Naar de inhoud

Sintemetten.

Retiese Patroonheilige.
akke.beakke.be

Archief

Sint-Maarten.

Uit: "Een jaarkring in legenden."
Illustratie van Leon Holman.
Utrecht 1948.
Uitg. W. De Haan N. V. Blz.: 236-239.


"Op 11 November wordt er in Italië over het algemeen flink gedronken, maar in Sicilië moet men dien dag tenminsten den wijn gaan proeven, zelfs al zou men daar geen lust toe hebben. Doet men het niet, dan wordt de wijn in de vaten zuur. Maar wat erger is, zo zegt het volk, wie geen wijn drinkt komt niet in de hemel. De deskundigen beweren, dat op dien dag de most in wijn veranderd wordt. In Noord-Italië bewaren de boeren een tros druiven van den wijnoogst die ze dan op 11 November, als herinnering aan het mooie jaargetijde, opeten. De eerbiedwaardige bisschop Sint Maarten wordt in Sicilië als de patroon van de dronkaards beschouwd en zelfs gaat het volksgeloof zo ver, dat men deze Heilige, natuurlijk geheel ten onrechte, voor een onvervaarden wijndrinker houdt. Van hem is echter bekend, dat hij zo sober was, dat men in een door hem gesticht klooster, waar hij met tachtig leerlingen woonde, zelfs nooit wijn heeft gedronken.
St. Maarten geldt trouwens algemeen als een voorbeeld van de meest onbaatzuchtige christelijke liefdadigheid. Deze deugd komt mooi tot uiting in een legende, die ons verhaalt hoe Maarten, toen hij eens een armen man zonder klederen op straat ontmoette, met zijn zwaard zijn mantel in twee gedeelten verdeelde en de ene helft aan den arme gaf. Den volgenden nacht zag hij Christus, gekleed met het deel van zijn mantel dat hij daags te voren aan den armen man geschonken had, terwijl Hij tot de rond Hem vergaarde engelen sprak: "Weet, dat Maarten, toen hij nog catechumeen was, mij met dezen mantel heeft gedekt!" Volgens een Noord-Italiaanse legende hadden St. Maarten en de duivel beiden een molen. Nadat de duivel eens de molen van St. Maarten had bezichtigd, vroeg de Heilige hem of hij ook eens zijn molen mocht komen bekijken. De duivel willigde den wens van den Heilige in onder voorwaarde, dat hij gedurende zijn bezoek geen kruistekens zou maken. Maarten beloofde dit, maar, toen hij voor den molen van den duivel stond, maakte hij toch kruistekens met gevolg, dat de molen plotseling onbruikbaar werd. "De molens;" zeide de duivel, "zullen voortaan aan U behoren, maar de molenaars aan mij!" Om niet in de handen van de duivel te vallen, vasten de molenaars op het vigilie van St. Maartensdag. Een Siciliaanse legende vertelt ons weer, dat de duivel, die de bijnaam Culicchia draagt, zich vermomde als een arm man, die op het punt stond van honger om te komen, en die aan de weg gezeten was, waar St. Maarten gewoonlijk voorbijkwam. De Heilige had die dag geen geld bij zich en zei tot den arme, dat hij hem niets kon geven. Maar de arme hield aan zeggende, dat hij sinds twee dagen niets gegeten had. Maarten kreeg medelijden, trok zijn mantel uit en gaf hem aan den arme met de woorden: "Ziedaar deze mantel, ik heb niets anders, neem hem en ga dan eten!" De duivel was zeer tevreden, dat hij Maarten had kunnen bedriegen, wierp zijn vermomming af en vertoonde zich in zijn ware gedaante. Doch Maarten liet zich niet uit zijn lood slaan en sprak tot de duivel: "Ik geloofde dat je arm was, daarom heb ik datgene gegeven dat ik bezat, maar nu, verachtelijk beest, verdwijn in de diepten van de hel!" Naar een andere versie gaf de heilige zijn mantel aan een armen man, die dronken aan den weg lag, om hem tegen de koude te beschutten. Aan deze daad van liefdadigheid is het waarschijnlijk te danken, dat men aan St. Maarten het niet bijzonder eerbiedwaardige beschermheerschap der dronkaards heeft toegedacht.
St. Maarten heeft met dronkenschap niets te maken. Het ongelukkige toeval wil, dat zijn feestdag op 11 November valt, den dag waarop in Italië de wijn geproefd en de vaten aangebroken worden. Deze gewoonte lijkt de directe voortzetting te zijn van het oude wijnfeest der Grieken, dat in de eerste helft van de maand Anthesterion ter ere van Bacchus gevierd werd. Die dag wordt in Italië in vreugde, uitgelatenheid en braspartijen doorgebracht. Meestal begint het feestmaal op den Zondag na 11 November, wanneer een ieder vrij is. In Sicilië is het zede bij deze gelegenheid kalkoen te eten en natuurlijk wijn te drinken. Is er geen kalkoen dan mag varkensvlees niet ontbreken. De beschuiten, die men op dien dag eet en van welke reeds dagen te voren de etalages vol liggen, heten in het Siciliaanse dialect Viscotta di S. Martinu "St. Maartensbeschuit." en zijn werkelijk artistiek van vorm. De banketbakkers bereiden ook allerlei uit suiker vervaardigde gebakjes, die St. Maarten in een theatrale houding te paard voorstellen, zwaaiend met zijn zwaard. Het moet voor de kleine Italiaantjes een probleem zijn die gebakjes op te eten. Komt eerst het paard aan de beurt en dan de Heilige of omgekeerd?
Op vele plaatsen is St. Maartensdag in Italië een intiem en gezellig familiefeest. Men ontvangt niet graag bezoek, aangezien de hele familie in de keuken bezig is om de feestmaaltijd klaar te maken en zij wenst daarbij niet gestoord te worden. De arbeiders en boeren haasten zich om zo vlug mogelijk thuis te zijn. Welk een drukte heerst er op de stations, waar de mensen zich verdringen om 's avonds zo vroeg mogelijk te Mestre of te Treviso bij hun gezin te kunnen komen! Terwijl in Noord-Italië op de bergen reeds de eerste sneeuw gevallen is, is het over het algemeen tegen St. Maartensdag in heel Italië zacht en mild weer: men noemt dan ook te Venetië de tien dagen die op 11 November volgen istadela de S. Martin "het St. Maartenszomertje." Juist omdat tegen 11 November voor een korten tijd de natuur ontwaakt, wensen de Sicilianen elkaar op dien dag, Bon Sammartinu "Goede St. Maarten.", d.w.z. overvloed van wijn, olie, melk, enz. Wanneer de bedienden hun St. Maartenswensen komen aanbieden, ontvangen ze enkele der voor St. Maartensdag gebakken beschuiten ten geschenke. Misschien staat met het mooie weer de minder mooie gewoonte te Venetië in verband om op St. Maartensdag te verhuizen. Dat onze Heilige oorspronkelijk soldaat is geweest, blijkt niet alleen uit de gebakjes, die hem te paard met het zwaard in de hand voorstellen, maar ook uit het feit, dat St. Maarten, te zamen met St. Joris, de beschermer is van de Italiaanse soldaten, die hem niet zelden met den omineuzen wijn, waarmee hij eigenlijk niets te maken heeft, vereren."

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Reglement Sint-Maartenfeest van Retie.

Uit "De Kempenaer."
(Weekblad voor Arendonk, Dessel, Kasterlee, Retie.)
Woensdag 15 september 2010.

11 november.

Reeds jarenlang viert Retie op 11 november zijn patroonheilige Sint-Martinus. Heel wat inwoners zijn een aantal weken van tevoren in de weer om een zo groot mogelijk Sint-Maartenvuur te maken. Het mag een groot vuur zijn, maar geen vuilnisbelt die wordt opgestookt.
Om problemen te vermijden bij het opzetten van de vuren en het opruimen ervan, stelde de gemeenteraad een politiereglement op. Dit reglement werd goedgekeurd op 5 juli 2004. De tekst van het reglement wordt hieronder integraal gepublceerd.

Artikel 1: Elk jaar wordt op 11 november de patroonheilige Sint-Martinus gevierd.

Artikel 2: Het college van burgemeester en schepenen bepaalt de locaties in de gemeente waar de vieringen mogen plaats vinden. Deze locaties zijn minstens op 100 meter afstand gelegen van huizen, bossen, heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.

Artikel 3: Vanaf 15 september, en op de dagen en uren bepaald door het college van burgemeester en schepenen (woensdagnamiddag, zaterdag en tijdens de week van Allerheiligen), mag snoeihout, afkomstig van het onderhoud van de tuinen en eigendommen van de buurtbewoners, worden aangevoerd op de locaties. Het aanvoeren en verbranden van volgende producten is verboden (niet-limitatieve lijst): boomstronken, behandeld hout, huishoudelijk afval, oliën of benzines, autobanden, matrassen, ...

Artikel 4: Iedereen die snoeihout aanbrengt, staat in voor de goede opstapeling van het hout teneinde een stevig en compact vuur te verkrijgen.

Artikel 5: Het vuur wordt ten vroegste om 18.00 u. ontstoken. De buurtbewoners treffen de nodige maatregelen opdat het vuur niet uitbreidt en bewaken het vuur tot het gedoofd is.

Artikel 6: De locatie van de feesten wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk veertien dagen na 11 november opgeruimd en in zijn oorspronkelijke toestand gebracht. De kosten die ontstaan zijn bij het opruimen van de resten, worden gedragen door de organiserende buurt en kunnen in geen geval verhaald worden op het gemeentebestuur.

Artikel 7: Het niet naleven van de bepalingen van dit reglement wordt gesanctioneerd met politiestraffen.

Afwijkingen op de aanleverdagen worden enkel toegstaan door burgemeester en schepenen, na samenspraak met de contactpersoon van de desbetreffende Sint-Maartenhoop.

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

Prado ontdekt onbekend werk van Breughel.

Krantenbericht op 23 september 2010.

Kunstexperts van het Prado-museum te Madrid hebben een tot nu toe onbekend schilderij van Pieter Breughel de Oudere ontdekt. Volgens "El Pais" gewagen de specialisten van een "buitengewoon belangrijk werk".
Het meesterwerk was door de huidige eigenaars naar het Prado gezonden voor restauratie. Daar ontdekten de experts dat het zeker om een originele Breughel gaat. Het doek heet "De wijn van het Sint-Maartensfeest." Het Prado, toch niet het minste museum, gewaagd van een buitengewoon belangrijk werk uit het oeuvre van de 16de-eeuwse Vlaamse schilder, zowel wat de thematiek als de compositie betreft.
Het Spaanse ministerie van Cultuur zou het doek willen kopen van de huidige eigenaars. Onderhandelingen zijn al aan de gang. Het doek zou dan in al zijn glorie in het Prado worden tentoongesteld. Het ministerie wil tot zeven miljoen euro vrijmaken voor het schilderij. Op de vrije markt zou het meesterwerk 25 miljoen euro waard zijn. Het Madrileense museum heeft al een andere Breughel in zijn bezit, "De triomf van de dood."

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

11 november. Het feest van Sint Maarten.

Uit "Winterhulp". Officieele uitgave van het centraal uitvoerend comité.
2 Koninklijke Plaats Brussel.
11 november 1942.
Blz. 33 en 34, door E. Vandenbroeck, Voorzitter van Winterhulp te Assche.

Hij maant ons aan een wintervoorraad op te doen.

"Sinte Maarten steekt er zijn staf in" zegt één van de vele spreekwoorden rond dezen zeer geliefden Volksheilige. Daarmee wordt bedoeld dat men ter plaats blijven wil waar een goede voorraad, hetzij eetwaren, hetzij van andere noodwendigheden is.
Een legende uit het leven van sinte Maarten gewaagt van deze voorraad. Om zijn geschenken zoveel mogelijk aan de armen en misbedeelden te kunnen ronddragen bereed Martinus een mooi wit paard. Dit paard moest op tijd en stond zijn haver en hooi hebben. De heilige was echter de goedheid en de lankmoedigheid zelve en hij liet toe dat de maaiers zijn weide kwamen afmaaien wanneer het gras van de meerschen der naburige boeren reeds gedroogd en geschelfd was. Maar daardoor was het reeds laat op het jaar geworden. Het was volop Bâmis. En wie ziet men nu nog hooien gedurende de herfstdagen? Het regenachtige weer laat het hooi niet meer droog worden. De heilige bisschop vroeg dan ook Ons Heer nog drie dagen zonneschijn te verlenen; opdat het hooi voor zijn paard zou kunnen drogen. En alhoewel hij nu reeds lang in de hemel Allerheiligen meeviert, toch blijft hij bidden opdat de achterblijvers, de verstrooiden en nalatigen en de niet vooruitzienden een laatste kans zouden krijgen en hun voorraad zouden opdoen. En 't is of er Ons Heer mee gemoeid is, want telkenjare komt er een kentering in het weer. De boeren zeggen dan: " Sinte Maarten brengt ons zijn zomerken."

Vanwaar komt het Sint-Maartensvuur?

Sint Maarten had een ezel. Het wit paard, dat zijn herfsthooi moest hebben, is nu plots verdwenen. Zo zijn nu eenmaal de volkslegenden. De heilige kwam, gezeten op zijn grauwtje, op zekeren avond in een onzer kustdorpjes binnengereden. Als er te sermoenen viel was hij niet tegen te houden. Het volk stond naar hem te luisteren en hij predikte zoo schoon dat de honderden Vlamingen, ruwe visschers en keikoppige boeren niet moe werden zijn doorslaande bewijzen te aanhoren. Ze bleven luisteren ... maar het ezeltje van sint Maarten had zoveel geduld niet, het had meer werkelijkheids zin en meer honger naar distels en goede hapjes dan naar rechtvaardigheid. Het muisde er vandoor en deed zich tegoed aan de lekkere duindistels. Toen nu het sermoen ten einde was riep de heilige zijn ezeltje. Maar tevergeefs. Hij ging op zoek. De menschen zochten mee. En daar het reeds donker geworden was ontstaken de inwoners toortsen en licht. Het ging nu duin op duin af. Eindelijk vonden ze het ezeltje. Allen hadden er honger van gekregen en de vrouwen bakten gauw koeken onder de smeulende assche van de aangestoken vuren. Ten teeken van vreugde namen allen plaats aan denzelfden disch. Het werd een plezierig kampvuur. En jaarlijks werd aan dit feit herinnerd door een toortsengang in de duinen en 't verorberen van de eene of andere lekkernij, zoogezegd door sint Maarten gebracht.
In onze gouwen zijn nu nog sporen te bekennen van den fakkelstoet, welke vroeger, op Sint-Maartensavond luisterrijk door de straten van stad en gemeente toog. Sommigen zien in de Sint-Maartensvuren een oeroud heidensch gebruik. Wat wel waar kan zijn. De evangelisatie heeft de heidensche gebruiken aangepast of omgevormd en de volksverbeelding doet dan de rest. Zoo het verband tusschen de heidensche vuurgebruiken en de hooger vermelden kampavond in de duinen. Deze Sint-Maartensvuren worden nog op tal van plaatsen ontstoken, o. a. te Genk, waar de kinderen het vuur aanbrengen op een hoogte, buiten het dorp. Dan wordt er gezongen: 

Sint Marten heeft zoo groote kâ
Hij zou hem wel warmen
Als hij maar wa hâ.

In de Vlaanders heet het "Keerskensloopinge"; geen geregelde stoet of optocht. De kinderen gaan rond met keerskens, gestoken in flambeeuwen van uitgeholde beetwortels of rapen, grillig en koddig uitgesneden: een paar oogen, een neus en een mond. Onderin de beet hebben ze een gat gemaakt waardoor het kaarsje gestoken wordt op een koolstek, die tegelijkertijd als handvat dienst doet. Als het kaarslicht door de dunne wanden van de uitgeholde beet schijnt, maakt dat in den avond een fantastisch effect als van zwevende maskers.
De kinderen dansen en zingen:

Stookt vier, stookt vier;
Sint Marten komt alhier
Met zijn bloote armen,
Hij zou zich geerne warmen.

Ze gaan van deur tot deur en bedelen pannekoeken, galetten, lukken, wafels of andere lekkernijen of centen.

De vriend van de kinderen.

Door de verschillende legenden - dat van dien mantel, dat van dit herfsthooi en dat kampvuur met den laten koekenbak - werd sint Maarten evenals sint Niklaas den gullen kindervriend, die door de schouw van allerlei speel- en sneukelgoed werpt. Hij is de geschenkbrenger in Aalst, in Mechelen en op vele plaatsen in Vlaanderen, Brabant en de Kempen.
De kinderen zetten 's avonds, vóór Sinte-Metten, hun korfje, of hunnen kloef of hangen de kous aan de schouw. Ze leggen er een raap, een wortel en wat hooi in. Dit voor den ezel van den braven man. Soms worden er de schrijfboeken uit de school bij gelegd of een briefje. 's Anderendaags vinden ze dan de lekkernijen of ... de roede!

Wanneer zal de heilige de kinderen weer dingen brengen zooals in onzen tijd: appelen, peertjes, nootjes, mispelen, muntebollen en speculaus?

Hoe vind je dit bericht?
Reageer op dit bericht

De H. Martinus.


Uit "Zonnige Jeugd".
Reeks leerboeken voor de lagere school.
5de studiejaar. Blz. 32.
Door L. Pissen en I. Van Goidsenhoven.
1931.
Uitg. Procure. 161 Huidevettersstraat. Brussel.


"Die is vroolijk den hemel binnen gehaald! 'n Andere heilige heeft 't gezien:  engelen vóór en rond en achter hem, en allemaal even blij, dat Martinus aankwam.
Tachtig jaren hadden ze op hem zitten te wachten: 'n heelen tijd wel: maar in den hemel gaat alles veel gauwer, omdat 't daar zoo fijn is. En Martinus zelf? Och jong, die was zóó blij! Want nu zou hij O. L. Heer zien en nu veel mooier dan toen op aarde. En toen was 't al zo heerlijk. 't Kwam zoo: 'n keer, hij was soldaat in 't Romeinsche leger, reed hij te paard naar Frankrijk. Onderweg kwam hij 'n bedelaar tegen. Die zat langs de straat, heelemaal in elkaar. Mager was hij en bijna geen kleeren had hij aan. Toen hij den ruiter aan zag komen, stond hij op en stak zijn hand omhoog om 'n aalmoes. Martinus was al bijna voorbij. De bedelaar liep achter hem aan.
- Die heeft het ook niet te warm, dacht Martinus, terwijl hij 't bibberlijf van den man achter hem bekeek. En zonder zijn eigen verder te bedenken, zwaaide hij zijn mantel af, sneed hem met zijn zwaard in tweeën en gaf een van de stukken aan den bedelaar.
-Zoo, ieder de helft, zei hij, geld heb ik niet, maar hiermee zult ge ook wel tevreden zijn.
Toen reed hij door en vergat verder den man en 't bibberlijf en den halve mantel.
Maar 's nachts in zijn droom, verscheen hem O. L. Heer zelf, met 't stuk mantel van den bedelaar aan en Hij zei: Martinus, gij hebt Mij bedekt met dit kleed ... Was me dat 'n belooning! Jammer dat 't maar eventjes duurde.
't Was zoo gauw voorbij en Martinus had O. L. Heer graag nog veel langer willen zien. 't Zou hem niets verveeld hebben, al had O. L. Heer twintig keer achter elkaar gezegd: Martinus gij hebt Mij bedekt met dat kleed.
Hé, 't klonk zoo heerlijk en 't was zoo mooi.
Maar nu in den hemel zou het veel langer duren. Nooit meer komt daar 'n einde aan. Gij moogt er blijven voor altijd, bij O. L. Heer en bij Maria en bij al die witte blije engelen!"

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Sint Martinus. (11 November.)


Uit: "Voor hart en geest."
Leesstof voor de lagere school.
Teekeningen van Edmond VAN OFFEL.
E. SNEYERS. "Schoolopziender."
L. Opdebeek, uitgever, Antwerpen.
1924. Blz. 3 en 4. Deel III.


"Eeuwen geleden leefde er een volk, dat meester was over bijna de geheele aarde, voor zoover men die toen kende. Dat volk heette de Romeinen.
Die Romeinen lagen ook met een groot leger in Frankrijk, en één van de hoofdmannen heette Martinus.
Martinus was een vroom en dapper jonkman die, zonder dat zijn vader het wist, christen was geworden.
Eens gaf zijn bevelhebber hem last, om zo spoedig mogelijk een boodschap naar een ver verwijderde stad over te brengen.  't Was in 't hartje van den winter en 't vroor dat de boomen kraakten. Martinus sprong te paard en zijn medelijdend hart deed hem telkens in den zak tasten, om zo aan de armen die hij ontmoette, eenig geld te geven.
Spoedig was al zijn geld op, en hij had niets meer om voor zich zelven een stuk brood te koopen. Bij de poort van de stad, waar hij wezen moest, zag hij een ouden man half naakt aan den weg zitten.
- Een aalmoes, edele Heer! smeekte de arme. Martinus tastte in den zak, doch hij had niets meer. Maar wat deed hij nu? Hij sprong van zijn paard, nam zijn zwaard, sneed zijn mantel in tweeën en gaf de eene helft aan den ouden man, die het kleed dankbaar aannam.
In de stad werd Martinus uitgelachen om het korte manteltje dat hij droeg. Het stond ook zoo bespottelijk. Maar Martinus was zoo gelukkig, een arme geholpen te hebben, dat hij er niet aan dacht, kwaad te worden, omdat ze hem beschimpten.
Den volgenden nacht, gedurende zijn slaap, had Martinus een visioen. Hij zag den Heere Jezus op een schitterende troon gezeten, en omringd, rechts en links, van heel het hemelsche hof. Eerst kon hij niets onderscheiden; zijn oogen schemerden van den glans en de klaarheid van het verschijnsel. Hij wreef zijn oogen en toen zag hij hoe Ons Heer bekleed was met de helft van den mantel, dien hij den vorigen dag aan den armen man had gegeven. En hij hoorde dat Jezus tot de gelukzalige hemelbewoners zei: "Martinus heeft mij dat kleed gegeven."
Kort nadien verliet Martinus het leger. Hij werd priester en later bisschop van Tours, in Frankrijk."

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Sinte Maarten, de groote kindervriend.

Uit: "Ons Volk ontwaakt."
Zesde jaargang nr. 45.
6 november 1920.

""Ons Volk" wijdde verleden jaar een artikel aan Sint-Niklaas, den grooten kindervriend. Sint Maarten is een niet min populaire heilige in Vlaanderen en zijn wonderbaar leven reeds alleen, waarover de legende ook rijkelijk haar goudstof uitstrooide, leent er zich bijzonder toe om de fantazie der kinderen te treffen. Onze Vlaamsche schilder Antoon Van Dijck vereeuwigde het edelmoedig gebaar waarmede hij, aldus de legende, nabij de poort der stad Amiens, zijn rijken krijgsmantel in tweeën kapte en de helft er van aan een naakten bedelaar gaf. Zulk een gebaar verovert onmiddellijk het volkshart. Het is ook onder de gedaante van een jeugdigen, fraaien krijger, die te paard zit en zijn fluweelen mantel met zijn zwaard doorhakt, dat ons volk den later zo beroemd geworden bisschop het liefst afgebeeld ziet. En in menige kerk in Vlaanderen staat hij aldus gestambeeld. Tot voor een vijftiental jaren prijkte boven het hoogaltaar der St.-Martenskerk, te Aalst, een reusachtige ruiter, gedrapeerd in een wijden mantel welke hij met de eene hand strak opengevouwen hield, terwijl hij met de andere, in een sierlijk gebaar, het zwaard in de hoogte hief, gereed om te kappen. Zijn gelaat, fijn getekend en aanminnig van profiel, wendde hij meteen naar den geknielden bedelaar onder hem. Bij feestdagen vooral rees de liefdadige krijger daar, als de verschijning uit een wonderwereld, majestatisch en glorieus, tegen den kleurigen gedempten lichtgloed der glasramen, in een apotheose van wierook en orgelmuziek. Onze kinderverbeelding omhing hem met een schoonheidstoover uit hemelsche landen, en toen de groote Sint-Maartensdag, 11 November naderde, dan werd het ruiter standbeeld in onze illuzievolle oogen iets ontzagwekkends en zalig-vreeswekkends meteen. Toen gebeurde het mirakel waarbij ons heerlijk kindergeloof zich geheel neerlegde: de ruiter daalde van zijn hoogen altaartroon en werd de stralende, witbebaarde bisschop, met gouden mijter en gouden staf, die des nachts met zijn knechten uitreed op paarden, met gouden hoefijzers beslagen, en door de schouw onze korven en mandjes kwam vullen met koeken en suikergoed uit 't paradijs. Den avond te voren hadden we een raapje en een worteltje voor 't paard van den heiligen man in den korf neergelegd, wij hadden hem een briefje geschreven waarin wij zegden dat we braaf geweest waren als Sanctjes, en bedelden om bergen van suiker en chocolade. en toen waren we met onze mandjes en paanders in triomfprocessie door het huis getogen, en hadden gekraaid met volle longen het refreintje dat de verfranschte "masoeurkes" (God vergeve 't hun!) ons aanleerden:

Sint Martin, mon bon ami,
Descendez du paradis,
Apportez de suite,
Vite, vite, vite,
Du bonbon,
Et du macaron!

Waar haalt het feest, van Sinte Maarten zooals het vooral vroeger heel Vlaanderen door, en elders werd gevierd, zijn oorsprong vandaan? Vele gebruiken van het Germaansche kerstfeest, aan "Wodan" gewijd, houden hiermee verband.
Onder de afgoden door onze voorouders aangebeden, stond op de eerste plaats Woen of Wodan, de machtige godheid die winden en wolken regeerde.
De scheppingsgrage volksverbeelding stelde zich Wodan voor als een wilde jager, die des nachts op zijn stormros door de luchten draafde. De zwarte wolken waren zijn mantel. Bij oogsttijd lieten de boeren een schoof haver op hunne velden staan: dat was voor zijn paard. Hiermede hoopten zij de gunst van den machtigen god te winnen, en hun veld tegen alle rampspoed te beschutten.
Weber rept hierover in zijn boek "Dreizehnlinden", (vertaald door E. De Lepeleer) waar hij zegt:

Jongens zoekt niet al te neerstig
Ieder aarken voor den menner:
Laat den laatsten schoof op 't veld voor
Ouden Woên's gezwinden renner;
Laat voor d'ouden Wodan zelve
't Laatste vruchtjen te uwen boome
Dat om't jaar hij meer nog drage, en
Geler nog uw tarwe kome.

Toen de eerste geloofszendelingen als Sint Eloy, Sint Amand en Sint Omaars in onze streken belandden, om er het licht van het Evangelie te brengen, gingen zij aanstonds het heidendom te keer. Om het volk des te gemakkelijker tot de nieuwe leer over te halen, schaften zij hunne gebruiken en feesten niet af, doch zij beijverden zich om ze te "verchristelijken".
In plaats van Wodan stelden zij Sinte Maarten, den grooten apostel van Gallië die de wereld vervuld had met de faam zijner mirakelen. Geen heilige paste beter om den wintergod onzer heidensche voorouders te vervangen. Zijn sterfdag werd ook bij wintertij gevierd. Hij reed ook te paard en had zijn mantel met den arme gedeeld. Sinte Maarten werd eertijds gevierd met een niet te zeggen uitbundigheid en geestdrift. Zijn feest was het volksfeest bij uitnemendheid. Eenige dagen te voren reeds liepen de jongens te schooien achter hout voor het Sint Martensvuur. Bij 't vallen van den avond waren zij nog op de baan, en zongen dat het kletterde, met brandende fakkels in de hand:

Stookt vier
Maakt vier
Sint Maarten komt alhier
Met zijnen blooten arme
Hij zou hem geern warmen.

In Limburg zongen de knapen die van deur tot deur hout bedelden:

Sint Maarten heeft zoo 'n groote kou,
geef ons maar zoo groot als een boone
Onze lieve Heer zal 't in den hemel loonen.

Des avonds ontstak men groote vreugdevuren, en dan vingen de rondedansen aan bij luid gejoel van liederen. In de "Anthologie Belge" par Amélie Struman et Godefroid Kurth, blz. 200, vinden wij daarover de volgende verzen:

"Lorsque la brume était venue,
On allumait un grand foyer,
La flamme montait vers la nue,
Le vent la faisait tournoyer.
Et puis, quel plaisir d'être au monde!
Chaque enfant, gai comme un lutin,
Dansait et chantait à la ronde
Près des feux de la Saint Martin."

Enkele schrijvers beweren dat de Sint Maartensvuren, evenals deze van het "groot carnaval" ontstoken werden om het begin van den vasten aan te kondigen, want de vasten van den advent, die ook genoemd werd "de vasten van Sint Maarten" duurde eertijds zes weken.
Karl Simrock schrijft er over in zijn "Deutsche mythologie":
"Die Martinsfeuer sollten vielleicht die wiedergeburt des jezt verdunkelten sonnenlichts verheiszen. Wie hernach der Advent, so scheint diese zeit schon den Heiden eine vorbereitung auf das Julfest, wo die Sonne sich verjüngte und nun auch das natürliche Neujahr eintrat."
Deze openbare vreugdevuren werden naderhand verboden, omdat er brand of andere ongelukken van voort kwamen. Dit was o. m. het geval te Kortrijk waar ten jare 1736 eenige vuurvonken, door den wind voortgeblazen, brand veroorzaakten in het college der Jezuïeten en andere huizen. Naar aloud gebruik doorliepen de kinderen op den vooravond van Sinte Maarten, de straten van Kortrijk met zwaaiende wierookvatjes, wijl ze riepen om ter luidst:

Sinte Maarten avond
Den torre ga meê naar Gent
En als mijn moeder wafels bakt,
Ik zit er zoo geern omtrent, Stokt vier,
Makt vier,
Sinte Maarten komt alhier;
Al met zijnen blooten arme,
Hij zou zoo geren warmen,
Warmen tot den vieren;
't Is van dage Sinte Liere
't Is morgen Sint Lap,
Eet uwen buk vul zoetepap.

Bij onze voorouders was het gebruik in zwang op Sint Maartens-avond feestmalen te houden, waarop de arme geburen uitgenoodigd werden. Te Gent en in de omstreken van Brussel kende men in de laatste jaren nog de "St. Maartens wafels of koeken". Te Bergen in Henegouwen vergaderden 's avonds de huisgezinnen en er worden gestoofde appels met worsten gesmuld. In Brabant bakte men koeken, en in de omgeveing van Venloo kregen de dienstboden een goed en lekker avondmaal. Of dit nu nog gebeurt?
Eertijds, in België zoo wel als in Duitschland at men de "Sint-Maartens gans". Ten onzent komt die niet meer op tafel. Langs de boorden van den Rijn werd er van de "Sint Maartens gans" druk gezongen in liederen. Van zingen heeft ook ons volk immer veel gehouden, en in vele dier oude Sint-Maarten-deuntjes ligt er een naïeve, gemoedelijke poëzie, terwijl zij tevens vroegere zeden en gewoonten op heel karakteristieke wijze belichten. Te Leffinghe, Middelkerke, Mariekerke, en langs de zeekust van West-Vlaanderen klonk het op den vooravond van de geliefden feestdag, terwijl de jeugd met allerhande lichten in de hand door de straten stoeide:

Sinte Maartensavond
Den torre gâ meê naar Gent,
En als mijn moeder koeken bakt
Ik zit er zoo geern omtrent
Ik zit al in het hoekske,
Ik krijg daar een koekske,
Ik zit al onder de tafele,
Ik krijg daar ne wafele,
Ik zit al onder den zoldertrap
Ik krijg daar nen scheutel pap.

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Reageer op dit bericht

Brandglasraam uit de Retiese sint-Martinuskerk.

Origineel "Ontwerp der Sanctuarium Vensters van de Kerk van Rethij. April 1873."
Met drukstempel atelier: "Samuel Coucke
                                       Peintre Verrier
                                       Rue courte des Foulons 53
                                       Bruges."
Grootte: 29 cm x 47 cm. Dik papier. Tekeningen met de hand ingekleurd.

Dit ontwerp van een bijzonder mooi brandglasraam voor de sint-Martinuskerk te Retie, ( één van de negen) werd door de zeer gekende en alom geprezen glaskunstenaar SAMUEL COUCKE getekend en geschilderd.
S.Coucke (Brugge, 1 oktober 1833 - 7 november 1899) was een glazenier en keramiekschilder in Brugge. Hij was één van de Belgische kunstenaars die zich de kunstrichting bekend als neogotiek eigen maakte. Deze kende in Brugge tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw zijn grootste bloei.
Voor zijn glasramen spande Coucke zich in om te werken met aangepast glas (" verre antique" en " verre cathédrale") teneinde het coloriet en de kleurenwarmte uit de glorietijden van de glazenierskunst te evenaren. Dat ook de brandtechniek op punt stond zie je aan de frisheid van zijn glasramen, honderdveertig jaar na hun fabricatie. De negen Retiese glasramen zijn daarvan een goed voorbeeld.
De Brugse kunstenaar deed ook duidelijke inspanningen om iconografisch correct werk af te leveren ( juiste attributen bij de juiste heiligen bv.) en om heraldisch juist te zijn. De mecenas wenste meestal zijn familiewapen vereeuwigd te zien.
In zijn kleuren, houdingen, klederdrachten van zijn personages, trachtte hij de middeleeuwse voorbeelden na te volgen.
De productie van zijn atelier in de Korte Vuldersstraat was aanzienlijk. Honderden glasramen werden geleverd, zowel in België als in het buitenland. Heel wat ontwerptekeningen van het atelier worden bewaard door het Provinciaal archief van West-Vlaanderen en door musea in Brugge. Een belangrijke collectie van ontwerpen werd door een particulier aangeboden aan deze instanties, die ze echter niet wilden. Deze omvangrijke verzameling werd dan in de loop van 2009 door het veilingshuis Van de Wiele (Brugge) verkocht. Mijn zeven (van de negen) originele ontwerpen van de negentiende eeuwse Retiese glasramen komen waarschijnlijk uit deze veiling. Gelukkig zijn ze opnieuw in Retie.

Beschrijving van het ontwerp voor het glasraam in het hoogkoor, midden boven het hoofdaltaar van de sint-Martinuskerk.
Het hoge glasraam is verdeeld in twee smalle delen met daarboven een "klaverblad" met het Lam Gods of Agnus Dei. (Een lam dat een kruisstaf met wimpel draagt.)
In het neogotisch ontwerp zijn vier heilige figuren verwerkt: sint-Martinus, sint-Philipus, sint-Josephus en sint-Boudewijn.

Links boven: De heilige Martinus, patroonheilige van deze parochiekerk. Afgebeeld door Coucke als staande bisschop van Tours in vol ornaat met rode bisschopsmantel, met bisschopsstaf en mijter. Een bedelend kind aan zijn voeten.
(Het leven en werk van Sintemetten zijn voldoende bekend.)

Links onder: Sint-Philipus. Eén van de eerste apostelen , vriend van st.-Andreas en leerling van Johannes de Doper. Afkomstig uit Betsaïda (Galilea.).
Predikte in Hiërapolis in Frygië, waar hij ca. 80 gekruisigd werd met het hoofd omlaag.
Attributen: op blote voeten, met volle baard en kruisstaf. Boek in linker hand.
Patroonheilige van o.a.: Brabant, Luxemburg, banketbakkers, marskramers en winkeliers.

Rechts boven: Sint-Josephus. Bruidegom van de maagd Maria en voedstervader van Jezus. Zoon van Jacob, stamt af van David.
Attr.: Hier in een paars kleed, als oudere man met baard en met een bloeiende staf. (Symbool van zijn kuisheid.)
Patroon.: België, echtelieden, schrijnwerkers, aanroepen bij oogziekten, enz.

Rechts onder: Sint-Boudewijn. De hier afgebeelde kruisridder is Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen, held van de vierde kruistocht. Overleden in 1205.
Merk het geweldige slagzwaard op, de kroon op zijn hoofd als teken van zijn adellijke stand, het schild met kruis van de kruisvaarders. In harnas en maliënkolder.

Dit sprankelend neogotisch gebrandschilderde glas-in-loodraam is van hoge kwaliteit en werd geschonken door Filips, graaf van Vlaanderen, broer van koning Leopold II en vader van koning Albert I. De wapens van deze grafelijke familie zijn onderaan aangebracht, samen met hun wapenspreuk (in een banderol ): "L'union fait la force."
Het raam werd geplaatst in 1875. Kostprijs 1500,00 frank.


Dit schitterend (voorlopig) ontwerp uit 1873 is nooit uitgevoerd. Het was inderdaad slechts een ontwerp. Vooraleer de brandglasramen gemaakt en geplaatst mochten worden, moest het ontwerp met omschrijving aan de toezichtscommissie van het bisdom gezonden worden. Dikwijls vroeg deze commissie om wijzigingen aan te brengen. Er zijn dan ook grote veranderingen te zien bij de definitieve uitvoering.
Op het 19de eeuwse ontwerp is met potlood bijgeschreven: " Bovenaan; Salvator Mundi en Philippus Apostel" en "Onderaan; Martinus en Balduinus"

En inderdaad, bij de plaatsing in 1875 van dit prestigieuze glasraam, op de belangrijkste plaats van de sint-Martinuskerk, vlak midden boven het hoofdaltaar, zien we dat Sintemetten met zijn bedelaar naar rechts onder is verplaatst. Links van hem schittert de kruisridder sint-Boudewijn. De apostel sint-Philippus verhuisde op zijn blote voeten naar rechts boven. En links boven heeft sint-Jozef moeten plaats ruimen voor "de Verlosser van de wereld".(Salvator mundi.)
Samuel Coucke was echter sint-Jozef niet vergeten en heeft de voedstervader een plaats gegeven in een glasraam van de sint-Luciakapel (samen met st.-Cornelius, st.-Joanna en st.-Theresia.) en ook in het linker glasraam van het hoogkoor. (Samen met O. L. V. en Kind.) 
Zie:"Ontwerp der Vensters van de transeph kapellen van de Kerk van Rethij. Januarij 1886."
en
  " Ontwerp der Sanctuarium Vensters voor de Kerk van Rethij. April 1873.
B
"
De kleurrijke taferelen op de brandglasramen, in voege vanaf de late middeleeuwen, waren net zoals de talloze devotieprenten, een essentieel element in de catechese van de ongeletterden.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
1 reactie Reageer op dit bericht

Nog Winterhulp.

Provinciaal Comité Winterhulp.
Antwerpen.

Plechtige vergadering in de Koninklijke Vlaamsche opera ter gelegenheid van de eerste viering der stichting van Winterhulp.

Zondag 14 december 1941.

Opgeluisterd door een koper-ensemble onder de leiding van meester Jef Van Hoof.

Programma:
Feestklanken door Karel de Schrijver.

Spreekt:
De heer J. Grauls, voorzitter van het Provinciaal Comité, Gouverneur a.i. der Prov. Antwerpen.
De heer P. Heymans, voorzitter van Winterhulp.

IIde Scherzo door Paul Gilson.

Spreekt:
De heer De Pooter, Provinciaal Secretaris van Winterhulp.
De heer T. De Backer, burgemeester van Mol.

Miniatuurmarsch door Jef Van Hoof.

Spreekt:
De heer F. Timmermans, letterkundige.

a) Alva's intocht door Peter Benoit.
b) Beiaardlied door Peter Benoit.

Op de voorkant van dit programmablaadje prijkt een "gewassen" sint-Martinus
te paard. De manteldeling, door niemand minder dan Alfred Ost getekend. De kunstenaar hanteerde hier, helemaal in zijn eigen krachtige stijl, de techniek van de "gewassen pentekening". Meestal zet de tekenaar met pen de contouren van de tekening op papier. Met het penseel kan hij vervolgens lijnen accentueren of vlakken in verschillende tinten aanbrengen. Het met penseel bewerken van een pentekening wordt ook wel "wassen" genoemd. Ost gebruikte deze techniek heel vaak. Zo werden zijn tekeningen nog forser en sterker. Uit deze manteldeling straalt één en al kracht. Een topwerk van de zo fel besproken artiest.
De figuur van Sintemetten, symbool van liefdadigheid, was het boegbeeld van Winterhulp. Geen ander kunstenaar had de heilige van Tours beter kunnen uitbeelden. Een prachtwerk.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Reageer op dit bericht

Sintemetten gestolen!

Dieven gaan aan de haal met "Sintemetten" - vlaggen!

Op vrijdagavond, 2 maart 2012, hebben de Retiese handelaars uit de Sint-Martinusstraat een zeer gesmaakt gemeentefeest gegeven naar aanleiding van de heropening van het kruispunt met de Nieuwstraat. Na maanden van verkeers - en financiële ellende, was iedere winkelier (en met hen elke Retienaar) in de wolken dat eindelijk alles weer normaal zou worden. Maar ... dieven (?), misschien wel sint-martinusverzamelaars, gooiden de daaropvolgende nacht roet in het eten. Ze stalen twee ferme vlaggen die het Retiese handelaarscomité had laten maken met de afbeelding van de heilige sint-Martinus, hun patroonheilige. De prachtige vaandels kondigden de acties aan van de maand maart en symboliseerden het einde van de nodige maar toch vervelende wegwerkzaamheden.
De uitbaters van babyspeciaalzaak "Villa Kakelbont" en "Drukkerij Feyen" waren de gedupeerden. Tot op heden is er van de daders, noch van de gegeerde sint-martinusvlaggen geen spoor.
Dat dit juist gebeurde in het dorp van de "Kortoren" (*) is toch wel erg toevallig.

* "Kortoren" is de spotnaam van de Retienaren. Lang geleden was het in het graafschap Vlaanderen en in het hertogdom Brabant (waartoe Retie behoorde) gebruikelijk het oor af te snijden, of het tenminste in te korten, van dieven die voor een tweede diefstal werden veroordeeld.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Reageer op dit bericht

Meer van Sintemetten.

↑ Terug naar de berichten