De bosmuis (Apodemus sylvaticus) is een knaagdier uit het geslacht bosmuizen (Apodemus) van de onderfamilie van muizen en ratten van de Oude Wereld (Murinae) van de familie Muridae.
Hij behoort tot het ondergeslacht Apodemus en is daarbinnen het nauwste verwant aan Chevriers bosmuis (Apodemus chevrieri).
De bosmuis komt in vrijwel geheel Europa voor, met uitzondering van het noorden van Scandinavië en het overgrote deel van Rusland en de Baltische staten.
De oostgrens loopt door Oost-Oekraïne, Centraal-Wit-Rusland en de grens met Rusland.
De soort komt ook voor op IJsland, enkele eilanden in de Middellandse Zee, waaronder Sardinië en Corsica, in Noordwest-Turkije en in Noordwest-Afrika, in Marokko, Tunesië en Noord-Algerije.
Ze leven over het algemeen in bossen, tuinen, braakliggend terrein, graanvelden, struikgewas en zandduinen, soms ook in gebouwen.
In berggebieden komen de dieren niet boven de boomgrens voor.
Engels : Wood mouse, long-tailed field mouse, field mouse, common field mouse, European wood mouse Duits : Waldmaus Frans : Mulot sylvestre, Souris de terre, Rat sauteur
De rug is donkerbruin, de flanken geelbruin en de buik zilverachtig grijs van kleur.
Er is geen duidelijke grens tussen de zijden.
Jonge dieren zijn grijsbruin op de rug en donkergrijs tot wit op de buik.
De staart is donker van boven en licht van onder. Over de staart lopen 130 tot 180 ringen.
Vaak heeft de bosmuis een gele borstvlek.
Over de nek loopt een kleine gele band, kleiner dan die van de grotere geelhalsbosmuis.
De oren, ogen en achterpoten zijn groot, groter dan die van de huismuis.
De bosmuis wordt 97 tot 110 millimeter lang en 13 tot 27 gram zwaar.
De staart is 69 tot 115 millimeter lang.
Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes.
De bosmuis is een opportunist.
Hij heeft een gevarieerd dieet: hij leeft van graan, noten, vruchten, bessen, eikels, beukennootjes, hazelnoten, zaden, knoppen, paddenstoelen, mossen en galappels, maar ook van insecten, duizendpoten, spinnen, regenwormen en slakken.
's Zomers eet hij voornamelijk boomzaden en noten, 's winters voornamelijk scheuten, knoppen en rupsen.
In de winter leeft hij o.a. van de vruchtbare delen van varens, wat zeldzaam gedrag is onder de gewervelden.
De bosmuis is meestal 's nachts actief, 's zomers ook in de schemering.
De grootte van het woongebied verschilt per geslacht en habitat: mannetjes hebben grotere woongebieden dan vrouwtjes, en dieren uit landbouwgebieden hebben grotere woongebieden dan dieren in bossen.
De woongebieden overlappen over het algemeen.
's Zomers heeft een dominant mannetje een groot woongebied, waarin verscheidene onderdanige mannetjes en vrouwtjes leven.
Vrouwtjes zijn territoriaal, en dulden geen andere vrouwtjes op hun woongebied.
Het woongebied van mannetjes overlapt meestal.
's Winters leven de dieren in gemengde gezamenlijke nesten.
De bosmuis woont in een zelfgegraven ondergronds hol, meestal met één ingang, een nestkamer en een voorraadkamer.
Het nest bestaat uit bladeren, mos en reepjes gras.
In een nacht kan een bosmuis grote afstanden afleggen.
Op nachten met een heldere maan is de bosmuis minder actief.
De bosmuis is zeer beweeglijk en is in staat flinke sprongen te maken.
Het voortplantingsseizoen duurt van maart tot oktober, met een piek in juli en augustus.
Een vrouwtje krijgt één à twee, soms tot vier worpen per jaar. Jongen worden geboren na een draagtijd van 19 à 20 dagen.
Per worp krijgt een vrouwtje 2 tot 9 (gemiddeld 4 tot 7) jongen. De jongen worden blind en naakt geboren.
Later ontwikkelen ze een grijze vacht. Ze wegen bij de geboorte één à twee gram.
Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen.
Zogende vrouwtjes keren vaak terug naar het nest om de jongen te laten zogen. De zoogtijd duurt 18 tot 22 dagen.
Jongen die vroeg in het jaar geboren zijn, zijn later dat jaar al geslachtsrijp, jongen die later in het jaar geboren zijn het daaropvolgende jaar.
Mannetjes zijn meestal geslachtsrijp als ze zo'n twaalf gram wegen, vrouwtjes als ze vijftien gram wegen.
De bosmuis wordt maximaal achttien tot twintig maanden oud, hoewel hij in gevangenschap meer dan vier jaar kan worden.
Natuurlijke vijanden zijn onder andere wezel, hermelijn, das, marter, vos, kat, steenuil, bosuil, velduil, kerkuil en torenvalk.
De bosmuis maakt zachte piepende geluiden en bij angst slaakt hij een korte hoge gil.
Tijdens diverse sociale contacten en als de dieren in het nest zijn, maken ze ultrasone geluiden tot 70 kHz.
De bosmuis laat vraatsporen achter op sparren- en dennenkegels, paddenstoelen, beukennootjes, walnoten, bramen, maïskorrels, aronskelken, bloeiwijzen van bomen en twijgen.
Uitwerpselen van de bosmuis zijn cilindervormig en hebben stompe polen.
De lengte is 4-6,5 mm en ze zijn 2-3,5 mm in doorsnede.
De pootafdrukken van de voorvoet van de bosmuis zijn 12 mm lang en 15 mm breed en die van de achtervoet 20 mm lang en 15 mm breed.
De voorvoet heeft 4 tenen en de achtervoet 5 waarvan er 2 naar buiten en 2/3 naar voren wijzen.
Het staartspoor is vaak ook te zien.
De bosmuis beweegt zich voornamelijk voort in sprongengalop.
In Nederland komt hij overal talrijk en algemeen voor, ook op de Waddeneilanden.
De bosmuis wordt soms voor een huismuis aangezien, maar is hiervan direct te onderscheiden door het ontbreken van de karakteristieke muffe lucht die huismuizen verspreiden.
Ook is verwarring met de grote bosmuis mogelijk.
Deze komt in Nederland echter alleen in Zuid-Limburg en bij Winterswijk voor terwijl de bosmuis wijd verspreid door heel Nederland voorkomt.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- Zoogdiervereniging 2009
- tinternet
De bosmeester (Lachesis muta) is een slang uit de familie adders (Viperidae), onderfamilie groefkopadders (Crotalinae).
De bosmeester leeft in de Amazone-streek in Zuid-Amerika, in Brazilië, Panama, Ecuador, Trinidad, Costa Rica en Nicaragua, in oerwouden.
Engels : South American bushmaster Duits : Südamerikanische Buschmeister, Shushupe, Surucucu Frans : Grage grands carreaux, Maître de la brousse
Bosmeester
auteur : Christopher Murray - vrije foto
De maximale lengte is 3,7 meter maar de meeste exemplaren blijven daar ver onder, veel dieren zijn tussen de 2 en 3 meter.
Hiermee is het op twee na de langste gifslang ter wereld, en de langste groefkopadder.
Het lichaam heeft een lichtbruine basiskleur, met ruit-vormige bruine vlekken op de rug, de ruiten eindigen in een dorsale streep over de flanken.
Er zijn enige kleurvariaties en de slang is ook wel te herkennen aan de zeer ruwe, bijna regelmatig wrattige schubben.
De kop is enigszins afgeplat en ei-vormig, en heeft geen uitsteeksels.
Op het menu staan voornamelijk knaagdieren, de bosmeester is geen klimmer en loert verscholen tussen de bladeren op de bodem op prooidieren, meestal bij een boomstronk.
Het zeer sterk verdunde gif van de Lachesis muta wordt in de homeopathie beschouwd als een heilzame stof, omdat men ervan uitgaat dat kleine hoeveelheden gif gezondheidsbevorderend kunnen zijn.
Lachesis muta
foto : Walter Silva (Peru)
De bosmeester is zo giftig dat een mens na een beet zonder medische hulp kan sterven.
Een geïrriteerde bosmeester waarschuwt de verstoorder door met de staartpunt tegen de bodem te 'ratelen', net als een ratelslang.
De gifslang jaagt 's nachts en komt nooit in dichte populaties voor, dus de kans op een treffen is niet zo groot als bij de meeste adders.
Ook herten en andere grote zoogdieren die bij verstoring gebeten worden, overleven dit vaak niet.
Omdat deze soort veelal in dunbevolkte diepe oerwouden leeft in de afwezigheid van steden, zijn de weinige beten die worden toegebracht altijd zeer ernstig.
De slangen hebben zogenaamd hemotoxisch gif, dat het bloed van gewervelden aantast.
Hierdoor ontstaan inwendige bloedingen en orgaanschade.
Door de lange giftanden van de slang wordt het gif diep geïnjecteerd, wat de effectiviteit sterk bevordert.
Ook de wetenschappelijke naam refereert aan de giftige beet en refereert aan een van de drie schikgodinnen uit de Griekse mythologie.
Lachesis was de godin die bepaalde hoe lang men nog te leven had.