ochtendhumeur
genadeloos opgestaan
in de ochtendlijke koffiedampen
gemaakte zucht
ordeloze, wat ontredderde, voortvluchtige geest
rusteloos op zoek in een boomgaard vol ontboezemingen
ochtendhumeurgenadeloos opgestaan
in de ochtendlijke koffiedampen
gemaakte zucht
ordeloze, wat ontredderde, voortvluchtige geest
rusteloos op zoek in een boomgaard vol ontboezemingen
rare vogelsDrie respectabele stadsidioten: een
prediker, een muziekant en een zwijger. Ze hebben iets gemeen: je komt ze
regelmatig tegen op diverse plaatsen, winter en zomer.
De prediker heeft zich het apostolaat toegeëigend. Niet op pauselijk nivo.
Neen, hij is een straatwerker die op ondenkbare uithoeken van het trottoir met
een blik op oneindig het woord gods verkondigt. Terwijl hij dat onafgebroken
doet, zwaait hij met zijn rechterhand, wijsvinger naar de hemel gericht.
Niemand luistert. Ik denk dat het hem weinig kan schelen, dat hij zich richt
tot een wereld die alleen voor hem toegankelijk is. Zijn ogen zijn nooit op
iemand gericht. Hij kijkt verdwaald.
Zo stond hij op een keer te preken voor een etalagepop, of was het zijn
weerspiegeling in de vitrine? Zou hij zichzelf herkennen in een spiegel? Ik heb
het hem nooit gevraagd.
De muziekant draagt een te groot verkreukeld grijs kostuum. Zijn grijzend haar
tot net over de oren is altijd in de war, net zoals hijzelf, wat
voorovergebogen in zigzag van het ene terras naar het andere lopend. Zijn hoofd
tikt dan afwisselend links en rechts naar beneden. Hij draagt in zijn
linkerhand een oude spaanse gitaar waarop nog vier snaren staan. Op elk terras
speelt hij tien seconden een melodie die hij alleen begrijpt. Dan tovert hij
uit zijn jaszak een kartonnen beker waarmee hij de tafels afschuimt. Ook dat duurt
niet langer dan zijn muziekstuk. Hij is het gewoon dat men niks geeft. Hij
heeft geen stem en speelt geen akkoorden. De mensen willen kwaliteit. Anders
geen geld.
Je ziet hem alleen bij zomerweer want binnen mag hij niet spelen. Ik wou eens
zijn gitaar stemmen maar hij hield ze krampachtig vast alsof zijn voortbestaan
bedreigd werd. Hij zwerft hier al jaren rond.
Ook de zwijger blikt naar oneindig. Ik schat hem rond de dertig. Nog te jong.
Hij stapt evenwichtig en draagt een volgepropte plastieken zak over zijn
schouders, meestal rechts. Zijn gevlochten haar bind hij omhoog. Je komt hem
zowat overal tegen in alle jaargetijden. Hij lijkt iemand te zijn weggeblazen
uit een gebroken samenleving.
Drie schimmen in de stad. We zijn bang om ze aan te spreken, om ons belachelijk
te maken. Iemand anders zal hen wel helpen.
Hoe was hun jeugd, wie zijn ze?
Ik heb het hen niet gevraagd.
are jou smoking?Are jou
smoking?
wablieft?
rook je?
neen, lieg ik
niet meer dus?
Ze moet het gezien hebben aan de bruine nicotinevlek op mijn middenvinger
Toen ik buiten ging volgde ze me
Heb je een sigaret voor mij?
neen
Ik keek naar haar blote voeten,
zag een glimp van schoonheid in haar vertekend gelaat
ik vertrok koelbloedig in burgerlijk fatsoen
ik had haar mijn propere sokken en sandalen kunnen geven
en wat tabak voor een halve dag
ik deed het niet
ik heb spijt dat ik het niet gedaan heb
mijn spijt achteraf
nachtfietsHet nachtelijke uur net overschreden lukt het me nauwelijks om gedachten tot bedaren te brengen. De middernachtstreep die mijn feestcultuur uit eerdere jaren bepaalde is allang naar het onverhevene verbannen. Mischien is het de zure nasmaak van champignons met look en alcohol van vier uur geleden die me toegang tot de eeuwige jachtvelden van de slaap ontzeggen. Kriebelig lustverlangen dat elke meditatieve poging tot verdrijving weerstaat. De nacht slaat op hol.
Ik fiets naar Zoersel.
Ben je gek geworden? Het is nacht. Zoersel ligt op tachtig kilometer van hier.
Ik weet het. Dat wordt zes uur rijden. Net op tijd voor een ochtendwandeling met J.
Ik wil niet dat je gaat.
En toch ga ik.
Neen. Je vertrekt niet. Het is te gevaarlijk.
Ik vertrek wel.
Terwijl ik mijn kousen aantrek knaagt de rede aan het avontuur maar er is geen houden meer aan. Niets kan me nog tegenhouden. Het is de koppigheid van een ezelsstier, de moedige onwetendheid van een soldaat op weg naar het slachtveld, eenzame fietser bekropen door de charme van de nacht. Licht uit, deur dicht, fiets bestegen om er pas af te gaan bij het krieken van de dag. Alleen de weg ligt me slecht in het geheugen. Was het langs het kanaal of de rivier? Ik laat het aan het toeval over. Zoersel ligt in het noorden. Kan niet misgaan. De wegen worden nu nauwelijks bereden. Het is maar tot in Mechelen dat me op straat iets kan overkomen. Van daaruit fiets ik langs het kanaal naar Lier. Geen kat die daar de straat nog oversteekt. En dan verbleekt de zwarte sterrenloze lucht, zijn wolken nog bergschimmen in het noorden, daar ligt Zoersel, ontwakend uit de slaap. Luie zaterdagochtend niet aan mij besteed. De wereld geeuwt.
veldtocht
donderdag 22 maartMijn ouders hadden beslist om het huis op te knappen en de tuin heraan te leggen in de komende vakantie. Mijn broer en ik moesten meehelpen. Ik had er helemaal geen zin in. Ik wou op reis naar Marokko. 'Doe niet zo vervelend' zei mijn broer. Pa was in alle staten. Ma zoals altijd vol zelfbeklag. Ik was de zoon die hun in de steek liet, de afvallige zoals altijd.
's Zaterdags vertrok ik te voet naar een ver afgelegen bushalte. Ik wou naar zee om daar mijn reis te boeken. Mijn broer ging mee.
Ik miste echter de bus en wachtte dan maar aan een verderop gelegen tramhalte. De tram komt eraan. De rit kost vier euro en je moest betalen met twee stukken van twee. Terwijl ik in mijn geldbeugel zocht viel het kleingeld op de vloer. De trambestuurster snelde me te hulp. We stonden gebukt de munten van de vloer te rapen toen haar ogen toevallig in de mijne keken. Ze had mooie ogen. 'Je ziet er lief ouderwets uit met die velouren vest' zei ze.
Halverwege naar de stad waar ik de trein zou nemen, stapte ik af en liep verloren in een overdekte parking. Gelukkig kwam ik bekenden tegen. Het waren oud collega's. Kom mee iets drinken, zeiden ze. Ik hoor er niet meer bij maar toch ging ik mee naar het cafetaria van hun kantoor. Daar gingen ze in groepjes van vier zitten. De nieuwe directieleden zaten appart te vergaderen. Vreemd was dat. Ik dronk met de kuisvrouw hete chocomelk met een scheutje Cointreau. Dan ging ik verder.
Buiten stond mijn broer te wachten. L. was er ook bij. Ze had de hond en enkele kennissen meegebracht. Ik heb mijn broek niet meer aan! Met een deken rond mijn middel ging ik ernaar op zoek en vond ze algauw terug besmeurd met modder. Gelukkig had ik één in reserve mee. Ik was nu al een halve dag onderweg. Zou ik het werk verwittigen?
Onnozelaar, zei mijn broer. Het is zaterdag.
Uiteindelijk beslis ik om terug naar huis te gaan. Daar hadden pa en ma de tuin in orde gebracht. Pa was ondertussen aan het huis begonnen en ma zei geen woord. Ik zei hen dat ik niet naar Marokko zou gaan. Ze luisterden niet eens.
Plots sta ik in mijn eigen tuin. De haag is pas gesnoeid en de poort staat open. De hond is weggelopen. Ik hoor haar in de verte jankend vechten.
Er komt een ruiter heelhuids op zijn paard voorbij. Oef...ze heeft het paard niet gebeten. Mijn opluchting is maar van korte duur want nu komt er een vrouw aan de poort opdagen, wenend en bebloed door hondebeten. Aarzelend blijft ze staan. Ik breng haar naar de binnenkoer en wil een dokter bellen.
Ondertussen is L buiten gekomen. 'We kunnen haar zelf wel verzorgen' zegt ze. Ik heb nog een vaccin tegen hondebeten in de schuif.
droomvannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen
dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen
vitrinekast
cafébruxelles
gesprek
Marcel
grijze zaterdag
De eerste keerwoensdag 4 mei:
Ik kon niet wachten en ben gisterennamiddag reeds vertrokken.
Heb in Zoersel buiten geslapen. Daarna tot bijna in Tilburg gefietst en tent
opgezet in bos. De tent is net groot genoeg voor een persoon in foeutushouding.
Het is nog niet donker als ik in slaap val.
donderdag 5 mei:
Het was koud vannacht. Bij het krieken van de dag vertrokken
naar Tilburg. Niks bijzonders met die stad. Lelijke appartementsgebouwen en
geen monumenten.
Van Tilburg naar Waalwijk. Deze kleine stad heeft iets: op een binnenplein is
een eetcafé waar ze uitsmijter roastbeef en lekkere koffie serveren. Dat doet
deugd. Ondertussen is het elf uur en ben ik op weg naar s'Hertogenbosch. Het
loopt langs een breed fietspad doorkruist met kleine waterlopen. De zon heeft
de kou verdreven.
20h: ben in Culemborg, zo'n 20 km van Utrecht. Het blijft droog en het is nog
niet te koud om te fietsen. Opnieuw uitsmijter op terras met een Duvel. Straks
fiets ik verder. Met wat geluk vind ik voor het donker wordt een geschikte
plaats om te kamperen.
vrijdag 6 mei;
Het heeft vannacht geregend en behoorlijk gewaaid. De tent bleef
min of meer droog. Had net op het einde van de avond nog een toffe plaats
gevonden, beschermd tussen bomen. Dat krampachtig inslapen begint te wennen. Ik
ga slapen als het daglicht verdwijnt en sta op als het terug opkomt.
Daarna ga ik verder, zoek s'avonds een plaats, slaap en vertrek opnieuw.
Ik wordt s'nachts wakker door de regen, heb het s'morgens koud. Ik ontdek een
andere werkelijkheid en voel me bijzonder gelukkig.
De wind blijft waaien. Echt koud is het niet. Ik fiets verder naar Amsterdam (
nog ± 18 km ) .
Amsterdam is niet meer wat het vijfendertig jaar geleden was. De hippies zijn
ouwe fatsoenlijke burgers geworden, bedienden, bedrijfsleiders, arbeiders met
pensioen, ze zitten in de politiek. Zie ze daar nu wandelen in dat park van
toen, met een poedel aan de leiband.
Ik koop schoenen. Door dat buitenleven zijn mijn sandalen iets te koud. Bij
dageraad worden mijn voeten nat van de dauw in het gras.
± de middag voorbij: ik eet in een koffieshop drie space-cakes. Drie kwartier
later begin ik het te voelen. Het is zo fijn dat ik de nacht doorfiets langs
Haarlem tot Leiden voorbij. Daarna komt het daglicht vantussen de wolken, eerst
als een purperen schijn, dan roze.
zaterdag 7mei:
Ondertussen is ook de zon opgekomen. Ze ontdooit mijn vingers en
verdooft de pijn in mijn gekloofde duimen. Het verkeer komt op gang, mensen
komen op straat, winkels gaan open. Het leven herpakt zich. Ik ben niet meer
alleen.
In Gouda koop ik bewust geen Goudakaas. Vandaar gaat het naar Rotterdam en
wordt ik me ervan bewust dat ik morgen thuis moet zijn. Rondslenteren in deze
stad zit er niet meer in. Ik voel me trouwens ondertussen gegeneerd om nog
ergens binnen te komen. Ik heb me vier dagen niet geschore,, niet gewassen.
Mijn haar plakt tegen mijn schedel. Ik ben zo vuil dat ik eigen stank niet meer
riek. De properheid van de passanten riekt naar parfum.
Vanaf nu wordt het fietsen tegen de tijd. Opnieuw fiets ik de nacht door.
Rond een uur of drie s'morgens heb ik langs de ring rond Breda de weg gevonden
naar Roosendaal. Nu is het rechtdoor langs Wuustwezel naar Antwerpen.
Achtenveertig uur fietsen zonder slaap verandert mijn wereldbeeld. Wat
overblijft is een decor waardoor ik me beweeg. Tussen nacht en dag is er een
moment dat de straten verlaten zijn. Dat duurt niet lang maar het is prachtig.
Net alsof je in een verlaten wereld bent. Je voelt wanneer alles inslaapt en
opnieuw ontwaakt.
Ik weet nu een-duizendse van wat daklozen voelen: schaamte voor de vuiligheid
op het lijf, het gevoel van eenzaamheid, de wereld bekijken zonder erbij te
horen. Vrijheid is die prijs niet waard. Daar ben ik zeker van.
zaterdag 27 januariUitgeslapen, hondestronten opgeruimd, stenen plinten hersteld, leeggoed weg gedaan,
een halve kilo gehakt gekocht, hout gekliefd, een fles sterk wijwater gekocht voor morgen
op de brunch, de vloer gedwijld, de vorm van mijn boek wat bijgewerkt, de vuilbak leeg gemaakt,
tanden gepoetst, oksels en geslachtsdelen gewassen met heet water, haar gekamd, niet geschoren,
eten klaar gemaakt, keukenafval op de mesthoop,...en voor de rest onder de parasol in motregen
gezeten, schreeuw ik zacht: genoeg gewerkt op een zaterdag!
Nu dansen we in een ritme van een-twee-drie-hop. Eerst zacht tot het levenssap uit onze gestrengde
vingers druipt.
Zeg niks men liefste en laat me in een pauze aan mijn vingers rieken. Daarna dansen we wellustig
in schemerlicht verder op dit plaveisel en wil ik een prins zijn die verschijnt in uw mooiste
dromen, uw schouder zacht aanraken zonder dat ge de eelt op mijn vingers voelt.
Omhels me met je ogen tot laat in de nacht.
vrijdag 26 januari Stem die gitaar met uw vingers. Ge zijt het niet anders gewoon.
ça va
Ik ben al blij dat ik zijn instrument mag aanraken. Ondertussen is het al een dag later.
Mijn liefste, probeer ik te schrijven.
Mijn liefste, vraag ik mij af waarom ik dat probeer te schrijven.
Mijn liefste, heb ik nu geschreven.
ik bedoel haar,
haar innige bekoorlijkheid om me heen
kijk ik naar haar
of neen, niet alleen naar haar
25 jan
vrijdag 19 januarioverleven, niemand zijn, wegsmelten als sneeuw.
Ik wil we niet meer. Het moet ophouden te bestaan.
Die lucht, wat sta ik ernaar te kijken alsof het de laatste keer zou kunnen zijn.
Het is alsof ik op een hoogvlakte lig. Heb ik niet teveel gezondigd in dit leven?
Licht is anders dan het gedonkerte.
Licht belicht en werpt schaduwen neer.
Licht kan gloeiend zijn. Het maakt dingen tot schijn.
Wat je aanraakt heeft een kleur, is blijdschap die je voelt.
Ik zie het met mijn ogen.
Ik zie niet wat jij gewaar wordt in die onomkeerbare stilte in het donker. Je hebt
niets anders gekend. Het zal nooit anders zijn.
Toch wil ik het beschrijven in jouw gedachten.
De zon is een vuurbol en doet pijn als je er lang naar kijkt. Ze werpt onze schaduw op de grond.
Dat kunt ge U niet inbeelden want ge hebt het licht nooit gezien.
zonder titel
Kanaal
zonder titel