Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

Over de oorsprong van de oorlog - Aflevering 2

 

 

Over de oorsprong van de oorlog

Aflevering 2

Het is niet in de eerste plaats de economie die de ethiek bepaalt en waar zij dat alsnog doet, wordt zij niet gestuurd door zichzelf maar door nog andere invloeden: een hoogconjunctuur leidt niet noodzakelijk tot verval en rijkdom is geen poort naar de ondergang zoals ook armoede en ziekte de mens niet noodzakelijk beter maken; daarentegen is uiteraard de aanwending van de middelen doorslaggevend voor hun betekenis en dat is een morele kwestie die echter keuzevrijheid vereist om zich te kunnen manifesteren.

Eertijds werd de moraal gedicteerd door religies die een zekere maatschappelijke orde wisten te handhaven maar dan wel meestal op de manier waarop ook dictators dat doen, met name middels strenge sanctionering van het gedrag en dus middels vrijheidsberoving: in een dictatuur is de enige persoon met keuzevrijheid de dictator zelf, het volk werd er herleid tot een massa van allemaal gelijke, gehoorzame, willoze burgers die welhaast functioneren zoals door de dictator geprogrammeerde automaten. Volgens Plato is de allerbeste staatsvorm de dictatuur maar dan wel op voorwaarde dat de dictator goed en bekwaam is en naar dat model vormde zich de katholieke kerk in de absolute zekerheid dat zij in haar geheel, en dus als massa, het lichaam vormde van Christus, met als hoofd de paus van Rome, een man met wereldlijke macht en met in zijn zog een hele resem aan moordende dictators die zich door God zelf uitverkoren achtten en waarvan men zich bijvoorbeeld Francisco Franco nog herinnert maar evenzeer de conquistadores, de kolonisatoren en de beheerders wereldwijd van opvoedingssystemen, politieke partijen, banken en nog andere hersenknederijen. Desnoods kan Spinoza er nog worden bij gesleurd om te bepleiten dat dwang de vrijheid van de wijze helemaal niet schaadt omdat die immers het inzicht deelachtig is in de noodzaak daarvan maar naar de mening van de ontelbare dodelijke slachtoffers van het geweld van dictatoriale regimes kan uiteraard niet meer worden gevraagd en de overlevenden zwijgen als vermoord daar zij als geen ander het klappen van de zweep hebben moeten leren kennen. De dictators daarentegen blijven hun gang gaan zoals blijkt uit de plannen voor grootse festiviteiten ter gelegenheid van tweehonderd jaar België in het Jubelpark, een van de domeinen bekostigd met het bloed van naar schatting twaalf miljoen Congolezen tijdens de beroving van hun land onder Leopold II.1

En waar het geweld op de achtergrond blijft, waar de zaken met zogenaamd vreedzame middelen worden bedisseld, is meestal sprake van geïnstitutionaliseerd geweld, geweld dat ingebouwd wordt in de structuren van de instituties die het menselijk bestaan 'bewaken'. Dat kunnen zichtbare instellingen zijn zoals opvoedingsbedrijven, erkende religies en gehele staten maar het kan ook gaan om de minder tastbare doch niet minder impactrijke dwang van sociale verplichtingen en in het leven ingebakken ideologieën en gewoonten. Geen eeuw geleden kon men geen kerkgebouw voorbijgaan zonder een kruisteken te moeten slaan, waarbij dezelfde ziekelijke dwang gold als deze die men ervaart als men onder een ladder door moet lopen; de abstinentie in de zondagsmis werd bestraft met broodroof terwijl de mensen die leefden van de hand in de tand, zedig zwegen wanneer zij elke vrijdag moesten toekijken hoe de visboer het neusje van de zalm kwam afleveren bij Eerwaarde Heer pastoor die hen verbood om op vrijdag vlees te eten, alsof zij dat ook maar konden betalen. En zij die denken dat dit alles voltooid verleden tijd is, kunnen als zij niet ziende blind zijn van exact het tegendeel worden overtuigd door de krant van vandaag ter hand te nemen: die hypocrisie vindt men namelijk nog steeds terug en vooral dan bij de hoogwaardigheidsbekleders: men leest er dat een gewezen rector van een katholieke universiteit zijn achterban ervan verzekert dat hij alle rechtsmiddelen zal inzetten om zijn gelijk te halen bij een kwestie waarbij de plaatselijke gemeenschap een stukje van zijn parktuin wenst te onteigenen voor de aanleg van een weg in functie van de veiligheid van zwakke weggebruikers en in hoofdzaak schoolgaande kinderen2 onder wie nog elke dag veertien gewonden ofwel doden vallen ingevolge verkeersonveilige situaties.3

Intussen heeft de zogenaamde wetenschap de fakkel overgenomen van een althans in onze contreien zo goed als versleten kerk en de nieuwe biechtvader is de huisarts die middels medisch onderzoek van zijn patiënten, van wie hij bijvoorbeeld lichaamsvloeistoffen aftapt, een dossier opmaakt dat hun geheimen dikwijls heel wat gedetailleerder onthult dan zij zelf kunnen beseffen. Het gevecht om de wereldheerschappij tussen de kerk met haar tanende macht en het zelfverzekerde medische wereldinstituut herinnert men zich maar al te goed, tenzij men ziende blind is, van de recente coronacrisis waar tegen zwart wit moest worden gezegd terwijl alle mensen zwegen (of het zwijgen werden opgelegd) alsof de hele wereld opgeslokt was door de dystopische romans van George Orwell.4 Edoch, teruggrijpen naar de verleden toestanden waarvan de tijd het lof verveelvoudigd heeft maar de gruwel uitgewist, is wel het allerslechtste wat men kan doen: het is een bekend gegeven dat omverwerpers van dictators binnen de kortste keren zelf dictator worden en met instellingen gaat het er kennelijk eender aan toe, waarbij vooral de vergetelheid in de kaart speelt van het kwaad dat immers sowieso de grootste vijand van de waarheid is. Het eerste en meest noodzakelijke verweer tegen de afgang die ten oorlog stuurt, is om die reden het levend houden van de herinneringen aan de gruwel: niet door het organiseren van een soort van toerisme in de tijd waartoe het geschiedenisonderwijs (voor zover het nog bestaat) dreigt af te glijden maar door het onder de aandacht brengen van persoonlijke getuigenissen uit het verleden maar ook uit de eigen tijd, waarbij er alles aan gedaan wordt om de banalisering daarvan te voorkomen.

Dat die banalisering aan de gang is en op de koop toe bewust wordt in de hand gewerkt, blijkt uit het zich van krommenaas gebaren van politici die nu kennelijk geheel probleemloos dansen naar de pijpen van wapenhandelaars waarbij zij ook nog blijken weg te komen met de fabel dat de algehele vernietiging van het mensdom met als aanloop daartoe de massale omvorming van burgers tot soldaten, het enig mogelijke antwoord is op het megalomane gedrag van een handvol gekken aan de top.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 12 februari 2026)

Over de oorsprong van de oorlog - Aflevering 1

 

 

Over de oorsprong van de oorlog

Aflevering 1

De opmerkelijke evolutie van de ethiek in de moderne westerse samenleving in de richting van een heel andere definiëring van goed en kwaad dan men gewend was in de voorbije eeuwen, heeft haar wortels niet in de economie, zoals bepaalde verklaringsmodellen voorhouden: zij heeft een veel dieper gelegen oorzaak waarvan de huidige economische toestand slechts één van de vele kenmerken is.

In de meestal op de Abrahamitische godsdiensten gestoelde moraal (waartoe ook zekere atheïstische vormen van ethiek behoren) die vandaag lijken weg te deemsteren, wordt aangenomen dat het goede, samen met het ware en het schone, afkomstig is van de godheid. God, en aldus ook de goddelijke geboden die de moraal vormen, maakt zich kenbaar via Zijn Woord, met name in de Heilige Schrift, en daarnaast ook in de Natuur en door middel van het Geweten.

De ontwikkeling van de wetenschap heeft echter de absolute credibiliteit van deze ooit zo heldere en betrouwbare begrippen aan het wankelen gebracht: de natuur is niet langer het 'tremendum et fascinans' maar datgene waarin wij ingevolge een verborgen machtswellust de uitdaging zijn gaan zien om het te onderwerpen en beheersen; de Heilige Schrift werd ontmaskerd als een maaksel van mensen die zich profeten achtten omdat zij geloofden door de godheid geïnspireerd te zijn - zij geloofden stemmen te horen die in feite projecties waren van eigen gedachten in een tijd waarin het begrip daarvan nog onbestaande was; het geweten tenslotte wordt nu wetenschappelijk beschouwd als de interiorisering van wetten - destijds door de godheid gegeven (de 'tien geboden') maar vandaag door de staten (en de door de wereldgemeenschap, bijvoorbeeld als de verzameling van de mensenrechten) opgelegd en reeds in de brieven van Paulus aan de Romeinen stelt de apostel dat hij zich pas door de wet van de zonde bewust werd. De zonden van destijds die werden beleden en uitgeboet door de ziel, zijn vandaag getransformeerd in overtredingen waarvoor men op het matje wordt geroepen en beboet met (meestal) een geldsom welke arbeid en dus leed vertegenwoordigt, te betalen aan de overheid die deze schulden int. Het hiernamaals is een 'hiernumaals' geworden en de hemel werd vervangen door een aards paradijs dat zich concreet vertaalt in en evenredig is met geldelijk bezit, de bron van wereldse rechten en macht.

Uitgerekend op die manier werd de moraal van weleer totaal op zijn kop gezet want waar eertijds de wereld als 'des duivels' gold - getuige onder meer het evangelische verhaal over de verzoeking van Jezus in de woestijn waar de duivel aan de Christus in ruil voor een knieval zijn wereldrijk aanbiedt -, wordt vandaag uit de wereldse rijkdom geput voor het belonen van de 'goeden' terwijl de booswichten worden gestraft door aan hen (gedeelten van) die rijkdom te onthouden en in de zaligsprekingen - een hart onder de riem voor wie het hard te verduren hebben - wordt het derven van wereldse lusten en goederen beloond met de goddelijke belofte aan een onwerelds geluk.

De mensen hechten geen geloof meer aan beloften, ook niet als die (al dan niet vermeend) goddelijk van oorsprong zijn, maar vergeten wordt dat ook het wereldse loon (dat naar de woorden van de Heiland onverenigbaar is met het goddelijke loon - denk maar aan de uitspraken: “niemand kan twee heren dienen, niet god en de mammon” en : “zij hebben hun loon reeds ontvangen”) niets meer is dan een belofte waarvoor dan op de koop toe uiteindelijk helemaal niemand meer garant staat. Van een werelds loon gelooft men weliswaar dat het tastbaar en concreet is, het is immers een zeker gewicht aan goud, vertaald in een som geld en dan verder vertaald in een getal op een persoonlijke bankrekening maar de waarde die dit vertegenwoordigt, is louter ruilwaarde en dat betekent dat in kwesties die er echt toe doen, het gaat om een waarde van nul komma nul: waar honger heerst, zal geen mens die een brood bezit, dit aan een vreemde verkopen, ongeacht de omvang van de aangeboden som. De band tussen wat leeft (in casu: ons lichaam en het broodnodige brood) is van levensbelang en stelt de afspraken die onder mensen (als burgers) worden gemaakt (in casu: omtrent de ruilwaarde van het geld) in zijn schaduw.

Vaak moeten zich tragedies voordoen om ons in staat te stellen om te begrijpen dat het werelds loon een kostelijke illusie is maar de begoochelingskracht van het wereldse voedt zich met zelfbedrog: geen mens laat zich om de tuin leiden als hij niet eerst zichzelf bedriegt, met name door voor de verleiding in kwestie te bezwijken. En dat is in het bijzonder het geval inzake de lusten waarbij de machtswellust de kroon spant.

Hierbij dient men in het achterhoofd te houden dat lusten wezenlijk regelovertredingen zijn, zoals ook de moderne psychologie moet bekennen en zoals blijkt uit de praktijk van het verleggen van grenzen: de naakte enkel verschafte slechts lust zolang hij bedekt hoorde te zijn en een steeds toenemende permissiviteit met het oog op meer vrijheid resulteert paradoxaal genoeg in het totaal verdwijnen van de lust in het lichamelijke en derhalve in het verdwijnen van de lichamelijkheid zelf, namelijk via de weg van de perversies. Het begint met het verdwijnen van het verbod om de enkel te ontbloten en de permissies schuiven op totdat het ganse lichaam 'opgebruikt' werd en dus als lustobject verdwenen maar de wil tot lust kan niet worden gestopt en dient derhalve steeds verder liggende verboden op te heffen en na de totale ontkleding van de mens kan men alleen nog verder gaan door hem te vellen. Het is misschien alles behalve kort door de bocht om hier te stellen dat op die manier alleen nog het geweld overschiet als ultieme manifestatie van de vrijheid: het geweld en de oorlog.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 11 februari 2026)


 

Big Brother en de golem

 

 

Big Brother en de golem

Gezondheid is een privézaak behalve waar het gaat om besmettelijke aandoeningen: ziedaar een simplistisch voorbeeld van hoe zich een grensgebied opdringt tussen eigendom en gemeenschappelijk bezit.

Er bestaat geen eenvoudige oplossing voor de kwestie van de eigendom, enerzijds omdat wij er niet aan uit kunnen voortdurend in elkanders vaarwater te zitten en anderzijds omdat het leven afhankelijk is van levensmiddelen die schaars zijn, wat bijvoorbeeld meebrengt dat roodkapje moet oppassen voor de boze want hongerige wolf.

Niemand kan er aan uit, de natuur is wispelturig, misoogsten zijn onvermijdelijk en bij hoogconjunctuur rijst de bevolkingsdruk alras de pan uit: waar tekorten zijn, neemt het leed toe en als strijd noodzakelijk is voor het terugdringen van die tekorten, zal het leed dat de tekorten meebrengt worden afgewogen tegen het leed van de oorlog en gaat men misschien aan het vechten. Op die manier lijken oorlogen even onvermijdelijk als misoogsten, ze zijn warempel bijna een natuurfenomeen, alleen zijn het meestal niet tekorten die aan de basis liggen van vijandigheden onder mensen maar wel ongeremde hebzucht en grootheidswaanzin.

Maar wat betreft privézaken en gemeenschappelijk bezit oppert zich nog een ander probleem, met name dat van de vertegenwoordiging van het gemeenschappelijke goed. Wie immers is bekwaam én betrouwbaar genoeg om uit te maken wanneer het nodig is dat wij een stuk van onze privacy inleveren voor het welzijn van allen? Eigenbelang en machtsmisbruik, om slechts die twee te noemen, kunnen immers nimmer worden uitgesloten.

Een dictatuur is pas verkieslijk al de dictator zelf bekwaam is (en dat ook blijft!) en als hij het goed voorheeft met het volk, wat wel een uitzonderingstoestand mag heten en hetzelfde geldt voor de monarchie en de theocratie: zij staan in de schaduw van de democratie waarbij het volk zelf de gemeenschappelijke goederen beheert maar om heel praktische redenen moet men zich laten vertegenwoordigen en dat doet men door zijn vertegenwoordigers te kiezen. Onvermijdelijk botst ook die staatsvorm op zekere grenzen maar op een beter alternatief is het tot op heden wachten: de verfijning van de vertegenwoordiging is alles waarop men hopen mag.

Hierbij oppert zich nog een extra onvermijdelijke malaise, namelijk het kwaad inherent aan de systematisering van processen welke nodig zijn voor het bestuur van een gemeenschap. In zijn Götzen-Dämmerung uit 1895 stelt Friedrich Nietzsche: “Der Wille zum System ist ein Mangel an Rechtschaffenheit.” Systemen immers zijn geen mensen en kunnen niet ter verantwoording geroepen worden, zij kunnen niet gestraft worden omdat zij niet kunnen lijden en leren, terwijl taken van levensbelang op hun 'schouders' worden gelegd.

Men moet daarom altijd voor ogen blijven houden dat systemen werktuigen zijn: de verantwoordelijkheid voor hun werking ligt bij degenen die deze werktuigen maken en hanteren en zij kunnen zich niet zomaar aan hun verantwoordelijkheid onttrekken door de zwarte piet door te schuiven naar het 'helaas' onvolmaakte systeem, zoals onlangs een universiteitsrector meende toe mogen doen met betrekking tot het werktuig dat Artificial Intelligence heet, wat getuigt van onbegrip inzake de vertrouwenskwestie in het proces van het delegeren en wat uiteraard niet uitnodigt tot credibiliteit want voor hetzelfde geld wordt de relatie tussen de mens en zijn gebruiksvoorwerpen omgekeerd met onvermijdelijk de totale ondergang tot gevolg. Men mag geen macht in handen geven van Big Brother maar nog veel meer geldt dat men geen macht mag delegeren aan een golem.

(J.B., 8 februari 2026)


 

De detectie van de Untermensch

 

 

De detectie van de Untermensch

Hitler maakte zich sterk dat de uitroeiing van de 'onvolmaakten' een zaak was die uiteindelijk het volk ten goede kwam: hij verving de hoogopgeleide artsen, paramedici, sociale werkers en nog andere zorgverleners door ongeletterde beulen en bespaarde op die manier fortuinen die anders uitgegeven werden aan de verpleging van ouderlingen, andersvaliden, zieken, marginalen, asielzoekers en nog andere zogenaamd 'verlieslatende' groepen uit de samenleving. De Führer wilde Duitsland weer groot maken na de nederlaag ingevolge de Eerste Wereldoorlog en hij stelde zich niet tevreden met een herstel van de economie: hij beoogde niets minder dan de wereldheerschappij, met zijn zogenaamde 'Derde Rijk', een imperium in de lijn van het eerste, het Heilig Roomse Rijk, en het tweede, het Duitse Rijk.1 Zichzelf en zijn trawanten, verenigd in een geheim genootschap, jutte hij op met onder meer een krankzinnige rassenleer om aldus zichzelf tot de messias van het uitverkoren volk te kunnen uitroepen en alle middelen, inclusief genocide, te kunnen inzetten als gewettigd voor de onderwerping van de zogenaamde 'Untermenschen': andere volkeren maar dus ook de hoger genoemde groepen uit de eigen natie. Hitler werd gefinancierd door het grootkapitaal dat dan ook deze besparingspolitiek ten koste van talloze onschuldige mensenlevens wilde en bepaalde. En vandaag lijkt het monster waarvan men geloofde dat men het verslagen had, zich te hebben vermenigvuldigd: de huidige leiders van China, Rusland, de V.S. en nog andere staten delen eenzelfde megalomanie die zich pas kan realiseren door dienst aan de mammon - lees: door de onderwerping van de mens aan een (moordende) economie gericht op de verrijking en vergoddelijking van de bezittende klasse - die later door de geschiedenis zal worden ontmaskerd als een klasse van bezetenen.

Het begint allemaal met grootheidswaanzin en dat is zichzelf voorhouden dat men meer waard is dan een ander. Het is een 'spel' binnen de pikorde waar geldt dat geluk een kwestie is van sociale vergelijking maar tegelijk volgt deze waanzin ook uit de miskenning van de eigen gebrekkigheid en sterfelijkheid. De vernedering van anderen is de gemakkelijkste manier van zelfverheffing maar die verheffing is vermeend: zij berust op leugens die dan ook met hoogdringendheid in stand gehouden dienen te worden.

Tot die leugens behoren in de eerste plaats de voorwendsels voor het zich kunnen voltrekken van gigantische misdaden want snode plannen worden altijd in het verborgene gesmeed en bedrog noopt tot een dubbele boekhouding waarbij de ware, misdadige verborgen dient te blijven terwijl de geopenbaarde het publiek een rad voor de ogen moet draaien en uiteraard wordt daarbij het tegendeel voorgewend van wat er in werkelijkheid gaande is: maatregelen, zogezegd in functie van de volksgezondheid, decimeren de bevolking of wetten inzake onderwijs, houden de massa dom. Men hoeft geen hogere studies te hebben gedaan om in te zien dat waar bijvoorbeeld kapitalen worden besteed aan bevolkingsonderzoek ter preventie van darmkanker terwijl men het nalaat om de harddrug alcohol alsook nicotine te verbieden, er iets niet klopt: de genoemde inconsistentie valt echter wel te begrijpen in het licht van het feit dat de beide houdingen elkaar pas tegenspreken waar men de ware toedracht uit het oog verliest, met name louter winstbejag.2

Er zullen altijd mensen zijn die graag blijven geloven in het sprookje van the American Dream, dat een illusie te voorschijn tovert gelijkaardig aan die waarin men belandt als men op de lotto speelt, of in religies die goden vermenselijken en derhalve mensen vergoddelijken, maar het kapitalisme verkapt de hulde aan de klassenmaatschappij die, erger nog dan de natuur met zijn recht van de sterkste, dit recht ook nog eens beschermd wil zien middels in wetten vastgelegde voorrechten. De gelijkenissen tussen de gang van zaken bij de huidige grootmachten en deze ten tijde van het nazisme in Duitsland betreffen uiteraard niet alleen de propaganda maar evenzeer de misdaden, die dankzij de hedendaagse media echter veel moeilijker te verbergen zijn dan destijds terwijl om dezelfde reden het verzet daartegen veel makkelijker de kop wordt ingedrukt.

Actueel is nu de kwestie van de genetische screening die zich graag profileert als een zaak van medische ethiek terwijl het ook hier overduidelijk is dat het morele andermaal een dekmantel moet zijn voor zich verhullende economische belangen. Aan mensen gaan vertellen dat zij er bij te winnen hebben als zij zich laten nakijken op hun aanleg om in de loop van hun bestaan bepaalde ongeneeslijke ziekten te ontwikkelen, is wat commerçanten doen wanneer zij alleen maar eigen gewin op het oog hebben. De waarheid is dat slechts de bezittende klasse er (met het oog op de doeltreffendheid van hun investeringen) bij gebaat is om te weten wie voor hen wel of niet winstgevend zullen zijn en wie dan ook nog geloven dat die informatie zal gebruikt worden om de betrokkenen tijdig ter hulp te kunnen schieten, zullen terugkeren van een koude kermis.

Destijds was er alleen de reputatie als cruciale informatiebron om potentiële werknemers te screenen, weliswaar aangevuld met de gegevens uit de biecht, maar het zou onverstandig zijn voor wie hun winst tot elke prijs willen maximaliseren indien zij de informatie uit de medische sector niet te baat zouden nemen. Met respect voor ieders privacy weet elke doorgewinterde commerçant aan jan of an met de pet alras een handtekening te ontfutselen onder een verklaring die aan de behandelende artsen carte blanche geeft, want dat is wat zij nodig hebben om goede punten te scoren in een systeem dat draait om de voorrang van het geld.

(J.B., 7 februari 2026)

2De zorg om de gezondheid van burgers en hier in het bijzonder senioren, kan pas een geloofwaardig argument zijn voor het bevolkingsonderzoek naar darmkanker als diezelfde zorg zich ook toont in een wetgeving die ons tegen die ziekte beschermt. Die zorg blijkt totaal afwezig in onze wetgeving inzake de handel in alcohol en tabak, overduidelijk omdat hoge taksen deze vergiften winstgevend maken voor de staat. Stoute tongen beweren dat ook preventief kankeronderzoek de staatskas spijzigt en niet omdat het de kosten voor de verpleging van die ziekte zou inperken maar omdat het onderzoek als zodanig letaal zou zijn, wat dan een besparing zou betekenen inzake pensioenen. Letaal bleken alvast reeds de maatregelen inzake de preventie van borstkanker waarvan aan het licht kwam dat screening slapende kankercellen wekt.

 

"Dat mag" - Het goede is geen feit: het wordt gemaakt

 

“Dat mag”

Het goede is geen feit: het wordt gemaakt

De stelling dat verwende kinderen verkieslijker zijn dan kinderen met een waterbuikje gaat aan het wankelen als men in rekening brengt wat er van die kinderen kan worden omdat het een feit is dat wie hebben moeten vechten, het er in het leven dikwijls beter afbrengen. Verwendheid is het vanzelfsprekend vinden van het genot dat men heeft van het bevredigd zijn van zijn behoeften, wat een gevaarlijke onverschilligheid daartegenover voedt welke zich vertaalt in ondankbaarheid. Die ondankbaarheid betreft uiteindelijk een houding jegens die mensen die met hun arbeid en derhalve middels leed, gezorgd hebben en zorg dragen voor de luxe waarin men zelf mag leven.

Verwendheid maakt blind voor het feit dat het goede van het leven en uiteindelijk ook het leven zelf geen vanzelfsprekendheden zijn, geen zaken die er van nature zijn en al zeker geen zaken waar men recht op heeft. Als men met andere woorden de dingen missen moet waarvan men geniet als men verwend is, kan men nergens terecht om zijn beklag te doen, precies omdat hetgeen waarop men bogen kon, geen rechten waren doch gunsten. Het goede is derhalve een gunst, uitgaande van een of meer personen die het zonder nood of dwang geheel vrijwillig schonken.1

Het goede bestaat dan ook uitsluitend als iets dat werd of wordt gegeven, het is aldus geen entiteit op zich, het ontstaat krachtens de handeling van het geven waarin uiteraard personen betrokken zijn, met name de gever(s) en de ontvanger(s).

De gever heeft geen plicht om te geven maar hij weet dat de ontvanger, ofschoon ook hij geen plicht heeft tot ontvangen, het geschenk niet zal weigeren omdat het hem goed doet en hij dit ook weet en ondervindt. De ontvanger heeft strikt gezien geen plicht tot dankbaarheid jegens de schenker omdat die door de schenking reeds afstand deed van wat hij schonk maar het al dan niet dankbaar zijn tekent hem wel en niet zomaar oppervlakkig als iemand die al dan niet sympathiek oogt maar in die zin dat het uiteindelijk zijn eigen wezen vastlegt.

De ondankbare immers wordt spontaan geassocieerd met de dief, zij het een dief die men niet betrappen kan omdat hij zelf niets deed, niets van een ander wegnam, daar hij de schenking louter onderging, maar wel omdat hij het naliet iets te doen, met name liet hij het na om de schenker als zodanig te erkennen, wat hij had kunnen doen middels een teken van dankbaarheid. Juridisch gezien hebben gunsten geen betekenis, weldoeners azen niet op een beloning en wie hun weldaden genieten in ondankbaarheid, worden daar ook niet voor vervolgd omdat de wet zich beperkt tot het vrijwaren van de rechten - indien zij zich met gunsten inliet, dan ging het immers niet langer om gunsten doch om plichten.2

De ondankbare ontvanger miskent de schenking en derhalve ook de schenker die door zijn schenking het goede tot stand bracht en bijgevolg miskent de ondankbare ontvanger ook het goede als zijnde een persoonlijke creatie: hij doet alsof het goede een natuurlijk gegeven is, zoals een appel aan een boom - en uiteraard een boom die men tot zijn bezit kan rekenen. En hier belandt men bij het fenomeen van het privaatbezit, dat is ontstaan met handelingen die lijnrecht staan tegenover de gunsten, de schenkingen of de weldaden, met name de inbeslagnames of de veroveringen welke wezenlijk geweldplegingen zijn.

Eigendom is een complex iets omdat wij nillens willens het eigen lichaam beschouwen als het onze en we zijn er mede verantwoordelijk voor. Maar het eigen lichaam is in het verleden, in het heden en in de toekomst verbonden met dat van onze moeder en met de lichamen van onze clan maar ook met de rest van de natuur vanwege de levensnoodzakelijke behoeften want lichamen zijn niet zelfbedruipend, wij moeten ademen, eten en op velerlei wijzen onderonsen om in leven te kunnen blijven. Zolang wij kunnen erkennen dat onze clan en de natuur, incluis het hele heelal, het onze zijn, lijken problemen uitgesloten want daar vervalt dan ook spontaan de betekenis van het privaatbezit.3 Maar de werkelijkheid is om de een of andere reden niet gediend met deze al te mooie insteek die verwijst naar een toekomstig toneel waarin de wolf en het lam in vrede samenleven4: de wolf die roodkapje opeet, is boos, of wild, hij heeft geen zeg over zijn daden omdat hij instinctmatig handelt, hij gehoorzaamt zijn natuur die wij niet kennen dan door de tragedies zoals verhaald in Roodkapje en de boze wolf.

Op die manier blijkt ook dat er nog werk is aan de winkel vooraleer het Bijbelse Utopia zich realiseren kan: zoals ook de dode en blinde natuur, moeten wilde dieren worden getemd en moeten mensen worden beschaafd, en dat alles kan bezwaarlijk gebeuren zonder slag of stoot en vrij van allerlei risico's en gevaren. De wereld zoals wij die kunnen wensen, staat (nog) mijlen ver af van de wereld zoals hij vandaag aan ons verschijnt en willen wij onze wensen waar maken, dan verbinden zij ons ertoe te werken aan de toekomst. Kinderen mogen dan al denken dat hun smartphones aan de bomen groeien: al het goede van het leven en het leven zelf werden ons gegeven, het zijn gunsten. Dankbaarheid daartegenover kan worden geuit door de aanvaarding van een uitnodiging die wij geheel vrijwillig tot onze plicht kunnen maken om mee voort de werken aan de voltooiing van de realisatie van die wens. Het goede en het leven zelf, het zijn geschenken, met veel zorg tot stand gebracht en ons gegeven, door personen die het goede voor ons wensen, en uitgerekend het voortduren van die werkelijkheid komt in gevaar waar dankbaarheid niet langer als een morele plicht beschouwd wordt. Om die reden stuit het tegen de borst wanneer een nieuwsoortig gedrag zich gelden laat, dat mensen ervan weerhoudt om “dank u” te zeggen en waar hen gevraagd wordt of zij het een of andere aangebodene willen, niet langer antwoorden zoals weleer: “Ja, dank u wel” maar kort en bijna bruut: “Dat mag.”

(J.B., 6 februari 2026)

1De veronachtzaming van deze visie resulteert in inconsistenties van zekere regelgevingen, zoals bijvoorbeeld in de zogenaamde mensenrechten, omdat er geen rechten zonder plichten denkbaar zijn, zoals er ook geen ontvangers zonder schenkers kunnen zijn, want evenmin als geschenken hebben wij rechten van nature. Zo kan men geen aanspraak maken op het recht op euthanasie zonder ook de plicht tot het plegen daarvan aan mensen op te kunnen leggen, terwijl uiteraard niemand een ander onder dwang kan zetten om medemensen te doden.

2Echter, niet alles kan als plicht aan mensen worden opgelegd - zie verderop in deze tekst.

3Als iedereen alles tot zijn bezit mag rekenen, verliest het begrip 'bezit' zelf uiteraard elke inhoud.

4Bedoeld wordt hier de passage uit de Bijbel in Jesaja 11:6-9: “Dan zullen wolven en schapen bij elkaar leven. Panters en geitjes zullen samen liggen rusten. Kalveren en jonge leeuwen groeien samen op. Een kleine jongen zal ze hoeden. Koeien en beren zullen samen gras eten. Hun jongen zullen samen spelen. Leeuwen zullen net als koeien hooi eten. Baby's zullen spelen bij het hol van een adder. Kleuters zullen giftige slangen uit hun nest pakken. Niemand zal een ander nog kwaad doen op Gods heilige berg.” (Zie: https://www.biblegateway.com/passage/?search=Jesaja%2011&version=BB;HTB;LSG;NIV )

Friedrich Nietzsche over goed en kwaad - Afleveringen 2 en 3

 

Friedrich Nietzsche over goed en kwaad

Aflevering 2. Zur Genealogie der Moral

3363200-15f03753eb850fe9bd81c138a9015089.jpg

In Zur Genealogie der Moral1 (zoals vermeld in het boek: geschreven ter vervollediging en ter verduidelijking van Jenseits von Gut und Böse) vraagt Nietzsche zich af waar men het dan vandaan haalt om te stellen dat iets goed of slecht is2 en daar blijkt dat morele begrippen geen redelijke oorsprong hebben maar veeleer door toeval tot stand gekomen zijn.3

De (Griekse en Romeinse) adel leeft egoïstisch en volgens de natuur die het recht aan de sterken geeft terwijl de zwakkeren zich moeten tevreden stellen met de dienstbaarheid waarvan ze dan maar een deugd maken, wat meebrengt dat zij het daaraan tegengestelde egoïsme van de sterken als ondeugdelijk bestempelen.4

De priesterklasse, aldus Nietzsche, kweekt een ressentiment door de natuurlijke waarden om te keren. Aan slaven wordt namelijk geleerd dat zij schuld hebben tegenover hun meesters en dat ze die moeten uitboeten. Hun moraal maakt dat ze hun leed zien als een rechtvaardige straf. Uiteraard keuren zij dan de daaraan tegengestelde moraal van hun meesters af en aldus kunnen zij zich boven hen verheven achten.

Nietzsche zegt dat er geen ander, eigen fundament bestaat voor de altruïstische moraal, die dus zelfbedrog is, en men beschouwt die moraal als goed omdat men eraan gewend is. De priesterklasse die de slavenmoraal predikt, gelooft aldus dat zij de sterke tot haar moraal moet bekeren, dat zij de wilde moet temmen.

Verwant met het schuldbewustzijn is het zich binden aan beloften, wat de slaaf voorspelbaar en beheersbaar maakt en wat staat tegenover de bevrijdende kracht der vergetelheid. Het natuurlijke leedvermaak dat sterkeren hebben tegenover zwakkeren, richt zich bij de zwakkeren op zichzelf en uit die frustratie vormt zich een schuldbewustzijn, een verantwoordelijkheidsgevoel voor de eigen daden, een zichzelf met ascese straffende ziel. Ten langen leste heeft op die manier de zwakkere betekenis gegeven aan het zinloos leed van zijn slavernij.5

De wetenschapper overschat zichzelf want hij is verwant met de priester omdat hij zijn ascese van hem heeft afgekeken: beiden geloven in een waarheid die zij zoeken als een doel op zich. Nietzsches ideaal is dat de mens leert te leven zonder doel.6

Aflevering 3. Een bedenking bij Nietzsche's Genealogie van de moraal

3363200-dc845606923f1ef165c177eada9d7930.jpg

Nietzsche beschouwt het christendom als een slavenmoraal met geen ander fundament dan een ressentiment tegenover de herenmoraal en derhalve als een perversiteit of een tegennatuurlijkheid. 

Het altruïsme heeft geen ander fundament dan ressentiment, zo betoogt Nietzsche, maar hij staart zich blind op het verleden en op de koop toe wil hij ook nog dat verleden vergeten maar wat dan gezegd van het altruïsme van zovele vrijheidsstrijders: zij betalen met hun leven voor het welzijn van anderen7 met wie zij zich kennelijk identificeren, met wie zij hun lot verbonden hebben, zodat men zonder een zweem van twijfel kan stellen dat zij dat altruïsme funderen op de hoop en derhalve op de toekomst welke zij met de kracht van hun hoop uiteindelijk ook waar weten te maken.

De conclusie dat men op grond van Nietzsche inzichten dan maar moet terugkeren naar de natuurlijke, 'edele' waarden, is zodoende een bijzonder problematische stellingname. Het is immers niet de eerste keer in de loop van de evolutie dat zich een 'perverse' of een 'vreemde' kentering voordoet met kennelijk bijzonder heilzame gevolgen. De tarwe, een afwijkend gewas, voedt de hele wereld en de mens is een 'onaf' en derhalve een afwijkend dier. Maar het leven zelf is een kentering in de ontwikkeling der dingen daar de wetten die het voortdrijven, deze van de dode stof vierkant tegenspreken: de tweede wet van de thermodynamica, de vervalwet, lijkt daar te worden omgebogen tot een wet van toenemende complexiteit.

Eensgelijk kan het voortkomen van altruïsme uit egoïsme gezien worden als alleen maar een schijnbare tegenstelling. En is het overigens niet pas vanuit de realiteit van het altruïsme dat het egoïsme van de aan de cultuur voorafgaande natuur aan het licht komt, zoals het ook pas vanuit de realiteit van de complexiteit van het leven en het denken is dat aan het licht komt dat alles aan verval onderhevig zou zijn? De feiten spreken met andere woorden de theorieën tegen en in dat geval moet men uiteraard niet de feiten maar wel de theorieën laten varen.

(J.B., 5 februari 2026)

2Nietzsche heeft het over zijn “Gedanken über die Herkunft unsere moralischen Vorurteile (...)”. Cf.: F.W. Nietzsche, Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift, in: Friedrich Nietzsche, Werke III, Verlag Ullstein Gmbh, Frankfurt/M, Berlin, Wien 1976, 1969 (Oorspronkelijk: 1886), Vorrede, 2, pag. 763.

3Met dit standpunt zet Nietzsche zich af tegen een publicatie uit 1877 van zijn vriend Paul Rée, getiteld: Der Ursprung der moralischen Empfindungen. die hij pervers noemt en hij stelt: “Vielleicht habe ich niemals Etwas gelesen, zu dem ich dermaszen, Satz für Satz, Schlusz für Schlusz, bei mir Nein gesagt hätte wie zu diesem Buche (...)” (Nietzsche, o.c., pag. 766) en hij stelt een nieuwe, 'genealogische' onderzoeksmethode voor.

4Nietzsche, o.c., pag. 775-798.

5Nietzsche, o.c., pag. 799-837.

6Nietzsche, o.c., pag. 839-900.

7Zie bijvoorbeeld: Costica Bradatan, Sterven voor een idee. Filosoferen met gevaar voor eigen leven, Ten Have, Utrecht 2016. (Oorspronkelijk: Dying for ideas. The Dangerous Lives of the Philosophers, Bloomsbury Academic, 2015.)




















Friedrich Nietzsche over goed en kwaad - Aflevering 1. Jenseits von Gut und Böse

 

Friedrich Nietzsche over goed en kwaad

Aflevering 1. Jenseits von Gut und Böse

3363133-3ed4bbe77de81a8870edbd86ff8c05af.JPG

 Max Wildiers mag dan wel stellen (samen met zijn achterban, de katholieke kerk) dat aan de grondslag van een cultuur een metafysica ligt: waar Friedrich Nietzsche laat zien hoe de slavenmoraal van het christendom een overlevingsstrategie is, blijkt ten langen leste het tegendeel, namelijk de superstructuur als product van de infrastructuur: de westerse cultuur volgt weliswaar voor een groot stuk uit het geloof maar op zijn beurt is het geloof een gevolg van de onderdrukking, en wel als een verweer daartegen, waarin meer bepaald de slaaf van de nood een deugd maakt en hij zijn plicht identificeert met zijn lot. Deze analyse gebeurt in zijn Jenseits von Gut und Böse (1886) en in Zur Genealogie der Moral (1887).

Zoals het denken een verinnerlijkte dialoog is1, zo kan men het willen opvatten als een verinnerlijking van een machtsverhouding met een ondergeschikte - die opvatting past alvast bij Nietzsche's opvatting over de wil zoals verwoord in Jenseits von Gut und Böse: “Das, was "Freiheit des Willens" genannt wird, ist wesentlich der Überlegenheits-Affekt in Hinsicht auf Den, der gehorchen muss: "ich bin frei, "er" muss gehorchen" (…). Ein Mensch, der will -, befiehlt einem Etwas in sich, das gehorcht oder von dem er glaubt, dass es gehorcht.”2 (“De zogenaamde 'wilsvrijheid' is eigenlijk het superioriteitsgevoel tegenover wie moet gehoorzamen: ‘Ik ben vrij, hij moet gehoorzamen’ (…). Een mens die wil, beveelt [iets in] zichzelf [dat gehoorzaamt of waarvan hij gelooft dat het gehoorzaamt].”)

Men kan zijn wil opleggen aan zijn lichaam zoals men zijn wil kan opleggen aan wie gehoorzaamheid verschuldigd zijn, en dat zijn de zwakkeren, over wie men aldus macht uitoefent. Derhalve is moraal de leer van de machtsverhoudingen. Religie is machtsuitoefening door de omkering van de waarden (de installatie van een slavenmoraal met de plicht tot dienstbaarheid) en het socialisme kweekt een kuddemens die de moraal bepaalt - uiteindelijk legt de sterkste kudde de moraal aan iedereen op.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 3 februari 2026)

1Zie: E. de Strycker, De kunst van het gesprek. Wat waren de dialogen van Plato? De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam 1976.

2F.W. Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse. Vorspiel einer Philosophie der Zukunft, in: Friedrich Nietzsche, Werke III, Verlag Ullstein Gmbh, Frankfurt/M, Berlin, Wien 1976, 1969 (Oorspronkelijk: 1886), par. 19., pag. 582. Zie ook: https://www.gutenberg.org/cache/epub/7204/pg7204.txt











Onze cultuur en Max Wildiers

 

Onze cultuur en Max Wildiers

3363081-931fa26bc7fa954b712bafa7c588e096.jpg

De tijd vliegt, inmiddels al dertig jaar geleden overleed de rebelse katholieke theoloog en schrijver Max Wildiers maar hij blijft actueel. In zijn essay uit 1988 heeft de kapucijn (die dan 84 is) het over cultuur en meer specifiek over de toekomst van de westerse cultuur. Cultuur ontstaat waar de mens in dialoog gaat met de natuur en Wildiers meent dat niet de economie het fundament ervan uitmaakt maar veeleer een zekere metafysica die dan ook de sleutel vormt tot het begrijpen ervan met als centrale waarden die van de zedelijkheid.1

Edoch, sinds de opgang van het mechanistisch wereldbeeld in de zeventiende eeuw telt Europa twee culturen: deze uit de oudheid en de middeleeuwen die gefundeerd is op het beeld van de wereld als hiërarchisch geordende sacrale eenheid en die (vooral) vanuit haar ethiek en esthetiek het menselijk geluk nastreeft en deze die de wereld ziet als een door de zich aldus emanciperende mens rationeel te beheersen machine.2 De eerste steunt op ontzag voor de natuur, de tweede wil hem beheersen.

Wildiers noemt het een misvatting dat Erasmus (1466-1536) de aankondiger zou zijn van een nieuwe tijd: de natuurwetenschappen interesseerden de humanist niet maar wel de oude culturele waarden.3 Pas met Bacon en Descartes krijgt het nieuwe wereldbeeld ingang door de nieuwe, experimentele methode van de fysica, een kennis die het meesterschap over de natuur in het vooruitzicht stelt, wat in de mens de machtswellust wekt en een toename van geluk belooft.4

Een viertal eeuwen later is door de technische en wetenschappelijke vooruitgang, met onder meer de kernenergie, de genetica en het communicatienetwerk, de beheersbaarheid van de wereld een vaste overtuiging geworden. Tegelijk echter geven zowel de mogelijkheid van een aanwending van de kennis voor het kwaad (kernwapens) als het vreedzaam gebruik ervan (milieubelasting) aanleiding tot onzekerheid en angst maar het kwaad zit ook dieper.5 Wildiers: “De bron van ons onbehagen is de metafysische leegte die eigen is aan een mechanistisch wereldbeeld.”6

Edoch, eveneens onder invloed van nieuwe wetenschappelijke inzichten maakt momenteel weer een nieuw wereldbeeld opgang, “een soort resacralisatie van het Universum”7, die zowel bij gelovigen als bij atheïsten bewondering wekt voor natuur en kosmos.8 “Wij hebben thans een autonoom technisch Universum (Jacques Ellul) opgebouwd [en dit] is thans onze meest vertrouwde wereld geworden. Dit (…) wordt in zijn groei en ontwikkeling niet door de menselijke willekeur maar door een innerlijke logica geleid, alsof het ging om een levend organisme.”9

Edoch, die wonderbare wereld heeft iets onmenselijks, hij is (gewild) eenzijdig en draait alleen om efficiëntie en macht in een materialisme waar geen plaats is voor dichters of metafysici. Bovendien geeft die wereld teveel macht in handen van broze mensen: “Zijn wij bij machte meester te blijven over de geesten die wij hebben opgeroepen?”10 Zullen kernwapens worden ingezet bij oorlog en betekenen de nieuwe uitvindingen ook in vredestijd geen vergiftiging van het milieu? Wij kennen een innerlijke onvrede.11 Welke finaliteit dient de technologie?

Zij is werkzaam inzake de communicatie, de kunst, het maatschappelijke leven en de techniek. Welke krachten drijven ons en waarheen? Naar bevrijding of naar vernietiging? De technologische samenleving moet gehumaniseerd worden, anders brengt zij geestelijke armoede.Wildiers verwijst naar Hans Jonas: “De voor goed bevrijde Prometheus, die dank zij de wetenschap een nooit gekende kracht en dank zij de industrie een rusteloze aansporing kreeg, roept om een ethiek die zijn macht weet te beteugelen en hem ervan weerhoudt tot onheil van de mens te dienen.”12 De technologie heeft ons op een dwaalspoor gebracht en moet ondergeschikt worden gemaakt aan de ethiek en de esthetiek en zij moet iedereen ten goede komen, het evenwicht herstellen en tot een meer humane wereld leiden.13

(J.B., 31 januari 2026)

1Max Wildiers, Het verborgen leven van de cultuur, Davidsfonds en Kredietbank, Leuven/Brussel 1988, pp. 11-25.

2Max Wildiers, o.c., pp. 29-31.

3Max Wildiers, o.c., pp. 31-34.

4Max Wildiers, o.c., pp. 35-38.

5Max Wildiers, o.c., pp. 38-40.

6Max Wildiers, o.c., pag. 40.

7Max Wildiers, o.c., pag. 41.

8Max Wildiers, o.c., pp. 40-41.

9Max Wildiers, o.c., pag. 45.

10Max Wildiers, o.c., pag. 46.

11Max Wildiers, o.c., pp. 46-48.

12Max Wildiers, o.c., pag. 54. Het gaat om een verwijzing naar Hans Jonas zijn werk, getiteld “Das Prinzip Verantwortung” uit 1979.

13Max Wildiers, o.c., pp. 54-58.






De roes die om de hoek loert

 

 



De roes die om de hoek loert

In het verrassend rijke essay Liefde in tijden van eenzaamheid - over drift en verlangen1, vertelt Paul Verhaeghe eerst over hoe in de clan of de familie genot en goederen verdeeld worden tussen de partijen rond de man en de vrouw, waarbij in de loop van de tijd het patriarchale in de plaats komt van het matralineaire met het tot stand komen van het monotheïstisch patriarchaat waarin de man middels strenge regels en met het onderstrepen van de tegenstelling tussen de geslachten, de (gevreesde) vrouw 'onschadelijk' tracht te maken. Vandaag is het monotheïstisch patriarchaat verdwenen en komt bij de man de angst voor de vrouw weer naar boven, getuige de agressie (zoals bij clitoridectomie) én de aanbidding tegenover haar, alsook verdwijnt de scherpe tegenstelling tussen de geslachten, er komt een meer gedifferentieerde genderidentiteit. De man vreest namelijk door de vrouw herleid te worden tot een willoos lustobject en zo zichzelf te verliezen. Maar het verdwijnen van de klassieke regelgeving inzake man-vrouwverhoudingen resulteert niet in de mogelijkheid van een totale bevrediging: in plaats daarvan blijkt men almaar minder zin te hebben in seks. Desondanks blijft de blinde drift, door Verhaeghe behandeld in het derde en laatste deel van zijn boekwerk.

Drift beduidt controleverlies en sowieso geweld, ook inzake de seksualiteit: men wordt gedreven naar iets dat men niet wil, zoals in de fascinatie voor horror en perversie maar de mens moet het (door Milgram aangetoonde2 en door onder meer Joseph Conrad3 beschreven) monster in zich in toom houden. Het gaat hier niet om een regressie4 want reptielen kennen dit niet: “[De drift] is de bron van een vreemdsoortig genieten dat door het subject niet verlangd wordt. Verlangen en drift staan tegenover elkaar zoals de schone en het beest. Beter: zoals het bekende tegenover het andere.”5 Het verlangen wil niet bevredigd worden, de drift kan niet bevredigd worden. Dieren hebben instincten, geen driften, de drift is typisch menselijk, hij treedt op bij het overschrijden van een grens en men verliest zich erin.

Inzake seksualiteit is een beveiligingsmechanisme ingebouwd: de drift stopt bij het bereiken van het orgasme. Verhaeghe: “Maar wat als een dergelijk eindpunt ontbreekt? De man of vrouw die blijvend in extase gebracht wordt tot steeds hogere niveaus, de achtbaan die blijft ronddraaien, de gillende massa die niet tot bedaren te brengen is? Elke massarevolutie eindigt in een paroxisme van bloed waarbij vergeleken voetbalhooliganisme kinderspel is. De drift is inherent traumatisch”6

“De drift drijft het subject voorbij de eigen grens”7 Daar bestaat tegelijk aantrekking en angst, tremendum et fascinans, en het verbod maakt het verbodene aantrekkelijk: men wil opnieuw regels omdat zonder maat de zin in seks verdwijnt. De “allesverslindende liefde” verwekt seksuele trauma's verwant aan de oorlogsneurosen ingevolge ongebreideld geweld door de afwezigheid van de normale regelgeving en men spreekt dan over een “orgie van geweld.”8

De groep stimuleert overgave aan (zowel het uitoefenen als het ondergaan van) geweld en verdooft het bewustzijn, het trauma ontstaat pas als de groep uiteenvalt: PTSS. “De getraumatiseerde herinnert zich het trauma niet, hij herbeleeft het.”9 In zelfhulpgroepen probeert men het onverwoordbare alsnog gezegd te krijgen en te bezweren in de eigen (scanderende) taal van lotgenoten, zoals bij rap. De wet verbiedt het verlangen dat zij uitgerekend daardoor mogelijk maakt.10 Het neoliberalisme gedoogt zowat alles waardoor niets nog begerenswaardig is en vandaag worden de clerici afgelost door de medici maar de tolerantie is illusoir want verkapt een (economische) oorlog: alles is te koop voor elkaar beconcurrerende individuen.11 Dan rijst de vraag, aldus Verhaeghe: “Wat drijft mij naar die transgressie, voorbij het punt waar ikzelf ophoud te bestaan?”12

Voor Freud streven wij naar een zo laag mogelijk spanningsniveau maar dat is het nirwana, de dood: eros en thanatos. Eencelligen en andere wezens die geen seks kennen omdat zij zichzelf quasi perfect repliceren, leven eeuwig maar vernieuwing (door reductiedeling) vergt seksualiteit en “seksualiteit impliceert dood.”13 “La petite mort”, zoals het orgasme wordt genoemd, verwijst hiernaar. In tegenstelling tot wat Freud meent, zijn eros en thanatos voor Verhaeghe twee verschillende vormen van leven en zo vraagt de bioloog zich af of hij de honingbij moet bestuderen of niet veeleer de zwerm.

Ter afronding van zijn essays wijst Verhaeghe erop dat naast de blinde drift en de burgerlijke banaliteit een derde weg openligt, die van de liefdesverhouding die een sublimatie van het onmogelijke is. Maar intussen werd met de bedenkingen over de verstrengeling van de eros met de thanatos en van het individu met het volk, een kwestie aangesneden die zich vandaag14 actualiseert in Europa waar zich een oorlogsfront aan het uitbreiden is: dreigt het zich opofferen van het individu aan het volk met de aangereikte, al dan niet vermeende inzichten niet gelegitimeerd te worden en betekent een morele verantwoording daarvan middels die inzichten geen terugkeer naar de wet van de sterkste en naar de horror zoals de door de auteur aangehaalde Joseph Conrad beschreven? Want eenmaal het hek van de dam is, stokt élke dialoog, grijpt de transgressie plaats naar het uitvoeren van wat men eigenlijk niet wil, en opent zich de weg naar een nimmer te stoppen roes waarvan in ons continent niemand meer in leven is om nog te getuigen van de gruwel die hij verkapt.

(J.B., 29 januari 2026)

1Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid. Over drift en verlangen, De Bezige Bij, Amsterdam 2013 (2011).

2Stanley Milgram, Behavioral study of obedience (1963) en Obedience to Authority: An Experimental View (1974).

3Joseph Conrad, Heart of Darkness (1899).

4Paul Verhaeghe, o.c., pag. 200: “Mijn stelling is dat wij [in de drift] juist het verst verwijderd zijn van het natuurlijk-biologische. Dieren kennen geen Auschwitz (…). Het gaat om het stuk biologie dat geen psychologie kan worden en omgekeerd. (...) De woede en agressie die [bij de drift] vaak komen kijken, zijn steeds uitingen van onmacht en onvermogen die in natuurlijke omstandigheden onbekend zijn bij het dier. (...)”

5Paul Verhaeghe, o.c., pag. 188.

6Paul Verhaeghe, o.c., pag. 202.

7Paul Verhaeghe, o.c., pag. 208.

8Paul Verhaeghe, o.c., pag. 222.

9Paul Verhaeghe, o.c., pag. 223.

10Verhaeghe verwijst hier naar de belangrijke brief van Paulus aan de Romeinen over de relatie tussen de wet en de zonde. Cf.: Paul Verhaeghe, o.c., pag. 227.

11Paul Verhaeghe, o.c., pag. 230.

12Paul Verhaeghe, o.c., pag. 230.

13Paul Verhaeghe, o.c., pag. 235v.

14Ter herinnering: Verhaeghes essays dateren van 2011.

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten