Big Brother en de golem
|
Big Brother en de golem Gezondheid is een privézaak behalve waar het gaat om besmettelijke aandoeningen: ziedaar een simplistisch voorbeeld van hoe zich een grensgebied opdringt tussen eigendom en gemeenschappelijk bezit. Er bestaat geen eenvoudige oplossing voor de kwestie van de eigendom, enerzijds omdat wij er niet aan uit kunnen voortdurend in elkanders vaarwater te zitten en anderzijds omdat het leven afhankelijk is van levensmiddelen die schaars zijn, wat bijvoorbeeld meebrengt dat roodkapje moet oppassen voor de boze want hongerige wolf. Niemand kan er aan uit, de natuur is wispelturig, misoogsten zijn onvermijdelijk en bij hoogconjunctuur rijst de bevolkingsdruk alras de pan uit: waar tekorten zijn, neemt het leed toe en als strijd noodzakelijk is voor het terugdringen van die tekorten, zal het leed dat de tekorten meebrengt worden afgewogen tegen het leed van de oorlog en gaat men misschien aan het vechten. Op die manier lijken oorlogen even onvermijdelijk als misoogsten, ze zijn warempel bijna een natuurfenomeen, alleen zijn het meestal niet tekorten die aan de basis liggen van vijandigheden onder mensen maar wel ongeremde hebzucht en grootheidswaanzin. Maar wat betreft privézaken en gemeenschappelijk bezit oppert zich nog een ander probleem, met name dat van de vertegenwoordiging van het gemeenschappelijke goed. Wie immers is bekwaam én betrouwbaar genoeg om uit te maken wanneer het nodig is dat wij een stuk van onze privacy inleveren voor het welzijn van allen? Eigenbelang en machtsmisbruik, om slechts die twee te noemen, kunnen immers nimmer worden uitgesloten. Een dictatuur is pas verkieslijk al de dictator zelf bekwaam is (en dat ook blijft!) en als hij het goed voorheeft met het volk, wat wel een uitzonderingstoestand mag heten en hetzelfde geldt voor de monarchie en de theocratie: zij staan in de schaduw van de democratie waarbij het volk zelf de gemeenschappelijke goederen beheert maar om heel praktische redenen moet men zich laten vertegenwoordigen en dat doet men door zijn vertegenwoordigers te kiezen. Onvermijdelijk botst ook die staatsvorm op zekere grenzen maar op een beter alternatief is het tot op heden wachten: de verfijning van de vertegenwoordiging is alles waarop men hopen mag. Hierbij oppert zich nog een extra onvermijdelijke malaise, namelijk het kwaad inherent aan de systematisering van processen welke nodig zijn voor het bestuur van een gemeenschap. In zijn Götzen-Dämmerung uit 1895 stelt Friedrich Nietzsche: “Der Wille zum System ist ein Mangel an Rechtschaffenheit.” Systemen immers zijn geen mensen en kunnen niet ter verantwoording geroepen worden, zij kunnen niet gestraft worden omdat zij niet kunnen lijden en leren, terwijl taken van levensbelang op hun 'schouders' worden gelegd. Men moet daarom altijd voor ogen blijven houden dat systemen werktuigen zijn: de verantwoordelijkheid voor hun werking ligt bij degenen die deze werktuigen maken en hanteren en zij kunnen zich niet zomaar aan hun verantwoordelijkheid onttrekken door de zwarte piet door te schuiven naar het 'helaas' onvolmaakte systeem, zoals onlangs een universiteitsrector meende toe mogen doen met betrekking tot het werktuig dat Artificial Intelligence heet, wat getuigt van onbegrip inzake de vertrouwenskwestie in het proces van het delegeren en wat uiteraard niet uitnodigt tot credibiliteit want voor hetzelfde geld wordt de relatie tussen de mens en zijn gebruiksvoorwerpen omgekeerd met onvermijdelijk de totale ondergang tot gevolg. Men mag geen macht in handen geven van Big Brother maar nog veel meer geldt dat men geen macht mag delegeren aan een golem. (J.B., 8 februari 2026)
|






