parfum
dan vouw ik mijn duim en wijsvinger in een kromming
en riek ik in de holte van mijn hand
het is een bezigheid die me op dit moment zint
parfum
koersNummer eenentwintig
gaat winnen.
Neen, nummer een.
Eenentwintig klinkt
beter. Nummer een maakt geen kans.
Ik heb net gekozen voor nummer
een omdat het zo kansloos is. Dat maakt de keuze spannend.
Ik kies voor
eenentwintig omdat het zo kansig is.
Dan barst hij in
lachen uit. Het verwondert de vrouwen niet eens. Ze zijn gewoon dat we af en
toe
in alle ernst tegen
elkaar zeveren.
Een van hen gaat uit
de bol en drukt haar vrouwelijkheid onachtzaam tegen mijn verouderd lijf.
Vegetarische Lasagne
is haar specialiteit. Ze luistert niet eens als ik iets zeg.
Het is hem niet
alleen om het eten te doen maar om de bijeenkomst, het samenzijn. Onze
gedachten
snuffelen met elkaar.
Buiten koersen
wielrenners om te winnen. Er is volk op straat. Een chanse dat het zonnig is.
Ze spurten de laatste
ronde. Wie wil nog champagne en chocoladetaart?
Je schrijft altijd
over datzelfde.
Ja, ik kan het me niet laten. Vandaag heeft het geregend,
gestormd, en uiteindelijk staan de sterren nu aan de hemel. Wat anders
bewoog komt nu samen in een stilstaand moment.
Ik zit er buiten naar te kijken samen met een onbestaande.
Geloof jij in God, vraagt hij.
Door de ernst van het onbekende gegrepen antwoordde ik: ik geloof in de
uitdeining die ik in de verste verte niet kan zien. Wat daaraan
voorafging is een mysterie.
Ik dacht uit het niets te komen en naar het niets terug te keren. Niet zomaar
niets maar
het "niets" als een vormloze ongestalte,
maar iets komt niet uit het niets, want moest dat zo zijn zou het niets zijn.
Dat we uit het niets in een bestaan terechtkomen heet dan ook een halve
waarheid te zijn. We herinneren ons het voorgaande niet, dus noemen we het
niets. Dat we naar het niets terugkeren is ook een zinsbegoocheling, want wat
aan zijn einde komt sluit zich slechts in onze ogen en stapt door de
duisternis opnieuw tot in het licht. Als het leven breekt ontluikt het
nieuwe op eigen kracht.
De onbestaande had tot nu toe gezwegen. Dan vroeg hij: wat bedoel je daarmee?
Wel, antwoordde ik: wanneer de wind gaat liggen in mijn gedachten
houd ik me bezig met daadwerkelijkheden. Eergisteren heb ik me uitgesloofd met
bezigheden waarvan je achteraf niets merkt, alsof die bezigheden nooit hebben
plaatsgevonden.
Moesten die bezigheden er niet geweest zijn, zou je merken dat ze niet hadden
plaatsgevonden.
Ik wachtte tot de onbestaande me nog iets zou vragen maar hij was alweer
verdwenen.
Ben jij God misschien, mompelde ik vooraleer in een zoete zorgeloosheid naar
binnen te gaan.
Zijn die dagen van ons die voorbij zijn volledig verdwenen en is er niets van
overgebleven?
maandag 26 februari 2007Twee kompanen hadden me gevraagd om mee te
helpen met een overval op een geldtransport.
Zij bij mij en ikzelf hadden aanvankelijk
toegezegd maar uiteindelijk haakte ik af omdat
een van hen een vuurwapen zou meenemen. Zij
bij mij wou meedoen. Ze hadden een
bestuurder voor de vluchtwagen nodig.
Ik probeerde haar te overtuigen om af te zien
van het voornemen maar er was geen houden aan.
Elke dag ging ze weg om met die twee te
oefenen voor die fatale dag.
Ik voelde me bedrogen en in de steek gelaten.
In een ultieme poging om haar te overtuigen
niet mee te doen, zei ze dat ze haar vrienden
niet in de steek kon laten. Ze hadden een
chauffeur nodig.
Zoveel bereidwilligheid voor twee gangsters
was me te veel. Ik besloot haar te verlaten.
De bus die ik genomen had zat stampensvol.
Bovendien reed de chauffeur roekeloos.
Ik stapte drie haltes verder uit en ging te
voet verder naar de plaats waar de overval zou gebeuren.
Naar de avond toe ging ik schuilen in een
overdekt hondentoilet. Er kwamen mensen binnen met een kat.
Het duurde niet lang of het stonk er naar
kattenpis. Ik ging verder tot in de straat waar het geldtransport
morgen zou overvallen worden. Er was een
buurtfeest met bejaarden waarvan ik de meeste kende.
Ze lachten en klampten me aan. Blijf bij ons
want vannacht gaat het onweren, riepen ze.
Aan tafel vertelden ze me dat morgen in de
straat een hold-up zou gebeuren. Iedereen wist ervan.
De politie zou massaal aanwezig zijn.
Ik stond aan de grond genageld. Ik hield nog
van haar. Ik moest haar zien te bereiken maar
niemand had een telefoon op zak.
Dringend terug nam ik de kortste weg langs
onverlichte veldwegen en klauterde ik langs heuvels
door het slijk.
Thuisgekomen zag ik dat ze weg was.
Ondertussen begon het al in de ochtend te schemeren.
In mijn wanhoop klopte ik bij de buren aan.
Die wisten me te vertellen dat ze met twee rare venten
net vertrokken was. Zelfs met de fiets zou ik
nooit op tijd ter plaatse zijn.
En dan, toen ik op instorten stond, kwam ze
binnen. Ze had zich bedacht.
Opgelucht ging ik het huis uit.
Waar
ga je naartoe, vroeg ze.
Ik weet het niet, maar ik kom niet meer
terug.
Ik had gehoopt dat ze mij zou vragen om te
blijven.
Neem
dan ook de hond mee, zei ze.
Ik hoor opnieuw krekelgeluiden; een concert
van Carlos Santana.
Het ritme van de tabla’s doet me denken aan
het klauwen van een spinnende kat.
Kijk hoe de klanken dansen, ze hebben een
doel.
Godenmuziek. Het paradijs komt in beweging.
Stilstand komt tot leven in dit muziekstuk.
De onzichtbare beweging van geluid dat mijn
lastige oren streelt.
Hoe meer ik me laat gaan, hoe zinniger worden
mijn woorden.
Ik wou voor een ogenblik in een woordenboek
begrijpen wat "zinnigheid" is, en
of ik dat dan ook correct geschreven heb op
dit ogenblik.
Zinnigheid is: ik heb geprobeerd het na te
gaan maar het heeft waarschijnlijk
zoveel betekenissen dat het misschien
onbestaand moet blijven.
gegrom
poez
verjaardIk moest van mijn moeder opnieuw trouwen voor de kerk. Zij droeg een versleten trouwkleed.
Ik had mijn werkbroek en houten klompen aan. Het schemerde in de kerk.
De pastoor stond op een balkon in de gewelven. Hij zei geen woord.
Uit het publiek, dat niet alleen uit familieleden bestond, klonk geroezemoes. Ik hoorde
mijn moeder huilen en mijn vader schreeuwen: we komen niet naar het feest!
Onderweg vroeg een verloosd kind op een driewieler de weg. Ik was bang dat het in het
verkeer zou overreden worden en nam het mee, samen met een schurftige hond langs een kronkelende aarden weg.
We kwamen mijn broer tegen maar die wou niet mee omdat verderop een slang lag te slapen. Afkerig
ging hij verder.
In het huis was een bouwvallige ruimte waar ik met haar en tien vrouwen matig
in drankzucht vierde. In de deuropening was een linteel losgekomen en begon het metselwerk
uit te kavelen. Er sijpelde water door.
Terwijl de vrouwen verder vierden begon ik met een truweel te metsen.
'Het is allicht roekeloos om aan de geschiedenis eigentijdse pretenties te ontlenen' zegt Hugo.
Vandaag is het vierentwig jaar en een voormiddag geleden dat mijn oudste zoon geboren werd.
Ik denk dat het op een dinsdag was. Wat ik zeker weet is dat het die nacht vroor.
Gisteren, vierentwig jaar later, stond ik als een passant in de tijd met innerlijke vrolijkheid naar drie eenden te kijken.
Ik heb onlangs bij toeval met voorbedachte rade ook twee vrouwen ontmoet,
vrouwen uit een verleden. Ze zijn me in de tijd niet vergeten. Ik hen ook niet.
Ze hebben iets gemeen: geen man kan hen enige tijd overleven. Ze hebben ongewild krassen op hun ziel.
Ook al vlechten ze hun vingers biddend opdat liefde niet luwen zal, hun handen branden en de ondeugd glimlacht constant.
Mannenhaters.
Dat maakt hen zo aantrekkelijk. Heldhaftige vrouwelijkheid tegenover
zelfvernietigende mannelijkheid. Hun diepte blijft me inspireren.
Nog maar één keer vertel ik in een schrijven dat zich afspeelt in het grensgebied tussen de straat en een zeer beperkt publiek.
De limiet tussen leven en verbeelding is daarbij flinterdun.
En dan is er nog die andere. We kennen mekaar al meer dan vijfendertig jaar zonder een intiem lichaamsdeel aan te raken.
Ik ben zo nalatig om de uitdrukking van mijn schrijven in deze spraak niet te verliezen. Denk ik toch, of is mijn gedachte
zo nietig in mijn eigen onzekerheid?
En dan zij van ik bij haar. Ongelooflijke vrouwelijkheid met verstand. We delen al langer dan onze verzuchtingen dit leven.
Ik
weet het, ik ben een geile vijftiger, een naieve dromer en ik mors
koffie over mijn kleren terwijl ik in zonlicht kijk naar een dame op
een terras.
'De groeiende tolerantie tegenover de excessen van
rijkdom gaat hand in hand met een toenemende aanvaarding van armoede',
schrijft Paul Goossens in 'De Morgen' op 31 maart 2007.
De lucht wordt roze. Ik sta als eerste op en begin de tafel af te ruimen.
Dan komt A. Ze maakt koffie. Dan komt de zon. Daarna komt hij en nog later zij van mij.
Vlakbij is een struik die op citroenkruid lijkt.
In dit openbloeien van de dag verspreidt ze haar bedwelmende geur als een onevenaarbaar
parfum. De nectar glinstert in haar groene blaadjes. Het is alsof deze struik
ons wil verblijden.
Dankbaar streel ik haar opdat mijn hand haar geur moge dragen.
Dankbaar kijk ik naar mijn evennaasten omdat we onze aanwezigheid kunnen verdragen.
Dat de hemel onbewolkt moge blijven. Verstijfd door de nacht zitten we met
onze blik naar het Oosten gericht.
Ik ga te voet langs een grove asfaltweg naar beneden. De weg stopt in
een klein dorp. Twee in het zwart geklede vrouwen lammeren tussen de olijfbomen.
Het zijn de enige dorpelingen die ik tegen kom.
Dan begint de klim langs dezelfde weg naar boven. Mijn lichaam verhit. Het zweet
druipt. Toch doet het geen pijn. Integendeel, het schept een vermoedelijk welbehagen.
Net over het middaguur ben ik terug. We brunchen met hesp, tomaten, eiersla,
geroosterd brood met gepureerde tomaat en look, champagne...en push-café.
Vandaag is het heter dan voordien. Straks gaan we ergens naartoe. Ze hebben
me een Romeinse heirbaan en een oude vestiging van de Arabieren beloofd.
Hij slaapt voor een half uur. Ik weet dat ik hem dan niet mag storen in
zijn zalige rust. Hij zal straks rijden.
Zij en zij zijn op het laagst gelegen terras. Af en toe ga ik er langs om
hun vrouwelijkheid te voelen. Ze vervullen mijn decadente ziel met vreugde, en besef ik
hoe hopeloos en eenzaam dit leven zonder hen zou kunnen zijn.
Zonder hen zou ik misschien een zwerver zijn die de societeit zou bavereren. Nu is het
alleen mijn ongeschorenheid en af en toe drankzucht die ze moeten tolereren. Dat is
de prijs die ze er voor betalen. Ik ben het lot er dankbaar voor.
Welriekende dames denken dat ze naar het zweet rieken. Zij van mij zegt: ik doe
een andere blouse aan.
Zij van hem slaakt een gelukzalige zucht, en vraag ik: hoe moet ik dit nu beschrijven?
Meer kunt ge daar niet van zeggen, antwoord ze
Zij, waarvan hij het kan aanvaarden, maakt hem wakker. Nog een sigaret en dan vertrekken wij.
In dit prachtig dorp hebben we vijgen en boerejongensdrank gekocht. Nu aperitieven we
terwijl we het avondmaal bespreken. Ik zit buiten net zoals eergisteren voor een witgekalkte
muur te schrijven. De avond koelt de buitenlucht maar het wordt niet koud.
Ik hoor hun spraak als een melodie zonder het te verstaan. De borden kletteren als simbalen.
Hij doet de afwas.
En de maan, die is nu volwassen. Ik kijk ernaar. Even maar kan ik haar gloed bekijken.
Zij van mij komt buiten en legt haar hand op mijn schouder. De hemel is mooi, zegt ze.
Ik weet dat ze geluk voelt.
Scheer U, barbaar!
Hij heeft zich ook geschoren. Een vent met een grijze stoppelbaard en zonder tanden
brengt geen jolijt bij gesoigneerde dames. Ik wil mijn krediet in baldadigheid niet
verliezen. Het scheermes schraapt mijn kaken en kin glad. Zelfs mijn opkomende
snor gaat eraan. Ik wrijf mijn gelaat ter goedkeuring tegen hun ongeschoren vrouwengezicht.
Hij zegt: ik doe dat ook tegen mijn goesting.
De nacht voorbij. Dit wordt complete anarchie. Alleen kinderen en ezels schreeuwen nu
niet meer. Het is genoeg geweest.
getuigenis
zieda
feest
maandag 26 maart 07
iemand zegtHet is mistig hier. de lucht lijkt op mat glas (koepel van opaal acriliet).
Het is vochtig en als je binnen het licht niet aandoet blijft het donker.
Het is ook fris. Geen lentegeur in de lucht. Een geur van smog zelfs op de boerenbuiten.
Ik sta buiten moeilijke boomstronken te ontwrichten met een kliefijzer, een bijl en mijn
"dikke hamer".
Mijn schouder doet pijn. De steel van mijn hamer is nu afgebroken.
In de haag zit een merel te broeden en in de klimop een mus. Ze zijn niet schichtig als ik buiten kom.
Ik heb ook een krant gekocht maar die ga ik nu niet lezen. Dat is voor vanavond na het eten.
Vanmorgen
heb ik vier schapenkotteletten gekocht...een kleine bloemkool, wat
gehakt en tomaten. Er is nog een courget en een paprika in huis.
aan de overweg van verkeer
schuurt lawaai de tijd
gewetenloos stilte doorbrekend...komaan Warket, hou nu op met dat gelul en beschrijf wat ge ziet.
Bekijk dat zagemeel in dat roze lichtschijnsel en zie die verroeste kachel daar buiten staan.
Het is hier verdomme stil. Niks beweegt. Zelfs de tijd neemt een pauze. Dat kan een mens niet ontgaan.
We wonen in een dorp dat verschroeit in moderniteit. Het begon
toen ze die ouwe boerderij sloopten en er een appartementsgebouw
bouwden. Daarna nog meer. Het dorpsplein werd geplaveid en er kwam een
vijver met een fontein. Meerwaarde voor vastgoed en commercianten. Nog
een paar cafés en een verkaveling erbij. De leeuwerik hoor je niet meer
met al dat lawaai. Dit dorp raakt overbevolkt.
Komaan, zeg dan gewoon dat je dit dorp klote vind in plaats
van tweehonderddertig letters hieraan te spenderen. Wees nu eens
eerlijk: is dat echt de moeite waard?
Wie ben jij, dat ge mijn schrijfsel zomaar doorbreekt?
Ik ben wat jij geschapen hebt in uw waanzin.
In mijn pyjama kijk ik buiten naar die verroest kachel. Het is niet koud en niets beweegt. Ze heeft gelijk. Ik kan er beter naar kijken.
tussen 5 juni en 10 juni 2005
Dit is het beste moment om nieuwe woorden, zinnen, uitdrukkingen te verzamelen. Mijn geest is nog helder na de slaap, geprikkeld door koffie en een sigaret.
Ik lees recensies van woordkunstenaars in de weekendkrant.
krantenlezer op zondagochtend
in versneld tempo de wereld vernemen
ik lees:
om een vrouwtje het hof te maken bespaart de mannelijke fruitvlieg zich kosten noch moeite. Er komt een ingewikkeld spel bij kijken, waarbij hij haar zachtjes aantikt met zijn pootje, zingt met zijn vleugels, die laat trillen en het vrouwtje uiteindelijk likt.
zenuwslopende vertedering
ik lees:
als de euforie van de revolte langzaam wegebt, als de vernielzucht en de baldadigheid geconsumeerd zijn, resten nog het puin en de scherven
ik lees:
autisten noemen ons “ neurotypical “. Ze vinden goedendag zeggen tegen de mensen onzinnig omdat je ook geen slechte dag zegt. Dat geldt ook voor hoe gaat het?
Ze vinden dat andere mensen zich te veel verliezen in verbale zinloosheid. Ze kijken naar hoe andere mensen hun eigen gevecht leveren
de verlichting tegen romantiek
Ik wou dat ik even veel geld had als levenslust
miljardair en onsterfelijk
alhoewel
mensen hebben niet alleen het recht om te leven
maar ook de plicht om te sterven
zich onderwerpen aan het genadeloos sloopwerk van de natuur
hooguit het recht om hun lijk te laten bewaren in vloeibare stikstof
misschien maken ze het wel met het gemak van een vingerknip
wakker binnen duizend jaar in een totalitaire staat zo onbewoonbaar als de hel
wakker worden met onvrijwillige herinneringen
willekeurig en ongrijpbaar als beelden voortgebracht door de verbeelding en tenietgedaan door de werkelijkheid
als een droom die vervaagt in het verloop van de dag
tot zijn denkbeeld helemaal verdwenen is.
We hebben een vernissage gemist. We zouden een uitnodiging gekregen hebben, blijkt achteraf.
Uitnodiging uit brievenbus gewaaid of achteloos op schouw blijven liggen
weet ik veel
nooit gezien
slordig in het leven
met dag vertraging er naartoe
Op de trap dacht ik: het is hier warm voor een zomerse dag
ik voel me onwennig zo dicht bij een kunstenares
gelukkig is L. erbij om het ijs te breken
Het heeft iets, kunst
die sublimatie van gevoelens
om het dagelijkse te doorbreken
de toeschouwer te overtuigen en te laten herkennen
wat al aanwezig is
die onmatige bezieling
Mijn portret hangt ook aan de muur
ik, met ontbloot bovenlijf
en verder, gekleed in een vervallen kerk
hij heeft het beste van mezelf verbeeld
dat komt doordat we tezamen ‘s nachts sprakeloos een eiland
onbewoond en omringd door water bewoond hebben
en zij
ze toont haar diepste gevoelens met haar kunst
majestueus
het ongekende kenbaar maken
Ik zei: ik kan je grillige vindsels bezorgen
ze zei: ja, doe dat maar
ze zei nog zoiets van die e-mails
ik verstond het niet
en antwoordde: ja, waarom niet
Nu we weer thuis zijn is de berk goud gekleurd
hij beweegt met de wind
Ik begrijp nog altijd niet waarom dit geschreven wordt. Ik heb geen mening. Dat is voorbehouden aan populisten en makelaars in angst om het publieke debat met druktemakers in stand te houden.
voor de spiegel, ja, dat wel
voor een spiegel zonder mening
Misschien ben ik de laatste, maar ik weiger om aan die trend van meningen mee te doen
dan nog liever een zinloze kreet als uiting van anarchistische vrijheid
in een zoektocht naar genot
genot in een kasteel van kuisheid in zonde
woorden schikken als bloemen
het komt altijd ergens terecht
zonder einde
oefening in de vorm van klinkers
medeklinkers en er lettergrepen van maken
een woord in schepping
nu nog een zin
en dan een betekenis zonder vervaldatum
leuteren en rochelen
in een stinkende brij met veel vliegen
betekenis zonder mening
Als je goed kijkt in tegenlicht
zie je het leven krioelen
het leven overleven
onvoorbedacht
als een ouwe kater die over een kasseiweg loopt
in windstil
niets beweegt in deze vooravond
Waarom ben je zo goed gekleed?
overschot van gisteren
hij vind het grappig
maar dat is het niet
omdat het gewoon overschot van gisteren is
Ik ga met mijn wijsvinger diep in mijn neusgat op zoek naar een kabbisch
met opengevallen mond en gesloten ogen
het is een vorm van bidden
god bestaat in mijn neus
zij, hij, ze, men
in mijn neus
ik begrijp nog altijd niet waarom dit geschreven wordt
ik heb geen mening
voor een spiegel, ja, dat wel
voor een spiegel zonder mening
en dan een kreet
in een zoektocht naar genot
het komt altijd ergens terecht
betekenis zonder mening
Het is normaal dat vandaag gisteren niet was
de dag was onvoorspelbaar
toeval
gecontroleerde dwaasheid
het gaat op en neer
tussen paars, wit en geel
en een wolkenloze hemel
staar ik naar al die schoonheid die deze wereld siert
ik heb geen mening
wel een kreet
in een zoektocht naar genot
Ik knip het haar
bijna bij middernacht
van een volwassen zoon
verwekt
zij heeft hem gebaard
en nu, zoveel later
knip ik zijn haar het middernachtuur voorbij
ik heb geen mening
wel een kreet
en een schaduw
en de zon
en de maan
schaduw in maanlicht
ik, geen mening, een kreet, een schaduw in zon en volle maan
Twee tienermeisjes
zo natuurlijk liggen ze daar
met blote billen in het gras
op de weg komen mensen voorbij
ze kijken naar me, denk ik
of ze gluren naar die jonksheid in het gras
en twee japanners recht voor mij op een bank
een man en een vrouw
ze heeft een mooie decolté
ook ik gluur naar hun samenzijn
al die menselijkheid toevallig hier
om en rond een bank
Hier lag ik
was ik
een afdruk in het graan
met een schaduw
tussen passanten
in de naam van mezelf
ochtendhumeurgenadeloos opgestaan
in de ochtendlijke koffiedampen
gemaakte zucht
ordeloze, wat ontredderde, voortvluchtige geest
rusteloos op zoek in een boomgaard vol ontboezemingen
rare vogelsDrie respectabele stadsidioten: een
prediker, een muziekant en een zwijger. Ze hebben iets gemeen: je komt ze
regelmatig tegen op diverse plaatsen, winter en zomer.
De prediker heeft zich het apostolaat toegeëigend. Niet op pauselijk nivo.
Neen, hij is een straatwerker die op ondenkbare uithoeken van het trottoir met
een blik op oneindig het woord gods verkondigt. Terwijl hij dat onafgebroken
doet, zwaait hij met zijn rechterhand, wijsvinger naar de hemel gericht.
Niemand luistert. Ik denk dat het hem weinig kan schelen, dat hij zich richt
tot een wereld die alleen voor hem toegankelijk is. Zijn ogen zijn nooit op
iemand gericht. Hij kijkt verdwaald.
Zo stond hij op een keer te preken voor een etalagepop, of was het zijn
weerspiegeling in de vitrine? Zou hij zichzelf herkennen in een spiegel? Ik heb
het hem nooit gevraagd.
De muziekant draagt een te groot verkreukeld grijs kostuum. Zijn grijzend haar
tot net over de oren is altijd in de war, net zoals hijzelf, wat
voorovergebogen in zigzag van het ene terras naar het andere lopend. Zijn hoofd
tikt dan afwisselend links en rechts naar beneden. Hij draagt in zijn
linkerhand een oude spaanse gitaar waarop nog vier snaren staan. Op elk terras
speelt hij tien seconden een melodie die hij alleen begrijpt. Dan tovert hij
uit zijn jaszak een kartonnen beker waarmee hij de tafels afschuimt. Ook dat duurt
niet langer dan zijn muziekstuk. Hij is het gewoon dat men niks geeft. Hij
heeft geen stem en speelt geen akkoorden. De mensen willen kwaliteit. Anders
geen geld.
Je ziet hem alleen bij zomerweer want binnen mag hij niet spelen. Ik wou eens
zijn gitaar stemmen maar hij hield ze krampachtig vast alsof zijn voortbestaan
bedreigd werd. Hij zwerft hier al jaren rond.
Ook de zwijger blikt naar oneindig. Ik schat hem rond de dertig. Nog te jong.
Hij stapt evenwichtig en draagt een volgepropte plastieken zak over zijn
schouders, meestal rechts. Zijn gevlochten haar bind hij omhoog. Je komt hem
zowat overal tegen in alle jaargetijden. Hij lijkt iemand te zijn weggeblazen
uit een gebroken samenleving.
Drie schimmen in de stad. We zijn bang om ze aan te spreken, om ons belachelijk
te maken. Iemand anders zal hen wel helpen.
Hoe was hun jeugd, wie zijn ze?
Ik heb het hen niet gevraagd.
are jou smoking?Are jou
smoking?
wablieft?
rook je?
neen, lieg ik
niet meer dus?
Ze moet het gezien hebben aan de bruine nicotinevlek op mijn middenvinger
Toen ik buiten ging volgde ze me
Heb je een sigaret voor mij?
neen
Ik keek naar haar blote voeten,
zag een glimp van schoonheid in haar vertekend gelaat
ik vertrok koelbloedig in burgerlijk fatsoen
ik had haar mijn propere sokken en sandalen kunnen geven
en wat tabak voor een halve dag
ik deed het niet
ik heb spijt dat ik het niet gedaan heb
mijn spijt achteraf
nachtfietsHet nachtelijke uur net overschreden lukt het me nauwelijks om gedachten tot bedaren te brengen. De middernachtstreep die mijn feestcultuur uit eerdere jaren bepaalde is allang naar het onverhevene verbannen. Mischien is het de zure nasmaak van champignons met look en alcohol van vier uur geleden die me toegang tot de eeuwige jachtvelden van de slaap ontzeggen. Kriebelig lustverlangen dat elke meditatieve poging tot verdrijving weerstaat. De nacht slaat op hol.
Ik fiets naar Zoersel.
Ben je gek geworden? Het is nacht. Zoersel ligt op tachtig kilometer van hier.
Ik weet het. Dat wordt zes uur rijden. Net op tijd voor een ochtendwandeling met J.
Ik wil niet dat je gaat.
En toch ga ik.
Neen. Je vertrekt niet. Het is te gevaarlijk.
Ik vertrek wel.
Terwijl ik mijn kousen aantrek knaagt de rede aan het avontuur maar er is geen houden meer aan. Niets kan me nog tegenhouden. Het is de koppigheid van een ezelsstier, de moedige onwetendheid van een soldaat op weg naar het slachtveld, eenzame fietser bekropen door de charme van de nacht. Licht uit, deur dicht, fiets bestegen om er pas af te gaan bij het krieken van de dag. Alleen de weg ligt me slecht in het geheugen. Was het langs het kanaal of de rivier? Ik laat het aan het toeval over. Zoersel ligt in het noorden. Kan niet misgaan. De wegen worden nu nauwelijks bereden. Het is maar tot in Mechelen dat me op straat iets kan overkomen. Van daaruit fiets ik langs het kanaal naar Lier. Geen kat die daar de straat nog oversteekt. En dan verbleekt de zwarte sterrenloze lucht, zijn wolken nog bergschimmen in het noorden, daar ligt Zoersel, ontwakend uit de slaap. Luie zaterdagochtend niet aan mij besteed. De wereld geeuwt.
veldtocht
donderdag 22 maartMijn ouders hadden beslist om het huis op te knappen en de tuin heraan te leggen in de komende vakantie. Mijn broer en ik moesten meehelpen. Ik had er helemaal geen zin in. Ik wou op reis naar Marokko. 'Doe niet zo vervelend' zei mijn broer. Pa was in alle staten. Ma zoals altijd vol zelfbeklag. Ik was de zoon die hun in de steek liet, de afvallige zoals altijd.
's Zaterdags vertrok ik te voet naar een ver afgelegen bushalte. Ik wou naar zee om daar mijn reis te boeken. Mijn broer ging mee.
Ik miste echter de bus en wachtte dan maar aan een verderop gelegen tramhalte. De tram komt eraan. De rit kost vier euro en je moest betalen met twee stukken van twee. Terwijl ik in mijn geldbeugel zocht viel het kleingeld op de vloer. De trambestuurster snelde me te hulp. We stonden gebukt de munten van de vloer te rapen toen haar ogen toevallig in de mijne keken. Ze had mooie ogen. 'Je ziet er lief ouderwets uit met die velouren vest' zei ze.
Halverwege naar de stad waar ik de trein zou nemen, stapte ik af en liep verloren in een overdekte parking. Gelukkig kwam ik bekenden tegen. Het waren oud collega's. Kom mee iets drinken, zeiden ze. Ik hoor er niet meer bij maar toch ging ik mee naar het cafetaria van hun kantoor. Daar gingen ze in groepjes van vier zitten. De nieuwe directieleden zaten appart te vergaderen. Vreemd was dat. Ik dronk met de kuisvrouw hete chocomelk met een scheutje Cointreau. Dan ging ik verder.
Buiten stond mijn broer te wachten. L. was er ook bij. Ze had de hond en enkele kennissen meegebracht. Ik heb mijn broek niet meer aan! Met een deken rond mijn middel ging ik ernaar op zoek en vond ze algauw terug besmeurd met modder. Gelukkig had ik één in reserve mee. Ik was nu al een halve dag onderweg. Zou ik het werk verwittigen?
Onnozelaar, zei mijn broer. Het is zaterdag.
Uiteindelijk beslis ik om terug naar huis te gaan. Daar hadden pa en ma de tuin in orde gebracht. Pa was ondertussen aan het huis begonnen en ma zei geen woord. Ik zei hen dat ik niet naar Marokko zou gaan. Ze luisterden niet eens.
Plots sta ik in mijn eigen tuin. De haag is pas gesnoeid en de poort staat open. De hond is weggelopen. Ik hoor haar in de verte jankend vechten.
Er komt een ruiter heelhuids op zijn paard voorbij. Oef...ze heeft het paard niet gebeten. Mijn opluchting is maar van korte duur want nu komt er een vrouw aan de poort opdagen, wenend en bebloed door hondebeten. Aarzelend blijft ze staan. Ik breng haar naar de binnenkoer en wil een dokter bellen.
Ondertussen is L buiten gekomen. 'We kunnen haar zelf wel verzorgen' zegt ze. Ik heb nog een vaccin tegen hondebeten in de schuif.
droomvannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen
dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen
vitrinekast