Naar de inhoud

Sintemetten.

Retiese Patroonheilige.
akke.beakke.be

Archief

Sainte Eve de st.-Martin.

Ook Eva van saint-Martin genoemd. Hier te zien op een gekleurde litho van de drukkerij "st-Augustin". Ze werd geboren in Luik op het einde van de 12de eeuw. Ze stierf daar rond 1265.
Zij was een maagd die als kluizenares leefde bij de kerk van st-Martin te Luik. Ze was een vriendin van  st.-Juliana van Cornillon en zette haar werk met betrekking tot de viering en verspreiding van Corpus Christi (61ste dag na Pasen) voort. Ze maakte nog mee dat het feest door paus Urbanus IV in 1264 voor de hele kerk werd ingevoerd. Eva's relieken, verheven in 1542, bevinden zich sinds 1622 in een schrijn in de genoemde st.-Martinuskerk. Ze werd heilig verklaard in 1902.
De paters van het Allerheiligst Sacrament herdenken haar op 5 april, samen met st.-Juliana van Cornillon.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Schuttersgilde

Met dank aan de heer Jos Heutinck, archivaris, die mij deze prachtige afbeeldingen van Sintemetten te Gaanderen bezorgde.

Houten schild van "St.-Martinus". Gaanderen. Zeer mooi uitgesneden manteldeling van Sintemetten. Met vermelding van het stichtingsjaar: 1871.

Ook bij onze Nederlandse buren is Sintemetten zeer geliefd. Zo bestaat er in Gaanderen, dat samen met Wehl en de stad Doetinchem, de gemeente Doetinchem vormt, een zeer beroemde schuttersgilde die sint-Maarten als schutspatroon koos.
In de loop van de zestiende eeuw moesten schutters instaan voor de verdediging van eigen land, stad of dorp. Het waren in feite krijgers of soldaten die oorlog voerden tegen de vele belagers van buitenaf. Daar de naam Martinus afgeleid is van Mars, de Romeinse god van de oorlog, was het dan ook evident dat deze verdedigers kozen voor de heilige van Tours als beschermheilige. Ze moesten immers borg staan voor de veiligheid van de plaatselijke bevolking. Ze genoten daardoor groot aanzien. Langzaam werd de militaire taak echter minder en kreeg het begrip "schutterij" een heel andere betekenis.
Rond 1870 waren er in Gaanderen al schutters. In die tijd werd de "Compagnie sint-Martinus" opgericht. Deze compagnie bestond ooit, volgens de overlevering, uit dertien onverschrokken, maar vooral ongetrouwde mannen uit Gaanderen. Wanneer één van hen trouwde moest hij zonder pardon als lid bedanken.
In 1952 werd door het gilde de aansluiting gevonden bij de Gelderse Federatie van Schuttersgilden. Sindsdien heeft de sint-Martinusgilde in en om Gaanderen een vaste plaats verworven binnen de gemeenschap. De belangrijkste rol van de schutters is nu het organiseren van de jaarlijkse kermis, meedoen aan concoursen, opluisteren van jubilea, carnaval en andere feesten. Het heeft een eigen tamboer- en marjorettekorps, eigen vaandeliers en een hand- en kruisboogafdeling.

Een bijzonder actieve vereniging, de naam van sint-Martinus waardig!
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

Sint-Martinus en Tessenderlo.

Het wapen van Tessenderlo wordt als volgt omschreven: "In lazuur een sint-Maarten met een kreupele bedelaar geplaatst op een grond, het geheel van goud."

Men kon in Tessenderlo, dat zoals Retie, leeft onder de bescherming van Sintemetten, moeilijk op iemands anders dan op broeder, kunstschilder en historicus Broeder Max, beroep hebben gedaan om de gemeentegeschiedenis te schrijven. (Broeder Max - Victor Van Meerbeeck - Broeder van Liefde - werd geboren te Turnhout op 13 december 1903. In de congregatie van de Broeders van Liefde verbond hij zich aan deze gemeenschap op 8 sepember 1922. Hij overleed te Tessenderlo op 26 juni 1973 in het 51ste jaar van zijn kloosterleven.) Nooit zal ik dat gedeelte op zijn doodsprentje vergeten: "Misschien was wel het mooiste bij hem: niemand was hem te min. Iedereen was altijd welkom, ook als hij moe was en ziek. Nooit kon hij neen zeggen tegen het leven." Ik kende hem als kunstenaar, benieuwd las ik zijn boeken, natuurlijk op zoek naar stukje over sint-Martinus.
In "Vroeger en nu" en in "Tessenderlo's kunstbezit" vind ik wel beschrijvingen van oude sint-martinusbeelden, maar zie nergens een afbeelding ervan. Vreemd. Als grafisch kunstenaar was Broeder Max toch een man van het beeld, van het visuele. Of ... vond hij de beelden niet waardevol genoeg?
"Sint-Martinus te paard. XVIIIde eeuw. Beeldhouwwerk: eikenhout, hoogte 145 cm. Sint-Martinus te paard was de bekroning van het orgelfront dat in september 1719 werd opgericht door een zekere Van Roey, en dit voor 350 gulden. Het ging om eene casse tot de nieuwe orgelen te leveren met de posturen en alles wat daeraen soude moeten wesen. Orgel en orgelfront stonden opgesteld boven het noorderportaal waar tegenaan intussen het gebeeldhouwde doksaal was geplaatst. Het beeld heeft weinig waarde, het hoort meer tot de volkskunst, en staat thans opgesteld boven de toegangsdeur van de zijbeuk."
In een ander hoofdstuk lees ik over het sint-martinus-, later sint-jozefaltaar: "Was er in 1659 een sint-martinusaltaar opgericht in de zuiderkruisbeuk, dan kreeg een nieuw en indrukwekkend sint-martinusbeeld zijn plaats in het portiekaltaar van het hoogkoor. Het oude sint-martinusaltaar werd ontmanteld, en sint-Jozef kreeg zijn kans." Ook hier geen afbeelding van het sintemettenbeeld te zien. Toch vond men het "indrukwekkend". Op zijn minst ... vreemd.
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

De dood van sint-Martinus.

Miniatuur in een hoofdletter O, uit een zeer oud getijdenboek. We zien het lijk van sint-Martinus dat per schip over de Loire werd teruggebracht naar Tours. Op 11 november was de uitvaart. Er was een overweldige belangstelling. Ook mensen uit nabije steden wilden een laatste groet brengen aan Sintemetten. Vooraan in de stoet liepen 2000 monniken en zusters, tot aan het kerkhof van de voorstad, waar sint-Maarten tussen zijn gelovigen werd bijgezet. Het was een zeer eenvoudig graf, zoals hijzelf had gewild. Daar zou later een basiliek verrijzen.

Op 't einde van 397, Sintemetten was toen al boven de tachtig en al 26 jaar bisschop van Tours, begaf hij zich naar de plattelandsparochie van Condate (Andes) om daar een oplossing te zoeken voor een geschil tussen zijn geestelijken. Toen hij daar wou vertrekken was hij zo verzwakt dat hij de kracht niet meer had om naar Tours terug te keren. Hij voelde dat hij aan het eind van zijn krachten was en begreep dat zijn einde vlug naderde. Hij liet de monniken van Marmoutier en Ligugé bij zich komen en zei: "Ik ga u verlaten." Allen om hem heen smeekten hem te blijven. Maar sint-Martinus bad: "Heer, als U vindt dat ik nog nuttig kan zijn voor deze wereld, dan wil ik deze last nog dragen. Dat Uw wil geschiede!"
Hij liet zich op een haren boetekleed leggen en op een bed van as. Hij verzwakte zienderogen. Vele dagen had hij hoge koorts. Toch deed hij niets anders dan bidden. Het werd een pijnlijke doodstrijd en op een bepaalde moment geloofde hij dat zijn oude tegenstander, de duivel, aan het voeteinde van zijn bed stond. "Welnu, bloeddorstig beest," riep hij hem toe, "waarom sta jij hier? Je zult in mij niets vinden dat van jou is, vervloekte!"
Dan gaf hij nog één keer een eenvoudig overzicht van zijn leven. Na ook nog een laatste maal over de duivel te hebben gepraat verklaarde hij: "De schoot van Abraham staat op mij te wachten."
In alle rust gaf hij daarna de geest. Men las op de kalender: 8 november 397.
Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Reageer op dit bericht

Nico Bulder, de houtgraveur.

Nico Bulder heeft maar een paar "vrije" prenten gemaakt, maar ze vormen hoogtepunten uit zijn oeuvre. Als rooms-katholiek had hij bijzondere belangstelling voor heiligenfiguren. Deze vrije prenten zijn van zo'n grote klasse dat ze gretig gekocht werden door particulieren en musea. Eén van zijn beste vrije prenten is zijn "Sint-Maarten" uit 1937. De kunstenaar toont hier zijn vakmanschap. De manteldeling buiten de stadsmuren van Amiens, in een bar koud sneeuwlandschap. De met sneeuw bedekte naakte bomen, de bedelaar op blote voeten, de donkere, zware sneeuwlucht, het doet je rillen van de kou. Ook het anders zo fiere paard van de heilige buigt hier in deze vrieskou zijn kop. Alleen Sintemetten schijnt zich in zijn zware soldatenmantel behaaglijk te voelen. Hij deelt bijna glimlachend zijn cape. Houtsnijwerk zoals je zelden ziet.

In het Groningse Hoogezand, ver van de grote culturele centra, werkte Nico Bulder (1898-1964) als houtgraveur in een bijna volstrekt isolement. Hij was begonnen met de houtsnede, de oudste der grafische technieken. Al heel vroeg leerde hij als timmermanszoon met hout en gereedschappen omgaan. Maar ook zijn karakter moet bij de keus voor het "xylograferen" een belangrijke rol hebben gespeeld. Hij was een typische zwart/wit figuur, rechtlijnig, direct. Hij dacht niet in kleur, maar was een Groninger gericht op nuttigheid.
Al voor de Tweede Wereldoorlog werden zijn werken op internationale tentoonstellingen bekroond en onderscheiden en werd zijn werk door musea aangekocht.
Nico Bulders prenten tonen een vaktechnisch kunnen, een compositorisch vermogen en een uitbeeldingskracht van een zo hoog niveau, dat hij beschouwd mag worden als één van de grootste houtgraveurs die Nederland ooit heeft gekend.
Hij stierf in 1964 op 65-jarige leeftijd. Zijn heengaan drong amper in zijn thuisland door. In regionale kranten verschenen bescheiden bijdragen, in landelijke kranten werd in een summier bericht meegedeeld, dat het werk van de overledene in 1937 in Chicago werd onderscheiden en in hetzelfde jaar op de wereldtentoonstelling in Parijs met een gouden medaille was beloond.
Werd Bulder als een figuur van hoogstens regionale betekenis beschouwd, zodat zijn verscheiden slechts met een kort bericht in de landelijke pers royaal was gehonoreerd?
Het is waar dat de kunstenaar zich weinig buiten de grenzen van zijn eigen gewest heeft opgehouden.
Zijn leven speelde zich hoofdzakelijk af in Hoogeland, het veen-koloniale dorp waar hij geboren en getogen was. Zou hij als graficus meer bekendheid hebben gekregen als hij in één van de grote culturele wereldcentra had gewoond? Waarschijnlijk wel.
Of is: "Men is nooit sant in eigen land!" ook op hem van toepassing?
Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Reageer op dit bericht

Kempisch volksverhaal, opgetekend door Herman Henot in zijn boek "Kempische Volksvertelsels." Illustratie door Karel Rosseeuw. Uitgave van de "Naaml. venn. Standaard - Boekhandel" te Brussel in 1926. Vertelsel overgenomen in de oude spelling, zoals Herman Henot het voor ons schreef. (Blz. 63/64 )

"Eertijds was't in de Kempen een algemeen gebruik op Sint-Maartensavond vreugdevuren te ontsteken ter eere van den grooten volksheilige Sint Martinus. De meeste menschen van een dorpswijk, ieder met een mutsaard rijshout op den schouder, kwamen alsdan bijeen op een bepaalde plaats en trokken altegader naar een nabijgelegen hoogte. Daar werd van het bijeengebracht hout een stapel getast, die aangestookt werd door middel van brandende wijpen. Terwijl de laaie vlammen van den vuurgloed den omtrek verlichtten, dansten oud en jong om den brandstapel een rondedans onder 't zingen van 't Sint Maartenslied.
Het was weer eens Sint-Maartensavond. De vrome menschen van den Heikant, een verafgelegen plaats waar drij armzalige huttekens stonden, wilden ook den goeden heilige eer bewijzen. Zij hadden met dat inzicht hun houtstapel bijeengetast, maar elken keer dat de mannen het rijshout poogden aan te stoken met een brandende wijp, kwam er een nijdige rukwind,- de adem van de duivel -, het vuur uitblazen. De duivel is immers altijd afgunstig geweest, als er iets ter eere van Gods lieve heiligen gedaan werd. Gelukkig kwamen de vrouwen op een goeden inval; het schietgebedeken, dat zij prevelden, maakte de adem van de duivel machteloos. De woorden "Sint Maarten, sta ons bij!" waren  nog niet koud of de houtstapel vloog in brand. Men hoorde een gedempt gezucht en in de verlichte omgeving zag men een kromme gestalte knarstandend over de hei vluchten naar de kant van 't moeras. De menschen van den Heikant zijn al lang dood, hun huizekens zijn van ouderdom ingevallen; maar bij elken Sint-Maartensavond dwalen nog altijd in den omtrek van de plaats, waar eens drij hutten stonden, drij brandende wijpen als dwaallichten over de heide rond. 't Zijn volgens het zeggen van de dorpelingen de zielen  van de vroegere bewoners, die met hun brandende strooproppen naar een houtstapel zoeken om het Sint-Maartensvuur te ontsteken; zo'n stapel kunnen ze niet vinden, omdat er in die onbewoonde streek niemand is om hout bijeen te brengen. Bij de eerste morgenklaarte verdwijnen de wijpen en daarmee komt er een einde aan 't gedempte gezucht en het tandegeknars van den duivel."
 
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

De kaarsen van Frits Spies.

Sint-Martinus mocht bij de uitgebeelde heiligen natuurlijk niet ontbreken.  Deze prachtige sintemetttenkaars siert de sint-Martinuskerk te Gennep.

Kaarsen maken. Een beroep dat niet zo veel voorkomt. Weinig "kaars-kunstenaars" zijn beroemd geworden. Een uitzondering is Frits Spies. (1931 - 1979) Deze Nederlandse kaarsenmaker is bekend geworden door het creativiteitscentrum "Gouden Handen" in 's-Heerenberg. Het was het grootste creativiteitscentrum ter wereld voor amateurs, gelegen in de Gelderse Achterhoek en gevestigd in het voormalige klooster "Don Rua". Frits was een hobbyist. Boetseren in was was zijn ganse leven. Zonder een echte opleiding maakte hij de mooiste kunstwerken.
Van beroep was hij hofmeester op de vliegbasis van zijn geboorteplaats Leeuwarden. In 1975 gaat hij in 's-Heerenberg wonen. Hij maakte kaarsen puur en alleen voor zijn geloof en niet voor de kunst. Hij beeldde dan ook enkel religieuze voorstellingen uit. Commerciële opdrachten heeft hij nooit willen aanvaarden.
Zes keer werd hij door paus Johannes Paulus II in audiëntie ontvangen in Rome. Elke keer bood de Nederlandse kunstenaar de kerkleider een zelfgemaakte devotiekaars aan. Als dank kreeg Frits een zeer hoge pauselijke onderscheiding.
Hij maakte enorme devotiekaarsen die elk hun eigen verhaal vertelden. "Het Laatste Avondmaal" van Leonardo da Vinci weegt liefst 200 kg, is 2,5 m breed en 1 meter hoog. Ook een zeer mooie "Pieta" van Michelangelo heeft hij onnavolgbaar uitgebeeld. Miljoenen hebben zijn werk bewonderd in "Gouden Handen". In 1993 moest hij daar echter vertrekken. Langs de brandtrap kon hij zijn kostbare kunststukken in veiligheid brengen. Zijn wereldberoemde kaarsen komen uiteindelijk terecht in de Belgische gemeente Baarle-Hertog. Vanaf 1997 zijn ze daar in het Baarle's Kaarsenmuseum te zien. Enorm veel volk komt ze bewonderen! Een echte aanrader!
Frits Spies en zijn vrouw Netty van Nisselrooy woonden in Baarle-Nassau, het Nederlandse deel van Baarle. Ze zijn daar in dezelfde maand overleden: Frits op 3 juni en zijn echtgenote op 22 juni 1997
.
Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Reageer op dit bericht

Nieuw boekje.

Laatste boekenaanwinst. Een heel dun boekje, het bevat nauwelijks tien bladzijden.

Max Fraipont.
"Une statuette équestre
de
Saint Martin de Tours"
Groupe mosan en bois de chéne
Première moitié du XVIe siècle.


(Extrait de la Chronique du Pays de Liège de Septembre-Octobre 1921.

Liège.
Imprimerie H. Vaillant-Carmanne.
4, place Saint-Michel,4
 
1921.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Dag Register.
Den H. Martinus.
Bisschop.
11 November.
"Waeckt, en bidt, op dat gy niet en valt in bekoringe;
den geeft is wel vlytig, maer het vleesch is krank."
Matth. 26.

Zo begint op blz. 346 van het "Dagh-register der Heyligen" eerwaarde pater Joannes Stephanus Grosez zijn "overdenking" over Sintemetten. Het tweedelige boek is gedrukt te Antwerpen door "Alexander Everaerts, Boeckdrucker op de Minderbroeders Ruy
in S. Ignatius. Met Gratie en Privilegie."
(1727 ?)

"Den H. Martinus, noch zijnde een geloofsleerling, gaf een stuck van zijnen mantel aen eenen aermen; en Jesus Christus, vertoonde zig aen hem den volgende nacht, bekleet met dien mantel. Desen Heyligen weende, als men hem wilde Bisschop maecken. Vervolgt zijnde door een van zijne Priesters, genaemt Brixius; Waerom en wilt gy niet (seyde hy) dat ick lijde van Brixius? Jesus Christus heeft wel geleden van Judas? Wesende op zijn sterven, zeyde hy tot Godt; Heere in dien ick aen uw volck noch nootsaeckelijck ben, ick en weygere den arbeyt niet. Hy stierf in't jaer 397."



Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Door sneeuw en wind.

"Sint-Maarten reed door sneeuw en wind." Dat zingen de kinderen wanneer ze op het feest van Sintemetten met kleurrijke lampions en kunstig uitgeholde bieten door de straten trekken.
Uit het Duits vertaald door Lutgart Debroey. Liedje gevonden in het prachtige kinderboek "Martinus van Tours." door Jozef Quadflieg, met verbazend mooie illustraties van Renate Fuhrmann. Uitgegeven voor België: N.V. Uitgeverij Altiora Averbode, 1995.

Sint - Maarten.

Sint-Maarten, reed door sneeuw en wind
Zijn vurig paard droeg hem gezwind.
Sint-Maarten reed met licht gemoed
Zijn mantel dekt hem warm en goed.

Een oude man zat langs de baan
En sprak de ridder smekend aan:
O, help me toch in mijnen nood.
'k Vind in dees harde kou mijn dood.

Sint-Maarten, innig aangedaan
Blijft voor den armen beedlaar staan,
Hij trekt zijn slagzwaard uit de schee
En snijdt zijn mantel glad in twee.

Sint-Maarten geeft vol medelij
Hem 't grootste stuk en rijdt voorbij
Door sneeuw en wind met licht gemoed
Zijn halve mantel dekt hem goed.

Sint-Maarten, van zijn tochten moe
Legt zich ter ruste, wel te moe
Tot loon van 't geen hij heeft verricht
Ziet hij des nachts een helder licht.

Een oude man verschijnt voor hem
En spreekt met zoete hemelstem:
"Ik ben uw Jezus, Mij gaaft gij
Dees mantelhelft uit medelij."

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Reageer op dit bericht

Meer van Sintemetten.

↑ Terug naar de berichten