zaterdag 2 december
We hadden geen thuis.
Van de kasteelvrouw mochten we op het domein, waar nog mensen rondliepen, vertoeven tot het donker werd. We liepen langs moeilijk begaanbare schemerige wegen die hier en daar omsloten werden door hoge wallen en houten poorten. We klommen door bermen en langs vijverranden, tot we ontdekten dat de andere aanwezigen het domein hadden verlaten. Het werd immers donker, dan moest iedereen weg. Wij wilden ook weg maar vonden de weg niet meer terug, tot we op de binnenkoer van het kasteel terrecht kwamen.
Binnen brandde licht. We wisten dat het gebouw de enige uitweg was om te ontkomen. We wilden de eigenaars niet storen en kropen langs een keldergat naar beneden. Daar verzeilden we in een soort labyrint met gesloten ruimten volgestapeld met oude meubelen. Elke ruimte was verbonden met een nauwe doorgang die moeilijk te bereiken was. Plots bevond ik me in een groot stooklokaal met roodgloeiende ketels. De stokers liepen met kolenschoppen heen en weer. L. was met haar vriendin en de kinderen ergens achter gebleven. Ik wist niet meer waar. Ik vroeg aan de stokers waar zich de uitgang bevond, maar die wisten het zelf niet. Zij werkten er levenslang.
Ik wou terug. De doorgang vanwaar ik gekomen was, was verdwenen. Er stond nu een steile stenen trap die leidde naar een deur. Het koste me veel moeite om bij die deur te geraken omdat de trap geen leuning had. Achter de deur bevond zich een stoffige ruimte met kartonnen dozen. De kasteelvrouw was er ook. Ik was bang dat ze me als een indringer zou beschouwen, maar tot mijn verbazing wou ze seks, een vluggertje maar zonder voorspel. Het was al zolang geleden. Verukkelijk was dat.
Daarna toonde ze me een lange met baksteen gewelfde gang. Langs die gang kon ik naar de buitenwereld gaan.
Toen ik aan het einde van die gang de deur opende, scheen het zonlicht in mijn ogen. Ik stond in een drukke winkelstraat. L. stond me op te wachten en vroeg: waar ben je gebleven en waarom heb je geen kleren aan?


