cafébruxelles
Ik verveel me dood. Zo geraak ik in mijn dagboek verzeild waaruit onderstaand citaat geschreven op een zomerdag zeven jaar geleden:
Zit in een café in Brussel voor open raam. Naast mij leest een man een krant. Langs het trottoir stappen vrouwen met waggelende borsten. Mensen gaan op bus. De man met krant is weggegaan en twee vrouwen komen op de plaats waar hij gezeten heeft. Ik riek hun parfum. Bus wacht tot het tijd is om te vertrekken. De chauffeur leest ook een krant. Ze roken naast mij een sigaret en drinken koffie. Ze spreken frans. Er loopt een dikke Marokkaanse vrouw met drie dochters voorbij. De twee vrouwen naast mij zijn zwijgzaam. De oudste hoest en de jongste staat op om te betalen. Wanneer ze vertrekken heb ik met een van hen een ogenblik oogkontakt. Dat jeukt. Vlak voor het raam is iemand pas gezeten. Ze draagt een flinterdunne gouden ketting rond haar hals. Ik zie alleen maar vrouwen om me heen. Ze overbevolken deze wereld, mijn wereld. Haar oorringen zijn ook van goud en haar acajou gekleurd haar is opgestoken met een witte speld. Iemand zei me ooit dat dat een diadeem is. Ook zij rookt een sigaret. Ik kan haar gelaat niet zien want ze zit met haar rug naar mij gekeerd, ik aan de binnenkant en zij aan de buitenkant van het venster. Wat zou ze vannavond doen, hoe laat gaat ze slapen, heeft ze een minnaar, waarvan houdt ze?
Ze heeft een moedervlek in haar hals. Ik vraag me af hoe ze schreeuwt wanneer ze klaar komt, of ze zich laat penetreren zonder liefde, uit pure nieuwsgierigheid hoe het met een ander is. Het blijft regenen en de bussen blijven vollopen met passanten.


