papier. Nog anderen gaven hen varkenspooten, varkensooren, varkensblazen ... . Zo stonden ze voor 't laatste "penskraampje". 't Was bij een oud goedhartig bazinneke, die 'n fijn kanten muts droeg met toze lintjes aan, 'n geweldige snuifster, dat was te merken aan haar snuifdoos die op den toog openstond, en aan haar bebruinde bovenlip. De bengels kraaiden:

"Geft nen appel, geft ien stuk,

Geft ien peir en wa smeir,

Sinte Mette den beideleir!"

wijl ze begeerig oogden naar de rode hartekens, de fijn nieren en de geurige levers. De Rosse bekeek smeekend de oude vrouw, die schreeuwend meezong. "Awel, roodje, wa denkt ge zoeal van maan stem?" "Dar meuge we nog ien puntje aan zôage!" fleemde hij haar, en hij merkte dat ze er fier om was. "A propos," hernam het vrouwtje, "kende gale het Sint Mettelied van Borgerhaat?" Het vijftal als van de hand Gods geslagen die dachten dat er nergens 'n Sinte Mettenlied bestond dan te Mechelen, schuddebolden beschaamd ... neen! " 'k Zal ik het is veur zinge," zei het bazinneke "en die ma kan nazingen, hawel, die kreit ne halve  kalfskop!" Met bibberende schille stem, sopranoboog, galmde het:

"Oat, oat Borgerhaat

M'n vutjes zen zoe kaad,

'k Zou zoe geire vuurke stoke,

Mar 'k hem gien haat,

Gien gelang, geen gelang,

Oat de gave leire mand,

Oat de gave leire kist,

Da 'k wist, da 'k wist,

Dat het Sinte Mette is!"

De Rosse en Michiel zongen het liedje na, de anderen doddelden mee, maar bij de laatste strophe "Da 'k wist, dat het Sinte Mette is!" was Pitje Snot onovertrefbaar. Ze zaten op de stoep van het "Oud Museum", met hun halven kalfskop. Ze wisten niet wat er mee aanvangen, verdeelen was moeilijk, vermits ze geen beenhouwersmes hadden, en hem rauw afpeuzelen op volle straat ging niet. De Rosse stond met vooruitstekende armen voor het steenen O.L.Vrouwenbeeld dat boven de hespbruine poort van 't Museum in 'n gotische nis staat. "Schoe lief Livrake kunde ga ons astemblieft van de kalfskop ni afheulpe?" "Das ien steenen beeld, da kan oemmes ni antwoorde." stotterde Pitje Snot. " 't Kan toch mirakele doen!" snauwde de Rosse. O.L.Vrouw scheen de Rosse te beloonen, 'n bleeke magere vrouw, die op boodschappen uit was, wou den kalfskop koopen. "Veur ne zilvere kop!" zei de Rosse."

                                                                                                                                                                                Frans Pelckmans.

Integraal overgenomen uit "Ons Volk." (Ontwaakt) 5de Jaargang. 1919.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Coronacrisis. Ook voor Sint-Martinus!

Dit jaar geen sint-maartensvuren in Retie. "Zo'n volksfeest in coronatijden organiseren gaat niet!"

In Retie zullen dit jaar de traditionele sint-maartensvuren niet branden. Normaal gezien komen de inwoners van de gemeente op 11 november samen om aan verschillende vuren hun snoeihout te laten branden. "Maar dit jaar zal dat door de coronacrisis niet kunnen doorgaan", klinkt het bij burgemeester Patrick Geuens.

In veel gemeenten in de provincie Antwerpen is 11 november sint-maartensdag. Overdag zingen de kinderen van deur tot deur en in Retie komt daar s'avonds nog de traditie van de sint-maartensvuren bij. Dat zijn vreugdevuren waarbij mensen hun snoeihout kunnen laten verbranden.

"Maar voor de verschillende comités die de feestelijkheden organiseren, is het niet te doen om alles goed geregeld te krijgen. Het is een echte volksbijeenkomst, waarbij mensen verbroederen en iets drinken. Dan moet je al gaan werken met strenge horecaregels met onder andere de registratieplicht en moeten we de nodige afstand tussen bubbels kunnen garanderen, maar dat gaat niet."

Voor de zangtraditie is de gemeente op zoek naar een coronaveilig alternatief. Wie door de afgelasting plots met een overschot aan snoeihout zit, kan vanaf januari gratis terecht in het containerpark.

Uit VRT NWS van 25-9-2020.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Gezien in het Snijders-Rockox Huis. Jan Brueghel de oude.

De manteldeling van Sint-Martinus, door Jan Brueghel de oude. 1611. Het gekende verhaal van de manteldeling wordt kleurrijk tot leven gebracht in het schilderij uit de "Lobkowicz Collections". Een opmerkeleijk verschil met de oorspronkelijke legende is dat de manteldeling zich niet afspeelt aan de poorten van de Franse stad Amiens, maar midden in een Vlaams boerendorp uit de 17de eeuw.

Sint-Maarten zit op zijn wit paard, te midden van een grote groep arme, kreupele en zieke dorpelingen. Hij snijdt zijn rode legermantel doormidden en geeft een helft ervan aan een kreupele bedelaar. Andere dorpelingen bekijken het gebeuren van uit de verte. Op de achtergrond zie je boerderijen en hun bewoners.

Schilderijen met scenes uit het leven van Sint-Martinus waren zeer populair. Zij vestigden de aandacht op de grote armoede en de erbarmelijke toestand van velen in heel wat Vlaamse dorpen tijdens de 16de en de 17de eeuw.

Jan Brueghel de oude (Brussel 1568 - Antwerpen 1625) schilderde dit tafereel op een koperplaat. (20,5 cm x 33,5 cm). Zelfs binnen deze beperkte afmetingen was J. B. in staat om zijn moeilijk onderwerp tot in de kleinste details uit te beelden. Hoewel dit een "klein" werk is, behoort het schilderij tot de grootste schatten van de wereldberoemde Praagse collectie.

Een heuse aanrader, nog te zien tot 26 januari.

Waar een klein land echt groot in is!

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

11 november. Scheurkalender 2017.

"Sint-Maarten.

Sint-Maarten was de patroon van heel wat bevolkingsgroepen, zoals de ridders, soldaten, schutters, hoef- en wapensmeden en dit omwille van zijn connecties met het soldatenleven. De kleermakers en de wevers kozen hem tot patroon vanwege de mantel die hij doormidden had gesneden en aan een bedelaar gegeven. Om diezelfde reden werd hij ook patroon van de armen en de bedelaars. Omdat hij op een bepaald ogenblik uit Poitiers moest wegvluchten om niet in de handen te vallen van de ketterse arianen, werd hij tot slot ook verkozen tot patroon van de vluchtelingen."

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Korte legende ofte leévens der Heyligen.

"Voorstellende ideren Dag des Jaeres en verdeylt in twee delen, verciert met figueren. Schoesetters J.S. (Drukker) 1790 Antwerpen."

"11 (November). Het leeven van den H. Martinus.

Martinus is in Hongaryen gebooren, wierd in het Geloof onderwezen; op eenen tyd als hij nog soldaet was, heeft hy voor de poort van Amiens eenen naekten bedelaer bedekt met de helft van zynen mantel, die hy hem, niets anders hebbende, gaf. Dit was aen Christus zoo aengenaem, dat hy hem daerom in den nacht is verschenen met dien halven mantel, zeggende aen de Engelen: Dit kleed heeft my Martinus, nog een leerling, gegeéven. Hierom ontfong hy terstond het Doopsel, den wereldlyken kryg verlaeten hebbende, is geworden Bisschop van Tours. Alsdan liet hy blyken synen groote iver tegen de ketters, en stigtende een groot Klooster, daer hy onder de Monikken als Monink leefde, met zeer groote strengigheyd, hier by vuerig in 't gebed, waeken en vasten, zeer mild tot de arme menschen, hier by was hy vlytig tot een-ieders hulp, en verwekte dry dooden. Met deéze en nog meer andere deugden heéft hy zynen tyd van tagentig jaeren overgebrogt, en is met eenen koorts bevangen; hierom liet hy niet agter zyn godvrugtige werken te doen. Den duyvel is aen hem verschenen, tot den welken den  H. Man zeyde: Wat staet gy hier te doen, gy bloedige beest? gy moorder, zult aen my niets vinden; in Abraham zynen schoot zal ik ontfangen worden. En is met deéze woorden uyt deéze wereld gescheyden in 't jaer ons Heere dry honderd negen-en-negentig. Zyn H. Lichaem is met groote eer in de Stad van Tours begraven."

Approbatie.

Vidit et Approbavit Egbertus Spitholdius S. T. L. Can. Pleb. Antv.

Zeldzaam Vlaams suffragieboekje uit de 18de eeuw. ( Kleine afbeeldingen zijn houtsneden.) 

Suffragiën zijn dag- of maandprentjes, de kerkelijke kalender volgend. Iedere dag (365) een afbeelding van een heilige die meestal voorzien is van een korte levensbeschrijving. In 1594 verschenen de eerste. Men kon zelf een prentje kiezen. Vandaar de naam "suffragie" afgeleid van het latijn SUFFRAGARE, wat "kiezen" betekent.

                                                    

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Uit: "Zonnige Jeugd."

Redactie en beheer: V. K. S. J. Jozef II straat . 173. Brussel. November 1955.

"We volgen de grote betonweg van Houthalen naar Zonhoven, die met een machtige boog dwars door de oude Kempen heenrukt langs langgevelhoeven als een gordel van kostbaarheden neergezet op de rand van de heide. Onze aandacht wordt getrokken door een hoog oplaaiend vuur dat waarschijnlijk op "Den Teut" is aangestoken. Deze ronde heuvel ligt daar als een reuzenaltaar op de vlakte. Het lijkt wel of er vuur uit de hemel is gedaald om het altaar tot altaar te maken... Doch tijdig herinneren we ons dat het vandaag 11 November is: de dag der St. Maartensvuren...

Welk volk kon beter doorheen de loop der eeuwen haar oeroude zeden en gewoonten bewaren als de arme, stille lieden der Kempen? Hier volgt het opstelletje van een tienjarig knaapje uit Zonhoven dat de volledige beschrijving geeft van de St. Maartensvuren of de Hololool-pret.

"Met ongeduld verwachten we elf November, want op die dag is het Sint-Maartensvuur stoken, en hier wil zeker ieder van ons bij zijn. Lang voor dat deze dag is aangebroken, hebben we ons geweerd om maar een grote houtstapel te hebben. Van zodra wij enige uren vrij waren gingen wij het bos in, en haalden hier al het droge hout dat er maar te vinden was. Andere jongens gingen dan dorre varens afsnijden en zo ging onze stapel steeds de hoogte in. We deden ook dennenspelden (naalden) bijeen, omdat het beter tegenhield doordat het vaster ineen viel. Op de dag zelf gingen we heel vroeg met stootkar en kruiwagen naar het bos om alles wat we daar vergaard hadden naar het gehucht te brengen. Iedere gemeente of gehucht had haar eigen stapel en wij mochten niet op het andere gehucht komen om iets te vragen. Bij de boeren zongen wij: "Hololool, geef ons ne kool, om Sint Merten zijn tiën te wermen." Dan gaf de boer een bussel stro of een mutsaard. Als het een goede was gaf hij beide. De mensen die geen boeren waren gaven ons wat geld. Hiervoor werden sigaretten en snoep gekocht. We zorgden er ook voor wat oude fietsbanden vast te krijgen omdat deze zo flink sissen en stinken konden. Op het laatst hadden wij een stapel zo hoog als een stromijt. Het was heel lastig te wachten tot het donker was met het aansteken. Doch dan zou de pret maar klein geweest zijn, want dan gaf het vuur geen schijn in het daglicht en zo was het dan een mislukt Sint Maartensvuur. Soms gebeurde het ook dat de jongens van een ander gehucht, die jaloers waren omdat wij een zo grote stapel hadden, beproefden de onze nog voor de avond in brand te komen steken. Als Indianen slopen zij dan naar onze stapel. Als deze dan gesnapt werd kreeg hij een flink pak slaag en kon hij afdruipen. Als dat alles goed was afgelopen en indien de stapel er nog stond kon de pret beginnen. Doch eerst en vooral moest er nog een oude man gehaald worden. Dit was een boeremens, die veel werk had en altijd moest gehaald worden, want anders zou hij het zeker vergeten. Dan eindelijk was hij daar, samen met de andere mensen van het gehucht die het spektakel niet wilden missen. Op een gegeven teken van de omstaanders werd dan de stapel ontstoken. Hoge vlammen laaiden op. Eerst stond men in stille bewondering voor de hoge vlammen. Doch dan kwamen wij allemaal los. Brandende fietsbanden werden de hoogte ingeslingerd, die dan sissend terug neerkwamen. Anderen begonnen de oude man te pramen, dat hij een liedje zou zingen en lang duurde het niet of hij begon. Het ene liedje na het andere met daartussen wilde kreten; als een Indiaanse stam op oorlogspad. Als dan de stapel kleiner werd en er hier en daar wat verbrande stokken vrij kwamen begon men met elkaar het gezicht zwart te maken. Zwart als negers rolden en tuimelden ze dan rond het hoopje smeulende asse. Dan door de donkere avond op huis aan; waar ze nog een flinke wasbeurt zouden moeten ondergaan en dan het bed in waar we nog droomden van de pret, die weer voor een jaar voorbij was. Op sommige plaatsen liet men daarna een vlieger op met aan zijn staart een venetiaanse lantaarn met kaars. Elders ging men van huis tot huis met een uitgeholde pronkappel of suikerbeet op een stok met vier gaten die ogen, neus en mond moeten verbeelden en erin een brandende kaars."

Het zijn deze oeroude gebruiken die elk jaar terug keren, die onze boerenmensen zo dicht bij elkaar brengen.

O. Defooz.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Postzegels.

"De legende van Sint Maarten in de Kunst, de Folklore en de Philatelie."

Drukkerij "De Vlijt", Nationalestraat , 46, Antwerpen.

Boekje van 16 bladzijden, geschreven door Ateleia. (Zonder jaartal.)

"Het verschijnen van de nieuwe postzegels ten voordele van het Winterhulp-werk en gewijd aan St. Maarten, deed bij ons de gedachte opkomen dit onderwerp wat nader te beschouwen."

"Het is niet enkel die eenvoudige beeldjes die we in deze nieuwe Sint-Maarten-reeks moeten zoeken, maar wel het nauwe verband met onze folklore, onze kunst, onze geschiedenis."

Inhoud. 

Voorwoord.

Geschiedenis, aardrijkskunde, heraldiek, munten.

Kunsten.

Folklore.

Philatelie.                                                                                                                            

                                                                                                                                                   Afgebeelde postzegels. 

Op de kaft, zegel Winterhulp 1941. 3,25 F + 3,25. Met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van Beek.

Op eerste bladzijde, zegel Winterhulp 1941. 5 Fr + 5 Fr. Met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van St.-Truiden.

Blz. 9, "Caritas"-zegel  1910 van 1c. Afbeelding naar het schilderij van Van Dyck door H. Lemaire.

Blz. 14, zegel Winterhulp 10c + 5c, met de afbeelding van het sint-Martinusbeeld uit de kerk van Onhaye bij Dinant. Zegel Winterhulp 35 c + 5 c , met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van St. Maartens-Lennik.

Blz. 15  zegel Winterhulp 60 c +10 c , met afbeelding van het sint-Martinusbeeld uit de kerk van het Waalse Dave. Zegel Winterhulp 1,75 Fr + 50 c , met afbeelding van sint -Martinusbeeld uit de kerk van Hal.  

Een klein maar fijn boekje uit de beginjaren '40.                                                                     

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Het rijmende paard.

Suske en Wiske. Album 96. Door Willy Vandersteen.

Standaard uitgeverij. Eerste albumuitgave in 1963.

Korte inhoud:

Door een vergissing van professor Barabas met zijn Teletransfor (Uitvinding waarmee hij beelden kan opnemen en tot leven brengen.), wordt het wit paard weg geflitst uit het schilderij "Sint-Maarten zijn mantel delend". Het dier komt zo terecht in onze moderne wereld. Een wonderpaard dat vliegt, in rijmen spreekt en dat bij elke hoefslag een bloem uit de grond tovert! Het schuwe dier is wanhopig op zoek naar zijn meester, Sint-Martinus. (Ook Sint-Maarten genoemd.) Suske en Wiske, in dit spannend verhaal fervente paardenliefhebbers, trachten het wit paard te helpen. Een meester-misdadiger Krimson, hier voor het eerst te zien in een Suske en Wiske album, wil het dier vangen om het voor zijn eigen louche praktijken te gebruiken: de botersmokkel. Ook de verstrooide professor Barabas probeert het paard te pakken te krijgen om zijn fout te kunnen herstellen. Krimson verliest de strijd en onze vrienden slagen in hun opzet. Uiteindelijk komt het bijzonder paard, na heel wat boeiende avonturen, terug op zijn plaats in het beroemde 17de eeuwse meesterwerk van Antoon van Dyck. (Nog steeds te bewonderen in de parochiekerk van Zaventem.)

Enkele Sintemetten-weetjes:

- Willy Vandersteen leende veel uit de legende van Sint-Martinus. Hij laat professor Barabas op een heel eenvoudige, speelse manier de legende uitleggen aan Suske, Wiske en Lambik. Verduidelijkt het begrip: liefdadigheid. - Hij gebruikt het gekende schilderij van Antoon van Dijck. Het tableau is zeer herkenbaar getekend. - Hij noemt nergens Zaventem, de gemeente waar het kunstwerk nog steeds te zien is in de parochiekerk. - Op zeven verschillende plaatjes wordt het schilderij geheel of gedeeltelijk afgebeeld. - Op vijf plaatjes is Sintemetten te zien buiten het schilderij. - Vandersteen laat de heilige zelf aan het woord in drie plaatjes.                                                                                                       

Citaat Sint-Maarten: "1500 miljoen mensen lijden honger! Wie NU niet helpt, WIL niet helpen en is zijn eigen welvaart niet waardig!"

"Het rijmende paard" is één van de beste Suske en Wiske albums, spannend, humoristisch, goed getekend en ... met een duidelijke boodschap!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

316 - 2016. Nieuwe aanwinst.

Ongewone voorstelling in reliëf van de manteldeling van Sint-Martinus. Naar het meesterwerk van Antoon van Dyck te Zaventem: "Sint-Maarten zijn mantel delend." Het enorme werk (152 cm X 132 cm) werd "geschilderd" door M. Laermans in 1950. Waarschijnlijk uit de omgeving van Tienen. Pogingen om meer te weten te komen over de schilder en zijn werk bleven zonder resultaat. Toch wilde ik jullie in dit jubeljaar het opvallende schilderij niet onthouden. Het is nu te bewonderen in de sfeervolle brasserie "Klynhoeve" te Retie. Deze prachtig gerenoveerde tiendenschuur bevindt zich naast het domein van het voormalige "Kasteel du Four".

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Sint-Maartenviering te Mechelen. Frans Perckmans 1945.

"Sinte Metten oep de kruk!"

Ontmoeting met de bedelaar in een bos?

"De heilige Martinus was bekend om zijn groote liefde voor de ongelukkigen. Op zekere dag, toen het fel gevroren had, en hij, in krijgsgewaad door een woud op zijn sneeuwwit paard reed, ontmoette hij een arme, halfnaakte kreupele, die hem om een aalmoes smeekte. ..."

Speciale kinderrondgang.

"Een maand voor de viering reeds, brengen de kinderen het noodige bij mekaar: ze koopen papier en karton voor mantel, hoed en kroontjes. De hoed wordt gemaakt in de vorm van een bisschopsmijter; de mantel bestaat uit twee bladen blinkend gekleurd papier, beplakt met vergulde sterretjes; daarbij wordt een draagberrie of "KRUK" om Sinte Mette te dragen, samengetimmerd uit een eenvoudige zeep- of suikerbak, waaraan twee panlatten of bezemstokken worden bevestigd.

Op Sint Maarten, 11 November en den Zondag daarop, dat men groote Sinte Mette noemt, halen ze de kruk, mantel, kroontjes en mijter voor den dag. Wat blink en roodsel om het gezicht te sminken, een prop watten voor den baard van den "Sinte Mette oep de kruk", en klaar zijn ze! Vier bengels met holleblokken zetten de kruk, waarop Martinus gezeten is, op de schouders. De "Heilige" houdt een pollepel in de hand, vangt daarin de "suskens" (centiemen) en lekkernijen op, die hem worden gegeven en legt ze in een groote kabas, (korf), die aan de kruk hangt te zwieren.

De snaken bellen overal, aan burgershuizen, kloosters, begijnhof, pastoorswoningen, herbergen en winkels. Maar het liefst gaan ze bij de suikerbakkers en snoepwinkeltjes of aan de "krommekens" (kraampjes), ze zingen dan liedjes in 't sappig Mechelsch dialekt, zooals ze het van hun ouders hebben afgeluisterd... "

"Sinte Mette oep de kruk,                                                                                                                     Ik geef oe îen stuk;                                                                                                                             Gef me nen hiele,             

Ik zal hem diele,                                                                                                                                  Gef me nen halve,                                                                                                                               Ik zal hem dalve,                                                                                                                                 Gef m'ien kwartier,

Ik goei het in't vier."

De kleuters met de schoonste kruk, bijzonder die welke 'n "baldekijn" rijk zijn, oogsten den meesten bijval. Sint Maarten wordt ook zonder kruk gevierd, doch dit is minder interssant! ...

Ook in Retie zingen de kinderen over "de kruk"?

"Vandoag is't Sintemetten en mergen is't de kruk!"

Maar hier krijgt "de kruk" een heel andere betekenis!"

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Faithcraft.

Een zeldzame gipsen Sint-Martinus. Gemaakt in Londen door de " Faith Croft-Works, Ltd, 7 Tufton Street, Westminster."

Beeld gevonden in de catalogus 'Faithcraft Statues and Crusafixes", onder nr. 650, bladzijde 4.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Fritz Boehle.

Karl Friedrich Boehle werd geboren in Emmingen (Duitsland) op 7 februari 1873. Hij stierf in Frankfurt am Main op 20 oktober 1916. Schilder, tekenaar, etser, beeldhouwer.

Reeds één jaar na de geboorte van Fritz in Emmingen verhuisde de familie Boehle naar Frankfurt. Zijn vader werkte daar als koopman. In 1886 volgde de jonge Boehle lessen aan het "Städelsche Kunstinstitut", dat nog altijd bestaat. Een medeleerling was Rudolf Yelin, de oude. ( Schilder en vooral bekende glasschilder). Rudolf  noemde de bijna tien jaar jongere Boehle :"Iemand die belangrijke invloed had op zijn werk." In 1892 werkte Fritz even in München, maar keerde al snel naar Frankfurt terug. Van zijn beschermheer, Conrad Binding, oprichter van de brouwerij met dezelfde naam, krijgt hij heel wat opdrachten. Dikwijls bezoekt de kunstenaar zijn grootouders in Emmendingen. Ze zijn eigenaars van het"Gasthof Zum Lamm." Daar tekent hij naar hartelust de gasten en ... rare bezoekers!

Fritz Boehle overleed in 1916 te Frankfurt aan de gevolgen van een toen nog niet behandelbare ziekte: diabetes. Hij werd op het "Hauptfriedhof" begraven. Opmerkelijk, op zijn eigen ontworpen zerk staat een prachtig half reliëf van sint-Martinus.

In zijn tekeningen zie je duidelijk de invloed terug van één van de allergrootsten: Albrecht Dürer. Mensen en dieren, vooral dan paarden, waren zijn geliefkoosde onderwerpen. Hij was ook een begaafd etser, een groot graficus! Maakte ook heel wat ontwerpen voor schitterende standbeelden. "Schreitende Stier" te Frankfurt en een groots ruiterstandbeeld op het Winceslasplein te Praag getuigen van zijn grote kunnen.

Sint - Maarten en de bedelaar. Litho, zwart - wit, uit 1908. Gehandtekend : F. Boehle 1908. (Rechtsonder.) Sintemetten met baard in volledige Romeinse wapenuitrusting. Gezeten op een fors, bijna monumentaal paard. Halfnaakte bedelaar rechts op het voorplan. Het tafereel speelt zich buiten af, bladerloze bomen, grauw grijze donkere lucht, guur weer. En toch sint-Martinus met blote armen en benen. Je voelt de bijtende koude! Deze "manteldeling" met een ongekende virtuositeit getekend in zware potloodlijnen straalt een ongekende kracht uit. Bijna monumentaal. Paarden en mensen, de geliefkoosde onderwerpen van deze tekenaar. En 't is er aan te zien! De invloed van die andere "grote", Albrecht Dürer, is duidelijk merkbaar.

Een onvolprezen kunstwerk van Fritz Boehle, een interessante kunstenaar, die bij het grote publiek te weinig gekend is.

Moge ik met dit stukje een klein steentje hebben bijgedragen om deze Duitse "vakman" beter te leren kennen. ...

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Henri Schoonbrood.

Henricus Schoonbrood. (Maastricht 28 juli 1898 - 10 november 1972.) Nederlandse kunstschilder, glazenier, boekbandontwerper en mozaïekkunstenaar.

Henri was slechts zes jaar oud toen zijn ouders overleden. Als tweede uit een gezin van zes kinderen had hij het niet gemakkelijk. Hij begon als huis- en decoratieschilder. Pas in 1925 (tot in 1929) begon hij schilderlessen te volgen bij Henri Jonas. Gelijktijdig volgde hij kunstonderwijs aan de Middelbare Kunstnijverheidsschool in Maastricht.  Hij was lid van de Limburgse Kunstkring en was vaak te gast in het Maastrichtse café "Suise". In 1926 nam hij deel aan een wedstrijd van "Arti et Amicitiae" (Willink van Collewedstrijd ) te Amsterdam. Een concours voor schilders onder de 35 jaar. Met zijn schilderij "Het geitje"  werd hij samen met Charles Eyck ex aequo primus. In 1930 studeerde hij samen met H. Levigne, P. Kromjong en C. Stauthamer aan de Rijksacademie van beeldende kunsten te Amsterdam. Hij volgde "monumentale kunst" onder de leiding van professor Richard Roland Holst. Na zijn opleiding keerde hij terug naar Maastricht. Hij werkte er een tijdje als leraar aan de Middelbare Kunstnijverheidsschool. "De Emmausgangers" uit 1929, een topwerk uit zijn aanzienlijk oeuvre hangt in het Museum Catharijneconvent te Utrecht. In Amsterdam kreeg hij zijn eerste opdrachten. Vele andere zouden volgen. Hij maakte meer dan 100 glas-in-loodramen voor kerken, openbare instellingen en particulieren. Vervaardigde ook vele muurschilderingen en mozaïeken. (Zijn muurschildering in de stationrestauratie te Maastricht werd spijtig genoeg overschilderd.) In het muziekconservatorium te Maastricht en in het kantoorgebouw van de Koninklijke Luchtmacht te Den Haag zijn zijn prachtige mozaïeken nog steeds te bewonderen.

Henri woonde het grootste deel van zijn leven in een statig herenhuis in het centrum van Maastricht. Hij overleed in 1972, een jaar na de dood van zijn vrouw Greet en liet een groot aantal werken na. De kunstenaar was een veelzijdig iemand die steeds zijn eigen weg van vernieuwing zocht.

We zien hier een prachtig aquarel van deze begaafde kunstenaar. De manteldeling van Sintemetten! Het werk is getekend "H. Sch." in de rechter benedenhoek. Sint-Maarten als Romeins officier met helm, borstharnas en korte rok. Blote benen. Een mantel die echt aan een "cape" doet denken. Gezeten op een eenvoudig paard dat een knielende bedelaar aankijkt. Deze behoeftige ziet er vrij fors uit, draagt een doek op zijn schouder en is gekleed in een soort lange rok. Op de achtergrond een stadspoort met torens en een vage burcht op een hoogte.

Een aquarel zonder franjes. Henri Schoonbrood laat hier zien dat hij een groot kunstenaar is. Een palet van allerlei schakeringen grijs, blauw en groen, een vleugje diep rood. Het gebruik van zware zwarte omtreklijnen geeft het geheel een rustige, doch monumentale indruk. Het werk doet echt "modern" aan. Ik weet niet goed waarom, maar het geheel doet mij onwillekeurig denken aan een andere "grote" van bij ons: Alfred Ost.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Cornelius van Straaten.


Nederlandse glazenier. Cornelius van Straaten stamt uit een zeer beroemde kunstenaarsfamilie, van Straaten, uit Utrecht. Daar is hij geboren in 1883. Hij zette zijn eerste stappen in de glasschilderkunst in het befaamde atelier van Pierre Cuypers te Roermond. Studeerde daarna aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Al heel vlug begon hij een eigen atelier voor gebrandschilderd glas te Utrecht (1898), nog maar 15 jaar oud, onder zijn eigen naam: "Atelier van Straaten." In 1912 ging Cornelius een vennootschap aan met Hendrikus Antonius Marie de Vos, ook een glasschilderkunstenaar, die zijn ervaring had opgedaan bij Heinrich Geuer. Ze noemden het bedrijf: "De Vos en Van Straaten." In 1920 echter adverteerde Cornelius regelmatig in "Het Gildeboek", uitsluitend onder de naam "van Straaten". Waarschijnlijk was de samenwerking met De Vos toen ten einde. Tot in 1957 ondertekende hij zijn prachtige werken met " Corns van Straaten". De uitgevoerde glas-in-lood-ramen, meestal van religieuze aard, zijn gewoonlijk in neo-gotische, zeer realistische, traditionele stijl. Zijn schitterende ramen getuigen van een verbluffend technisch vakmanschap en van zijn kennis van de bijbel. Zijn atelier vervaardigde ook glasramen naar ontwerpen van andere kunstenaars: G. van Geffen, A. Hermans, en N. Poland.
 In 1957 vestigde van Straaten zich in Venlo, waar hij in 1964 overleed.

Men treft nog heel wat gebrandschilderde ramen van Corns van Straaten aan in Nederland. Onder meer te: Amersfoort, 's-Hertogenbosch, Montsfoort, Gaanderen, IJsselstein, Breukelen, Woudsend, Vinkeveen, Oirschot, Schiedam, Venlo en Sittard. Waarschijnlijk zijn er nog meer.

We zien hier een glas-in-lood-raam, bestaande uit twee afzonderlijke delen. Samen stellen ze de manteldeling van sint-Martinus voor. Elk deel is ongeveer 60 cm breed, één (met sint-Maarten) is 127 cm hoog, het andere (met de bedelaar) is slechts 75 cm hoog.

Linker raam. Onze heilige te paard. Op zijn hoofd een groen bevederd hoofddeksel. (Hoed?) Hij draagt een gele metalen borstplaat met daaronder een paarse korte rok of broek, tot boven de knie. Met Romeinse sandalen in de stijgbeugels. Warme donkerrode mantel om de schouders. Houdt met zijn rechterhand zijn zwaard bijna verticaal hoog geheven. Gezeten op een fier wit ros, rechter voorpoot geheven. Op de achtergrond een pilaar. (Gedeelte van een poort?)
Getekend rechts onder: CORNS V. STRAATEN
                                            UTRECHT 1935
Geheel afgeboord met rechthoekige stukjes bruin glas.

Rechter raam. Veel kleiner; waarschijnlijk maar een restant van het oorspronkelijk glasraam. (Onderste gedeelte vernield tijdens de oorlog?)
Een halfnaakte, kaalhoofdige bedelaar met volle baard, zit met zijn rug naar de toeschouwer. Neemt met zijn rechter hand de gedeelde mantel aan. Links zie je nog een gedeelte van de linker hand van sint-Martinus  die de rode mantel vast heeft. Plantenformaties op de achtergrond geven het geheel een landelijk karakter. Geheel ook afgeboord met bruin glas. (Niet getekend)

Waar komen deze glasramen vandaan. Uit een kapel? Ze zijn niet groot genoeg om ooit te "stralen" in een kerk, denk ik. Wat is er met het "bedelaar-gedeelte" gebeurd?
Vragen waarop misschien iemand het antwoord weet ...

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
1 reactie Reageer op dit bericht

Sintemetten en Utrecht.

Uit: "Wapens, vlaggen en zegels van Nederland."
Door T. Van Der Laars. Drukkerij "Jacob van Campen."
1913.

Het wapen van de stad Utrecht stelt voor: De Barmhartigheid, sint-Martinus halven mantel.
"Armahairtitha viljace, gah ni hunsl."
("Barmhartigheid wil ik, maar geen offerslagt.")

Sint - Martinus is de schutspatroon van de stad Utrecht. Waarom men juist deze heilige heeft gekozen, kan blijken uit het volgende:
Waar het christendom zegevierde, werden de vroegere heidense- of natuurgoden van hun voetstuk geworpen of zonken zoals Ullre diep in de vergetelheid terug. Zo was ook krijgsgod Mars in sint- Maarten overgegaan. Sintemetten werd door zijn vader, een Romeins krijgstribuun aan de god Mars, wiens naam hij draagt, gewijd. Hij werd een held, doch de invloed van het christendom wijzigde naam en karakter. Van heidense afkomst uit de Marsdienst ontsproten, leidt sint-Martinus een christelijk heldenleven, en wordt in elk opzicht de middeleeuwse christenheld, wiens grootste roem zijn geloofsstrijd en barmhartigheid zijn. In die zin werd hij dan ook schutspatroon van Utrecht, waar hij de oude boogschutter of de god Ullr verdrong. Eén van de vele legenden van hem luidt aldus:

"Op enen winter so voer hi te Ambianen in die stat doer die poerte en hem quam een arm man te ghemoete. Ende doe desen armen man daer van nyemant aelmissen ontfinc, so verstont Sinte Martinus dat dese ghesonden was ende hi toech doe syn sweert uyt ende deylde sinen mantel, die hi boven droech, ende dat een deel gaf hi dien armen man en dat ander deel dede hi weder aen. Ende op ten nacht daerna scoe sach hi dat Cristus ghecleet was met den stucken van den mantel, dat hi den armen gegheven hadde. Ende hi hoerde hem segghen, totten enghelen, die bi hem stonden:" Martinus, die noch Cathecumenus is, die heurt mi gedecket mit dezen cleden." De moraal hiervan is: dit deed een heiden; hoe moet dan een Christen wel handelen?
Als christenheld passen paard, mantel en zwaard zeer goed bij hem. Mars reed een dubbelspan voor zijn strijdwagen. Odin als krijgsgod zijn achtbenig ros. Het ros Beiaard van de Vier Heemskinderen, de schimmel van sint-Niklaas; het Saksische ros en het paard van sint-Joris zijn bewijzen dat paarden in mythen en legenden lang niet vreemd zijn.
Zo ook het zwaard. De aartsengelen, van wie het tweesnijdend zwaard gewijd was. Het zwaard Durendael van Roland, het zwaard Florenberge van de vier heemskinderen, het zwaard van Petrus, het zwaard der gerechtigheid.
Ook de mantel is voor de christelijke held een bijdrage, een attribuut om zijn voortreffelijkheid als weldoener te doen uitkomen. We hebben slechts te denken aan de mantel der liefde, aan de tabberd van sint-Niklaas, aan de bisschopsmantel, aan de sneeuwmantel of wollenmantel van Ullr en Siegfrieds tovermantel.
"Zo iemand twee klederen heeft, schenke hij één aan een arme!"
Doch sint-Maarten ging verder, hij deelde zelfs zijn enige mantel met de bedelaar. Zo wordt die halve mantel op het wapen van Utrecht het symbool der christelijke milddadigheid en liefde. Sint-Maarten heeft als vertegenwoordiger van een christelijke deugd diepe indruk nagelaten in de gemoederen van de Utrechtse burgerij. In vroegere tijden werden er aan de Wittevrouwenpoort op sint maartensdag wollen dekens, brandstoffen en brood uitgedeeld aan de armen. Nog steeds is de spits van de domtoren versierd met het symbool van liefdadigheid, sint-Martinus.
De Utrechtse bisschoppen dragen nog steeds met veel trots de naam van "Sint-Maartensmannen"!

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

Sint Maarten.

Uit: "Herfst." Het vierde boek in de reeks: "Dit nieuw seizoen".
Oogstmaand 1946.
Drukkerij-uitgeverij J. Lannoo, Meulebeekse Steenweg 641 te Tielt.

"Terwijl de christenheid van de eerste eeuwen alleen de Martelaren vereerde, is St Maarten de eerste belijder geweest die door de Kerk in het Westen werd herdacht en nog wel zóó feestelijk, dat zijn naamdag als een echte heiligdag met vroolijke volksfeesten werd gevierd in Frankrijk, waar hem nu nog bij de 4000 kerken toegewijd zijn en 485 gehuchten en dorpen zijn naam dragen, werd zijn graf tot een nationaal heiligdom; het woord "kapel" waarmede wij kleine heiligdommen aanduiden, zou zijn oorsprong danken aan de "capa" van St Maarten, die vroeger in oorlogstijd vóór de Fransche legers uit gedragen werd, in vredestijd diende om er de plechtige eeden  op af te leggen, en aldus het symbool was van St  Maartens bescherming over Frankrijk. St Maarten werd in Pannonië (Hongarije) geboren uit heidensche ouders, maar liet zich op twaalfjarige leeftijd doopen. Nog heel jong door zijn vader; een Romeinschen tribuun, bij het leger ingelijfd, rukt hij mede op naar Gallië, waar hij te Amiens gedurende een strengen winter aan een halfnaakten bedelaar de helft van zijn soldatenmantel, dien hij met zijn zwaard doorsnijdt, wegschenkt en dan 's nachts met een verschijning van Christus wordt begunstigd die het ontvangen kleedingstuk op den schouder draagt. Hij wint aller genegenheid door zijn reine zeden en zijn koenen moed. Wanneer hij den krijgdienst wil verlaten om zich aan God te wijden, en de Keizer spot met zijn lafheid die den nakenden veldslag tracht te ontvluchten, zal hij in het eerste gelid, alleen met het kruis gewapend, stoutmoedig tegen den vijand opstappen ... maar de volgende dag komen gevolmachtigden om den vrede smeeken. Uit den dienst ontslagen, vertoeft hij eenigen tijd bij St Hilaar, bisschop van Poitiers, reist dan naar Hongarije, waar hij zijn moeder bekeert maar er niet in slaagt om de ketters op de boorden van den Donau te winnen. Vervolgens keert hij naar Gallië terug, sticht er het eerste klooster en wordt door het volk en den clerus tot bisschop van Tours verkozen. Onvermoeibaar verspreider van het Geloof, vernielt hij de afgodentempels en gelukt er tenslotte in het heidendom in zijn diocees uit te roeien. Hij stak door vele hoedanigheden hoog boven zijn tijdgenoten uit, en werd trouwens zoo algemeen bewonderd, dat de roep, die van hem uitging, talrijke scharen aantrok. Daarom zonderde hij zich af in een eenzame cel nabij Tours, die de bakermat werd van het later vermaarde klooster van Marmoutier. Hij stierf den dood der zaligen in het jaar onzes Heeren 399. Hoe algemeen ook hij bij ons gevierd werd, getuigen nu nog onze talrijke volksgebruiken: de St Maartensvuren, de kaarsjesprocessie, het van deur tot deur rondgaan, het "rijden van St Maarten" enz."

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Gelezen in:

Giovedi 15 marzo 2012.

San Martino di Tours: l'Esempio sublime e la nobile Essenza della Chàritas Cristiana.

SINTEMETTEN - SAN MARTINO DI TOURS.

Museale, meravigliosa Immagine devota "habillée" di preziose sete, velluti e broccati policromi sulla base di un'incisione a bulino su rame stampata su pergamena. Il nome dell'Artista-Incisore è rimasto celato dal lavoro conventuale che ha "vestito" l'Immagine.

Un pezzo UNICO.

1116860-681464044a967bedbffcbe8e46e22423.jpg


Anversa, Fiandre - Secolo XVIII.

Collezione privata Dr. Theo Breugelmans.

Sono trascorsi 1700 lunghissimi anni dall'alba annunziatrice del nuovo giorno che diede a Sabaria, nella regione di Pannonia-oggi attuale Ungheria-i natali a un bimbo consacrato con orgoglio dal padre, Ufficiale dell'esercito Imperiale Romano, a Marte, potente dio italico della guerra e delle Legioni.
Nato, e, con gli auspici paterni ed il nome di Martino, quasi segnatamente predestinato ad un brillante "cursus honorum" nell'invincibile Esercito di Roma, poco più che adolescente, iniziò una breve e travagliata esperienza militare nelle privilegiate ed ambite fila della Cavalleria della Guardia Pretoriana: a protezione della Sacra Persona dell'Imperatore Costanzo II, figlio dell'Illuminato Cesare, Constantino, che primo riconobbe e sanci la libertà di Culto per i Cristiani, e quindi di Giuliano.
Martino, Uomo dalla sensibilità Nobile e Generosa, direttamente da Dio designato a percorrere con Onore, senza medaglie, i gradi della Spiritualità più sublime, ben lungi dalle Glorie effimere del Mondo, compi il suo primo Miracolo vestendo la ricca uniforme militare di Roma; l'antica città di Poitiers fu teatro del mirabile evento e vide un anziano catecumeno, a lui sinceramente devoto, defunto per una febbre maligna, risuscitare, per intercessione dello Spirito Santo inviato da Dio ad esaudire le preghiere di Martino.
Esaudito da Dio; lui, figlio e rappresentante dell'élite di Roma nella provincia di Gallia, cosi Umile e semplice, servitore modestissimo dell'unico schiavo che possedeva.
In un inverno particolarmente rigido, di gelo e di copiosa neve, Martino, a cavallo, incontra Dio in persona sulla sua strada: lo incontra in un povero, da tutti deriso e allontanato, coperto da pochi, miseri stracci.
La sua spada lucente senza esitare un solo istante divide allora in due l'elegante mantello indossato sulle spalle e ne dona la metà al mendico, per non fargli patire il freddo.
In sogno, la stessa notte, gli appare Gesù, Figlio di Dio, coperto dalla metà del suo mantello donato al povero.
Martino, cosi come meravigliosamente descritto dal sue biografo Sulpicius Severus nella sua Opera Vita Martini, è l'incarnazione della Chàritas Christi, come Francesco di Assisi, quintessenza incantevole della Vita, dono supremo di Dio, al servizio, in abnegazione totale, ai poveri e ai dimenticati.

SINTEMETTEN.

L'Immagine devota protetta dallo spesso vetro e dalla pregiata cornice in legno coevi.

Martino di Tours viene acclamato Vescovo dell'omonima città Francese nell'anno 371. Fino a quel momento, come Francesco di Assisi, aveva evangelizzato le campagne e una miriade di piccolissimi, sperduti villaggi di poveri contadini, percorrendo a piedi distanze incredibili. Giusto, difensore dei diritti calpestati della Povera Gente, muore a Candes - cui verrà aggiunto in suo onore - Saint Martin - il giorno 8 novembre dell'anno 397.
La Chiesa lo ricorda l' 11 di novembre, giorno della sua sepoltura. Nel secolo XXI un Esempio sublime, come Francesco di Assisi, per portare Luce e Amore in un Epoca- la nostra che viviamo, appunto- fatta del Nulla assoluto; falsi e vacui valori, rara Moralità, ma, ciò che è ancor più deplorevole, senza alcuna Carità nei confronti del Fratello che Dio, a Martino e a Francesco, cosi come a noi tutti, ha insegnato con il suo Esempio ad Amare, con autentica Generosità.
Il caro e stimato Amico Dr. Theo Breugelmans, devoto al grande Santo sin dall'infanzia e raffinato Estimatore e Cultore della sua iconografia nelle antiche Immagini devote, con generosità condivide oggi con tutti noi un autentico Capolavoro: un prezioso manufatto di provenienza conventuale Fiamminga del secolo XVIII.

Un Pezzo UNICO.

Realizzata sulla base di un'incisione a bulino su rame stampata su pergamena,  con lavoro paziente e minuzioso di Suorine delle antiche Fiandre, l'Immagine sacran nella sincera celebrazione del grande Vescovo di Tours, Protettore degli oppressi e dello stesso Villaggio natale dell'Amico - Retie - nel cuore delle Fiandre, è un trionfo di preziosi broccati, velluti, piccole scaglie di mica applicati sull'incisione à collage e completati da una cornice di elaborati, mirabili intrecci di fili d'oro e d'argento, intercalati con eleganza da fiori in carta policroma.
Protetto, infine, da uno spesso vetro coevo che pur non ne mortifica la Bellezza, e da una massiccia cornice in legno pregiato, Martino - SINTEMETTEN -in esso ancora una volta da compimento all'insegnamento di Cristo silbolcamente offrendo con generosità una moneta al Povero che a lui si appressa supplichevole:
Martino di Tours, la nobile, autentica Essenza della Chàritas Christi!

Paola Galanzi.


1116860-6e5b2c492b33027f223e9e3a7c455a6d.jpg



Vertaling door mijn goede vriend Edwin De Bie, bedankt!

Sintemetten - Martinus van Tours.

Een echt museumstuk, deze schitterende afbeelding van de heilige, in zijn kostbare met zijde, fluweel en kleurrijk brokaat versierde mantel. Het betreft een kopergravure op perkament. De naam van de kunstenaar heeft men niet kunnen achterhalen omdat de originele afbeelding door monniken teveel werd bewerkt.

Privécollectie Dr. Theo Breugelmans.

1700 lange jaren zijn voorbij gegaan sinds de geboorte in Sabaria, in een landstreek die de Romeinen Pannonië noemden, ongeveer het huidige Hongarije, van een jongentje dat door zijn vader, officier in het Romeinse leger, trots werd toegewijd aan Mars, de machtige Italische god van oorlog en legioenen.
Door dit initiatief van zijn vader, die hem bovendien de naam Martinus gaf, leek hij wel voorbestemd tot een briljante carrière in het onoverwinnelijke Romeinse leger. Als jongeling begon hij aan een korte maar intense militaire loopbaan in de felbegeerde rangen van de ruiterij van de pretoriaanse garde. Deze stond in voor de bescherming van de goddelijke persoon van  keizer Constantius II; deze was de zoon van de verlichte keizer Constantijn die als eerste keizer de godsdienst van de christenen erkende en hun vrijheid van eredienst verleende. Later diende Martinus onder keizer Julianus.
Martinus was edelmoedig en genereus van aard en helemaal niet geïnteresseerd in het vergaren van rijkdom en roem die toch maar vergankelijk zijn. Hij was door God geroepen voor andere dingen. Nog als soldaat in het Romeinse leger deed hij zijn eerste mirakel. Het wonderlijke voorval speelde zich af in de oude stad Poitiers. Martinus wekte er een oude geloofsleerling, die hem zeer genegen was en die aan hevige koorts was bezweken, weer tot leven nadat hij met grote vurigheid en aandrang tot de Heilige Geest had gebeden. Zo werd door God zelf het gebed verhoord van een bescheiden en eenvoudige zoon en vertegenwoordiger van de Romeinse elite in de provincie Gallië, de nederige dienaar van de enige slaaf die hij bezat. Tijdens een winter die veel strenger was dan gewoonlijk met veel vrieskou en sneeuw, had Martinus te paard, een ontmoeting met een oude bedelaar, slechts gekleed in een paar oude vieze lompen. Iedereen lachte met hem en liep hem voorbij. Martinus begreep dat hij iets moest doen. Zonder aarzelen trok hij zijn zwaard en sneed zijn mantel doormidden. Een helft gaf hij aan de bedelaar. 's Nachts had Martinus een droom. Daarin zag hij Jezus, de zoon van God, voor zich staan, Hij droeg het stuk mantel dat hij aan de bedelaar had gegeven. Toen begreep Martinus dat hij God op zijn weg had ontmoet.
Zoals prachtig beschreven door zijn biograaf Sulpicius Severus in zijn werk "Vita Martini", wordt Martinus zo de incarnatie van de Charitas Christi, die net als Franciscus van Assisi zijn leven, het hoogste geschenk van God, totaal in dienst stelt van de armen en miskenden.

Sintemetten - De vrome afbeelding achter dik glas en in een houten kroonlijst uit dezelfde periode.

In het jaar 371 wordt Martnus tot bisschop gekozen van de Franse stad Tours. Daarvoor had hij net als Franciscus van Assisi rond getrokken op het platteland, langs ontelbare verafgelegen dorpjes om er aan de arme boerenbevolking het woord des Heren te verkondigen. Te voet legde hij zo ongelooflijke afstanden af. Zo leeft hij opkomend voor de rechten van de armen en voor rechtvaardigheid. Martinus sterft op 8 november 397 in Candes dat voortaan ter zijner ere Candes-Saint-Martin zal worden genoemd. De Kerk herdenkt hem op 11 november, de dag dat hij begraven werd.
Net als Francicus van Assisi is Martinus voor de mens uit de 21ste eeuw een brenger van Licht en Liefde in een tijd vol onechte en zielloze waarden waarin de leegte overheerst en moraliteit steeds zeldzamer wordt. Nog betreurenswaardiger is het stuitend gebrek in onze tijd aan wat God aan Martinus, aan Franciscus en aan ons allemaal heeft getoond door zijn voorbeeld: onvoorwaarlijke liefde voor de medemens.
Onze dierbare en geachte vriend Dr. Theo Breugelmans is al sinds zijn jeugd gefascineerd door deze heilige. Hij is inmiddels een gewaardeerd kenner van diens iconografie in oude vrome afbeeldingen geworden en deelt nu met ons een authentiek meesterwerk, handgemaakt en afkomstig uit een Vlaams klooster uit de 18de eeuw.
Een uniek stuk.
Dit "monnikenwerk" van oud-Vlaamse kloosterzusters, waarop de heilige in volle glorie staat afgebeeld als de grote bisschop van Tours, beschermheilige van al wie wordt onderdrukt, èn van het dorp waar onze vriend Theo werd geboren (Retie, gelegen in het hart van Vlaanderen), is een ware triomf van kostbaar brokaat, fluweel, micaschilfers die in collagevorm op de met een burijn in koper ingeëtste en op perkament afgedrukte afbeelding werden aangebracht. De omlijsting bestaat uit een prachtig vlechtwerk van goud- en zilverdraad, afgewisseld met uit veelkleurig papier vervaardigde bloemen. Tenslotte bevindt het werk zich achter een dikke glazen plaat, uit dezelfde tijd, die als bescherming dient - de schoonheid van de afbeelding wordt er gelukkig niet door geschaad - in een massieve en waardevolle houten lijst.
In dit werk brengt Martinus-Sintemetten nog maar eens de les die hij van Christus heeft geleerd in de praktijk door op een symbolische manier en met grote vrijgevigheid een geldstuk aan te bieden aan de arme die hem met smekende blik benadert: Martinus vanTours, de edele en authentieke verpersoonlijking van de Caritas Christi.

Paola Galanzi.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

Sintemetten gestolen!

Dieven gaan aan de haal met "Sintemetten" - vlaggen!

Op vrijdagavond, 2 maart 2012, hebben de Retiese handelaars uit de Sint-Martinusstraat een zeer gesmaakt gemeentefeest gegeven naar aanleiding van de heropening van het kruispunt met de Nieuwstraat. Na maanden van verkeers - en financiële ellende, was iedere winkelier (en met hen elke Retienaar) in de wolken dat eindelijk alles weer normaal zou worden. Maar ... dieven (?), misschien wel sint-martinusverzamelaars, gooiden de daaropvolgende nacht roet in het eten. Ze stalen twee ferme vlaggen die het Retiese handelaarscomité had laten maken met de afbeelding van de heilige sint-Martinus, hun patroonheilige. De prachtige vaandels kondigden de acties aan van de maand maart en symboliseerden het einde van de nodige maar toch vervelende wegwerkzaamheden.
De uitbaters van babyspeciaalzaak "Villa Kakelbont" en "Drukkerij Feyen" waren de gedupeerden. Tot op heden is er van de daders, noch van de gegeerde sint-martinusvlaggen geen spoor.
Dat dit juist gebeurde in het dorp van de "Kortoren" (*) is toch wel erg toevallig.

* "Kortoren" is de spotnaam van de Retienaren. Lang geleden was het in het graafschap Vlaanderen en in het hertogdom Brabant (waartoe Retie behoorde) gebruikelijk het oor af te snijden, of het tenminste in te korten, van dieven die voor een tweede diefstal werden veroordeeld.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Nog Winterhulp.

Provinciaal Comité Winterhulp.
Antwerpen.

Plechtige vergadering in de Koninklijke Vlaamsche opera ter gelegenheid van de eerste viering der stichting van Winterhulp.

Zondag 14 december 1941.

Opgeluisterd door een koper-ensemble onder de leiding van meester Jef Van Hoof.

Programma:
Feestklanken door Karel de Schrijver.

Spreekt:
De heer J. Grauls, voorzitter van het Provinciaal Comité, Gouverneur a.i. der Prov. Antwerpen.
De heer P. Heymans, voorzitter van Winterhulp.

IIde Scherzo door Paul Gilson.

Spreekt:
De heer De Pooter, Provinciaal Secretaris van Winterhulp.
De heer T. De Backer, burgemeester van Mol.

Miniatuurmarsch door Jef Van Hoof.

Spreekt:
De heer F. Timmermans, letterkundige.

a) Alva's intocht door Peter Benoit.
b) Beiaardlied door Peter Benoit.

Op de voorkant van dit programmablaadje prijkt een "gewassen" sint-Martinus
te paard. De manteldeling, door niemand minder dan Alfred Ost getekend. De kunstenaar hanteerde hier, helemaal in zijn eigen krachtige stijl, de techniek van de "gewassen pentekening". Meestal zet de tekenaar met pen de contouren van de tekening op papier. Met het penseel kan hij vervolgens lijnen accentueren of vlakken in verschillende tinten aanbrengen. Het met penseel bewerken van een pentekening wordt ook wel "wassen" genoemd. Ost gebruikte deze techniek heel vaak. Zo werden zijn tekeningen nog forser en sterker. Uit deze manteldeling straalt één en al kracht. Een topwerk van de zo fel besproken artiest.
De figuur van Sintemetten, symbool van liefdadigheid, was het boegbeeld van Winterhulp. Geen ander kunstenaar had de heilige van Tours beter kunnen uitbeelden. Een prachtwerk.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Brandglasraam uit de Retiese sint-Martinuskerk.

Origineel "Ontwerp der Sanctuarium Vensters van de Kerk van Rethij. April 1873."
Met drukstempel atelier: "Samuel Coucke
                                       Peintre Verrier
                                       Rue courte des Foulons 53
                                       Bruges."
Grootte: 29 cm x 47 cm. Dik papier. Tekeningen met de hand ingekleurd.

Dit ontwerp van een bijzonder mooi brandglasraam voor de sint-Martinuskerk te Retie, ( één van de negen) werd door de zeer gekende en alom geprezen glaskunstenaar SAMUEL COUCKE getekend en geschilderd.
S.Coucke (Brugge, 1 oktober 1833 - 7 november 1899) was een glazenier en keramiekschilder in Brugge. Hij was één van de Belgische kunstenaars die zich de kunstrichting bekend als neogotiek eigen maakte. Deze kende in Brugge tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw zijn grootste bloei.
Voor zijn glasramen spande Coucke zich in om te werken met aangepast glas (" verre antique" en " verre cathédrale") teneinde het coloriet en de kleurenwarmte uit de glorietijden van de glazenierskunst te evenaren. Dat ook de brandtechniek op punt stond zie je aan de frisheid van zijn glasramen, honderdveertig jaar na hun fabricatie. De negen Retiese glasramen zijn daarvan een goed voorbeeld.
De Brugse kunstenaar deed ook duidelijke inspanningen om iconografisch correct werk af te leveren ( juiste attributen bij de juiste heiligen bv.) en om heraldisch juist te zijn. De mecenas wenste meestal zijn familiewapen vereeuwigd te zien.
In zijn kleuren, houdingen, klederdrachten van zijn personages, trachtte hij de middeleeuwse voorbeelden na te volgen.
De productie van zijn atelier in de Korte Vuldersstraat was aanzienlijk. Honderden glasramen werden geleverd, zowel in België als in het buitenland. Heel wat ontwerptekeningen van het atelier worden bewaard door het Provinciaal archief van West-Vlaanderen en door musea in Brugge. Een belangrijke collectie van ontwerpen werd door een particulier aangeboden aan deze instanties, die ze echter niet wilden. Deze omvangrijke verzameling werd dan in de loop van 2009 door het veilingshuis Van de Wiele (Brugge) verkocht. Mijn zeven (van de negen) originele ontwerpen van de negentiende eeuwse Retiese glasramen komen waarschijnlijk uit deze veiling. Gelukkig zijn ze opnieuw in Retie.

Beschrijving van het ontwerp voor het glasraam in het hoogkoor, midden boven het hoofdaltaar van de sint-Martinuskerk.
Het hoge glasraam is verdeeld in twee smalle delen met daarboven een "klaverblad" met het Lam Gods of Agnus Dei. (Een lam dat een kruisstaf met wimpel draagt.)
In het neogotisch ontwerp zijn vier heilige figuren verwerkt: sint-Martinus, sint-Philipus, sint-Josephus en sint-Boudewijn.

Links boven: De heilige Martinus, patroonheilige van deze parochiekerk. Afgebeeld door Coucke als staande bisschop van Tours in vol ornaat met rode bisschopsmantel, met bisschopsstaf en mijter. Een bedelend kind aan zijn voeten.
(Het leven en werk van Sintemetten zijn voldoende bekend.)

Links onder: Sint-Philipus. Eén van de eerste apostelen , vriend van st.-Andreas en leerling van Johannes de Doper. Afkomstig uit Betsaïda (Galilea.).
Predikte in Hiërapolis in Frygië, waar hij ca. 80 gekruisigd werd met het hoofd omlaag.
Attributen: op blote voeten, met volle baard en kruisstaf. Boek in linker hand.
Patroonheilige van o.a.: Brabant, Luxemburg, banketbakkers, marskramers en winkeliers.

Rechts boven: Sint-Josephus. Bruidegom van de maagd Maria en voedstervader van Jezus. Zoon van Jacob, stamt af van David.
Attr.: Hier in een paars kleed, als oudere man met baard en met een bloeiende staf. (Symbool van zijn kuisheid.)
Patroon.: België, echtelieden, schrijnwerkers, aanroepen bij oogziekten, enz.

Rechts onder: Sint-Boudewijn. De hier afgebeelde kruisridder is Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen, held van de vierde kruistocht. Overleden in 1205.
Merk het geweldige slagzwaard op, de kroon op zijn hoofd als teken van zijn adellijke stand, het schild met kruis van de kruisvaarders. In harnas en maliënkolder.

Dit sprankelend neogotisch gebrandschilderde glas-in-loodraam is van hoge kwaliteit en werd geschonken door Filips, graaf van Vlaanderen, broer van koning Leopold II en vader van koning Albert I. De wapens van deze grafelijke familie zijn onderaan aangebracht, samen met hun wapenspreuk (in een banderol ): "L'union fait la force."
Het raam werd geplaatst in 1875. Kostprijs 1500,00 frank.


Dit schitterend (voorlopig) ontwerp uit 1873 is nooit uitgevoerd. Het was inderdaad slechts een ontwerp. Vooraleer de brandglasramen gemaakt en geplaatst mochten worden, moest het ontwerp met omschrijving aan de toezichtscommissie van het bisdom gezonden worden. Dikwijls vroeg deze commissie om wijzigingen aan te brengen. Er zijn dan ook grote veranderingen te zien bij de definitieve uitvoering.
Op het 19de eeuwse ontwerp is met potlood bijgeschreven: " Bovenaan; Salvator Mundi en Philippus Apostel" en "Onderaan; Martinus en Balduinus"

En inderdaad, bij de plaatsing in 1875 van dit prestigieuze glasraam, op de belangrijkste plaats van de sint-Martinuskerk, vlak midden boven het hoofdaltaar, zien we dat Sintemetten met zijn bedelaar naar rechts onder is verplaatst. Links van hem schittert de kruisridder sint-Boudewijn. De apostel sint-Philippus verhuisde op zijn blote voeten naar rechts boven. En links boven heeft sint-Jozef moeten plaats ruimen voor "de Verlosser van de wereld".(Salvator mundi.)
Samuel Coucke was echter sint-Jozef niet vergeten en heeft de voedstervader een plaats gegeven in een glasraam van de sint-Luciakapel (samen met st.-Cornelius, st.-Joanna en st.-Theresia.) en ook in het linker glasraam van het hoogkoor. (Samen met O. L. V. en Kind.) 
Zie:"Ontwerp der Vensters van de transeph kapellen van de Kerk van Rethij. Januarij 1886."
en
  " Ontwerp der Sanctuarium Vensters voor de Kerk van Rethij. April 1873.
B
"
De kleurrijke taferelen op de brandglasramen, in voege vanaf de late middeleeuwen, waren net zoals de talloze devotieprenten, een essentieel element in de catechese van de ongeletterden.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Sintemetten.

↑ Terug naar de berichten