De wereld op zijn kop
|
De wereld op zijn kop Het is avond en donker, een man staat onder een lantaarn de grond af te speuren. – Wat doet u hier? – Ik heb mijn sleutelbos verloren. – Hier? – Neen, ginder wat verderop. – Waarom zoekt u ginder wat verderop dan niet? – Omdat het hier klaarder is. Er zit een logica in wat de speurder doet: in het donker ziet men niks en is de kans om daar iets te vinden nul, dus is alles beter dan dat. Gelijkaardig is het volgende probleem. In de kerk zit een weduwnaar, geknield en prevelend. – Wat doet u hier? – Ik bid voor mijn vrouw die overleden is. – Gelooft u dat ze dan terug zal komen? – Neen, maar als ik niets doe, zal ze zeker en vast niet terugkomen. Het geloof vertrekt van de machteloosheid, onder meer en vooral tegenover de eindigheid van het bestaan. Men weet dat de dood het einde is maar er is nog de logische mogelijkheid dat dit niet zo is, derhalve houdt men met die mogelijkheid rekening. Men vergeet dat men aldus het weliswaar eindige leven zelf ondergeschikt maakt aan een onsterfelijk bestaan waarvoor men geen andere reden heeft om aan te nemen dat het waar is dan deze dat zij een louter logische mogelijkheid is, dat wil zeggen een mogelijkheid die geen rekening houdt met de werkelijkheid. De absurditeit waaraan de gedragingen van de sleutelzoeker en de pilarenbijter onderhevig zijn, volgt uit een drang tot algehele controle over de zaken waarvoor wij sowieso de duimen moeten leggen. Die drang verplaatst het zwaartepunt van ons handelen van de concrete situatie in de wereld naar een afbeelding daarvan in ons hoofd. We stellen ons dan niet langer tevreden met schipperen, we wensen daarentegen alles te beheersen. Maar precies omdat die wens impliceert dat we gaan werken met iets dat volledig beheersbaar is, moeten we onze toevlucht zoeken tot een afbeelding van de werkelijkheid: de werkelijkheid zelf ontsnapt immers voortdurend en fataal aan onze greep. En het gevolg daarvan is dat datgene wat we dan gaan beheersen, een eigen fantasie is en zeker niet de realiteit. Edoch, op het vlak van eigenzinnigheid en koppigheid steekt de mens de ezel naar de kroon: hij wil alsnog zijn zin doordrijven en uiteraard kan hij dat pas doen als hij de ganse werkelijkheid reduceert tot de afbeelding die hij daarvan maakt in zijn hoofd. Vergelijk het met de wegenkaart die de autobestuurder naar zijn bestemming moet gidsen: de bestuurder volgt blindelings zijn gps en belandt in de vaart. Maar waar de ganse werkelijkheid dient herleid te worden tot het beeld dat men zich daarvan vormt, zijn de gevolgen eender en dan uiteraard ook ingrijpender. De wetenschap waarmee het mensdom zo hoog oploopt, is niets anders dan de reductie van wat echt is tot een prentje en waar men zich verlaat op wat zij allemaal uitkramen, herleidt men ook zichzelf tot een prentje van zichzelf. Het is warempel een oud zeer dat de hele westerse cultuur tekent en dat haar richting de ondergang voert. In zijn Kritik der Grundlagen des Zeitalters1 uit 1973 heeft Rudolf Boehm het over dit foute en uiteindelijk doodlopende spoor waarop ons denken zich begeven heeft. Boehm spreekt daar over het weten dat een doel op zich geworden is, een 'weten om te weten', vanuit een drang om te zijn zoals de goden: almachtig en onsterfelijk. Wat gebeurt tegen de prijs van het offer van het leven zelf.2 (J.B., 26 januari 2026) 1Boehm, Rudolf, Kritiek der grondslagen van onze tijd, Het Wereldvenster, Baarn. (Oorspronkelijk: Kritik der Grundlagen des Zeitalters (1973)). Nederlandse vertaling door Willy Coolsaet met een taalkundige revisie d.d. 2011 van Guy Quintelier. De integrale tekst van het werk is beschikbaar op het internet op het volgende adres: https://www.marxists.org/nederlands/boehm/1977/kritiek/index.htm 2Voor een synthese van dit werk van Rudolf Boehm, zie: J. Bauwens, Panopticum Corona, pp. 946v. Zie: https://blogimages.seniorennet.be/tisallemaiet/attach/170161.pdf |




