Over het lot van de mens - paragraaf 17 (12)
|
Over het lot van de mens 17. Het onmogelijke (12) In het slothoofdstuk convergeert alles apotheotisch uit “Het ingebeelde universum” van Ludo Noens en het draagt dan ook deze boektitel. Charles Peirces Synechisme stelt “dat ruimte, tijd en de (…) natuurwetten één eeuwige continuïteit vormen. Het geheel is mentaal of actief bewust van aard; alles - zowel stof als geest - is mind of levend gevoel/bewustzijn.”1 Noens: “(Dit) is een andere formulering van Indra's net.”2 Zowel de realiteit als de theorieën erover zijn uitdrukkingen van hetzelfde. Noens: Het panpsychisme of metafysisch idealisme van Peirce is nu “het academisch debat over de ontologische status van het bewustzijn binnengedrongen.”3 De persoon als knooppunt van toevallige ideeën met als nawerking het (zelf)bewustzijn. De verstrengeling van het waargenomene met de waarnemer (zoals in de Kopenhagense interpretatie van de kwantummechanica) maakt hem verantwoordelijk als uiteindelijke realisator van wat hij kiest uit een oneindige reeks van keuzemogelijkheden. Pierce zegt dat “stof evolueert en interageert zoals algemene gedachten en overtuigingen doen.”4 “Stof is gefixeerde, krachteloos geworden mind”5 Natuurwetten zouden niet duurzaam zijn maar “aan hoge 'routine' onderworpen mentale processen.”6 Zo ook ons lichaam: “Het is de 'semiotische uitdrukking' van het zelf (...)”7 Het lineaire tijdsverloop zou illusoir zijn en een gevolg van onze voorstellingswijze. De kiem van alles ligt in het geheugen- en herinneringsproces zelf.8 Tijd en ruimte zijn één geheel.“Geheugenwerk, gedachte-projecties en zelfrefererende mentale constructies creëren de misleidende indruk dat ons lichaam en alle materie om ons heen geest-onafhankelijk 'ouder worden' of gaandeweg 'ontbinden'.”9 Volgens Stanislav Grof is naast het conventionele leerproces ook kennisvergaring middels directe identificatie mogelijk, wat de westerse cultuur echter verwerpt. Bij die transpersoonlijke ervaringen horen “ervaringen aangaande goden en demonen (…), mythologische gebieden zoals hemelen en paradijzen, en legendarische of sprookjesachtige ontwikkelingen.”10 Vanaf een zeker punt kan de objectieve realiteit niet langer onderscheiden worden van de verbeelding. “Het mahayana boeddhisme zou als oorzaak hiervan de fundamentele Leegte van het verstrengelde Alles aanwijzen.”11 En volgens islamoloog Corbin “is de spirituele imaginatie een orgaan van ware kennis.”12 Hij verwijst naar “de mundus imaginalis, de wereld van de mystieke steden zoals Hûrqalyâ, waarin de tijd omgekeerd verloopt en waar ruimte, slechts het uiterlijk aspect van een innerlijke staat, naar wens wordt gecreëerd.”13 Wat doet denken aan de demiurg van Plato. Alsook aan de christelijke gnostiek. Het gaat om eindeloze emanaties van het Absolute, welke steeds weer mislukken en hernomen dienen te worden (zoals ook in de Bijbelse traditie het geval is). Dit multiversum bestaat vandaag ook in de wetenschappelijke kosmologie als “de hypothetische (ingebeelde) verzameling van ontelbare onafhankelijk van elkaar bestaande universa, beeldend beschreven als 'bubbels in een kosmisch bubbelbad'...”14 “Het hele universum zou permanent in een vrije kwantum-superpositie verkeren en zich oneindig vertakken in parallelle werelden (…).”15 Verrassend verwijst Noens vervolgens naar het gedicht Eureka! uit 1848 van E.A. Poe, “een visionaire verhandeling 'over het Materiële en Spirituele Universum', boordevol kosmologische ideeën die ver hun tijd vooruit waren. (…) Niet alleen de (cyclische) big-bang theorie (in 1927 gelanceerd door G. Lemaître16) en de zgn. kwantumverstrengeling komen in Eureka! aan de orde, bovendien suggereert Poe dat er in de eindeloze/eeuwige Lege Ruimte 'naast elkaar' best een onbepaalde hoeveelheid fysische heelallen ('clusters van sterrenstelsels') kunnen bestaan, elk met hun eigen cycli, elk met hun eigen centrale scheppende en instandhoudende Godheid! (…) Ooit zal dit werk als revolutionair beoordeeld worden, voorspelde Poe, want 'Poetry and Truth are One. [Opgedragen]' aan de dromers en zij die in dromen vertrouwen als enige realiteit. Aan hen die voelen, eerder dan aan hen die denken'.”17 Bovendien andermaal Ouspensky: “(...) 'Kunst in haar hoogste verschijningsvormen is een pad naar kosmisch bewustzijn.'”18 Noens verwijst andermaal naar de oude hindoegeschriften:“(...) En wie zal er door de wijde oneindigheid van de ruimte de zij aan zij gelegen universa tellen, elk haar Brahma inhoudend, haar Visnu, haar Shiva? Wie kan in hen de Indra's tellen, al die Indra's zij aan zij, die tegelijk regeren in al de ontelbare werelden.'”19 “(...) Er zijn ontelbare universa buiten dit ene, en hoewel zij ruimtelijk onbegrensd zijn, bewegen zij zich als atomen in Jou. Daarom word je onbegrensd genoemd.'”20 In de Bhagavad Gita vraagt Arjuna aan Krishna [Vishnu] één keer diens ware, eeuwig, goddelijke gestalte te mogen zien. “Die verschrikkelijke Vishnu-gestalte - 'als duizend zonnen tegelijk' - blijkt het universum en alle leven daarin zélf te zijn, in al haar eindeloze en duizelingwekkende verscheidenheid. Arjuna ziet dan tot zijn ontzetting die grandioze diversiteit en uitgestrektheid samengevat als het lichaam zelf van de 'god der goden': een hallucinante gedaante met ontelbare armen en benen en hoofden en ogen en monden (…) 'Ik ben de tijd die alles verslindt'.”21 De overeenstemming van die hindoetheorie met de moderne kosmologie werd ook bevestigd door Carl Sagan, al schrijft hij dit aan toeval toe.22 En dan komt de geniale vaststelling van Ludo Noens die impliciet verwijst naar Aristoteles' Topica betreffende de ware aard van het bewijs, namelijk die van de evenwaardigheid van enerzijds de 'fantasisch overkomende voorstellingen' en anderzijds de wetenschappelijke, op grond van het feit dat zij beide “samenhangende mentale constructies zijn, aanvaardbaar binnen al eerder goedgekeurde en ingesloten denkbeelden en ontwikkelingen.” Dit grandioze boek, “Het ingebeelde universum”, eindigt met een citaat, een perfect toepasselijke passage uit de Scheppingsmythe uit de Rig-Veda van 1500 à 1000 voor Christus... (Wordt vervolgd) (J.B., 20 december 2024) 1Ludo Noens, o.c., 174. 2Ludo Noens, o.c., 174. 3Ludo Noens, o.c., 174. 4Ludo Noens, o.c., 175. 5Ludo Noens, o.c., 176. 6Ludo Noens, o.c., 176. 7Ludo Noens, o.c., 176. 8N.v.d.a.: Dit alles doet nota bene sterk denken aan de vierde-eeuwse Augustiniaanse opvattingen. 9Ludo Noens, o.c., 178. 10Ludo Noens, o.c., 179. 11Ludo Noens, o.c., 179-180. 12Ludo Noens, o.c., 180. 13Ludo Noens, o.c., 180. 14Ludo Noens, o.c., 184. 15Ludo Noens, o.c., 185. 16Ludo Noens, o.c., 190. 17Ludo Noens, o.c., 186-187. 18Ludo Noens, o.c., 188. 19Ludo Noens, o.c., 190. 20Ludo Noens, o.c., 191. 21Ludo Noens, o.c., 191. 22Ludo Noens, o.c., 192. |

