11 november. Het feest van Sint Maarten.


Uit "Winterhulp". Officieele uitgave van het centraal uitvoerend comité.
2 Koninklijke Plaats Brussel.
11 november 1942.
Blz. 33 en 34, door E. Vandenbroeck, Voorzitter van Winterhulp te Assche.
Hij maant ons aan een wintervoorraad op te doen.
"Sinte Maarten steekt er zijn staf in" zegt één van de vele spreekwoorden rond dezen zeer geliefden Volksheilige. Daarmee wordt bedoeld dat men ter plaats blijven wil waar een goede voorraad, hetzij eetwaren, hetzij van andere noodwendigheden is.
Een legende uit het leven van sinte Maarten gewaagt van deze voorraad. Om zijn geschenken zoveel mogelijk aan de armen en misbedeelden te kunnen ronddragen bereed Martinus een mooi wit paard. Dit paard moest op tijd en stond zijn haver en hooi hebben. De heilige was echter de goedheid en de lankmoedigheid zelve en hij liet toe dat de maaiers zijn weide kwamen afmaaien wanneer het gras van de meerschen der naburige boeren reeds gedroogd en geschelfd was. Maar daardoor was het reeds laat op het jaar geworden. Het was volop Bâmis. En wie ziet men nu nog hooien gedurende de herfstdagen? Het regenachtige weer laat het hooi niet meer droog worden. De heilige bisschop vroeg dan ook Ons Heer nog drie dagen zonneschijn te verlenen; opdat het hooi voor zijn paard zou kunnen drogen. En alhoewel hij nu reeds lang in de hemel Allerheiligen meeviert, toch blijft hij bidden opdat de achterblijvers, de verstrooiden en nalatigen en de niet vooruitzienden een laatste kans zouden krijgen en hun voorraad zouden opdoen. En 't is of er Ons Heer mee gemoeid is, want telkenjare komt er een kentering in het weer. De boeren zeggen dan: " Sinte Maarten brengt ons zijn zomerken."
Vanwaar komt het Sint-Maartensvuur?
Sint Maarten had een ezel. Het wit paard, dat zijn herfsthooi moest hebben, is nu plots verdwenen. Zo zijn nu eenmaal de volkslegenden. De heilige kwam, gezeten op zijn grauwtje, op zekeren avond in een onzer kustdorpjes binnengereden. Als er te sermoenen viel was hij niet tegen te houden. Het volk stond naar hem te luisteren en hij predikte zoo schoon dat de honderden Vlamingen, ruwe visschers en keikoppige boeren niet moe werden zijn doorslaande bewijzen te aanhoren. Ze bleven luisteren ... maar het ezeltje van sint Maarten had zoveel geduld niet, het had meer werkelijkheids zin en meer honger naar distels en goede hapjes dan naar rechtvaardigheid. Het muisde er vandoor en deed zich tegoed aan de lekkere duindistels. Toen nu het sermoen ten einde was riep de heilige zijn ezeltje. Maar tevergeefs. Hij ging op zoek. De menschen zochten mee. En daar het reeds donker geworden was ontstaken de inwoners toortsen en licht. Het ging nu duin op duin af. Eindelijk vonden ze het ezeltje. Allen hadden er honger van gekregen en de vrouwen bakten gauw koeken onder de smeulende assche van de aangestoken vuren. Ten teeken van vreugde namen allen plaats aan denzelfden disch. Het werd een plezierig kampvuur. En jaarlijks werd aan dit feit herinnerd door een toortsengang in de duinen en 't verorberen van de eene of andere lekkernij, zoogezegd door sint Maarten gebracht.
In onze gouwen zijn nu nog sporen te bekennen van den fakkelstoet, welke vroeger, op Sint-Maartensavond luisterrijk door de straten van stad en gemeente toog. Sommigen zien in de Sint-Maartensvuren een oeroud heidensch gebruik. Wat wel waar kan zijn. De evangelisatie heeft de heidensche gebruiken aangepast of omgevormd en de volksverbeelding doet dan de rest. Zoo het verband tusschen de heidensche vuurgebruiken en de hooger vermelden kampavond in de duinen. Deze Sint-Maartensvuren worden nog op tal van plaatsen ontstoken, o. a. te Genk, waar de kinderen het vuur aanbrengen op een hoogte, buiten het dorp. Dan wordt er gezongen:
Sint Marten heeft zoo groote kâ
Hij zou hem wel warmen
Als hij maar wa hâ.
In de Vlaanders heet het "Keerskensloopinge"; geen geregelde stoet of optocht. De kinderen gaan rond met keerskens, gestoken in flambeeuwen van uitgeholde beetwortels of rapen, grillig en koddig uitgesneden: een paar oogen, een neus en een mond. Onderin de beet hebben ze een gat gemaakt waardoor het kaarsje gestoken wordt op een koolstek, die tegelijkertijd als handvat dienst doet. Als het kaarslicht door de dunne wanden van de uitgeholde beet schijnt, maakt dat in den avond een fantastisch effect als van zwevende maskers.
De kinderen dansen en zingen:
Stookt vier, stookt vier;
Sint Marten komt alhier
Met zijn bloote armen,
Hij zou zich geerne warmen.
Ze gaan van deur tot deur en bedelen pannekoeken, galetten, lukken, wafels of andere lekkernijen of centen.
De vriend van de kinderen.
Door de verschillende legenden - dat van dien mantel, dat van dit herfsthooi en dat kampvuur met den laten koekenbak - werd sint Maarten evenals sint Niklaas den gullen kindervriend, die door de schouw van allerlei speel- en sneukelgoed werpt. Hij is de geschenkbrenger in Aalst, in Mechelen en op vele plaatsen in Vlaanderen, Brabant en de Kempen.
De kinderen zetten 's avonds, vóór Sinte-Metten, hun korfje, of hunnen kloef of hangen de kous aan de schouw. Ze leggen er een raap, een wortel en wat hooi in. Dit voor den ezel van den braven man. Soms worden er de schrijfboeken uit de school bij gelegd of een briefje. 's Anderendaags vinden ze dan de lekkernijen of ... de roede!
Wanneer zal de heilige de kinderen weer dingen brengen zooals in onzen tijd: appelen, peertjes, nootjes, mispelen, muntebollen en speculaus?


















