Naar de inhoud

Sintemetten.

Retiese Patroonheilige.
akke.beakke.be

Archief

Postzegels.

"De legende van Sint Maarten in de Kunst, de Folklore en de Philatelie."

Drukkerij "De Vlijt", Nationalestraat , 46, Antwerpen.

Boekje van 16 bladzijden, geschreven door Ateleia. (Zonder jaartal.)

"Het verschijnen van de nieuwe postzegels ten voordele van het Winterhulp-werk en gewijd aan St. Maarten, deed bij ons de gedachte opkomen dit onderwerp wat nader te beschouwen."

"Het is niet enkel die eenvoudige beeldjes die we in deze nieuwe Sint-Maarten-reeks moeten zoeken, maar wel het nauwe verband met onze folklore, onze kunst, onze geschiedenis."

Inhoud. 

Voorwoord.

Geschiedenis, aardrijkskunde, heraldiek, munten.

Kunsten.

Folklore.

Philatelie.                                                                                                                            

                                                                                                                                                   Afgebeelde postzegels. 

Op de kaft, zegel Winterhulp 1941. 3,25 F + 3,25. Met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van Beek.

Op eerste bladzijde, zegel Winterhulp 1941. 5 Fr + 5 Fr. Met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van St.-Truiden.

Blz. 9, "Caritas"-zegel  1910 van 1c. Afbeelding naar het schilderij van Van Dyck door H. Lemaire.

Blz. 14, zegel Winterhulp 10c + 5c, met de afbeelding van het sint-Martinusbeeld uit de kerk van Onhaye bij Dinant. Zegel Winterhulp 35 c + 5 c , met afbeelding sint-Martinusbeeld uit de kerk van St. Maartens-Lennik.

Blz. 15  zegel Winterhulp 60 c +10 c , met afbeelding van het sint-Martinusbeeld uit de kerk van het Waalse Dave. Zegel Winterhulp 1,75 Fr + 50 c , met afbeelding van sint -Martinusbeeld uit de kerk van Hal.  

Een klein maar fijn boekje uit de beginjaren '40.                                                                     

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Uit: "Zonnige Jeugd."

Redactie en beheer: V. K. S. J. Jozef II straat . 173. Brussel. November 1955.

"We volgen de grote betonweg van Houthalen naar Zonhoven, die met een machtige boog dwars door de oude Kempen heenrukt langs langgevelhoeven als een gordel van kostbaarheden neergezet op de rand van de heide. Onze aandacht wordt getrokken door een hoog oplaaiend vuur dat waarschijnlijk op "Den Teut" is aangestoken. Deze ronde heuvel ligt daar als een reuzenaltaar op de vlakte. Het lijkt wel of er vuur uit de hemel is gedaald om het altaar tot altaar te maken... Doch tijdig herinneren we ons dat het vandaag 11 November is: de dag der St. Maartensvuren...

Welk volk kon beter doorheen de loop der eeuwen haar oeroude zeden en gewoonten bewaren als de arme, stille lieden der Kempen? Hier volgt het opstelletje van een tienjarig knaapje uit Zonhoven dat de volledige beschrijving geeft van de St. Maartensvuren of de Hololool-pret.

"Met ongeduld verwachten we elf November, want op die dag is het Sint-Maartensvuur stoken, en hier wil zeker ieder van ons bij zijn. Lang voor dat deze dag is aangebroken, hebben we ons geweerd om maar een grote houtstapel te hebben. Van zodra wij enige uren vrij waren gingen wij het bos in, en haalden hier al het droge hout dat er maar te vinden was. Andere jongens gingen dan dorre varens afsnijden en zo ging onze stapel steeds de hoogte in. We deden ook dennenspelden (naalden) bijeen, omdat het beter tegenhield doordat het vaster ineen viel. Op de dag zelf gingen we heel vroeg met stootkar en kruiwagen naar het bos om alles wat we daar vergaard hadden naar het gehucht te brengen. Iedere gemeente of gehucht had haar eigen stapel en wij mochten niet op het andere gehucht komen om iets te vragen. Bij de boeren zongen wij: "Hololool, geef ons ne kool, om Sint Merten zijn tiën te wermen." Dan gaf de boer een bussel stro of een mutsaard. Als het een goede was gaf hij beide. De mensen die geen boeren waren gaven ons wat geld. Hiervoor werden sigaretten en snoep gekocht. We zorgden er ook voor wat oude fietsbanden vast te krijgen omdat deze zo flink sissen en stinken konden. Op het laatst hadden wij een stapel zo hoog als een stromijt. Het was heel lastig te wachten tot het donker was met het aansteken. Doch dan zou de pret maar klein geweest zijn, want dan gaf het vuur geen schijn in het daglicht en zo was het dan een mislukt Sint Maartensvuur. Soms gebeurde het ook dat de jongens van een ander gehucht, die jaloers waren omdat wij een zo grote stapel hadden, beproefden de onze nog voor de avond in brand te komen steken. Als Indianen slopen zij dan naar onze stapel. Als deze dan gesnapt werd kreeg hij een flink pak slaag en kon hij afdruipen. Als dat alles goed was afgelopen en indien de stapel er nog stond kon de pret beginnen. Doch eerst en vooral moest er nog een oude man gehaald worden. Dit was een boeremens, die veel werk had en altijd moest gehaald worden, want anders zou hij het zeker vergeten. Dan eindelijk was hij daar, samen met de andere mensen van het gehucht die het spektakel niet wilden missen. Op een gegeven teken van de omstaanders werd dan de stapel ontstoken. Hoge vlammen laaiden op. Eerst stond men in stille bewondering voor de hoge vlammen. Doch dan kwamen wij allemaal los. Brandende fietsbanden werden de hoogte ingeslingerd, die dan sissend terug neerkwamen. Anderen begonnen de oude man te pramen, dat hij een liedje zou zingen en lang duurde het niet of hij begon. Het ene liedje na het andere met daartussen wilde kreten; als een Indiaanse stam op oorlogspad. Als dan de stapel kleiner werd en er hier en daar wat verbrande stokken vrij kwamen begon men met elkaar het gezicht zwart te maken. Zwart als negers rolden en tuimelden ze dan rond het hoopje smeulende asse. Dan door de donkere avond op huis aan; waar ze nog een flinke wasbeurt zouden moeten ondergaan en dan het bed in waar we nog droomden van de pret, die weer voor een jaar voorbij was. Op sommige plaatsen liet men daarna een vlieger op met aan zijn staart een venetiaanse lantaarn met kaars. Elders ging men van huis tot huis met een uitgeholde pronkappel of suikerbeet op een stok met vier gaten die ogen, neus en mond moeten verbeelden en erin een brandende kaars."

Het zijn deze oeroude gebruiken die elk jaar terug keren, die onze boerenmensen zo dicht bij elkaar brengen.

O. Defooz.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Korte legende ofte leévens der Heyligen.

"Voorstellende ideren Dag des Jaeres en verdeylt in twee delen, verciert met figueren. Schoesetters J.S. (Drukker) 1790 Antwerpen."

"11 (November). Het leeven van den H. Martinus.

Martinus is in Hongaryen gebooren, wierd in het Geloof onderwezen; op eenen tyd als hij nog soldaet was, heeft hy voor de poort van Amiens eenen naekten bedelaer bedekt met de helft van zynen mantel, die hy hem, niets anders hebbende, gaf. Dit was aen Christus zoo aengenaem, dat hy hem daerom in den nacht is verschenen met dien halven mantel, zeggende aen de Engelen: Dit kleed heeft my Martinus, nog een leerling, gegeéven. Hierom ontfong hy terstond het Doopsel, den wereldlyken kryg verlaeten hebbende, is geworden Bisschop van Tours. Alsdan liet hy blyken synen groote iver tegen de ketters, en stigtende een groot Klooster, daer hy onder de Monikken als Monink leefde, met zeer groote strengigheyd, hier by vuerig in 't gebed, waeken en vasten, zeer mild tot de arme menschen, hier by was hy vlytig tot een-ieders hulp, en verwekte dry dooden. Met deéze en nog meer andere deugden heéft hy zynen tyd van tagentig jaeren overgebrogt, en is met eenen koorts bevangen; hierom liet hy niet agter zyn godvrugtige werken te doen. Den duyvel is aen hem verschenen, tot den welken den  H. Man zeyde: Wat staet gy hier te doen, gy bloedige beest? gy moorder, zult aen my niets vinden; in Abraham zynen schoot zal ik ontfangen worden. En is met deéze woorden uyt deéze wereld gescheyden in 't jaer ons Heere dry honderd negen-en-negentig. Zyn H. Lichaem is met groote eer in de Stad van Tours begraven."

Approbatie.

Vidit et Approbavit Egbertus Spitholdius S. T. L. Can. Pleb. Antv.

Zeldzaam Vlaams suffragieboekje uit de 18de eeuw. ( Kleine afbeeldingen zijn houtsneden.) 

Suffragiën zijn dag- of maandprentjes, de kerkelijke kalender volgend. Iedere dag (365) een afbeelding van een heilige die meestal voorzien is van een korte levensbeschrijving. In 1594 verschenen de eerste. Men kon zelf een prentje kiezen. Vandaar de naam "suffragie" afgeleid van het latijn SUFFRAGARE, wat "kiezen" betekent.

                                                    

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

11 november. Scheurkalender 2017.

"Sint-Maarten.

Sint-Maarten was de patroon van heel wat bevolkingsgroepen, zoals de ridders, soldaten, schutters, hoef- en wapensmeden en dit omwille van zijn connecties met het soldatenleven. De kleermakers en de wevers kozen hem tot patroon vanwege de mantel die hij doormidden had gesneden en aan een bedelaar gegeven. Om diezelfde reden werd hij ook patroon van de armen en de bedelaars. Omdat hij op een bepaald ogenblik uit Poitiers moest wegvluchten om niet in de handen te vallen van de ketterse arianen, werd hij tot slot ook verkozen tot patroon van de vluchtelingen."

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Gezien in het Snijders-Rockox Huis. Jan Brueghel de oude.

De manteldeling van Sint-Martinus, door Jan Brueghel de oude. 1611. Het gekende verhaal van de manteldeling wordt kleurrijk tot leven gebracht in het schilderij uit de "Lobkowicz Collections". Een opmerkeleijk verschil met de oorspronkelijke legende is dat de manteldeling zich niet afspeelt aan de poorten van de Franse stad Amiens, maar midden in een Vlaams boerendorp uit de 17de eeuw.

Sint-Maarten zit op zijn wit paard, te midden van een grote groep arme, kreupele en zieke dorpelingen. Hij snijdt zijn rode legermantel doormidden en geeft een helft ervan aan een kreupele bedelaar. Andere dorpelingen bekijken het gebeuren van uit de verte. Op de achtergrond zie je boerderijen en hun bewoners.

Schilderijen met scenes uit het leven van Sint-Martinus waren zeer populair. Zij vestigden de aandacht op de grote armoede en de erbarmelijke toestand van velen in heel wat Vlaamse dorpen tijdens de 16de en de 17de eeuw.

Jan Brueghel de oude (Brussel 1568 - Antwerpen 1625) schilderde dit tafereel op een koperplaat. (20,5 cm x 33,5 cm). Zelfs binnen deze beperkte afmetingen was J. B. in staat om zijn moeilijk onderwerp tot in de kleinste details uit te beelden. Hoewel dit een "klein" werk is, behoort het schilderij tot de grootste schatten van de wereldberoemde Praagse collectie.

Een heuse aanrader, nog te zien tot 26 januari.

Waar een klein land echt groot in is!

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Coronacrisis. Ook voor Sint-Martinus!

Dit jaar geen sint-maartensvuren in Retie. "Zo'n volksfeest in coronatijden organiseren gaat niet!"

In Retie zullen dit jaar de traditionele sint-maartensvuren niet branden. Normaal gezien komen de inwoners van de gemeente op 11 november samen om aan verschillende vuren hun snoeihout te laten branden. "Maar dit jaar zal dat door de coronacrisis niet kunnen doorgaan", klinkt het bij burgemeester Patrick Geuens.

In veel gemeenten in de provincie Antwerpen is 11 november sint-maartensdag. Overdag zingen de kinderen van deur tot deur en in Retie komt daar s'avonds nog de traditie van de sint-maartensvuren bij. Dat zijn vreugdevuren waarbij mensen hun snoeihout kunnen laten verbranden.

"Maar voor de verschillende comités die de feestelijkheden organiseren, is het niet te doen om alles goed geregeld te krijgen. Het is een echte volksbijeenkomst, waarbij mensen verbroederen en iets drinken. Dan moet je al gaan werken met strenge horecaregels met onder andere de registratieplicht en moeten we de nodige afstand tussen bubbels kunnen garanderen, maar dat gaat niet."

Voor de zangtraditie is de gemeente op zoek naar een coronaveilig alternatief. Wie door de afgelasting plots met een overschot aan snoeihout zit, kan vanaf januari gratis terecht in het containerpark.

Uit VRT NWS van 25-9-2020.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Sinte Mette.

"Voor de groote snoepwinkels en peperkoekbakkers bleven ze het graagste staan en zongen 't liefst hun liedje. Bij de bakkers kregen ze speculoos, boterkoeken, mariekenskoeken of nopjes met gekleurde suiker erop: in de snoepwinkels gaf men hun plakkende bollen, pepermuntjes, siroopstekken en half gesmolten chocolade.

In de straten was nu heel wat gewoel opgekomen: haastige menschen, zingende kinderen op Martinusronde en hobbelende paardenkarren. De zon strooide wat poover licht op de toppen van de gevels. De beiaard rinkelde. De Rosse luisterde meer naar 't aardig klokgeschel dan naar den valschen zang van z'n dragers. Hij hield van den beiaard en zijn beiaardier, die nu ook op zijn beurt "Sinte Mettelied" gillen deed. 't Gaf de Rosse 'n ongekend gevoelen. Voor iederen winkel, ook voor elk gesloten burgershuis, werd stilgehouden. Algemeen verrasten hen de menschen met allerlei zoetigheid: koeken en appelsienen, appelen en peren. Waar de inwoners geen buit in huis hadden, ontvingen ze 'n nikkeltje of 'n koperen cent. Martinus glansde van pret, z'n lippen plakten van 't bollen-knauwen, welke hij heimelijk uit de "provisie" pikte. De dragers hadden den diefstal van de Rosse gauw in 't snuitje. Michiel was er zoo door verontwaardigd, dat hij met zijn eigen geen weg meer wist en de Rosse toeschreeuwde: "As g'er nog iene kie aanzit, dan smaat ik a 't ondersteboven!" "Kunde da wee ni oatstaan da 'k maan heitteke deugd doen?" weerlegde Martinus bekoorlijk-fijn. "Mutte ga dan het water in onze mond doen kome, sloekker! Ge zou ne mensch doen vier spave," meende Michiel. Hierop zei de Rosse geen woord, en voort gingen de knapen. Martinus had echter dorst gekregen van al die flauwe zoetigheid: "Ik stik van de dorst!" kloeg hij. "Ha, leût ons na ien heirbeirg trekke," stelde de Fonne voor. "Waar ieverans?" vroeg de Rosse. "Nar de Tent!" besloot Michiel. Zoo gezegd , zoo gedaan. verleden jaar hadden ze daar ook gezongen, toen hadden ze van 't bazinnetje 'n pint bier gekregen die ze onder hun vijven verdeelden. Ze hielden stil voor de herberg. Als gewoonte stootten ze deur open en begonnen te kelen dat het klonk tot in de buurt.

"Sinte Mette, Sinte Mette reed door sneeuw en wind,

Zijn vurig paard droeg hem gezwind

Sint Mette reed met 'n licht gemoed,

Zijn mantel dekt hem warm en goed!"

"Kom is veu! riepen ze luid. 't Was de baas die zich vertoonde. " Niks te geve!" zei hij barsch en wou de deur al sluiten. "Meuge me dan astemblieft is drinke?" smeekte Martinus. "As ge nog eens zingt!" Ze schreeuwden dat hooren en zien vergingen:

"Sinte Mette van de ruggenuchte

Ha mee zane grazen baard

Uffran wild'ons kabaske is vulle

En leut ons ni mi staan

En ha lust en ha lust is vuule

Houwe tot de vrouwe tot te neuste jaar

Ha-j-ei zane mantel deurgesné-é-je

Oem aan den eirreme te gé-e-ve

Dat ieder oat z'n oege zag

Wat dat hem aan den eirreme gaf,

Dat ieder oat z'n oege zag

Wat dat hem aan den eirreme gaf!"

De herbergier hield woord en haalde 'n emmer gevuld met allerhande kletskes bier: drijdraad, stout, faro, ster, uitzet ... . De Rosse mocht er 't eerst z'n keel aan deugd doen. Hij smakte en vond er zooveel in, dat hij niet meer dronk ... maar ... zoop! Zijn maten reklameerden , waarop Martinus als antwoord gaf: "Iest den halige en dan zaan knechte!" "Ha nemt goed in." spotte Michiel. "Ha heet den aard na ze vader!" De herbergier die zag dat de Rosse bleef drinken greep hem bij zijn kraag: "'t Is na al genoeg, Martinus, let d'andere joengens na oek nog ien sloekje drinken." Nu de Rosse toch z'n bekomst had overhandigde hij 't glas aan Michiel. Schoon was het, hoe broederlijk de drank werd verdeeld. Het glas werd telkenmale in den emmer gevuld en rondgegeven, altijd hetzelfde glas waaraan ieder  zijn "toot" had gestoken. Om de baas te bedanken voor z'n vrijgevigheid zongen de knapen nog 'n straatdeuntje en trokken er met 'n "merci en tot de neûste jaar" vandoor. Martinus wezen was intusschen gerood en uitgeslagen als 'n stuk gebraden ossenvleesch, de drank steeg hem reeds naar 't hoofd. Toch gevoelde zich de Rosse kloek en "zitvast"! In de Keizerstraat schooiden ze van deur tot deur. Aan O.L.Vrouwbeeld van 't stedeelijk gasthuis werd halt gehouden. De "Sinte Mettekensvierders" vormden een soort eerewacht voor het wit Heilig Moederbeeld, dat in de steenen nis van den straatmuur prijkt. Het rust daar op 'n heemelsmollige blauwe wolk, gedragen door glimlachende serafijntjes, die met hun lelie-witte vleugels de wolk nauwelijks raken. O.L.Vrouw houdt het naakte Jezuskindje gedeeltelijk verdoken onder haar mantel, als om het te beschutten tegen de slang die ze onder haar linkervoet in bedwang houdt. De bengels bekeken het beeld precies of ze hadden het nooit gezien, en ze gluurden naar de Latijnschen tekst waar ze geen snars van verstonden, gelukkig dat er ook 'n vertaling was te lezen:

"Langs dezen weg stel geenen voet

Of zeg Maria Weesgegroet!"

Toen stampvoetten ze voort. Martinus wezen werd van rood ... blauw van de kou, die zich leelijk deed gevoelen. Af en toe biggelde 'n waterbelleke aan 't tipke van zijn neus, welke hij vergenoegd wegblies. Ze passeerden 't stadstheater en naderden de monumentale pomp, verbeeldend den god "Neptunus", gezeten op 'n gereepte ton, gehouden door blaaskakende dolfijnen: het geheel gedragen door 'n arduinen voetstuk, dat het vloeiende water moest verbeelden. In de wandeling wordt dat beeld "Vadderik" genoemd, zinnebeeld van vadzigheid. De bengels dronken aan de pomp en zwierden dan hand in hand in 't rond voor den steenen Vadderik al zingend 't alom gekende deuntje: 

"Van Beneden was oep de lappen

Met Magrit, met Magrit

En met Sinte Vadderik,

Uffra wilt ons kabaske is vulle

En leût ons ni lang mier staan

En ha hust, ha hust, ha hei ien valling

Geft hem ien pastilleke 't zal wel overgaan!"

De Rosse zong daarna nog 'n paar strophen van 'n heel oud liedekijn, dat zijn vader had meegezongen in de beroemde Mechelsche cavalcade:

"Al die daar zegt : de reus di komt

Zij liegen daarom

Keere weerom Reuske

Reuske keere weerom, Reuzegom!"

Zo kuierden ze terug door de Befferstraat om te rusten voor 't beroemde "Hof van Beffer". 'n Lekkere rosbiefgeur waaide hen uit het portaal tegen. De gadders voelden zich week worden, kreegen 't water in de oogen en 't zilt in de mond. Ze werden echter jammerlijk op de vlucht gedreven door 'n blaffende poedel, dewelke hun broekspijpen bedreigde. De Rosse was van 't verschieten van zijn kruk gesprongen, zijn mijter hing naast van zijn lijf. Als een achtervolgde dief rende hij over de straat. Aan 't museum werd beraadslaagd de Vleeschhouwerstraat te bezoeken, vermaard om haar lekkere vleezen. Tegen de groote vleeschhalle bevonden zich oude winkeltjes, genaamd "penskraampjes" waar er longen en nieren, lever en zoom, kalver en varkenskoppen verkocht werden. Ze waren het schuiloord van arme drommels die een leege maag hadden. De kornuiten hoopten daar hun buit te krijgen. Belust op vettige pensen kraamden ze van winkel tot winkel:

"Had ik een appel

'k Gaf a ien stuk

Had ik ien peir

'k Gaf a ien smeir

Sinte Mette den babbeleir!"

Bij sommige verkoopers kreegen ze zwarte en witte pensen, anderen gunden hen 'n schelletje lever, dun als papier. Nog anderen gaven hen varkenspooten, varkensooren, varkensblazen ... . Zo stonden ze voor 't laatste "penskraampje". 't Was bij een oud goedhartig bazinneke, die 'n fijn kanten muts droeg met toze lintjes aan, 'n geweldige snuifster, dat was te merken aan haar snuifdoos die op den toog openstond, en aan haar bebruinde bovenlip. De bengels kraaiden:

"Geft nen appel, geft ien stuk,

Geft ien peir en wa smeir,

Sinte Mette den beideleir!"

wijl ze begeerig oogden naar de rode hartekens, de fijn nieren en de geurige levers. De Rosse bekeek smeekend de oude vrouw, die schreeuwend meezong. "Awel, roodje, wa denkt ge zoeal van maan stem?" "Dar meuge we nog ien puntje aan zôage!" fleemde hij haar, en hij merkte dat ze er fier om was. "A propos," hernam het vrouwtje, "kende gale het Sint Mettelied van Borgerhaat?" Het vijftal als van de hand Gods geslagen die dachten dat er nergens 'n Sinte Mettenlied bestond dan te Mechelen, schuddebolden beschaamd ... neen! " 'k Zal ik het is veur zinge," zei het bazinneke "en die ma kan nazingen, hawel, die kreit ne halve  kalfskop!" Met bibberende schille stem, sopranoboog, galmde het:

"Oat, oat Borgerhaat

M'n vutjes zen zoe kaad,

'k Zou zoe geire vuurke stoke,

Mar 'k hem gien haat,

Gien gelang, geen gelang,

Oat de gave leire mand,

Oat de gave leire kist,

Da 'k wist, da 'k wist,

Dat het Sinte Mette is!"

De Rosse en Michiel zongen het liedje na, de anderen doddelden mee, maar bij de laatste strophe "Da 'k wist, dat het Sinte Mette is!" was Pitje Snot onovertrefbaar. Ze zaten op de stoep van het "Oud Museum", met hun halven kalfskop. Ze wisten niet wat er mee aanvangen, verdeelen was moeilijk, vermits ze geen beenhouwersmes hadden, en hem rauw afpeuzelen op volle straat ging niet. De Rosse stond met vooruitstekende armen voor het steenen O.L.Vrouwenbeeld dat boven de hespbruine poort van 't Museum in 'n gotische nis staat. "Schoe lief Livrake kunde ga ons astemblieft van de kalfskop ni afheulpe?" "Das ien steenen beeld, da kan oemmes ni antwoorde." stotterde Pitje Snot. " 't Kan toch mirakele doen!" snauwde de Rosse. O.L.Vrouw scheen de Rosse te beloonen, 'n bleeke magere vrouw, die op boodschappen uit was, wou den kalfskop koopen. "Veur ne zilvere kop!" zei de Rosse."

                                                                                                                                                                                Frans Pelckmans.

Integraal overgenomen uit "Ons Volk." (Ontwaakt) 5de Jaargang. 1919.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Meer van Sintemetten.

↑ Terug naar de berichten