NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Nukerke
Nukerke aan de voet van een getuigenheuvel
Startpagina !
Inhoud blog
  • Reliëfkaart van Nukerke op 1/10 000
  • Linde langs de Pontstraat.
  • Voorwoord
  • Molens
  • Louise-Marie
  • Dorpskern
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • Vanaf het Oostenrijks Bewind
  • Naar de 20ste eeuw
  • Perikelen over de Tweede Wereldoorlog
  • Schilderspalet
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 4.De snibbemolen
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie - woonhuis
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 55. De Nedermolen in Zulzeke
  • Zulzeke dorp
  • 52. Maison de commune de Nukerke
  • 51. Windmolen Ter Geynst
  • Linde aan de Lesborre
  • 43. Hoeve Schoorens
  • 50. Sint-Antonius-abt
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
  • Over de negenkoten en andere anekdoten.
  • Het leven langs de Pontstraat
  • Pittige verhalen
  • Het verhaal van Leontine
  • Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
  • Een levensverhaal vol anekdotes
  • Mensen schrijven geschiedenis
  • Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen
  • Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
  • Oorlogsverhalen
  • 55. De Paepscheure in Zulzeke
  • Van Butsele Gusta
  • Schilderes Gusta Van Butsele uit Nukerke
  • Burgemeester André Hubeau
  • Bevolkingspiramide in 1972
  • Nukerke had een 100-jarige
  • Meester Jan
  • Bavo De Weer
  • Pastoor Paul Dutordoir
  • Gemeenteschool: vorige schoolhoofden
  • Meester Theofiel Gilleman
  • Enkele oude frivole liedjes gezongen te Nukerke
  • Geschiedenis van het onderwijs
  • Geschiedenis van het gemeentelijk onderwijs (vervolg)
  • Het gemeentelijk onderwijs
  • Reliëfkaart van Nukerke
  • Tekst bij de tekeningen
  • Tekst bij de tekeningen- vervolg
  • De Nukerkse Breydelszonen
  • Vervolg van de Breydelszonen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    debeuckelaer_frank
    blog.seniorennet.be/debeuck
    Inhoud blog
  • Reliëfkaart van Nukerke op 1/10 000
  • Linde langs de Pontstraat.
  • Voorwoord
  • Molens
  • Louise-Marie
  • Dorpskern
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • Vanaf het Oostenrijks Bewind
  • Naar de 20ste eeuw
  • Perikelen over de Tweede Wereldoorlog
  • Schilderspalet
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 4.De snibbemolen
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie - woonhuis
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 55. De Nedermolen in Zulzeke
  • Zulzeke dorp
  • 52. Maison de commune de Nukerke
  • 51. Windmolen Ter Geynst
  • Linde aan de Lesborre
  • 43. Hoeve Schoorens
  • 50. Sint-Antonius-abt
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
    Zoeken in blog

    17-12-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voorwoord

    VOORWOORD

    Deze blog is een verzameling van een 50-tal potloodtekeningen met bijhorende teksten. De betreffende gebouwen of sites die werden uitverkozen hebben niet zo'n grote historische waarde. Ze speelden echter wel een belangrijke rol in het leven van onze voorouders. We beperkten ons tot de kerk, beelden van de vroegere dorpskom, windmolens, een huisje, een statige boerderij, een linde…. Gebouwen en plaatsen die in min of meerdere mate dicht bij de landbouwgemeenschap stonden. Daar het kerkdorp Louise-Marie dicht bij Nukerke aanleunde werd ook dit gehucht in de kijker gezet. Zo stappen we soms even over de gemeentegrens om een kijkje te nemen in de buurtgemeente.

    Bij elke tekening hoort wat tekst en uitleg. Zo krijg je een beeld van het vroegere Nukerke, een beeld dat erg heeft geleden onder de slopershamer.

    Verder volgen: “ Het begin van de volksontwikkeling en het onderwijs” en het deel “Verzamelde opstellen” met belevenissen die Nukerkse oud-strijders hebben meegemaakt gedurende W.O.-II, met o.a. een volledig dagboek. Ten slotte is er de rubriek  “Mensen schrijven geschiedenis” waarin dorpelingen hun verhaal doen.

    We konden niet nalaten om u enkele  Nukerkse, frivole liedjes te laten beluisteren (echter niet in DDD). Deze liedjes werden vroeger gretig gezongen op buurt- en familiefeesten o.a. door Aloïs Willems, Bertha en Ilma. Het zijn liedjes van toen die weinig inwoners nog zullen kennen. Laat staan dat ze die ooit hebben horen zingen.

    Hoe de blog gebruiken ? Je kan hem in zijn geheel lezen of per rubriek want aan de linker zijde kan je een bepaalde rubriek aanklikken.

    Aan de rechterzijde kan je dan weer een rubriek aanklikken behorend tot de blog "Maarkedal in beeld".

    Deze blog is niet af en wordt steeds bijgewerkt.

    Bronnen

    “Geschiedenis van onze streek”(Albert Cambier Conservator Stedelijk Museum Ronse)

    “De Vlaamsche Ardennen”         (Joseph Planquart)

    Stedelijk Archief Oudenaarde

    Bibliotheek U.G.

    “Ons dorpje”                             (Aloïs De Zaeytijd)

    Gemeentelijk Archief Nukerke

    Met dank aan de tientallen dorpelingen die hun verhaal brachten

    OPROEP !

    Reacties op bericht "Klooster te Nukerke"

    Zoek personen van het kindertehuis

    Ik heb ook in het kindertehuis gezeten met zuster Gisele, zuster Hilde, zuster Adhemar, zuster Dora (THEODORA) zuster Doninica, zuster Luthart en ik ken Anita, Yves en Pascal van Coppenolle je kent me als Christine Verhauwert, ik zou heel graag samen komen doe een oproep daarom aan Daisy, Werner en Johny Sleeuwaert, Patrick en Miranda François Van Huffel, Monique Gino en Marinp Vanderhauwaert, Chantal, Frederick, Gerard, Miranda, Ingrid De Bruyn, Spitaels Ingrid en GRETA Wouters, Philippe en Veerle en om zeker niet te vergeten Christiane Van Den Bossche , Zuster Lucille, Marie-Madeleine en Claudine De Meulemeester, Marleen e, Isaac en Sabine, en KLEINE VINCENT niet te vergeten natuurlijk nu een man; HOOP DAT JULLIE CONTACT MET MIJ ZOEKEN. JE MAG MAILEN OP snowdon@skynet.beIngegeven op vrijdag 26 augustus 2016 om 20:57:27, door Chrisje Ghijsels, IP-adres:91.180.55.60

    Vraagje

    Ik zou graag contact hebben met die persoon die in het klooster heeft gezeten… Ik ging daar naar school…

     Ingegeven op vrijdag 12 maart 2010 om 10:43:25, door vanquaille Luce, IP-adres: 78.23.247.199

    KLOOSTER NUKERKE

    Zijn er nog meisjes die contact hebben met deze blog die in die periode er waren ? Ik herinner me nog de zusjes Lataer Ik heb samen

    Ingegeven op donderdag 7 augustus 2014 om 18:06:47, door chantal DE ZITTER, IP-adres:81.165.72.132
    met mijn zuster in dit klooster verbleven tussen 1955 en 1963. Ik ben geboren in 1952. RITA en Anita. Dank U. 


    Ik ben een neef van zuster/moeder Gerarda.Ik verbleef bij de jongens in de zomer van 1964. Ook bij zuster Theodora. Ik ken François maar lang niet meer gezien. Ben vandaag in Nukerke geweest en hebde koster gesproken. Ik voelde me vandaag thuis in Nukerke. Ben morgen nog in Oudenaarde. Reactie hoor ik graag
    Ingegeven op zaterdag 23 september 2017 om 22:32:26, door Mart van Woensel , IP-adres: 83.101.83.116

    Bezoek ook de blog over Maarkedal op

    http://blog.seniorennet.be/Maarkedalinbeeld

    Beluister het lied 'De Meisjes ja van Nukerke ...'

    Beluister het lied 'Mijn Germaine' door te klikken
    Beluister het lied 'De pensjager'.

    Beluister het lied 'Meisjefijn'



    Om het zoeken efficiënter te maken kan je uit de volgende reeks bijlagen snel een keuze maken.


    Bijlagen:
    ATLAS CADASTRAL PARCELLAIRE.docx (16.3 KB)   
    BIJZONDERE GEBOUWEN EN WONINGEN.docx (8 MB)   
    BOSGEUZEN EN DE VLAAMSE OLIJFBERG.docx (500.9 KB)   
    DE NEGENKOTEN EN ANDERE ANEKDOTEN .doc (1.5 MB)   
    DE NUKERKSE BREYDELSZONEN .pdf (653.4 KB)   
    DE PAROCHIEKERK.pdf (1.1 MB)   
    DORPSZICHTEN.docx (4.3 MB)   
    EEN ORGELBOUWER VAN BIJ ONS.pdf (140.5 KB)   
    EEN VERHAAL VOL ANEKDOTEN.pdf (323.7 KB)   
    FOTOGALERIJ.pdf (1.3 MB)   
    GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWIJS.docx (8 MB)   
    GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWIJS.pdf (741.4 KB)   
    GO ALLEN IN 1935.pps (6 MB)   
    HET HOSPICE EN HET KLOOSTER.pdf (672.9 KB)   
    HET HUISJE VAN LEA BAERT.pdf (132 KB)   
    HET LEVEN AAN DE WEYTSTRAET.docx (521.4 KB)   
    HET LEVEN AAN DE WEYTSTRAET.pdf (715.6 KB)   
    HET OORL0GSMONUMENT TE NUKERKE .pdf (236.3 KB)   
    HET VERHAAL VAN LEONTINE.pdf (594.1 KB)   
    HOEVEN.pdf (852.5 KB)   
    IN LOUISE-MARIE .docx (1.7 MB)   
    IN LOUISE-MARIE .pdf (847.1 KB)   
    KRIJGSGEVANGENE HECTOR MOREAU.pdf (491.1 KB)   
    LANGS DE PONTSTRAAT .doc (3.1 MB)   
    LANGS DE PONTSTRAAT .pdf (276 KB)   
    LEVENDE MONUMENTEN.pdf (957.9 KB)   
    MAARKEDAL IN BEELD.pps (8 MB)   
    MAARKEDAL IN BEELD1.pdf (7.3 MB)   
    MOLEN TE MEULEBROECK.pdf (668.2 KB)   
    NUKERKE, AAN DE VOET VAN DE GETUIGENHEUVEL IN DE VLAAMSE ARDENNEN.docx (1.1 MB)   
    NUKERKE, AAN DE VOET VAN DE GETUIGENHEUVEL IN DE VLAAMSE ARDENNEN.pdf (895 KB)   
    NUKERKSE LIEDEREN .pdf (592.5 KB)   
    OORLOGSTRUFFELS EN ZEER OUDE RECEPTEN .pdf (283.6 KB)   
    OORLOGSVERHALEN .docx (7.1 MB)   
    OORLOGSVERHALEN .pdf (3.2 MB)   
    OP DEN DRIES.docx (202.8 KB)   
    OP HET KERKHOF.pdf (471.2 KB)   
    SIGNOR , EEN REDEMINNAER.pdf (819.1 KB)   
    TOEN ER NOG CHAMPETTERS WAREN.pdf (171.4 KB)   
    TOONTJE MET ZIJN VARKEN .pdf (330.5 KB)   
    VOETBALREVUE 1936.pps (8 MB)   
    WANDELING 1.pdf (644.8 KB)   
    WANDELING 2.pdf (660.5 KB)   
    WIND- EN WATERMOLENS.pdf (1.1 MB)   


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (24 Stemmen)
    17-12-2012, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (3)
    16-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reliëfkaart van Nukerke op 1/10 000
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Hoogtelijnen 2,5m


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    16-01-2017, 14:42 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    29-04-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Linde langs de Pontstraat.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Fragment uit een potloodtekening 40/50.
    Deze Hollandse linde langs de Pontstraat werd half april 2013 geveld. De jaarringen vertelden ons dat deze boom meer dan een eeuw geleden werd aangeplant. Zou hij aangeplant zijn in 1900 ter gelegenheid van de eeuwwisseling ? Tot 2011 geleden stond hier een boerderijtje met een kleine smidse tegen de westgevel  (ik heb die nooit in werking gezien). Tot midden de jaren 50 bewoond was dit boerderijtje bewoond door Ysebaert, in de volksmond "shieke Nijs".
    Ysebaert leefde van planten- en groenteteelt die hij verkocht op de naburige markten waar hij met paard en kar heen trok.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    29-04-2013, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    16-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Molens

         In de verte de houten “Snibbemolen” te Nukerke, op een hoogte van 125m. Omer Wattez vermeldt deze molen in zijn werk “De Vlaamsche Ardennen” voor het eerst gepubliceerd in 1913, maar op een kaart van 1862 staat hij vermeld als ’t Snibbe molen. De houten windmolen, in de verte, op de hoek van de Staatsbaan (nu Rijksweg) en de Molenstraat (nu Zeelstraat), is afgewaaid rond 1940 op het ogenblik dat de molenaar pas de molen had verlaten. Het molenaarshuis werd later de herberg " 't' Molenhuis" en staat tot heden nog aan de overzijde van de Zeelstraat (tot 1977 Molenstraat) . De laatste twee molenaars waren Theofiel Bostijn die opgevolgd werd door zijn zoon Julien. Zijn dochter, Simone, woont nu bij haar dochter, Marie-Paule Deschamps in Ronse. In hoofdzaak werd hier notenolie geproduceerd. Nadat de molen onbruikbaar was werd het vele hout tijdens de oorlogsjaren links en rechts als brandhout aan de man gebracht. Richard De Bisschop heeft jarenlang samen met zijn vrouw, Irma Decuyper, de herberg “In ‘t molenhuis” opengehouden. De woning met bijgebouwen staat op de hoek van de huidige Rijksweg en Zeelstraat. De handboogschutters van de Nukerkse schuttersmaatschappij schoten er naar de liggende wip. De staande wip stond op de terp waarop vroeger de molen stond. In de jaren tachtig verhuisde de staande wip naar het sportterrein langs de Kortekeer. Tot in de jaren 50 waren de vier stenen voeten, op de terp, de enige getuigenissen van de molen. Ook in die periode werd de terp afgegraven om er zavel te ontginnen maar na enkele jaren werd de zavelput gedempt met allerlei afval. Op het voorplan ziet u de stenen windmolen “Ten Kruissens” in volle glorie, honderd meter verder eveneens op het grondgebied van Nukerke. Zie verder bij molen “Ten Kruissens”. Alleen al in Nukerke stonden 4 windmolens wat een bewijs is van de toenmalige rijkdom van de streek. De woning van de laatste molenaar Bostijn werd in februari 2013 ten gronde afgebroken.





    Stenen graan- en oliewindmolen “Ten Hengst”, gelegen langs de Ommegangstraat te Nukerke, 112,5m boven zeeniveau op een afgeplatte heuveltop, een getuigenheuvel. Deze molen stond reeds vermeld in het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” van 1772 als “De wint Meulen ten hingst”. Hij zou dateren uit 1571. Deze molen werd in de volksmond zo genoemd omdat de wieken wild konden te keer gaan. De molen werd door een blikseminslag volledig vernield in 1831. Deze graan- en oliemolen werd nadien herbouwd door Constant Kervyn. Meer dan eens werden de wieken tijdens een storm afgerukt. Hij vormt een mooi geheel met de gerestaureerde molenaarshoeve. Sinds K.B. van 30-12-60 is de molen een beschermd monument en kan hij weer lustig met zijn wieken zwaaien. Laatste restauratie gebeurde in 2004. Dat er destijds , alleen al in Nukerke, 5 windmolens en 2 watermolens actief waren getuigt van een zeer grote rijkdom aan graangewassen en een zekere welstand voor de bevolking. Zie ook het Nukerkse wapenschild. De gemeente Nukerke kreeg bij koninklijk besluit van 1843 een mooi wapen toegekend waarvan de beschrijving als volgt luidt: “achtergrond van lazuur(blauw) met de godin Ceres van goud, ze slaat de hand aan de ploeg en draagt een bundel korenhalmen”. Ceres was de Romeinse godin van de landbouw (de vruchtbaarheid) en door haar beeltenis wordt dus deze tak van bedrijvigheid, eigen aan de gemeente, op zinnigebeeldige manier voorgesteld. Nukerke was eertijds een heel bedrijvige en welvarende gemeente op landbouwkundig gebied, te zien aan de vier windmolens en twee watermolens.



    Onder
     
    Stenen korenwindmolen “Molen Ter Slepe” ook genaamd “Molen Ten Nieuwennest” langs de Weitstraat te Nukerke op een hoogte van amper 56 m. Verklaring voor de eerste naam: de molenwieken sleepten traag wegens het feit dat ze weinig wind vingen. Hij prijkt immers niet bovenop een heuvelrug maar op een lage uitloper van de getuigenheuvels. Tweede verklaring: de naam van het café dat de naam droeg “In de Nieuwennest”. De molen dateert uit de periode 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos.

    Op een kaart van 1862 staat hij aangeduid als Slepe molen, gelegen langs de Wijkstraat. De molen werd verscheidene keren van de hand gedaan. De laatste eigenaars, die de molen als schenking verkregen, waren Octavie-Sidonie De Langhe en Victor De Langhe die hem ten slotte door verkochten in 1910 aan Rafaël Maes-Vandenhende. Vanaf 1938 werd de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Tot overmaat van ramp sloeg de bliksem op de molen en werden de wieken totaal vernield. Een roemloos einde stond hem te wachten. Gilbert Stockman uit Etikhove heeft later de molen opgekocht om hem volledig te restaureren, wat maar gedeeltelijk is gelukt. Nu staat hij weer te koop.
    In 1968 verscheen in “De Ronsenaar” volgend artikel van AVH onder de titel “Nieuwe toekomst voor de molen ter Slepe te Nukerke”. “Wie een beetje de streek van de Vlaamse Ardennen met zijn typische bezienswaardigheden kent, weet dat het gebied Etikhove-Nukerke-Louise-Marie kan omschreven worden als een verrassende oase van pittoreske heuvelachtige natuurpracht. Midden dat deinend landschap prijken - zoals overal trouwens in de Vlaamse Aedennen - een stel oude windmolens die het landelijk karakter van ’t gebied nog meer affirmeren en die omwille van hun aanlokkelijkheid en hun antieke waarde trouw bewaard blijven. Een van deze merkwaardige molens is stellig de windmolen “Ter Slepe” aan de Wijtstraat te Nukerke, dicht bij de spoorweg Oudenaarde-Ronse en slechts een boogscheut verwijderd van de wijk “Donderij” te Etikhove. De molen Ter Slepe is laag gebouwd en prijkt niet zoals vele andere op een heuvel. Zijn naam heeft hij te ontleend aan het feit dat zijn wieken regelmatig op de grond sleepten. (De schrijver bedoelde hiermee dat de wieken meestal traag draaiden omdat ze weinig westenwind vingen . De wind uit de andere richtingen gaven geen probleem.(six)). De niet opgehoogde plek waarop de windmolen “Ter Slepe” in stenen werd opgetrokken was niet ideaal om veel wind te vatten, vandaar het slepen van de wieken.In feite droerg deze windmolen eerste de naam van een nabij gelegen herberg met uitsteekbord “Nieuwennest”. De molen “Ter Slepe” dateert uit de jaren 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos en door deze laatste uitgebaat tot 1835. Op 15 december 1847 verkocht notaris Platteau van Ro,nse de molenmet bijhorende molendam aan Louis Vindevogel. In 1848 veranderde de molen terug van eigenaar. Door schenking werd hij de eigendom vanAlbib De Vos uit Elzele. In 1865 werde de molen terug verkocht en kwam in handen van Vital De Langhe uit Schorisse. Deze laatste herbouwde de molen gedeeltelijk in 1880. In 1897 komt de molen toe aan de weduwe en kinderen van de Langhe en wordt een jaar later als schenking toevertrouwd aan Octavie Sidonie De Langhe en Victor De Langhe. In 1910 wordt landbouwer Maes-Vandenhende uit Ronse de nieuwe eigenaar. Vanaf 1938 wordt de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Rond die periode sloegde bliksem in op Ter Slepe en de wieken waren totaal vernield. Nooit werden er nog andere wieken op geplaatst. Tijdens de naoorlogse periode heeft niemand zich meer om het instand houden of om een eventuele restauratie van de molenpuinen bekommerd. De molen stond letterlijk te vergaan en scheen geduldig te wachten op ’n roemloos en stil einde. Door allerlei omstandigheden veranderde de molen ter Slepe tijdens de naoorlogse periode nogmaals van eigenaar. Hij werd aangekocht door Willem Vandereecken-Baeke uit Nukerke. Bij die aankoop bleek het echter dat de heer Gilbert Stockman uit Etikhove zich om tal van redenen voor de puinen van de molen Ter Slepe begon te interesseren. Terecht had de heer Stockman ingezien dat het zeer spijtig zou zijn de molen volledig teniet te laten gaan én omwillle van zijn passende schilderachtige versieringsrol in het landschap én omwille van zijn antieke en folkloristische waarde. De heer Stockman nam kontakt met de eigeaars Vandereecken-Baeke en slaagde er in de molen in zijn vervallen toestand aan te kopen. Onmiddellijk liet de heer Stockman de restauratie van de molen aanvangen. Het dak in alpenmutsvorm werd volledig vernieuwd. De buitenmuren van de molen werden hersteld en gedeeltelijk hermetst. Het interieur van de molenwerd bijgewerkt en in zijn oorspronkelijke toestand herschapen. De restauratie van de molen Ter Slepe is thans nog volop aan de gang. De onderkeldering werd ontruimd en alles wordt thans in gereedheid gebracht voor het plaatsen van nieuwe deuren en ramen. Vermoedelijk zal de molen in de loop van de komende zomer tot een juweeltje herschapen zijn en bewoonbaar gemaakt worden. Voor de windmolen Ter Slepe is heel onverwacht ’n nieuwe toekomst begonnen. Hij werd gered van de ondergang. Het is ‘n nieuwe aanwinst voor een heerlijk landschap midden de Vlaamse Ardennen.”
    Tot zo ver het artikel. Maar, geachte schrijver, wij moeten u zwaar teleurstellen. Dat programma werd amper verwezenlijkt, de zaak sleept nog aan, en de molen staat er nu (in 2008) nog even triestig en verlaten bij als toen die tijd…
    Aanvulling: In een plaatselijke krant van mei 2006 verscheen volgend artikel.
    Kunstenaar Piet Van Praet, die al enkele jaren in de vroegere molen Te Slepe aan de Weitstraat in Nukerke woont, ziet zich gedwongen om zijn “woonmolen” te verkopen. Sinds enkele maanden krijgt de man namelijk geen leefloon meer van het OCMW. Na een val drie jaar geleden, zat de kunstenaar maandenlang in een rolstoel. Volgens het OCMW is hij nu echter niet meer arbeidsongeschikt. Voor Van Praet, die de molen zelf restaureerde en inrichtte met kunstwerken uit recuperatiematerialen, is de noodgedwongen verkoop een harde dobber.(CVO)

    Aanvulling mei 2011 uit Plusmagazine

    Kunstenaar Piet Van Praet richtte de stenen molen Ter Sleepe (1795) in Maarkedal (tussen Oudenaarde en Ronse) als vakantiewoning in met knipogen naar Gaudi. Logeren op vijf etages tot onder de molenkap en met schitterend uitzicht op de omgeving.



    Onder
    Houten windmolen “Ter Gheynst” prijkte op de hoek tussen de Pontstraat en Ruitegem te Nukerke. Dat het een oude molen betrof bewijst volgende tekst: “De wintmolen Ter Gheinst toebehorend hebbend dehoirs van wylent Colaert Pot is verbleven op 13.8.1582.” En verder “ geeft toelating aan Pieter van Butsele Pieters en Lieven Vandevelde om een nieuwe molen te mogen bouwen op den ouden molendam, waar vóór de troubles nog een molen heeft gestaan binnen de parochie van Nukerke op het cauterken ter gheynst ofte cauborrevelt die van tevoren ghenaemt es gheweest t’meuleken ter gheynst…(1690). De laatste eigenaar was Emiel De Vos-Slots. In de volksmond gebruikte men de naam “Vozenmolen”. De molen werd volledig afgebroken in 1949, maar de molenstenen werden bewaard. De mechanische graanmaalderij naast de windmolen werd gebouwd in 1911 door de familie Moreels. Na Gaston Moreels zette zijn dochter Annie de zaak verder samen met haar echtgenoot, Paul Aelgoet. De activiteit in de mechanische maalderij hield op in 1993. In het "
    Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen bekend als “De wint Meulen ter Geynst”.Een overachterkleinzoon (P.C.) van Petrus Augustus Van Malleghem liet ons volgende weten.
    Overachterkleinzoon (P.C.)van Petrus Augustus Van Malleghem, molenaar te Nukerke (molen Ter Gheynst door een storm vernietigd in 1942, gelegen op de kruising van de Pontstraat en de Boularestraat rechtover de kapel.); zijn zoon Victor was geneesheer en een tijdlang burgemeester van Nukerke.


    Onder
    De hoogste getuigenheuvel in de omgeving van Nukerke is de Hotond op het grondgebied van Kluisbergen in de deelgemeente Zulzeke.

    In de omgeving van de toren vonden onderzoekers in 1890 mesolithische en neolithische voorwerpen. Deze worden in het Stedelijk Museum van Ronse bewaard .

    De Molen Ten Hotond staat langs de Zandstraat te Zulzeke,deelgemeente van Kluisbergen, waarvan sinds generaties enkel de stenen kuip overblijft want hij is ontdaan van wieken en kap. Sinds jaren doet hij dienst als uitkijktoren. Een oriëntatietafel maakt je wegwijs bij de studie van het wijds panorama. De molen staat immers op een pracht van een getuigenheuvel 140m boven de zeespiegel. Den hoogste top van de heuvel is 150m hoog en ligt een paar honderd meter verder oostwaarts in het bos (aan het waterreservoir). Insiders beweren dat men vanop de toren tot 107 kerktorens kan waarnemen, uiteraard bij zeer uitgeklaard weer.
    De huidige taverne was eertijds het molenaarshuis gelegen naast de voormalige windmolen. Deze oude molenaarsite ligt op de hoogste plek in de Vlaamse Ardennen, tevens het hoogste punt van Oost-Vlaanderen. Reeds in 1672 voor het eerst vermeld was de site in 1684 gekend als Hootont meúlen. Toen nog een houten staakmolen. Deze werd later vervangen door deze stenen molen die werkte als olie- en korenmolen van het type grondzeiler. Op de Ferrariskaart staat de molen bekend als H. Den Hootont en Hootont Molen gelegen aan de westrand van het Slange Bosch Deze stenen molen werd grondig hersteld in 1845 en 1911. Tijdens deze laatste herinrichting werd het olieslagwerk verwijderd. In 1943 werd de uitbating stop gezet en werd de maalinstallatie beetje bij beetje afgebroken. De wieken en de kap verdwenen. De stenen kuip die nog restte kreeg een toeristisch functie als uitkijktoren. Die werd zelfs in 1957 voorzien van een oriëntatietafel. Sinds een paar generaties is deze site eigendom van de familie Vande Wiele.


    Onder
    Hof te Meulebroecke , de watermolen werd reeds in 1571 vermeld als molen ”te Meulebroeck”
    Deze in oorsprong graanwatermolen is van het type bovenslagmolen omdat het aangevoerde water van boven af op de schoepen van het aandrijfrad valt. Deze vorm van energie is reeds drieduizend jaar oud.
    " De weg naar de watermolen was lange tijd niet gekasseid omdat dat een private weg was. Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte.In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve.
    Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver naar de Meulebroecke. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan namen ze mee naar huis maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!
    In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben.
    Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.
    Iets over het malen zelf. Het principe was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; rondmalen op 100, dat was voor zwijnenvoer. Er werd ook gemalen op 80 en op 60. Bijvoorbeeld roggegraan op 100 malen of rondmalen gaf bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen. Om mooie, witte bloem te bekomen werd het graan eerst geperst tussen de stenen zodat tijdens het malen de pel geheel bleef. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60. Meer kom je te weten in de vollledige tekst.

    Onder 
    De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten en voormalig foncier van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangwekkende getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. (Ministerieel Besluit 14-07-2004). De woning werd in 1911 voorzien van een pannendak.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (19 Stemmen)
    16-12-2008, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    28-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Louise-Marie











    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    28-12-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    20-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dorpskern



        Gemeentehuis met pui of bordes, onderpastorie en pastorie te Nukerke. De eerste twee gebouwen werden in 1974 jammerlijk gesloopt om plaats te maken voor een parking. Sindsdien is het dorpsplein een kale plaats. Velen zullen met heimwee terugdenken aan de tijd toen onze geüniformeerde veldwachter, Kamiel Verdonckt, iedere zondag na de hoogmis, de trappen van de pui besteeg , met een armbeweging de aandacht van de menigte vroeg en vervolgens op een statige wijze de “berichten aan de bevolking” kond maakte terwijl groot en klein, opkijkend in de richting van de veldwachter, met aandacht en respect voor het gezag in stilte luisterden. Nadat “en ieder zegge het voort “ weerklonk verbrak het geroezemoes de stilte van de “plaatse”


     Zicht op de oude dorpskom van Nukerke, gezien vanuit de vroegere Boelaardstraat. Met zicht op de kerk Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming. Dit dorpszicht is sinds de eindjaren 70 onherroepelijk verdwenen. Links zie je nog de herberg “In ’t oud gemeentehuis” met bijhorend kruidenierswinkeltje, waar we, in onze jeugdjaren, nadat we twee trapjes afdaalden voor 5 fr een pakje Belga kon kopen. Deze herberg was tot de afbraak eigendom van de familie Ryckbosch. Rechts bevond zich de woning “Blommaert” . In deze woning werd in de jaren 70, en dit tot aan de fusie van de 4 gemeenten op 1 januari 1977, de gemeentelijke diensten ondergebracht.


    Hospice of “Oudemannenhuis” te Nukerke, gesloopt begin jaren 70 toen de werken aanvingen voor de bouw van de nieuwe verpleeg- en rustoord, de Samaritaan. In het hospice werden zowel oude vrouwen als mannen opgenomen die niet meer zelfstandig konden leven. De plaatselijke oudjes hadden natuurlijk voorrang. De dagelijkse zorgen waren in handen van enkele zusters van Barmhartigheid. De enkele ongezellige kamers hadden hoge plafonds. Aan het hospice was een grote boomgaard en moestuin verbonden waarin de meest-valide bewoners van het tehuis konden werken. De zusters hadden ook de zorg van gerechtskinderen en wezen op zich genomen. De meisjes verbleven in de kloosterwoning, gelegen op de speelplaats van de vrije school terwijl de jongens in een bijgebouw van het hospice verbleven. Niet te verwonderen dat zij de “kinderen van het hospice “ genoemd werden. Dagelijks kwamen zij onder begeleiding van een zuster naar de jongensschool, gelegen naast de meisjesschool.
    Ontwikkeling van het hospice “Vóór 1890 bestond er te Nukerke een vreemdsoortig hospice. Oude mannen en vrouwen werden er verzorgd door het echtpaar Antoon de Vos-Theresia Van der Steen, mensen van goeden wil, maar zonder bestuurlijke bevoegdheid, zodat de zaak dreigde ten gronde te gaan. Dit wilden de E.H. Pastoor Files en het Gemeentebestuur van Nukerke ten alle prijzen verhoeden, en dus werden er Zusters van Barmhartigheid van Ronse gezonden om het vervallen gesticht terug in bloei te brengen.

    “Te Nukerke is de kerk in 1593 en de toren in 1593 behoorlijk gedekt, maar zonder koorvensters in 1593, die evenwel in 1595 worden hersteld; zonder één enkel venster in het schip, wordt de kerk in 1595 gewit; het dak het Onze-Lieve-Vrouwkoor, dat was ingestort in 1604, wordt in 1605 heropgebouwd; de daken van het hoogkoor zijn zo slecht zodat het regent op het altaar (1606), het nieuwe dak (1612) heeft zoveel geleden onder de storm zodat een strobedekking nodig is (1613); in 1623 krijgt de Sint-Antoniuskerk een nieuwe vloer.

    In 1848 is alles klaar. “De kerk onlangs voor het grootste deel nieuw gebouwd, is althans geheel opgetrokken en het pastoreel huis bevindt zich ook in goeden staet.”

    Vóór de Beeldenstorm had de kerk van Nukerke vijf altaren en bewaarde ze in een zilveren kruis relieken van het Heilig Kruis en van Sint Andreas., van de hut van Joannes de Doper. Hier bestond tevens de gewoontehet reliekenschrijn van Sint-Stefaan rond te dragen, maar het werd door de kettresin 1556 volledig vernield. “feretrum S. Stephani in nihilum reductum per hyreticos, neque quidquam recuperari potuit” (1569) In 1597 zijn er geen relieken meer.

    Binnenzicht van de kerk.

       Verdwenen zicht op de kerktoren van Nukerke met vooraan het O.-L.-Vrouwbeeldje dat jarenlang prijkte op de hoek van het gemeentehuis, dat op zijn beurt verdween in de jaren 70. Het O.-L.-Vrouwbeeldje met kindje Jezus staat nu in het perkje op een bakstenen voetstuk opgericht door de KVLV. Het beeldje zou een schenking zijn gedaan door meester Jan aan de parochie Nukerke.




    De pastorie uit de tijd toen het gebouw nog gezag en eerbied uitstraalde bewoond door een parochiale herder die instond voor de christelijke opvoeding van de gemeenschap. De tijd dat menig gezagdrager of hoogwaardigheidsbekleder hier zijn voeten onder de tafel mocht zetten dateert al uit vorige eeuw. De talrijke dorpelingen die hier destijds over de vloer kwamen kunnen getuigen hoe mooi het interieur was. In 1901 werd de aanvraag voor de bouw van deze pastorie ingediend. De bouw werd gerealiseerd in 1903- 1904 door het gemeentebestuur. Later werden er nog bijgebouwtjes aan toegevoegd.

    Aan Den Engel


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    20-12-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    30-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    NUKERKE, AAN DE VOET VAN DE GETUIGENHEUVELS


    Geologische ontwikkeling van onze streek



          Het Primair (de archaïsche periode)

    Aangenomen wordt dat 14 miljard jaar geleden dé grote oerknal heeft plaatsgehad. Sommige wetenschappers vermoeden dat na die knal er zich een grote klomp materie vormde, de latere aardbol. Die koelde gedurende miljoenen jaren af  zo dat wetenschappers spreken van een sneeuwbalaarde, een superijstijd die heerste tot zo’n 600 miljoen jaar geleden met temperaturen van -50° tot +50°. Gedurende de afkoelingsperiode vanaf 4 miljard jaar geleden gutste het water uit de loodzware donkere wolken in bakken neer. Het bliksemde en donderde.

    De aarde is in wording met erupties en talrijke en hevige bodemverheffingen. Micro-organismen ontstaan. Dicht bij ons, namelijk in Lessen en Quenast, wijst de aanwezigheid van pofyrieten erop dat er vulkanische activiteit was.

    Bij opeenvolgende verzakkingen van de bodem werd het droge land onder water gezet. De soms weelderige plantengroei verdwijnt onder lagen zand- en kleibezinksels. Het zand verhardt tot zandsteen en een verrottingsproces zet de organische overblijfselen om in steenkool. De aardmassa’s die 200 miljoen jaren geleden het zogenaamde Gondwana en Laurasia vormden drijven uit elkaar.

    H
    et Secundair
    Dit tijdvak loopt van 225 miljoen jaar tot 65 miljoen jaar. Het supercontinent of Pangea zal in deze periode uit mekaar vallen.  Rond 180 miljoen jaren geleden scheurt Afrika af. Dit gaat gepaard met grote vulkanisch uitbarstingen. Het grote vasteland valt verder uiteen en de continenten ontstaan. De bodem rees op en boomvarens en reusachtige oerplanten bedekten de bodem. Bij volgende overspoelingen werd de begroeiing meermaals overspoeld. Zo ongeveer 10 miljoen jaar geleden moeten de Vlaamse Ardennen voor het eerst droog zijn gekomen. Het is in de laatste periode van het Bovenkrijt dat land- en zeedieren ontstonden. Het is ook de tijd van de Iguanadons waarvan meer dan 20 skeletten werden gevonden in Henegouwse Bernissart.

    Meermaals deed er zich een oppersing  van de bodem voor. De zee trok zich terug en de erosie spoelde de eerder afgezette sedimenten weg. Tijdens het Krijt kwam ons land terug onder water te liggen om bij de volgende bodemwelving terug te trekken en sedimenten weg te spoelen.

     

    Het Tertiair
    I
    n 1974 werd in de Awashvallei in Ethiopië het skelet Luci gevonden. Luci behoorde tot de Australopithecus Afarencis, een mens die 3,4 miljoen jaar geleden werktuigen gebruikte om vlees van de beenderen te krabben.

    Het Tertiair is het tijdvak van 65 miljoen tot 2 miljoen jaar geleden. Toen reikte bij ons de oerzee tot in onze streken en ver daar buiten tot aan de huidige Ardennen. Zand, mergel en klei werden afgezet. Bij een bodemverheffing bleef sediment achter dat later door de werking van de erosie werd weggespoeld. In het noorden van ons land deden zich meermaals een aantal schommelingen voor van de bodem wat grote overstromingen met zich meebracht. Deze zette bij elke overstroming op de vloedlijn zand en klei af.

    Deze kleilaag bevindt zich soms op een geringe diepte. Goed om weten is het feit dat de zeebodem afhelde van zuid naar noord wat een belangrijke rol speelde bij de vorming van de heuvelrug met de getuigenheuvels. Het oorspronkelijk gevormd plateau werd gevormd door 6 tot 8 tertiaire lagen, elk afgezet tijdens een overspoeling van de zee. Elk van die lagen bestaat uit welbepaalde types van klei en zand. Bij de laatste overstroming werd de geelrode, soms bruine, zavel (dietiaan zand) afgezet. Dit zand vormde de bovenste laag van het plateau. Dit zand is nu enkel te vinden op de heuveltoppen hoger dan 130m boven de zeespiegel. In oorsprong was dit zand groen doordat het oorspronkelijke ijzersilikaat door verwatering en oxidatie omgezet werd in ijzerhydroxine. Deze geelbruine ijzerhoudende zandsteen wordt limoniet genoemd. Onze ouders noemden hem bossteen of ijzersteen. Je las reeds dat onze voorhistorische bewoners gepoogd hebben er ijzer uit te halen. Later, in de middeleeuwen, werd de steen gebruikt bij enkele voor-romaanse gebouwen.(Ronse (St-Hermeskerk), Opbrakel (kerk), Maarke-Kerkem (kapel).

    Het Quartair

    Dit tijdvak vangt aan met het Pleistoceen (1,9 miljoen ) en eindigt zo’n 10 000 jaar vóór onze tijdrekening.

    Ondertussen heeft zich de hominidae (groep uit de orde van de primaten waartoe de mens behoort) ontwikkeld. Dat moet zo’n één à anderhalf miljoen jaar geleden in Afrika geweest zijn. Slechts 200 à 300 noordafrikaanse mensen zouden de wereld gekoloniseerd hebben. De Neanderthaler bevolkte pas 200 000 jaar geleden grote delen van Europa maar verdween 30 000 jaar geleden van het toneel. Men vermoedt dat een stam ook onze streken heeft bezocht. Trouwen het eerste fossiel van deze stam werd in 1830 in België gevonden. Menselijke resten werden niet gevonden wel Moustérien-stenen. Dit is een typische vorm van gebruikte stenen werktuigen. 60 000 jaar geleden  doet de homosapiens  zijn intrede. Het is een mensentype dat heel veel gelijkenis vertoont met van de mens van nu. Deze periode werd gekenmerkt door de grillen van de natuur. Er doen zich grote schommelingen voor in het klimaat. Het IJstijdvak (IJstijd) vangt aan. Herhaaldelijk groeien grote landijskappen aan en smelten nadien weer af. Dat veroorzaakte veel schommelingen van het zeeniveau, soms tot 100 meter niveauverschil.

    Het vastvriezen en weer ontdooien van het zeewater doet grote niveauverschillen van de zeespiegel ontstaan. De rivieren graven zich dieper in hun bedding. De Rhosnes, de Maarkebeek, de Meulebeek, de Zwalm…doen in onze streek vlijtig hun best. De erosie gaat zijn gang en bezinksel wordt afgezet. Tot en met rollend materiaal zoals keien kan je niet enkel vinden in de valleien maar tevens op de hoger gelegen .’t Is in deze periode dat de mensen in contact kwamen met de mammoet. Het bewijs is gevonden in Rumbeke toen bij graafwerken in september 2007 beenderen van de wolharige mammoet werden gevonden in een kleilaag.

    Onze streek heeft een zestal ijstijden gekend. De laatste ijstijd was zo rond en bij de 20 000 jaar geleden. En ten slotte, tegen het einde van de ijsperioden, wanneer de gletsjers zich reeds naar het noorden hadden teruggetrokken, staken hevige noordenwinden op die zand en kleideeltjes meevoerden, afkomstig van de glaciale sedimenten van de nog droog liggende Noordzee. Ondertussen had zich een heuvelrug (zie getuigenheuvels) gevormd, zeg maar een lange duin aan de rand van de oerzee. Deze werd bedekt met een dunne laag leem. Het is juist die dunne leemlaag, of soms het totaal ontbreken van de leem op de hoogste heuvels, die er de oorzaak van is dat de toppen al dan niet bebost zijn. Aan de voet van de getuigenheuvels en verder noordwaarts kan de leemlaag een dikte bereiken van 3 à 4 m. Er ontbreekt nog de teellaag bovenop, maar die wordt later, heel langzaam in de loop der eeuwen gevormd.

    Tijdens het holoceen (10 000 jaar vóór Christus), de laatste periode van het Quartair, is er een algemene verwarming; de ondergrond ontdooit en de toendra maakt plaats voor bossen, o.a het Kolenwoud.

    In ons landschap, dat volledig was gemoduleerd, verscheen de voorhistorisch mens als jager, eerst nog op de heuvelruggen want er wordt aangenomen dat de valleien slechts 950 jaar na Christus bewoonbaar waren.

    Over beschavingsresten. In Tieghem,  Caster, Elseghem, Leupegem, Edelare en Bevere werden door navorschingen aan de oppervlakte lemmers, krabbers, pijlpunten of stenen bijlen in vuursteen verzameld. Twee prachtige gepolijste bijlen te Etichove gevonden berusten in het stadsmuseum (Oudenaarde). Te Elseghem kwamen op anderhalve meter diepte verschillende bewerkte vuurstenen aan het licht en in datzelfde jaar, nl.1911, werden in  Melden twee gepolijste bijlen en de turflaag aan 5,26m gevonden. Veel werd er geschreven over de dolmen of grafmonument uit de voortijd, volgens Houzé den menhir (rechtstaande reuzensteen uit de oertijd), die zich vroeger noord-oost den wijk Kerkhem te Marcke verhief.” De geschiedkundige heeft het verder over paaldorpen in de scheldevallei, ontdekt door Kapitein Delvaux in 1883 en de vondst van “drie gepolijste bijlen, waaronder een in chloromelaniet, en een ander nog met een handvat in herthoorn voorzien, gehavende stukken van neolithieke potten, houtskool en korengranen en wijngaardranken, doorkloven beenderen van geiten, honden, herten, paarden, ossen en bevers en vooral twee merkwaardige menschendijbeenen. Deze eerste ontdekking staat in verband met een paaldorp, dat zich verhief ten zuiden der nederzetting door Kapitein Delvaux ontdekt te Peteghem, waar de middeleeuwsche abdij van Beaulieu, het paleis van Karel de Groote en Karel de Kale en het kasteel der Heeren en Graven van Vlaanderen zich verhieven…”
    De getuigenheuvels zijn gevormd
    IJzerzandsteen: In de bruine zandlaag klitte het zand soms samen. Zo ontstonden door de oxidatie van ijzersilikaat de typische bruine, ijzerhoudende zandsteen, in de volkmond bossteen of ijzersteen genoemd. In de voorhistorie zouden bewoners zelfs geprobeerd hebben uit die ijzerzandsteen  ijzer te winnen. (Het smeden zou het oudste beroep zijn). Tijdens de middeleeuwen werd die steen in de streek gebruikt als bouwsteen voor alle voor-romaanse en romaanse gebouwen te Ronse en omgeving, o.a. de St-Hermeskerk te Ronse en de St-Vincentiuskapel in Maarke-Kerkem.
    Omer De Jonghe baatte op zijn veld naast zijn woning in de Molenstraat te Nukerke, in de volksmond "op de kruissens", tot eind de jaren 60 een zavelgroeve uit. (toen bloeide de brem er nog welig). Daar konden onze ouders gratis een hoeveelheid ijzerzandsteen krijgen. Deze rotsachtige stenen sierden menig bloemenhofje of grot met beeltenis van O.-L.-Vrouw.Bij het definitief terugtrekken van het water voerden felle noordenwinden fijn zand aan wat het ontstaan gaf aan laag plateau.  De volgende miljoenen jaren zou de erosie zijn werk doen. Zachte delen werden weggespoeld. Bronnen deden grachten en beekjes ontstaan die verder zorgden voor de afbraak. De hardere lagen staken de kop op en vormden de heuvelrug die loopt over een oost-westlijn die reikt van de Kasselberg, het Heuvelland, over de rug van de Vlaamse Ardennen met de Kluisberg (141m), de Hotond (150m), de Muziekberg (148m), over de Pottelberg(157m) en de Oude Berg te Geraardsbergen tot de heuvels van het Hageland. De heuvelrug vormde reeds van eertijds de grens  tussen Vlaanderen en Henegouwen. Daar de ondergrond zavel en ijzerzandsteen bevat hebben de heuveltoppen goed weerstand kunnen bieden aan de erosie tijdens de laatste ijstijd, wat niet uitsluit dat er diepe dalen werden gevormd en het ontstaan gaf aan de vele uitlopers (Eikenberg., Edelareberg, Bossenaer, Varent, Hoogberg…). In onze gemeente deden de Maarkebeek en de Molenbeek aardig hun best bij het afgraafwerk.
    De getuigenheuvels en hun uitlopers zijn een echt bronnengebied. Tientallen bronnen ontspringen er op de noordflanken. Het insijpelend water dringt door de bodem tot op de ondoordringbare kleilaag. Daar wordt een ondergronds waternet gevormd. Langzaam zoekt het water dan een uitweg om ten slotte te ontspringen op de hellingen. Eeuwenlang werd dat water door de mens als drinkwater gebruikt en meermaals vormde zich rond de bron een fonteintje. Veel inwoners gebruikten in onze kinderjaren het water uit de bron als drinkwater. Soms werd de bron uitgegraven en sprak men van een fonteintje. De landbouwer die een fonteintje in de buurt had koelde er 's zomers de kannen melk in.Op de noordelijke hellingen waar de leemlaag eerder dun is doen zich bij langdurige regen verschuivingen voor omdat het insijpelend water boven de ondoordringbare kleilaag blijft staan. Deze kleilaag vormt een glijbaan waarover de bovenste laag wegschuift. Een veel voorkomend fenomeen in de Vlaamse Ardennen. Meermaals deden zich op de Spichtenberg te Nukerke dergelijke verschuivingen voor zelfs onlangs nog in oktober 2007.

    De prehistorie
    Het Paleolithicum of vroeg steentijdperk (ca 8 à 10 000 jaar vóór Christus)

    Werk voor archeologen en paleo-antropologen

    De ijstijd eindigt met het definitief terugtrekken van het ijs.

    Groepen jagers doorkruisten onze valleien en heuvels, een koud toendra gebied waar oerrund, mammoet en rendier leefden. In de streek werden echter geen stoffelijke resten van deze mensensoort gevonden. Maar deze Neanderthaler verdween uit het Europese landschap en werd afgelost door de “homo sapiens”, een mensenras afkomstig uit Noord-Afrika. Volgens ingewijden verscheen dit type voor het eerst in Palestina op nog een tamelijk plotse wijze. Wij noemen dit type de Cro-Magnon mens. Deze leefde tijdens de koude perioden in grotten, zoals Altamira (Spanje), Lascaux en Niaux (Frankrijk). Iets noorderlijker leefde l’homme de Tautavel. Bij ons woonde de voorhistorische mens in de grotten van Goyet, Floreffe en Fufooz. In onze streek werd van deze mens echter niet het minste spoor gevonden. Begrijpelijk ook ! Waar kon hij hier een veilige en warme schutplaats vinden. De “Grotte Chauvet” Pont d’Arc in de Ardèche (Fr) is echter de fraaiste en oudste laat-paleolithische bezienswaardigheid. Deze grot werd ontdekt in december 1994 door o.a. J.-M. Chauvet.


    In 1991 werd langs de rotskust tussen Marseille en Cassis een grot ontdekt die werd bewoond in de paleolithische tijd, op het hoogtepunt van de ijstijd , periode Würm. De grot kreeg de naam van de diepzeeduiker, Henri Cosquer, die de toegang had ontdekt. De toegang ligt nu op 37 m onder de zeespiegel. De grot gaat 100 m ver en de wanden staan vol afbeeldingen van dieren zoals hert, paard, pinguin, zeehond, kameel, bison ….De tekeningen, inkervingen en sjablonen dateren uit de periode 27 000 jaar tot 18 500 jaar vóór onze tijdrekening. Toen lag de zeespiegel van de Middellandse Zee nog 120 m onder het huidig niveau en was de grot gemakkelijk toegankelijk..

         Mesolithicum of middensteentijd

    De mens leefde voordien nog volledig van de natuur maar met dit verschil dat hij vanaf nu verblijft in nederzettingen en veeteelt en landbouw beheerst. In oorsprong hielden die stammen geiten en schapen. En het is op de toppen van de heuvels, die thans voor een groot deel met bossen overdekt zijn, dat we de resten terugvinden van de activiteit van de eerste streekbewoners die hier een vast verblijf hadden. De resten dateren waarschijnlijk uit een tijd, die men Mesolithicum heeft genoemd en die verloopt tussen het terugtrekken van het ijs en het bereiken van de Neolithische revolutie die in het Nabije Oosten rond dezelfde tijd was ontstaan, iets vóór 4000 jaar vóór Christus. De mens had toen een vaste verblijfplaats, kende boog en pijl, gebruikte mikrolieten (uiterst kleine silexmesjes), gebruikte de bijl en temde de hond. Het heeft er alle schijn van dat grote volksverhuizingen, als gevolg van het einde van de ijstijd, voor het eerst een tamelijk dichte groep mensen naar de Vlaamse Ardennen heeft gebracht. Sporen van hun bedrijvigheid werden vooral terug gevonden op Kalmont (te Kwaremont richting Kluisberg) waar dikke lagen afval van silexbewerking werden gevonden. Maar ook in Leupegem en Edelare werden lemmers, krabbers, pijlpunten, stenen bijlen in vuursteen verzameld. In Etikhove werden 2 prachtige gepolijste bijlen gevonden en in 1912 werden in Melden 2 gepolijste bijlen opgegraven in een turflaag, op een diepte van 5,26m.

    De getuigenheuvels als bakermat van onze geschiedenis

    We weten van onze oorspronkelijk bewoners heel weinig af. Zwervers en jagers laten niet zoveel sporen na op wat silexafval, pijlpunten en bijlen na. Pas met de komst van de Romeinse legioenen treedt er verandering in en krijgt onze streek aandacht.

    Menselijke activiteit op de getuigenheuvels

    Eerste bewoners. Het heeft er alle schijn van bij het einde van de ijstijd grote volksverhuizingen tamelijk grote groepen mensen naar onze heuvels heeft gebracht. De eerste bewoners van onze streek, doortrekkende jagers, hechtten een groot belang aan deze heuveltoppen. Deze werden reeds vroeg in de geschiedenis bewoond, getuigen de vondsten van menselijke bedrijvigheid op Calmont. In neolithische lagen vond men afval van silexbewerking. De gebruikte silexklompen waren afkomstig uit de krijtgroeven van Spiennes. Plaatsnamen als Kwaremont, Calmont, Lamont, Hotond , gaan terug tot de Gallo-Romeinse periode. Een Romeinse heirbaan  liep van Bavai over Ronse en Kwaremont naar de Schelde in Kerkhove. Een andere vertakking van de heerweg Bavai-Tongeren liep over Etikhove naar Vloesberg. De heuvels van Louise-Marie waren in de Romeinse periode bebouwd met Romeinse villa’s. Tot zelfs tumuli trof men er aan. Het heeft er alle schijn van dat de Romeinen de hoogten volgden, zo vermeden ze dat ze in moerassen te recht kwamen.

    Het Neolithicum of nieuw steentijdperk

           Beschavingsresten

    Veruit de meeste stenen voorwerpen uit deze periode, die in onze streek werden gevonden, behoren volgende voorwerpen: krabbers, messen, zaagjes, hamers, spitsen en vooral pijl- en speerpunten.

    Dat kan alleen maar betekenen dat onze streekgenoten zich vanaf toen bezig hielden met het verhandelen en bewerken van ruwe silexklompen, die vanuit de krijtgroeven in de omgeving van Bergen (Spiennes, Baudour ,…) naar ons toe werden gebracht. Enkele van die onbewerkte klompen heeft men bij opgravingen onder de St-Hermeskerk terug gevonden. Van de landbouwbedrijvigheid, die rond die tijd in onze streek werd ingevoerd, werden geen sporen teruggevonden.

    Alhoewel. Deze site was een ideale plaats voor de eerste bewoners die een droge plek zochten hoog op de heuvel met een ondergrond die ijzersteen bevat. Tijdens het Laat-Neolithicum werd deze site gelinkt aan de Klokbekercultuur en werden er sporen van een nederzetting gevonden. De ligging van deze nederzetting was een ideale plaats voor de eerste bewoners die een droge plek zochten hoog op de heuvel met een ondergrond rijk aan ijzersteen. 

     Uit de later metaaltijd is er echter  voorlopig weinig of niets gekend. De Klomp is nog steeds een klein gehucht  op een oostelijke uitloper van de Hotondberg, een mooie getuigenheuvel Je bereikt de Klomp via de Zeelstraat of de Rijksweg.(enkele gegevens uit “Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen”).
    In het Stedelijk Museum van Ronse worden prehistorisch voorwerpen bewaard die op De Klomp werden gevonden. Ze werden in 1957 beschreven als “Nukerke, De Klomp, chemin v. Sulsique, env. 200m. à droite, sablière enlevée depuis 1963, surf. Type Néol. (3,1957).

    Steen-bronstijdperk

     

    Het bewerken van steen zal tot 2000 jaar vóór Christus op de Kluisberg blijven bestaan. Het metaal verdrong uiterst langzaam het steen. In navolging van de gladde bronzen bijlen polijstte men stenen bijlen. Daar werden er verschillende exemplaren van gevonden. Deze gepolijste bijlen zijn ontstaan als nabootsing van gans gelijke gladde bronzen bijlen welke toen uit Oost-Europa werden ingevoerd.

    De cultuur die bij ons deze steen-bronstijd vertegenwoordigt heet men “Campignien”. Deze wordt getypeerd door een uiterst langzaam doordringen van het metaal met als gevolg een lang vasthouden aan stenen werktuigen.

    Onze streek, gelegen in de meest westelijke hoek van Europa, is lang buiten de nieuwe beschavingsinvloeden gebleven. Nochtans zou rond deze tijd Ronse deel uitmaakte van de allereerste industriële gemeenschappen van Europa.

    Wat onze streek niet kende is de megalietcultuur (het oprichten van monumenten zoals menhirs en dolmens). Nederland kende wel  tot 1000 jaar vóór Christus de “hunnebedden”. De megaliet op het nieuwe kerkhof van Ronse, langs de Ommegangstraat, is gewoon een nagebootste dolmen. Die is daar geplaatst onder impuls van de “archeoloog” Edouard  Joly, notaris te Ronse rond 1860. De plaatselijke bevolking wist te vertellen dat een groot span paarden werd ingezet om de grote stenen, die op de Muziekberg, waren opgedolven , naar Hogerlucht te slepen om daar op elkaar te worden gezet.

    Bronstijdperk

     

    In onze streek begint het echte bronstijdperk ca 1800 jaar vóór Christus.

    Rond 1500 jaar vóór Christus duiken in onze streken groepen mensen op uit Engeland. Deze hadden de gewoonte hun doden te verbanden en de as onder omgekeerde urnen in grafheuvels bij te zetten. In 1836 werd door Joly enkele graven van dit volk teruggevonden en in de periode tussen 1949-1951 vond men op de Kluisberg een dergelijk graf weliswaar met een kapotte urne, werk van plaatselijke schattenjagers. Op de heuvels zijn nog enkele onuitgegraven tumuli van die tijd bewaard. Vele gegevens schijnen erop te wijzen dat de nieuwe aangekomen bevolking contact heeft gehad met de oudere laatneolithische bevolking van de campgnien-beschaving.

    Uit het latere bronstijdperk vond men in het Oudenaardse bronzen zwaarden uit het Rijnland, speerpunten uit Engeland, armbanden uit Zwitserland. Bewijs dat de rijkdom in onze streek toenam. Op het kasteel Behaegel de Bueren in Kwaremont bewaart men gerestaureerde stukken van de Hilversumurne. Die urne werd er in 1949 op een ongelukkige wijze opgegraven. Naast de vroegere dokterswoning op Heynsdale (de Kraaie) is er nog een ongerepte grafheuvel te zien die waarschijnlijk stamt uit de Campignienperiode of uit de Hilsersumtijd dateert.

    Van 1100 tot 800 vóór Christus wordt Europa dooreen geschud door grote invasies. Onze streek bleef niet gespaard van grote invasies van Kelten die zich hier vestigden. Van deze beschaving werden in onze streek echter geen vondsten gedaan.

    Over Kelten, Galliërs en Oud-Belgen

    Tijdens de 7de eeuw vóór Christus kende onze streek niet de grote toeloop van vreemde volkeren; de Kelten, een vreemd volk dat het paard gebruikte als rijpaard en het zwaard invoerde. Deze volkeren vermengden zich met de tot heden karige bevolking die bestond uit late nakomelingen van de neolithische-Campignien cultuur. Hun grote grafheuvels waaronder hun doden liggen begraven, werden onmiddellijk over de brandstapel opgeworpen. De beenderen werden in een urne bijeengegaard en bovenop de resten van de brandstapel neergezet. In de 3de eeuw vóór Christus was geheel Gallia (Gallië) door de Kelten bewoond. De naam Galliërs is de algemene benaming voor de Kelten op het vasteland, een gebied vanaf de Pyreneeën tot aan de Rijn.

    De gewapende inval, die uit de Midden-Rijn vertrok en nogal krijgshaftig moet zijn geweest, bleef steken in Midden België. Het vreedzaam boerenleven in onze streek gaat voort terwijl in het oosten de krijgshaftige indringers de ijzerindustrie ontwikkelen. Nochtans heeft het er alle schijn van dat ook te Kwaremont en omgeving hopen slakke werden teruggevonden, die er zouden op wijzen dat men in die periode geprobeerd heeft uit de lagen Diesterse ijzerzandsteen ijzer te winnen. Hier sluiten we de Hallstadtperiode af, het was de tijd dat het ijzer enkel tot wapens werd gesmeed. Veel plaatsnamen in onze regio wijzen op de Keltische tijd, denken wij maar aan Rotnacum (Ronse) Heldenaard, Sceldard en Scaldenarde voor Oudenaarde. Zó ver kunnen wij echter voor Nukerke niet gaan. Wellicht was er toen geen plaats voor een dorpje. De heuvels waren dicht bebost en de valleien waren nog onbebouwbaar wegens te drassig. We moeten nog even wachten vooraleer de geschiedenis van Nukerke begint.

    We verlaten langzaam de voorhistorie … . De La Tene-periode treedt aan. Voortaan zal de mens het ijzer gebruiken voor het vervaardigen van werktuigen.

    Rond 125 à 100 jaar vóór Christus vallen groepen Belgen van over de Rijn onze streek binnen. De enige stam in ons land die er prat op kon gaan samen met de Belgen van over de Rijn te zijn gekomen waren de Nerviërs van Henegouwen met centrum in Bavai. Ze waren echter weinig talrijk (nog geen 1000 krijgers). Ze regeerden echter over heel wat vazallenstammen. Deze zijn nakomelingen van vroegere bewoners zoals de Ceutronen, Geidumnen, Grudiërs, de Pleumoxiërs en de Levaken.

    Door de vondsten in de Vlaamse Ardennen  weten we dat beide culturen (de krijgshaftige Kelten uit de Hallstadt-periode als die van de Belgisch invallers uit de La-Tene-periode)  hier vertegenwoordigd waren.

    Van de Kelten vond men destijds in de streek tussen Ronse en Flobecq enkele graven o.a. op de Pottelberg. Graven die slecht werden onderzocht.

    Uit de La Tenetijd  deed men een buitengewone vondst in Frasnes. In 1861 vond men er een ware goudschat bestaande uit niet minder dan 50 Keltische munten in een legering van goud en zilver en twee gouden halsbanden, dit alles begraven in een aarden pot, waarschijnlijk verborgen toen de Romeinse legers onze streek veroverden. De halsringen dateren van de 2de eeuw vóór Christus. De munten werden waarschijnlijk geslagen tussen 75 en 5O vóór Christus. De goudschat werd al snel verpatst want die verdween… tot in de jaren 6O de schat weer opdook in een verzameling van Alastair B. Martin in New-York. Sindsdien is de verzameling in depot afgestaan aan het Metropolitan Museum in New-York. In het museum te Ronse blijven enkel de oude tekeningen en foto’s te zien.  

     

    Vondsten in onze streek

    Uit de oertijd  en andere van Keltisch oorsprong.

    Blijkbaar was het het gebied waar eens Nukerke zou ontstaan geen aantrekkelijke plaats voor de oermens, op de zuidelijke heuvelrug  na. In verslagen over opgravingen en vondsten komt de omgeving wél rijkelijk aan bod.

    Op de heuvels van Edelare vond men allerlei vuurstenen (silex) voorwerpen die eerder van defensieve aard waren. Hier zouden krijglieden hebben gewoond die de mensen, wonende in de scheldemeersen moesten beschermen.

    Vondsten: stukken van gepolijste bijl en een bruin neolithisch bijltje

    Te Oudenaarde of er omheen : twee dijbenen opgegraven in het vroeger paaldorp.

    Twee taferelen op baksteen met de voorstelling van een Keltische koning en koningin…, Keltische potscherven, ijzeren wapens, een amulet werd in 1939 gevonden te Elsegem, scherven van stevige kruiken, sterke urnen, grote kommen…soms van de zelfde kwaliteit keramiek als men vond in Folkestone(GB).

    Keltische overblijfselen zijn te vinden in namen als Berchem en in Ediche (eik) en in Edichove In Etikhove werden trouwens veel gepolijste bijlen in vuursteen gevonden. In de volksmond noemde men ze donderstenen ; ze zouden de uiteinden van een bliksem zijn. De akkers waar veel van die bijlen werden gevonden kregen de naam Donderlanden.

    De heer E. Joly zou rond de Ommegangstraat prehistorische voorwerpen hebben gevonden waaronder een speerpunt.  In 1878 werd een keltisch muntstuk gevonden “trouvé à Hoogherst (of is het Hoogherot of Hoogenberg ?), Nieukercke, le 17 octobre 1878. Statère OR. Nervii. A. Tête à l’epsilon…” Volgens E. Joly werd het stuk doorverkocht in 1895 voor 19 fr. (Annalen 1970). Men zou er ook een aanzienlijke hoeveelheid Romeinse munten hebben gevonden, waaronder zeer kleine met de beeltenis van Tetricus, stenen  werktuigen en een beeldje van Jupiter.

    De Romeinse tijd

    Onze streek treedt de "geschiedenis" binnen

    Hier eindigt de prehistorie en treden we de geschiedenis in met de komst van de Romeinen. Hun schrijvers hebben immers aardrijkskundige en volkskundige gegevens uit onze streek neergepend.Vast staat dat onze streek door de verovering van Caesar in 58 vóór Christus een nieuw tijdperk inluidde. Onze verre voorouders kwamen in contact met een hoog ontwikkelde beschaving. Met een bestuursvorm en met een levendige economie. Caesar trof hier een ruw en primitief volkje aan dat woonde in hutten en leefde van de roofbouw. Stenen woningen was hen onbekend. Onze streekbewoners, de Nerviërs, werden waarschijnlijk in 57 jaar vóór Christus verslagen te Saulzoir bij Solesmes aan de Selle, een oostelijke bijrivier van de Schelde. Volgens het boek van J. Caesar “De Bello Gallico” waren de Eburonen en de Nerviërs zijn zwaarste tegenstanders.Het gebied van de Belgica werd door Ceasar ingedeeld in Belgica Prima en Belgica Secunda. Onze Civitas der Nerviërs met Bavacum als hoofdstad lag in civiele provincie Belgica Secunda. Op gebied van wegenaanleg zijn we hier in de heuvelstreek goed voorzien. Vanuit Bavai vertrokken 8 hoofdwegen. In noordelijk richting liep er een weg naar Blicqui waar die zich in twee opsplitste. Een liep over Wattripont , over de Doornikse steenweg langs de vroegere Steenstraete en Hoogewieg (weg), Oude Kwaremont naar Kerkhove aan de Schelde. De oostelijke Romeinse weg liep over Flobecq naar Opbrakel en Nederbrakel tot in Velzeke, toen een heel belangrijke Romeinse nederzetting. Een afsplitsing van die wegliep over de Quatre Vents naar het Wolfgat en Etikhove richting Schelde te Oudenaarde. Mogelijks liep er een weg vanaf de Kattemolen naar de “Boetzity”. Ook de weg die loopt over de heuvelkammen kan wijzen op de Romeinse wegenbouw. Op terrein zal je bemerken dat die wegen op de hoogten liggen en niet in de valleien die toen nog drassig waren. Bemerking: de benaming heirbaan of “den ouden heirweg” verwijst in onze streek niet het minste naar de echte militaire wegen. In onze streek hebben de Romeinse de bestaande kronkelende wegen verhard, verbreed en rechtgetrokken. Onze streken waren voor de Romeinse bezetter een belangrijk landbouwgebied waar graangewassen werden geteeld bestemd voor de export o.a. naar de grensgebieden waar grote legereenheden het land verdedigden.
    Langs de wegen stonden er op gestelde afstanden mijlpalen, hetzij om de Romeinse mijl (millia passuum= 1000 dubbele passen of ca 1500m) aan te duiden, hetzij om de Keltische leuca (Frans lieue=2222m) weer te geven. Sommige palen droegen geen opschrift. Langs die wegen moest je maar zelf de mijlen bijhouden.

    Vondsten uit de Romeinse tijd

    Twee Romeinse tegels waarop een geboeide Galliër en een vrouw voor Caesar werden gebracht.
    Romeins kamp op de Koppenberg. Gouden en zilveren muntstukken met beeltenis van de keizer. In 1917 werden er bij het graven van loopgrachten een paar 100 Romeinse gouden, muntstukken opgegraven.
    Een Romeins kerkhof te Oudenaarde. Een Gallo-Romeinse dodenakker te Petegem.
    Mozaïeken vloeren in de kerk te Pamele.

    Vondsten in 1907: een reeks graven met mooi Romeins aardewerk op de Kallenberg te Kwaremont., een mijlpaal en veel afval te Ronse, typisch Romeinse dakpannen in Etikhove (wat mogelijks op een villa wijst – dezelfde vorm van pannen werden in Velzeke gevonden), afval op de Muziekberg en op d’Hoppe. Men schat dat er in onze omgeving een drietal Romeinse nederzettingen werden bewoond. Waarom is het overgrote deel van het stenen materiaal verdwenen? De middeleeuwse mens gebruikte veel materiaal om wegen te verharden of om bouwplaatsen op te vullen (onder de St-Hermeskerk) . Veel Romeinse ruïnen verdwenen ook gewoon onder de begroeiing.

    Van Melden naar Nukerke, een lange geschiedenis. Alle oorspronkelijke bewoners die de West-Europese laagvlakte bewoonden stammen uit een smeltkroes van volkeren als er waren de Kelten, de Nerviërs, de Romeinen, de Franken, de Germanen. Wij houden het vanaf nu bij dat volkje, de Nerviërs, dat woonde aan de oevers van de Scaldis, aan de voet van de beboste heuvel, een uitloper van het Kolenwoud dat zich naar het oosten uitstrekte. Daar woonden de eerste mensen in een nederzetting bestaande uit hutjes gemaakt van takken en leem. Stenen woningen en steden kenden ze nog niet. Wie dichter bij het water woonde bouwde een paalwoning. De stroom wou wel eens overstromen en zette de “meersen” tijdelijk onder water. Het vredig volkje werd door Romeinse legioenen, onder leiding van Julius Ceasar in 57 vóór Christus aangevallen, om samen met hun stamhoofd Boduognat te worden verslagen in Solesmes aan de Selle. We onthouden alvast dat de eerste menselijke activiteit in onze streek dateert van kort vóór de Romeinse invasie. Julius Ceasar vermeldde in zijn boek “De Bello Gallico” de Belga-Belgae als een verbond van stammen. Deze verschilden onderling wel danig van taal en zeden. De Nerviërs waren zo wat de dappersten maar ook de meest barbaarse. Wij en onze streekgenoten zouden afstammen van die Nerviërs maar gelukkig ook een beetje van de Menapiërs. Niet voor niets ligt de taalgrens aan onze achterdeur. Blijkbaar was de invloed van de Romeinen op de noordelijke stammen van kortere duur en voerden de bewoners een hardnekkige tegenstand tegen de bezetter.

    Met de komst van de Romeinen in onze streek verlaat ons dorpje de prehistorie en treedt onze toekomstige" prochie" de geschiedenis binnen. De zopas beschreven nederzetting kreeg de naam “Meldi”, wat zoveel betekent als moeras. De beboste heuvel werd Cobbenhulle. We werden ingedeeld in de Belgica prima en de ontwikkeling van onze streek kon beginnen. En het mag ons niet verbazen als Melden uitgroeide tot een klein vicus of handelsnederzetting. Op de Cobbenhulle werd een Romeinse villa gebouwd (met zicht op de Scaldis en de vallei. Een heerweg werd aangelegd die liep van Bavai, over Doornik en Kwaremont naar de Schelde in Kerkhove. Men vermoedt dat er ten oosten van de Cobbenhulle, tussen Ronse en Oudenaarde een aftakking liep van een legerbaan. De Romeinen wisten uit de plaatselijke ijzersteen ijzer te smelten. Maar de grootste revolutie was de kennismaking met de christelijke leer waarmee de Romeinen in Rome al eerder hadden kennis gemaakt. Het staat vast dat Romeinse bekeerlingen de christelijke beschaving hebben meegebracht. Tijdens het bewind van de Romeinse keizer Constantijn (324-337) kon de nieuwe leer in alle vrijheid worden beleden en verspreid. De heirwegen speelden hier een belangrijke rol want zendelingen konden zich zonder moeite snel en veilig verplaatsen. Ook de stromen en de rivieren speelden een belangrijke rol. Immers de meeste grote nederzettingen bevonden zich langs waterwegen, aan samenvloeiingen van rivieren, aan kruispunten van de heirwegen, soms op heuveltoppen. Er wordt verondersteld dat achter de Cobbenhulle, kant Nukerke, er een secundaire weg lag (nu Rijksweg). Maar de verspreiding van het christendom werd eveneens bevorderd door de toen nog primitieve uitbouw van de administratieve indeling van onze streek.

    Vanaf de 3de eeuw vervaagde de Romeinse invloed omdat ondertussen uit het oosten Germaanse stammen naar onze streken migreerden en zich mengden met de Kelten. Toch bleef onze dun bevolkte streek wat verweesd achter. Maar, de missionering ging verder. Reeds in een kroniek van 388 staat vermeld dat de bisschop van Tours, de latere H. Martinus, in Vlaanderen het ware geloof aan de mensen had gebracht. Martinus zou in onze streek een belangrijk deel hebben gehad bij de bekering van de bewoners. De eerste kerk van Melden werd immers toegewijd aan de H. Martinus.

    De Merovingische-Frankische Tijd (350-843)

         

    De verspreiding van de nieuwe godsdienst werd bevorderd dankzij de (primitieve) uitbouw van de administratieve indeling en de wegeninfrastructuur. Men veronderstelt dat er achter de Cobbenhulle toen reeds een secundaire weg lag. Wijst die naar de weg Ronse-Oudenaarde ?
    Van bij het begin van de organisatie van de Kerk viel Melden onder het gezag van het bisdom Kamerijk. De grootschalige evangelisatie begon in de 5de eeuw. Denk aan de bekering van Clovis maar ook aan de komst van predikers, uit het Franse Aquitaine en uit Ierland. Met heel veel zekerheid weten we dat Amandus, vanuit Doornik de Scaldis  en de Scarpe afvoer, Ronse aan deed en verder langs Melden en Oudenaarde, Gent bereikte.

    Na de terugtrekking van de Romeinse legioenen bezetten groepjes Franken de streek tussen Schelde en Leie en langs de oevers van de Schelde. Daar beoefenden ze de akkerbouw en de veeteelt. Melden zou voortaan een belangrijke rol spelen want deze nederzetting werd vanaf de 7de eeuw een heerlijkheid onder het bestuur van de baronnen van Pamele. Men vermoedt dat deze heren nazaten waren van de eigenaar van de Romeinse villa die op wijze grootgrondbezitter zijn geworden. De eerste bekende heer van deze heerlijkheid staat vermeld in het jaar 845 als ridder A. de Pamele. In deze periode was Melden dus de hoofdplaats van “het Land tusschen Marcke ende Rosne”, waarvan het grondgebied van volgende 8 dorpen deel van uitmaakten: Melden, Marcke, Kerkem, Etikhove, Nukerke, Zulzeke, Kwaremont en Berchem. Verschillende opvolgers van de Heer A. de Pamele werden in Melden begraven. Melden was immers de hoofdplaats van de heerlijkheid.

    In 843, bij de dood van Lodewijk de Vrome, werd bij het Verdrag van Verdun het vorstendom van Karel de Grote verdeeld onder zijn 3 kleinzonen. Vlaanderen werd opgesplitst. De Schelde, van Kamerijk over Doornik, Oudenaarde, Gent) werd voortaan de grens tussen Francia Occidentalis (onder Franse kroon) en Francia Media (oostelijk van de rechteroever), bestuurd door Lotharius II. Deze grens zal verdwijnen in 1526 dankzij de Vrede van Madrid.

    Ondertussen kwamen wij onder Duitse invloed. Nukerke lag voorlopig in een gebied dat zich uitstrekte van de Schelde tot aan de Rijn en de Moezel. Melden werd voortaan een heel belangrijke grenspost tussen het Franse Rijk en het toenmalige Duitsland. (ook Ename was toendertijd een bruggenhoofd aan de Schelde) Onze Vlaamse overburen aan de Schelde woonden wel in Kroon Vlaanderen maar de graaf moest de Franse meester erkennen. De kans om een grote stad te worden hebben beiden ontlopen. Men vermoedt dat de drassige bodem daar de oorzaak van was.

    We zitten vanaf nu volop in het Leenstelsel, een staatsbestel dat zal duren tot 1384.

     

    Het Leenstelsel (843 -1384)

    Onze dun bevolkte streek gleed rustig de vroege middeleeuwen binnen. Het Leenstelsel of Leenroerig Stelsel met zijn lijfeigenen of laten, halfvrije en vrije landlieden kenden een onzeker bestaan. Allen werden afhankelijk van machtige grootgrondbezitters die hen desnoods doorverkochten met de grond. Hier en daar bleef die middeleeuwse mentaliteit bestaan tot vóór de laatste wereldoorlog. De bevolking zal langzaam aangroeien dank zij het feit dat op vruchtbare gronden landbouwnederzettingen ontstonden die algauw uitgroeiden tot parochiegemeenschappen, zoals ook met het latere Melden gebeurde.
    Vanaf 843 met het Verdrag van Verdun werd Vlaanderen opgesplitst. De Schelde werd de natuurlijke grens tussen het Franse Rijk.
    Op bestuurlijk gebied was het eerder rampzalig gesteld. Het grote rijk was verdeeld in heerlijkheden, graafschappen, bisdommen, vorstendommen, dikwijls met zwakke gezagdragers. Er werd geërfd en onterfd. Zo kwam Melden en het ganse land van Marke en Ronne in de 10de eeuw terecht in het distrikt van Ename. Boudewijn V, graaf van Vlaanderen, veroverde rond 1040 Ename. De benediktijnenabdij werd gesticht en “het Land tusschen Marcke ende Rosne” werd in het Graafschap Vlaanderen ingelijfd, als deel van het “Lande van Aelst”.
    Deze periode werd gekenmerkt door de jarenlange invallen van de Noormannen die de streek langs de Schelde keer op keer plunderden. Ook de inwoners van de “vrije stede Gent” zullen in de 14de eeuw onze streek plunderen.

    Onze eerste parochiekerk
    Onder het bestuur van de bisschop van Kamerijk
    “Le patronat de l’église, consacréé sous le vocable (titel) de Notre Dame, appartenait au chapitre métropolitain (aartsbisschoppelijk) de Cambrai (l’evêque de Buschard la céda, en 1115 ou 1116 au chapitre de sa métropole) qui percevait dans cette localité toutes les dîmes (tienden), à l’exception de la part réservée au curé. Elle fut séparée de Melden et érigée en paroisse, à cause du grand nombre de fidèles qui venaient y remplir leurs devoirs religieux. On la nomma alors nouvelle église, dénomination qui lui est restée.  (Annalen Ronse) In 1132 was bisdom Kameryck in handen van  bisschop Liethardus.
    Behoorde de parochie Nukerke aanvankelijk tot de dekenij van Pamele, in 1559 kwam ze onder het gezag van de aartsdekenij van Brussel om in 1568 over te gaan naar de dekenij van Ronse.

    In 1225 werd Pamele tot baronie verheven. De heerlijkheden Etikhove, Maarke, Maarke ter Borche, Kerkem, Nukerke en Berchem met Kwaremont en Zulzeke vormden het “Land van Marcke en Ronne” dat een leenhof werd gehouden door de heer van Pamele. De hoofdzetel van dit leenhof werd gevormd door de heerlijkheden van de dorpen Melden en Nukerke.

    De vierschaere

    “De “prochie” Nukerke vormde een “vierschaere” of rechtbank samen met Melden en deze vormde samen met Ethikove, Zulzeke, Kerkem, Berchem, Kwaremont en Marke deel uit van de baronie  van het land tussen Marke en Ronne. Deze baronie in het Land van Aalst hing af van het feodale hof van de hertog van Kleef in Heinsberg bij Aken. In  1275 stond de parochie Nukerke onder het gezag van de baron van Pamele. Nog in 1647 bezat Pamele Nukerke, Edelare, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem.
    Volgens de Seyn was Nukerke een onafhankelijke heerlijkheid. De grenzen van de heerlijkheid stemden niet percies overeen met die van de parochie. Daarvan getuigt o.a. volgend citaat, anno 1630:” binnen de prochye van nuykercke heerlyckeede van sulseque…” (Annalen Ronse)

    Voortaan spreekt men van een parochie en deze was toen altijd uitgestrekter dan een gemeente. En hier begint ook de geschiedenis van het latere Nukerke aangezien die kleine gemeenschap aan de overkant van de Koppenberg lange tijd heeft afgehangen van de parochie Melden. De oudste vermelding van Nukerke gaat terug tot 1116 toen. Rond die tijd moet er ondertussen ten oosten van de Koppenberg een kerkje gebouwd zijn. De reden hiervoor was omdat het aantal bewoners aangroeide en de afstand tot de parochiekerk van Melden te ver was. De “prochie” kreeg de naam Nova Ecclesia (Nieuwe kerk), een gemeenschap die zal uitgroeien tot Nukerke. Van een gemeente is nog helemaal geen sprake.
    Het eerste kerkje van de “prochie” Melden, waarvan dus ook de gelovigen van het huidige Nukerke toe behoorden, zou in de Merovingische periode zijn ontstaan, waarschijnlijk uit de resten van/of als bijgebouw van een versterkte toren of mote, gelegen dicht bij de stroom. En was dat kerkje niet toegewijd aan de H. Martinus ? Het kerkje is naar alle waarschijnlijkheid gebouwd door “het Capittel van kanonniken der Cathedraal van Kameryck die altoos gelast zijn geweest met de reparatiën derzelve en die ook de groote tiendeheffers en patronen ervan waren….”, aldus een document. Melden maakte van bij het ontstaan deel uit van de bisschopszetel in Bavay, maar na de verwoesting van deze nederzetting maakte het deel uit  van het bisdom Kameryck (Cambrai). Vast staat dat Kameryck vóór 406 reeds een bisschopszetel was.  In oorsprong was er geen sprake van een bediening per kerk. Er was zomaar geen priester per parochie beschikbaar. Die werd bediend door een of ander priester of monnik uit de abdij van Ename(1063) of vanuit Pamele .Pas vanaf het Concilie van Trente (1545-1563) zullen pastoors met een vast statuut worden aangesteld in de parochies.
    In 1661 zou Melden samen met gans het Land van Aalst verenigd worden met het Aartsbisdom van Mechelen  dit door toedoen van Paus Pius IV en Philippus II, koning van Spanje.
    In de kronieken lees je dat “ten jare 922 werd Gerardus de Loz, heer van Pamele, hoofd van de heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne waarvan Melden de hoofdplaats was, in de kerk begraven. Het oorspronkelijk Romaans kerkje werd in de loop van de geschiedenis keer op keer verbouwd. Nu terug naar de juiste tijdsperiode.
    In het jaar 871 hebben onze streken een inval gekend van de Noormannen, alsook in 940 “die niets nalieten dan rouwe en verwoesting”. Rond die tijd maakte het Land van Marke en Ronne deel uit van het distrikt van “Eename” onder het bewind van Boudewijn,V, graaf van Vlaanderen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (12 Stemmen)
    30-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    29-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Opkomst van het protestantisme (vervolg)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ons eerste kerkje te Nukerke volgens een oude kaart.

    De Boergondische Tijd ((1384-1482)   

     

    Bij de dood van Graaf Lodewijk van Male (laatste Graaf van Vlaanderen) in 1384 kwamen onze gewesten in Franse handen onder het bestuur van Filips de Stoute, Hertog van Boergondië, die gehuwd was met de dochter van onze laatste graaf.

    Gedurende deze periode kende onze streken een opleving. Kunst en cultuur stonden op het voorplan. Het is het tijdperk waarin talrijke kostbare kunstwerken ontstonden. Denken we aan de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde en de tapijtweefkunst. Op de flanken van de heuvels groeiden toen zelfs wijnstokken. Al deze zaken verschaften onze arme landlieden werkgelegenheid als spinner, tapijtwever, bouwvakker, landarbeider…. Menig inwoner van de “prochie Nova Ecclesia” verdiende zijn brood in Oudenaarde. Er was veel werk in de bouw toen de St-Walburgakerk werd gebouwd. Veel landlieden uit onze gemeente werkten als tapijtwever.

    De rust in onze “prochie” werd echter meermaals verstoord door de strooptochten van de Gentenaars o.a. in 1453. De Gentenaars trokken in 1478 ten strijde tegen Doornik dat niet in het Bourgondisch Rijk lag. 

    Wat bracht de 15de eeuw in onze streek ?

    Karel de Stoute trok door ons dorp Melden op 27 mei 1464 op weg naar zijn blijde intrede in Oudenaarde.

    Wijngaarden groeiden op onze heuvelflanken. Gentenaars overrompelden in 1453 onze streek. En trokken in 1478 troepen uit Doornik door ons dorp op weg naar Oudenaarde om er een bloedige strijd te voeren?

    Een bekende Nukerkse is

    “ Florentina Wielant, geboren tot Gend den maendag 6 september 1479, getrouwt met jonkheer Stephanus van Liedekercke, vrouw van Eversbeke en van Landeghem, naer haeren oudsten broeders dood, den 22 december 1506 tot Mechelen overleden en begraven in de parochiaele kerk van Nukerke, in het land van Aelst; Philippina Wielant, geboren tot Gend den dynsdag 4 april 1480 (ouden styl), getrouwt met jonkheer Ferry Gros, overleden tot Brussel den 1 december 1521 en begraven in gemelde kapel;Philippe Wielant, geboren tot Gend op S. Marcus-dag, den vrydag 25 april 1488, overleden den 25 mey 1489 en in gemelde kapel begraven;”


    De Habsburgers (1482-1555) 

     

    Met de dood van Maria van Bourgondië, dochter van Karel de Stoute, in 1482 begon het tijdperk van de Habsburgers. In 1500 werd in Gent (of was het Eeklo, zoals ze ginder beweren) Karel V geboren, zoon van Filips de Schone. Dankzij deze grote vorst komt Nieukerke in de geschiedenisboeken terecht. Volgens  historische bronnen zou  Karel V vóór zijn huwelijk met Isabella van Portugal , bij “Johanna van der Gheynst “  een dochter verwekt hebben, nl. de latere landvoogdes Margaretha van  Parma (1522-1586). Tijdens zijn huwelijk werden  volgende kinderen geboren : Filips, Maria, Johanna. Tenslotte had hij nog een zoon Don Juan buiten zijn huwelijk en na de dood van Isabelle. Gedurende haar bestuursperiode verbleef  Margaretha te Oudenaarde  in  het “Huis van Margaretha van Parma”, naast de “Boudewijnstoren”. De jonge Karel verbleef wel eens in  Oudenaarde bij de familie de Lalaing  (huis aan de Schelde) en juist daar zou de jonge Johanna dienster zijn geweest. Haar ouders  woonden in de boerderij te Nukerke, op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. De ouders van Johanna waren tapijtwevers. Omer Wattez beschreef als volgt het feit:” Te Oudenaarde werd in de zestiende eeuw geboren: Margaretha van Parma, natuurlijke dochter van Keizer Karel en Johanna van der Gheenst, dochter van eenen tapijtwever uit Nukerke”. In een voetnota meldt de schrijver nog: “Dit wordt door sommigen echter betwist.”De naam Keizerrei  zou kunnen afgeleid zijn van het woord keizer. Wie weet heeft de jonge vorst meermaals, te paard, de bossen van Nukerke doorkruist. Sommige Meldenaars vinden het jammer dat de kroniekschrijvers niet Melden hebben vermeld in plaats van Nieukerke, Melden was immers nog steeds de hoofdparochie en zal dat nog lang blijven

    Joseph Plancquaert schreef het volgende: “Op het Bourgondische kasteel stond Janneke, dochter van Gilles Van der Gheenst en Johanna Van der Coye, naarstige handwerkers in de tapijtweverij, woonachtig te Nukerke, ten dienste van mevrouw de gravin de Lalaing .Dit pachtig kasteel, door Filips de Goede opgebouwd had ook een “ Toren van Bourgondië” en stond daar waar de Schelde de stad uitvloeit, links van het gerechthof.

    Dien Novemberdag 1521 nam de keizer kwartier in dit kasteel en was er te gast van den graaf de Lalaing, gouverneur. Van hier uit voerde hij oorlog tegen Frans-I, koning van Frankrijk, die Doornik had bezet.

    Het wakkere, drentele meisje, zindelijk uitgedost, was in de bloem der jaren. Men kan zich voorstellen hoe schroomvallig, bevreesd en ontzet die jonge dochter zich tegenover de keizer gevoelde. Hoe de oplettende dienstmeid het ook druk had om haren hogen gast te dienen, doch schiep de keizer genoegen in haar bekoorlijk voorkomen, in hare vriendelijkheid en keuvelde graag met haar. Niemand had de hartstocht des keizers voor de volksdochter durven tegengaan, wel werd zijn gedrag bedekt afgekeurd, maar men durfde het niet aan het hem te verwijten. Toch bij het heengaan ontstond uiterste verslagenheid bij het meisje. In de Kronycke van Oudenaarde, f° 154, leest men:”In ’t jaer XVe XXII, ’t Audenarde, binnen Pamele, op het Spey gelach Jannekin van de bastaerde dochter van Carolus de vyfste ende wiert daar Christen ghemaeckt. Dese traude namaels den Hertoghe van Parmen ende wiert Regente van de Nederlanden.”

    Wijl Janneke late in den echt trad met Jan Van den Dycke, een gewone burgersjongen, en dezes broeder en zuster Baudouyn, Maria en Agnes werkgasten bleven in de tapijtnijverheid, werd het kindje Margareta aan het hof zorgvuldig grootgebracht en trouwde eerst Alexander de Medicis en nadat deze werd vermoord, Octave Fanèse, hertog van Parma en Plaisance. In 1555, toen Keizer Karel afstand deed van zijn staten, vertrouwde hij aan Margareta van Parma het bestuur toe ven de Belgische provinciën. Acht jaren lang, door een zacht en tevens sterk beheer, won zij de genegenheid en de achting van hare onderdanen. Bij de aankomst van den hertog van Alba in 1568, zegde zij vaarwel aan haar vaderland en stierf aan jicht, in Italië, in 1586"."Het fijngetoest, wonderlijk subtiel, Vlaams gothiek stadhuis van Oudenaarde, met zijn tot kant gesneden stenen en goudgeflikker in ’t zonnelicht, herinnert ons steeds aan Karel de Vijfde en misschien ook aan Janneke Van der Geenst van Nukerke”. Zij was immers de dochter van  een keizer met grote faam: in zijn keizerrijk ging de zon nooit onder. Op vijftienjarige leeftijd werd Karel Heer van de Nederlanden en van het Franche-Comté. In 1514 erfde hij Spanje, Napels, Sicilië, Sardinië en dankzij de ontdekkingstochten van Colombus beheerde hij de ontdekte gebieden in Amerika.

    Sinds het bestaan van Janneke werd Nukerke meer gekend. Zo komt onze gemeentenaam voor in een beschrijving van de bouw van het stadhuis van Oudenaarde: ”Brusselse steen voor de voorgevel, graniet van Ecaussines en bloksteen van Avesnes voor galerijen en vensters. De baksteen waarmede werd gebouw komt van de scheldeboorden: van Berchem bij Nukerke… En verder. “In 1528 werden sommige lasten aan de stad opgelegd voor het opbouwen van het schepenhuis: “betaelt Janneken,dwater vrauwe, voor IIIIe XXIIIvaten wter ghehaelt ter meerschpoorten ende ghebrocht ant Schepenhuis, omme teale ende moortele te makene…”

    Een belangrijke verandering deed zich voor op politiek vlak. Karel V zorgde voor de eenmaking van de Nederlanden. Zo versloeg hij de legers van Frans I van Frankrijk. Door het Verdrag van Madrid in 1526 verloor Frankrijk voor goed de rechten over Vlaanderen. De oude graafschappen en hertogdommen maken vanaf heden deel uit van de XVII Provinciën. De bouw van het stadhuis van Oudenaarde (eerste steenlegging in 1526) trok veel landleden aan.


    Bevolking in Nukerke
    In 1567 telde men 839 Communicanten (paashouders), wat overeenstemt met een bevolking van ongeveer 1250 zielen.
    In 1574 ongeveer 800 Communicanten.
    In 1593 slechts 300
    In 1597 ongeveer 400
    In 1601 ongeveer 231
    In 1602 ongeveer 400
    In 1603 ongeveer 270
    In 1606 ongeveer 309
    In 1610 ongeveer 594
    In 1611ongeveer 344
    In 1614 ongeveer 400
    In 1615 ongeveer 600
    Bestaande cijfers zijn moeilijk te interpreteren. Waarom die schommelingen ? Sterfte, verhuizing, pest,  protestantisme….Tijdens deze periode maakte het protestantisme grote opgang. Mensen werden verbannen voor een periode of voor de rest van hun leven. Anderen verlieten tijdelijk de streek wegens de onlusten.
    In 1697 waren “de huysen verspreyt de prochie deur, het leste huys vande prochie west een huere van de kercke wesende den boscant naer welcken cant gaende den meerderen deel woont van het volck.”


    Een geestesgestoorde gaat op pelgrimage bij Sint-Hermes te Ronse.

    Velen weten allicht dat sinds de middeleeuwen in Ronse Sint-Hermes wordt vereerd. Namelijk: “Te Ronse wert sinte Remeus versocht daer werden de dulle lien gebrocht en die ginc men den duyvel daer uyt lezen…” Lees verder wat een Nukerkenaar daar in Ronse beleefde.
    “In 1510 doet zich een ander geval voor. Op Sacramentsdag van het jaar 1510 sprong om twee uur ’s morgens magister (middeleeuwse academische graad) Johannes L. rector (bestuurder, ook hoofd van een niet-parochiale kerk) van een school, gedreven door duivelse ingeving uit het venster van de herberg “St.-Antonius” Zo doodde hij zichzelf. Hij was als obsessus en demionacus te Ronse gekomen en was aan de dagen van zijn pelgrimage begonnen. Maar de negende dag had hij niet voltooid. De baljuw van zijn woonplaats legde beslag op zijn goederen. Een broer van de rector, Jacob L. gaat tegen die beslissing in beroep. Een van de kapittelheren gaat naar Gent voor dit proces (Juli 1510, A.C. 1,49 r). De kamer van Vlaanderen stelt hem in gelijk, maar de baljuw laat de goedere niet los. De raad van Vlaanderen grijpt weer in en roept schepenen en baljuw van Nukerke op. De baljuw verschijnt niet, maar schrijft de volgende brief. We danken de baljuw, aan wiens hardnekkigheid wij dit document danken:
    “Ic, Jacob Tayspil, als balju... van nieukercke, doen te wetene elcken daer ‘t behoort dat, … aldien te mijnen kenisse commen was dat meester Jan L. wonende te nieuekercke, hem zelve brocht hadde van levende live ter doot, exercerende mijnen…officie, hadde zinen tijdelijcken goet ghestelt in mijns … heeren handen… Waeraf een Jacob L. gheappelleert hadde, te kennen ghegevende dat meester Jan was bekent pelegrim te Ronse, mits welken de heere gheen cause en hadde an ’t goet, ende  presenterende daer af letteren van certificaten… commende van mijnen heeren van Capittele der Collegialer kercke van St. herms te ronsz, inhoudendedat hij daer bekent pegrim was… ende naer zekeren raedt ende advis daer up ghenomen bijden raedslieden van mijnen… heeren , zo hebbe ic mijn handt gheweerdt vanden zelven goede ende dat ghestelt inden handen vanden voochden van ‘svoorseyden meesters Jans kinderen…ende in breedere approbatie van dien zoo hebbe ic balliu… mijn handteken hier onder ghestelt.”(Annalen Ronse)

     

    De Spaanse tijd (1555-1713)

    Filips II volgde in 1555 zijn vader Keizer Karel, graaf van Vlaanderen en koning van Spanje,op. Hij was hier praktisch nooit en liet zich hier vertegenwoordigen o.a. door zijn stiefzus Margareta van Parma -van Nukerkse afkomst - die regeerde als gouvernante over de Nederlanden van 1559 tot 1567.

    Het waren harde tijden voor onze streek.

    Het protestantisme stak de kop op met veel troebelen als gevolg.

    In 1557 was er de “doortocht der Spagnaerts door het dorp, vertrekkende naar de grenzen in Oorloge tegen Vranckrijck”.

    Het bestuur van de landvoogdes werd afgelost door een Spaanse zending; de beruchte Alva. Hij was een gevreesd bestuurder die hier een echt schrikbewind voerde van 1567 tot 1573. De protestanten konden er van meespreken. Alva werd hier opgevolgd door de zoon van Margaretha, nl. Alexander Farnese (1578-1592). De Spaanse legers veroverden wel Vlaanderen maar over de Schelde in het noorden geraakten ze niet.

    Betere tijden meldden zich aan ten tijde van de aartshertogen Albrecht (neef van Filips-II) en Isabelle vanaf 1596 tot 1621. De tapijtweverijen in Oudenaarde kwamen in die periode tot bloei. Er was werk voor iedereen en wellicht is in die tijd het huisweven ontstaan want “het schamel volck” mocht toen wekelijks in Oudenaarde zijn werk komen afleveren en nieuw werk ophalen. Maar, na de dood van Albrecht kwamen op 13 juli 1621 onze gewesten opnieuw onder Spaans bestuur. De toestand van ons land werd erbarmelijk. De velden werden niet bebouwd uit vrees voor krijgsbenden die strooptochten organiseerden. De lakennijverheid in Oudenaarde kwam in verval.
    In het jaer 1635 is de streke hier overvloedig gequelt geweest door de peste, soo dat alles hier bijna was verlaten en de straeten overlommert waeren van gers en kruydt”.

    Maar dat was nog niet alles!

    Legers van alle slag trokken door onze streek. Franse troepen van Lodewijk XIV trokken in 1667 al over de parochie Melden naar Oudenaarde om de stad in te nemen. Hij dacht hier te blijven want de stad kreeg de koninklijke fontein (op de markt van Oudenaarde) als geschenk. Lodewijk zou meermaals proberen Vlaanderen bij Frankrijk in te lijven. Meermaals had onze streek te lijden van vreemde troepen die hier plunderden en roofden. De bevolking van de parochie Nukerke bedroeg in 1570 1320 inwoners. In 1585 was die al gestegen tot 1450 inwoners.
    Belangrijke gebeurtenissen: 

    1557              weer een grote hongersnood

    1566              de godsdiensttroebelen beginnen

    1577              een grote aardbeving zou de kerkklokken vanzelf aan het luiden hebben gebracht

    1577-1580     de velden lagen onbewerkt en de mensen moesten hun goederen bewaken door de komst                      van deCalvinisten

    1580              Franse troepen bezetten de streek van Oudenaarde

    1580              op woensdag 6 april tussen 5 en 6 uur ’s avonds is er een aardbeving met zware                                    schokken 

    1581             In ons dorp Melden-Nukerke heerst er een extreme “ruyne ende destructie” en werd er        geroofd en geplunderd door bendes.

    1585             Horden wolven overvallen onze streek.

    1680           Tijdens de zomer van 1680 waren er grote overstromingen in de scheldevallei. De  inwoners vroegen aan de Douarière van Melden en Nukerke in een verzoekschrift om uitstel van hun pachtschuld dit omwille van “de groote oncosten ten jaere 1679 totten jaere  1684".

    1699            Jaer 1699 werd een jaar van overvloedige neerslag. Het is een dure tijd.

    1709            werd een jaar met strenge winter en met hongersnood als gevolg. 

    Verslag over de aardbeving van 1580

    Den VIe. Aprilis sgoensdaegs naer Paesschen XVCLXXX tusschen vijf en ses hueren naer middagh wesende claer en stille weder,  es binnen deser stede van Audenaerde ghebuert een eertbeving duer welcke diveerssche steenen van caven en de tiechellen vanden huysen ghevallen zijn daar duere eenighe lieden doot en de eenighe tot op der doot ghequest zijn gheweest. Welcke voorseide eertbevinghe duerde wel twee zoo drie paternosters. Eerst beghinnene al bevende ghelick of daer  eenen grooten vaerwaeghen up straete voorbij ghepasseert hadde, waerbij alle ghelaesveynsters, mueren ende lijsen duenden ende hoerde lutsen ende in tleste met een groot ghedruyst ende dammellinghe ghelick eenen cleenen grollende donder al schuffellende de eerde haer up hief in dier voughen dat men ghekennellick, de eerde, de boomen, huysen, caven, solders, torren znde mueren wel twee voeten oft daer omtrent sagh  vertrecken, zoo dat elck daervan beroert en benaut was. Die in huysn waeren meende dat thuys zijnen uytin viel zoo dat elck vuyt zijnen huyse ende zijn huys verloochende up strate quam gheloopen niet wetende watter schulde, ende den eenen ghelrier den anderen quam zijn ghevaer vertellen. Die te platte lande waeren hoerden  ende  saghen tghedruyst comen van vuyt den Westen treckende naer dhoeste, ende de eerde haaer upheffen ghelick drie tot vier baren in dwatere, alzoo voorts loopende . Welcke voorseide    eertsbeving bevonden es niet alleendellick hiet gheschiet tzijnen maer allomme gheheel Vlaendre duere ende andere circum voisine landen.(uit Alfabetische klappers  door Paul Van Butsele)

    In het jaar 1713 is er een begin van het volksonderwijs. Toen stichtte een zekere Piet Spileers, geboren in ons dorp en later ontvanger der domeinen, een beurs voor de arme kinderen zodat ze konden leren lezen en schrijven maar voornamelijk om de jeugd de katholieke leer bij te benegen. De eerste onderwijzer in Melden-Nukerke zou Jan Georges Signor zijn die als Duitse soldaat hier is achtergebleven. Hij was tijdelijk ook koster in de kerk van Melden (1719-1729). De dorpsonderwijzer bezat toen helemaal geen diploma. Het was iemand van goeden huize, een vrijwilliger, een brave ziel, die wel kon lezen en schrijven. Een andere vorm van het volksonderwijs was de “leeringhe” op zondagvoormiddag en gegeven door een kapelaan. Aangezien de kinderen analfabeet waren beperkte het leren zich tot het memoriseren van teksten uit de catechismus. De eerste Roomse catechismus dateert van 1555, geschreven door Petrus Canisius. De Mechelse catechismus is van 1609.
    "Men vindt veel schoolkinderen geleerder dan hunne meesters. Honderd schoolmeesters (of kosters), negenen negentig gekken of wel honderd en een gekken, want er is een dubbele bij Het herinnert aan de tijd toen er nog geen gemeentescholen bestonden en het onderwijs doorgaans in handen was vaan kreupelen en verminkten, zonder de minste bekwaamheid doch die geen ander middel van bestaan hadden. En hunne verwaandheid was natuurlijk recht evenredig aan hunne onwetendheid immers holle vaten klinken het hardst." (Dietsche Warande)

    Opkomst van het protestantisme

    De Spanjaarden die onze gouwen bezetten waren niet hét toonbeeld van vrede, gerechtigheid en menslievenheid. Bovendien verrijkte de aristrocatie zich snel en was de leuze van de geestelijkheid “Vast geloven en sterk zondigen!”

    Tijdens het bestuur van Karel V moest ook de “prochie” Melden afrekenen met godsdiensttroebelen door de opkomst van de protestanten. “ …in de jaeren 1565-1566-1567 werd de Katholieke Godsdienst alhier geteisterd door de predikatiën en oproeringen der Nieuwgezinden of Calvinisten…” En verder: op zondag 25 augustus 1566 was een “groote sectie van Calvinus’ leerlingen ende heetten geuzen …” hier neergestreken …”ende smeten in stukken alle de ornamenten, beelden, plaeten, kisten ende scheurden die boeken in stukken…”

    “Den 18 juny 1567 werden 13 der meeste roervinken tot de galg veroordeeld…” Op 28 april 1568 deden de geuzen nog een inval in de kerk van naaste parochie Zulzeke waar ze vuur stookten met de beelden  waardoor de kerk afbrandde.

    In 1578 staken de onlusten weer de kop op; “…werd op de eersten Sinksendag de pastoor door de calvinisten verjaagd, de kerk gesloten en de inwoners van alles beroofd”… , in 1582 “wierden de geuzen verjaagd, de kerke wierd geopend en de Goddelijke diensten als vroeger gedaan”. Uit rekeningen uit 1652 blijkt dat de toren “eene horlogie” had en in 1654  drie klokken…

    De bosgeuzen en de Vlaamse Olijfberg

     De godsdiensthervorming die in de 16de eeuw op gang kwam was een religieuze beweging die zich verzette tegen de rooms-katholieke kerk. Onze contreien behoorden ondertussen tot de 17 Provinciën bestuurd door Filips-II vanuit het katholieke Spanje. Onze streek was een goede voedingsbodem voor de opleving van nieuwe ideeën., in dit geval het protestantisme. Oudenaarde was  toen in heel Europa bekend. De stad was het Europees centrum van de  wolnijverheid en de tapijtweefkunst. Langs de betrekkelijke goede verbindingswegen brachten kooplieden en reizigers  de ideeën.aan.  Er was de landweg van Valenciennes naar Gent en er was de Schelde, die Noord-Frankrijk verbond met Antwerpen. Bovendien waren de beboste heuvels tussen Ronse en Oudenaarde uitstekende oorden voor bijeenkomsten én veilige schuilplaatsen voorde “ketters”.  Ketters waren zij die de ideeën van Luther en Calvijn genegen waren en die dus de bijbel bezaten of lazen of de openbare preken in oplucht bijwoonden  In Zuid-Vlaanderen  ontstonden weldra de protestantse kerken van Mater, Horebeke, Melden, Nukerke, Etikhove, Oudenaarde, Wijlegem. Samen vormden  ze de“Vlaamsche Olijfberg”, zo genoemd door Lodewijk van Nassau (1602-1665). Aangenomen wordt echter dat het de schuilnaam was voor de verzameling van de 7 protestantse gemeenten. Deze gemeenten hebben talrijke vergaderplaatsen gehad die niet allemaal in de geschiedschrijving zijn terug te vinden. Zo waren er zeker vergaderlokalen in Etikhove tussen 1781 en 1913, o.a. langs de Nederholbeekstraat.

    Het Muziekbos of “Geuzenbos” is één van de laatste overblijfselen van het uitgestrekte woud in het zuiden van Vlaanderen. Dit bos was reeds in de 15de eeuw een toevluchtsoord voor de hervormers als Waldenzen en Katharen uit Frankrijk

    Enkele feiten op een rij:

    Veel inwoners van Nukerke waren in de 15 en 16de eeuw als tapijtwever of wolbewerker werkzaam in Oudenaarde. Niet te verwonderen dat onze mensen snel onder invloed kwamen van de nieuwe beweging.

    In 1533 werd in Oudenaarde de eerste Lutheraan veroordeeld. Nadien zouden er nog velen volgen. Bij de veroordeelden waren veelal tapijtwevers en ambachtslieden. Blijkbaar heeft de toenmalige deken van Ronse een belangrijke rol gespeeld bij het opmaken van de lijsten met namen van de ketters. Maar ook Margaretha van Parma speelde een belangrijke rol. Zo weigerde zij op 26 mei 1564 de samenkomst van een rederijkersfeest in het Oudenaardse.

    Op 5 oktober  1566 gaf graaf Egmont de toelating om op de Eindries een tempel te bouwen waar ook de hervormden van Nukerke konden  verzamelen. De landvoogdes kwam tegen deze beslissing in het verweer. Daarop kwamen de hervormden gewapend naar de preken.

    In 1567 beweerde de pastoor van Sint-Pieters te Ronse dat dikwijls 4 à 5000 gewapende personen uit o.a. Nukerke voorbij zijn huis trokken op weg naar een prediking. Volgens gegevens was de stad Ronse “besmet” en de mensen verwachtten toen veel hulp vanuit Duitsland en van Oranje  en van de heer van Brederode.

    Op 19 september 1566 schrijft een Oudenaards stadsmagistraat  een  bezwaarschrift tegen de oprichting van een protestantse kerk op de Eindries waarbij wordt aangevoerd dat 7 tot 8 dorpen,aan de andere kant van de stad gelegen,  geheel de nieuwe godsdienst zijn toegewijd. Hier worden de dorpen genoemd richting Ronse(dus ook Nukerke) en Horebeke.

    En dan de beeldenstorm in onze streek. Er werd een verslag opgemaakt over de toestand van de kerken na de beeldenstorm in de dekenij Ronse . Het verslag vermeldt :”Deze golf van vernieling van religieuze kunst-en gebruiksvoorwerpen van de katholieke kerken begon op 10 augustus 1566 te Steenvoorde (Noord-Frankrijk) en woedde drie weken in de Nederlanden. Te Oudenaarde brak de beeldenstorm uit op 18 augustus, te Ronse op 19augustus. Slechts 7 van de 30 kerken in het verslag genoemd bleven gespaard.” De schuld van deze vernieling lag bij de inwoners van Mater, Horebeke, Melden, Nukerke, Etikhove …

    Over bannelingen en terdoodveroordeelden tijdens de Beeldenstorm
    In de lijst van der verbannen of gevluchte personen te Ronse vonden we een Nukerkenaar.
    Op 21 juli brandt de stad Ronse omzeggens volledig af. Ook de drie kerken gingen er aan. Enkel aan de stadsrand bleven er nog enkele hutten gespaard.
    Er was grote armoede wegens het wegvallen van de weefkunst. Bovendien verdubbelde de graanprijs. De mensen uit de streek waren misnoegd en keerden zich tegen de kerken en de kloosters. Want ondertussen was er echter wel geld voorhanden om de kerken weer op te bouwen. De “hagepreken” begonnen in de streek rond 1 juli 1566. Plaatsen van samen waren de Perrekensdries (Lorette), het Schavaart en de Fiertelmeers te Ronse. Een bekend predikant was een tapissier, Joost Schelins, uit Oudenaarde. Op 14 juli van dat jaar trokken naar schatting  negen à tienduizend toehoorders door de straten van Ronse. Velen kwamen ook uit Nukerke-Melden maar ook uit Etikhove, Schorisse …
    De Infante Margareta van Parma,  wiens roots in Nukerke liggen, kreeg een zware opdracht om de vrede te bewaren. Het kwam tot een “Tekst van Compromis” tussen de katholieken en de aanhangers van de nieuwe religie. Maar dat volstond niet. Er zou nog recht worden gesproken. Op 30 december 1566 stuurde Filips-II Alva met zijn leger naar Vlaanderen. Hij kwam hier aan in augustus 1567 en richtte de Raad van Beroerte (Bloedraad) op . (Let verder op het woordgebruik in die periode). Vele protestanten, anabaptisten, beeldstormers, mensen die verzuimd hadden hun kind te laten dopen, … zowel vrouwen als mannen, werden verbannen, opgeknoopt, “gehalsrecht,” veroordeel, gegeseld, gebrandmerkt  of naar de brandstapel gevoerd. Anderen werden aan de galg gehangen op liepen zich dood op de hellebaard van een soldenier.
     Vele nieuwe bekeerlingen, door de katholieken geuzen genoemd, vluchtten toen  tijdelijk de bossen in. Zie geuzentoren in het Muziekbos. Wanneer deze geuzen gevangen werden genomen wachtte hen het ergste.
    Zo overkwam ook “Bruggeman Hansken V. Ronse maar geboortig van Nukerke, jonkman,  overleden te Ronse 25-5-1568 : opgeknoopt. Werd door Loys de le Meer en Braudryn Maelreyt gevangen genomen op 11mei 1568. Hij bleef veertien dagen opgesloten en verzorgd door  Jehanne s’Visschers, de weduwe van Jan de Blauwere, gewezen cipier in die functie gedood  tijdens een ontsnapping van drie beeldstormers, een zekere Antheunis en een Pieter. (Annalen Ronse)

    Verder algemeen beeld.

    Graaf Egmont, geboren in 1522 in La Hamaide (Henegouwen )was in 1559 lid van de Raad van state en stadshouder van Vlaanderen en Artois. Hoewel hij sympathie had voor de Hervormden, het Eedverbond der Edelen en Willem van Oranje, bleef hij trouw aan koning Filips II en de landvoogdes Margaretha van Parma. Zijn gematigd optreden tegen de protestanten uit onze streek was er mede oorzaak van dat hij op 5 juni 1568 te Brussel zal onthoofd worden door de troepen van Alva.

    Er werden toen massaal goederen in beslag genomen van mensen die er van verdacht waren” bekeerd” te zijn. Vele inwoners sloegen op de vlucht have en goed achterlatend. In de periode van 1568-1570 werd melding gemaakt van een terechtstelling van 38 mannen en 2 vrouwen uit het “Lande van Aelst”

    Uit de lijst van terechtgestelde hervormers uit de streek van Oudenaarde tussen 1567 en 1573 werden de terecht gestelden als volgt bestempeld: calvinist en beeldstormer, calvinist en rebel. Inwoners die op de vlucht sloegen mochten erop rekenen dat hun goederen in beslag werden genomen.

    In 1572 werden in Oudenaarde zelfs 4 priester terechtgesteld door Jacob Blommaert en zijn aanhangers. In 1567 was de tapijtfabrikant en gewezen wethouder van Pamele werd wegens zijn hervormde opvattingen voor 50 jaar uit de stad Oudenaarde verbannen. In 1572 keerde hij met een legertje Bosgeuzen naar zijn geboortestreek terug. Hij nam de stad bij verrassing in en vestigde een calvinistisch en oranjegezind bestuur. Een maand later vluchtten de bezetters in paniek weg bij het naderen van de troepen van Alva. De vier priester werden dan maar geboeid in de Schelde gegooid. J. Blommaert werd tijdens zijn vlucht  door de Spaanse troepen gedood.

    In de periode1595-1617 stelde de deken van Ronse een lijst van “ketters” op uit Berchem, Edelare Etikhove, Nukerke,… Verscheidene inwoners weken toen uit naar Zeeuws-Vlaanderen. Uit statistieken blijkt dat het aantal hervormden in 1670 en 1700 het hoogtepunt bereikte in onze streek. Er bleek nogal een grote kettersgezindheid te heersen.

    “Nukerke behoorde tesamen met de hervormde gemeenschappen Etikhove, Matre, Oudenaarde, Sint-Maria –Horebeke en Wijlegem tot de zgn “Vlaamse  Olijfberg”.In 1559 namen inwoners van Nukerke deel aan de preken o.a. te Ronse op de Fiertelmeers. In 1556 volgde daarop de beeldenstorm. Einde 1568 weken 2 inwoners wiens have en goed verbeurd verklaard was, uit. In 1569 brandmerkt de pastoor bepaalde parochianen als “heretici” of protestanten. Toen kwam de repressie en nog 5 volwassen personen weken uit:o.a. Daniel Corthals, de weduwe Pauwelde Crits, Lor van Malier met zijn echtgenote. In een dekanaal verslag van 1569 werden nog een twaalftal personen als protestant gebrandmerkt. (De Rammelaere, o.c. p. 96). In 1613 zijn de aanwezigen van de biecht talrijk , waaronder vele ketters. In 1616 wijzen enkele aantekeningen op uitwijking naar Holland: Jacobus Puerveniet, heretius cumfamilia et Petrus Ardenois in Hollandam secessunt. In 1699 heeft de pastoor nog altijd niet de bovenhand behaald: er waren er nog: Herticorum numerus est diminutus, aliqui conversi, aliqui discesserunt. Tot in het begin van de 20ste eeuw heeft Nukerke een protestants kerkje gehad(?).”(Annalen Ronse)

    In 1781 vaardigt Jozef-II een tolerantie-verdikt uit waardoor het de protestanten toegelaten is hun godsdienst “in het geheim” te belijden. Ze kregen voortaan de volledige burgerrechten terug o.a. wettig huwelijk en wettige testamenten. In 1795 kreeg Horebeke een echt protestants kerkgebouw.

    De Grondwet van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden zal in 1815 eindelijk de vrijheid van godsdienst waarborgen.

    Belangrijke archieven zijn bewaard in Ronse, Gent en Sint-Maria-Horebeke met prachtige zaken afkomstig uit de protestantse gemeenschap van Etikhove. En welke rol speelde de “Geuzentoren” op de Muziekberg ?

     De Heer Dejonghe Wilfred uit Sint-Maria-Horebeke heeft voor ons de volgende gegevens over Nukerke opgezocht in zijn archieven. “Ontstaan omstreeks het midden van de XVIde eeuw, zijn er in het oude landdekenaat Ronse in de latere XVIIde en XVIIIde eeuw nog enkele vrij belangrijke groepen van hervormden, zij het dan min of meer openlijk, blijven voortbestaan.(..) De hervormde gemeenschappen van Etikhove, Mater, Nukerke, Melden, Oudenaarde, Sint-Maria-Horebeke en Wijlegem gaf men vroeger de gemeenschappelijke naam van de “Vlaamse Olijfberg”. Ook in verschillende andere dorpen in de omgeving woonden nog talrijke prostestanten. Heden vormt de protestantse gemeente van Sint-Maria-Horebeke één van de de weinige kernen van hervormden in België die rechtstreeks opklimmen tot vóór de herovering der Zuidelijke Nederlanden door Farnese”(C. DE RAMMELAERE) Opmerking:”vrij belangrijke groepen” en “talrijke protestanten” moet men zeer relatief opvatten, behalve te Horebeke misschien ging het om een kleine minderheid van de bevolking.Ik heb geprobeerd specifiek betreffende Nukerke hier en daar wat losse gegevens te verzamelen, in tegenstelling tot Mater, Horebeke en Etikhove is er te Nukerke nooit sprake geweest van een protestants kerkgebouw, wat D. Bouckzoone ook moge beweren, of van een protestants gemeenschapsleven in de zin van een “parochie”, misschien, maar daar is geen bewijs voor, kunnen er vergaderingen bij deze of gene aan huis gehouden zijn. Van protestantse zijde zijn er geen documenten over Nukerk bewaard, wat volgt komt grotendeels uit “katholieke”geschriften, nl. jaarlijkse verslagen opgemaakt door de pastoors voor het bezoek aan de deken, met gegevens betreffende de geestelijke en materiële toestand van de parochie.

         Ziehier, ongeveer chronologisch:

    1559: inwoners van Nukerke wonen hervormde preken bij te Ronse in de Fiertelmeersstraat.
    1566: ketters verwoesten het schrijn van Sint-Stefaan
    Goederen worden verbeurd verklaard van degene die uitgeweken waren na de Beeldenstorm bij o.a. Noël de Butseler, Daniël Corthals, de weduwe van Pauwels de Crits, Loy van Malier met echtgenote, David Taelman
    Op 15 mei 1568 werd Haskin Bruggeman van Ronse opgeknoopt te Nukerke.
    1569: een kapel langs de weg naar Oudenaarde is in verval wegens een geuzenactie.
    1569: een dekenaal verslag vermeldt de naam van de ketters: Maria vanden Abeele, Magdalena Aelvoets echtgenote van Hermes Heycke, Walterius van Baesvanck, Guilielmus Curthals alias Damnayns met echtgenote Joanna Laurens, Hermes Heuvick zoon van Nicolai, Gillis Maecht, Danielus, Philippus en Stephanus vande Putte en de echtgenote van Arnoldi Scudematte, deze personen hielden hun Pasen niet: “vivunt sine religione atheos”; plures sunt rarius frequentantes templum”
    1574: Jacquemynken Becaus uit Nukerke trouwt met Adriaan Mainfroid uit Frankenthal te Londen in de protestantse vluchtelingenkerk Austin Friars
    15 augustus 1587: idem voor Bernaert van den Putte van Nuekercke met Janneken van Nelden(Welden,) uit Maeteren
    2 april 1592: idem voor Bernaert van den Putte van Nieukercke met Aurijntken Mestdach van Oudenaerde
    1613: velen verzuimen aan de paasplicht, hetzij om ketterij, hetzij om andere redenen.
    In de omgeving van Ronse werden er op Pinksteren ketterse boeken aangeslagen bij Andreas van den Abeele
    1615: een document meldt talrijke afwezigen op de biecht waaronder veel ketters o.a. Joannes Pot, David van der Donckt, Joannes Vereyst en echtgenote, Joannes Puerniet en familie, Petrus Ardenois is vertrokken naar Holland (1616)
    1625: men vermeldt enkele verzuimen
    1711: er zijn 5 protestantse families te Nukerke en er worden protestantse huwelijken voltrokken door een predikant
    17
    31: er worden 2 protestantse families gemeld te Nukerke
    1743: één protestantse familie uit Nukerke wijkt uit naar Nederland
    1747: één persoon uit ons dorp is “una persona heretica est hic”
    1772: de laatste protestant in Nukerke, een vrouw, sterft ,”ultima heretica pertinaciter est mortua”

    Maar er was ook beterschap. De streek van Oudenaarde was in West-Europa beroemd geworden “voor hare wolleweverijen, tapijt- en goudlederfabrieken, en dat uren in de ronde meer dan vijftig duizend werkklieden in het werk werden gesteld”. Dat meldt althans een document:”… in de prochie Melden liggende bij de stede Audenaerde int land van Aelst syn woonachtigeen groote menicht van schamel volck”. Zij weven tapijten, maar hun werk was van “seer cleenen qualiteite”. Toch mochten ze werken voor “de stede Audenaerde”.

    Kaartstudie

    Neukerque 1660 Volgens de kaart van Joan Blaeu stonden er aan de Cruysboom (Kruissens- boven de Kruisberg) enkele galgen.

    Nukerke tussen Sulsick en Etichoven met aanduiding van een “Dillenstraet: Carte du Compté de Flandre van Deliske Guillaume (1675-1726)

    Nukerke :Novissima et Accuratissima Comitatus Flandriae van de Wit Frederik (1630-1706). Centrum van Nukerke is bebost.

    Nieukerke  op kaart  La Flandre Française van Sanson Nicolas (1600-1667). De plaatsaanduiding ligt wat onkeurig; nl. ten NW van Armentiers. Op het grondgebied strekt zich ten zuiden een langgerekt bosgebied uit parallel loopt met de heuvelkam . Een brede bosstrook loopt tot aan de kerk. Halverwege tussen de kerk van Nukerke en Melden staat een kerkje of kapelletje op de plaats Torzeken.

    Nukerke op de kaart Flandre Espagnole van Sanson Nicolas (1600-1667). Halverwege de kerk van Nukerke en melden staat het “Chateau Torrcken". 

    Neukerke ligt ten westen van Ronse en ten zuiden van Sulseque: kaart Le Comté de Flandre 1690 par R.P. Placide Augustin, déchaussé (ongeschoeide karmeliet) du Roy.

    Nukerke is niet vermeld op de kaart Belgium sive inferior Germania van Weigel Chrstoph (1654-1725) met aanduiding van het land van Aelst in het Comit Fladriae in het Belgium Austriacum.

    Neukercke op de kaart van Nova et Accurata Hannoniae Comititus van Authore Danckerts Theodorus (1663-1727).

    Nieukerke in het Graafschap Aalst: kaart Flandriae Comitatus Pars Media door Visscher Nicolaes (1618-1679). Er was reeds een bebouwde kern van een 20-tal woningen op de plaats waar men nu “Den engel” noemt. De Chaussée De Renaix week in Leupegem af en liep richting Schorisse en via Edelaer  naar Oudenaerde. Zo liep die belangrijke weg over lange afstand in hetzelfde graafschap Aalst. Over de Schelde lag de  Casselrye van Oudenaarde. Meschen en Sulseke lagen op de grens.

    Nukerke op de kaart Flandre Espagnola et Flandre Hollandoise 1689 door Sanson, Nicolas.

    Nieukercke in de Comté d’Alost op Carte Particulière des environs de Bruxelles avec le Bois De Soigne et d’une partie de la Flandre jusques à Gand par Eugène Henri Fricx (1644-1730) met aanduiding van Fontaine, waarschijnlijk aanduiding van de huidige Straalbronnen. De grote baan loopt van Renay tot aan de kerk  in Leupeghem onderweg een paar kilometers langs een uitgerekte Koppenberg. Verder zijn aangeduid :Boschcante, palend aan de Bois de Cocambre en Relighem met verderop een watermolen (Ter Meulebroecke). Er is een verspreidde bewoning.Ten noorden van ons dorp ligt Etichove met de watermolen la Deuse.

    Nieukercke Carte Particulière des environs de Bruxelles avec le Bois De Soigne et d’une partie de la Flandre … par Matthâus Seutter (1678-1756)  met dezelfde aanduiding als vorige kaart.

    Niewkerke op de kaart “Stoel des Oorlogs in Henegouwen, namen enz., Teatre de la Guerre en Hainaut et… par Abraham Allard , ca 1675-ca 1730. Hier blijkt dat ons dorp onder de Chatellenie d’ Oudenarde (rechtsgebied van een slotvoogd) vielen.

    Nukerke in het Flandre Espagnol op de kaart Le Comté de Haynaut divisé en François, et Espagnol door Guillaume Sanson (1633-1703). Merkwaardig is het uitgestrekt bosgebied van Roseake over le Cocambre tot Bracle met een brede strook bos tot een eind over het dorp van Nukerke.

    Geen vermelding van ons dorp op de kaart Le Theatre de Bellone door Pieter Schenk (1660-1718).

    Nukerke op de kaart Comitatus Hannoniae 1715-1724 door Homann, Johann Baptist.

    Nukerke op de kaart Correctissima Descriptio Hannoniae Comitatus van Frederik de Wit (1630-1706). Het overgrote deel van ons dorp is als bos aangeduid.

    Nieukerke op de kaart Theatrum Bellcum Novum  1751-1800

    Nukercke komt op de Schüssel:Carte Zur Zusameselzung der Cabinets:Carte deren Niederlanden van de Atlas Ferraris (1777) als enige plaats voor tussen Audenarde,  Renaix en Berchem

     


    Nukerke anno 1777
    Nukerke, tot heden nog een kerkdorp of kerkgemeente onder de vleugels van Melden, bestond uit een kerk met dorpskern en gehuchten her en der verspreid gelegen in het Comté D’Alost.
    Volgende gehuchten konden we op de kaart terugvinden. Het aantal woningen staan tussen haakjes. De H staat voor het Franse hameau wat zoveel betekent als gehucht.
    H. Hoovervont ( 10), H. Gheynst (10 ), H. Cortekeer (17) was echter bij Melden en Sulsique ondergbracht.H. T’Eytien (20), H. Capelle Straete (20), H. Ter Brugen (19), Boschaet Nukerke, H. Meulestraete Nukerke, H. Rugteghem (10), Beirlemont, Fienes Bosch, Steecksecruysse (met deel in Etikhove met 16 huisjes). De woningen droegen toen geen individuele nummers. Er waren slechts de parochienummers. Voor Nukerke was dat 65 en voor Melden was het parochienummer 75.
    De Grand Chemin de Renaix volgde toen gedeeltelijk een ander tracé dan de huidige Rijksweg. In de 18de eeuw lag de weg grotendeels aan de oostkant van een langgerekt bosgebied dat zich uitstrekte vanaf de Sant straete, Cruys Bergh, D’Albosch, Cortekeer en Meldenbosch.
    Volgende gebouwen staan aangeduid: in H Gheynst de meulen te Gheynst, in H Meulestraete Nukercke met grote vierkanthoeve en huisjes voor de landlieden, grote vierkantshoeve (laatste eigenaar G. Decuyper) aan de Chemin de Renaix, de Molen Ten heynst en boven op de Cruys Berg de Snebbemolen. Het waterkasteel lag in een moerassig gebied en bestond uit 3 gebouwen omgeven door een vierkante wal. Deze wal werd bevoorraad door de watertoevloed uit D’Aubeke en uit de De Meulebeek. Deze laatste liep daar onder een houten brugje richting Meulestraete Nukercke. De Mariaborrebeek ,de Meulebeek en de Hollebeek en D’Aubeke waren reeds gekende beken. Ze staan echter niet op de kaart met naam vernoemd.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    29-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    28-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vanaf het Oostenrijks Bewind

    Oostenrijks bewind (1713-1794)

     

    Vanaf 1651 tot 1674 werd de Heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne bestuurd door de heer Jan van der Heyden of Jonkheer de la Bruière, die op zijn beurt Heer was van het goed ter Heyden in Kwaremont. De Heerlijkheid werd nu eens groter en dan weer kleiner. Bevatte de Heerlijkheid in 1651 nog 15 parochies dan bestond ze in 1661 slechts uit de “prochies Melden en Neukrcke”. Melden zou tot aan de Franse Revolutie in (1792) de belangrijkste hoofdplaats blijven van “de Landen gelegen tusschen Marke ende Ronne”.

    Volgende figuren stonden verder aan het hoofd van onze Heerlijkheid:
    Marie-Christine de Landas, dame douarière (weduwe) van Jan-jaspard van der Heyden, hoofd van Melden en Nukerke.(1675-1696)
    Jan-Adriaan-Alexander, baron van Bylandt (1698-1726)
    Barbara vrouw van baron van Bylandt (1727-1730)
    Adriaan-Jozef, baron van Bylandt (zoon van) (1731-1766)
    Maria-Joanna-Elisabeth-Antoinette baronnesse de Bernelau (1767-1776)
    Lodewijk-Fredericus-Thadeus “vrije baron van Bylandt, van Pamele, van de heerlijkheid van Melden en Nukerke, van de Landen tusschen de Marcke ende Rosne…” (1776-1792)

    Vanaf het bestuur van de van der Heydens werd er in de parochie Melden een vierschaar ingericht die in dienst bleef tot aan de Franse Revolutie. De vierschaar was gevestigd in de herberg “Bij de Barrière binnen de prochie Melden”, tegenover de Statiestraat nu. In de vierschaar zetelden de baljuw (de landrechter, meier, schout), de burgemeester en de schepenen die de “zaken der prochies van Melden en Nukerke te vereffenen hadden”. Een vierschaar was oorspronkelijk de plaats waar in de middeleeuwen recht werd gesproken in open lucht. Op een uitgekozen plaats stonden vier banken als een vierkant opgesteld. De vier banken waren respectievelijk de plaats van de schout, de schepenen, de aanklager en de beschuldigde.
    Tot hier vormen Melden en Nukerke nog steeds een entiteit onder het zelfde parochiebestuur. Met de Franse bezetting zal een einde komen aan de macht van de parochies die het geestelijke (godsdienstige) en het burgerlijk bestuur verenigde. De administratie voor burgerzaken gebeurt voortaan in het gemeentehuis bij de dienst Burgelijke stand.
    De 17de eeuw was voor de Zuidelijke Nederlanden een ongelukseeuw. De talrijke conflicten en de uitputtende oorlogen veroorzaakten in streken grote armoede. Bovendien kwam de lakennijverheid in Vlaanderen in verval. Hoeveel mensen van Nukerke werkten niet in Oudenaarde, dé stad van de tapijtkunst. Maar het grootste deel van de plattelandsbewoners leefde van de opbrengst van de veestapel en de akkers. Deze lagen er in deze periode verlaten bij. De landwerkers hadden schrik van de stropende legerbenden die de akkers en de schuren van de boeren plunderden. Er was voedselgebrek.  Onze Oostenrijkse vorsten zouden verandering brengen. Zij hadden er immers alle belang bij een voorspoedig rijk te kunnen regeren. Tijdens het bewind van Maria-Theresia (1740-1780) kwam er weer voorspoed al probeerde de Franse vorst meermaals onze streken te bezetten. Denk maar aan de bezetting van Oudenaarde in 1745. Ondertussen nam de welvaart langzaam toe. Er kwam verbetering in de handel, nijverheid, landbouw, wegenaanleg, onderwijs. In 1773 werd in Oudenaarde op het Jezuietenplein de eerste middelbare school van de streek opgericht. Kunst en wetenschap namen een sprong voorwaarts en … de Franse invloed was zo groot dat onze bestuurders het Frans als voertaal hadden.
    Het volksonderwijs nam een aanvang. De parochie Melden-Nukerke kreeg z’n eerste onderwijsvorm in 1713 toen een zekere Piet Spileers een beurs stichtte om de arme kinderen te leren lezen en schrijven. De hoofdzaak was de jongeren in de katholieke godsdienst op te voeden. De eerste onderwijzer zou ene Jan Georges Signor zijn geweest. Een “Duitschman hier toegekomen met het duitsche leger”. Hij gaf onderricht van 1719 tot 1729. Veel moet je je van dat onderricht niet bij voorstellen; de dames en heren voor de klas waren in die tijd gewone “goede zielen” van de parochie die soms zelf met moeite konden lezen en schrijven. Ze hadden geen diploma. Kwamen in aanmerking om te onderrichten: “een juffrouw”, de koster, de onderpastoor…

        In de periode 1750-1800 verwierf een zekere Petrus Josephus Signor, woonachtig te Nukerke, een zekere vermaardheid als leider van een plaatselijke toneelgezelschap. De familie Signor was een geslacht van toneelliefhebbers en “directeurs” uit de 18deen 19de eeuw.”De Signors leenden ...hun speelboeken” regelmatig aan andere regisseurs uit en verplaatsten zich als toneelliefhebbers door gans de streek. Zo hebben ze in Zuid-Vlaanderen niet alleen de toneeltraditie in de zo arme 18deeeuw levendig gehouden maar ze hebben ook bijgedragen tot het in stand houden van de Nederlandse taal en kultuur in een tijd, waarin de verfransing gevaarlijke vormen begon aan te nemen.(Annalen Ronse)

    Nukerke wordt op de kaart gezet.
    Maria-Theresia gaf in 1771 de opdracht aan haar diensten om haar rijk, waaronder het toekomstig België, op kaart te zetten. De bekende Ferrariskaarten kwamen tot stand tussen 1771 en 1778. De leiding was in handen van Joseph Jean François Graaf de Ferraris. Deze was artillerie-generaal in dienst van de Oostenrijkers én cartograaf en veldmaarschalk. Deze volledig met de hand getekende kaarten in kleur zouden van pas kunnen komen bij de oorlogsvoering, want ze bevatten waterlopen, bruggen, bossen, woningen, plaatsen voor mogelijke legerplaatsen, landerijen…, mooi ingekleurd.
    De parochie Nukerke bestreek toen een klein gebied met relatief weinig bewoners. De groepen woningen stonden bekend onder het parochienummer 65. ”Links en rechts van de hoofdweg Grand Chemin de Renaix lagen enkele gehuchten. Aan de westkant lagen Cortekeer, T’Eytien, Capelle Straete. Aan de oostkant lagen Ter Brugen, Gheyust (niet Gheynst) met Meulen te Gheyust, Meulestraet Nukerke, Rugteghem, Steekxcruysse, Beirlemont, Hoovervont….. Wat opvalt is dat de verbindingsweg tussen de hoofdparochie Melden en de de parochie Nukerke langs ’t Cortekeer liep. Een grotendeels rechte weg met langs beide zijden een lange bomenrij.

    Nukerke in de steigers

    Vanaf halfweg de 18de  eeuw veranderde Nukerke grondig van uitzicht. Zo verrezen toen tal van vierkantshoeven en kreeg de gemeente een eeuw later  een gemeentehuis met aanpalende pastorie. Zoals in menig dorp bleek tot een eind in de 20ste eeuw het gemeentehuis een dorpscafé te zijn waar een kamer was voorbehouden voor de administratieve zaken. Na de bouw van een  gemeentehuis ging de herberg verder onder de naam van “In ’t oud gemeentehuis”. In de jaren 1841-1843 werd de oude dorpskerk afgebroken en werd de huidige classicistische kerk gebouwd.

    “In de 2de helft van de 19de eeuw nam de bebouwingsconcentraties in de dorpskom toe. Naast burger- en herenhuizen van de lokale notabelen kwamen in die tijd ook de eerste officiële gebouwen zoals een gemeentehuis en een gemeenteschool tot stand die het centrumkarakter van de dorpskern affirmeerden. Zoals vele gemeenten kreeg ook in die periode Nukerke zijn gemeenteschool. Een constante bij de bouw van die eerste scholen was een vleugel met twee klassen. De onderwijzerswoning van het dubbel huistype met twee bouwlagen werd er zijdelings tegen aangebouwd.” Op ’t einde van de 19de eeuw richtten veel parochies hun eigen scholen op. Overal hadden ze dezelfde vorm: een laagbouw met ramen in neogotische stijl. (enkele gegevens komen uit het werk "Inventaris over het cultuurbezit in België")

    Nukerke kreeg in 1903 een nieuwe pastorie voor de pastoor terwijl de opeenvolgende onderpastoors Spitaels, Van Moorleghem, Aelvoet, ‘t Kint en Pot in de vroegere woning naast het gemeentehuis huisden, beiden gebouwd met een pui of bordes.

    Veel oude en kleine landbouwbedrijfjes werden vergroot, aangepast of uitgebouwd tot hun huidige vorm. Zo werden veel gevels van de woningen in de loop der tijden verhoogd en van een extra rij halfronde bovenvensters voorzien. De woning van de nieuw gebouwde hoeven dragen dezelfde kenmerken. Tijdens de verbouwingen werden stukken met inscripties met zorg teruggeplaatst. Een bouwjaar vindt men nu terug op een moerbalk, een deuromlijsting, een haardbalk, een booganker, een cijferanker, een christusmonogram of een steen boven de inrijpoort. Resten van schuren met een houtconstructies en lemen wandvullingen werden nog uitzonderlijk aangetroffen in Tenhole nr. 1 en op den Dries, eerste eigenaars Vande Putte, nu Devenijns. De grote lemen schuur aan de oostzijde van deze hoeve geeft ons een beeld hoe de oorspronkelijke hoeve er in de 18de eeuw moet uitgezien hebben. Hopelijk worden die constructies bewaard. Een van de oudste hoeven in Nukerke is de grote vierkantshoeve langs de Weitstraat nr 31. De zandsteen omlijste inrijpoort  draagt het jaartal 1749.
    Rond de hoeven verschenen de kleine landhuisjes voor de dagloners. Die huisjes werden echter nog in de traditionele hout- en leemstructuur gebouwd. Het dak was met stro bedekt. Tegen eind 19de eeuw werden de lemen muren vervangen door baksteen. Na de tweede wereldoorlog werden de laatste strooien daken vervangen door pannendaken. Hier volgt een summiere opsomming van de vierkantshoeven. Boelaerdstraat nr  15 anno 1718, De Spijker anno 1841, Dieriksstraat nr 5 anno 1861, Dieriksstraat 15 1870, Heidje  De Spijker nr 4 anno 1841, Heidje nr 11 anno 1755, Holandstraat 2 anno 1740, Holandstraat 9 anno 1840, Holandstraat 14 anno 1739, Eglantier kleine hoeve anno 1860, Ommegangstraat 68 anno 1880 (?), Pontstraat 62 anno 1571 als molenaarshuis, Turkeye nr 10 anno 1833, Turkeye nr 12 anno 1724, Tenhole 3 anno 18.., Weitstraat 25 anno 1719, Weitstraat 27 anno 1835, Weitstraat 31 anno 1749, Weitstraat 37 anno 1860 (?), Zeitje 3 anno 1860.

    De Franse bezetting(1794-1815)

    Op 5 mei 1789 breekt de grote Franse Revolutie uit.

    In 1792 roept Frankrijk de republiek uit en het ganse toekomstige België wordt er volledig bij ingelijfd, met alle gevolgen voor de burgers en het kerkelijk gezag. Alle ongehuwde mannen van 20 tot 25 jaar werden onder de wapens geroepen. De nieuwe Franse staat rekent met een andere tijdrekening; zo werd 1793 jaar I en de kalender rekende met andere maanden onderverdeeld in dekaden (weken van 10 dagen). Administratief was onze streek ondergebracht in de provincie l’Escaut (Schelde). Frans werd de bestuurlijke taal en de katholieke godsdienst werd afgeschaft. Aan het hoofd van een departement stond een prefect. Vanaf 1795 begon de Franse bezetter aan een nieuwe administratieve indeling. Elk dorp of gemeente kreeg een gemeentehuis, al of niet ondergebracht in een staninee (kroeg of herberg) zoals bij ons op de “plootse”. Vanaf heden werden de familienamen officieel vastgelegd in de gemeenteregisters.

    Tijdens de jaren 1793 en verder doorkruisten vreemde legers onze parochies. Zo kwamen hier op 17 april 1793 Oostenrijkse troepen aan. Zelfs boeren werden opgeëist om oorlogsmateriaal naar Ath te voeren. In 1794 landen hier nog meer Oostenrijkers, Duitse Huzaren, dragonders en jagers . We mogen aannemen dat de baan Ronse-Oudenaarde (nu deel van de N6O Terneuzen-Valenciennes) een drukke begankenis was van vreemde troepen.

    Op 13 juli 1794 veroveren de Franse troepen onze streken en bombarderen Oudenaarde.

    Vanaf 1798 hielden de Franse sansculotten lelijk thuis in onze streek; kerken werden gesloten en de pastoors verjaagd. Een kroniek vermeldt dat de pastoor van Melden zelfs bij ene Verroken schuil hield aan een brouwerij De Bisschop, “hof tegen Nukerke”. In die hoven werd er mis gelezen en sommige sacramenten toegediend.

    Bron : o.a.“Uit ons dorpken van Aloïs Dezaeytijd” 

    Bij decreet van 31 augustus 1795 werd Nukerke ingedeeld in het kanton Oudenaarde-Oost samen met Eine, Ename, Etikhove en andere. Nukeke lag in het departement de l'Escaut. Later wordt dat grotendeels de provincie Oost-Vlaanderen.Vanaf 4 september 1798 werden jonge mannen in de leeftijd van 20 tot 25 jaar opgeroepen om te dienen in het Franse leger. Sommigen beantwoordden niet de oproep en gingen in het verzet en begonnen in deze “Beloken Tijd” de Boerenkrijg. De Fransen noemden die slecht bewapende benden brigands.

    Inlijving in “La grande Armée”

    De rekrutering van de nieuwe lotelingen gebeurde bij trekking. De jonge mannen uit de betere klasse die een slechte trekking hadden gedaan  beschikten over de mogelijkheid zich met geld af te kopen. De onderprefect ( de gouverneur van het Franse departement) bepaalde het contigent dat werd geleverd door de gemeenten. Een eerste selectie werd steeds verricht door de gemeenteraad die de ongeneeslijke zieken uitsloot en overging tot het aanduiden van de jonge geschikten voor de dienst. De onderprefect bepaalde de gestalte van de jonge rekruten. De minimum gestalte was 1m55. Zo kwam het voor dat op een lijst van 170 lotelingen (klasse 1808) de helft te klein was. In de streek van Ronse werd toen een jonge man van 1m21 gemeten. Voor een keer hadden de kleinsten geluk niet als kanonnenvlees te moeten dienen in Polen of in Spanje. Hieronder een lijstje van enkele Nukerkse lotelingen.

    Zo is Kaudyser Pierre Frans, wever geboren te Nukerke op 9 januari 1787, zoon van Frans en van Laquet Marie Françoise geweigerd op 1 mei 1807 wegens kliergezwellen.(klasse 1807) 

    Koudyser Philippe Antoine, wever , geboren te Nukerke op 7 november 1788, zoon van Pierre François en van  Laquet Marie Françoise, werd geweigerd  wegens een gestalte van 1m43.(klasse 1807) 

    Segers Joseph, geboren te Nukerke op 30 mei 1785, wever,zoon van Frans Joseph en van Langie Caroline opgeroepen wegens een bijkomende lichting is vertrokken op 23 september 1809 naar het 12 Rgt d’!nfanterie légère. Deserteerde. Aangehouden door de Colonne Mobile en gestuurd naar de depot voor dienstweigeraars in Breskens waar hij op 4 maart 1811 aankwam.(klasse 1807) 

    Vancoppenolle Pierre Joseph, geboren te Nukerke op 25 september 1787, wever, zoon van Augustin (+) en van Marie Jeanne Van Walle. Is aangekomen in het 24ste Reg.de ligne op 3 maart 1807. (klasse 1807) 

    Verdonckt Pierre François, dagloner, geboren te Nukerke op 17 december 1788, zoon van Pierre en van Vanderkerken Angéline(+), werd geweigerd op 18 juni 1807,wegens zijn gestalte van 1m53.(klasse 1808) 

    De Watripont Pierre François, geboren in Nukerke op 20 februari 1792, wever, zoon van Louis en van Vandergeynst  Anne Thèrèse verving De Cuyper Pierre, loteling van 1813 uit het kanton Marie Horebeke. 

     Oblez Jean-Baptiste geboren te Nukerke op 3 september 1790,wever, zoon van Joseph en van Willequet Marie Jacqueline. Is op 11 juni 1806 aangekomen in de 1ste Bon du Train d’Artillerie. (klasse 1810)

    De fuseliers in het grote Franse leger moesten over een sterk gebit beschikken. In volle strijd moest de fuselier zijn tanden zetten in het omhulsel van de kogel, een loden balletje. Het geweer was een “fusil à silex” ontworpen in 1777. Het woog 4,5 kg en was 1,53m lang. Met de bajonet er bovenop was het wapen 1,93m lang. Om de duizend kilometer kreeg de soldaat nieuwe schoenen. Hij beschikte steeds over drie paar schoenen..

     
    OP WEG NAAR DE  20ste EEUW
    De Belgische Staat (vanaf  1830) - 19de eeuw

     

     

    Bij Koninklijk Besluit van 15 september 1819 heeft Koning Willem I bepaald dat in Vlaanderen het Nederlands de officiële taal wordt. Maar het duurde tot 1 januari 1823 tot de administratie volledig was vernederlandst. Vanaf dan zijn ook de gemeentelijke archieven in het Nederlands opgesteld. Dat liep niet steeds van een leien dakje want de bevolking was verdeeld; er waren de oranjegezinden en de “bourgeoisie”. In die jaren heerste er tevens een crisis op de lijnwaadmarkt. De textielfabrieken in Ronse vielen stil waardoor in 1826 meer dan een derde van onze streekgenoten door de Openbare Onderstand werden onderhouden.

    Hier volgt een uittreksel uit het geboorteregister uit die periode.

    't Jaer duizend achthonderd tweeendertig den vijfentwintigden february ten vier uren namiddag voor ons Frederic Antone van Butsele, Burgemeester officier van den burgerstand der gemeente van Nukerke distrikt van Oudenaaede Provintie Oostvlaenderen, is gekomen: Petrus van den Abeele, oud negenentwintig jaren, zager te Nukerke, welken ons heeft verklaerd dat heden vijfentwintigden february ten twee uren namiddag Rosalia Geenens, oud dryendertig jaren, spinster, geboren en wonende te Nukerke,gelegen is in zijn huys, wijk melingstraet, van een kind van het mansgeslacht, welke hij ons vertoond, en aan welk hij geeft de naem en toenaem van Petrus Geenens. Deze verklaering gedaen in de tegenwoordigheyd van Joannes Demenus oud dryenvijftig jaren, veldwagter en Charles Louis Hoffman oud eenendertig, particulieren wonende beyde te Nukerke en heeft den comparant verklaerd niet te kunnen schrijven nog teekenen door onkunde, de getuygen hebben dezen akt met ons naer voorlezing geteekend

          (get.) J. Demenus   C.L. Hoffman    J. Vanbutsele

    Nabeschouwing :welke informatie halen we uit bovenstaande?

    De schrijfwijze van onze taal. Wie er burgmeester en veldwachter was. Tijdens de Franse Revolutie werd ons land administratief ingedeeld en tijdens het Hollands Bewind verder aangepast. Zo lezen we over het arrondissement en de provincie. Naam van de aangever en woonplaats, al of niet gehuwd en met wie, beroep en de geletterdheid van de comparant.

    De 19de eeuw bracht veel armoede in Vlaanderen zodat velen van onze overgrootouders en grootouders noodgedwongen werk zochten in in Noord-Frankrijk. De dapperste mannen trokken de landsgrens met Frankrijk over en werkten er als seizoenarbeider op de zeer grote landerijen in Picardië. Wekenlang waren ze van huis weg, om er dag in dag uit te wroeten op de bieten- de graanvelden en in de asten. Na een lang seizoen kwamen ze uitgeput terug, te voet en met de trein, sommigen op klompen.  Maar fier waren ze als ze bij moeder thuis op tafel de goudstukjes (napoleons) neertelden die ze hadden verdiend.
    De fotografie werd uitgevonden in 1826. Welk was de eerste foto die in Nukerke werd "getrokken".

    Levensduurte in de 19de eeuw

    De mensen stonden wel eens in het krijt bij de winkelier. In een goed bijgehouden schriftje schreef een kruidenier-bakker de naam van de klant, de datum, de artikelen met de prijs en gewicht of hoeveelheid van de gekochte waar. Alles keurig in inkt geschreven. Deze gegevens geven ons een idee over de levensduurte in de 19de eeuw. (laatste kolom in Belgische Frank)

     

    1883      25 november                       1 brood en 6 koeken van 5 centimes ....... = 0,80

    1883        3 december                          besteld voor Niklaas .............................= 1,20

    1883        6 december                        1 koekebrood en 1 brood van 0,50 centiemes = 2,00

    1883      27 december                        25 eieren aan 0,14 centiemes ...................... = 3,50

                  28 december                        1 kg meelsuiker ......................................... = 1,75

    1884       4 januari                             1 brood en 8 eieren ..................................... = 1,46

                   9 april                                    9 krokelingen ..........................................= 0,45

                   28 april                                 ½ kg zout .................................................= 0,08

                   12 mei                                   voor 25 centimes gist................................ = 0,25

                 9 juli                                   2 brooden gebakken ................................ =0,20

                                                                1 wit brood = 0,50

                  25 juli                                     1 brood en alf pond boter .......................... =1,70

                  29 oogst                                 alf pond bloem en vierendeel rijst ...............0,15

                    2 october                              1 brood en ½ kg zout .................................= 0,58

                   17 october                            gebakken 18 roggebrooden ..........................=1,26

                   19 october                            Pierre geëten en gedronken voor.................. = 1,50

                   20 october                            Pierre geëten en gedronken ..........................=1,85

                   27 october                            20 roggebrooden gebakken ...........................=1,40

                    5 november                         15 roggebroden gebakken  ............................=1,05

                 10 november                          3 bussels hout aan 0,25 centimes 

                 15 november                          4 broden gebakken en 1 viersel Corent = 1,90

    1886      20 september                         alf pinte genivre ..................................= 0,30
             25 october                              1 koekebrood ......................................= 1,50

    1891      24 november                         ½ kg boter ...........................................= 1,75  

                                                              ½ kg boter en 1 brood  0,50 .................=  2,20

                                                              2 roggebroden en 6 koeken  .................=  1,30

    1892        29mei                                 6 roggebroden ......................................=  3,00

     

    Meestal verbruikten de mensen toen roggebrood omdat dit soort brood beter en langer bewaarde.

    Het Sint-Vincentiusgenootschap

    In 1852 mislukte de graan- en de aardappeloogst. Bij gebrek aan de gebruikelijke basisvoeding werden rapen en bonen gegeten, soms ook onkruid. Er waren meer sterfgevallen dan geboorten. De meeste mensen waren ondervoed en typus stak de kop op. Zelfs de lijnwaadwevers leden armoede. Ze werkten vele uren voor een karig loon. Geestelijken en edelmoedige lieden staken de koppen bij mekaar want er moest dringend hulp komen voor de plaatselijke bevolking. De genootschap zou geld en voedsel verzamelen en goede zielen zouden de arme gezinnen thuis bezoeken en begeleiden. In Nukerke bestond er een Armbestuur. Zo was Jan-Baptiste Van De Putte (+ 1894) lid van het Armbestuur als ook Augustinus Claus  (+1882) die lid was van  het Katholiek Schoolkomiteit en van het Armbestuur. Joannes Franciscus Laurier was schepen en voorzitter van het weldadigheidsbureel en lid van de burgerlijke godshuizen.

    Hoe ontstond die armoede ? Vele dagloners trokken te voet naar Frankrijk om in de bietenteelt te werken. Weken later werden ze thuis verwacht met, hopelijk, een dikke geldbeugel met klinkende goudstukjes. Maar onderwijl bleven de moeders thuis met zieke of ondervoede kinderen. Bij gebrek aan geld kochten de moeders het hoogst nodige "op den plak". Bij thuiskomst van de man zouden de schulden worden afbetaald bij de boerin. Met echte goudstukjes ! Maar, hoeveel mannen hadden niet de helft van het loon verkwanseld. In sommige gevallen  bleef er niet veel meer over voor de rest van het gezin.

    "In 1848 waren er147 behoeftige huisgezinnen. “De bekende oorzaken der behoeftigen zijn te weten voor
    55 gezinnen den overlast van kinderen
    38 huisgezinnen het gebrek aanwinstgevend werk
    21 huisgezinnen het wangedrag
    20 huisgezinnen de zieken en gebrekelijkheden
    13 huisgezinnen den hoogen ouderdom
    Een kroniek uit 1577 meldt “op de aubeke zuut anden aermen goet van nukercke”, eveneens aan het daelbosch, west den Aermen mersch". (Annalen Ronse) Zo'n meers of weide stond ter beschikking van de arme lieden die er hun schaarse dieren mochten laten grazen zonder betaling van een vergoeding.

    Inwonersaantal in   1834  is 2446

                         1848  is 2191

                1853  is 2019

                1934  is 1889      
    In 18      

    Woningtype
    In 1834 telde telde Nukerke 447 gebouwen waaronder 402 huizen, 43 hoeven, een kerk en een gemeenteschool. De eerste hoeven waren van het langgeveltype en waren klein. De hoeve bevatte een woonruimte. De stal en  de schuur zaten onder het zelfde dak. De zijgevel was slechts een kamer breed. Bij uitbreiding halfweg de 19de eeuw werden de meeste hoeven omgevormd tot vierkantshoeven. De kleine woningen van de dagloners bestonden gedeeltelijk uit lemen muren al dan niet met houten skelet. De woning van de grote hoeve was met baksteen opgetrokken en met stro bedekt. De gewone vrouw en man weefden in 1834 nog stoffen. Anderen dreven handel in paarden, runderen en varkens. Er waren acht molens: “Il y a cinq moulins à vent qui servent à moudre les grains et à faire de l’huile; deux moulins à farine mûs par eau, teun moulin à huile activé par un manêge . »
    “In 1840 was het slecht gesteld met de weefnijverheid : De eenigen tak van de Nijverheid die in de gemeente wordt uitgeoefend en waer van den toestand nog altijd bedroevend is, is het vlasspinnen en lijnwaedweven; wij hopen door de overeenkomst tusschen Frankrijk en Belgien gesloten, deze in het kort te mogen zien “verbeteren. In 1884 is ergeen sprake meer van weefnijverheid en is er een molen weggevallen. Er bestaan alhier een brouwerij, 2 geneverstokerijen,4 Graanwindmolens, 1 oliewindmolen, 1 water oliemolen, een molen bediend tevens door het vuur en het water en gebezigt tot het malen van het graan. Erbestaan ook alhier eene fabriek van draineerbuyzen die nu onwerkzaam is. In 1889 is er maar één stokerij meer vermeld.” (Annalen Ronse)

    Dat de “prochie” Nukerke uit een landbouwgemeenschap bestond staat vast. De grond bewerken in de valleien kon pas van zodra de moerassige ondergrond droog kwam te liggen. Dat zou pas gebeurd zijn vanaf de 10 eeuw.  Rond 1750 stonden in Nukerke maar een paar hoeven. De meeste boerderijen dateren van halfweg de 19de eeuw.

    Op één km² trof men een 6-tal windmolens aan. De getuigenheuvel leek destijds wel een molenland. Er waren de”wint Meulen ter Geynst”, de molen “Ten Slepe”, “de wint Meulen ter Hingst”, “de hoogmeulen ter Crycen”, de “Snibbemolen” op de Kruisens en iets verderop in Zulzeke de Molen Ten Hotond.

    Op de top van de Kruissens moet het er in de 19de en begin 20ste eeuw een drukte van belang geweest zijn; het is niet alleen het kruispunt waar Ronse en de gemeenten Zulzeke en Nukerke elkaar treffen, bovendien was het gelegen langs de drukke verbindingsweg van Valenciennes naar Gent. Daar stonden drie windmolens kort bij elkaar en er waren enkele staminees zoal de Chalêt de la Cruche (Ronse), het Molenhuis (Zulzeke) en de Chalêt de la Croix (Nukerke)

    Dan waren er nog de talrijke watermolens in de valleien zoals “de watermeulen te Meulebroecke” en de “water Meulen ter Eerstbrugge” Dat alles wees op een grote landbouwactiviteit. Een industriegebied avant la lettre? Honderden streekbewoners verdienden toen op de een of andere wijze hun dagelijks brood in de landbouw.  Tot ver over halfweg de negentiende eeuw was de Nukerkse gemeenschap er een die op de landbouw was gericht, in het bijzonder op de graanteelt. Zie ook het Nukerkse wapenschild. Men verbouwde gerst, rogge, haver, tarwe…Men kan zich best voorstellen wat een bedrijvigheid dat met zich meebrachtop die grote hoeven. De herenhoeven  met de boerenmeiden en -knechten, de pikkers, de binders en de “ stuikers”, de voerlui of  “cartons” de dorsers met de vlegel en de mensen aan de wanmolen , de dragers en de slepers, de” tassers” die op de schelf de schoven tot onder het nok moesten tasten, de “mijters” en de kafverzamelaars, de vrouwen rond de stoofpot en de wriemelende kinderen, de molenaars, de metsers, de timmerlui en de smid, want er moest al eens het een en het ander hersteld worden.  Je had er ook de “koeplekjes” van de kleine pachtertjes. Ook zij verbouwden hun provisie aan graan en haalden de oogst binnen met eigen volk of met hulp van buren. Je had nog de keuterboeren. Dat was een boer die zijn landerijen bewerkte met één paard. Bij zwaar werk, ploegen bijvoorbeeld, werd het span aangevuld met een os. Heel soms liep een koe in het span. Het graan werd gedorst met de dorsvlegel op de lemen vloer in het schuurtje en in de wanmolen buiten “gemeuld”. Wegens het stof, geen gezond werk! Het lekkere brood werd meestal gebakken  in het “ovenbuur” buiten. De kleine man, een landman of arbeider die al eens een lapje grond bezat bakte het brood in een stenen bakoven die van in de woonkamer werd gestookt. Het stookhout werd buiten in de houtmijt gestapeld. Het brandhout voor de volgende bakte werd in de oven gestoken na een bakbeurt; zo werd het voldoende droog. Het huisje van de werkman was niet bijster groot. Alle vertrekken bevonden zich op ‘t gelijksvloers. Bij het binnenkomen viel men letterlijk met de deur in huis, t.t.z. in de woonkamer. Er was ook nog een schotelhuis met arduinen afwasbak. Een deur of gordijn gaf toegang tot een alkoof. Dat was een klein kamertje dat kon dienen als slaapvertrek maar ook soms als voorraadkamer waar ’s winters ’t een en ’t ander werd bewaard. Er was nog de slaapkamer van de ouders en één of twee kleine kamertjes voor de kinderen. In sommige grote gezinnen verhuisden de grotere kinderen naar een bedstee onder de blote pannen. In de winter waaide de fijne poedersneeuw tussen de pannen. Kan je dat voorstellen ?

    Maar de uitbreiding van de landbouw had ook zijn neveneffecten. Grote delen van het oorspronkelijk woud waren al gerooid maar door de uitbreiding van de landbouw werden nog grotere delen gekapt. Op de steile hellingen bleef het bos echter tot heden bewaard. De bosbouw verschafte niettemin een grote werkgelegenheid. Vele mannen werkten er als boswachter, houthakker, zager, voerman, jachtopziener , boswachter … stroper!

    Hadden de mensen het al niet te breed in normale omstandigheden dan kwam er nog een hongersnood, veroorzaakt door het mislukken van de aardappeloogst in 1845, toen de aardappel behoorde tot het basisvoedsel.

    In 1843 teelde men hier vooral: “taerwe,rogge, mastelingen, schokkeloen, haver, aerdappelen, peerdenboonen, hooy, klaver, vlast, koolzaet”. Op een oppervlakte van slechts 1218 ha komen verschillende grondsoorten voor; zandgrond op ’t Heidje, potaarde op het gehucht Potaarde en leemgrond over de rest van de gemeente. In 1960 waren er 604 bebouwde percelen en 2807 onbebouwde percelen waaronder 87 ha bos 599 ha teeltgronden  330 ha hooi en weilanden  60 ha boomgaarden.
    Wegen
    De benaming Heirweg in Nukerke zou niets te maken hebben met een Romeinse weg. “Heyrbaenen leydende van stad tot stad” waren wegen waarover de legers zich verplaatsten (route militaires).“De wegen van gemeente tot gemeente… De breedte der wegen van de eerste klasse blijft bepaald volgens  den inhoud der verordening vanden 3den maerte 1764 en andere oude wetten op 12 ellen 40 voeten. Die der wegen  van de tweede klasse op 6 ellen 20 voeten….” Toen waren de meeste wegen nog niet geplaveid en zeer kronkelig.” ”In 1834 waren de buurtwegen volgens Vander Maelen dikwijls onbruikbaar. “Er bestaan slechts twee buertwegen in deze gemeente welke gedeeltelijk gekassijd zijn ; te weten den straetweg leidende van aen de herberg den Engel langs over de plaets, naer den molen ter gheynst, en een einde der wolvestraet hebbende te samen een lengte van omtrent de 500 meter op eene breedte van 3 Meters”. (Annalen  Ronse )

    Tegenslagen in de 19de eeuw
    1845: een grote aardappelplaag vernietigde de oogst met hongersnood en tyfus tot gevolg. Van een mislukte aardappelteelt kwamen vervolgens, ondervoeding, armoede, onhygiënische levenswijze, ongedierte in de omgeving, vooral luizen die op de reeds verzwakte lichamen  wondjes nalieten en zo typus kon veroorzaken. Men moest nog tot 1939 wachten vooraleer DDT werd herontdekt  en een ideale insecticide bleek te zijn.

    1845: een winter met hongersnood, bovendien begint de winterkoude op 28 oktober.

    1867: een pokkenplaag slaat toe met doden als gevolg.

    Nukerke start met volksonderwijs. In de notulen van de gemeenteraad wordt melding gemaakt van de aanstelling van ene Pieter, Amandus Germonprez als onderwijzer aan de gemeenteschool. De eerste gemeenteschool kwam er op de hoek van de huidige Pontstraat en de Mere. Het gebouw, klassen en schoolhuis, zijn sindsdien niet veel gewijzigd. Voor de verdere geschiedenis van de gemeenteschool verwijzen wij u naar de rubriek “Ontstaan van het gemeentelijk onderwijs”.

    Op 1 augustus 1864 startten Belgische officieren in de kazerne van Maegdendaele te Oudenaarde de recrutering van jonge mannen. Daar wachtten hen enkele officieren en een 20-tal onderofficieren hen op officieren. Het was de bedoeling zoveel mogelijk militairen op te leiden om nadien naar Mexico te worden gestuurd met als opdacht daar deel uit te maken van de wacht van de keizerin Charlotte, echtgenote van Maximiliaan van Oostenrijk en in 1864 keizer van Mexico geworden. Tijdens de opleiding verbleven de militairen in de vroegere abdij die staatseigendom was geworden sinds de Franse tijd. De legerstaf was ondergebracht in het vorige Jezuïetenklooster dat in 1773 was opgeheven en eveneens staatseigendom was geworden.

    De kandidaten moesten een bewijs leveren van goed gedrag en een uittreksel uit de burgerlijke stand (bewijs van geboorte). Enkel ongehuwde mannen jonger dan 35 jaar werden toegelaten. Maar er waren uitzonderingen voor wie reeds een goede staat van dienst hadden. Ook enkele vrouwen konden mee. Bij de indiensttreding ontving de recruut 60 frank. Bij aankomst in Mexico kregen ze nog een vergoeding.

    In het werk “L’ expédition des volontaires belges en Mexique 1864-1867 » (2e partie) van Albert Duchenne vonden we tussen de 1587 namen van “ Les volontaires Belges en Mexique 1864-1867”de naam van een Nukerkenaar. We lezen: Vandeputte, Pierre-Jos (Nukerke, Fl. or., 1847) engagé


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    27-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Naar de 20ste eeuw

     Nukerke in 1872
     
    In dat jaar waren er in Nukerke 453 gebouwen verdeeld over de volgende gehuchten:
     Dorp 27, Grote Steenweg 57, Holand 37, Sint-Hermes 36, Eitje 33,Heide 32,Kapelle 32, Turkije 30,   Groenendaele 26, Bekelings 22, Spichtenberg 22, Keimeers 20, Melink 20, Dieriks 19, Terpoort 19, Ponts 13, Zak 8

    Op den Dries...
    Daar werd in het ouderlijk huis Aloïs Willems geboren als zoon van Desiré en Melanie Verhellen. De oude woning werd in 1953 grondig gemoderniseerd; strooidak en lemen muren verdwenen. Een houten balk, verborgen in het plafond draagt het jaartal 1668. In oorsprong behoorde dit landhuis toe aan de boerderij van Staf Vande Putte, een grote vierkantshoeve aan de overzijde. Dat was toen  een rijke, invloedrijke en devote familie want “Anna Theresia Vandeputte geboren te Nukerke op 30 september1795 schonk aan de parochiekerk een heel mooi kleurrijk glasraam, O.-L.-Vr. van Lourdes voorstellend. Dit glasraam is geplaatst in de noordenmuur van de kerk.”

     Octaaf Verhellen, broer van Melanie was toe “carton” (van het Franse carter dat voerman betekent ?) op de boerderij van Vande Putte.  In de loop der tijden werd het landhuisje van de familie Willems uitgebouwd tot een zelfstandige boerderij.

    VOLKSFIGUREN ROND DE EEUWWISSELING 

    Zoals ieder weet was er toen noch radio na televisie. Toch had de volksmens zijn plezier en dat zocht zij/hij met veel vertier in een stammenee zoals daar was de stammenee “in ’t bisdom, gelegen op de hoek van de Sponde en de Chaussée de Renaix (Ronsestraat). Op de andere hoek van de Sponde woonde een concurrent. namelijk de stammenee “In de pastoij”.

    “In ’t bisdom” was eenheel geliefd oord. De kroegbaas was immers Filie De Bisschop, een echte dorpsfilosoof en bovendien boer, kandelaarder, beenhouwer, slager, metser, kroegbaas, dichter, zanger… Die laatste eigenschappen zorgden voor veel ambiance in zijn kroeg. Een ideale sfeer waar volksliedjes spontaan ontstonden. De meeste van die liedjes dreven de spot met (meestal) welstellende of met vrouwen en mannen die zich wat hoger achtten op de maatschappelijke ladder. Zo heeft Filie De Bisschop een schrift vol liedjes geschreven. Na zijn overlijden in 1921 volgde zoon Tryphon (geboren in 1897 ) in  zijn sporen. Hier volgt  zo’n liedje. Het gaat deze keer over volksmensen en hun “lapnamen”.

    “Stanse faro,  Binde Manse,  Pierkitsies en Bunies Fie,   Bruno Keerke moe nie mier werken,

    En Pierk Hanson is mee pensoen.” 

    Diezelfde Theofiel kreeg het ook aan de stok met “paster Dutordoir”. “Filie was nen donkerblauwen én is eens mee de blauwe opgekomen. Paster Dutordoir wist blijkbaar vooraf dat de katholieken 2 stemmen zouden te kort komen. Daarop liet hij Pauli margerine, die op bietenampagne was in Frankrijk, terugroepen. Niettemin kwamen de liberalen  aan de macht. Daar lees je verder meer over.

    Nog zo’n anekdote. In de tijd van Tudortoir gingen nog alle mensen naar de kerk. Zoals gebruikelijk zaten de grootste katholieken vooraan en de slechte achteraan.(In Christus’ tijd was dat juist omgekeerd).Filie en zijn blauwe vrienden stonden steeds op een rijtje achteraanleunend tegen de portaaldeur. Immers de klokkentoren en ’t portaal is gemeentelijke eigendom. Je zou kunnen zeggen dat ze daar een beetje op niemandsland stonden. En dat kon Tudortoir blijkbaar niet slikken. Bovendien, de liedjes die Filie maakte waren voor de pastoor te obsceen en dat was ook niet naar de zin van de pastoor. Op een mooie zondag riep hij vanop het kansel:” De Bisschop , da moet hier gedaan zijn met die schunnige liedjes… ’t is hier binnen of buiten, hebde dat begrepen!” Felie,welbespraakt zoals hij was, had nogal vlug zijn antwoord klaar en riep:” Awel ’t is buiten menier de paster!” De kerkgenoten giggelden en Filie draaide zich om en verliet de kerk van Nukerke. Daarna bleef hij zijn zondagsplicht vervullen en reed met de fiets dan maar naar de kerk van Leupegem. 

    Naar men toen zei moeten er in deze periode een 49-tal herbergen geweest zijn in Nukerke. De meeste cafés hadden naast een sociaal karakter tevens een economisch nut. Op plaatsen waar  twee of meer wegen samenkwamen   was een herberg gevestigd. Mensen die goederen of een pakje hadden te verzenden kwamen daarmee naar de grote baan, leverden dat tegen betaling af aan de kroegbaas en deze zorgde er voor dat de juiste vervoerder het pakje meenam. Alle vervoer ging toen nog met paard en kar, wagen, koets …

    Theofiel De Bisschop heeft tijdens het kandelaren van een boom zich eens lelijk vergist en is wegens de gladheid van de schors van een stam ongelukkig naar beneden gekomen en was zwaar gekwetst. Hij is in 1921 overleden.

    Onze streek was begin 20ste eeuw nog veel bebost. Vele bomen werden gekandelaard om dikke  stammen op te leveren voor de scheepsbouw. Tijdens  de oorlog 14-18 hebben de Duitser onze bossen kaalgekapt. Het hout ging naar de loopgrachten. Na de oorlog hebben veel boseigenaars gekozen om sparren aan te planten. Deze bomen groeien snel en brengen dus vlug hout voort.

    Nu een verhaal van twee inwoners die de overgang naar de 20ste eeuw hebben meegemaakt. Dit verhaal uit 1973 is een weergave van een interview met Remi Pot en Aloïs Willems. Het gesprek werd zo getrouw mogelijk weergegeven. Vandaar het soms oude woordgebruik.

    Remi Pot werd geboren in Etikhove in 1892 en Aloïs Willems werd in 1897 geboren in Nukerke. Gedurende vele jaren waren ze buren op ’t Holand, Den Dries in de volksmond.

    Hun verhaal

    Aloïs en Remi: “Toen wij naar school gingen  in onze kindertijd moesten wij nog niet opletten voor de auto’s. D’er waren er nog gene. Wij aten toen veel boterhammen, eieren, soms vlees. Sommige mensen aten toen al twee keer per dag vlees. Ik ben in Etikhove naar de school geweest en  zat bij meester Vande  Putte. Meestal gingen de kinderen op kloefen naar school.

    Aloïs.: Voor mij was dat naar school gaan wel een half uur stappen. D’ Holandstraat was toen al gekassied. En als ’t winter was dan zat de sneeuw soms in ons kloefen. In de school bleven de kloefen in de gang staan. Wij gingen op ons kousen naar binnen. Sommige kinderen deden gebreide sokken aan in de klas. Als het regende droegen we een kapmantel. Ge weet wel, zoals de facteur er nu nog een draagt. We namen onze boterhammen mee en warme soep kregen we van de nonnekes. Ik denk dat we 1 cent betaalden voor een tas soep. De minder begoeden betaalden niet. Pas als we onze plechtige communie deden kregen we schoenen maar tijdens de week liepen we steeds op kloefen.  Wij, de jongens, droegen een pofbroek,  zo’n broek tot aan de knie, ja met een rekker in. Punten en rapporten bestonden toen nog niet. Meestal schreven we op een stenen lei met een griffel. Af en toe schreven we in een cahier, allé een schrijfboek, met een inktpen. Kleurpotloden bestonden toen niet in de school. Een boekentas hadden we niet want we namen niets mee naar huis. Alleen de catechismus ging mee. Ik herinner mij nog de vakken heilige geschiedenis, aardrijkskunde en vaderlandse geschiedenis. Van die vakken hadden wij een boekje. We leerden ook andere vakken zoals het abc, rekenen, optellen, aftrekken … Straf schrijven bestond toen niet. Maar ’t was de tijd van de kloefen hé. Dus de kloefen uit en met de knieën in de kloefen. Nog niet braaf ? Dan kwam er een andere straf. Soms kwam meester Jan met zijnen regel rond en sloeg op ons kneuten. Als we dorst hadden dan dronken we water aan de pomp want leidingswater bestond nog niet in Nukerke.”

    Aloïs ging naar de kleuterklas in het schooltje naast de villa Van Malleghem, achter de kerk. “Daar waren in mijn tijd 2 kleuterklassen. Ik zat in de klas van de kinderen die geboren waren in 1897. We verzamelden op de koer van de meisjesschool en gingen vandaar met de zuster de plaatse af naar de klassen. In de klas was er geen verlichting en als het te donker was om iets te leren dan deden we niets. En we waren helemaal niet verplicht om naar school te gaan. Als we groter waren staken we veel deugnieterij uit. Soms moesten we schoolblijven omdat we niet op school aankwamen, maar we moesten ook blijven als we ons les niet konden.”

    De voorschoolse opvoeding noemde vroeger de bewaarschool of fröbelschool voor kinderen van 3 tot 6 jaar. In oorsprong was de voorschoolse opvoeding uitsluitend een particulierinitiatief. De eerste officiële kleuterscholen startten in 1843 en het zal nog tot 1879 duren voor aleer de gemeenten verplicht werden om een bewaarschool op te richten. De oprichting van de lagere scholen was reeds verplicht vanaf 184 2 en was kosteloos voor kinderen van behoeftige ouders. De leerplicht voor kinderen van 6 tot 14 jaar kwam in voege in 1914 en de wet van 19 mei 1914 voorzag de oprichting van de 4de graad lager onderwijs. Het lager onderwijs was toen kosteloos.

    “De eerste communie bestond toen ook al, dat was op 7 jaar. Goede katholieken mochten de bijbel niet lezen. De meeste kinderen gingen naar school tot aan hun plechtige communie. En eens dat voorbij speelden we koewachtertje bij een boer.” “ Ik”, zei Remi, “ ik verdiende 8 frank per maand en er waren er niet veel die zo veel verdienden. We kregen wel eten op de boerderij. Foto’s van die tijd hebben we niet. Dat is spijtig. Maar sommige jongens bleven gemakkelijk thuis. Vooral als ge van de oudste waart. Die bleven gemakkelijker thuis om te werken. Ik was van de jongste en ging  meer naar de school. Soms ging er een zondagschool door. In Etikhove was er soms avondschool. We gingen daar naar toe om te leren. ’t Was gratis en zelfs grote mensen van 20 jaar mochten komen. En een bibliotheek in de klas dat bestond nog niet. We hadden zelf weinig boekjes en ze moesten dan nog in de school blijven. En gedichtjes leerden we ook maar we zijn die vergeten. Bomen schreven wij toen nog met twee o’s.”

    Veel boeken hadden we niet. Den schoolopziener kwam somwijlen naar de klas.

    In de lagere school zat ik bij meester Jan, op het dorp. De man met een zakuurwerk want polshorloges kenden ze nog niet. Op zijn neus stond een pince-nez met een koordje vastgelegd zodat hij niet zou rondvliegen en op de grond  vallen als de meester eens naar iemand uitvloog. Het brilletje zat met een ressorke om op de neus vast. Onze meester had geen kiel aan. Ik denk dat onze meester Jan de eerste was in Nukerke die een fiets had. We gingen volle dagen naar school van maandag tot vrijdag en de zaterdag was er school tot ’s middags. Sommige kinderen doken de school. Er werd ook haagschool gehouden vooral tijdens de fruittijd.

    Remi:”Ik moest eens schoolblijven met een kameraad. Omdat ik mijn les niet kende. Als straf moesten we het onkruid trekken in de lochting  van de meester. Die lochting lag waar nu ’t kerkhof ligt (in Etikhove). We kropen over de muur en begonnen te wieden. Of we het wisten of niet maar we hadden al de prei uitgetrokken want we dachten dat het onkruid was. De meester had dat vlug in de mot. ’s Anderendaags moesten we een wieske(ge kent dat wel zo'n fijn wilgentakje) meebrengen naar de klas en het aan de meester geven. Maar dan hebben we er van gehad. In de benen. De schoolblijvers moesten soms de klas kuisen. De wc’s bestonden uit een hokje met een plank waarin een rond gat was.

     Op school was er geen bibliotheek. We hadden weinig schoolboeken en die moesten altijd in de klas blijven. En schriften , we hadden er “meeruize” twee of drie. We zaten met zes op een lange bank zonder leuning. Onze rug leunde tegen de bank achter ons. We mochten niet te veel schommelen terwijl er geschreven werd. En het houten bord hing niet aan de muur maar stond op een driepikkel, een ezel zoals ze zeggen. De meester schreef er op met krijt. Ja, ’t was in de tijd van Koning Leopold II. Er waren weinig kranten in onze kindertijd. We kochten af en toe ’t Volk van Ronse. Soms was er zondagschool maar in Etikhove was er ook ’s avonds school. We gingen daar naar toe om te leren. En ’t was gratis. Examens hadden we niet.”

    Thuis stonden er toen niet veel teloren op tafel. In ’t midden stond een grote teil met eten en ieder at met een houten lepel. Ons huis dat was maar om zo te laten; aarden muren met stokken er in verwerkt, aarden vloeren , strooien dak en de zoldering gelegd met planken en daarop aarde geplakt voor de warmte.

    Aloïs: In 1913 heb ik voor het eerst een vliegtuig gezien. Het had een noodlanding moeten doen op de Eerstkouter, daar boven 't Moleke. ('t Moleke noemde vroeger meulen ter Eertsbrugge). We waren juist bezig met de oogst te pikken. ’t Was de tijd dat de boeren op ’t land werkten met een span koeien of een ossenspan. Boeren die meer land hadden bezaten één of twee paarden. Bij Remi hadden ze 2 ossen en zeven koeien. De ossen deden het werk. Veel mensen leefden van de opbrengst van een klein boerderijtje. Wij hadden thuis 31 dagwand. Eén ha is 3,25 dagwand groot en één roe is 5,57 m in ’t vierkant. Het geld was toen een centiem, twee centiem en een frank was toen al veel geld. De dichtste winkel was in de Vinke, bij Ryckbosch. En cafés… er waren er veel...

    Remi werd vrijwillig soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ik ben geboren in 1890. In 1912 ben ik vrijwillig binnengegaan en ik ben pas in 1919 afgekomen. Wij mochten weinig naar huis komen tijdens onze dienst. In totaal ben ik zeven jaar soldaat geweest. ‘k Heb ook aan den IJzer gevochten en veel geluk gehad zeker! Ik had als wapen een karabien. Die schoot 200 m ver. Ge moest al goed kunnen schieten om iemand te raken. Aan het front kregen we zelfs af en toe gymnastiek. In ’t leger was het al Frans maar de officieren verstonden vloms. ’t Commandement werd altijd in ’t Frans gegeven.(een oud zeer waar vele soldaten over klaagden en vele jonge Vlaamse soldaten zouden de dood zijn ingejaagd omdat de bevelen niet goed werden begrepen. Sommigen droomden toen reeds van en zelfstandig Vlaanderen). Om de 14 dagen veranderden we van linie. We schoven naar achteren naar een tweede en nadien naar de derde linie en na een tijd zaten we terug in de voorste en gevaarlijkste loopgrachten. Ik ben in den oorlog gewond geweest aan mijn arm.

     De oorlogsjaren waren maar triestige jaren om te leven. Er was weinig eten en als ge eten wilde dan moeste dat duiken want de Duitsers eisten alles op voor hun leger. Als we honger hadden aten we al eens een raap.

    De dokter kwam toen te paard, dus als ruiter op huisbezoek. Ik heb nog horen zeggen dat ’t eerste hospice was waar Marc Capiau heeft gewoond. ’t Ander is gebouwd dankzij Van Malleghem.

    Na de oorlog is Remi naar Parijs gaan werken, aan de vélodrome. Aloïs heeft na de oorlog nog kleren gemaakt. Ha, de tijd van nu is toch veel beter. Remi, in de buurt noemden we hem Mietje, stierf in 1976. Aloïs  verliet ons op 5 februari 1979.

     

    De Eerste Wereldoorlog begint op dinsdag 4 augustus 1914 waar de Duitse troepen bij Visé de Maas overstaken. Bij het naderen van de Duitse troepen op 22 augustus slaan de mensen in onze streek massaal op de vlucht. Deze dag staat bekend als de “vliegende maandag” of de “vluchtersmaandag”.

    De oorlog eiste zijn tol want volgende Nukerkse personen zijn “Gestorven voor België”:

    “Remi Joseph Gilleman, soldaat bij het 3de regiment jagers te voet, stamnummer 52575 oud 24 jaar 3maanden en 18 dagen te Nukerke gehuisvest, ongehuwd is overleden aan het front op 5 september 1914 ten tienen half ure ’s avonds. Hij was geboren te Nukerke als zoon van Theophielus Josephus Gilleman, gemeenteonderwijzer oud 52 jaar en van wijlen Melanie Van Lancker”

    “Het jaar negentien honderd achttien den acht en twintigste October is overleden  om twaalfuur en dry kwart ’s middags ten gehuchte Kruissens Dhondt Theophiele dagloner en geboren den 28 februari 1860.”

    “Vander Spoilden Marie-Clemence huishoudster overleden ten gehuchte Keizereistraat” 

    “Huysman Romanie huishoudster te Quaremont is heden om elf uren ’s middags ten huize ten gehuchte Steenweg overleden op 2 november 1918” 

    “Depoorter Germaine is ten huize van Modest Ysebaert (61 jaar en landbouwer) overleden  ten gehuchte Steenweg  op 2 november 1918” 

    “In het jaar 1918 den vijfden November om negen uren ‘s morgens ……… verklaren dat gisteren rond acht uren ’s avonds ten gehuchte Steenweg overleden is Reynaert Alfred werkman, geboren te Ronse in 1891, zoon van Gustaaf Reynaert  oud zestig jaar.” 

    “In het jaar 1918 den vijfden November om negen uren …… aangifte van overlijden van Baele Amandina-Angela huishoudster hier geboren den zeventiende Augustus 1893 dochter van Charles. Ze is gisteren overleden  ten haren huize en ten gehuchte Steenweg rond zes uren ‘s avonds.” 

    “Het jaar negentien honderd achttien den vijfden November om negen uren ’s morgen voor ons, Joseph T’Sjoen Burgemeester… zijn verschenen Gustaaf Reynaert oud zestig jaren en Charles Louis Baele oud vijf en vijftig jaren beide dagloners alhier wonende… dewelke ons hebben verklaard dat gisteren 4 november 1918 rond zes uren ’s avonds ten huize nummer zeven en zeventig en ten gehuchte Steenweg overleden is Baele Jozef-Octaaf werkman alhier wonende…”

    Oude vlaktematen  in Nukerke gebruikt maar na de jaren 40 in onbruik geraakt.

    1 ha = 680 roeden

    45 a= 300 roeden

    1 gemet = 300 vierkante Rijnlandse roeden, halve mogen werk = 4258 m²

    Een Rijnlands gemet is 4592m² in het Gentse

    1 roe = 3,90 m op 3,90 m of ongeveer 4 stappen op vier

    1 dagwand = 100 roeden

    1 ha =  ongeveer 3,25 dagwand

    1 bunder = 100 vierkante roeden = 1 ha = anderhalve morgen werk (volgens W.P.)

    1 Nukerkse bunder is ongeveer 1 ha

    1 bunder is 4 dagwand en 1 dagwand is ongeveer 30 a

    Over herbergen, cafés of staminees

    Was er geen industrie langs de nochtans drukke steenweg Terneuzen-Valenciennes des te meer waren er herbergen en afspanningen. Even opsommen: “Den os”, “De lustige boertjes”, ”Staminee”, “In ’t bisdom”. Deze herberg stond op de hoek van de Steenweg en de Sponde (Elsstraat), en werd open gehouden door Milie of  Filie De Bisschop. Ze hadden een zandgroeve aan de Mellinckstraat naast de spoorweg en een zandgroeve in de Kortekeer waar de sporen van afgraving nog duidelijk zichtbaar zijn, o.a. aan het voetbalveld.  Langs de Mellinckstraat werd de groeve later terug gedeeltelijk opgevuld.

    Theofiel was slager, beenhouwer, herbergier, metselaar, zandontginner, steenbakker. Hij was specialist in het kandelaren van oude en zieke bomen. De grootste takken werden danig ingekort dat de boom de vorm kreeg van een kandelaar.

    Andere cafés zijn: In 't Bisdom, De pastorij, In de Keizer (hoek van de Sponde bij Albert Hantson), In de kroon (bij Louise De Bisschop, een nazaat van Filie), Den Engel (bij Germaine en André Den Haerynck), Truweeltje (bij Valère Deriemaeker), Léon d'or (bij Clara Ceuterick) als het clubhuis van Eendracht Nukerke want  lange tijd kleedden de spelers van de voetbalclub Eendracht Nukerke zich in het achterhuis van het café. Verderop naar de Kruissens toe waren er  Den appel, ‘t Zonneke, ’t Neerhof (bij René Callebaut), De drie roze broekjes (bij den zwarten Merie, Omer Deriemacker) anders gezegd Te speelders bij Speeldersen Zwarten,  Den beitel,  't Neerhof (bij René Callebaut), Chalet la Croix, Sint-Martinus (Eglantierstraat),  Bij stupies (tijdelijk), Den Elst (tijdelijk).

    Het was lang de gewoonte dat er ook café werd gehouden "achter “ de deur". In praktisch elk kruidenierszaakje kon je toen, tegen betaling, snel een jenever achteroverslaan.

    Nukerkse figuren die iedereen kende
    Tot de jaren 70  lagen de namen van bekende figuren zodanig goed in de volksmond dat men ze vervormde tot soms grappige "lapnamen". De ouderen onder ons kenden zeker  vozen fijni, koekenbaksen né, vozen wieten, zwarten grielie, wieten grielie, poene rôsten, bietozen dieken, chique nijs, speelderzen zwarten, neetje deust, roosten meerie, kootsiezen meerie en kootsiezen langen, klein schuurke, cuypersen Georges, deestie de voos of vôzen deestie, schuriezen tavi, caleboutsen né, keyzerzen milie, m[e]derzen Gastonk, schoeperzen Frans , schoeperzen filie, Bekie, ’t cabineurke, bavoos anna, marstiezen richard, pijpke, bieliezen georges, meriekôi, de van muries of murkies, moustache, notiezen marc, panti ( Richard), Lauwkiezen boeri, boerizen Marc … En er zijn er nog!

    Prachtige vergezichten in ons mooie Nukerke.

    Vanaf Heynsdaele slingert de Zandstraat over de Hotond, door een prachtig beukenbos naar de Kruisberg. Een prachtig stukje Ardennen. Links en rechts sta je vol bewondering voor de prachtige panorama’s. Eens de Kruisberg gedwarst volg je de toeristische Ommegangstraat richting Louise-Marie, aan de voet van het Muziekbos. Merk op dat de noordenflank mooie brede vergezichten biedt richting Scheldevallei. Het is een landschap als een zacht golvend lappendeken met vruchtbare akkers en groene weiden kriskras door mekaar langs heuvels en diepe valleien, terwijl de zuidenflank stijl en bebost is. Bossen ontstonden immers daar waar de leemlaag ontbrak of bedekt is met zand. Maar ook in dat golvend landschap komen stijle, beboste hellingen voor op de westzijde van de uitlopers. De namen van die hellingen liegen er niet om: Spichtenberg, Kortekeer, Holand, Donderput, Daelbos en even buiten Nukerke, Koppenberg, Taaienberg, Muur….Spreekwoordelijker kan het niet. “Bergen” om je tanden op stuk te bijten.

    Als je de streek komt bezoeken zoek dan eens boven het bladerdek de spitse Nukerkse kerktoren, de enige trouwens zichtbaar vanaf de omliggende heuvels, zoals de Hotond, de Ommegangstraat, de hoogte van Volkegem en Edelare ….

    Vondsten en historische overblijfselen in de omgeving

    Verscheidene bronnen melden volgende vondsten:

    Fossiele schelp in Louise-Marie opgedolven bij het graven van een artesische put van 20m diepte.

    Haaientanden in de zandgroeven.

    Silexscherven in Kwaremont, een werkplaats waar jagers hun gereedschappen voor de jacht klaarmaakten.

    Twee gepolijste stenen bijlen, silexbijlen en pijlpunten  in Etikhove

    Grafheuvels in Bois Joly (Hogerlucht) en in Kluisbergen. De graven waren bij vondst echter geplunderd.

    Een grafheuvel op de Kraaie in Heynsdaele.

    In Kwaremont vond men ijzerslakken wat erop wijst dat men er geprobeerd heeft ijzer te winnen uit de ijzerzandsteen

    Tumuli op de Muziekberg

    Resten van 3 Romeinse nederzettingen waar dakpannen, gebruiksvoorwerpen en aardewerk werden aangetroffen.

    Bij de ontginning van van een steengroeve achter de St Britiuskerk te Etikhove werden silexbijlen en vuursteen gevonden.

    Op de Maarkedries te Etikhove  vond men 18 Gallo-Romeinse begraafplaatsen

    Romeinse dakpannen en stuk grafzerk te Ronse

    Gouden halssnoer te Frannes

    De middeleeuwse “tiendenschuur”te Etikhove is een deel van het vroegere kasteel dat stond in de bocht van de Maarkebeek. De eigenaar was de familie Ladeuze. Het kasteel werd afgebroken in 1824 en de stallingen werden verbouwd tot woningen.

    Romeinse villa’s op de flank van de Muziekberg.

    De twee grote zwerfstenen in het Kluisbos

    Nagebootste dolmen op het kerkhof van Hogerlucht te Ronse

    De windmolens Ten Kruissens ,de Molen Ten hengst, de windmolen Ter slepe, resten van twee watermolens.

    Het Muziekbos

    De spoorwegtunnel onder de Spichtenberg


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    27-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Perikelen over de Tweede Wereldoorlog

    DE TWEEDE WERELDOORLOG

     

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog

     

    Kort na de invasie op 10 mei 1940 werd ook Nukerke bezet door de Duitsers. Over die bezetting  kom je meer te weten in de volgende vroegere teksten en/of ooggetuigen verslagen

     

    “Doch nu waren donkerder dagen in ’t verschiet. Met September werd de algemene mobilisatie afgekondigd, en heel den winter 1939-40 werden we telkens opgeschrikt door dringend oorlogsgevaar. Den 10 Mei had de vreselijke uitbarsting plaats en reeds den 20 Mei deden Duitse soldaten hun intrede in het vreedzame Nukerke. Ze legden beslag op alle mogelijke plaatsen en stelden hun kanonnen op rond het hospice voor den slag aan de Schelde. En zo geraakte het Gesticht in de volle branding. Projectielen kwamen terecht in stallingen en op het verdiep in huis,  met  betrekkelijk weinig stoffelijke schade. Drie dagen en drie nachten duurde het bombardement.

    Op Sacramentsdag, 23 Mei  waren de Duitsers over de Schelde. Nu trad rust in. De E.H. Pastoor zou de H. Mis lezen in de kapel van het Gesticht, maar was opgesloten. Toen verzon men een list: er werd aan de Duitsers gemeld dat een grote zieke een priester vroeg. Aanvankelijk bleef alles vruchteloos doch weinige tijd nadien, meldde zich de E.H. Onderpastoor aan, onder bewaking van een Duits soldaat. Zr Suzanne die ziek lag in haar ligstoel, speelde perfect haar rol van zware zieke, biechtte in ’t bijzijn van de schildwacht en ontving de H. Communie.

    ’s Namiddags waren de geestelijken vrij. Daarmee had het Hospice zijn beroerde oorlogsdagen beleefd. Het werd nu stiller en normaler. Enkel de bevoorrading van de 98 inwoners – 10 Zusters, 48 ouden van dagen en kostdames, 40 weesjongens – leed last. Maar dank aan het wijs beleid van Moeder en de ijverige medewerking van de Zusters, was de voeding verzekerd. Het Hospice heeft de oorlogsjaren flink doorgemaakt.”

     

    Reeds in 1940 werden in Nukerke langs de Boelaertstraat, tussen de Steenweg en het dorp” op de velden van de toenmalige burgemeester Richard Deschaumes een grote, lange houten barak opgericht samen met een grote veldkeuken. Hoe is die daar terecht gekomen ? Niet omdat de burgemeester de Duitsers gezind was. Neen, de reden was dat hij niet wou dat andere landbouwers in de miserie kwamen. Het was de taak van de burgemeester een terrein aan te duiden. Dus nam hij zijn verantwoordelijkheid. Nog tijdens de oorlog zou hij zijn ontslag geven als burgemeester. Arthur Verdonckt, 1ste schepen, werd waarnemende burgemeester. Na de bevrijding nam Deschaumes zijn taak als burgemeester terug op. Opportunisten maakten dadelijk van de gelegenheid gebruik om het Verdonckt ferm lastig te maken. Zoals eerder vermeld waren er tijdens de oorlog een vijftal mannen die deel uit maakten van de witte brigade. Bij de bevrijding waren er een honderdtal.

    Terug naar de barak. Die was uitgerust met een grote zaal, keuken, douches, slaapzalen … De eerste bewoners waren Russische krijgsgevangen of zo iets. Of waren het overlopers of opgeëisten uit Sudetenland? Feit was dat ze het goed hadden en een opleiding kregen. Af en toe passeerden ze de rookkamer om te worden ontluisd. Hun marsoefeningen deden ze op de Steenweg die ze op en af stapten. Na de oorlog heeft een onverlaat nog proberen brand te stichten in de barak.  Nadien werden de gebouwen nog een tijdje gebruikt voor de opleiding van Belgische rekruten. Nog rond de jaren 50 kwam de  barak in verval en werd afgebroken. Volgens een anekdote zou de latere veldwachter Eugeen Van Dijck, afkomstig uit het Antwerpse, zo zijn Liliane ontdekt hebben toen hij hier zijn militaire dienst deed

    Tijdens de beschieting van de Engelsen die gelegerd waren aan de Schelde in Kerkhove kwamen verschillende Duitse soldaten in Nukerke om. Die werden dan ter plaatse begraven. Zo wist men van een graf in de Sponde en twee graven langs de Boelaertstraat, nu Nukerkestraat nr 6.

    De strategisch ligging van Nukerke was er de oorzaak van dat de Engelsen vanachter de Schelde op aanstormende Duisters onder vuur namen. Honderden obussen zijn her en der neergevallen en ontploft. Tijdens die beschieting bleven veel gezinnen gedurende veertien dagen dag  en nacht in kelders. Een tijd lang bivakkeerde een Duitse eenheid op het voetbalveld Eendracht Nukerke langs de Steenweg rechtover de smidse aan “Den Engel”. Vooral de Sponde was voor de oorlogvoering een strategische plaats. De Duitsers hadden vanaf die hoogte immers een goed zicht op de Scheldevallei. Eens de Duitsers de Schelde hadden overgestoken waren de oevers bezaaid met honderden achtergelaten, (gestolen) fietsen waarmee de Duitsers zich verplaatsten. Het nieuwtje verspreidde zich als een lopend vuurtje. Dus wie kon trok te viervoet naar de Onderbos in Melden om een fiets te bemachtigen. Zo zijn veel mensen aan hun eerste fiets geraakt.

    Tijdens de dagen van de bevrijding werd er amok gemaakt in het torenhof aan “Den appel”. Wat is de juiste toedracht ? De bewoner Jan Van Acker was in het atheneum van Ronse verbonden als leraar Nederlands.  Hij zou in de klas een briefje hebben afgenomen van een leerling die dat wou doorgeven. Tijdens de speeltijd bekeek hij dit briefje samen met een paar leerkrachten. Er bleken namen op te staan van zogenaamde “witten” die werden opgenomen en  weggevoerd. Studenten werden aangesproken om de leraar aan te pakken. Daarop werd zijn woning aangevallen en geplunderd. Van Acker en zijn gezin konden ontkomen langs de velden. Hij zelf bleef een tijdje lang de plundering gadeslaan vanuit het naastliggende veld. De familie Van Acker heeft de woning verkocht en is naar Mortsel verhuisd. Tijdens de bouw van het “torenhof” woonde het gezin langs de Steenweg, nu huisnummer 107. Het “torenhof” werd gebouwd kort vóór de oorlog door Georges Vancoppenolle. Een gelijkaardige woning met toren van de schilder Jos Van den Abeele staat op de Edelareberg.

    Zo werd ook Dr Glibert opgepakt. Toen de dokter een bevalling was gaan doen in het gezin Hantson in “De vinke” waren twee gewapende mannen naar zijn woning getrokken. Enen stond aan de voordeur terwijl de andere aan de achterdeur stond. Ze wisten blijkbaar niet dat de dokter met ernstige zaken bezig was. In elk geval kreeg de vrouw des huizes de opdracht de dokter mee te delen dat hij zich persoonlijk kon aanmelden bij “De wacht” in Ronse. Na de bevalling nam de dokter zijn fiets en samen met zoon Prosper reden ze naar Ronse. De politiecommissaris Delobel vroeg hem;” Wat komde gij hier doen ?” Hij werd echter vastgenomen en opgesloten eerst in Ronse, dan in Gent (Wondelgem) waar hij ziek is geworden. Korte tijd na zijn vrijlating overleed hij in 1946. Tijdens de bezetting werd hij aangesteld om de keuring te doen van de opgeëiste mannen die zouden te werk gesteld worden in Duitsland. Moeilijke taak ook al waren er die zich vrijwillig aanboden om te kunnen gaan werken in Duitsland. Sommige gezinnen leden heel grote armoede.

    ls kind hoorden en zagen we hele kolommen Duitsers de steenweg naar Ronse opstappen. Ik hoor mijn angstige moeder nog zeggen :”Ga van dat venster weg dat ze je niet zien!” De oorlog heeft in Nukerke niet zo actief ingegrepen, op een paar inslagen na. Aan “Den beitel” werden aan de kant van de boerderij Decordier door de Duitsers loopgrachten gegraven. Van op die plaats konden ze de Steenweg in beide richtingen onder schot houden.

    Om meer te weten over deze oorlog in Nukerke lees je best de rubrieken die gaan over de oud-strijders. De verhalen werden door hen geschreven of verteld. In alle andere verhalen komt de oorlog ook aan bod.

    Deze oorlog heeft in Nukerke, op de slachtoffers na, geen sporen nagelaten. Echter, in de Spijker, beneden in het bos, tref je nog resten aan van een Duitse schietstand uit de Grote Oorlog.

    In die dagen hielden de Duitse dekkingstroepen nog hevig weerstand aan de oevers van de Leie en de Schelde. Om hun aftocht te vertragen of te verhinderen nam een Engels artilleriebataljon stelling in het diepe dal aan de Letterstraat tot achter ’t Zonneke. Zwaar geschut nam de scheldebrug te Kerkhove onder vuur. Bij elk schot trilden de flinterdunne ruiten in de kozijnen. We hadden schrik dat die ruiten aan diggelen zouden vliegen. Wij, toen nog kinderen, stopten onze oren af met onze handjes en keken angstig om ons heen. Tijdens de beschieting verbleven wij soms in de gewelfde kelder van Marcel Lepez. Daar waren wij toch meer beschut tegen eventuele obussen van de Duitsers. Na enkele dagen kwam er een einde aan het schieten. De Britten braken hun bivak op en vertrokken richting Oudenaarde. Waren dit dan de laatste schermutselingen die we in Nukerke zagen?

    Tijdens de eerste oorlogsjaren eisten de Duitsers alle beschikbare mannen op om te gaan werken in de Duitse industrie. Zo kregen de veldwachters de opdracht de opeisingbrieven aan de man te brengen. Maar tegen de dag van uitvoering doken sommigen mannen onder en verschenen niet op het appel. De Duitsers maakten een lijst op en vergezeld van een paar Duitsers werd jacht gemaakt op die mannen. Meestal probeerde men die ondergedoken ’s nachts op te pakken. De champetter leefde natuurlijk mee met die families en had een goed trucje. Wat deed hij ? Wel hij maakte, indien mogelijk, een grote omweg en passeerde gehuchten  waar de honden gemakkelijk blaften. Dat was bij nacht het sein van onraad en konden de mensen maatregelen treffen. Binst den oorlog werd de champetter bij de “Bende van de witten” gerekend. Maar na een paar geheime vergaderingen heeft hij daar gauw komaf mee gemaakt. In Nukerke bestond de “Bende van de witten” in oorsprong uit 5 man:  Maurice Maes, Michel Van Moorleghem, Michel Maes, Hector Van Moorleghem en Charles Verdonckt. Maar die laatste hield het dus gauw voor bekeken. Onmiddellijk na de bevrijding waren er plots wel honderd witten. Maar dat was uit opportuniteit zeker !

    Als die Engelse vlieger neergevallen was in Ethikove dan was dat ook een grote bedoening want die piloot was niet te vinden. Neen, dood was hij niet en hij is ook niet in Duitse handen gevallen. Hij zat enkele dagen in een hennenkot in Louise-Marie.

    Boven Nukerke heeft een Engels vliegtuig om een of andere reden eens een kerosinetank moeten lossen. Die is In de Sponde neergekomen, onbeschadigd maar verzonken in de grond. Madam conteur (’t cabineurke) was daar nogal gauw bij en verzocht de kijklustigen zo vlug mogelijk het hazenpad te kiezen wegens ontploffingsgevaar. Ja, de meesten waren niet vertrouwd met dat gevaarlijk goedje. Maar wat is er gebeurd met de inhoud. Wie was daar mee gaan lopen? Je kan het wel raden zeker. Dat goedje was goud waard op de zwarte markt. De Nukerkenaren waren heel voorzichtig in hun doen en laten. Immers, er waren bij sommige particulieren Duitsers ondergebracht. Tegen heug en meug moest men die Duitsers een convenabele slaapgelegenheid aanbieden. Zo was er een Leutnant  Wilcher ondergebracht bij dokter Glibert. Soldaat Adolf Heindfalt alias “den Dolf” was bij de champetter gehuisvest. “Den Dolf” werkte in de veldkeuken maar volgens zijn zeggen was hij in het burgerleven “ein Gartenbauer in Dinkelsbühl (Beieren”. Voor hun eten gingen ze naar de veldkeuken in de Oude Boelaerdstraat op een veld van Deschaumes Richard. Dokter Glibert woonde reeds vanaf 1937 in de nieuwe moderne woonst. Voordien woonde hij sinds 1926 in de woning tussen T’Sjoen en  “De krone”

    In 1940 hielden de Engelsen nog een tijdje stand achter de Schelde in Kerkchove. Vandaar nam hun artillerie de Steenweg onder vuur om oprukkende Duitse troepen tegen te houden. Bij die beschieting kwamen Duisters om. Zo werd er ene begraven in de Sponde. Later werd die opgegraven.  Maar ook kwam vrouw Geerseau en kind om het leven op het plankier van hun woning in De Spijker 1. Daar werden ze getroffen door de scharpenels van een Engelse obus.

    Tijdens de oorlogsjaren lagen dus heel wat taken weggelegd voor de champetter van het dorp. De dieren nauwkeurig geteld zoals koeien,varkens en schapen. Ja, die schapen leverden wol en die wasgegeerd door de Duitse bezetter. Er was tijdens en na de oorlog een strenge controle op het kweken van tabaksplanten. Sommigen gingen zo ver dat ze tabaksplanten kweekten midden op de kouter in een korenveld. Bij een telling was de champetter steeds vergezeld van een garde van de belastingen. De champetter wilde wel elke inwoner tot vriend hebben maar een optreden was soms nodig. Ook de champetter had een huisgezin. Hij moest dus al een schipperen. Tijdens de bezetting mochten de boeren niet zelf karnen want de melk moest naar de melkerij die onder Duitse controle stond. Opdat de boeren niet zelf zouden kunnen karnen werden de karners (karnmachine) verzegeld. Maar ge weet hoe dat gaat. Dat touwtje wilde al eens stuk gaan en dan moest de boer de hulp inroepen van de veldwachter om er een nieuw loodje te komen aandoen. Natuurlijk had de nijverige boer de achter gehouden melk gekarnd en de boter tegen grof geld verkocht op de zwarte markt aan een of andere rijke familie. Hoe zou je zelf zijn hé ! Het moet gezegd, voor wat hoort wat en er viel dus voor de champetter wel eens een half kilootje boter naast de pot! (L.V.)

    Tegen het einde van de oorlog organiseerden sommige Nukerkse boeren zich om in konvooi naar de Borinage te rijden met wagens volgeladen met graan en paardenbonen. Op de terugweg brachten ze een maximum aan steenkolen mee. De wagens werden getrokken door 2 paarden en ze deden er, heen en terug, 3 dagen over.

    De bevrijding  van onze streek kwam inzicht (Brussel was reeds op 2 september 1944 bevrijd). Op een mooie zondag op 3 september 1944 rolden lange kolommen Engelse pantser- en wielvoertuigen over de Steenweg van Ronse naar Oudenaarde. Mensen uit Zulzeke en Etikhove kwamen samen met gans Nukerke om de bevrijders te verwelkomen. Aan “Den engel” stond er een massa volk. Een gelukkig volk, zingend en juichend om de bevrijding. Het knarsen van de ratelende rupsenbanden op de kasseien overstemde het gejuich. Zonder stoppen en in snelle vaart bolde het lange ijzeren gevaarte de Steenweg naar beneden. Onze streek werd bevrijd door het” V Royal Tank Regiment, 7 th Division, 2nd Britisch Army.”

    Pas bevrijd van oorlogsgeweld ! Sommige burgers vonden de tijd rijp om af te rekenen met buren en kennissen. Oude buurtconflicten werden boven gehaald. Het was vaak voldoende een Vlaams katholiek te zijn, een dagblad te lezen, ‘t Volk van Ronse te kopen of een halve intellectueel te zijn om in de gendarmerie van Ronse aangegeven te worden op basis van collaboratie…”Ik heb mensen weten oppakken door de gendarmes. Die brachten de mannen naar de kelders onder het stadhuis van Ronse.” Op enkele woningen werden swastika’s aangebracht. In de buurt van ’t Zonneke daagde een groepje geweldenaars op en lieten iets verderop in de buurt een strooien pop verbranden. Aan “Den Appel” werd de woning van Jan Vanacker (een leraar) geplunderd. De rest lag buiten voor het grijpen. Het gezin, dat onraad rook, was de dag voordien al door de velden gevlucht op weg  naar Oudenaarde.

    Behaeghel

    "Zondag 3 september was een spannende en heuglijke dag. Rond 14u30 hoorden we een hevige ontploffing gevolgd door een grote zwarte rookwolk op de hoogten van Kwaremont. Enkele minuten later volgde een tweede harde explosie. Achteraf vernamen we dat de Duitsers nog de tijd namen om hun V1-installatie door een achterhoede te laten vernietigen ook al zaten de Engelsen hen zeer kort op de hielen. Rond die tijd stonden de eerste Engelse verkenners reeds in Ronse, tot vreugde van  elke Belg.”

    Al gehoord van  Oorlogstruffels

    Voor oorlogstruffels

    "200gr bruine boonen

    6 eetlepels fijne suiker

    Laat de boonen lang koken, daags te voren zal men rein water gelaten hebben en doe ze door de zeef. S’Anderdaags van deze brei langwerpige balletjes maken, in fijne suiker en in poederchocolade gerold." 

    Uit de nota’s van een overgrootmoe.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    27-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    26-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schilderspalet
    Schilderspalet


    Reliëfkaart van Nukerke
      Afhellend van zuid(onder) naar noord (boven)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (5 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wapenschild van Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen     Wapenschild van Nukerke

     Dit wapenschild werd toegekend  aan de nieuwe gemeente Nukerke tijdens het Hollands Bewind op 4     augustus 1818 en definitief bevestigd  door de Belgische regering op 11 september 1843. Voorde en Zulzeke hebben een identiek wapenschild.
     Het staat met zekerheid vast dat de naam Nukerke betekent “Nieuwe kerk”,  “Nova Ecclesia”. “Dit kan verklaard worden door het feit dat de kerk van Nukerke, wiens patronaat toebehoorde aan  het kapittel van Kamerrijk ( Cambrai, nu Noord-Frankrijk), omwille van het groot aantal gelovigen dat er de godsdienstige plichten   kwam vervullen, tot afzonderlijke parochie werd verheven  en aldus werd afgescheiden van Melden. Nukerke vormde reeds lang met Melden een “vierschaere”  en maakte met zeven andere localiteiten , deel uit van de baronie die de grondeigendommen, gelegen tussen de twee beken “de Marcke en de Ronne” groepeerde. Deze baronie in de kasselrij  van Aalst  was leenplichtig tegenover het feodaal hof van de hertog van Kleef te Heinsberg nabij Aken. In 1647 behoorden de dorpen, Nukerke, Edegem, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem aan de Baron van Pamele toe. De Nederlandse regering kende op 4 augustus 1818 aan de gemeente Nukerke een wapen toe van lazuur met de godin Ceres van goud. Ceres was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid. Daarom stond ze op het wapenschild afgebeeld met een  bundel korenaren in de linkerarm en de rechterhand aan de ploeg geslagen.  Dit wapen werd bekrachtigd bij KB van 1 september 1843. In oude documenten werd de volgende schrijfwijze van de gemeentenaam teruggevonden: 13 en 14de eeuw  Neukirchen, 1538 Nieukerke, 1618 Nova Ecclesia – 1657  Neukercke – 1678 Nieukerk – 1679  Neukerk – 1689 Nieukercke – 1733  Neuféglisse – 1736  Nuyckercke – 1746  n’oeuf es-glisse – 1748 Nukerke  - 1767 Nukercke –1779 Nieuwkercke , 1851 Nukerke en sindsdien ongewijzigd.




    "Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst"

    Interpretatie betreffende het”Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst”. Het document bestaat hierin dat elk perceel grond en elk huis, alle wegen en waterlopen die bestonden in 1772, op perkament zijn aangebracht. Zo bestaat dit  tweedelig “Landboeck” uit 23 perkamenten of kaarten die achtereenvolgens een bepaald deel van de parochie voorstellen. Petrus Joannes Bonné, landmeter, zou de metingen komen doen met toestemming van de burgemeester Baillui en de schepenen van de parochie op 2 .. 1768. Ieder stuk land zal in het “Landboeck” opgetekend worden door middel van kleurrijke kaarten. De metingen werden gedaan in november 1771. De burgemeester en de schepenen deden dan ook na de goddelijke diensten te Ronse, Etikhove, Zulzeke, Melden en Nukerke publiceren dat de voornoemde landmeter zou verblijven bij Urbanus Vander Straeten en dat iedere eigenaar inspektie mocht komen doen aangaande hun eigendom en gebruik, dit gedurende de maanden maart, april en mei 1772. Dit deed men om fouten en missingen te verbeteren, of misschien ook om een hermeting te doen ten koste van de verongelijkte. Hierbij noteert men dat de meting  gedaan werd in Aalsterse maten of 93 Roeden terwijl dit overeenstemt met 100 Nukerkse roeden en dit geldt voor alle gronden, bossen en weiden van de parochie voor ze gecoteerd waren, alle bestaande gronden, bossen en weiden, als degene palende aan de heirweg, dorpswegen, Pontwegen, zijwegen en bermen, de grachten daarlangs zijn niet meegemeten. Daarna volgt nog een beschrijving aangaande de afspanning met hagen, de waterlopen en de scheidingslijnen en helfthagen.


    Het parochiaal register
    Het parochiale register met geboorten tot 1603 en huwelijken, alsook de overlijdens vanaf 1629 tot 1800 berustten reeds in 1955 in het rijksarchief te Gent
    Nog in 1956 zei de gemeentesecretaris P. Hoffmann:” Op onze parochie zijn geen geschiedkundige werken verschenen.”
    Let op het woord “ parochie”, waarmee men eigenlijk gemeente bedoelt. Een woordgebruik dat is gegroeid uit het feit dat een parochie (prochie) als gemeenschap eerder bestond dan gemeente als entiteit. Let tevens op de schrijfwijze van de lange a. Bij het ontstaan van het middelnederlands kwam men op de idee de lange a te schrijven als ae. Zie de vele eigennamen.

    Evolutie van de Nukerkse bevolking

     


    jaar                 aantal

     

    1570                 1320

    1585                 1450

    1816                 2562

    1830                 2440

    1846                 2230

    1857                 2001

    1866                 2126

    1880                 2185

    1890                 2191

    1900                 2264

    1910                 2139

    1920                 1952

    1930                 1820

     

    jaar                 aantal

     

    1940                 1858

    1950                 1857

    1960                 1794

    1961                 1784

    1962                 1809

    1963                 1785

    1964                 1794

    1965                 1816

    1966                 1862

    1967                 1829

    1968                 1809

    1969                 1800

    1970                 1826

    1975                 1840

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (10 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Gemeentehuis  met pui of bordes, onderpastorie en pastorie te Nukerke. De eerste twee  gebouwen werden in 1974 jammerlijk gesloopt om plaats te maken voor  een parking. Sindsdien is het dorpsplein een kale plaats. Velen zullen met heimwee terugdenken aan de tijd toen onze geüniformeerde veldwachter, Kamiel Verdonckt,  iedere zondag na de hoogmis, de trappen van de pui  besteeg , met een armbeweging de aandacht van de menigte vroeg en vervolgens op een statige wijze de  “berichten aan de bevolking” kond maakte terwijl groot en klein, opkijkend in de richting van de veldwachter, met aandacht en respect voor het gezag in stilte luisterden. Nadat  “en ieder zegge het voort “ weerklonk verbrak het geroezemoes de stilte van de “plaatse”

    Over dit gemeentehuis met pui wist Paul Hoffmann, die gemeentesecretaris was tijdens en na de oorlogsjaren , met zekerheid te vertellen dat dit gebouw reeds in 1772 bestond. De beschrijving komt immers voor op het eerste perkament van het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst”. Men weet echter niet wanneer het gebouwd is aangezien het “Landboeck” (1772) het oudste document is dat  vroeger in Nukerke berustte. Het gebouw was vroeger, dus minstens vanaf 1772, de pastorie en is pas in 1903 of 1904 gemeentehuis geworden. Naast het gemeentehuis met pui stond het huis van de onderpastoor. Volgende onderpastoor woonden in deze woning: Van Moorleghem, Aelvoet, ’t Kint , Pot.

    Het klein, muftig kantoortje van de secretaris zou de vroegere slaapkamer geweest zijn. Het gemeentehuis zelf was vanaf 1770 ondergebracht in de herberg “In ’t oud gemeentehuis” (zie beschrijving bij nr 6) , schuin tegenover  de pastorie. Later heeft men het secretariaat verplaatst naar het huis waar nadien de koster Deriemaeker  woonde (nu drukkerij). Eerst rond 1903 of 1904 is de pastorie gemeentehuis geworden, terwijl iets verderop een nieuwe pastorie werd gebouwd  (zie gebouw links). Aan de oude pastorie bracht men enkele veranderingen aan zoals  de ingang en de toegangstrap. Rond 1905 plaatste men in de hoek van de voorgevel en de westelijke zijgevel een O-L-Vrouwbeeld. Dit beeld was een geschenk  van de toenmalige dorpsonderwijzer van de katholieke school, “meester Jan”, aan zijn gemeente. Meester Jan woonde op het dorpsplein in de woning waar nu de familie Georges Aelvoet-Restiaens woont. Jarenlang gaf meester Jan aan zijn oud-leerlingen ‘s zondag  na de mis les in de “zondagschool”. De Ontvanger van Belastingen had zijn kantoor tot 1912 naast het gemeentehuis, nadien werd zijn bureel verhuisd naar de herberg “In den Engel” om nadien te verhuizen naar de woning naast de brouwerij Tsoen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.4.De snibbemolen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    4.       In de verte de houten  “Snibbemolen” te Nukerke, op een hoogte van 125m. Omer Wattez vermeldt deze molen in zijn werk “De Vlaamsche Ardennen” voor het eerst gepubliceerd in 1913, maar op een kaart van 1862 staat hij vermeld als  ’t Snibbe molen. De houten windmolen, in de verte, op de hoek van de  Staatsbaan (nu Rijksweg) en de Molenstraat(nu Zeelstraat), is .afgewaaid rond 1940 op het ogenblik dat de molenaar pas de molen had verlaten. Het molenaarshuis staat tot heden nog aan de overzijde van de Rijksweg. De laatste twee molenaars waren Theofiel Bostijn die opgevolgd werd door zijn zoon Julien. Zijn dochter, Simone, woont nu bij haar dochter,  Marie-Paule Deschamps in Ronse. In hoofdzaak werd hier notenolie  geproduceerd. Nadat de molen onbruikbaar was  werd het vele hout tijdens de oorlogsjaren links en rechts als brandhout aan de man gebracht. Richard De Bisschop heeft jarenlang samen met zijn vrouw, Irma Decuyper, de herberg “In ‘t molenhuis” opengehouden. De woning met bijgebouwen staat op de hoek van de huidige Rijksweg en Zeelstraat. De handboogschutters van de Nukerkse schuttersmaatschappij schoten er naar de liggende wip. De staande wip stond  op de terp waarop vroeger de molen stond. In de jaren tachtig verhuisde de staande wip naar het sportterrein  langs de Kortekeer. Tot in de jaren 50 waren de vier stenen voeten, op de terp, de enige getuigenissen van de molen. Ook in die periode werd de terp afgegraven  om er zavel te ontginnen maar na enkele jaren werd de zavelput gedempt met allerlei afval. Op  het voorplan ziet u de stenen windmolen  “Ten Kruissens” in volle glorie, honderd meter verder eveneens op het grondgebied van Nukerke. Zie verder bij molen “Ten Kruissens”. Alleen al in Nukerke stonden 4 windmolens wat een bewijs is van de toenmalige rijkdom van de streek.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3.Hospice
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    3.        Hospice of  “Oudemannenhuis” te Nukerke, gesloopt  begin jaren 70 toen de werken aanvingen voor de bouw van de nieuwe verpleeg- en rustoord, de Samaritaan. In het hospice werden zowel oude vrouwen als mannen opgenomen die niet meer zelfstandig konden leven. De plaatselijke oudjes hadden natuurlijk voorrang. De dagelijkse zorgen waren in handen van enkele zusters van Barmhartigheid. De enkele ongezellige kamers hadden hoge plafonds. Aan het hospice was een grote boomgaard en moestuin verbonden waarin de meest-valide bewoners van het tehuis konden werken. De zusters hadden  ook de zorg van gerechtskinderen en wezen op zich genomen. De meisjes verbleven in de kloosterwoning, gelegen op de speelplaats van de vrije school terwijl de jongens in een bijgebouw van het hospice verbleven. Niet te verwonderen dat zij de “kinderen van het hospice “ genoemd werden. Dagelijks kwamen zij onder begeleiding van een zuster naar de jongensschool, gelegen naast de meisjesschool.   
    Ontwikkeling van het hospice “Vóór 1890 bestond er te Nukerke een vreemdsoortig hospice. Oude mannen en vrouwen werden er verzorgd door het echtpaar Antoon de Vos-Theresia Van der Steen, mensen van goeden wil, maar zonder bestuurlijke bevoegdheid, zodat de zaak dreigde ten gronde te gaan. Dit wilden de E.H. Pastoor Files en het Gemeentebestuur van Nukerke ten alle prijzen verhoeden, en dus werden er Zusters van  Barmhartigheid van Ronse gezonden om het vervallen gesticht terug in bloei te brengen. Den 15de december deden de Zusters er hun intrede en werden verwelkomd aan het huis van Therisie Van der Steen met een peperkoek. Toen waren er reeds twintig oudjes opgenomen. Het zogezegd hospice bestond uit een boerenwoning langs de Pontstraat, rechtover de huidige Glorieuxstraat. Het gebouwtje was met stro bedekt en was lang niet waterdicht, maar de Gemeente had plannen om een nieuw hospice te bouwen. Van Ronse kwam de tijding dat Moeder Felicitas Nukerke moest verlaten om in Heldergem een nieuw huis te beginnen. Zuster Venantia werd den 21ste september 1894 als jonge overste in het Hospice aangesteld. Rond die tijd werd de aanvang begonnen van een nieuw Hospice te bouwen dank zij de krachtdadigheid van E.H. Pastoor de Boe.Einde augustus 1897 was de bouw voltooid. Volgens overeenkomst  moesten de Zusters de ouderlingen kost en inwoon geven tegen 45 centimes daags. De kostkopers betaalden 1F. In 1901 werden de eerste weesjongens geplaatst: het was een schuchter begin, van een werk dat later zou groeien en bloeien. Tijdens de oorlog 1914-1918 werd van 1915 tot op het einde van de oorlog  een deel  van het hospice in lazaret herschapen In 1923 moest Moeder Venantia, reeds 33 jaar in Nukerke, naar Durmen verhuizen, en werd slechts na twee maanden vervangen door Moeder Aveline. De overste was reeds 20 jaar  werkzaam in het hospice. Onder haar bestuur nam het hospice verdere uitbreiding en werd de eigendomskwestie definitief opgelost door de oprichting van een Associatie in 1928, zonder winstgevend doel. De Parochiale werken van Nukerke. In 1932 mocht het H. Sacrament in het hospice blijven. Op 10 augustus celebreerde Eerwaarde Vader Akkerman  de eerste H Mis.Het gesticht had zulk een grote bijval dat het te klein werd, en aldus werd  een tweewoonst, grenzend aan het gesticht aangekocht. Deze woning richtte men in voor de jongens. Het gebouw kreeg de naam van “Palviljoen St-Vincentius”. Langzamerhand werd de inrichting steviger en groter. Op 2 Juli 1939 vierde het hospice een 100 jarige, nl. Madame Justine Segers Tijdens de oorlog 1940-45 bedroeg het aantal inwoners, 98 nl. 10 zusters, 48 ouden van dagen en kostdames en 40 weesjongens.”(tekst  overgenomen uit een oude kroniek). In 1988 werd de home gesloten en stopten de kloosterorde de opvang van de kinderen. Een privéinitiatief zorgde voor de verdere opvang.
    Korte evolutie van het hospice. Volgende tekst werd opgesteld door de zusters.
    “Op 15 december 1890 deden onze zusters hun intrede in het boerenhof van het echtpaar De Vos-Van der Steen. Deze mensen hadden tot dan, met hun beperkte mogelijkheden, bejaarde mannen en vrouwen onderhouden. In dit zogezegde hospice, dat kraakte van de sleet, werd in soberheid en armoede, maar vol liefde en toewijding een twintigtal bejaarden verzorgd.
    Door toedoen van E.H. pastoor De Boe kon in september 1897 een nieuw gebouw in gebruik worden genomen. In 1901 werd er een jongensweeshuis aan verbonden, dat later uitgroeide tot het jongenstehuis “Paviljoen St- Vincentius”.
    De perikelen van Wereldoorlog I en II trotseerde de instelling ondanks moeilijkheden, met moed en krachtdadigheid.
    Bij het begin van de jaren zestig ging de congregatie over tot het zetten van een nieuwbouw, die het oude hospice en het weeshuis ophief.
    Het jongensweeshuis, samen met het meisjesweeshuis, dat vanaf 1877 verbonden was met de school, werden op 1 september 1968 vervangen door een gemengd kindertehuis in Nukerke “Sint Vincentius” en een in Ronse “Zonnelied”.
    Op 16 juni 1968 werd het eerste deel van de nieuwbouw V.-Dienst voor chronische zieken “De Samaritaan” in gebruik genomen.
    Op het einde van de zeventigerjaren werd, deels met staatssubsidies, het verzorgingstehuis voor semi-validen en bejaarden “Jericho” opgericht. De plechtige inzegening had plaats op 31 mei 1980. Wij menen daarmee een acute moderne nood te helpen lenigen, een werk dat volledig in de lijn ligt van de verlangens van de Stichter.” Zuster Gisèle


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2.Oude dorpskom
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2.        Zicht op de oude dorpskom  van Nukerke, gezien vanuit de vroegere Boelaardstraat. Met zicht op de kerk  Onze-Lieve-Vrouw  Tenhemelopneming.  Dit dorpszicht is sinds de eindjaren 70 onherroepelijk verdwenen. Links zie je nog de herberg “In ’t oud gemeentehuis” met bijhorend kruidenierswinkeltje, waar we, in onze jeugdjaren, nadat we twee trapjes afdaalden voor 5 fr een pakje Belga kon kopen. Deze herberg was tot de afbraak eigendom van de familie Ryckbosch.  Rechts bevond zich de woning “Blommaert” . In deze woning  werd in de jaren 70, en  dit tot aan de fusie van de 4 gemeenten  op 1 januari 1977, de gemeentelijke diensten ondergebracht.

    Evolutie van de naam Nukerke
    1116 : Nova ecclesia
    1275 : Nueveglize
    1275 : Noeveglise
    1538 : Nukeercke
    1563 : Nuekercke
    1568 : Nukeercke
    1573 : Nuckercke
    1573 : Neunkercke
    1573 : Nieukercke
    1583 : Nieukerkce
    1606 : Nukercke1639 : … binnen de prochye van nuyckercke heerlijcheede van Sulseque1695 : Nukercke
    1703 : nuyckercke
    1710 : neukercke
    1715 : Nieuekercke
    1718 : nieuwkercke
    1720 : nuykercke
    1726 : noeufglise, “Nueve Glise (oorkonde van het Sint-Hermeskapitel te Ronse)
    1772 : Nukerke en Nukercke
    Sindsdien Nukerke


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    26-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    25-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.5. Windmolen ten Kruissens
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    5.        De witgekalkte stenen  windmolen “Ten Kruissens” te Nukerke, ontdaan van de wieken. Deze molen bestond met zekerheid reeds in 1556, als eigendom van de familie Ladeuze te Etikhove. In 1831 werd hij eigendom van de zout- en zeepzieder Desclée-Van Malderd te Ronse.  In 1864 ging de molen over naar de familie Willems uit Zulzeke en in 1899 werd de molen dan doorverkocht aan Richard Maes.  Op een kaart van 1862 staat de molen aangeduid zonder naam. Tot op heden is de molen in het bezit van de familie Maes  A. Een storm vernielde de wieken en in 1929 werd elke activiteit gestopt. De stenen kuip bleef staan terwijl het  interieur tot woonhuis werd ingericht. In het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen vermeld als “De hoogmeulen ter Crycen”.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    25-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    24-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.6. Windmolen Ten Hengst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    6. Stenen graan- en oliewindmolen  “Ten Hengst”, gelegen langs de Ommegangstraat te Nukerke, 112,5m boven zeeniveau op een afgeplatte heuveltop, een getuigenheuvel. Deze molen stond reeds vermeld in het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” van 1772 als “De wint Meulen ten hingst”. Hij zou  dateren uit 1571. Deze molen werd in de volksmond zo genoemd omdat de wieken wild konden te keer gaan. De molen werd door een blikseminslag volledig vernield in 1831. Deze graan- en oliemolen werd nadien herbouwd door Constant Kervyn.  Meer dan eens  werden de wieken tijdens een storm afgerukt. Hij vormt een mooi geheel met de gerestaureerde molenaarshoeve. Sinds K.B. van 30-12-60 is de molen een beschermd  monument  en kan hij weer lustig met zijn wieken zwaaien. Laatste restauratie gebeurde in 2004. Dat er destijds , alleen al in Nukerke, 5 windmolens en 2 watermolens actief waren getuigt van een zeer grote rijkdom aan graangewassen en een zekere welstand voor de bevolking. Zie ook het Nukerkse wapenschild.  De gemeente Nukerke kreeg bij koninklijk besluit van 1843 een mooi wapen toegekend waarvan de beschrijving als volgt luidt: “achtergrond van lazuur(blauw) met de godin Ceres  van goud, ze slaat de hand aan de ploeg en draagt een bundel korenhalmen”. Ceres was de Romeinse godin van de landbouw (de vruchtbaarheid) en door haar beeltenis wordt dus deze tak van bedrijvigheid, eigen aan de gemeente, op zinnigebeeldige manier voorgesteld. Nukerke was eertijds een heel bedrijvige en welvarende gemeente op landbouwkundig gebied, te zien aan de vier windmolens en twee watermolens.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    24-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    23-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.7. Oud-schoolhuis
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Over de eerste gemeentelijke dorponderwijzer en oppermeester weten we het volgende. Pieter Amandus Germonprez oud 47 jaren gemeenteonderwijzer geboren te Kerkhove en wonende te Nukerke ten gehuchte Pontsstraet, gehuwd met Barbara Vanhoutte oud 39 jaar en geboren te Anseghem, komt de geboorte van hun kind Guido aangeven dat geboren werd op 11 september 1850. In 1853 werd in het gezin Ivo Bonifacius geboren.

    Tekening van het oud-schoolhuis behorend bij de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat (vroeger Capellestraat) te Nukerke. Om de historiek rond de perikelen - de plaatselijke schoolstrijd - van die gemeenteschool beter te begrijpen is de geschiedenis op nationaal vlak heel belangrijk en verhelderend. Zie verder bij "Geschiedenis van het onderwijs".

     “Krachtens de wet van 1842 op het lager onderwijs moest iedere gemeente op haar grondgebied ten minste één school hebben. In de meeste gemeenten werden vanaf dan, met staatstoelagen, nieuwe openbare scholen gebouwd, met als doel openbaar lager onderwijs in te richten. Ten gevolge van die wet werd langs de Pontstraat een school met bijhorend schoolhuis opgericht. Er liepen meisjes en jongens vanaf de leeftijd van 6 jaar school. Beschrijving van het schoolgebouw: er was één grote klas voor de jongens en een kleinere klas voor de meisjes. Het plafon was heel hoog en op de noordenmuur van de jongensklas was een grote platte grond van Nukerke geschilderd. De speelplaats met sanitair lag langs de Pontstraat waar ook de toegang tot de school was. De meisjes moesten zich tevreden stellen met een kleine klasruimte en een kleine speelplaats achter het gebouw, aan de kant van de Mere.Het schoolhoofd was Theofiel Gilleman. Een zekere Chlotilde De Zaeytyd, echtgenote van Theofiel Holderbeke gaf aan de meisjes handwerk. Chlotilde woonde in de zelfde straat op de plaats van de woning met huisnummer 45. Daar had haar man Theofiel een schrijnwerkerij en er was zelfs een herberg ondergebracht. Vooraan stonden drie grote, mooie linden, die gerooid werden bij de heraanleg van de Pontstraat. In de volksmond heette het daar “aan kloaten fieli”. Ook toen werd er een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar één kind (Florent Brugge) overbleef en de school definitief werd gesloten. Meester Gilleman  bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het  bewoond door Aloïs Norga die het later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het schoolgebouw een mechanische maalderij inrichtte. Een zware dieselmotor dreef een twee ton zwaar vliegwiel aan die een brede drijfriem in beweging bracht. Wielen, assen en riemen dreven twee molenstenen aan. Enkele jaren later werden de molenstenen vervangen door een trommelmolen. De activiteiten stopten in 1993, bij het op rust gaan van Marc, zoon van Hector. Enkele jaren nadien werd de molensite verkocht, werd de maalderij ontmanteld en werden de vroegere klaslokalen verbouwd tot woonruimtes.

      We weten verder van meester Gilleman dat zijn zoon is gesneuveld op de eerste dag van W.O.-II. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. Hij zou ook driemaal getrouwd zijn, met een zekere Maes, een Claus en met Gusta Tonneau. Na zijn overlijden is zijn weduwe gaan wonen in het huis naast de  school (zie nr 14). Onder het burgemeestersschap van Armand Vandeputte, dienstdoende burgemeester in de plaats van burgemeester T’Sjoen, werd in 1930-1931 langs de Holandstraat een nieuwe gemeenteschool gebouwd door de firma Pot uit Etikhove. Deze school omvatte naast het schoolhuis één kleuterklas en twee lagere klassen. Dit project kon verwezenlijkt worden door het feit dat Armand Vandeputte zich aansloot bij de liberalen. De tegenstanders dreven het zó ver te verkondigen dat het een “goddeloze school” was. In oktober 1986, werd dit gebouw, dat jarenlang en danig was verwaarloosd afgebroken en vervangen door een moderne constructie. De onverdraagzaamheid stak terug de kop op. Maar dat is weer een ander lang verhaal.Tenslotte werd het nieuwe project op 17 september 1988 officieel ingehuldigd door burgemeester Michel Langie, die zich  volledig had ingezet voor de verwezenlijking ervan.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (9 Stemmen)
    23-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    22-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.8. Oud hoevetje
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  8.  Oud, verlaten  hoevetje langs de Pontstraat. Afgebroken in 1999.  In dit hoevetje woonde jarenlang  Richard  Van Coppenolle, in de volkmond “ ’t cabineurke”. Deze was immers aangesteld om  de “compteur” of de elektriciteitsmeter in de woningen op te nemen. Omdat Richard  bij een stroomonderbreking naar de elektriciteitescabine moest (met de fiets, in weer en wind)  om de panne te herstellen  en omdat hij bovendien niet te groot van gestalte was noemde men hem met een verkleinwoordje. Richard was steeds opgewekt en een graaggeziene figuur, potlood achter het oor, sigaartje in de mond en een lederen diensttas aan de zij.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    22-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    21-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.9. Gesloten hoeve
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Gesloten vierkantshoeve langs de Ruitegem. Deze donkere, diepe holle weg noemde weleer de Doolstraat. Verdolen betekent in de volksmond verdwalen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (6 Stemmen)
    21-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    20-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.10. Windmolen ter Slepe
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    1.        Stenen korenwindmolen “Molen Ter Slepe” ook genaamd “Molen Ten Nieuwennest” langs de Weitstraat te Nukerke op een hoogte van amper 56 m. Verklaring voor de eerste naam: de molenwieken sleepten traag wegens het feit dat ze weinig wind vingen. Hij prijkt immers niet bovenop een heuvelrug maar op een lage uitloper van de getuigenheuvels. Tweede verklaring: de naam  van het café dat de naam droeg “In de Nieuwennest”. De molen dateert uit de periode 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos.

    Op een kaart van 1862 staat hij aangeduid als Slepe molen, gelegen langs de Wijkstraat. De molen werd verscheidene keren van de hand gedaan. De laatste eigenaars, die de molen als schenking verkregen, waren Octavie-Sidonie De Langhe en Victor De Langhe die hem ten slotte door verkochten in 1910 aan Rafaël Maes-Vandenhende. Vanaf 1938 werd de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Tot overmaat van ramp sloeg de bliksem op de molen en werden de wieken totaal vernield. Een roemloos einde stond hem te wachten. Gilbert Stockman uit Etikhove heeft later de molen opgekocht om hem volledig te restaureren, wat maar gedeeltelijk is gelukt. Nu staat hij weer te koop.

    In 1968 verscheen in “De Ronsenaar” volgend artikel van AVH onder de titel “Nieuwe toekomst voor de molen ter Slepe te Nukerke”. “Wie een beetje de streek van de Vlaamse Ardennen met zijn typische bezienswaardigheden kent, weet dat het gebied Etikhove-Nukerke-Louise-Marie kan omschreven worden als een verrassende oase van pittoreske heuvelachtige natuurpracht. Midden dat deinend landschap prijken - zoals overal trouwens in de Vlaamse Aedennen - een stel oude windmolens die het landelijk karakter van ’t gebied nog meer affirmeren en die omwille van hun aanlokkelijkheid en hun antieke waarde trouw bewaard blijven. Een van deze merkwaardige molens is stellig de windmolen “Ter Slepe” aan de Wijtstraat te Nukerke, dicht bij de spoorweg Oudenaarde-Ronse en slechts een boogscneut verwijderd van de wijk “Donderij” te Etikhove. De molen Ter Slepe is laag gebouwd en prijkt niet zoals vele andere op een heuvel. Zijn naam heeft hij te ontleend aan het feit dat zijn wieken regelmatig op de grond sleepten. (De schrijver bedoelde hiermee dat de wieken meestal traag draaiden omdat ze weinig westenwind vingen . De wind uit de andere richtingen gaven geen probleem.(six)). De niet opgehoogde plek waarop de windmolen “Ter Slepe” in stenen werd opgetrokken was niet ideaal om veel wind te vatten, vandaar het slepen van de wieken.In feite droeg deze windmolen eerste de naam van een nabij gelegen herberg met uitsteekbord “Nieuwennest”. De molen “Ter Slepe” dateert uit de jaren 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos en door deze laatste uitgebaat tot 1835. Op 15 december 1847 verkocht  notaris Platteau van Ronse de molen met bijhorende molendam aan Louis Vindevogel. In 1848 veranderde de molen terug van eigenaar. Door schenking werd hij de eigendom van Albib De Vos uit Elzele. In 1865 werd de molen terug verkocht en kwam in handen van Vital De Langhe uit Schorisse. Deze laatste herbouwde de molen gedeeltelijk in 1880. In 1897 komt de molen toe aan de weduwe en kinderen van de Langhe en wordt een jaar later als schenking toevertrouwd aan Octavie Sidonie De Langhe en Victor De Langhe. In 1910 wordt landbouwer Maes-Vandenhende uit Ronse de nieuwe eigenaar. Vanaf 1938 wordt de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Rond die periode sloeg de bliksem in op Ter Slepe en de wieken waren totaal vernield. Nooit werden er nog andere wieken op geplaatst. Tijdens de naoorlogse periode heeft niemand zich nog om het in stand houden of om een eventuele restauratie van de molenpuinen bekommerd. De molen stond letterlijk te vergaan en scheen geduldig te wachten op ee’n roemloos en stil einde. Door allerlei omstandigheden veranderde de molen ter Slepe tijdens de naoorlogse periode nogmaals van eigenaar. Hij werd aangekocht door Willem Vandereecken-Baeke uit Nukerke. Bij die aankoop bleek het echter dat de heer Gilbert Stockman uit Etikhove zich om tal van redenen voor de puinen van de molen Ter Slepe begon te interesseren. Terecht had de heer  Stockman ingezien dat het zeer spijtig zou zijn de molen volledig teniet te laten gaan én omwillle van zijn passende schilderachtige versieringsrol in het landschap én omwille van zijn antieke en folkloristische waarde. De heer Stockman nam kontakt met de eigeaars Vandereecken-Baeke en slaagde er in de molen in zijn vervallen toestand aan te kopen. Onmiddellijk liet de heer Stockman de restauratie van de molen aanvangen. Het dak in alpenmutsvorm werd volledig vernieuwd. De buitenmuren van de molen werden hersteld en gedeeltelijk hermetst. Het interieur van de molenwerd bijgewerkt en in zijn oorspronkelijke toestand herschapen. De restauratie van de molen Ter Slepe is thans nog volop aan de gang. De onderkeldering werd ontruimd en alles wordt thans in gereedheid gebracht voor het plaatsen van nieuwe deuren en ramen. Vermoedelijk zal de molen in de loop van de komende zomer tot een juweeltje herschapen zijn en bewoonbaar gemaakt worden. Voor de windmolen Ter Slepe is heel onverwacht ’een nieuwe toekomst begonnen. Hij werd gered van de ondergang. Het is ee‘n nieuwe aanwinst voor een heerlijk landschap midden de Vlaamse Ardennen.”

    Tot zo ver het artikel. Maar, geachte schrijver, wij moeten u zwaar teleurstellen. Dat programma werd amper verwezenlijkt, de zaak sleept nog aan, en de molen staat er nu (in 2008) nog even triestig en verlaten bij als toen die tijd…

    Aanvulling: In een plaatselijke krant van mei 2006 verscheen volgend artikel.

    Kunstenaar Piet Van Praet, die al enkele jaren in de vroegere molen Te Slepe aan de Weitstraat in Nukerke woont, ziet zich gedwongen om zijn “woonmolen” te verkopen. Sinds enkele maanden krijgt de man namelijk geen leefloon meer van het OCMW. Na een val drie jaar geleden, zat de kunstenaar maandenlang in een rolstoel. Volgens het OCMW is hij nu echter niet meer arbeidsongeschikt. Voor Van Praet, die de molen zelf restaureerde en inrichtte met kunstwerken uit recuperatiematerialen, is de noodgedwongen verkoop een harde dobber.(CVO)

    Aanvulling mei 2011 uit Plusmagazine

    Kunstenaar Piet Van Praet richtte de stenen molen Ter Sleepe (1795) in Maarkedal (tussen Oudenaarde en Ronse) als vakantiewoning in met knipogen naar Gaudi. Logeren op vijf etages tot onder de molenkap en met schitterend uitzicht op de omgeving.

    In de VAB-brochure van maart 2013 lezen we "... kunstenaar Pépé Parolé gaf de molen andere vleugels. In de tijd dat hij er woonde, stak hij het bouwwerk vol met spiegelende kunstwerkjes en vreemde sculpturen uit recuperatiemateriaal. Dat in combinatie met de fijne decoratie van de huidige eigenaar maakt dit een vakantiehuis dat zijn gelijke niet kent..."

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (7 Stemmen)
    20-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    19-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.11. Kerk te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    “Te Nukerke is de kerk in 1593 en de toren in 1593 behoorlijk gedekt, maar zonder koorvensters in 1593, die evenwel in 1595 worden hersteld; zonder één enkel venster in het schip, wordt de kerk in 1595 gewit; het dak het Onze-Lieve-Vrouwkoor, dat was ingestort in 1604, wordt in 1605 heropgebouwd; de daken van het hoogkoor zijn zo slecht zodat het regent op het altaar (1606), het nieuwe dak (1612) heeft zoveel geleden onder de storm zodat een strobedekking nodig is (1613); in 1623 krijgt de Sint-Antoniuskerk een nieuwe vloer.

    In 1848 is alles klaar. “De kerk onlangs voor het grootste deel nieuw gebouwd, is althans geheel opgetrokken en het pastoreel huis bevindt zich ook in goeden staet.”

    Vóór de Beeldenstorm had de kerk van Nukerke vijf altaren en bewaarde ze in een zilveren kruis relieken van het Heilig Kruis en van Sint Andreas., van de hut van Joannes de Doper. Hier bestond tevens de gewoonte het reliekenschrijn van Sint-Stefaan rond te dragen, maar het werd door de kettresin 1556 volledig vernield. “feretrum S. Stephani in nihilum reductum per hyreticos, neque quidquam recuperari potuit” (1569) In 1597 zijn er geen relieken meer.

    In 1717 zijn er volgens de dekanale verslagen drie altaren. Het hoofdaltaar bezit een schilderij dat de verrijzenis van Christus voorstelt. Een ander altaar heeft er een dat de hemelvaart van Maria uitbeeldt. Men vereerde dus vooral Maria en Antonius . In 1751 vereerde men naast “de Alder-heyligste Maget ende Moeder Godts Maria, onse Patroonesse, wiens weirdig Broederschap van den H. Roosencrans alhier (tot ons geluck) verkregen is “den H. Anthonius Abt, onsen Patroon” en “de H. Agatha wiens Reliquien in onse Parochiaele Kercke syn berustende, ende alhier gedient ende geert worden.” Men was er blijkbaar in geslaagd nieuwe relieken op de kop te tikken; Agatha werd aanroepen als “troost ende hulpe van alle die met heete en Brandende Sieckten als wild en Vliegende vieren Gequelt worden”.(Annalen Ronse)

    Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming, parochiekerk te Nukerke. Deze eenvoudige classicistische dorpskerk van ca 1775 ligt op een hoogte van 87m boven de zeespiegel.  Het staat met zekerheid vast dat de naam Nukerke betekent “Nieuwe kerk”,  “Nova Ecclesia”. “Dit kan verklaard worden door het feit dat de kerk van Nukerke, wiens patronaat toebehoorde aan  het kapittel van Kamerrijk ( Cambrai, nu Noord-Frankrijk), omwille van het groot aantal gelovigen dat er de godsdienstige plichten   kwam vervullen, tot afzonderlijke parochie werd verheven  en aldus werd afgescheiden van Melden. Nukerke vormde reeds lang met Melden een “vierschaere”  en maakte met zeven andere localiteiten , deel uit van de baronie die de grondeigendommen, gelegen tussen de twee beken “de Marcke en de Ronne” groepeerde. Deze baronie in de kasselrij  van Aalst  was leenplichtig tegenover het feodaal hof van de hertog van Kleef te Heinsberg nabij Aken. In 1647 behoorden de dorpen, Nukerke, Edegem, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem aan de Baron van Pamele toe. De Nederlandse regering kende op 4 augustus 1818 aan de gemeente Nukerke een wapen toe van lazuur met de godin Ceres van goud. Ceres was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid. Daarom stond ze op het wapenschild afgebeeld met een  bundel korenaren in de linkerarm en de rechterhand aan de ploeg geslagen.  Dit wapen werd bekrachtigd bij KB van 1 september 1843. In oude documenten werd de volgende schrijfwijze van de gemeentenaam teruggevonden: 13 en 14de eeuw  Neukirchen, 1538 Nieukerke, 1618 Nova Ecclesia – 1657  Neukercke – 1678 Nieukerk – 1679  Neukerk – 1689 Nieukercke – 1733  Neuféglisse – 1736  Nuyckercke – 1746  n’oeuf es-glisse – 1748 Nukerke  - 1767 Nukercke –1779 Nieuwkercke , 1851 Nukerke en sindsdien ongewijzigd.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    19-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    18-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.12. Binnenzicht van de kerk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Binnenzicht van de dorpskerk te Nukerke. Het meubilair van  de portiekvormige hoofd- en zijaltaren zijn 18° eeuws alsook de twee biechtstoelen en  de marmeren doopvont met koperen deksel, waarop de Slang van de bekoring is afgebeeld. De doopvont werd in de jaren 70 vooraan in de kerk geplaatst. Het overige meubilair is 19° eeuws zoals de communiebank in smeedijzer en koper, het hek van de doopkapel, het koorgestoelte, de kerkmeesterbank en de kansel. De orgelkast, met muziektrofeeën, dateert van ca 1850. De schilderij “De Heilige Familie” is 17° eeuws. Tot de jaren 70 waren achteraan langs beide kanten van zijbeuken mooie Nukerkse landschapschilderingen op de muren te bewonderen. Deze werden echter toen overschilderd en God weet wat die moderne afbeelding moet voorstellen.De kerk van Nukerke gebouwd op het uiterste einde van een uitloper van de getuigenheuvel met een zandlemige ondergrond. Vanop de omliggende heuvels zoals de Eikenberg in Edelare, de Ommegangstraat, de Hotond, ja zelfs vanuit de vallei in Melden merk je de spitse kerktoren die als een baken hoog boven het bosrijke heuvelland uitsteekt, gebouwd op een omzeggens strategische plaats. Want vanaf hier zakt het terrein de diepte in, noordwaarts naar de scheldevallei. Het gehucht “De zak” heeft hier zijn naam verdiend. De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk is gebouwd in een eenvoudige classicistische stijl en dateert uit ca 1775. De altaarwijding had plaats in 1777. In de loop van de geschiedenis is de kerk menigmaal verbouwd want een eerste kerkje stond er reeds in 1116 en staat in de kronieken vermeld als “Nova ecclesia”, wat nieuwe kerk betekent. De nederzetting kreeg algauw de naam Nukerke. In de omgeving van Nukerke werden pre-historische en Gallo-Romeinse vondsten gedaan, wat wijst op oude woonkernen. Tijdens de middeleeuwen hing Nukerke af van de heerlijkheid “t’ land tussen Marke en Ronne” die op haar beurt toebehoorde aan de baronie van Pamele (Oudenaarde). De Hervorming kon in Nukerke op tamelijk veel aanhangers rekenen. De bevolking leefde vooral van de bosontginning en de landbouw. Nog steeds is Nukerke een typische landbouwgemeente. Na de grote pestepidemie van 1667 tot 1669 nam de bevolkingsgroei weer snel toe.Het inwonersaantal groeide aan tot begin 19de eeuw.

    Was Nukerke, als kerkgemeente, een deelparochie van Melden tot aan de Franse Bezetting de inwoners kregen pas hun zelfstandigheid tijdens Het Hollands Bewind toen Nukerke zijn wapenschild kreeg in 1843.

    Laatste pastoors op een rij:

    Op een doodprentje lezen we:

    Bid voor de ziel van den Eerweerden Heer Joannes-Cornelus Robijns,

    geboren  te Buggenhout                           15 April 1841,

    Onderpastoor te Lede-Aalst                      1867-1888,

    Pastoor te Cherscamp                              1888-1891,

    Pastoor te Nukerke                                  13 October 1891,

    Aldaar zeer godvruchtig overleden            28 Mei 1892

     “Hij muntte uit in voorzichtigheid, liefdadigheid en priesterlijke iever.Hij verlaat deze aarde met de zegening van zijne schapen en van alle zijne vrienden.”

    Fivez: waarschijnlijk een van de initiatiefnemers voor de bouw van een nieuw hospice.

    De Boe: stond met veel krachtdadigheid achter de bouw van ’t hospice dat voltooid werd eind augustus 1897.

    De Groote, de man die in Nukerke het katholiek onderwijs hielp tot stand brengen

    Spitaels, onderpastoor

    Dutordoir, pastoor van 1907 tot 1931. Voerde een politieke strijd tegen de gemeenteschool

    Reyns pastoor tot 1951. Klein van gestalte maar stond zijn mannetje. Was brandend van ijver voor de zielen.

    Clément Tirez pastoor tot 1954: een wijze herder

    Joseph Van Poeck de Knyf. Een gemoedelijke levensgenieter

    Moras (tot 1968) met een tijdelijk verblijf te Nukerke

    Naessens: een actieve en sociale figuur

    Ghys: een euchumenisch man

    Heysse: meer politieker dan dorpsherder, werkterrein was de parochiezaal met feest en vertier. Leider in de plaatselijke schoolstrijd rond de jaren 80.

    Remi Godefroid (laatste parochieherder van Nukerke). Kon met zijn komst de rekeningen vereffenen en orde op zaken stellen waardoor hij uit bepaalde hoek tegenwind kreeg..


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (9 Stemmen)
    18-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    17-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.14. Windmolen Ter Geynst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    14.      Houten windmolen “Ter Gheynst” prijkte op de hoek tussen de Pontstraat en Ruitegem te Nukerke. Dat het een oude molen betrof bewijst volgende tekst: “De wintmolen Ter Gheinst toebehorend hebbend dehoirs van wylent Colaert Pot is verbleven op 13.8.1582.” En verder “ geeft toelating aan Pieter van Butsele Pieters en Lieven Vandevelde om een nieuwe molen te mogen bouwen op den ouden molendam, waar vóór de troubles nog een molen heeft gestaan binnen de parochie van Nukerke op het cauterken ter gheynst ofte cauborrevelt  die van tevoren ghenaemt es gheweest t’meuleken ter  gheynst…(1690). De laatste eigenaar was Emiel De Vos-Slots. In de volksmond  gebruikte men de naam “Vozenmolen”. De molen werd volledig afgebroken in 1949, maar de molenstenen werden bewaard. De mechanische graanmaalderij naast de windmolen werd gebouwd in 1911 door de familie Moreels. Na Gaston Moreels zette zijn dochter Annie de zaak  verder samen met haar echtgenoot, Paul Aelgoet.  De activiteit in de mechanische maalderij hield op in 1993. In het "Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen bekend als “De wint Meulen ter Geynst”. Een overachterkleinzoon (P.C.) van Petrus Augustus Van Malleghem liet ons volgende weten.
    Overachterkleinzoon (P.C.) van Petrus Augustus Van Malleghem, molenaar te Nukerke (molen Ter Gheynst door een storm vernietigd in 1942, gelegen op de kruising van de Pontstraat en de Boularestraat rechtover de kapel.); zijn zoon Victor was geneesheer en een tijdlang burgemeester van Nukerke.

         Naar het schijnt zouden de Duitsers bij hun vertrek, begin november 1918, te Nukerke aan het begin van de Ruitegem een hele grote kuil hebben gegraven en hun oorlogsmunitie, die ze wegens tijdsgebrek niet meer konden meenemen, er hebben gedumpt. Alzo zou destijds Magriet, vrouw van molenaar Moreels, hebben gezien.

         Zit dat gevaarlijk goedje er dan nog in de grond ?????


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
    17-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.13. Herenwoning te Louise-Marie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Herenhuis langs de Louise-Mariestraat in Louise-Marie. Deze woning werd gebouwd in 1869.

          Anekdote over Madame Komkommer, bewoonster van het huis. "Daar was een vrouw in Louise en ze werd gescharminkeld (een schraminkel is een zeer mager en boos mens of dier) .’s Avonds of ‘s nachts werd er boel gehouden rond het huis. D’er zat daar een hele bende, ook den ouden "schuseniere" (dokter van Schorisse) was daar bij. Maar op een keer kwamen de gendarmen er aan en ze werden allemaal opgepakt. Ze moesten nadien naar het tribunaal van Oudenaarde en ze huurden een busje. Ik denk dat die vrouw madame Vanovertveld heette. Maar wij zeiden madame komkommer omdat ze alle dagen komkommers aan haar man te eten gaf. Allé, de mensen zeiden dat toch." Verhaaltje van Elza.

         Het kerkdorp Louise-Marie strekt zich uit over Etikhove, Ellezelles, Nukerke en Ronse.

         Aan de voet van de Muziekberg was er vele jaren geleden een waterfabriekje.

    In “’t Volk van Ronse” van 22 oogst 1936 zagen we volgende rubriek:

    ”Het beste tafelwater  La Royale Louise-Marie"
    Allerfijnste limonaden   “Jass”
     
    Nitterveld-bronnen Louise-Marie (Ronse)  Telefoon 230.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    17-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    16-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.15.Kerktoren te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              Verdwenen zicht  op de kerktoren van Nukerke met vooraan het O.-L.-Vrouwbeeldje dat jarenlang prijkte op de hoek van het  gemeentehuis, dat op zijn beurt verdween in de jaren 70. Het O.-L.-Vrouwbeeldje met kindje Jezus staat nu in het perkje op een bakstenen voetstuk opgericht door de KVLV. Het beeldje zou een schenking zijn  gedaan door meester Jan Verlent aan de parochie Nukerke.

         "Het was sinds de zestiende eeuw gebruikelijk dat een beeldje van de Maagd Maria geplaatst werd op een hoek van wethuizen en hallen. Meestal is Maria gekroond met een scepter in de hand, het Kindeke Jezus op de armen en de voeten steunende op den Leeuw van Vlaanderen."

     



    De kerkklokken.
    In een brochure “Parochie O.L.Vrouw Hemelvaart Nukerke 1777-1977 “ lezen we het volgende over de kerkklokken van de Nukerke parochiekerk.“Van de drieklokken is “Dionysia” de oudste. Het jaartal 1807 dat erop voorkomt is het jaar waarin onze oudste klok werd gegoten, zodat men wel van een hoge ouderdom kan spreken.. We vinden naast het jaartal 1807 nogs beschrijving :”Betaalt door de parochianen van Nukerke, voorstkomende uyt ST. Denys by Berghe, gewijd ben ik Dionysia, gevormt door O.J. Van Butsele, meyer en M. Therese  Vandeputte,  peter en meter. Gemaakt door L. Regnault in 1807 onder pastoorschap van Aug. Vandeputte”. De klok weegt 810kg en heeft een beneden doorsnee van105cm. Het was op 6 augustus 1943 dat onze klokken door de alhier bezettende Duitse militaire overheid (Rosemann) werden opgeëist. De twee grootste klokken Dionysia en Agatha werden weggevoerd naar het militair cantonnement van Aalst. De kleine “Maria klok” bleef over om de parochianen ter kerke te roepen. Door de krachtdadige bemiddeling van de toenmalige pastoor Reyns en de tussenkomst van vicaris-generaal Z.E.H. Claeys-Bouüaert kon “Dionysia” ingeruild worden tegen de “Maria-klok”. Op 26 mei 1951 werden de nieuw gegoten klokken plechtig ingewijd door Z.E.H. Deken Lust van Ronse. (Deze beide klokken horen toe aan de Kerkfabriek in tegenstelling tot “Dionysia” die aan de parochie toebehoort. Op beide klokken staat jaarschrift: ”weggehaald bij oorlog 1940-1945, zie mij nu blij hier weer in vrije zieleplicht.” Op de klok Maria (sol kruis) gewicht 503kg, 92cm doorsnede) staat verder :naam Maria; peter Octaaf Lefebre (voorzitter van de Kerkfabriek) meter Flavie van Glabeke echtgenote van Vitaal Deventer, voorzitter van het bureel der Kerkmeesters): pastoor  E.H. Achilles Reyns; burgemeester  Richard Deschaumes; Schepenen André Hubeau en R. Teirlinck,  Kerkraad: O. Lefebre, V. Deventer, R. Vandendaele, O. De Ruyk, Th. Capiau.De klok Agatha (la kruis- gewicht 387 kg - met 85 cm doorsnede) staat het jaartal en Naam: Agatha, peter A. Hubeau; meter Cécile Hubeau (echtgenote van burgemeester Richard Deschaumes); E.H. pastoor Achilles  Reyns;  Burgemeester R. Deschaumes; schepen  . Hubeau en R. Teirlinck.De vervanging van deze door de Duitsers weggehaalde klokken, gebeurde op staatskosten; de oude klokken Maria en Agatha hadden een gewicht van respectievelijk 430 kg en 340kg. In de zelfde brochure lees je meer over het kerkinterieur en de glasramen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    16-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    15-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.16. Louise-Marie - woonhuis
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Bijhuis van Sint-Leonardus. In oorsprong was het de woning van de Eerwaarde Heer Directeur. Nadien was het de verblijfplaats van de zusters. Begin januari 2014 werd de woning klaargemaakt voor het verblijf van de aalmoezenier Maurice Schoorens. De zusters verhiisden naar het vroegere tehuis Sint-Vincentius in Nukerke.

    Het rustoord zelf werd opgericht in 1900 en was oorspronkelijk bedoeld als sanatorium voor dames.  Bij het geheel hoorde  een school en een boerderij. Vanaf 1904 namen de Zusters van  Barmhartigheid  er hun intrek. De laatste jaren werd het interieur van het rustoord grondig gemoderniseerd


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    15-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    14-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.17. Kerk La Salette
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

           De kerk La Salette te Louise-Marie, gelegen op het grondgebied van Ronse, ligt op een hoogte van 112,5 m. Louise-Marie is een schilderachtig gehucht en kerkdorp  in de Vlaamse Ardennen gelegen op de noordelijke flank van de Muziekberg (hoogte 147m). Het grondgebied van de parochie Louise-Marie  behoort tot de stad Ronse en de vroegere gemeenten Nukerke, Etikhove en Schorisse in  de provincie Oost-Vlaanderen en tot de gemeente Ellezelles in Henegouwen. Naar verluidt zou de naam van de eerste Belgische koningin Louise-Marie (geboren in Palermo op  3 april 1812 en overleden in Oostende op 11 oktober 1850)  , dochter van de Franse koning Lodewijk Filips, aan de oorsprong liggen van de naamgeving van dit gehucht. Immers de eerste steenlegging van deze neo-romaanse parochiekerk in 1851 viel samen met de eerste verjaardag van haar overlijden. Deze kerk is bekend om haar Sint-Apolloniaverering. Rond 9 februari  worden hier jaarlijks, tijdens de noveen tegen tandpijn, de alom gekende geutelingen gebakken. De kerk is toegewijd aan  O.L.Vrouw van La Salette. Het kerkelijk interieur is 19de eeuws behalve het altaar aan de noordzijde dat 17de en 18de eeuws is. Het schilderij “Verschijning van O.L.Vrouw van La Salette” is  19de eeuws.

    Gustave Royers (+ 30/03/1923) was de architect van de parochiekerk. Royers was sinds 1845 leraar aan de academie en architect van de stad Ronse. Hij was tevens de ontwerper van het Royerssluis (1907) in Antwerpen.

            L’abbé Francis Cambier liet ons in november 2006 het volgende weten. «Je possède la copie d'une lettre que le curé de Louise Marie Vanderooms (?) adressait à Emmanuel Degand, secrétaire communal d'Ellezelles, le 20 décembre 1893 et où il lui fait le récit de la fondation de la paroisse et de l'érection de l'église.»


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    14-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    13-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.18. Huidig dorpszicht
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Dorpszicht van Nukerke.  Zicht vanaf het Lindeke
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    13-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    12-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.19.Molen ten Hotond
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De hoogste getuigenheuvel in de omgeving van Nukerke is de Hotond op het grondgebied van Kluisbergen in de deelgemeente Zulzeke.

    In de omgeving van de toren vonden onderzoekers in 1890 mesolithische en neolithische voorwerpen. Deze worden in het Stedelijk Museum van Ronse bewaard .

    De Molen Ten Hotond staat langs de Zandstraat te Zulzeke,deelgemeente van Kluisbergen, waarvan sinds generaties enkel de stenen kuip overblijft want hij is ontdaan van wieken en kap. Sinds jaren doet hij dienst als uitkijktoren. Een oriëntatietafel maakt je wegwijs bij de studie van het wijds panorama. De molen staat immers op een pracht van een getuigenheuvel 140m boven de zeespiegel. Den hoogste top van de heuvel is 150m hoog en ligt een paar honderd meter verder oostwaarts in het bos (aan het waterreservoir). Insiders beweren dat men vanop de toren tot 107 kerktorens kan waarnemen, uiteraard bij zeer uitgeklaard weer.
    De huidige taverne was eertijds het molenaarshuis gelegen naast de voormalige windmolen. Deze oude molenaarsite ligt op de hoogste plek in de Vlaamse Ardennen, tevens het hoogste punt van Oost-Vlaanderen. Reeds in 1672 voor het eerst vermeld was de site in 1684 gekend als Hootont meúlen. Toen nog een houten staakmolen. Deze werd later vervangen door deze stenen molen die werkte als olie- en korenmolen van het type grondzeiler. Op de Ferrariskaart staat de molen bekend als H. Den Hootont en Hootont Molen gelegen aan de westrand van het Slange Bosch Deze stenen molen werd grondig hersteld in 1845 en 1911. Tijdens deze laatste herinrichting werd het olieslagwerk verwijderd. In 1943 werd de uitbating stop gezet en werd de maalinstallatie beetje bij beetje afgebroken. De wieken en de kap verdwenen. De stenen kuip die nog restte kreeg een toeristisch functie als uitkijktoren. Die werd zelfs in 1957 voorzien van een oriëntatietafel. Sinds een paar generaties is deze site eigendom van de familie Vande Wiele. Vanaf november 2012 tot mei 2013 werd de molenkuip van nieuw voegwerk voorzien. In juni pronkte een sneeuwwitte toren.

     Op de Hotond is een gedicht van Lambrecht Lambrechts, geboren te Hoesselt op 24 september 1865, dichter en componist. Hij stierf op 13 juli 1932. De man was verliefd op de mooie Vlaamse Ardennen, daarom schreef hij kort na zijn huwelijk dit lang gedicht als kwam het uit het sagenrijk.

     

    Zij speelt het orgel in de woudkapel

    Terwijl ik buiten op de drempel kniel

    Omringd van vrouwen, kranken, jagers, honden,

    De bomen langs de weg zijn grijs en dauw

    En ruisen in de koele morgenwind,

    Alsof zij met de pelgrims medebaden,

    Zij tonen, waar zij van elkander scheiden,

    Een druipend heuvellandschap in de verte.

     

    Mijn blikken zoeken naar de diepe stad,

    Onzichtbaar in de nevelzee bedolven,

    Waarboven nog geen witte vlerken zwieren.
    Een purperbandje tooit de horizon.
    De kleine vinken zwijgen in hun gevels

    En ’t kwakkeldeuntje slaapt nog in het gerst,

    Een zeis rinkelt ergens buiten ’t woud.

     

    Wie kan met kleurenspel of melodie

    Het weergevoel dier eerste schemeruren,

    Als ‘tblonde licht nog moet geboren worden,

    Wie kan die bitterzoete pijn vertolken ?

    Wie durf voorspellen of zijn nare droom

    Gelijk bij  toverslag verdwijnen zal?

    Wie weet of hem, wanneer het floers zal scheuren,

    Dat spokend voor de Oostertempel hangt,

    Het blondgelokte zonnehoofd zal groeten ?

    Het is alsof men in een sage leefde.

    Het is alsof de Heer een tweede maal

    Ter wereld was gekomen. Ruisten daar

    Geen englenwieken door het beukenhout?

    Voer daar geen donder door de heuvelrij?

    Is ’t uur van de rekenschap en boet geslagen?

    En komt het vuur het zondig mensdom straffen?

    De dichter zwijgt en houdt de adem in.

    Hij weet niet of hij juichen moet of schreien.

    Hij vouwt de handen op het hart en bidt.


    Molen Ten Hotond - Tekst van N. Mora

    "Wat betekent “Hootond” ? Dat blijft een raadsel. Er wordt in de lokale geschiedenis gesproken van Kanunnik Otto, zo ook van Backereel, naam die de oorsprong gegeven heeft aan het gehucht of plaatsnaam “Backereel”. In 1200 was Othon heer van Wattripont. Op de kaart van Ronse van 1684 vindt men een houten windmolen voorgesteld daar waar nu de stenen windmolen staat. Dicht bij deze windmolen werd de plaatsnaam vroonland en steenveld gemeld. Steen betekent hier kasteel. Is dat verdwenen kasteel de verblijfplaats  geweest van deze Heer die recht had op de handenarbeid van de bewoners uit deze streek?
    Men schreef ook nog Hoothont, wil dit nu zeggen wild van het bos? Een zeearm van de Schelde noemt men ook “Hont”. Is deze eigennaam een overblijfsel uit de taal der Saksische families, een overplant volgens Baronius in Ronse. Men beweert nu dat men moet zeggen Nood-Hond en niet Hootond. De legende zegt dat een edeldame in de bossen van Zulzeke aangevallen werd door struikrovers en dat zij haar leven te danken had aan haar hond, die de boosdoeners op de vlucht dreef. Het wapenschild van Zulzeke stelt een edeldame voor met een snuffelende hond. De legende is een verhaal waarvan de geschiedenis kan vervormd zijn en waar de woorden kunnen verdraaid zijn door de overlevering, nochtans kan de legende een grond van waarheid bevatten.
    De familienaam “Hotton” kan ontstaan zijn door het verblijf van deze familie op deze bepaalde plaats. “Hotton” is ook een gemeente gelegen in de provincie Luxembrurg tegen Marche. Verder laat Doctor Duflou weten dat “hond” ook een akkermaat kan betekenen. In ieder geval is “Hotond” een bepaalde plaats geworden voor de Ronsenaars.
    Molen
    Op een van de Atlas Ferraris 1777 komt de molen voor als Hootond Molen, een houten staakmolen gelegen ten noorden van Het Slangen Bosch langs de Santstraete.
     De stenen windmolen werd gebouwd na de Franse Revolutie op de plaats van de oude houten molen. Het bezit van zo’n molen vergde veel inzet én kapitaal. Na de eerste wereldoorlog liep de molenkap grote schade op ten gevolge van een hevige storm.  Er is ook het gebruikelijk onderhoud want om de vier jaar is het nodig de nochtans sterke zeildoeken vervaardigd uit kemp (Zuid Nederlands voor hennep als gewas en als stof) te vervangen wegens slijtage.
    Op 26 april 1910 werd de molenkuip letterlijk van kop tot teen gekloven na een blikseminslag. Velen voorspelden toen het einde. Gelukkig het verstand en de liefde voor het vak gezegevierd en werd de molen hersteld.
    De molenmakers Franciscus Lauwerier en Wannes Tilleul hebben de ijzeren kop van 2500 kg geplaatst aan het kruis van de vier wieken. Om alles op zijn plaats te krijgen waren een massa repen nodig en trokken zeventig à tachtig sterke mannen met behulp van blokkatrollen de houten kap met de gietijzeren kop langzaam naar boven. Naar schatting wogen de kop en de as samen gemakkelijk 5000 kg.
    Molenaars.
    Als er voldoende wind was kon de molen per dag 30 zakken graan  malen.
    Volgende personen hebben er het ambacht van “mulder” uitgeoefend:
    Louis Van den Haegen, Mathijs, Johannes Vander Haegen, Henri Vander Haegen, Jules Aelvoet, Wattez, Gilbert Van der Haegen, Antoon Van de Wiele en nadien André Van de Wiele , zoon van Antoon.

    Men vertelde dat een of andere molenaar bij zeer helder weer de domkerk zag van Doornik, Gent en Brugge. Reeds ten tijde van André van de Wiele kreeg de molen een andere bestemming. De molenkap werd verwijderd en er werd boven een platform aangelegd. Deze eens zo’n krachtige reus, die wind en storm beheerste, op de hoogste heuveltop van de provincie Oost-Vlaanderen werd herschapen tot uitkijktoren. Meester Aloîs Baert, gewezen onderwijzer uit Zulzeke, heeft op deze molen menig uurtje doorgebracht met het ontdekken van 108 kerktorens. Het panoramisch zicht is prachtig. Het uitzicht naar het oosten wordt echter gehinderd door het bos op de heuveltop.
    Op 2 juni 1957 werd boven op het platform van de molen een oriëntatietafel ingehuldigd.”
    Tot op heden is deze plaats een ware trekpleister voor jong en oud. Is het een oude magische kracht die de mens naar deze plaats lokt in dit mooi wandelgebied ?

    Naar de Kluisberg
    Uit “Een hoekje van Zuid-Vlaanderen” door Omer Wattez
    Als men Ronse langs de Zonnestraat verlaat, komt men weldra op den steenweg naar Berchem. In het vlakke veld ziet men rechts van den steenweg, eenen molen, en als men den weg daarnevens inslaat, begeeft men zich naar het kapelleken” te Wittentak”, dat Sanderus in zijnen Flandria Illustrata op een prentje te zien geeft. Oud moet het dus zijn, doch de geleerde geschiedschrijver, heel sterk waar het kerken, kapellen en abdijen aangaat- hij was kanunnik te Ieperen, onder Jansenius- zegt er in zijnen tekst niets van.
    Is die “witte tak” misschien een marentak, door de druïden als een heilig gewas aanzien, en in Engeland nog zoo zeer in eer gehouden ? Er zijn streken, waar men de marentak in groote hoeveelheid vindt. In Zuid-Vlaanderen zijn zij zeldzaam en worden derhalve, door het volk, voor wonderbare verschijnselen aanzien. Ik herinner mij hoe, voor eenige jaren, een marentak te Welden al het volk der streek daarheen lokte.
    De tongen gingen seffens haren gang, en het kon niet anders of het bovennatuurlijke was er in gemengd. Zulks beweerden de bijgelovige lieden.
    Een bewijs te meer, dat onwetende personen altijd geneigd zijn het onbekende voor bovennatuurlijk te houden;- God of Duivel moet er immers tusschen komen.
    Als wij den klimmenden weg naar het kapelleken voortzetten, komen wij aan het bergpunt “den Hootond”, 150 meters hoog. Onnodig te zeggen , dat het zicht van hier op de streek allermerkwaardigst is.
    De Hootond is de voortzetting der reeks heuvelen, welke met den Muziekberg begint, de hoogte der Kruisen vormt en met den Kluisberg, aan de Scheldevallei eindigt.
    De voornaamste helling dezer heuvelreeks is vlak naar het zuiden gekeerd. Hier en daar rijst eene villa tusschen het groen.
    Wie weet of, op zekere tijdstip, daar geene wijnbergen komen.
    Van den Hootond gaan wij verder naar den steenweg Ronse-Berchem, langs eenen molen, om de baan naar den Kluisberg voort te zetten. Hier heeft men het eene bosch na het andere. Een kilometer voorbij het gehucht “de Kraai”, slaat men, links van den steenweg, eene nevenbaan naar het Kluisbosch in. Weldra komen wij aan het woud, dat wij drie kilometer ver moeten doortrekken, tot wij eindelijk een torentje bereiken, wit gekalkt, en gelijk aan dat op den Muziekberg.
    In eene herberg, niet ver van daar, halen wij den sleutel om het te beklimmen.
    Een uur lang kan men hier het oog voldoen en onze beroemde romanschrijver, Hendrik Conscience,  was beneden  de waarheid niet, toen hij in de inleiding van zijn zedenverhaal;  De Kwaad des Tijds, zoo dichterlijk het panorama van den Kluisberg beschreef.




     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    12-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    11-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.20. De Keizerrei
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    20      Oude hoeve op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. Volgens  historische bronnen zou  Karel V (Keizer Karel de Grote) , vóór zijn huwelijk met Isabella van Portugal , bij “Johanna van der Gheynst “  een dochter verwekt hebben, nl. de latere landvoogdes Margaretha van  Parma (1522-1586). Tijdens zijn huwelijk werden nadien  volgende kinderen geboren : Filips, Maria, Johanna . Ten slotte had hij nog een zoon Don Juan buiten zijn huwelijk en na de dood van Isabelle. Gedurende haar bestuursperiode verbleef  Margaretha te Oudenaarde  in  het “Huis van Margaretha van Parma”, naast de “Boudewijnstoren”.  De jonge Karel verbleef wel eens in  Oudenaarde bij de familie de Lalaing  (huis aan de Schelde) en juist daar zou de jonge Johanna  dienster zijn geweest. Haar ouders  woonden in de boerderij te Nukerke, op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. De ouders van Johanna waren tapijtwevers. Even naar de annalen;”Op het Bourgondische kasteel te Oudenaarde stond Janneke, dochter van Gilles Van der Gheenst en Johanna Van der Coye, naarstige handwerkers in de tapijtweverij, woonachtig te Nukerke, ten dienste van Mevrouw de Gravin de Lalaing. Het wakkere, drentele meisje, zindelijkuitgedost, was in de bloem der jaren. Men kan zich voorstellen hoe de schroomvallige, bevreesd en ontzet die jonge dochter zich tegenover de keizer voelde. Hoe de oplettende dienstmeid het ook druk had om haren hogen gast te dienen, tocht schiep de keizer genoegen in haar bekoorlijk voorkomen, in hare vriendelijkheid en keuvelde graag mrt haar. Niemand had de hartstocht des keizers voor de volksdochter durven  tegengaan, wel werd gedrag bedekt afgekeurd, maar men durfde het niet aan het hem te verwijten. Toch bij het heengaan ontstond uiterste verslagenheid bij het meisje.In de Kronycke van Oudenaarde, f° 154, leest men: ‘In ’t jaer XVe XXII, ’t Audenarde, binnen Pamele, op het Spey gelach Jannekin van de bastaerde dochter van Carolus de vyfste ende wiert daar Christen ghemaeckt. Dese traude namaals den Hertoghe van Parmen ende wiert Regente van de Nederlanden’. Wijl Janneke later in den echt trad met Jan Van den Dycke,een gewone burgersjongen, en dezes broeder en zuster Baudouyn,Maria en Agnes werkgasten bleven in de tapijtnijverheid, werd het kindje Margareta aan het hof zorgvuldig grootgebracht en trouwde eerst Alexander de medicis en nadat deze werd vermoord, Octave Farnèse, hertog van parma en Plaisance. In 1555, toen Keizer Karel afstand deed van zijn staten, vertrouwde hij aan Margareta van Parma het bestuur toe van enkele provinciën. Acht jaar lang,door een zacht en tevens sterk beheer, won zij de genegenheid van de hertog van Alba, in 1568, zegde zij vaarwel aan haar vaderland en stierf aan de jicht in Italië in 1586.

    De straatnaam Keizerrei te Nukerke zou dan ook af te leiden zijn  van het woord keizer. Wie weet heeft de jonge vorst  meermaals,  te paard, de bossen van Nukerke doorkruist. Tot heden leven nog  nazaten, in rechte lijn, van  Johanna van der Gheynst.  Het gezin Vandergeynst heeft de boerderij verlaten in 1968. Er waren in het gezin 4 meisjes en 1 jongen, waarvan geen enkele het landbouwbedrijf voortzette. De woning werd ondertussen grondig gerenoveerd. Eind 2010 lag de boerderij echter volledig in puin. Van renovatie van het oorspronkelijk gebouw was geen sprake meer.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (10 Stemmen)
    11-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    10-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.22. Klooster te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het klooster te Nukerke

    OPROEP !

    Reacties op bericht "22. Klooster te Nukerke"

     

    zoek personen van kindertehuis

    ik heb ook in het kindertehuis gezeten met zuster Gisele zuster Hilda zuster Adhemar zuster Dora(THEODORA) zuster Dominica, zuster Luthart en ik ken Anita ,Yves en Pascal van Coppenolle je kent me als Christine Verhauwert ,ik zou heel graag samen komen doe een oproep daarom naar Daisy ,Werner en Johny Sleeuwaert ,Patrick en Miranda Francois Van Huffel, Monique Gino en Marino Vanderhauwaert , Chantal,Frederick,Gerard,Miranda, Ingrid De Bruyn, Spitaels Ingrid en ,GRETA WOUTERSPhilippe en Veerle en OM zeker niet te vergeten Christiane Van Den Bossche Zuster Lucilla ,Marie-Madeleine en Claudine De Meulemeester ,Marleen en Isaac en Sabine ?,EN KLEINE VINCENT niet te vergeten natuurlijk nu een man ;HOOP DAT JULLIE CONTACT MET MIJ ZOEKEN JE MAG ME MAILEN OP:snowdon@skynet.be

     KLOOSTER NUKERKE
    ik heb samen met mijn zuster in dit klooster verbleven. tussen 1955 en 1963. ik ben geboren in 1952. Zijn er nog meisjes die contact hebben met deze blog die in die periode er waren ? Ik herinner me nog de zusjes LATAER Rita en Anita. Dank U.

    In de volksmond werden “de kinderen van het klooster” ook “de weeskinderen” genoemd. In werkelijkheid was het een gemengde groep van kinderen die een ouder verloren hadden, kinderen van een alleenstaande vader, kinderen uit gedeeltelijk ontwrichte gezinnen. Ze werden ondergebracht in het klooster dat deel uitmaakte van een complex dat bestond uit drie klassen voor de meisjesschool, palend aan de grote, verzorgde moestuin, verder de speelplaats met afdak en toiletten (toen vertrekken genoemd). Aan de zuidengevel van het klooster werd de jongensschool aangebouwd bestaande uit 3 klassen. Daar liepen de jongens school vanaf het 2de leerjaar tot en met het 8ste leerjaar. De leerplicht was verplichtend tot 14 jaar. Vanaf die leeftijd gingen veel kinderen werken. Weinig kinderen op het platteland zetten vóór W.O.-II de stap naar het secundair onderwijs. Jongens uit landbouwgezinnen waren toen beter af en mochten naar het secundair onderwijs in Ronse. Velen trokken naar het college. Maar … om hun Frans te leren werden toen kinderen uit de betere gezinnen in het internaat gestopt in  een of ander, liefst katholiek en streng, instituut juist over de taalgrens. Heel soms werden daar ook de meisjes heen gestuurd, om Frans te leren en om welopgevoed te worden. Dat kan later van pas komen bij de keuze van een huwelijkspartner.

    Het klooster heeft het uitzicht van een grote woning met juist voldoende ruimte om 5 zusters te huisvesten en een 12-tal kinderen in onder te brengen. Een deel van het gelijksvloer was voorbehouden aan de zusters; er was de keuken, de eetruimte en de leefruimte. Het andere deel (de noorkant), gescheiden door een middengang was de leefruimte voor die 12-tal meisjes. De voornaamste meubelen waren een lage tafel met stoelen. Tegen de wand stond nog een kast met een vakje voor elk kind. In dit lokaal werd er gegeten, gespeeld, gewerkt, huiswerk gemaakt en de catechismus geleerd. Op de eerste verdieping bevonden zich de slaapplaatsen voor de zusters en een kleine kapel. Onder het dak bevond zich de slaapruimte van de meisjes. Een ruimte zonder comfort, warm in de zomer en bitterkoud in de winter. De meisjes, soms hele kleintjes, hadden een weinig benijdenswaardig leven. Ze werden ’s morgens vroeg gewekt want om 7 uur was er reeds een mis in de parochiekerk, een paar honderd meterv verder. Het moet gezegd, de gemeenschap had voeling met die kinderen. Ze waren bij elke gebedsdienst aanwezig. Heel wat parochianen lieten pakken kleren afgeven, kleren waar hun kinderen waren uitgegroeid. Het hoeft niet gezegd dat de nonnetjes de kleren gretig in ontvangst namen. En steeds waren de kinderen op post. Op zon- en feestdagen was het een gaan en komen naar en van de kerk; er was de vroegmis, de hoogmis, de Vespers en het Lof.  Maar ze waren verzorgd, werden goed opgevoed en hadden immers een thuis.

    De leefwereld van de meisjes beperkte zich tot de kloosterwoning, een speelplaats, een moestuin, een grasperkje, een stukje boomgaard en de klaslokalen.

    Laten we even N. aan het woord. Geboren in 1940, verbleef ze in het klooster vanaf haar 5 tot 13 jaar. “We verbleven heel veel tijd in onze leefruimte waar we speelden, werkten en er al eens een stil hoekje opzochten om onze catechismus te leren. Ons huiswerk maakten we samen aan de tafel en de een hielp de andere.  Dagelijks stonden de grootste meisje rond de tafel om de aardappelen te schillen voor de volgende dag. We maakten op dat moment al eens ruzie. Kijk hier in mijn arm. De mesjes waren scherp.Maar al bij al was er een goede sfeer. Wij sliepen op het hoogste deel, de zolder die ingericht was als dortoir. Enkele dakvenstertjes.lieten wat daglicht binnen.(en bij het bekijken van de foto van het kloostergebouw). Kijk achter dat dakkapelletje moesten we onze kleren passen. Weet je hoe ik mij chirokleedje moest passen?. Ik moest op mijn twee knieën zitten en de onderste rand van het kleedje moest de vloer raken. Zó, dat was een zedige lengte. Maar terug naar de slaapplaats. De bedjes stonden keurig op een rijtje. Vooraan stond een lange smalle tafel waarop onze waskom stond. Een grote waterkan werd aangedragen want lopend water was niet. Na de was werd het vuile water met de emmer naar beneden gebracht. Het gebeurde wel eens dat bij het morgenkrieken na een strenge winternacht een ijslaag  het water in de waskom bedekte. De zaterdag was het wasdag; er waren geen douches of ligbaden. Elk stond voor zijn waskommetje waste zich volledig. Let op, het bleef eenzedig wasje.. Het vuile linnen ging in de wasmand. De zusters deden de was in houten kuipen. De grootste meisjes werkten al te graag mee en droegen het wasgoed naar den bleek achteraan in de hof. Daar moesten we dan het wasgoed open spreiden om het te laten bleken. Af en toe moesten we de was met water besprenkelen. Het water haalden wij uit de nabije waterput. Het wasgoed te drogen hangen aan de wasdraad was ook ons werk. We maakten al eens grapjes want het wasgoed van de nonnekens ging eveneens door onze handen. Strijken was dan weer de taak van de werkzuster.

    Jaar in jaar uit, zomer en winter, iedere morgen wandelde de meisjes, klein en groot, onder begeleiding van een zuster naar de parochiekerk. Die kerk was tijdens de week een ijskelder. Als we de kerk verlieten sloegen we meermaals onze armen rond ons lichaam, kwestie van ons op te warmen.. Mijn handen leken soms wel vervroren. Maar als kind kon ik na enkele jaren en de talrijke kerkbezoeken  al die Latijnse gezangen uit het hoofd meezingen. Goed hé !

    In de  zuiderhoek van de speelplaats stond een grot ter ere van Maria en Bernadette. Daar ruikte het steeds vochtig. Tijdens de meimaand werd er ’s morgens dagelijks een rozenkrans gelezen. We zaten allemaal op onze knieën, en ’t wastoch soms zo koud.

    Het slapengaan verliep als een ritueel. Na het uitkleden moesten wij op onze knieën zitten en bidden, dan bed in en slapen. Tijdens de vasten mochten wij niet snoepen maar mijn moeder die af en toe op bezoek kwam (niet alle meisjes kregen bezoek), bracht al eens een snoepje mee. Elk een had in een kast een blikken doosje staan. Daarin werden de lekkernijen opgeborgen en na de vasten deelden we mee aan de kinderen die niet veel hadden. De leeftijd speelde geen rol en de grootsten hielpen de kleinsten. Mijn moeder gaf me wel eens een vijffrankstuk dat ik ’s maandags aan de zuster gaf die er dan voor zorgde dat het op mijn spaarboekje stond. Ha, en waar is de tijd toen we onze maandstonden begonnen te krijgen en ons moesten verversen op de vertrekjes op de speelplaats. Aan die toiletjes hingen van die korte deurtjes en het gebeurde al eens dat de kleintjes onder de deurtjes kwamen loeren. Dan was ik kwaad.

    Het gebeurde eens dat mijn moeder geen geld had om mijn verblijf in het klooster te betalen. Dat moest maandelijks gebeuren. Zij kende een koolmijner die goedkoop aan steenkolen geraakte. Dus betaalde ze mijn verblijf door een hoeveelheid steenkool aan de zusters te leveren.  Wel erg hé?

    Mijn plechtige communie deed ik in het klooster. Ik mocht bij Roger Ceuterick mijn haar laten knippen. Ik had mooi lang haar en ik weet nog dat ik met kort haar buiten kwam. Mijn moeder kocht de kleren. Ik weet ook nog dat we tijdens de grote vakantie bij een boer aardappelen gingen rapen. Ha, dat waren mooie dagen. We gingen te voet tot aan de boerderij, ik weet niet meer waar maar ’t was een eindje stappen. En we kregen daar van dat lekker boerenbrood met echte goede boteren plakken kaas. Dat smaakte want in ’t klooster kregen wij geen boter op het brood. Voor dat werk kregen wij niets (nochtans betaalde de boer toen 25 fr per schof en als aardappelraper verdiende je dus algauw 75 fr per dag en dan werkte je van 8 tot 12 en van 13 tot 19).

    Van het eten herinner ik mij nog die melkpap (karnemelk) waarin van die brokken zaten. Als de zuster het niet zag zette ik mij bord buiten aan de deur. Eten voor de poesjes.(die mochten nooit binnen komen).

    ’s Zondags gingen we naar de chiro in de parochiezaal bij leidster Maria Deriemacker. Dan trokken we ons blauw kleedje aan met gele das. Tijdens de grote vakantie gingen we samen met de chiro van Ronse en Pater Michel op bivak. ‘k Weet ook nog dat ik in het klooster eens heel veel zeer in mijn buik had. Dokter Roelens kam bij mij en stelde een apendix vast. Ik werd in zijn auto gezet en de dokter voerde mij naar de kliniek op Hogerlucht te Ronse om geopereerd te worden. Enkele keren mocht ik bij klasvriendinnetjes gaan spelen o.a. bij de zusjes Roelens.

    Maar al bij al… ik weet niet meer of ik mij toen ongelukkig voelde."
    Rond de tijd van de processie was het steeds een drukte van belang. Dan moesten de processiekleren van op de zolder naar beneden worden gehaald. Die kleren hingen toen,mooi afgeschermd, op de zolder boven de klassen van de jongensschool. Het zat zo! De zolder boven het klooster stond in verbinding met de zolder boven de jongensschool. Op de dag van de processie werden alle figuranten gekleed en getooid door de zusters en door de talrijke vrijwilligers. Vanaf het klooster ging de groep dan stoetsgewijze naar de kerk waar de processie werd gevormd. Na de processie werden alle kleren nagezien op hun netheid en pas dan terug gehangen op zolder. Stil wachtend op de volgende uitstap!

    Wie herinnert zich volgende zusters ?  Zuster Leandrine , zuster Lucienne , Moeder Anna , zuster Lucilla., zuster Juliette, zuster Theodora . En de leke onderwijzeres van het 1ste studiejaar, juffrouw Angèle Dejonghe (geboren te Zulzeke in 1908, ze woonde nadien op het Heidje te Nukerke en overleed er in 1966), weliswaar ongehuwd want gehuwde onderwijzeressen verloren hun opdracht in het de christelijke scholen. Jufrouw Angèle gaf les tot aan haar op ruststelling in 1962. Enkele jaren later verdwenen. de zusters. Ze werden vervangen door leken. Zo volgde Mariette Geenens Moeder Anna op als schoolhoofd.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (11 Stemmen)
    10-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (4)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.21- Kerkje van Melden
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Onze eerste parochiekerk

    Het eerste kerkje van de “prochie” Melden, waarvan ook de gelovigen van het huidige Nukerke toe behoorden, zou in de Merovingische periode zijn ontstaan , waarschijnlijk uit de resten van , of als bijgebouw van een versterkte toren of mote, gelegen dicht bij de stroom. Het kerkje is naar alle waarschijklijkheid gebouwd door “het Capittel van kanonniken der Cathedraal van Kameryck die altoos gelast zijn geweest met de reparatiën derzelve en die ook de groote tiendeheffers en patronen ervan waren….”, aldus een document.

     In de kronieken lees je dat “ten jare 922 werd Gerardus de Loz, heer van Pamele, hoofd van de heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne waarvan Melden de hoofdplaats was, in de kerk begraven. Het oorspronkelijk Romaans kerkje werd in de loop van de geschiedenis keer op keer verbouwd .

    In het jaar 871 hebben onze streken een inval gekend van de Noormannen, alsook in 940 “die niets nalieten dan rouwe en verwoestinge. Tijdens het bestuur van Karel V moest ook de “prochie” Melden afrekenen met godsdiensttroebelen door de opkomst vande protestanten. “ …in de jaeren 1565-1566-1567werd de Katholieke Godsdienst alhier geteisterd door de predikatiën en oproeringen der Nieuwgezinden of Calvinisten…” En verder: op zondag 25 augustus 1566 was een “groote sectie van Calvinus’ leerlingen ende heetten geuzen …” hier neergestreken …”ende smeten in stukken alle de ornamenten, beelden, plaeten, kisten ende scheurden die boeken in stukken…”

    “Den 18 juny 1567 werden 13 der meeste roervinken tot de galg veroordeeld…” Op 28 april 1568 deden de geuzen nog een inval in de kerk van naaste parochie Zulzeke waar ze vuur stookten met de beelden  waardoor de kerk afbrandde.

    In 1578 staken de onlusten weer de kop op; “…werd op de eersten Sinksendag de pastoor door de calvinisten verjaagd, de kerk gesloten en de inwoners van alles beroofd”… , in 1582 “wierden de geuzen verjaagd, de kerke wierd geopend en de Goddelijke diensten als vroeger gedaan”. Uit rekeningen uit 1652 blijkt dat de toren “eene horlogie” had en in 1654  drie klokken…

         Ondertussen werd ten oosten van de Koppenberg een kerkje gebouwd omdat het aantal 
    b
    ewoners  aangroeide  en de afstand tot de parochiekerk van Melden toch ver was.
    De “prochie” kreeg de naam Nova Ecclesia (Nieuwe kerk), een gemeenschap die zal uitgroeien tot Nukerke.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    10-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    09-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              

             Verblijfplaats van de schrijver Hugo Claus. De schrijver kocht de gesloten hoeve, typische bouwtype voor Zuid-Vlaanderen, in 1960. Tot dan was de boerderij een bloeiend bedrijf in eigendom van de familie René Tonniau-Verhellen. Het was toen nog heel uitzonderlijk dat bij het op rust gaan van de landbouwer de boerderij niet werd verder gezet door een van de kinderen. Meer nog deze boerderij werd verkocht aan “stadsmensen” zoals dat toen werd gezegd. Het neerhof ligt ”in Tenhole nr 3, een oase van rust en groen, in een klein dal tussen twee uitlopers van de getuigenheuvel. De bron geeft het jaar door overvloedig drinkbaar water. Mensen uit de buurt en stadslui kwamen zich hier bevoorraden. Tot de jaren 70 was de weg Tenhole zelfs niet gekasseid  Het merendeel van de wegen in de gemeente waren dat wel (macadam of asfalt kende men hier blijkbaar nog niet); de weg was gewoon met grind verhard en voldoende breed voor stro- of hooiwagen. Hugo Claus liet de oude boerderij opknappen, zeg maar stevig verbouwen. Dit karwei nam enkele jaren in beslag. Het woonhuis werd mooi ingericht en schuren en stallingen, met rieten dak, kregen elk hun functie. Deze plek werd voor het gezin Claus een vaste stek vanaf 1963. In de boomgaard werd een kleine chalet gebouwd; het werkterrein van de schrijver. Algauw werd vrouw Elly Overzier een graag geziene dame die vlot met de mensen van “den buiten” kon opschieten. Zo liep zoontje Thomas vanaf de 1ste kleuterklas school in de “Gemeenteschool”. Meermaals liet vrouw Elly haar ongenoegen blijken over de hygiënische toestand van het schooltje. De toiletten waren “vertrekken” zonder waterspoeling en je weet wel …een plank met een rond gat…. Maar, het moet gezegd, … het onderwijs was naar de wens van de ouders want de knaap kon er later zedenleer volgen. En of hij het naar zijn zin had. Een dorpsschool midden de velden en weiden én toffe buren… Het jonge kind was verknocht aan de tuinman Georges die hem meermaals van school meenam naar Tenhole, soms achter op de fiets. Het jonge ventje beleefde er een heerlijke tijd in de buurt van ’t Holand.

    Dat de nieuwe woonst van de schrijver ergens verscholen lag daar in het rustige Nukerke blijkt uit een krantenbericht waarin Hugo Claus liet optekenen dat hij ging wonen “op een plaats in Nukerke waar Christus nog niet voorbij gekomen was”, dit tot ergernis van heel wat mensen. En placht hij niet te zeggen tegen zijn bezoekers:”… volg de gids want anders komt u in de bled (van het Frans le bled, wat zo veel kan betekenen als de woestijn) terecht !”. Hoe je er wel terecht kon bij hem? Ergens langs de Staatsbaan (nu Rijksweg) nam je de Dierickstraat, een kronkelende, wagenbrede kasseiweg. Vóór de klim draaide je rechts het straatje Tenhole in. In 1970 verliet Hugo Claus Nukerke en trok naar Amsterdam. 

    Te Nukerke (van Hugo Claus)

    ‘s Zondags na de vespers, wil hij thuis geen krentenbrood,
    de idioot. Hij stapt in het veld en in de huizen
    en zwijgt in alle talen.

    Zelfs al zit je in de bomen
    dan ben je toch geen vogel.

    Ook in mijn denken staat hij daar
    zonder een gebaar, zijn tanden malen.
    Ik zwaai met mijn hand, hij ziet een zeis.

    Als er geen koeien waren
    dan was de bandhond een groot beest.

    Dan rukt hij de almanak met playgirls
    van de wand en rent in het aardappelland.

    Beetje bij beetje at de vlo
    het oor van de hond..

    Hij vertrouwt de waarde van woorden niet
    (zoals ik, maar met een andere nood).

    Met zijn playgirl klimt hij blaffend
    tussen de takken:

    In nemen en in gheven
    Moeten die sinne
    Die dolen in minne
    Altoes hier leven.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    09-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    08-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.25. Leo Piron
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

      

                                      Villa van Leo Piron te Nukerke.

    Leo Piron werd in1899 in Marcinelle geboren en overleed in Nukerke in 1962.

    Leo Piron huwde met Marie-Josèphe, een van de drie dochters van de landschapsschilder Valerius de Saedeleer, van wie hij de knepen van het vak leerde. Hij werd dus ook landschapschilder. Leo Piron noemde zichzelf een autodidact. Na de dood van Valerius in 1937 bleef hij in de villa Tynlon op de Bossenaar wonen tot 1945

    Kort na de Tweede Wereldoorlog kocht hij in Nukerke, langs de Staatbaan, een lapje grond naast het Daelbosch. Op dit uitverkoren plekje met uitzicht op de weidse scheldevallei liet hij er in 1948 zijn villa bouwen waarin hij voor de rest van zijn leven zou wonen en werken. De villa kreeg de naam “Daelbosch”. Zijn werkkamer op de eerste verdieping had een groot raam op het westen én een heel groot raam ving het noordenlicht op. Hij hield van dat zuiver en fel licht. Vanuit zijn werkkamer had hij een prachtig en wijds vergezicht en volgde gretig het spel van de wolken en het licht. Het panoramisch uitzicht vanuit zijn werkkamer werd door niets gehinderd, geen boom, geen huis. De weiden doken stijl de diepte in richting Donderput, Zulzeke, de scheldevallei… Zijn einder was eindeloos.

    Vele buren zullen hem nog herinneren als een gemoedelijke, stille en rustige man die tijdens zijn vele wandelingen contact zocht met mens en natuur. Na zijn dood werd de los (de landweg) die hij honderden keren bewandelde naar hem genoemd. Het Leo Pironpad duikt vanaf de Smisstraat nog steeds de mysterieuze Donderput in. De schilder genoot van dat panoramisch en schilderachtig landschap, het mooiste hoekje van Nukerke! Hij wandelde omzeggens in zijn eigen schilderijen.

    De schilder is echter tot heden niet terug te vinden op de lijst van de grote Vlaamse kunstenaars.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (17 Stemmen)
    08-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    07-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.26. Watermolen Ten Meulebroecke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Watermeulen te Meulebroecke

    Hof te Meulebroecke , de watermolen werd reeds in 1571 vermeld als molen ”te Meulebroeck”Deze in oorsprong graanwatermolen is van het type bovenslagmolen omdat het aangevoerde water van boven af op de schoepen van het aandrijfrad valt. Deze vorm van energie is reeds drieduizend jaar oud.
    " De weg naar de watermolen was lange tijd niet gekasseid omdat dat een private weg was. Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte.In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve.
    Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver naar de Meulebroecke. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan namen ze mee naar huis maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!
    In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben.
    Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.
    Iets over het malen zelf. Het principe was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; rondmalen op 100, dat was voor zwijnenvoer. Er werd ook gemalen op 80 en op 60. Bijvoorbeeld roggegraan op 100 malen of rondmalen gaf  bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen. Om mooie, witte bloem te bekomen werd het graan eerst geperst tussen de stenen zodat tijdens het malen de pel geheel bleef. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60.
    Tijdens de oorlog van 14-18 mochten we niet dorsen tenzij onder toezicht van de Duitsers. Maar wij dorsten toch! ’s Nachts ! Dan zetten de Duitsers niet uit in het pikkedonker. Overdag deden twee cavaleriesoldaten tweemaal daags een ronde van één uur. De berijders kregen zelf inspectie van hun oversten om na te gaan of de paarden wel goed werden onderhouden. Die mannen stonden immers voor alles in. Ook voor het onderhoud van hun paarden. Het gebeurde wel eens dat ze op een boerderij een zakje haver vroegen om hun paarden te voeren. Zoveel schrik zat erin dat ze zelfs vreesden voor hun job en bij het voetvolk aan het oostfront te worden gestuurd." A.A.
    De watermolen werd reeds in 1571 vermeld als molen ”te Meulebroeck”.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    07-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    06-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33b. Huisjes van de negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Tekening van twee van de negen kleine, schamele huisjes die tot de Negenkoten behoorden. Er was elektriciteit,  voldoende om een paar lampjes te laten branden. De "conteur" hing in de woonkamer tegen de muur tussen het raam en de voordeur. Op de tekening zie je duidelijk de ingang van de bedrading. Een ondiepe steenput zorgde voor de bevoorrading van drinkwater voor de huisjes. Tijdens de winter werd de pomp met stro omwonden.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33a. De negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Eerste woning uit een reeks van de 9 woningen die om hun vervallen toestand "koten" werden genoemd.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (8 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33. De negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Detail van een potloodtekening "72. De negenkoten"

    Op de afdruk van de oorspronkelijk kaart van Vlaanderen uit 1538 die in het “Germanisches Nationalmuseum” te Neurenberg berust liggen de gemeenten Ronse, Berchem, Nieukerke en Melden, Quaremont gelegen in het Land van Aelst, verkeerdelijk ten westen van de Schelde. Op de eerste gedetailleerde kaart ziet men duidelijk de schaarse bewoning van het toenmalige Nukercke. In vroegere jaren stonden hier reeds enkele woningen langs de weg naar Oudenaarde. De woningen lagen aan de rand van een groot bos dat zich uitstrekte vanaf de Cortekeer over de Coppenberg tot aan de Steenbeekdries.

    In de 19de eeuw stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. Typisch woningen voor de de werkman. Soms in eigendom maar meestal was het een huurwoning. De laatste eigenaars waren T’Sjoen die twee huisjes bezat waarvan één tweewoonst en Octaaf Geenens die eigenaar was van zes huisjes. Octaaf had die woningen enkele jaren na de eeuwwisseling gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Kort na de eerste wereldoorlog  werden de strooien daken vervangen door een pannendak. Het verst gelegen huisje had zelfs een bakoven. Naast de leefruimte waren er een paar slaapvertrekken, een schotelhuis en soms een alkoof (heel klein voorraadkamertje). Het laatste huurgeld bedroeg 150 Fr per maand maar de woning aan de straatkant had een maandhuur van 200Fr. Een na een werden de woningen echter verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard met als gevolg dat er besloten werd de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 Fr  slooppremie.

    In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar de herberg Den Os. Met hun schaarse centen  maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze dan verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schof (dat is 3 uren). Alma, de moeder van André Van Ceunebroeck,  was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. En ze had steeds een grote voorraad aan hout liggen. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die mensen werden tijdens een beschieting in de eerste oorlog door een Duitse obus dodelijk getroffen. De Duitse artillerie stond opgesteld op de Edelareberg. En zoals het hoorde in oorlogstijden was het verboden van licht te maken tijdens de duisternis. Het echtpaar moet dat even uit het oog verloren zijn. Een Duits kanonnier had dat schamel lichtje echter opgemerkt. De gevolgen bleven niet uit. De namen van de doden  prijken op de lijst van de burderlijke slachtoffers. Ze staan voor eeuwig gegrifd op het monument der gesneuvelden.

     

    Iets hoger en aan de andere kant van de weg lag een koeplekje met het staminee Den os. Café sinds mensenheugenis. De eigenaar vóór Octaaf Geenens was een koppel zonder kinderen dat nogal goed aan de drank zou geweest zijn. Octaaf Geenens werd de nieuwe waard van de herberg Den os toen hij het hoevetje met bijhorend café kocht en er naartoe verhuisde in 1895. Met de kruiwagen verhuisde het jonge paar de schaarse bezittingen van Zulzeke naar Nukerke langs de Kortekeer. Hun zoontje was toen 3 jaar. Die zou later zijn vader opvolgen. Op de dag van de verhuis speelde het knaapje met de geitjes op de berm van de Kortekeer tot hij bij het afglijden zijn bloot achterwerkje verbrandde aan de tengels (brandnetels). Sommige kleine jongetjes liepen toen blijkbaar met een rokje aan.

    Den os was dus ook een koeplekje met enkele streepjes land waarop een drietal koetjes werden gehouden. Elke voerman die hier voorbij kwam hield halt om de dieren te laten op adem komen. Sommigen kropen met zware wagens geladen met wol en katoen de Koppenberg op. Je moet weten dat  de wagens van Transport De Jaeger uit Ronse reeds van de Gentse haven kwamen. En de weg bleef maar stijgen tot op de Kruissens Niet te verwonderen dat de Brabanders bekaf waren. Vóór de deur stond een beulde (palen met dwarsbalk) waaraan de voerlieden hun paarden konden vastbinden. De waterpomp met bijhorende drinkbak stond er bij. Terwijl de paarden rustten , hun haver kregen en dronken konden de mannen zich laven aan het frisse bier. “Ja, ’t is daar altijd een goede zulle geweest.”

     

     

    Hoger op , meer naar het dorp toe, lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper een paar 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder elkaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven én het was belangrijk te weten wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.32. De oude steenweg
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Zicht uit de jaren 40 op de kerk van Nukerke van op de Steenweg.
    De Steenweg zou minstens sinds de late middeleeuwen een verbindingsweg zijn geweest tussen Ronse en Oudenaarde als deel van de weg die liep van het noorden van Frankrijk naar de scaldis in Oudenaarde
    en verder via Gent tot Terneuzen. Reeds in 1275 is de weg vermeld als een “grant voie” nadien sinds de 18de  eeuw als Grand Chemin de Renaix. Pas rond 1800 is de weg min of meer rechtgetrokken op het tracé dat weer
    gedeeltelijk werd gewijzigd gedurende de aanleg tot een expresweg tijdens de jaren zeventig en tachtig.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.31. Hospice en St-Vincentius
    Klik op de afbeelding om de link te volgen      Hospice met woning van de zusters, de stallen en het "wezenhuis" St-Vincentius.
         Tekening naar een oude kaart.


    Het hospice met het huis van de zusters, de stallingen en in de verte het “wezenhuis” St-Vincentius.

    In het woonhuis waren een paar kamers voorbehouden voor de betere lui. Zo woonde Mevr. De Backer, moeder van zuster Susanne, lange tijd in de kamer onderaan links. Rechts van de voordeur was de spreekkamer met daar achter achter het verblijf van de zusters. Op de eerste verdieping links was er een kapel. De sacristie was boven de voordeur. Het verblijf van de ouderlingen bevond zich in het gebouw, met verdieping, dat dwars op de woning stond.

    De woning in de verte is het oorspronkelijk gebouw dat werd ingericht als verblijfplaats voor de weeskinderen. In de jaren 50 werd de woning opgetrokken met één verdieping. Tussen de woning en het hospice zie je de stallingen van de hoeve.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3O. De spoorwegtunnel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     De Spoorwegtunnel
    Deze tekening is een weergave van de noordelijke ingang (kant Nukerke) van de spoorwegtunnel.

    De 410 m lange spoorwegtunnel werd gegraven deels onder de Spichtenberg (105m) en de Kafhoek, onder een uitloper van de getuigenheuvel.  Het station van Etikhove ligt op een hoogte van 42,5m. De ingang van de tunnel in Nukerke ligt op een hoogte van 82,5m en een honderdtal meter ten noorden van het kruispunt van de Spichtenberg met de Keizerrei.. De uitgang in Louise-Marie, op grondgebied van Ronse, ligt op 72,5m en op 420m van het station van Louise-Marie. In 1966 had aan de noordzijde van de tunnel een grote grondverschuiving plaats. Toen waren de sporen bedolven onder vele kubieke meter aarde.



    TUNNELVERHAAL

    “Gaston Devos woonde in die jaren op het Holand, nu huisnummer 17, hij was beroepsmilitair. Zoals velen waren ook zij in 1944 de oorlog grondig beu. Er waren de opeisingen, het voedseltekort, het gebrek aan steenkolen... Vader en zoon bereidden een snood plannetje voor.

    In 1942 werd de omgeving van de tunnel door de Duitsers afgezet. Later werd gezegd dat Hitler zich in de tunnel had opgehouden. In werkelijkheid zou het Goebbels geweest zijn. Niemand mocht toen de sector binnen. ’t Is in die periode dat ons huis werd doorzocht en dat ze in de kelder enkele vaten bier vonden.’t Was toen nog gebruikelijk dat de brouwerij T’Sjoen ,van aan Den engel (het mooie woonhuis werd in de jaren ’70 onteigend en afgebroken) bier uitvoerde met paard en bierwagen..

    De Duitsers vonden niet beter dan al ons bier uit te drinken; ze zeiden dat het toch allemaal van hen was.

    Op een mooie morgen in augustus 1944 werd de tunnel gesaboteerd. Ik weet het nog zo goed als ware het gisteren gebeurd. We hoorden vanuit onze slaapkamer zoals gewoonlijk de eerste trein passeren om vijf vóór vier. Het was de “koolmijnerstrein” (Gent-Blaton) die met onze Vlaamse mijnwerkers naar de “fosten” reed. Zoals gewoonlijk reed de trein ons huis voorbij maar kort nadien hoorden we het knarsen van de remmen. De trein stopte. We vonden dat al eigenaardig. Enkele uren later vernamen we wat er gebeurd was. Gaston Devos en zijn zoon Michel hadden hun plannetje uitgevoerd. De familie Devos woonde toen op het Holand nu huisnummer 7. Tijdens de nacht hadden ze halfweg de tunnel enkele rails losgemaakt. Dat was op de plaats waar de tunnel een lichte bocht maakt. Zij lieten de trein stoppen en verplichtten de machinist de locomotief af te koppelen. Dadelijk werd hij weer onder stoom gezet. De machinist sprong eruit terwijl de machine langzaam op dreef kwam en het donkere gat binnen reed, richting Louise-Marie. Na enkele ogenblikken hoorden ze een schurend geluid gevolgd door zwaar gedonderd. De locomotief was gekanteld en de tunnel was geblokkeerd.

    Maar wat was de bedoeling van die gevaarlijke onderneming. Wel het zat vele burgers hoog dat de goede, vette steenkolen uit de Borinage en andere rijkdom van ons land voor hun neus voorbijreden richting Duitsland. Wij moesten ons tevreden stellen met kolen van heel slechte kwaliteit. Bovendien waren de geallieerden op 6 juni geland in Bretagne en ze maakten snel vooruitgang. Deze sabotage kon alleen maar de aftocht van de bezetter vertragen.

    Wij en alle buren profiteerden van de gelegenheid om de steenkolen uit de tender te halen. Volle kruiwagens werden naar huis gevoerd. De volgende winter zal het feest zijn rond de warme kachel. De tunnel werd pas vrijgemaakt door de Engelsen na de bevrijding.

    Al bij al een gevaarlijke onderneming die sabotage want gewoonlijk waren de Duitsers na een aanslag uit op weerwraak. Dorpen en buurten waar de bezetter een duidelijke weerstand ondervond werden steeds zwaar aangepakt. In een handomdraai werden dorpelingen verzameld en een vuurpeloton deed de rest. Gelukkig voor onze dorpbewoners hadden de Duitsers  in augustus dringender zorgen. Zo niet…!”


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (9 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.29. Aan 't lindeke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


     

             ’t Lindeke in zijn wintertenue

    Deze Hollandse linde(v. en m.) is reeds lang een uit de kluiten gegroeid lindeke.  Met zekerheid werd hij aangeplant begin 1800 want op de Vandermaelenkaart  uit 1851 komt deze "tilleuil" als merkteken voor. De oudste autochtone Nukerkenaren hebben de boom er altijd weten staan. Na al die jaren noemen wij hem nog steeds “het lindeke” ondanks zijn hoge leeftijd en zijn stoer uitzicht. Het is niet enkel een boom maar tevens een plaatsnaam, ja zelfs een groen monument, een kleine reus van 14 m hoog en een buikje van 4 m omtrek. Zuster Gula van de katholieke school begeleidde jarenlang haar leerlingen van school tot aan de linde. Daar scheidden de wegen want twee voetwegen kruisten mekaar. In omzeggens elke windrichting vertrok een wegje. Geen mens heeft tot heden de linde zijn geheimen kunnen ontfutselen.Teder en zacht zoals hij is heeft hij talrijke verliefde koppeltjes uit voorgaande generaties in zijn brede mantel van jonge groene fluwelen blaadjes omarmd. Geen woordje ging verloren, geen zoentje of smakje werd gehoord. En het onzelievevrouwebeeldje daar boven tegen de dikke stam keek van uit het kapelletje liefelijk toe en wenste de jonge mensen veel geluk. Hoeveel kerkgangers op weg naar de dienst troffen mekaar hier ‘s zondags. Tijd dus om nieuwtjes door te geven. En dan: “Allez tot volgende week!” Maar menigmaal was ’t lindeke ontroerd telkenmale hij de oude pastoor met grote schreden zag voorbijkomen, lichtjes voorovergebogen, Ons Here dragend, op weg naar een berechting. Zijn dienaar droeg een lantaarn en rinkelde de bel als ze een woning naderden.

    Het was reeds lang gebruikelijk bij onze voorouders dat lindebomen werden geplant bij de boerderijen, op kruispunten van steen- en aardewegen, langs dreven, op dorppleinen, aan een herberg (bij de stamenie “In de sterre” stonden er zelfs 3 lindebomen). Het mocht al eens meer lukken dat we drie linden bij mekaar zagen aanleunen. Eenvoudige huisjes stonden al eens in de schaduw van een lindeboom. Op vele plaatsen stond de veldkapel onder de beschermende kruin van een stoere linde. En in de hoek van menig boomgaard waakte een linde. Veelal werd aan de boom een godsdienstig beeldje of kapelletje gehangen, toegewijd aan  O.-L.-Vrouw. Soms werd aan de voet van de boom een kruisbeeld geplaatst.  Al deze Vlaamse gebruiken stammen uit de tijd van onze Germaanse voorouders. Toen was de lindeboom toegewijd aan de godin Freia. En was zij niet “de godin der minne”? De mooie lindeboom bracht immers liefde, huwelijkstrouw en …geluk in het huisgezin. Ook in de middeleeuwen speelde de linde een belangrijke rol in het volksleven en in de volksoverleveringen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De laatste suisse in de kerk te Nukerke

    De laatste suisse in de O.-L.H.-Hemelvaartkerk te Nukerke was Richard Couvreur die in een klein boerderijtje woonde langs de Mellinckstraat nr 5 te Nukerke waar nu reeds de vierde generatie woont. Een suisse is een ordebewaarder die aangesteld werd in sommige katholieke kerken. Ze droegen een uniform met vermelding “politie” (zonder politiönele macht natuurlijk) met staf of hellebaard (hier in de betekenis van een strijdbijl aan een lange spies) en een bandelier, een brede draagriem of band over schouder en borst. Hun taak bestond erin o.a. praters en telaatkomers terecht te wijzen en oneerbiedige houdingen te verbieden, o.a. het dragen van hoed of klak. Zatteriken werden zonder veel onthaal naar buiten verwezen. Kinderen keken met heel veel ontzag die strenge man aan en durfden geen vin te verroeren. Dat fel blinkend koperen strijdbijl gaf geen vredig gevoel. Athans, zo heb ik het beleefd.

    Richard Couvreur werd “geboren te Etichove den 18 September 1878 en godsvruchtig in den Heer ontslapen te Nukerke den 14 Mei 1933, voorzien van deHH. Sacramenten der stervenden. Hij was lid van de confreriën van het Allerheiligste Sacrament,- het H.Hart,- de Derde Orde van den H. Franciscus en van den H. Franciscus-Xaverius.”

    Uit het doodsprentje of bidprentje vernemen wij dat Richard weduwenaar was in een eerste huwelijk met Odile de Catelle en bij het sterven de echtgenoot was van Adèle Aelvoet.

    De tekst op zijn doodsprentje luidt verder als volgt:

    “Gelukkig den mensch die de dood steeds voor ogen heeft en zich dagelijks bereidt om te sterven. Nav.Christi X.

    Hij gaf luister aan de feesten en verheerlijkte de hoogtijden tot het einde van zijn leven, opdat men den Heiligen Naam der Heeren zoude prijzen en in den vroege morgen Gods heiligheid verkondigen. Eccl.XLVII,12.

    Vaarwel, Beminde Echtgenoote, Kinderen en Kleinkind, troost u, we zullen elkandr wederzien. Duurbare vrienden, lange jaren was ik voorU in de kerk op mijnen post, gedenkt U mijner, Gij, die daar missen of goddelijke diensten bijwoont. Mijne zusters en dochters den Heer in ‘t klooster toegewijd, op uw aandenken in ’t gelid betrouw ik het meest.

    H. Hart van Jezus, wees mijn heil. 500 dag. afl.

    Zoet Hart van Maria, wees mijn toevlucht. 800 dag. afl.”

    Het bidprentje werd gedrukt in de Drukkerij P.Hoffmann te Nukerke.

    Zijn tweede kleinkind, een jongen, kreeg zoals toen gebruikelijk was, bij zijn geboorte in 1934, de naam van grootvader, nl. Richard.

           We begrijpen best waarom Richard die voorname taak kreeg toebedeeld van pastoor Reyns. Hij stamde uit een diep christelijke familie; hij had immers twee zussen en 2 dochters die kloosterzuster waren.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dit volledig bakstenen kapelletje tref je aan op de hoek van de Weitstraat en de Keistraat. Het is een typisch klein veldkapelletje, gedeeltelijk gebouwd in de hoge berm. met een hoogte van 1,99m, een breedte van 1,18m en een diepte van 98cm. Het werd gebouwd op het land van een zekere Goedgebuur uit Gent en ’t is het altijd gebleven, toch tot in de jaren 90.. Charles Vander Eecken, een landbouwer die zijn bedrijf runde op de hoek van de Keistraat en de Holandstraat pachtte het van de eigenaar Goedgebuur. Volgens hem heeft de eigenaar de kapel zelf laten bouwen. De juiste datum is echter onbekend. Wel zou het vóór 1900 zijn gebouwd. .De veldkapel werd juist daar gebouwd, op deze hoek, niet enkel omdat ze eigenaar van het perceel grond waren maar tevens omdat de familie diep gelovig was. Het werd niet samen met een ander gebouw gezet (b.v. een woning) .Het werd toegewijd aan O.L.Vrouw, want er heeft steeds een oud beeldje van O.L.Vrouw in gestaan. Lange tijd heeft de familie Van Maelzaeke de kapel onderhouden. Er werden regelmatig bloemen bijgezet en af en toe brandde er binnen een kaars. Vooral tijdens de meimand gingen de buren regelmatig de bloemen verversen en werden er nieuwe kaarsen op de kandalaars geplaatst.. Het kapelletje heeft geen naam. Volgens Charles is dat te wijten aan het feit dat hier nooit een bedevaart naar de kapel plaats had. “Als het nodig was dan ging nonkel Ernest destijds het kapelletje witkalken.” Maar, na vele generaties begon de kapel te verkommeren. Meer nog, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kapel getroffen tijdens een luchtaanval en bijna volledig verwoest. Nadien werd het min of meer hersteld. Maar na het verbreden en betonneren van de Weitstraat in de jaren 80 werd er niet veel meer naar omgekeken, op het plaatsen van enkele veldbloemen en een kaarsje na. Hoewel, het bakstenen kapelletje werd al eerder gerestaureerd door Ernest Everaert. De ouders van Bertha Van Maelzaeke hebben toen het werk en de materialen bekostigd.

    Tot in de lente van 1980 door de Koning Boudewijn Stichting de actie “Met open oog op weg” op touw werd gezet. De bedoeling ervan was plaatselijke besturen, scholen, verenigingen, buurtcomités,… aan te sporen om kleine projecten in de onmiddellijke omgeving onder handen te nemen en de nabije omgeving aangenamer te maken. De derde graad van de Gemeentelijke Basisschool zou zich inzetten tot het opsmukken van deze veldkapel. Maar hoe troffen ze het bouwwerkje aan? Het voegsel verpulverden tot zand en de voegen zaten vol aarde. Niet te verwonderen, want cement was er bij de bouw niet aan te pas gekomen. Toen bouwde men nog met kalk en zavel. Ook hoekstenen kwamen los en nog erger, de natuur ging zijn gang en weldra drongen de wortelen van gras en netels zich in de voegen. Aan de achterzijde groeide een vlierstruik wiens wortelen in de voegen vastzaten. De linker zijkant vertoonde een scheur. Het dak was al eens hersteld want er staken rode bakstenen tussen. Een groot deel van het gebouwtje zat onder de aarde die de berm was afgegleden.

    Gedurende 10 dagen, van 18 maart tot 4 juni 1980 werkten groepjes kinderen aan de verfraaiing. Er werd geklopt en geschuurd, gemetseld, gevoegd, geverfd en geplaveid  Na het binnen sturen van het dossiertje ontving de school een subsidie van 2000 fr. Daarmee werd het materiaal bekostigd nl. 145 kg cement, 130 kg zavel, 40 kg glaskorrel, 15 bakstenen, witte verf, kasseistenen, een slotje, schuurpapier, een drankje voor de werkers, foto’s, administratie…

    Zo werd het oude kapelletje in een nieuw kleedje gestopt en kon het weer een paar generaties verder… tot een jaar later op een zonnige dag een maaimachine van de gemeente het kapelletje tijdens het maaien raakte en neerlegde. De gemeentewerkman Fernand Ruelle heeft dank zij de plannetjes met de juiste afmetingen de kapel in haar oorspronkelijke vorm kunnen opbouwen.. Sindsdien staat het weer te pronken in een vergeten hoekje.

    Verhalen

    Een overlevering wil dat er heel lang geleden rond de kapel werd gespookt.

    En een waar gebeurd verhaal vertelt dat een zekere Deruyver , een pelsjager (of is het pensjager) hier zou verongelukt zijn door een schotwonde veroorzaakt door zijn eigen karabijn.


    In 1980 schreef een plaatselijke reporter in de krant volgend artikeltje.

    Een vervallen kapel te Nukerke

    Maarkedal.- Keurig onderhouden, door bereidwillige buren, zo was ruime tijd de kapel langs de Weitstraat te Nukerke. Vroegere meimaanden stond het veldkapelletje te pronken, Maria ter ere en Nukerke ten bate. Witgekalkt beheerste het de rust van de omgeving aan de hoek van de Keistraat. Maar nu schijnt niemand zich nog over het kapelletje te ontfermen.De belangloze inzet van zovele jaren, is er niet meer. Het mag niet zijn dat aangelanden de kapel laten verkommeren. Een zeker respect dringt zich op voor de landelijke kapellen, tastbare getuigen van betere en vromere tijden. Wegenwerken hebben het kapelletje lelijk verminkt, met uiteindelijke herstellingswerken kreeg het weer een dak. Het werd een kapel zonder kruis. Overgeleverd aan wie ook, heeft de kapel er een zieltogende aanblik gekregen. –(D.R.)

    Even een rechtzetting: het veldkapelletje heeft nooit een kruis.gehad.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    05-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Pentekening naar een oude foto. Deze woning stond tot in de jaren 60 op de hoek van de Ommegangstraat en de Rubberigtsbank. Gentil De Wilde heeft er nog in gewoond. Deze woning werd later omgevomd tot een tweewoonst. Deze oude woning, met strooien dak, stond aan de ingang van Nukerks bos. De dreef rechts is nu de Rubberigtsbank.

    Is de  grote Vlaamse componist Lambert (Lambrecht) Lambrechts vergeten? Heeft hij geen 600 Vlaamse liederen gecomponeerd ?

    Lambert Lambrechts werd geboren op 21 juli te Hoesselt en arriveerde in Ronse in 1889 toen hij werd aangesteld als leraar (regent) in de Rijksmiddelbare school te Ronse. Het was de tijd van K. Desutter en August Desutter, A. De Hovre, K. Huysmans en Cyriel Buysse…

    “Lambrechts heeft het “Lied van de smid” gemaakt nadat hij vriendschap had aangeknoopt met een smid in Louise-Marie. Van deze laatste heeft hij trouwens een volledig met de hand gesmede hamer gekregen.” (Annalen Ronse)

    Hier volgt een bloemlezing uit "Reisjes in Zuid-Vlaanderen"

    Naar den Muziekberg.

    Ten Noord-Oosten van Ronse rijst de Muziekberg. Daar gaan wij heden omdolen en eene frissche lucht inademen. Wij verlaten de Groote Markt en volgen de Gasthuisstraat, de Biezenstraat en de Beekstraat. Verder loopt een kronkelende binnenweg naar de hoogte.

    De Muziekberg is, evenals de Hootond, 150 meters hoog. Een woud bedekt het grootste gedeelte zijner kruin.

    Hoor eens, hoe het windje door de bladeren ritselt, hoe de kerfdiertjes gonzen, hoe de vogelen kweelen! Zie eens, hoe de warme stralen der zon door het looverdak der boomen dringen en gouden strepen op den grond tooveren! 

        o Woud, vol vrede en lommer,

            Met diepe eerbiedenis

        Betreden wij uw boorden,

            Zoo rustig, groen en frisch. 

        Wij dwalen rond en luisteren...

            En alles spreekt tot ons:

        Het lied van vink en lijster,

            Der bijen stil gegons; 

        Het wuiven van de twijgen,

            Der bloemen heerlijkheid...

        o Woud, wat zijt gij statig,

            Vol ernst en majesteit! 

    Talrijke gangen en lanen doorkruisen het bosch. Jammer maar, dat men alle oogenblikken een ondeugend plankje ziet hangen met de vermaning: "Het is streng verboden hier door te gaan."

    Van tijd tot tijd vinden wij eene open plaats, waar wij een prachtig uitzicht hebben.

    Op zulk eene plaats, in het midden van het bosch, staat een torentje, uit etssteen opgebouwd en met eiloof begroeid. Hier is het hoogste punt van den berg. Het torentje is nagenoeg tien meters hoog. Het heeft tien ronde kijkgaten en laat ons, over het struikgewas en geboomte heen, naar alle zijden blikken.

    Het panorama, dat wij aanschouwen, is wel zoo schoon als dat van den Hootond. Maar wij beweren, dat het grootscher is, omdat de wilde natuur in hare maagdelijke schoonheid hier een ruimer aandeel heeft. In het Zuid-Westen ligt Ronse, met zijne torens, schouwen en daken, langs alle kanten met hoogten en bosschen omringd. In het Oosten rijzen de heuvelen, die naar Geeraardsbergen voortloopen. Elders gaat het oog over bergen en dalen, over gehuchten en dorpen, over huizen en molens. Daar treft het gefluit van eenen naderenden stoomwagen onze ooren. In de diepte snelt hij kuchend voort, weldra verdwijnend in den onderaardschen gang van het nieuwe dorpje Louisa-Maria. Een gedeelte van den Muziekberg is hedendaags eene warande met bronnen, waterleidingen en vijvers. Niet verre van het reeds genoemde torentje staat een hooge boom, die een klein kruisbeeld draagt. De christen wandelaar ontdekt eerbiedig het hoofd, en dankt inwendig ons Vlaamsche volk om zijne godsdienstige overtuiging. Eenige stappen verder vinden wij eene hofstede. Voor het woonhuis ligt eene groote weide.

    Ten jare 1821 poogde M. van Hoobrouck, van Mooregem, den wijnbouw te drijven op de zuidelijke helling des bergs. De oogst van 1827 was nog al bevredigend. Den 10 October kwam M. van Doorn, destijds gouverneur van Oost-Vlaanderen, de teelt in oogenschouw nemen en aanmoedigen. Nadat hij den eersten tros had afgesneden, vielen de werklieden aan den arbeid. De eigenaar oogstte twintig stukken wijn. Nochtans was hij naderhand gedwongen van de onderneming af te zien. Maar het wordt stillekens avond. Moede geklommen en moede gekeken, rusten wij eenige oogenblikken op het gras, en dalen dan den berg af. De ondergaande zon werpt heure leste stralen over het landschap; lichte wolkjes zweven in de lucht. De wind schijnt ook moede te zijn van het spelen en dartelen, en houdt zijnen adem in; de vogelen zingen hun slaapliedje onder de bladeren der boomen.

    Daar verdwijnt de zon...

    Een dunne nevel drijft boven de velden.

    Ginds zingt een klokje: Ave, Maria!

    Eene geheimnisvolle kalmte heerscht omhoog en omlaag.

     

            Wat is de kalmte streelend zoet,

        Dat suizen en in sluimer zijgen,

        Dat plechtig stil en stiller zwijgen,

            Die rozenkleurige avondgloed!

        't Is of de rust rondom ons henen

            Een zachter inborst in ons stort;

            't Is of ons harte ruimer wordt,

        En wat er boos was, is verdwenen.

            Een onbestemd en diep gevoel

        Ontwaakt en trilt er in onze aren...

        Wie mocht dien indruk nooit ontwaren?

            Wien laat dat purprend Westen koel?

        Nu zweven als op donzen schachten

            Geliefde beelden om ons heen;
            Nu wemelt droom aan droom dooreen,

        En zielsgepeinzen en gedachten.

            De ontroering grijpt ons in 't gemoed;

        Haars ondanks wordt de ziel bewogen;

            Er klopt een heimwee in ons bloed;

        Soms wisschen wij een traan uit de oogen,

            Onwetend wat hem drupplen doet.

     

    Uit Reisjes in Zuid-Vlaanderen Theodoor Sevens



    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (5 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.38. Woning van de familie Van Malleghem
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              Potloodtekening van de oorspronkelijke woning met paardenstal en remise (koetshuis).
    Huis Van Malleghem” in Nukerke-dorp. Deze woning dateert van vroeg in de 18de eeuw want ze staat aangetekend  op de Ferrariskaart opgemaakt in 1777. Het gebouwtje links van de woning  werd gebouwd als parochiale bewaarschool.  We kunnen voorlopig aannemen dat de familie Van Malleghem de grond afstond en op eigen kosten het gebouwtje liet oprichten. Op een grafsteen lezen we “Geloofd zij Jezus Christus Amen. Ter Zaliger gedachtenis van Petrus Augustinus Van Malleghem geboren te Nukerke Den 29 november 1775 aldaar overleden den 15 maart 1858  van zijne echtgenote Anna Theresia Van De Putte  geboren te Nukerke Den 30 september 1795 van hun kinderen  Amelia Clemence geboren te Nukerke 17 December 1821 en aldaar overleden 7 april 1903  Victor Geneesheer en Oud-Burgemeester der gemeente Nukerke  geboren den 22  dec 1827 en overleden De 2 mei 1900 en zijne echtgenote Rosalie De Tollenaere 1835-1905  De Zeer Eerwaarden Desiderius-Augustinus Titularis Kanunnik van S.Baafs  Hoofdkerk geboren Nukerke Den 14 januari 1831 en overleden  te Gent De 29 januari 1890.
    "Het jaer 1900 2 mei is overleden om half een uur des nachts ten zijne huize en ten gehuchte Plaats Van Malleghem Victorianus-Franciscus oud 72 jaar, dokter in de geneeskunde ten gehuchte Plaats, echtgenoot van Rosalie De Tollenaere oud 67 jaar zonder beroep en alhier wonende, oud-burgemeester der gemeente (1895), alhier geboren en hier wonende en zoon van wijlen Augustianus en van wijlen Theresia Vande Putte beide alhier overleden. Twee zonen komen het overlijden aangeven nl.Octaaf Van Malleghem oud 35 jaar Substituut-Prokureur des Konings te Gent en Hector Van Malleghem oud 29 jaar onderpastoor te Herdersem."
    Deze familie was  blijkbaar zeer invloedrijk en bezat veel gronden. Van Malleghem was tevens weldoener en geldschieter voor  de katholieke gemeenschap te Nukerke. En zo komen we aan de “ontwikkeling van de parochieschool”. Aldus een oude tekst.” In 1877 deden de Z.E.H. Kan. Désiré Van Malleghem en zijn zuster Clémence, een klooster en een school bouwen te Nukerke. De E.H. Pastoor  De Groote vroeg Zusters van Barmhartigheid om klooster en bewaarschool te bedienen. De eerste Zusters: Moeder Raphaël, Zr Felicitas en Zr Birgitta kwamen er den 8 Juli 1877 toe, en werden er aan de goede zorgen van de E.H.Pastoor toe vertrouwd, die aan de Zusters het aller nodigste bezorgde en ieder jaar 100 fr per Zuster aan het Moederhuis zou betalen. De Zusters van de bewaarschool kenden groten bijval: na 8 dagen waren er reeds 81 kinderen. In 1879 werd een jongensklas naast het klooster gebouwd, waar een onderwijzer fungeerde. Tijdens den schoolstrijd 1879-1884 stond het klooster twee lokalen af aan de school. In één dier klassen gaf Zr Reinilde, later Algemene Overste, het onderricht. In 1884 worden Lagere- en Bewaarschool aangenomen. Het leven der school heeft nu een normaal verloop: uitbreiding en verbetering naarmate de schoolbevolking toeneemt of de eisen der hygiëne en gerieflijkheid zich deden gelden. Mei 1940 bracht over ’t klooster de grote beroerte. Reeds den 12 Mei kwamen de eerste vluchtelingen. De scholen werden ontruimd en ingericht als nachtverblijf. Den 20 Mei waren de Duitsers daar. Ze vertrokken slechts op 1 juni. Gauw werd echter alles in orde gebracht. Verder verliep alles rustig.

    Op het doodprentje van D.-A. Van Malleghem lezen we de hoogtepunten in zijn leven

    “Bid voor de ziel van den Zeer Eerw. Heer Desiderius-Augustinus Van Malleghem

    te Nukerke geboren                 14 Januari 1831

    In het Seminarie getreden         1 Oktober 1853

    Priester gewijd teGent             20 December 1856

    Onderpastoor te Pamele         22 December 1857

    Coadjutor van den Z.E.H.Verduyn in S. Nicolaas te Gent 3 Januari 1859

    Onderpastoor in S. Nicolaas Gent           24 Mei 1869

    Algemeene Bestuurder der Zusters Franciscanersen van Gent 19 Januari 1871

    Eerekanunnik van Sint Baafs                   25 Juli 1877

    Dekanale schoolopziener                          22 September 1879

    Titulaire Kanunnik                                     16 Juli 1888

    Godvruchtig in den Heer ontslapen te Gent 29 Januari 1890”

    Opmerking: we stellen vast dat deze priester op het moment van het hoogtepunt in de schoolstrijd schoolopziener werd op een moment dat het katholiek onderwijs werd opgericht en de bouw werd begonnen van duizenden katholieke dorpsscholen.
    Palend aan de Zakstraat ligt de “Dekenije”, (naam gebruikt in de volksmond). Zo duidde het volk vroeger de goederen van het kapittel aan. Hier in Nukerke bedoelde men de landerijen van de familie Van Malleghem wiens  zoon dekanale opziener werd.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.34. Het kerkje te Zulzeke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

          Kerkje van Zulzeke (tekening in opbouw)

    Zulzeke is een kleine deelgemeente van Kluisbergen met een oppervlakte van 562 ha en 627 inwoners in ‘70. De landelijke dorpsplaats bezit een gezellige taverne “In ’t oud gemeentehuis” uit 1841. Het is de laatste van de vier herbergen die er waren tot de jaren 80. Verder is de mooie St-Janskerk een bezoekje waard. Het is een driebeukige hallenkerk met oude vierkante westentoren met harstenen onderbouw. Het voorkomen van de kerk is 18de eeuws maar er zijn talrijke oude sporen. De kerk, het omringend kerkhof en de kerkhofmuur zijn beschermd als monument en als landschap (K.B. van 29 oktober 1975). De binnendecoratie is 17de en 18de eeuws met toch nog een zuideraltaar in de renaissance stijl (ca 1600). Het hoofdaltaar is 18de eeuws. Boven het altaar prijkt het schilderij “Jezus verschijnt aan Maria-Magdalena (Vlaamse school, einde 17de eeuw).

    De pastorij, aan de noordzijde van de kerk, is in 2007 verkocht aan een particulier

    De inwoners van Zulzeke en Nukerke leefden vroeger nauw verbonden met elkaar. Men zocht er al eens zijn partner en beide gemeenschappen namen deel aan elkaars feesten. Zo was de jaarlijkse geitenkeuring, een echte volkstoeloop. En met Sint-Jan in ‘t water was het kermis. Veel inwoners van Zulzeke sloten aan bij het verenigingsleven van Nukerke. We denken hier aan BGG, het Werk van den akker, het davidsfonds… Niet te verwonderen dat bij de fusie van de gemeenten in 1976 men plannen had om het deel van Nukerke ten westen van de Rijksweg bij Kluisbergen aan te sluiten.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (3 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    04-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.37. Aan Den Engel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Zicht op de oude steenweg of Staatsbaan te Nukerke richting Oudenaarde. Beeld van vooraan 1900. Blijkbaar was de weg toen nog een grindweg. Links de statige woning van de brouwerij T'Sjoen en rechts de herberg den Engel. Dit mooie beeld is voorgoed verdwenen. Geheel de buurt werd tijdens de jaren 70 met de grond gelijk gemaakt voor de aanleg van de expresweg N60.
    De tekening is nog niet volledig afgewerkt.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (7 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.35.Pastorie te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De pastorie uit de tijd toen het gebouw nog gezag en eerbied uitstraalde bewoond door een parochiale herder die instond voor de christelijke opvoeding van de gemeenschap. De tijd dat menig gezagdrager of hoogwaardigheidsbekleder hier zijn voeten onder de tafel mocht zetten dateert al uit vorige eeuw. De talrijke dorpelingen die hier destijds over de vloer kwamen kunnen getuigen hoe mooi het interieur was. In 1901 werd de aanvraag voor de bouw van deze pastorie ingediend. De bouw werd gerealiseerd in 1903- 1904 door het gemeentebestuur. Later werden er nog bijgebouwtjes aan toegevoegd.
    Beste lezer, kom toch even mee binnen in dat eens zo prachtig gebouw. De hoge voordeur geeft toegang tot een brede gang. Halverwege  sluit een mooie dubbele deur, met prachtig gekleurd brandglas, het privégedeelte af.  Rechts kom je de spreekkamer binnen. Een plaats waar menigeen zijn zijn/haar hartje kwam luchten. Van hier geeft een dubbele deur  de hoge bezoeker toegang tot de grote ontvangstkamer, bemeubeld met een eetkamer en een lederen salon, waar bisschop en deken meermaals de voeten onder tafel staken. De andere helft van de woning bestaat uit de keuken en de werkkamer, gescheiden door een gang. Naast de keuken is er nog een klein schotelhuis met twee roodglanzende koperen handpompen op de blauwstenen pompsteen. Een mooie sierlijke trap brengt ons naar de eerste verdieping met 6 slaapkamers en een kleine badkamer. Bijzonder aan de slaapkamer van de pastoor is het smeedijzeren hek dat de slaapkamer van de pastoor afsluit van de rest van de woning. De ramen van deze slaapkamer zien bovendien voorzien van stevige tralies. Geen enkel onverlaat kan hier de pastoor overvallen. Naast de grote slaapkamer is de kamer waar eertijds de kapelaan sliep. Tussen de 2 slaapkamers achteraan is er een lokaalje dat dienst doet als archief. Buiten, aan de oostkant van het gebouw bevinden zich 2 w.c.’s en het washuis. Aan de westkant was er een kolenhok, maar tijdens de periode van pastoor Van Poucke werd een mini-chauffage geïnstalleerd. Achter de pastorie ligt een grote tuin met boomgaard. Het keukenwater werd sinds jaar en dag aangevoerd vanuit een steenput onder het oude gemeentehuis. In de jaren 60 werd die put echte vervuild met smeerolie. Vanaf dan werd de watertoevoer voorzien vanaf het kindertehuis waar een heel diepe steenput was. Pas vanaf 1975 kreeg de pastorie leidingswater toen Nukerke aansloot op de watervoorziening van het TMVW. In 1963, ten tijde van pastoor Van Pouck de Knyf werd een deel van de kelder omgevormd tot garage. Sinds het vrijkomen van de pastorie logeert het OCMW van Maarkedal er asielzoekers. Dit eertijds zeer eerbiedwaardig huis werd gedegradeerd tot asielhuis bewoond door  mensen waarvan sommigen een godsdienst beleiden die sinds mensenheugenis haaks staat op het christelijk geloof zoals dat eeuwenlang door onze dorpsherders werd verkondigd. Hoe een dubbeltje rollen kan…. Een eeuwenlange traditie ging verloren. Is de pastoor definitief weg ? 
    Vanaf 2014 werd het logeren van asielzoekers afgebouwd wegens te kostelijk. Ondertussen was het gebouw binnenin “volledig afgeleefd”.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    03-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.48.Goet ten Broecke met watermolen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Watermolen behorend tot het "Goet Ten Broecke" te Kluisbergen, in de deelgemeente Zulzeke, buurgemeente van Nukerke. De molen draagt de datum 1870. Dit jaartal wijst enkel op een herstelling want de oorspronkelijke molen moet veel ouder zijn.

    Uittreksel uit het Ministrieel Besluit van 14 juli 2004 :
    Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumente, stads- en dorpsgezichten…
    Wegens“De artistieke, historische en industrieelarcheologische waarde van de hoeve genaamd “Ten Broecke” met inbegrip van het erf met toegangspoortje , de oude molenvijver, het aanpalend deel van de Molenbeek met oevers en flankerende bomenrij, de aangrenzende gekasseide toegangsweg met twee bruggen, het watermolenhuis met strekdam, woelkom, drie bijhorende linden en het sluiswerk met uitsluiting van de recente bedrijfsgebouwen) gelegen Kapoenstraat 18 te Kluisbergen (Zulzeke)
    De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten een voormalig foncier (hoeve) van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangrijke getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. Expliciete materiële resten van deze historische oorsprong zijn onder meer de terp en oude overwelfde kelders waarop in 1729 de kern van de hudige woning werd opgericht, het toegangspoortje ter hoogte van de oude toegang, de omgrachting gevormd door het deel van de Molenbeek met zijn twee gemetste bruggen en de aanpalende oude spaarvijver.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.47. Goet ten Broecke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

           De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten en voormalig foncier van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangwekkende getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. (Ministerieel Besluit 14-07-2004). De woning werd in 1911 voorzien van een pannendak.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Potloodtekening van wat overblijft van de vroegere hofstede van Francis Vander Eecken. Deze werd in Ronse geboren in 1847.  In Nukerke baatte hij de hoeve uit beneden de Diericskstraet. Hij was gehuwd met Melanie Vanderdonckt. Ze hadden samen 7 dochters en 1 zoon Laurent. Zo kwam Francis hij op de burgerlijke stand, in de leeftijd van 49 jaar, de geboorte melden van zijn dochter Celesta Adolphine geboren op 31 mei 1896. 
    Francis was gedurende 30 jaar burgemeester van Nukerke. Naar we vernamen kreeg hij een eerbewijs voor bewezen diensten van koning Leopold II. In de woonplaats van deze hoeve droeg een houten balk  het jaartal 1764. Deze balk werd bij verbouwing van de vorige boerenwoning opnieuw gebruikt. Bij onderzoek bleek immers dat de balk veel ouder scheen te zijn dan het metselwerk van de voorgevel.

    Deze hoeve staat beschreven als “bakstenen hoeve met min of meer U-vormige aanleg, thans onbewoond (2011). Lang Z-O georiënteerd boerenhuis van 10 trav. Onder pannen schilddak en loodrecht zadeldak ter hoogte van één travel.; naar verluidt binnenin balk met jaartal 1870 doch teruggaand op oudere hoeve. Per twee gegroepeerde getoogde vensters met hardstenen lekdorpel in de voorgevel. Twee rechthoekige voordeuren in gesinterde bakstenen omlijsting met oren en gestrekt druiplijstje; gelijksoortige achterdeur."

    De burgerlijke stand vermeldt ook ene "Vander Eecken Charles, Henri,  August, Francies zonder beroep en alhier geboren den 10de oktober  1889 ten gehuchte Dierixkstraat is overleden in 1905".

    De enige zoon Laurent is in juli 1924 verongelukt aan de onbewaakte spooroverweg  op de Mellinckstraat. Hij was op weg naar de molen Van Malleghem met een volle wagen koren. Wagen, paarden en voerman, allen waren op slag dood toen het span door een trein werd gegrepen. Laurent liet zijn vrouw, Leonie Van Oosthuyze achter met een kindje van elf maanden. Uit haar tweede huwelijk met Waelkens Maurice werden nog drie kinderen geboren.De oudste zoon André heeft het landbouwbedrijf verder gezet. De gesloten hoeve had een strodak dat in 1930 vervangen werd door pannen. Eerst kwam de woning aan de beurt. Pas jaren later werden de schuur en de stallingen ook vernieuwd. Volgens André heeft zijn vader die karwei zelf geklaard.

    In 1993 stopte André Waelkens en zijn vrouw alle landbouwactiviteiten op de hoeve. Deze werd verkocht in 1995 en kwam nadien zeer snel in verval. Deze tekening geeft een beeld van de toestand eind 2011.

    De burgemeester komt aangifte doen van een overlijden.

    In het jaar 1905 komt Francis Vander Eecken, burgemeester, oud acht en vijftig jaren en Laurant Blommaert gemeentesecretaris oud zeven en veertig jaren aangifte doen van een overlijden “ten gehuchte Dierixkstraat overleden is Vander Eecken Charles- Henri-Angele-Francis zonder beroep en alhier geboren den tienden October achttien honderd negen en tachtig ….”

     

    Iets hogerop, in de bocht, stond toen nog een hoeve, eigendom van Blommaert uit Etikhove, maar bewoond door de familie Dekeyser. Deze hoeve brandde een paar keer volledig uit. Zo’n oude hoeve met veel hout en stro was een gretige prooi voor een vuurtje en blussen was onbegonnen werk. Een telefoon en de brandweer kende men hier nog niet. Bij de eerste brand in de jaren dertig kregen de bewoners van het afgebrand hof onderdak in de boerderij van Waelkens Maurice. Ondertussen werd boven de woning een hele hoop stro getast zodat het gezin er terug zijn intrek kon nemen. Sinds die gebeurtenis kreeg de hoeve de naam “’t verbrand hof”. Lang bleef deze hoeve niet meer bewoond en verviel in puin. Toch maar een akelig boeltje voor kinderen die daar voorbij kwamen en des te meer was het benauwend toen zich in de jaren 50 een zekere V. er zich verhing. Monske Rousseau gebruikte er nog enkele jaren een gebouwtje als schuur. Rond de jaren 70 werd het boeltje opgeruimd en het erf werd een akker.

     
    Maria Celesta Adolphine is geboren op 31 mei 1896 om negen uur ‘s avonds, dochter van Francies Vander Eecken oud 49 jaar en landbouwer en geboren te Ronse maar alhier wonende ten gehucht Dierixstraat te Nukerke en tevens dochter van Melanie Vanderdonckt  44 jaar geboren te Nukerke en van beroep huishoudster.

    Overlijden." In 1905 is overleden Vander Eecken Charles, Henri,  August, Francies zonder beroep en alhier geboren den 10de oktober  1889 ten gehuchte Dierixkstraat."

    Over de Dieriksstraat. “Dierick komt in1396 voor als pseudoniem voor Leene Diederijxs. Diederik is een tweestammige Germaanse naam en betekent zoveel als machtig onder het volk."

     

    Bijlagen:
    Waelkens klein.jpg (88.2 KB)   


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (6 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.42. Kapel van mere.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kapel van de Mere

    Feitelijk staat de kapel langs de Oude Heerweg. Deze O.-L.-Vrouwkapel zou opgericht zijn in 1868 door de familie De Bisschop. Deze grote bakstenen veldkapel met pannen gedekt, zo stond er tot 1970 een zelfde kapel op de hoek Pontstraat Holandstraat, is toegewijd aan O.-L.-Vrouw van Lourdes. Tot de jaren 80 waren deze kapellen een oord van gebed en devotie tijdens processies en bedevaarten.
    Dit olieschilderijtje is vermoedelijk geschilderd rond 1950 en is een werk van de amateurschilder Van Coppenolle die toen woonde in het Zeitje.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.41. De site rond het Waterkasteel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een mooie legende over het Waterkasteel

    Volgens een oud volksverhaal stond ooit in D’Aubeke een waterkasteel. Die benaming is afkomstig wegens het feit dat er rond die velden langs het beekje, meermaals dauw hing. In de oude atlas staat die plaats vermeld bij nr 114 als D’Aubeke en bij nr 115 als D’Aubeke pad. Volgens de kaart van 1777 bestond daar reeds een bijzondere systeem van waterhuishouding. Daar was de grond toen nog zeer drassig en blijkbaar was daar een heel actieve bron die zorgde voor veel bovengronds water. Dicht bij elkaar trof men er twee omwalde woningen aan die enkel toegankelijk waren langs een brug. Veel water werd aangevoerd door de Meulebeek met bronnen in Ten Hole en op de noordflanken Turkeyen. De landerijen langs de beide oevers werden toen als drassig gebied ingekleurd. Op een kaart van 1851 staat een gebouw met twee vleugels omgeven door een brede wal. Het geheel werd aangeduid met “Water Kasteel ou ter Heerbrug Molen”. De Meulebeek liep onder de Holandsraat door. De oversteek gebeurde d.m.v. een houten brug.

    Dat daar een kasteel stond is wellicht veel gezegd. Laat ons zeggen een statige stenen woning omgeven door water. De kleine Margaretha van Parma (een bastaardkind van Karel V) zou daar in haar kinderjaren zijn opgevoed. Soms kwam Karel V op bezoek. Vandaar dat één van de toegangswegen Keizerrei werd genoemd. Ook een paus van Rome zou daar zijn zoon hebben ondergebracht. De toegangsweg  die de paus volgde naar het waterkasteel werd later Pausweg. Deze aarden weg is het verlengde van de Letterstraat. Je had dus toegang tot het waterkasteel via de Pausweg (verlengde van de Letterstraat) en de Keizerrei. De naam D’ Aubeke wijst op de dauw die heel regelmatig boven de akkers hangt. Volgens het volksverhaal zou ook ’t Moleke en de omgeving ervan deel uitgemaakt hebben van ’t Waterkasteel. Het is een feit dat op oude kaarten deze omgeving is aangeduid als drassig gebied. Recht tegenover de watermolen moet een schuur hebben gestaan, op palen. Op de plaats waar de familie De Rooze een paar generaties woonde. Al bemerkt dat het gelijkvloers van het oude woongedeelte een meter hoger ligt en onderkelderd is. Werd in die overwelfde kelder vroeger ook ijs opgeslagen en bewaard voor de zomertijd? Sommigen spreken hier van een ijsfabriekje, maar dat is veel gezegd. Hoe dan ook, het ijs van de vijver werd verzaagd en de ijsblokken werden tussen het stro bewaard. Daar waar het mogelijk was bouwde men de hoeve aan een beek want water was belangrijk.

    Voormalig café zogenaamd "t Meuleken", gelegen naast de Molenbeek. Enkel vermeldenswaardig omwille van de verdwenen watermolen "ter Eertsbrugge", te situeren in het rechtse deel van de alleenstaande huidige woning. In 1539 al melding van de "muelne en(de) erve ter hertbrugghe"; nog sprake van deze graanwatermolen onder andere in 1625 en 1629; ook melding ervan in landboek van Nukerke van 1768-1774. Graanwatermolen wellicht afhangende van de site met walgrachten aan de overzijde van de straat (zie nummer 12), op de Vandermaelenkaart (1851) aangeduid als "Water Kasteel ou ter Heerbrug Min" . Alleenstaand molengebouw in 1882 in geringe mate vergroot met plaatsing van een stoommachine. Aanbouw links in 1900 met stoommelkerij, na korte tijd reeds omgevormd tot woning (1907 volgens archiefgegevens van het kadaster). Graanwatermolen in werking tot 1933 en daaropvolgend ingelijfd bij de aanpalende woning. Tijdens XX c volledige uitbraak van de watermolen, woning met café tot in de jaren 1970 (open gehouden door Annie Verhellen en Willy); sindsdien nog gewijzigde bouw.

     Er waren dus nog hoeven die een ijskelder bezaten. Dat was een ondergrondse kelder met dikke muren, onder de schuur, zonder vensters en met een toegangspoortje. Van buitenaf liep men door een gleuf die steeds dieper werd naar beneden. In oorsprong zou het ijs hier gebruikt worden om de melk te koelen. Er was trouwens een voorraad ijs tot een stuk in de zomer.

    Wat nu nog rest van het 18de eeuws Waterkasteel is de westelijke vleugel van het oorspronkelijk gebouw met twee vleugels; een zuidelijke en een westelijke vleugel. Men zegt dat de eigenaar van dit kasteel met molen ook op de Steenbrug te Ronse een watermolen bezat.

     

    Watermolen Heerbrug (Eerstbrugge), in de volksmond ‘ t Meuleke

    ’t Meuleken was tot midden de jaren 80 een gezellig dorpscafeetje. Die naam verwijst naar de vroegere graanwatermolen  die er was in ondergebracht aan de westelijke oever van de Meulebeek. Deze watermolen werd reeds in 1539 vermeld als watermolen ter Eertsbrugge” en behoorde tot het waterkasteel, een site met walgrachten, aan de overkant van de straat.  Een kroniek heeft het over de “muelne ende erve ter hertbrugghe” en de Ferrariskaart (1777) heeft het over het gehucht H Ter Brugen. Op de Vandermaelenkaart  (1851) staat deze site aangeduid als “Water Kasteel ou ter Heerbrug Moulin”. De maalinstallatie zou rond 1882 gewerkt hebben d.m.v. een stoommachine. Daartoe diende uitbreidingswerken te worden uitgevoerd. Rond 1900 werd aan de westgevel van het molengouw een deel bijgebouwd dat dienst deed als melkerij die werkte dankzij de stoominstallatie. De werking van de melkerij en de maalinstallatie  hield op in 1933. Daarop werd de maalderij en de melkerij beetje bij beetje ontmanteld en kreeg het gebouw de functie van woning. Bij Leontine kan je er meer overlezen want zij heeft als kind ’t meuleke en de melkerij nog in werking gezien.


    Wat de volksmond zegt ! ’t Meuleke was een oude watermolen gelegen op de plaats waar de Molenbeek onder de Holandstraat duikt. Het waterrad en de maalinstallatie is kort na de tweede wereldoorlog in verval gekomen. Dat was ten tijde van Octaaf Norga. Recht tegenover het gebouwtje lag een grote vijver waarin het water werd opgehouden. Daar werd het water verzameld afkomstig van de Meulebeek en van D’Aubeke, twee beken die hier vóór de vijver samenvloeien en overvloedig water aanvoeren. Het schof (schuif, schot) stond naast het molenaarshuis. De laatste sporen van de vijver verdwenen bij de heraanleg van de Holandstraat in de jaren 80. Aan de oostelijke gevel van het gebouw ziet men nog de sporen van het rad. Zo te zien moest het verval van het water tamelijk groot zijn geweest. Het westelijk gedeelte van ’ t Meuleke was melkerij. Dat is nog duidelijk te zien aan de binneninrichting. De vloer van de melkerij lag veel hoger dan de Holandstraat. Dat was natuurlijk gemakkelijk voor het lossen van de melkkannen. Binnen leidde een trap van de woonkamer naar de melkerij. Ten tijde van Frans Verhellen werd de melkerij ingericht als winkeltje en later als woonkamer.

     Een overlevering heeft het over een verhaal uit het jaar 1710. Toen zou een zekere Prins Filip, een Spaanse jonkheer, in Oudenaarde zijn goederen hebben verdeeld. In die periode kwamen er elfhonderd ha grond van Melden over naar Nukerke. Nukerke was toen op weg naar zijn zelfstandigheid. En wie waren de gelukkige eigenaars?  Wel volgens het verhaal gingen ongeveer 300 ha naar de familie Van Malleghem.

    De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed schrijft:

    Voormalig café zogenaamd "t Meuleken", gelegen naast de Molenbeek. Enkel vermeldenswaardig omwille van de verdwenen watermolen "ter Eertsbrugge", te situeren in het rechtse deel van de alleenstaande huidige woning. In 1539 al melding van de "muelne en(de) erve ter hertbrugghe"; nog sprake van deze graanwatermolen onder andere in 1625 en 1629; ook melding ervan in landboek van Nukerke van 1768-1774. Graanwatermolen wellicht afhangende van de site met walgrachten aan de overzijde van de straat (zie nummer 12), op de Vandermaelenkaart (1851) aangeduid als "Water Kasteel ou ter Heerbrug Min" . Alleenstaand molengebouw in 1882 in geringe mate vergroot met plaatsing van een stoommachine. Aanbouw links in 1900 met stoommelkerij, na korte tijd reeds omgevormd tot woning (1907 volgens archiefgegevens van het kadaster). Graanwatermolen in werking tot 1933 en daaropvolgend ingelijfd bij de aanpalende woning. Tijdens XX c volledige uitbraak van de watermolen, woning met café tot in de jaren 1970; sindsdien nog gewijzigde bouw.

    Voormalig café z.g. 't Meuleken", gelegen naast de Molenbeek. Enkel vermeldenswaardig omwille van de verdwenen watermolen "ter Eertsbrugge', te situeren in het r. deel van de alleenstaande huidige woning. In 1539 al melding van de "muelne en (de) erve ter hertbrugghe",nog sprake van deze graanwatermolen o.a. in 1625 en 1629; ook melding ervan...

    De oude molensite werd in juni 2014 volledig - woonhuis, molenhuis, kelder...- afgebroken.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (8 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.40. Kapel de Rode Haan
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Veldkapel Roden Haan aan Stampers in de Turkeyestraat.

    We schrijven wel kapel want het gaat over meer dan een veldkapelletje. Dit bakstenen gebouwtje werd gebouwd in de tweede helft van de 19de eeuw op de hoek van de Wolfstraat en " Turkeyen".

    Ontstaan van de kapel.

    Vermeld in het Landboek van Nukerke van 1768. Op de kaart van 1777 was het gehucht Turkeyen nog niet bewoond noch vermeld. In 1832 werd in Turkeyen een begin gemaakt met het bouwen van de stallingen van de boerderij die zal gebouwd worden voor rekening van de familie De Temmerman. Nu Turkije nr 10. Daar is de huidige eigenaar Georges De Smet geboren op 29 april 1925. Huwde met Alix Callebaut en stierf in 2015. In oorsprong een mooi bakstenen hof met strooien dak. Een wijde en hoge toegangspoort geeft toegang tot de grote binnenkoer. De bakstenen werden ter plaatse gebakken, dat zie je nog aan de uitgraving in een van de hokken. Wat niet voorzien was gebeurde op een dag; de boer kwam te overlijden en de boerin bleef alleen achter. Om het werk te verrichten moest de hulp inroepen worden van mansvolk, zeg maar knechten. Maar de boerin moet nogal een gierige pin zijn geweest. De knechten werden niet goed behandeld, slecht gevoed en onderbetaald. Het waren sukkelaars. In de jaren achttienhonderd was het de gewoonte dat mensen hun ongenoegen bekend maakten. De ontevreden knechten klommen tijdens de vrije tijd in de bomen die ginds op de hoek stonden en begonnen te scharminkelen. Scharminkelen betekent letterlijk "met ketelmuziek iemand honen". De persoon die men hoonde was waarschijnlijk een scharminkel (hier de vrekkige boerin); een boze geest of een zeer mager mens of dier. Een scharminkel  betekent ook  spektakel of woelige wanorde, gedruis of geraas. Toen moeten daar op de hoek dus ook al bomen hebben gestaan aan een klein veldkapelletje. Zo’n actie bestond er in veel lawaai te maken met o.a. een oude hoorn, potten en ketels en een “klakkedjure”om de goegemeente op de hoogte te brengen van hun wantoestand. De boerin zat in de rats. Alles liep verkeerd op de binnenkoer. De paarden trokken zich los en waren moeilijk in bedwang te houden. De eigenares zocht hulp in het veldkapelletje ginds op de hoek. Ja, toen verzette het geloof nog bergen ! Ze ging dagelijks lauderen aan de veldkapel. In de volksmond in Nukerke betekent lauderen zoveel als bidden en lofprijzen.  Ze smeekte dagenlang Onze Lieve Heer :”Mijnheer en mijn God, wat moet ik doen om uit die ellende te geraken ? Help mij toch!”. Haar Heer en Meester antwoordde: ” Ga naar huis en geef uw werkvolk meer en beter eten!” Dat beloofde ze maar of de toestand verbeterde daar zijn we niet zo zeker van. Er hing wel nog onheil in de lucht. Op een dag stond de boerderij in licht laaie. Om die miserie nooit meer te moeten meemaken besliste de eigenares om deze huidige kapel te bouwen. En … zoals gebruikelijk zou een lindeboom de kapel behoeden tegen onheil. En een naam werd vlug gevonden. Blijkbaar kende men toen reeds het gezegde “De rode haan laten kraaien of de rode  haan op het dak zetten” wat wil zeggen een huis in brand steken. Iedereen sprak voortaan van de Kapel de Roden Haan. Een 60cm groot houten gepolychromeerde madonna met kind op de arm prijkte op het altaar en houten engeltjes in sculptuur hingen aan de muur. In de jaren 70 werd de voorkant van de kapel van nieuw metselwerk voorzien. Pastoor Regibo, toen pastoor te Zulzeke, eens op bezoek in de buurt in de jaren 50 vond het een prachtig en waardevol beeld. Maar het was zodanig door houtworm aangetast dat het dringend aan restauratie toe was. Een antiquair uit Horebeke, dat moet een zekere Van Schorisse zijn geweest,  kocht het toen op. Nu staat er een stenen beeld. Georges De Smet en Alix Callebaut zorgen al decennialang voor het onderhoud van de kapel. Rechtover de kapel staan twee huisjes. In een ervan, dat van op de hoek, was begin jaren 1900 bewoond door de 2 ongetrouwde zussen Van de Kerkhove, de jonge dochters Marie en Pauline. Marie werd zwanger en zette een zoon op de aarde. Die zoon is bruine pater geworden en heeft een groot deel van zijn leven in Belgisch Congo gemissioneerd. Eens op oudere kwam pater Van de Kerkhove wonen in het huisje van zijn moeder en sleet er zijn laatste dagen in gezelschap van zijn gezellin. Zus Pauline is tijdens den oorlog door haar eigen Groendaler doodgebeten. Ja, dat alles gebeurde “aan stampers”. Waar komt dat vandaan? Wel de arme stakkers hadden in de schrale negentiende eeuw geen geld om olie te kopen. Olie werd toen nog gebruikt voor de verlichting. Dus stampten die mensen het koolzaad tot olie d.m.v. een houten stamper en een stenen pot. Een karwei van lange duur.

    Nog een verhaaltje. ’t Gebeurde al eens dat een jonge man zijn lief ging zoeken in een gemeente in de buurt. Dat  viel niet altijd in goede aarde en dat werd hem door beide kanten zelfs kwalijk genomen. De ene parochie liet verstaan dat die jonge man hun meisjes moest gerust laten en zijn eigen parochie vond dat die bewuste man in zijn omgeving moest op zoek gaan. Dus trof men maatregelen. De jonge man werd “op transveld gestoken”. “Ge werd daarvoor aangekeken.” Hij werd geplaagd en nageroepen. Men maakte hem het leven zuur. Ja, ’t was een harde tijd voor onze voorouders. Ook een Nukerke onderpastoor werd toen eens op transveld gezet. Op een keer kwam hij te voet van Ronse. Jonge gasten riepen hem na en gooiden zelfs met brokken aarde naar hem. Reden: hij had iets op zijn kerfstok wat niet betaamde voor een priester.

    Bijlagen:
    DSC_3332_00002 (3) (483 x 600).jpg (56.9 KB)   


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    02-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.55. De Nedermolen in Zulzeke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De Nedermolen langs de beek de Beiaard in Zulzeke in de Pladutsestraat.

    Deze olie- en korenwatermolen, reeds in 1574 vermeld, maakt deel uit van een landbouwsite bestaande uit eenngrote vierkantshoeve, de bovenslagmolen en het bijhorend bedrijfsgebouw. Einde 19de eeuw werd de wateraandrijving vervangen door een stoommachine (zie de hoge schouw). Halfweg de 20ste eeuw werd de molen buiten gebruik gesteld. Het grote molenrad van 3,20m kon gelijktijdig 3 molensteenkoppels aandrijven.

    Deze site is reeds generaties eigendom van de familie Vanderdonckt. De laatste landbouwactiviteiten werden er verricht door Charles Vanderdonckt en kinderen. In het zulzeekse was dat " 't hof van koerô verdonk". De landbouwer werd oud en een opvolger ontbrak. Zodoende  werden alle activiteiten gestopt. De molen kwam langszaam in verval maar werd gelukkkig vanaf 2005 gerestaureerd. Ondertussen is de molen sinds 2003 een beschermd monument en de ganse site is beschermd dorpzicht.

    De vierkantshoeve bestaat uit hele grote schuren want naast het werk op het veld dreven de laatste generaties handel. In goede tijden werd tarwe en vlas opgekocht. Zwaar geladen wagens reden door de hoge poortopeningen en de lading werd getast in de grote, hoge schuren. Doorverkopen deed men als de verkoopprijs winstgevend was. Ook ten tijde van Charles was het er een bedrijvigheid van belang. Knechten en meiden verrichtten er het vele werk. Vele vrouwen en mannen verdienden er "de kost" en hun brood.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zulzeke dorp
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Schilderijtje in olieverf - 1956 met zicht op Zulzeke dorp van uit Nukerke aan de Donderput


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.52. Maison de commune de Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Eerstijds werd het gemeentehuis ondergebracht in een herberg zoals hier op de tekening is afgebeeld.

    De woning links op de hoek was voor die tijd een tamelijk mooi burgerhuis van Paul Blommaert, gemeentesecretaris van Nukerke juist vóór de periode van Paul Hoffmann. Achteraan de woning moet er destijds een bedrijfje zijn geweest, mogelijks een weverijtje. Zie de grote toegangspoort langs de toenmalige Boelaerdstraat. Na het overlijden van haar man bleef de weduwe Blommaert er wonen samen met haar zus, weduwe Cnudde. Halfweg de jaren 70 werd de woning aangekocht door de gemeente om het als gemeentehuis in te richten. Het secretariaat was er ondergebracht met E. Santens als secretaris en het bureeltje van de veldwachter met Eugeen Van Dyck. Verder was er een dienst van Kind en gezin én de bibliotheek. Bij de fusie van de gemeenten werd dit gebouw omzeggens nutteloos en dra zou het moeten plaats ruimen voor koning auto. Een groot deel van de oude dorpskern was toen reeds in het niets vergaan.
    Tussen deze woning en de herberg “In de wachtzaal” stond nog een huisje waar in de jaren veertig “Wieten Grielie” (Merchiers) woonde. Iets verderop naar het “lindeke” toe, nu huisnummer 2, woonde “Zwarte Grielie” (Verbruggen), “ne grielemôeker” - hij maakte en herstelde het gareel van een paard –
    die ook café hield. Deze had 4 dochters: een vroedvrouw, een kloosterzuster, een naaister en Rachel was gehuwd met T’Kindt en hield lange tijd in de Kerkewijk, de herberg Sint-Elooi open.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.51. Windmolen Ter Geynst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Potloodtekening 20/30 naar een foto daterend van september 1931

     

    Houten korenwindmolen “Ter Geynst”

    Julien Vandeputte

    Oorspronkelijk Claus Louis, landbouwer te Nukerke

    1877 schenking aan Claus Theodore landbouwer te Nukerke

    Claus-Vander Gheynst Louis landbouwer in Nukerke is de vruchtgebruiker

    1889 einde vruchtgebruik  aan  Claus Théodore landbouwer in Etikhove

    1897 naar de kinderen

    1914 vente  aan De Vos-Hors Emile landbouwer Nukerke

    1934 gift aan De Vos René en konsoorten landbouwer te Nukerke

                    De Vos - Hors Emile-Robert, mulder,Nukerke

    1940 De Vos en konsoorten landbouwer te Nukerke

                    De Vos-Hors Emiel-Robert , de weduwe en kinderen  mulder te Nukerke

    1949 totale afbraak. Volgens een andere bron zou deze molen eigenlijk reeds in 1942-1943 afgebroken zijn

    Uit “De molens  in het arrondissement Oudenaarde” door Julien Vandeputte


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Linde aan de Lesborre
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Hollandse linde aan de Lesborre. In de verte de windmolen Ten Hengst.

    Destijds een romantisch plekje voor jonge verliefde koppels.

    Artikel uit de Landschapskrant van september 2015 over solitaire bomen.

    “Her en der in het landchap zie je solitaire bomen staan. Het zijn volwassen bomen die de ruimte hebben gekregen om zich te ontwikkelen.Ze staan vaak niet zonder reden op die specifieke plaats. Al vele eeuwen lang vervullen ze allerlei functies. Vaak worden ze aangeplant om de aandacht te trekken; bijvoorbeeld door hun omvang, vorm en kleur. Mooie voorbeelden hiervan  kan je bewonderen in historische kasteelparken. Vrijheidsbomen, vredesbomen, herdenkingsbomen herinneren ons aan een historische gebeurtenis, terwijl gerechtsbomen en welkomstbomen ons wijzen op een bijzonderen plaats. Soms kan een boom ook een historische eenheid vormen  met een religieus bouwwerk. Denk maar aan  de typische “kapelletjeslinde”, een vereringsboom voor een heidense vruchtbaarheidsgodin. En wist je dat  bomen ook een kadastrale of administratieve grens kunnen markeren. Het zijn de zogenaamde grensbomen, hoekbomen, bakenbomen… Vaak krijgen deze bomen gaandeweg een bijkomende functie, zoals een ontmoetingsplaats, een oriëntatiepunt in het landschap. Soms zijn ze een stille getuige van een bepaalde snoeivorm die nu nog zelden wordt toegepast. Wil je weten of er bij jou in de buurt ook een bijzondeere boom staat ? Surf dan naar https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ile/boom/zoeken


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.43. Hoeve Schoorens
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Deze boerderij langs De Spijker te Nukerke is een “Semi-gesloten hoeve gelegen aan de straatbocht met markante linde en kastanje aan de straatkant.  De vorige kleine hoeve werd in 1841 uitgebreid en de gebouwen werden vergroot. De vergrotingswerken gingen gepaard met de inrichting van een stokerij. De boerenwoning zelf werd ook in die tijd verhoogd met een halve bouwlaag. Palend aan de boerderij was er een knechtenwoonst. De stokerij is sinds halfweg de 19de eeuw omgevormd  tot bakhuis en nadien omgevormd tot  cichorei-ast. Rond de eeuwwisseling werden de landbouwactiviteiten langzaam afgebouwd. (gegevens uit de “Inventaris van het cultuurbezit in België)


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.50. Sint-Antonius-abt
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Antonius van Padua,  Antonius-abt - Toontje voor de Nukerkenaren.

    Potloodtekening 30/40 van Toontje, een beeldje boven het zijaltaar van de Nukerkse parochiekerk. 

    Antonius is de patroonheilige van vele beroepen zoals wevers, slagers, suikerbakkers, mandenvlechters, begrafenisondernemers, zakkendragers, varkenshoeders.  Hij is dé hulpverleners bij pest en allerlei ziekten bij de dieren.

    Antonius was zo verbonden met het volk dat er zelfs weerspreuken zijn ontstaan toepasselijk op de periode rond zijn verering. Zoals 

    “Maakt Sint-Antonius de brug, Sint-Sebastien slaat ze stuk. (20 januari)

    “Sint-Antonius klaar en helder, vult ’t vat en de kelder”

    De schilderij boven het altaar stelt “De verzoeking van Antonius” voor.

    Sint-Antonius abt wordt hier afgebeeld met  het varkentje aan de rechtervoet. Hij vertrappelt met de rechtervoet een figuur die het kwade of de duivel voorstelt.

    Iconografie

    Het  is een massief eikenhouten gepolychromeerd beeld. Antonius-abt wordt steeds afgebeeld als kluizenaar  met de tau of kruisstaf (Antoniuskruis), met een bel, al of niet aan de staf  bevestigd, met een varkentje  (dit wijst op de diabolerieën waarmee de duivel Antonius lastig viel. Soms vertrapt hij de satan. Antonius houdt in de linkerhand een bijbel, soms draagt hij een rozenkrans. Andere kentekenen zijn laaiende vlammen of een fakkel, het Sint-Antoniusvuur. Afbeeldingen van Antonius vindt men op schilderijen van Van Eyck, Van der Goes …(W.P.)

    Volkskunde

    De meeste parochies hebben wel een of andere patroonheilige die er vereerd en aanroepen wordt/werd. Voor de plaatselijke kerk was zo’n heiligenverering heel belangrijk; het bracht gelovige bijeen en bracht geld in het bakje.

    Antonius speelt in het volkse leven een belangrijke rol, vooral bij de landelijke bevolking. Hij is dan ook de patroon van het vee, van de boeren, slagers en borstelmakers.

    Antonius werd vereerd in Nukerke maar na enig zoeken stelt men vast dat er in Vlaanderen vele parochies zijn waar hij een plaatsje kreeg. De Nukerkenaren en de gelovigen uit de omgeving vereerden Toontje  veeleer als beschermer tegen veeziekten en als hulp bij verloren voorwerpen ( o.a. een verloren gelopen dier...).

    Antonius heeft ook een begrip in de volksweerkunde. Zijn feestdag 17 januari valt in putje winter, een periode van ijs en dooi. Ook enkele volksspreuken verwijzen naar Antonius. We leerden van onze ouders dat “met Toontje het ten vijfenhalf klaar  is.” Dat gaf de mensen moed. Het verlangen naar de lente was groot.

    Noveen

    Deze begon op de feestdag. De zondag daaropvolgend was feest in de parochiekerk met o.a. een plechtige hoogmis en rondgang rond de kerk. Andere materiële elementen die in de Nukerkse kerk wijst op de Sint-Antoniusverering zijn de vijf ingelijste en door glas beschermde gepolychromeerde bas-reliëfs én het boogvormig bas-reliëf boven de toegangsdeur van de hoofdingang. Tijdens de jaarlijkse ruitersommegang werd de relikwie van Sint-Antonius meegedragen en werd ook het bedevaartvlagje (vaantje) bovengehaald.

    Wie was die Antonius?

    Hij zou geboren zijn in Kome, in Midden Egypte in 251 of 252 en overleed in de Egyptische woestijn in 356 op een leeftijd van zegge en schijve 104 jaar. Tijdens zijn kluizenaarsleven was hij gekend als Antonius de Kluizenaar of Antonius de Grote. Op 21 jarige leeftijd trok hij zich terug in de woestijn. Volgens de legende voerde hij voortdurend een zware strijd tegen demonen. Heel wat leerlingen volgden hem. Hij stichtte geen gemeenschap maar toch bleef hij kluizenaar tot aan zijn dood. (W.P.)

    (zie ook inventaris onroerend erfgoed.be)

     

    Een anekdote

    Tegen de buitenkerkmuur zijn verschillende staties ter ere van St-Antonius (met het varken) aangebracht.

    Rond het feest van de H. Antonius abt op 17 januari heeft er sinds jaren een noveen plaats in deze kerk. Dan werd de kerk versierd met de bloemen die madame Blommaert schonk. Toen, in de jaren vijftig, kwam er nog veel volk af om Toontje om zijn gunsten te smeken. Was je iets verloren? Wend je dan tot Toontje. Veel kans dat je het terug vond! Gedurende die dagen van de noveen hield ik een standje open achteraan in de kerk. Ik verkocht er kaarsen en medaillons. De gelovigen konden bij mij missen bestellen en betalen en ik mocht hen zegenen met de relikwie van de H.Antonius. Ik moest natuurlijk een zegening uitspreken maar aangezien ik nooit Latijn heb geleerd ging dat wat moeilijk. De zegende priester brabbelden destijds ook een onverstaanbare Latijnse tekst. Dus, deed ook ik alzo. Tot op zekere dag een oud vrouwtje me vroeg:” Maar wat zeegde gij otijd ?”  Ik antwoordde:” Niet vies van zijn, ’t is afgekuist…!” Maar dat zei ik zo snel dat niemand het verstond en… ’t leek van ver op kerklatijn. Dat vrouwtje hé, dat heb ik nooit meer weer gezien. ’t  Kan ook zijn dat ze het jaar nadien was verleden of …

    Eertijds waren de zijmuren achteraan in de kerk beschilderd met Nukerkse taferelen. Spijtig werden die ten tijde van pastoor Naessens overschilderd. Voortaan prijkt daar een modernere tekening. Al of niet mooi?

    P.D.

    Processie

    Tweemaal per jaar ging er een processie uit nl. op Sacramentsdag en op O.L.V.-Hemelvaart. Op Sacramentsdag ging de grote processie uit. Vanaf de kerk ging het naar het wezenhuis, en hospice, waar de oudjes buiten zaten. Verder ging we de Boelaerdstraat op tot bij Gentil; aan de hoek van de Pontstraat. In de kapel daar werd voor het eerst halt gehouden. Dan ging het richting  Den Appel. Onderweg was er nog een halte aan de kapel op de hoek van de Holandstraat.. Vanaf daar ging de lange sliert de Steenweg naar beneden naar de kerk toe. Op O.L.V.-Hemelvaart ging de kleine processie uit. Toen ging het richting Geitenhoek waar een altaar werd opgezet om het H. Sacrament op te stellen. Vandaar ging het via de Steenweg terug naar de kerk. Ter gelegenheid van de processie werden de woningen versierd met bloemen en een vlag. Soms werd er een tafeltje neergezet en op een sneeuwwit kleedje stond een beeld. Het was ten tijde van pastoor Tirez dat er discussie was. De processie was reeds enkele keren uitgesteld wegens het slechte weer. De pastoor kwam met een oplossingvoor de dag; regen of niet de processie gaat uit. En wat gebeurde er? De lange stoet werd uitgeregend en de gelovigen werden gezegend met een stevige plensbui. Iedereen liep naar huis maar niet de dragers van het beeld van St-Anthonius. Die lieten zich verleiden en schuilden met onze patroon en al in een café. Na enkele natjes werd het buiten droog en konden de dragers onze patroonheilige veilig thuisbrengen. Men had z’n lesje geleerd en er kwam een nieuwe afspraak; als op de dag van de processie de klokken drie keer luiden dan gaat de processie uit. Indien 1 klok luidt dan niet.

    Er was een vaste volgorde voor de deelnemers. Voorop stapte de champetter , dan de misdienaars met kaarsen en kruis, de vlagdragers met de vlag van De Boerinnenbond, de BJB, de Scouts, de Chiro, 15 weeskinderen met elk een klein vlagje (de 15 vlagjes symboliseerden de 15 mysteries van de rozenkrans), de dragers met de beelden, de fanfare van Nukerke, de koster en het zangkoor, de bloemenmeisjes die weelderig kleurrijke kroonblaadjes en papiersnippers rondstrooiden, de pastoor met het Sacrament onder het baldakijn met een zestal lantaarndragers erom heen en tenslotte de gelovigen.

    De drie dagen vóór O.-L.-H.-Hemelvaart worden kruisdagen genoemd. Drie dagen vóór de hoogdag maakten de pastoor met relikwie, de misdienaars met het kruisbeeld en vele boeren en boerinnen maar ook kinderen en andere gelovigen een rondgang door de velden om de gunst af te smeken voor een goede oogst van de vruchten der aarde. Gedurende de hele weg werd de litanie van alle heiligen gezongen.”Sancte Antoni… ora pro nobis…” P.D.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.49. Lemen schuur op den Dries
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Lemen schuur op Den Dries

     

    Daar  op Den Dries werd in het ouderlijk huis Aloïs Willems geboren als zoon van Desiré en Melanie Verhellen. De oude woning werd in 1953 grondig gemoderniseerd toen strooidak en lemen muren verdwenen. Een houten balk, verborgen in het plafond draagt het jaartal 1668. In oorsprong behoorde dit landhuis en het koeplekje er naast toe aan de boerderij van Staf Vande Putte die een grote vierkantshoeve aan de overzijde van de Holandstraat exploiteerde. De Vande Puttes waren toen een rijke, invloedrijke én devote familie. Zo schonk de dochter Anna Theresia Vandeputte geboren te Nukerke op 30 september 1795 aan de parochiekerk van Nukerke een heel mooi en kleurrijk glasraam, O.-L.-Vr. van Lourdes voorstellend. Dit glasraam is geplaatst in de noordenmuur van de kerk.Er werd verteld dat dochter Anna Theresia thuis op de platine (ijzeren deksel met handvat waarmee de stoofkom werd afgedekt) en op de stoofbuis sigarenpuikjes legde om alzo de woonkamer aangenaam te laten geuren.

     Octaaf Verhellen, broer van Melanie was toe “carton” (van het Franse carter dat voerman betekent ?) op de boerderij van Vande Putte. In de jaren 20 bleven op de boerderij nog 2 jonkmans en één jonge dochter over. Die mensen waren zó devoot dat ze dagelijks in de kerk te Nukerke de mis bijwoonden. In het huishouden werden ze geholpen door de buurvrouw van rechtover, nl  Hortanse de vrouw van Richard Vanderbeke. Als beloning voor haar hulp schonken de Vande Puttes de woning aan Hortanse. De boerderij zelf werd in 1926 gekocht door  Richard Devenijns en vrouw Zulma Devos, afkomstig uit Leupegem. In de jaren 70 volgde zoon Marc zijn vader op. En de volgende 2 generaties staan reeds klaar voor de opvolging.

    De hoeve staat beschreven als een “Grote en opvallende hoeve met fraaie verheven inplanting aan rechte straathoek en tussen kruispunten met Dieriksstraat en Bakkerbos. Lang boerenhuis van zeven travels en anderhalve bouwlaag met brede korfboogvormige toegangspoort onder zadeldak bedekt met kunstleien ter vervanging van stro sinds ca. 1920. Aan de straatzijde, op de uitgewerkte booganker boven de toegangspoort, staat 1840, het jaartal toen de vorige hoeve met losse bestandmiddelen tot huidige hoeve werd verbouwd. De woning heeft een overwelfde driedelige huiskelder en naar verluidt zouden de funderingen zo maar eventjes 1,2m breed zijn. Het erf zelf met mestput is gekasseid sinds 1940. De mestput is ondertussen verplaatst naar de buitenzijde van het hof. De lemen schuur onder kunstleien schilddak aan de noordzijde is vermoedelijk uit de 18de eeuw. De achter- en zijgevels zijn bestaan uit houtbouw op bakstenen voet en deels nog de oorspronkelijke lemen vullingen.

    De oude lindeboom die naast de kapel stond werd bij de heraanleg van de Holandstraat geveld. Een jonge lindeboom werd nadien op de zelfde plaats aangeplant.

     

    De oude

     

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.45. Veldkruis te Ronse
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Potloodtekening
    Dit veldkruis aan een zeer oude linde , in de volksmond "gekruiste God" genoemd,  zou dateren van 1876. Dit monument kan je vinden op het kruispunt van de Ninovestraat met de Oscar Delghuststraat. Dit mooi symbool van onze Westeuropese christelijke beschaving staat in Ronse onder zware druk. Gelukkiglijk in 2010 gerestaureerd door het Wittentakcomité. Volgens een krantenbericht waren verschillende mensen een tijdje ongerust omdat het kruis een tijdje verdwenen wa. Het kruis was in veilige handen voor restauratie. De Vlaamse Ardennen zijn rijk aan veldkapellen onder een vredige en lieflijke linde.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.44. Site met Meulen Ter Gheynst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een reus wordt geveld.

    “De hoeve met molen langs de Pontstraat.nr 62 was in de 19de eeuw eigendom van een familie Claus uit Etikhove maar werd aangekocht in 1900 door Emiel Devos, geboren te Melden in 1855, en Maria Slots, geboren in 1856. Marie Slots was zelfs van Duitse oorsprong; haar vader is  hier na de oorlog waarschijnlijk in België achter gebleven. Dit gezin telde 10 kinderen, 6 zonen en 4 dochters: Clara, Oscar, Modest, René, Achiel, Maria, Octavie, Josephine, Joseph, Georges. Het klokje op het dak van de boerenwoning werd ’s middags geluid om het werkvolk te verwittigen dat het eten klaar was. Je moest een trapje op om aan een zeel te trekken. Josephine huwde met Richard Geenens. Maar 4 bleven jong en runden de boerderij tot aan de verkoop op 8 mei 1968 aan Désiré Heuvick. De jongste, Georges, is dan nog getrouwd en heeft een tijdje in de Zandberg, een café langs de Ommegangstraat, gaan wonen. Op de boerderij werden 4 paarden gehouden. Daarvoor waren er twee “kartonks”, de broers René en Oscar. Ze hadden veel land in pacht, eigendom van de familie Van Malleghem. Die hadden “grauwelijk” veel land in eigendom. Daar waren ook twee dochters in dat gezin; Christiane en Irène. Christiane kwam jaarlijks de pacht ophalen. Ze reed toen reeds met een gemotoriseerde fiets met twee grote fietszakken. En ge moest dat zien! Bij haar vertrek zaten de fietszakken vol met appels, brood, noten en boter . De familie Van Malleghem bezat toen een hele grote woning in Gent.

    Het was in de tijd vóór den oorlog de gewoonte dat de meisjes meer naar school gingen dan de jongens. Bovendien, de jongens gingen enkel ’s winters naar school en bleven definitief thuis rond hun dertiende jaar. Meisjes die langer naar school gingen deden dat in de wezenschool te Ronse.”

    Vozen Deestie, een van de zonen die op de hoek Pontstraat-Steenweg woonde, zat wel eens met zijn riek achter wat bengels aan die rond zijn woning kwajongensstreken uithaalden en ze met een luide “sjakerdjie”wegjoeg. Tja, ’t was in de goeden ouden tijd dat je daar op de hoek van de Pontstraat in de staminee “In den appel” een fris biertje of een “fidoelke” kon drinken.

    Een reus komt ten val.

    “Het was het jaar 1942. De school was pas begonnen. We zaten gezellig in de klas maar buiten blies een hevige wind. Al met eens hoorden we buiten een donderend lawaai en… een hels gekraak en…een zware plof. Stilte… Verbazing… Paniek! Het moet van ginder boven komen! Alle kinderen vluchtten van schrik de klassen uit.” De houten windmolen Ter Gheynst, in de volksmond “vôzen meulen” lag tegen de grond. Totaal vernield. Niet meer te herstellen. Een oud monument is voor altijd verdwenen. De terp met de vier teerlingen hebben we nog vele jaren gezien.

    Volgens de “Inventaris van het cultuurbezit in België” is deze boerenwoonst het voormalige molenaarshuis van de verdwenen houten korenmolen Ter Gheynst. Deze oude windmolensite stond reeds vermeld in 1571 en een toelating tot de bouw van een nieuwe molen op de oude molendam werd gegeven in 1690. Hij zou volgens betrouwbare bron vernield zijn door storm op 26 april 1943.

    Het was reeds begin 1900 gebruikelijk dat de voorgevel  van de boerenhoven gekalkt werden. Zo was dat ook met deze hoeve. Het klokje op het dak is enigszins gewijzigd en de voorgevel is getekend met de blaffeturen zodat dit beeld het oorspronkelijke uitzicht weergeeft.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.43. Het Nieuwennest
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Aan de “Steenen molen en Nieuw Nest”

     

    Op de Vandermaelenkaart uit 1851 staan deze beide gebouwen reeds aangeduid.

    De herberg “Het Nieuwennest” situeerde zich in de woning van de boerderij waar we Omer Delanghe hebben weten wonen, op de hoek van de Weitstraat en de Hoevekouter. In 1920 kochten Francis Van Maelsaeke en zijn vrouw Marie Depaepe de boerderij en de woning met herberg. Ze huurden de woning van Leo Devos. Het staminné werd open gehouden door zijn zoon Ivo Van Maelsaeke (zoon van Francis) gehuwd met Marie Depaepe. Marie stierf in het kraambed bij de geboorte van haar 8ste kind. In hun jonge jaren was er soms veel  ambiance! Daar zorgde Ivo voor die accordeon speelde. De herberg sloot haar deuren nog voor W.O.-I. Na de oorlog werd Ivo Van Maelsaeke er de nieuwe eigenaar van. Ondertussen erfde Zoë Devos, dochter van Leo,  ’t Nieuwennest.

    De laatste molenaar was Raphaël Maes  die woonde in het molenaarshuis aan de overkant van de Weitstraat. Dat molenaarshuis is in de jaren 30 afgebroken wegens onbewoonbaarheid daar de vloer, die rustte op gewelven, het begeven had. De toegang tot het huis ging via een trap. De molen die in de vallei ligt draaide soms ellendig traag en de molenaar moest meermaals wachten op meer wind om het graan te malen. In die tijd draaide, iets verderop, de watermolen (graanmolen) van Octaaf Van Malleghem nog, gelegen langs de Maarkebeek in Etikhove. Er was toen keuze te over om het graan te  laten malen.

    De watermolen Te Meulebroecke was eigendom van Leo Devos, later Odiel Devos en nadien Robert Antrop. In de jaren ’70 werd het gebouw, dat al dienst deed als schuur, afgebroken.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over de negenkoten en andere anekdoten.

    Over de “negenkoten” en andere Nukerkse anekdoten

     

    De negenkoten

    Op de afdruk van de oorspronkelijk kaart van Vlaanderen uit 1538 die in het “Germanisches Nationalmuseum” te Neurenberg berust liggen de gemeenten Ronse, Berchem, Nieukerke en Melden, Quaremont gelegen in het Land van Aelst, verkeerdelijk ten westen van de Schelde. Op de eerste gedetailleerde kaart ziet men duidelijk de schaarse bewoning van het toenmalige Nukercke. In vroegere jaren stonden hier reeds enkele woningen langs de weg naar Oudenaarde. De woningen lagen aan de rand van een groot bos dat zich uitstrekte vanaf de Cortekeer over de Coppenberg tot aan de Steenbeekdries.

    In de 19de eeuw stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. De laatste eigenaars waren T’Sjoen die twee huisjes bezat waarvan één tweewoonst en Octaaf Geenens die eigenaar was van zes huisjes. Octaaf had die woningen enkele jaren na de eeuwwisseling gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Kort na de eerste wereldoorlog  werden de strooien daken vervangen door een pannendak. Het verst gelegen huisje had zelfs een bakoven. Het laatste huurgeld bedroeg 150 Fr per maand maar de woning aan de straatkant had een maandhuur van 200Fr. Een na een werden de woningen echter verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard met als gevolg dat er besloten werd de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 Fr  slooppremie.

    In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar de herberg Den Os. Met hun schaarse centen  maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze dan verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schof (dat is 3 uren). Alma, de moeder van André Van Ceunebroeck,  was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. En ze had steeds een grote voorraad aan hout liggen. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die werden tijdens een beschieting in 1944 door een Duitse obus dodelijk getroffen. Hun namen staan gegrift op de gedenksteen voor de gesneuvelden.

     

    Iets hoger en aan de andere kant van de weg lag een koeplekje met het staminee Den os. Café sinds mensenheugenis. De eigenaar vóór Octaaf Geenens was een koppel zonder kinderen dat nogal goed aan de drank zou geweest zijn. Octaaf Geenens werd de nieuwe waard van de herberg Den os toen hij het hoevetje met bijhorend café kocht en er naartoe verhuisde in 1895. Met de kruiwagen verhuisde het jonge paar de schaarse bezittingen van Zulzeke naar Nukerke langs de Kortekeer. Hun zoontje was toen 3 jaar. Die zou later zijn vader opvolgen. Op de dag van de verhuis speelde het knaapje met de geitjes op de berm van de Kortekeer tot hij bij het afglijden zijn bloot achterwerkje verbrandde aan de tengels (brandnetels). Sommige kleine jongetjes liepen toen blijkbaar met een rokje aan.

    Den os was dus ook een koeplekje met enkele streepjes land waarop een drietal koetjes werden gehouden. Elke voerman die hier voorbij kwam hield halt om de dieren te laten op adem komen. Sommigen kropen met zware wagens geladen met wol en katoen de Koppenberg op. Je moet weten dat  de wagens van Transport De Jaeger uit Ronse reeds van de Gentse haven kwamen. En de weg bleef maar stijgen tot op de Kruissens Niet te verwonderen dat de Brabanders bekaf waren. Vóór de deur stond een beulde (palen met dwarsbalk) waaraan de voerlieden hun paarden konden vastbinden. De waterpomp met bijhorende drinkbak stond er bij. Terwijl de paarden rustten , hun haver kregen en dronken konden de mannen zich laven aan het frisse bier. “Ja, ’t is daar altijd een goede zulle geweest.”

     

     

    Hoger op , meer naar het dorp toe, lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper een paar 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder elkaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven én het was belangrijk te weten wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.

     

     

    Oorlog

    Op het Heidje woonden Michel Gerseau  met zijn vrouw en kind. Toen ze even buiten kwam om met het kind op het plankier wat te wandelen werden moeder en kind dodelijk getroffen door een verdwaalde granaat.

    Maurice Vanden Daele, sneuvelde als vrij jonge soldaat. Hij woonde naast "Den Engel".

    In 1944 is een Amerikaanse jager op de Bossenaer neergestort in de boomgaard van Daniël Verroken.(een deel van de neus van het vliegtuig moet nog in de grond zitten). Het nieuws van de crash was vlug gekend en nog rapper werd de cocqpit geplunderd en el wat niet te warm of te zwaar was  werd meegenomen.

     

    Ander oorlogsnieuws

     

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Jean-Baptist De Schamphelaere te Etikhove in zijn boerderij langs de Gansbeekstraat  daar waar de Maarkebeek onder de straat duikt. Baptist werd geboren in 1900 en was afkomstig uit de Varent. Tijdens zijn jonge jaren had hij meermaals deelgenomen aan de bietencampagne in het noorden van Frankrijk. En je weet hoe dat gaat. De jonge man maakte daar kennis met een meisje uit de streek. Ze trouwden en kwamen wonen langs de Gansbeekstraat. De jonge vrouw werkte samen met Jean-Baptist en leerde ook wat Nederlands. De periode tussen de twee oorlogen was een harde tijd en Jean-Baptist oefende zoals zovele meerdere beroepen uit. Zijn hoofdbezigheid was echter fruit kweken. Hij schafte zich een paard aan en reed wekelijks met paard en kar naar de markten in de omgeving om het lekkere fruit aan de man te brengen. Op een dag heeft het gezin “alle chance van de wereld” gehad. Het was in 1945. De streek was reeds maanden bevrijd maar de Duitsers gaven niet op en bestookten Antwerpen met de fameuze  V-2 raketten. Er werden zo maar eventjes 2000 raketten op de haven afgestuurd. Niet allen bereikten het beoogde doel. Sommige “vliegende bommen” misten hun doel, weken af of raakten tijdens de vlucht defect. Zo hoorden ze op een mooie dag in Ethikove het gefluit van een aanstormende V-2. Men wist dat eens het motorgeluid ophield de bom binnen de kortste stonden zou vallen. Wat ook geschiedde. Gelukkig stond in de weide aan het erf van De Schamphelaere  een rij hoge populieren. Deze bomenrij werkte als vangnet voor de raket die in de toppen terecht kwam en met een geweldige slag ontplofte. Bladeren, twijgen, takken, metalen stukken, vuur, rook, pannen en stenen het vloog al in het rond. Het dak van de woning was volledig ontmanteld maar niemand werd gekwetst. De buurt kwam er gelukkig met de schrik vanaf.
    De zoon van Baptist had later naast het woonhuis een smidse. 

    Deschamphelaere uit Etikhove werd gemobiliseerd voor de oorlog van 14-18. Jarenlang verbleef hij in de loopgrachten achter de IJzer. Tijdens een van de vele korte aanvallen werd de beste vriend van Jean-Baptist ernstig gekwetst en lag daar ergens buiten de loopgrachten te kermen en steeds te roepen: “Tiste, kom mij toch helpen!”  Maar Jean-Baptist kon hem niet halen. Hij moest immers wachten tot ze zeker waren dat de Duitsers zich volledig hadden teruggetrokken. De nacht ging voorbij en het werd heel stil. Hét moment om de gekwetste vriend te gaan ophalen?  Kruipend op de buik bereikte hij de man. Denkend dat de kust veilig was richtten ze zich op. Te laat. Een machinegeweer ratelde en de beide soldaten werden getroffen door een kogelregen. Ze vielen neer. De gekwetste soldaat  was op slag dood en Tiste bleef gewond voor dood liggen. Op zijn beurt bleef hij achter tot hij zou gered worden. En dat werd hij. Hij bleek getroffen te zijn door een gloeiende brandkogel die langs de rug was binnen gekomen en langs de buik het lichaam had verlaten. De plaats waar de kogel de buik had verlaten was dichtgeschroeid. Dat was wellicht zijn redding. Voor zijn genezing werd Jean-Baptiste naar Frankrijk overgebracht waar hij in een lazaret aan een volledige herstelling begon. Wat ook lukte want kort nadien werd  Tiste weer goed bevonden om naar het front te trekken. Hij vertelde nadien dat hij een Belgische soldaat had gezien met een houten been. Die man werd door de keuringsdienst goed bevonden om zijn compagnie aan het front te vervoegen. Het schijnt dat hij zijn houten been afnam en naar de medische staf gooide met de vraag:” Wat kan ik met zo’n been gaan vechten!”


     

     

    Schoolleven

    In de jaren dertig deed zuster Cantara de allerkleinsten verder was er moeder Aquilina, moeder Aphra en nadien moeder Anna. De leken onderwijzeressen waren Marietje Deraedt, in dienst tot aan haar trouw, juffrouw Rachel en juffrouw Angèle, twee jonkheden.

    Vanaf hun plechtige communie verlieten veel meisje de school om naar Ronse te gaan schoollopen. Sommige meisjes gingen naar de wezenschool op den Bruul te Ronse.

    Meester Jan die toen les gaf in de jongensschool kwam wekelijks de zaterdagvoormiddag naar de meisjesklassen om onze les te komen overhoren. Telkens hij kwam had hij een verrassing in petto. Op het eind van zijn bezoek had hij steeds een verrassing voor ons. Hij hield zijn twee vuisten voor zich.? In een ervan zat een cent. Een leerling die goede antwoorden had gegeven mocht raden in welke hand de cent stak.. Raadde die juist dat mocht het kind de cent aan het  negertje geven, aan dat dankbaar knikkende kopje …

    Meester Jan, met zijn pince-nez was een streng man. Hij was bekend voor zijn uitspraak: "Vooruit gij ,ga van voren op den tree de knieën zitten gij lieleken chudas", en dat met een accent uit het West-Vlaamse Kallo.

     

    Over Wieten Grilie

    Wieten Grielie woonde langs de Boelaerdstraat

    Wieten Grielie bestond omdat er ook een Zwarte Grielie bestond

    Wieten Grielie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij woonde boven aan de Boelaerdstraat  ‘t Was blijkbaar een gezonde brok natuur want hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen hij met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutranoy ging om zijn ondertrouw te bespreken zei verbouwereerde pastoor:” Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt  gij beter op uwen put peinzen. Binnen kort mag je er beginnen aan scharten!” Waarop Huleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!”

    Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van barmhartigheid.

    En Wieten Grielie had geen reden van bestaan als er ook gene Zwarten Grielie was. Deze woonde op het dorp langs ’t Lindeke. Eigenlijk noemde hij Victor Verbruggen en hij was getrouwd met ene Elodie Van Hooland. Beiden waren gareelmakers eerste klasse.

     

     

    Werkgelegenheid

    Langs de Pontstraat (huisnummer 52) staat in de boomgaard een typisch gebouwtje in fabrieksvorm met zaagtanddak. Dit gebouwtje werd er na W.O.-I gebouwd in opdracht van een zekere De Weer. Deze zou er een weverijtje in onderbrengen. Gedurende een bepaalde periode waren er drie wevers; Omer en Richard Martens en Gilbert Vandenabeele. De fabrikant had daar zelfs een auto om de afgewerkte “bomen” naar Ronse te voeren. Veel succes heeft de weverij niet gekend want de jaren dertig verzonken in een diepe crisis. Vooral de textielindustrie in Ronse had erg te lijden. Nog vóór W.O.-II werd het textielfabriekje gesloten.

    Gaston De Jaegher kocht het woonhuis met fabriekje en zette er een wagenmakerij op.

    Gaston De Jaegher maakte jarenlang karren en wagens voor de boeren. Zijn werkhuis lag achter de grote toegangspoort van zijn woning. De houtreserve lag in het vroeger fabrieksgebouwtje in de boomgaard. Hier werden wagens en karren gemaakt tot 1957. Dan is de wagenmaker ziek geworden en gestorven. Met zijn sterven is ook de laatste wagenmaker van de streek verdwenen. Zoon Georges heeft nooit gedacht de stiel van vader te leren. Hij studeerde voor onderwijzer. Hij voorzag dat er geen toekomst zat in de wagenmakerij. Na de oorlog kenden de karrenwielen met rubberen banden snel opgang.

     

    Hospice

    De bewoners van het hospice genoten van een zekere vrijheid. Vooral de mannen profiteerden daarvan. Een oud mannetje kwam zo bijna dagelijks op de trappen zitten van de woning op de hoek van de Pontstraat en het Meetjesstraatje. Zijn kleine oogjes gluurden van links naar rechts. Als de kust veilig was haalde hij stiekem een klein flesje uit zijn binnenzak en nam een slokje van een heerlijk vocht. Anderen wandelden langs de straten en kwamen kijken naar de schoolkinderen. Sommigen mannen hadden een abonnement “In de wachtzaal” bij Michel Arco (Michel Aelvoet).

     

    Over cafés langs de steenweg

    Was er geen industrie langs de nochtans drukke steenweg Terneuzen-Valenciennes des te meer waren er herbergen en afspanningen. Even opsommen: “Den os”, “De lustige boertjes”, ”Staminee”, “In ’t bisdom”. Dezeherberg stond op de hoek van de Steenweg en de Sponde (Elsstraat), en werd open gehouden door Milie of  Filie De Bisschop. Ze hadden een zandgroeve aan de Mellinckstraat naast de spoorweg en een zandgroeve in de Kortekeer waar de sporen van afgraving nog duidelijk zichtbaar zijn, o.a. aan het voetbalveld. Langs de Mellinckstraat werd de groeve later terug gedeeltelijk opgevuld.

    Theofiel was slager, beenhouwer, herbergier, metselaar, zandontginner, steenbakker. Hij was specialist in het kandelaren van oude en zieke bomen. De grootste takken werden danig ingekort dat de boom de vorm kreeg van een kandelaar.

    Andere cafés zijn: In de Keizer (hoek van de Sponde), In de kroon, Den Engel, Truweeltje, Léon d'or (bij Clara Ceuterick)’t clubhuis van Eendracht Nukerke want  lange tijd kleedden de spelers van de voetbalclub Eendracht Nukerke zich in het achterhuis van het café. Verderop naar de Kruissens toe waren er  Den appel, ‘t Zonneke, ’t Neerhof, De drie roze broekjes (bij den zwarten Merie, Omer Deriemacker) anders gezegd Te speelders bij Speeldersen Zwarten,  Den beitel,  't Neerhof (bij René Callebaut), Chalet la Croix. , In de Keizer (hoek met de Sponde), Sint-Martinus (Eglantierstraat). Bij stupies (tijdelijk), Den Elst (tijdelijk).

    Het was lang de gewoonte dat er ook café werd gehouden "achter  “achter den toog". In praktisch elk kruidenierszaakje kon je tegen betaling een jenever achteroverslaan.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het leven langs de Pontstraat

    De jaren dertig

      

     

    Marietje De Jaegher vertelt.

    “Mijn grootvader was afkomstig van Wannegem-Lede waar hij een brouwerij had met bijliggende landerijen. Ik werd geboren te Nukerke op 26 april 1922 en ben zus van broer Georges die geboren was in 1918.

    Mijn ouders hebben het huis langs de Pontstraat (nu huisnummer 52) gebouwd in 1923. De grond werd gekocht van de familie De Weer. Het terrein waarop ons huis werd gebouwd vormde één geheel met het oude hospice. (D’er moet nog een oude foto bestaan van dat eerste hospice te Nukerke.) De familie De Weer bezat gans het terrein gelegen op de hoek van de Pontstraat en de Potaarde. Dat oude hospice was eigenlijk een koeplekje. Elke bewoner moest zowat voor zichzelf zorgen. Bavo, getrouwd met Clémence Verplanken, heeft dat hoevetje gekocht nadat de oudjes naar het nieuwe hospice waren verhuisd. Voordien woonde hij in de boerderij langs de Capellestraat (nu Pontstraat nr 7) Daar had hij een houtzagerij en schrijnwerkerij. Rechtover de schrijnwerkerij was er een smidse (afgebroken in september 2010). Het was toen gebruikelijk dat als er ergens een houtbewerker woonde er zich ook een smid kwam vestigen. Je ziet, de ene stielman trok de andere aan want ze hadden elkaar nodig. Na Bavo zijn Octaaf Meerschaert en vrouw Maria Teirlinck gaan wonen in die hoeve. En dat ging zo in die tijd. Tijdens de winter was er niet veel werk op de boerderij. Ze lagen bijna stil en er waren toen geen grote machines. Zo werkten de landlieden ’s winters o.a. in een zagerij. Daar was veel werk! En hard werk want het zagen ging nog met de hand. Sommigen trokken ’s winters mee met de dorsmachine. Bavo heeft dat ook nog gedaan.

    En Bavo Deweer werd toen suisse in de kerk te Nukerke ten tijde van de legendarisch pastoor Dutordoir. Naar het schijnt was die pastoor een heel verstandig man. ’t Was natuurlijk ook niet moeilijk verstandig over te komen tussen al die ongeletterde mensen! Maar kom ! Maar kwaad dat die mens zich kon maken tijdens zijn preken van op de hoge kansel. Achteraf zei Bavo, de suisse: ”Menier pastoar g’et ou weer loaten goan hé! G’et ou weer koad gemokt!” Bavo De Weer werd niet gespaard. Zijn zoon Oscar, geboren te Nukerke op 14 oktober 1886, sneuvelde als soldaat van het 1ste Linieregiment in de loopgrachten nabij Diksmuide op 6 juli 1915. Het stoffelijk overschot rust op ’t erepark nabij Diksmuide. Bavo had 4 kinderen: Jules,Oscar, Arthur en Anna, de moeder van Marietje.

    Op de hoek van de Potaarde en de Pontstraat, op het terrein van Bavo De Weer, werd in mijn jeugdjaren één van de eerste elektriciteitscabines te Nukerke gebouwd. Ronse had toen al elektriciteit maar wij moesten ons nog behelpen met een “quinqué” , van het Franse quenquet of petroleumlamp.

    ‘k Heb ook nog geweten dat de houten windmolen Ter Gheynst in honderd stukken tegen de grond lag. Hij heeft daar lang gelegen nadat hij tijdens een hevig onweer tegen de vlakte ging. We noemden hen “Vossen meulen”, naar de boerderij er naast. Een boerderij met een klokje op het dak. Alleen de grote boerderijen hadden zo’n klokje."

    Mijn schooltijd

    "Zoals de meeste kinderen liep ik school in de “Aangenomen meisjesschool” van het dorp te Nukerke. In de meisjesschool kon je toen schoollopen vanaf de kleuterklas tot de 4de graad lager onderwijs. Kinderen van katholieken gingen toen niet naar de gemeenteschool. Het gebeurde meermaals dat de beste leerlingen vroeger de school verlieten om in Ronse of net over de taalgrens verder te gaan studeren. De zusters stimuleerden de beste leerlingen om verder te studeren. Je moet weten dat toen in Ronse de meeste vakken in het Frans werden onderwezen. Wat voor ons, kinderen van den buiten, niet gemakkelijk was. Wij hadden familie wonen in Oudenaarde waar Frans de voertaal was. Ja, de burgerij in Oudenaarde had toen Frans als huistaal. Daar leerde ook ik mijn Frans bij die Franssprekende nichtjes en hun vriendinnetjes. Na mijn plechtige communie stapte ik dus naar de Sancta Maria te Ronse. Daar bestond toen een 6de klas van het lager onderwijs waar de kinderen van den buiten hun Frans konden bijschaven. Ik ging niet naar die klas omdat ik al voldoende Frans kon en dus werd ik in het zesde middelbaar ingeschreven. Ik kon goed mee volgen. Je moet weten dat in Nukerke verscheidene leerjaren bij mekaar zaten in dezelfde klas. En ik, nogal een vluggerd, pikte vele zaken mee van de hogere leerjaren. Daardoor had ik algauw een flinke voorsprong op mijn medeleerlingen. Zo heb ik eens een leerjaar mogen overspringen.

    In dat eerste jaar van mijn middelbaar zaten wel 40 leerlingen in de klas. We werden er alfabetisch geplaatst maar omdat ik wat laat was ingeschreven kreeg ik nummer 39. Ik weet het nog goed “trente-neuf”. Het waren niet allemaal nonnen die er les gaven. Er waren ook al een aantal ongehuwde leraressen aan de school verbonden. Zo hadden wij een juffrouw uit Oostende. Af en toe mochten wij eens Vlaams spreken. Ik was er op pensionaat en in de studiezaal moest ik mijn huistaken alleen maken. Ze waren verbaasd dat ik het zo goed deed. Ik herinner mij nog de les geschiedenis over de Egyptenaren en dat in het Frans. Niet simpel! Er was ook een Walin die les gaf en … die kon geen woord Nederlands. Wat een tijd zeg! Ik heb wel eens goed geschreid als de examens aankwamen. Gelukkig mocht ik het vak geschiedenis en aardrijkskunde in het Nederlands afleggen. Met nieuwjaar had ik 60%. Met Pasen was dat al veel beter en tegen de grote vakantie was ik de derde van de klas. Na enkele jaren humaniora ben ik, op aanraden van mijn moeder, naar de normaalschool overgestapt. Toen ging dat zo. Dat was normaal zeker dat de ouders dat beslisten? Zo de ouders spreken zo doen de kinderen. Ja toen was dat zo, maar … nu niet meer, denk ik!"

    Thuis op de Pontstraat

    "Vader was wagenmaker van beroep. Hij was zeer bekend om zijn wagens en vooral om de degelijkheid van de houten wielen. Hij was echt een stielman. Zijn stiel had hij geleerd in Kaster. Dat was daar heel bekend voor het maken van wielen. Ze maakten daar vooral wielen voor “voituren” en vader woonde daar zelfs in bij de familie.Hij moet daar graag gezien geweest zijn.

    Achter onze woning werd een fabriekje gebouwd op aanraden van een textielbaas uit Ronse. En waarom niet. Al die wevers die naar Ronse gingen werken deden dat te voet. Waarom dus niet dichter bij huis? Die fabriek was eigendom van nonkel Frans. Spijtig genoeg is die enkele jaren na de start van de weverij gestorven. Hij was pas enkele maanden getrouwd en is overleden aan een bloedvergiftiging. Er werd geweven “à façon” met 4 getouwen en één wever per getouw. Er werden vooral stoffen voor manshemden geweven. Toen, in mijn kinderjaren, waren er in Ronse nog veel woningen waar een houten weefgetouwtje stond in de voorplaats. Frans Deweer had ook een camionette om de bomen (geweven stoffen) naar de Liniaire in Leupegem te voeren. Bij zijn terugkeer had hij een andere opdracht mee en de nodige bobijnen. De kleine huiswever, ook die van Nukerke, moesten “hunne boom” per kruiwagen naar Ronse brengen bij hun opdrachtgever. Dat was een of andere textielweverij. Ik mocht als kind wel eens mee met de camionette. Was me dat een belevenis !

    En het gebeurde al eens dat de broer van meester Gilleman, Marcel, met een mandje duiven aankwam en vroeg om de beestjes op de vlucht te zetten. Marcel Gilleman woonde toen met zijn zus in het koeplekje, waar later ‘t cabineurke woonde, een paar huizen verder van de school.  Nonkel Frans woonde toen in het huis waar later de bakkerij was van Laurent De Weer, schuin tegenover onze wagenmakerij. Dat huis heeft Nonkel Frans nadien gekocht. Ja, dat was de woning waar dokter Berlanger heeft gewoond. Hij heeft dat zelf laten bouwen, een beetje naar de stijl van dat statige huis van de familie Planchon er naast. Ze hebben deze woning laten bouwen als ze gaan rentenieren zijn. De Planchons hadden een bierbrouwerij te Ronse. Na de dood van nonkel Frans kwam het fabriekje in handen van vader. Die was heel content dat hij kon beschikken over dat fabriekje. Het werd een opslagplaats voor het hout. Dat hout dat moest dienen voor het vervaardigen van de wielen moest zeer sterk zijn en droog. Elk jaar trok vader naar de omliggende bossen om het beste hout op te kopen. Het was toen gebruikelijk dat er jaarlijks in de bossen hout werd te koop gesteld, ook brandhout. Hij wist steeds lang vooraf welk hout hij wilde. Miel Den Haerinck, vader van André, deed niets anders dan bomen omhakken. Het klein, kort hout mocht hij houden of hij verkocht het door, kwestie van een stuiver bij te verdienen. ’s Zomers dan werd er niet gehakt en werkten de houthakkers bij de boeren.

    Je kon na de werkuren van op de straat niet zien dat het bij ons een wagenmakerij was. Vooraan lag er geen plankje. Vader was ook stipt en hij maande de boeren aan hun bestelling te komen af halen. Begin de jaren 20 was de elektriciteit nog niet voorhanden in Nukerke. Dat was wel gepland en dus kocht vader een elektrische zaag. Toen heeft hij zelf was afgezaagd bij de elektriciteitsmaatschappij om stroom te krijgen.

    Wanneer de houten wielen waren gemaakt dan kwam de boer die halen met paard en kar en voerde de wielen naar de smidse van Mielie Claus, de vader van Michel, aan Den Appel. Er waren toen nog smidsen o.a. op de hoek van de Donderije en de Mellinckstraat bij De Zitter. En dan nog de smidse Lietar, langs de Staatsbaan niet ver van Den Engel en dan nog de smidse rechtover Octaaf Maarschaert. Mielie smeedde de ijzeren banden rond het hout. Smid en wagenmaker werkten goed samen in de smisse om de ijzeren ringen rond de wielen te spannen. Mielie Claus had nogal de naam van een ‘nijvegerd” te zijn. Ge weet wel. Dat zijn van die gasten die nooit ophouden. Dat was een man die van alles kon en alle prutswerkjes waren de zijne. Als hij ergens een werkje aan de hand had dan had hij de gewoonte de helft van zijn werktuigen thuis te vergeten en thuis vond hij dikwijls zijn gerief niet terug. En die smisse die zat vol. Op de muren en in alle hoeken en kanten hingen wel 10 horloges die alle 10 werkten en alle 10 op het zelfde moment het uur klopten. Gezellig boeltje was het daar! Ja ’t was de tijd van Marie, de vrouw van Mielie. Rechtover het kruidenierswinkeltje van Marie woonde op de hoek Modest Devos, in de volksmond Deeiste Devos of Voazen Deêstie. De voorbijtrekkende schoolkinderen vonden dat een norse man, maar dat was de schuld van de kinderen zelf die allerlei fratsen uithaalden om de man te plagen."

    De school op het dorp waar ik school liep.

    "Zuster Augula zorgde voor de kinderen van de tweede kleuterklas. In haar klas stond een piano. Daar bovenop stond een wekker. De zuster had de opdracht te bellen als de lessen gedaan waren. Maar ik mocht altijd met de bel gaan rinkelen. In 1930 was zuster Aquilina overste en deed het 5de, 6de, 7de en 8ste  studiejaar. Ze was goed bedreven en bereidde de meisjes goed voor op het Kantonnaal Examen. Meester Jan was toen de oppermeester. Zuster-overste schreef al eens een briefje en ik moest dat berichtje tijdens de schooluren bij meester Jan brengen Hij woonde op de plaatse en was reeds op pensioen. Irma, zijn vrouw, kwam opendoen, en na een beleefde groet werd het berichtje afgegeven. En negen op tien, die dag kwam meester Jan nog naar school. Hij was een heel goede meester en had na zijn oppensioenstelling nog een grote verbondenheid met zijn school. Op een dag komt mijn moeder meester Jan tegen en deze zegt haar dat mijn broer Georges “ nen rappen” was. “Hij moet naar een andere school want hier kan hij niets meer bijleren. Laat hem naar Ronse gaan.” En zo geschiedde. Op tweede Sinksen deed hij zijn plechtige communie en ging dan naar het college van Ronse in de klas van meester Valère Mores. In ’t begin ging hij dagelijks te voet vanaf de Pontstraat. Tijdens de winter had het eens geijzeld. Thuis bleef hij niet. Op zijn kloefen was hij weg. De mensen die gingen werken deden dat ook.

    De betere families stuurden hun kinderen vanaf de leeftijd van 12 jaar, na hun plechtige communie, naar een pensionaat in Henegouwen. Toen was er nog geen sprake van een taalgrens. Het was nog in de tijd dat de kleine Vlamingen hun Frans moesten gaan leren in een of ander instituut in Celles, Ellezelles, Ath, Leuze… De meeste meisjes verbleven er slechts één of twee jaar. Ondertussen waren ze 14 jaar en tijd om thuis te blijven.

    In de jaren dertig was er tocht enige wedijver tussen de beide scholen. Meester Fedor, toen nog een jonge onderwijzer van de nieuwe gemeenteschool op het Holand kwam af en toe bij ons langs om van mij te horen wat en hoe wij in de vrije school leerden. Hij kwam al eens bij ons thuis zijn boterham opeten. Vooraf  ging bij Bekie (winkel van Richard Vanderbeke) een doosje sardienen halen. In de winkel daar vroeg eens een vrouw: ”Ha, zijde gij dienen nieuwe meester die hier in de school gaat komen ? En is ’t waar dat er niet meer gaat gelezen (gebeden) worden? “ Antwoord van de meester: ” Luister hé, wij zijn allemaal christelijk opgevoed!” “ Hoe diep dat het er in zat hé!”(sic)

     In de aangenomen jongensschool gaven Maurice Bastien, Benoit Lepez en Marcel Lepez les. Maurits Bastien was afkomstig van Zulzeke. Zijn ouderlijk huis was schuins over de gemeenteschool. Hij was een boerenzoon die nadien in het seminarie is getreden en priester werd. Maurits kreeg zijn “Heilige Priesterwijding” en deed zijn “Eerste Plechtige H. Mis” te Gent op “Beloken-Paaschen” 1943. Hij werd in Zulzeke gevierd op 9 mei 1943. Priester Bastien werd zelfs onderpastoor op Sint-Hermis te Ronse."

     

    Oorlogsjaren

    "Als jonge onderwijzeres hielp ik bij Winterhulp en het Rode Kruis. De leden van het comité van Winterhulp waren o.a. Dr Glibert en Jean Decubber (die ook tweede bediende was op het gemeentehuis) en de gemeentesecretaris. Hij was aangesteld voor de bevoorrading.

    Iets meer over Winterhulp (secours d’hiver).

    Sommige steden gaven in 1940 postzegels uit met een toeslag ten voordele van Winterhulp: Brugge (50c+10c), Brussel ( 1Fr75 + 50c), Namen (75c +15c), Hasselt (1 Fr +25c),  Antwerpen (2Fr50 + 2 Fr50),Luik (5 Fr + 5 Fr)… Zie waarde tussen haakjes.
    Onze taak was de arme mensen en allen die behoeftig waren te helpen. Vooral de huisgezinnen met kinderen stonden vooraan. Wij zorgden voor de bedeling van de kolen. Zo was er een depot in de boerderij van Maurice Eyckerman. Talrijk waren de mensen die daar met een kruiwagen kolen kwamen halen.En dan in 1944…!Het was op een dinsdag dat mijn broer Georges, Roger Demets, Roger Vandendaele en ik naar Waregem zouden fietsen. ’t Was daar kermis en wij hadden al enkele jaren de gewoonte  naar toe te gaan. We reden de Sponde naar beneden en daar liep een soldaat de straat op en af. Was dat een Duitser ? Al gauw kwamen we aan in Berchem en passeerden even bij een tante. “Wat, gaan jullie naar Waregem? Maar dat moogt ge niet riskeren. ’t Is veel te gevaarlijk want ’t is hier ergens iets gaande.” Er hing precies iets onheilspellend in de lucht. Maar wij reden toch verder. Ge weet hoe jonge mensen zijn. Maar na enkele kilometers zijn we toch maar terug gekeerd. Tegen dat we terug in Berchem waren stond er een locomotief met veel wagons en in de richting van Kwaremont was er precies een grote bedrijvigheid. De mensen zeiden ons dat we naar huis moesten. De mensen van Kwaremont betrouwden ook het boeltje niet en bleven binnen en kwamen niet op straat. Er hing iets in de lucht. Dan werd het zondag. We hoorden tegen de middag een heel harde ontploffing. Nadien bleek dat de achterwacht van de bezetter een munitiedepot liet in de lucht vliegen. Blijkbaar was daar een raketbasis in opbouw voor de lancering van de V-bommen. We hoorden nadien dat het nieuwe kasteel ten gronde af lag."

    Dit kasteel en het domein er rond behoorde toe aan de familie Behaegel de Bueren. En de raketbasis daar maakte deel uit van een batterij die was opgesteld van Noord-Frankrijk tot Kwaremont.

    Het echte verhaal uit de mond van de eigenaar van het kasteel.

    Verslag van een interview door de heer P.H. op 4 januari 1996 met Jonckheer André Behaeghel de Bueren, zoon van Gravin de Beuren die tevens eigenares was van “Goet ten Broecke” van 1920 tot 1950, moment waarop ze stierf.

    De familie woont in het Chateau de Calmont dat op een domein ligt van enkele honderden ha.

    “Mevrouw  Gravin de Bueren was de laatste afstammelinge van een oude Hollandse familie. De familie was over gans Europa verspreid o.a. in Westfalen in Duitsland en in Oostenrijk. De familie de Bueren is in Vlaanderen gekomen onder het Oostenrijks Bewind, toen Maria Theresia van Oostenrijk Gent bezette. Een Oostenrijks kolonel, een de Bueren is toen - zoals het een bezetter past, getrouwd met een Van De Woestijne uit Gent en zo zijn de de Bueren in Gent gekomen. In 1923 is door toedoen van Koning Albert I de naam Behaeghel  veranderd in Behaeghel – de Bueren; dit was nodig omdat anders zo’n oude en over gans Europa verspreide familienaam zou verdwijnen. Gravin de Bueren was gehuwd met Ridder Gaston Behaeghel. Hun huwelijk werd gezegend met zes kinderen. Ridder Pierrre – als oudste erf je automatisch de titel van je vader - die huwde met dame Morelle de  Westgaver uit Gent , Jonckheer Philippe, Jonkheer André, Jonkvrouw Anne-Marie die huwde met graaf Raymond D’Ansembourg, een Hofhertog van Luxemburg en die nu nog verblijft op het kasteel te Melle en tenslotte Jonkvrouw Lorette die huwde met Baron de Bassompierre uit Brussel.

    Toen Gravin Berthe de Bueren stierf in 1950, werden de bezittingen verdeeld onder de kinderen. Tijdens de oorlog 40-45 was Jonkheer André Behaeghel-de Bueren sterk bevriend met een Engelsman. Deze Engelsman seinde berichten door naar Londen over de toestand in de omgeving. Op 3 september 1944 seinde hij door dat er een lanceerplatform stond in de buurt van het kasteel Calmont. Men zou daar meteen overgaan tot het bombarderen van dat lanceerplatform. Dit ging toen echter niet door omdat de Engelsen zich reeds in Doornik bevonden en deze zouden het platform gewoon innemen. Er bevonden zich daar toen plusminus 100 V1-bommen. In een fabriekje beneden de Bossenaarstraat werden toen de stukken gemaakt voor het platform.  Er bleef één Duitser achter om alles op te blazen, de rest van de Duitsers trok naar Ronse. Die achtergebleven Duitser heeft het platform niet kunnen opblazen daar hij gevangen genomen werd door Achiel  Vergeynst. Toen de Duitsers de Engelsen te Ronse tegen kwamen zijn ze gevlucht en zijn ze terug gekeerd naar  het kasteel waar ze zagen dat het platform niet ontploft was. Ze hebben het toen laten ontploffen. Men vertelt dat de Engelse kolonne tijdens de opmars naar Oudenaarde op zeker ogenblik een Duitse gemotoriseerde patrouille kruiste die op weg was naar het platform. En ... de Engelse lieten hen ongemoeid! Niet te geloven! De ontploffing veroorzaakte veel schade aan het park en heeft het kasteel Calmont compleet vernield. Gedurende de periode die volgde heeft de familie Behaegel-de Bueren  drie maanden op het “Goet ten Broecke” in Zulzeke gewoond. De kant van de borenwoning met de beste kamer werd ter hun beschikking gesteld….

    Bevrijding

    "Aan Den Appel te Nukerke woonde toen een schoon en gelukkig Vlaams gezinnetje met kinderen. Mijnheer Jan Van Ackere was leraar aan het Atheneum in Ronse. Zijn vrouw was de dochter van de bekende en geëerde familie Van den Abeele die een winkel had met boeken en speelgoed in de Baarstraat te Oudenaarde.

    Ik weet nog goed. Het was op de maandag na de bevrijding dat mijn vader in de voornoen groepjes mensen de Pontstraat zag op en af gaan. Sommigen trokken richting Etikhove met een kruiwagen volgeladen met pakjes en dozen, nieuwe spullen, zakken, boeken, speelgoed…Allé, alles wat niet te zwaar en te heet was! De ene had dit mee en de andere dat. Vader vroeg zich af wat dit betekende. Hij naar buiten ! En vroeg op de man af waar al dat nieuw spul wel vandaan kwam. Ha, daar van op de steenweg, aan Den Appel. ’t Is daar een huis en ’t zit vol met mooie dingen. ’t Zat zo. De familie Van den Abeele in Oudenaarde had een grote hoeveelheid mooie dingen, ook boeken en speelgoed bij de dochter in Nukerke ondergebracht. De goederen waren aangekocht met het oog op het komende sinterklaasfeest. Ze vreesden immers voor een totale vernieling van hun woning als de bruggen over de Schelde onder vuur zouden komen te liggen. Immers op 19 mei 1940 vielen bij een Duits bombardement op de scheldebrug  26 slachtoffers, de meeste vluchtelingen uit Lanaken in Limburg. Bij de buurtbewoners zat de schrik er dus in.

    Mijn vader neemt dan ook maar de fiets en gaat kijken naar de vernieling. Na een tijdje komt hij thuis. Ge moet dat zien! Schande. Daarop nam ik, nog een jong meisje, mijn fiets om ook eens te gaan kijken. ‘k Was nog maar pas van mijn fiets gestapt of daar komt een man op mij af met boeken onder de arm. Hier, gij zijt gestudeerd. Ge gaat dat kunnen gebruiken. Hij duwde een stapel boeken in mijn handen. En ga maar binnen, ge gaat daar wel uw goesting vinden. Maar nee ! Da’s niet van mij ! Toch wel. En ik de trappen op om de boeken terug te brengen. Die legde ik op een venstertablet. Niet te geloven. Wat eens een mooie hall moet geweest zijn lag in de vernieling. Mijn ogen vielen op enkele mooie pentekeningen  aan de wand. Het glas gebroken en de tekeningen doorkerfd. Die tekeningen waren door een familielid getekend. Regelrechte baldadigheid. Het huis, “het torenhof”, bleef er verlaten achter. Enkele dagen voordien was de leraar ondergedoken. Zijn vrouw was met de kinderen door de velden naar de pastorie van Nukerke gevlucht uit schrik voor mogelijke bedreigingen. De leraar heeft een tijdje vastgezeten.

    Weken later kregen nogal wat kinderen gestolen zaken. Hopelijk waren die arme zieltjes er gelukkig mee ! Immers, “gestolen goed gedijt niet”!

    Zo zijn er hier en daar nog ongeregeldheden gebeurd. Vernielingen, diefstallen, bekladden van woningen, verwijten, valselijk betichten van mensen … Ja, ’t was ’t einde van een lange oorlog. De mensen waren blij gezind en dronken pinten. En van het een komt het ander. Alles komt dan boven, het goede en het slechte!

    En dan waren er de “witte bendes”. De “bekies” waren chef van de bende. Ge moest niet veel gedaan hebben om van de brokken te delen. "

    Onderwijzeres

    "Kort nadat ik mijn diploma heb behaald, dat was tijdens de oorlog, moest ik af en toe een interriem doen in de gemeenteschool te Nukerke. Cécile Gremonprez die les gaf aan o.a. het eerste leerjaar was verondersteld dat ze de kinderen voorbereidde op de eerste communie. Maar die was niet zeer gesteld op die kerkelijke aangelegenheden .Telken jare dus werd ze ziek rond de tijd van de communies zodat ze de voorbereiding niet hoefde te doen.

    Zo gebeurde het eens dat de facteur de boodschapper speelde. De overste van het klooster te Etikhove gaf aan Remi de facteur de opdracht om tijdens zijn ronde te Nukerke aan mij te vragen eens naar de school te komen. Ja er was toen geen telefoon en de zusters mochten niet naar buiten. De vraag was: “Zoude gij hier willen komen lesgeven?” Dat stond mij daar niet veel aan, maar van thuis moest ik dat werk aannemen. Maar mijn aanstelling moest toen eerst worden goedgekeurd door kanunnik Quintelier, diocesaan hoofdinspecteur van het bisdom Gent. Maar moeder-overste - een goede – durfde al eens een beslissing nemen zonder haar overheid er kennis van te geven. Je kunt het al raden. Wij beiden moesten naar Gent, bij Quintelier die hoogst waarschijnlijk een andere kandidate had. Ik moest mij op mijn best kleden. Met de trein naar Gent. Aan ’t station daar namen we een taxi tot bij Quintelier. Van de zuster moest ik in de taxi blijven zitten. Plots komt ze buiten gevlogen en zegt dat ik binnen mocht. De kanunnik wist dat mijn broer les gaf in de gemeenteschool van Melden. “Is hij wel aangesloten bij het C.O.V. Zijn jullie christelijke mensen?”  “Ja, wij gaan naar de kerk.” “De kerk van Nukerke, aan wie is die toegewijd?” “ Aan O.-L.-Vr Hemelvaart.” Mij ondervrager beweerde dat ik verkeerd was en sloeg een dik kerkelijk boek open. “G’hebt gelijk!”

     

    Paul Hoffmann, de gemeentesecretaris

    We hebben al bemerkt dat tot halfweg de 20ste eeuw vele doodsprentjes werden gedrukt in de Drukkerij Hoffmann. "Twee zussen van de gemeentesecretaris, Ida en Aimée, woonden in de straat om naar ’t lindeke te gaan. Die zussen waren ongetrouwd en hielden daar een winkel van kruidenierswaren. Achteraan was er een plaats waar een oude drukmachine stond. Daar werden soms doodsbrieven en doodsprentjes gedrukt vanaf begin 1900.  Hun concurrent was de Drukkerij Deriemaeker, van de koster, op het dorpsplein.

    Paul Hoffmann had de naam van “pietje precies”. Hij was zeer correct en gesteld op orde en respect. Een beetje als een militair ! Was hij niet als zestienjarige vrijwillig ingelijfd in het Belgisch leger tijdens de Eerste Wereldoorlog!"


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pittige verhalen

    Albert Antrop werd geboren op een woensdag van het jaar 1915. Zoals zo velen vertelt ook  Albert over zuster Cantara  die een hele generatie kinderen heeft opgevoed. Als kleuter trok hij niet zó graag op naar school omdat hij op school moest blijven eten. Let op! Geen lekkere boterhammen van thuis maar kloosterkost. En dan nog tijdens de oorlog. “Alle dagen moet ik ambras hebben gemaakt. Tot besloten werd mij naar Ronse te sturen naar “de wezenschool”. Die aanvaarden alle kinderen jonger dan 6 jaar. Ik was pas 4 jaar en werd op pensionaat gestuurd. Ik bleef er tot mijn 9 jaar en dat was een privilegie. In die tijd liepen de kinderen van de liberalen school in de “wezenschool” terwijl de katholieke kinderen naar de Sancta Maria trokken. En waarom op internaat ? Wel, onze ouders hadden absoluut geen tijd om ons naar en van school te brengen. Toen ging alles te voet en de school was toch ver. De weg liep van de Meulebroecke, het veld in naar de herberg “De koekoek” waar Armand Rousseau nog gewoond heeft. (Vital Laurier heeft dat huisje nadien gekocht en afgebroken). Dan langs de Potaarde, de Pontstraat over en langs het Meetjesstraatje naar het dorp. Dat alles langs onverharde voet- en landwegen.

    Dus werd voor het gemak gekozen. Toch voor degene die geld hadden. Ik bleef  in “de wezenschool” tot de leeftijd van 9,5 jaar. Daar was ik het knechtje van de nonnekes. Was er een boodschap te dan werd Albert aangesproken. Ik weet nog, er had een hevig onweer gewoed. De straten van het centrum stonden half onderwater en de zusjes Aelvoet waren nog niet afgehaald aan de school. Dus werd Albert aangesproken: “Alberke, zoude gij die twee meisjes willen thuis brengen?” En Albert trok op, de stad door tot aan de passerelle. Vandaar liet ik hen gaan en keek ze nog een tijdje na. En dat voor een kind van 9 jaar.

    Het jaar nadien ging ik over naar het college.

    14-18

    Dat de Duitsers ook Nukerke bezetten kon je merken aan de patrouilles die voorbij kwamen. In Nukerke was een sectie Duitse soldaten gelegerd. Tweemaal daags patrouilleerden 2 Duitse soldaten te paard gedurende ongeveer een uur. Kwestie van alles onder controle te houden.

    In 1918 werd onze streek door de Engelse troepen bevrijd. Het heeft 2 dagen geduurd eer ze van Melden tot hier in Nukerke zijn geraakt. De wegen waren toen maar half verhard en bij hevige regen bleven er enkel poelen en plassen over. De paarden trokken zich half dood om al dat zwaar geschud de berg boven te trekken. Op 11 november om 9 uur in de voormiddag hing reeds een witte vlag boven op de kerktoren. Maar terugtrekkende Duitsers vonden het wel nog nodig om vanuit een mitrailleursnest in de berm van de spoorweg in Terpoort  op de Engelsen te schieten die zich te ver waagden. Maar er waren toen zoveel Engelsen dat het op een moment op de weide zwart zag van de paarden. Op ’t einde van de grote oorlog pakten de Duitsers bij hun aftocht alles mee wat ze konden gebruiken. Zelfs de runderen namen ze mee. Het was voor hen zogezegd militaire eigendom. En dan trokken ze achteruit. In die jaren ging dat nog heel traag. Amper 15 km per dag.

    Onze Belgische soldaten waren tijdens den oorlog pover gekleed. “

     

    Op en rond de boerderij

    De boerderij werd gebouwd in 1858 door Leo Devos, ook Lootje genoemd omdat hij niet te groot was. Leo was de grootvader van Albert Antrop. Al de bouwstenen werden ter plaatse gemaakt en gebakken door een ploeg steenbakkers. Helpers liepen heen en weer met een handvol steenkool die in de openingen tussen de stenen werden gelegd. Tijdens de winter hadden die steenbakkers geen werk. Dan vlochten ze manden. Metsers waren er genoeg. De huisjes uit die periode hadden allemaal dezelfde indeling. Op een van de muren moet nog een schild staan van De Vos. Aansluitend aan de vierkantshoeve werd een maalderij gebouwd; een watermolen die werkte op het water van de Meulebeek. Een eindje verderop werden, zoals gebruikelijk, een drietal kleine huisjes gebouwd. Die werden dan verhuurd aan de dagloners die op de boerderij zouden werken. Zo was er bij ons thuis werk voor 3 “maarten” en 2 knechts. De ene meid moest kuisen, wassen en plassen terwijl een andere het vuile buitenwerk deed en een derde aan de kookpot stond. In sommige gevallen bleven meiden en knechts op de boerderij overnachten. Het gebeurde al eens dat de voerman bij zijn paarden sliep. Gelukkig dat die mensen ons hadden of ze vergingen van armoede. De mensen hadden toen geen “tractement”.

    De knechten durfden al eens van werk en boer veranderen om een “frankske” meer te verdienen. Dan moesten ze natuurlijk verhuizen. En kreeg het werkvolk eten en drinken, er werd al eens iets meegepakt en … eieren werden al eens geroofd.

     Die huisjes van het werkvolk hadden allen dezelfde vorm. Je viel met de deur in huis, in de woonkamer dus. Verder was er een schotelhuis of spinde (soms ook sponde genoemd), een gang naar de achterdeur en 3 à 4 kleine slaapkamers.  Er was meestal een weefkamer waar een houten weeftoestel stond. De vloer in de weefkamer was steeds in geharde leem. Waarom? Wel er moesten al eens putten worden gegraven onder de trappers van het weefgetouw. De eerste “weverkens”die naar de fabriek gingen werken verdienden een armoeloon, zelfs al zwoegden ze 10 uur per dag.. En … steeds stonden de met stro gedekte huisjes met de voorzijde naar de zon gericht, steeds per twee of drie met de zijgevel tegen aanleunend. Stond de façade van het huisje westelijk gericht dan mocht je ervan overtuigd zijn dat de plannen door een architect waren getekend.

    Halfweg de 19de eeuw werden in Nukerke de meeste vierkantshoeven gebouwd zoals er zijn het hof van Devenijns op ’t Holand (nog gedeeltelijk met lemen schuur), het hof van Claus-Vande Putte (later Eyckerman-De Zaeytijd), het hof van Leo Devos en dat van Schoorens langs de Weitstraat. Al bemerkt dat aansluitend bij elk van die hoeven steeds enkele werkmanshuisjes stonden? Zo stonden er bij de hoeve langs de Ruitegem drie huisjes en dan nog eens twee. Wegens verkrotting zijn er vele reeds jaren geleden afgebroken of verbouwd. Langs de Doolstraat (vanaf de beek tot boven aan de Pontstraat) staan nog steeds een paar huisjes. Soms tweewoonst genoemd. De Doolstraat wijst op het feit dat de mens die dit donker gat bij nacht en ontij gebruikte z’n hart in de keel voelde kloppen onder het zwiepen en het kraken van de hoge populieren.  Zo benauwend moet het geweest zijn. Het is bovendien een  kronkelende holle weg.

    Iets meer over het hof Claus-Vande Putte. Een dochter van Claus was getrouwd met een zoon Planchon, brouwer te Ronse. Bij hun rentenieren hebben ze, voor die tijd, een prachtige woning laten bouwen langs de Pontstraat, hoek Meetjesstraatje. Binnen was het daar steeds kraaknet en de woning was rijkelijk ingericht.

     

    Werk op het erf.

    Een grote boerderij zoals deze uit de Meulebroecke deed het werk met 4 paarden. Vóór de grote oorlog vertrokken nogal wat jonge mannen op campagne naar de grote hoven in Noord-Frankrijk. Dan bleef er niets anders over dan met het “vrouwvolk” het zware werk te verrichten. Zo was de jaarlijkse suikerbietenteelt een heel drukke tijd. Iedere middag begon de zware arbeid. Boer Leo reed met een ploegje, getrokken door één paard, de rijen bieten uit. Na hem maakten twee vrouwen de bieten los.  Anderen moesten de koppen (het loof) afkappen en werden de bieten op rijen gelegd. Daar stond de voerman al klaar om de bieten op de wagen te gooien. Eens de wagen vol verscheen onmiddellijk de volgde wagen. Dat ging zo dagelijks tijdens de bietencampagne tot het donker werd. Per dag werden soms 3 voeren van elk 3 à 4 ton geladen. De volgeladen wagens vertrokken dan naar het erf. ’s Morgens bij de eerste klaarte knarsten de ijzeren banden op de kasseien  want de wagens reden richting station van Etikhove waar de treinwagons stonden te wachten.

    Enkele oude vlakte maten:een gemet is een half morgen of 300 vierkante roeden. In ’t Gentse is 1 gemet 4479 m² groot. Een morgen is zoveel land als men in een morgen (voormiddag) kon omploegen..Een vierkante  roe is 6 stappen op 6 stappen.

     

    De campagnards

    Ik zie ze nog optrekken, de sterkste mannen. Ze vertrokken op campagne naar Noord-Frankrijk, letterlijk gepakt en gezakt. Gepakt met hun werktuigen zoals pik en haak en gezakt met hun “bezotse” over de schouder. ”Bezotse” is van het Franse woord “besace” afgeleid. Dat is een zak die in ’t midden opengaat en aan de twee uiteinden gesloten is. Weet je dat de vrouwen ondertussen hier meer verdiend hadden dan sommige echtgenoten. Dat geld kittelde al eens in de broekzak van die mannen. En je weet hoe dat gaat. Vertier en een pleziertje kost geld. Nog zo iets. De meeste huisgezinnetjes kochten voor het vertrek van de man bij de boer een paar honderd kg graan. Kwestie van voorraad in huis te hebben. Geld om te betalen hadden ze niet. Er moest gewacht worden tot de brave huisvader met een goudstukje - “een napoleontje” - de boer betaalde. De meeste seizoenarbeiders trokken twee- tot driemaal per jaar. Ze deden de bieten- én de graancampagne. Kort na de tweede oorlog was het gedaan met de campagne. Het werk van de Belgen werd afgepakt door de Polen.

     

    Steenbakkerij

    De steenbakkerij van Debisschop bijna aan het einde van de Mellinckstraat heb ik weten werken. Je ziet trouwens nog de resten van het uitgraven van de leem. Theofiel Debisschop woonde toen naast de steenbakkerij. Nadien woonde hij in het boerderijtje waar later Maurice Devos is gaan wonen. Het was toen ook gebruikelijk dat bij het bouwen van een huis de opgegraven leem werd gebruikt om ter plaatse de bakstenen te bakken. Dat waren toen soms van die harde zwart gebakken stenen. Bakken van stenen was toen een kennis. Meestal werd beroep gedaan op een ploeg steenbakkers. De kleiklompen werden in open lucht gebakken. Meermaals waren de stenen aan de buitenrand niet hard gebakken. Er moest goed worden gestookt en dan nog was er soms veel verlies.

    De koekoek

    De koekoek was een kroeg gelegen op de oostkant van de Potaarde. Een los, aarden weg, die vertrok aan de Mellinckstraat leidde er naar toe. De tonnen bier moesten van daar naar boven worden gedragen want de biercamion kon niet tot boven. Daar kwam heel wat volk over de vloer. De mensen uit Nukerks bos namen deze korte weg naar ’t dorp. Nadat Monske verhuisd was naar de Diericksstraat werd de kroeg gekocht door Vital Laurier en Melanie Vancoppenolle.  Monske Gerseau had naast zijn kroeg een werkhuis. Daar maakte en herstelde hij karren. Monske was blijkbaar een slimme man, een uitvinder. Zo had hij eens een machine in mekaar geknutseld om zijn werk te verlichten. Dat spel werkte met de wind. Op een keer waaide het flink en het ventje kreeg de aandrijving niet meer onder bedwang. De machine werd dol en Monske vloog van schrik voor de brokstukken onder de schaafbank. Dicht bij de woning was er een bron. In den ouden tijd (19de eeuw) werden de woningen gebouwd daar waar water voor handen was, hetzij een bron, een fontein of een beek. Voetwegen leidden er naar toe. In begin negentienhonderd waren er drie soorten mensen: grote boeren, kleine boeren en keuterboeren met een drietal koetjes. Het gebeurde al eens dat een keuterboertjes zich een baron voelden. En verder ging dat toen zo! De meeste mensen hadden een lapje grond bij het huis liggen waarop ze tarwe of rogge zaaiden. Daarnaast kweekten ze meestal enkele geiten.

     

    De mobilisatie

    Veel jonge mannen uit onze streek moesten op eigen kosten de trein op om in Ieper te verzamelen. Ik was er niet graag bij! Dus keerde ik snel naar huis terug maar mijn vader was zo kwaad dat ik daar terug stond. Hij stuurde mij terug. Ik mocht mij zelfs niet neerzetten en zonder eten wees hij mij de deur uit schrik dat ik als deserteur zou worden opgepakt. Na de capitulatie van het Belgisch leger heb ik van de chaos gebruik gemaakt om tijdelijk onder te duiken. Veel soldaten kwamen toen terecht in de textielfabriek van Cambier te Ronse. Mijn vader dacht dat ook ik daar werd ondergebracht daarom fietste hij elke dag met enkele boterhammen naar Ronse. Hij vond mij natuurlijk niet. Ik ben wel ’s nachts in den pikke donker van Eke naar huis gefietst, zonder licht nog straatverlichting. Dat was maar bangelijk. 

     

    Een knipoog op de modernisatie

    De elektriciteit is in Nukerke niet plots gekomen. Eerst werd er een netwerk in en rond het dorp van Nukerke aangelegd nadien straat per straat naar de buitenkanten. Maar dat ging niet zo van zelf. De katholieken die toen aan ’t bewind waren in Nukerke zorgden dat hun vrienden eerst werden bediend. Zo werd maar een deel van de Mellickstraat voorzien. Een liberaal die verderop woonde kon wachten. De bekabeling werd gedaan door Blommaert uit Horebeke.

    De eerste landbouwtractoren in Nukerke verschenen kort na W.O.-II. Het waren de fameuze Ferguson, tractoren geweigerd in Argentinië, die om de een of andere reden op de Belgische markt verschenen. Ze waren niets waard en om de aanschaf te vergemakkelijken moest de landbouwer slechts een jaar nadien de betaling doen. In Nukerke reden er zo een drietal o.a. bij Edgard Heuvick. De eerste eigenaar in Nukerke van een automobiel was waarschijnlijk boer Verdonckt die aan Den Engel woonde in zijn nieuwe villa.

     

    De mens maalt al 30 000 jaar.

    “De Italiaans onderzoekster,Anna Revedin, vermoedt dat de mens tijdens het steentijdperk niet enkel van dierlijk eiwit en vet leefde. De plantaardige resten en de slijtageresten die gevonden werden op dertigduizend jaar oude maalstenen in Italië, Rusland en Tsjechië wijzen erop dat de stenen werden gebruikt om wortels en zaden van varens en lisdodden fijn te malen. Antropologen vermoeden nu dat er dertigduizend jaar geleden verandering kwam in de voeding van de mens toen hij graan begon te malen.”

     

    Iets meer over de watermolen.

    De weg naar de watermolen was niet gekasseid omdat dat een private weg was.

    Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte, wel 11 000 frank. Dat was een smak geld en. Enkel de rijke heren konden zich een windmolen permitteren.

    In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen dus. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Ook al waren we concurrenten, er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve. Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver bij ons om wat graan te malen. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan kregen ze mee maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!

    In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben. Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.

    Iets over het malen zelf.

    Het princiep was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; op 100, op 80 en op 60. Roggegraan  op 100 malen of rondmalen gaf bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen want dan had men 40 gruis over. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60.

    Tijdens de oorlog van 14-18 mochten we niet dorsen tenzij onder toezicht van de Duitsers. Maar wij dorsten toch! ’s Nachts ! Dan zetten de Duitsers niet uit in het pikkedonker. Overdag deden twee cavaleriesoldaten tweemaal daags een ronde van één uur. De berijders kregen zelf inspectie van hun oversten om na te gaan of de paarden wel goed werden onderhouden. Die mannen stonden immers voor alles in. Ook voor het onderhoud van hun paarden. Het gebeurde wel eens dat ze op een boerderij een zakje haver vroegen om hun paarden te voederen. Zoveel schrik zat erin dat ze zelfs vreesden voor hun job en bij het voetvolk aan het oostfront te worden gestuurd.

     

    Een mooie legende over het Waterkasteel

    Volgens een oud volksverhaal stond ooit in D’Aubeke een waterkasteel. De benaming is afkomstig wegens het feit dat er rond die velden langs het beekje, meermaals dauw hing. In de oude atlas staat die plaats vermeld bij nr 114 als D’Aubeke en bij nr 115 als D’Aubeke pad. Volgens de kaart van 1777 bestond daar reeds een bijzondere systeem van waterhuishouding. Daar was de grond toen nog zeer drassig en blijkbaar was daar  een heel actieve bron die zorgde voor veel bovengronds water. Dicht bij elkaar trof men er twee omwalde woningen aan die enkel toegankelijk waren langs een brug. Veel water werd aangevoerd door de Meulebeek met bronnen in Ten Hole en op de noordflanken Turkeyen. De landerijen langs de beide oevers werden toen als drassig gebied ingekleurd. Op een kaart van 1851 staat een gebouw met twee vleugels omgeven door een brede wal. Het geheel werd aangeduid met “Water Kasteel ou ter Nersbrug Molen”. De Meulebeek liep onder de Holandsraat door. De oversteek gebeurde langs een houten brug.

    Dat daar een kasteel stond is wellicht veel gezegd. Laat ons zeggen een statige stenen woning omgeven door water. “De kleine Margaretha van Parma (een bastaardkind van Karel V) zou daar in haar kinderjaren zijn opgevoed. Soms kwam Karel V op bezoek. Vandaar dat één van de toegangswegen Keizerrei werd genoemd. Ook een paus van Rome zou daar zijn zoon hebben ondergebracht. De toegangsweg  die de paus volgde naar het waterkasteel werd later Pausweg. Deze aarden weg is het verlengde van de Letterstraat. Je had dus toegang tot het waterkasteel via de Pausweg (verlengde van de Letterstraat) en de Keizerrei. De naam Dauwbeke wijst op de dauw die heel regelmatig boven de akkers hangt. Volgens het volksverhaal zou ook ’t Moleke en de omgeving ervan deel uitgemaakt hebben van ’t Waterkasteel. Het is een feit dat op oude kaarten deze omgeving is aangeduid als drassig gebied. Recht tegenover de watermolen moet een schuur hebben gestaan, op palen. Op de plaats waar de familie De Rooze een paar generaties woonde. Al bemerkt dat het gelijkvloers van het oude woongedeelte een meter hoger ligt en onderkelderd is. Werd in die kelder vroeger ook ijs opgeslagen en bewaard voor de zomertijd? Sommigen spreken hier van een ijsfabriekje, maar dat is veel gezegd. Hoe dan ook, het ijs van de vijver werd verzaagd en de ijsblokken werden tussen het stro bewaard. Daar waar het mogelijk was bouwde men de hoeve aan een beek want water was belangrijk. Er waren dus nog hoeven die een ijskelder bezaten. Dat was een ondergrondse kelder met dikke muren ,onder de schuur, zonder vensters en met een toegangspoortje. Van buitenaf liep men door een gleuf die steeds dieper werd naar beneden. In oorsprong zou het ijs hier gebruikt worden om de melk te koelen. Er was trouwens een voorraad ijs tot een stuk in de zomer.

    Wat nu nog rest van het 18de eeuws Waterkasteel is de westelijke vleugel van het oorspronkelijk gebouw met twee vleugels; een zuidelijke en een westelijke vleugel. Men zegt dat de eigenaar van dit kasteel met molen ook op de Steenbrug te Ronse een watermolen bezat.

     

    ‘ t Moleke

    ’t Moleke is een oude watermolen gelegen op de plaats waar de Molenbeek onder de Holandstraat duikt. Het waterrad en de maalinstallatie is kort na de tweede wereldoorlog in verval gekomen. Dat was ten tijde van Octaaf Norga. Recht tegenover het gebouwtje lag een grote vijver waarin het water werd opgehouden. De laatste sporen van de vijver verdwenen bij de heraanleg van de Holandstraat. Aan de oostelijke gevel van het gebouw ziet men nog de sporen van het rad. Zo te zien moest het verval van het water tamelijk groot zijn geweest. Het westelijk gedeelte van ’ t Moleke was melkerij. Dat is nog duidelijk te zien aan de binneninrichting. De vloer van de melkerij lag veel hoger dan de Holandstraat. Dat was natuurlijk gemakkelijk voor het lossen van de melkkannen. Binnen leidde een trap van de woonkamer naar de melkerij. Ten tijde van Frans Verhellen werd de melkerij ingericht als winkeltje en later als woonkamer.

     

    Een overlevering heeft het over een verhaal uit het jaar 1710. Toen zou een zekere Prins Filip, een Spaanse jonkheer, in Oudenaarde zijn goederen hebben verdeeld. In die periode kwamen er 1100 ha van Melden over naar Nukerke. Nukerke was toen op weg naar zijn zelfstandigheid. En wie waren de gelukkige eigenaars?  Wel volgens het verhaal gingen ongeveer 300 ha naar de familie Van Malleghem.

     

     

    Van Malleghem

    Het gezin Van Malleghem bezat 10 kinderen. Vader was juge in Gent en afkomstig van een rijke familie.Ze verbleven slecht een paar maanden per jaar in hun mooie buitenhuis naast de kerk te Nukerke. Daar was een paardenstal voor wel 6 paarden. Om de baan op te gaan beschikten ze over 3 koetsen; een grote koets voor  6  à 8 personen en getrokken door 4 paarden, een enkele koets voor 3 personen en tenslotte een ressortkarretje op ijzeren banden.

     

    Molen ter Gheynst

    De molen hoorde vóór de eerste oorlog bij de boerderij van Claus. Maar door de komst van de mechanische molen van Moreels werd de concurrentie te groot. Vanuit deze maalderij vertrokken grote zakken meel met de kar, getrokken door koeien, naar het station van Etikhove om in Brussel te belanden in de beste patisserieën.

     

    Eerste gemeenteschool

    De school langs de Pontstraat werd door sommige een oord van verderf genoemd. De oppermeester was meester Gilleman nazaat van een familie met schoolmeesters. Wie daar school liep zou in “d’helle” terecht komen. Op ’t laatst had onderwijzer Gilleman nog 2 leerlingen: Richard De Bisschop en Franske Norga. In die tijd was pastoor Dutordoir dorpsherder te Nukerke en speelde hij burgemeester, was baas op ’t kerkhof en chef in ’t hospice. Naar ’t schijnt, althans volgens verhalen, had hij ook andere activiteiten en zou de pastoor enkele kinderen hebben lopen in Nukerke. Dat was toen geen geheim. De pastoor en de onderpastoor bleven preken tegen die liberale school. De pastoor deed al wat hij kon opdat de katholieken bij een volgende verkiezing zouden boven zijn. Maar de liberalen wonnen en Armand Vandeputte uit ten Abele werd burgemeester. Ondertussen zat de school zonder leerlingen en de oppermeester zonder werk. Bij zijn op ruststelling woonde hij in een woning gelegen tussen de school en het hoevetje van R. Van Coppenolle.

     

     

     

    Nieuwe gemeenteschool

     Ondertussen werden plannen gesmeed om een nieuwe school te bouwen op ’t Holand, ver weg van de kerktoren. Er werd beslist de school te bouwen op een stukje land naast het huis van R. Vanderbeke. Omer Aelvoet, schrijnwerker te Nukerke, stak in voor een totaal bedrag van 100 000 fr. Het metselwerk werd verricht door Fedor Van Coppenolle, broer van Georges die ook metser was. Het schijnt dat het nog veel voeten in de aarde heeft gehad vooraleer de goedkeuring ervan naar Brussel werd verzonden. De secretaris zou daar steeds een stokje hebben voor gestoken. Maar eind goed al goed. Ja, in die tijd was je orangist of je was vrijheidsstrijder en dus “ liberalist”. 

    Het schijnt dat A. Amelot, liberaal volksvertegenwoordiger uit Zingem, toen een grote rol speelde bij de afhandeling van het schooldossier én bij de benoemingen van het onderwijzend personeel. Vandaar dat Germonprez uit Zingem in Nukerke een vaste benoeming kreeg.

     



     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het verhaal van Leontine

         EEN LEVENSVERHAAL
    Leontine Vandeputte en haar leven op de boerderij  

    Leontine vertelt in dit stuk een deel van haar leven. Een vrouw met als het ware een encyclopedisch geheugen als het over Nukerke ging. Kwiek van geest kon ze op een sappige toon, soms met wat ironie, vertellen over mensen, gebeurtenissen en allerhande toestanden vanaf de beginjaren 1900. Verzonken in haar oude zetel diepte ze de oude verhalen weer op. Haar oogjes schitterden als ze op een guitige toon aan een nieuw verhaal begon! Soms verhief ze haar stem en schaterlachte. Je zag dat ze zich al die dingen nog levendig kon voorstellen ook al was Leontine al goed op weg om de 100 te bereiken. We probeerden haar mooi en sappig taaltje zo getrouw mogelijk weer te geven.

    Maandag 28 mei 2006.

    Het was november 2006. Leontine stond voorover gebogen boven een bedje pluksla. Dat is voor van middag. Ze richtte zich niet op. Enkel het hoofd draaide. “Ja oud zijn dat is iets. Ge begint van langs om meer naar de grond te kijken…”

    Dinsdag 4 november 2007

    Leontine zat in haar vertrouwde zetel aan de zwarte Leuvense stoof, zo een met een verlengde buis. (Dezelfde stoof stond destijds bij burgemeester Hubeau.) In de hoek naast de schouw stond haar voorraad kannen kolen en fijn stoofhout dat een paar keer per dag van pas komt. Als ze opgaat in haar verhaal vergeet ze soms de kachel. Ja, en dan ! Zonder moeite steekt ze die weer aan en schept wat kolen uit een koolbak.

    Dinsdag 11 maart 2008: “…dat alleen zijn dat is triestig. Oud zijn en bijna niet meer kunnen gaan, ja dat is lastig. En zó oud worden als ik. Der zijn der niet te veel. Vandaag staan haar grijze haren weelderig wijd. Neen, ge moogt mij niet trekken (fotograferen). Maar ge zijt zo schoon zo! Neen, neen da nie!

     Het was zaterdag  6 mei 2008. Ha, ik heb niet veel overkomst meer. Al wie ouder is dan ik is al dood.

    Op zekere dag was Leontine gevallen. Maar dat liet ze blijkbaar niet aan haar hart komen. Ze zat even knusjes in haar zetel, de knieën beschermd onder een kartonnen doos zodat de wonden droog bleven. Het oude lenige Leontientje van weleer is op korte tijd veel veranderd, gekrompen…Ze is aan het wegsmelten bij haar Leuvense stoof die vandaag rood gloeide.

    Hier volgen de verhalen van Leontine zoals ze niemand ooit heeft verteld.

     

    Over de dorpspolitiek in begin 1900

    Armand Vandeputte kwam op met de katholieken. August Vandeputte was 35 jaar in de politiek maar mijn vader wou niet in de politiek gaan  “omdat daar niets goed van komt”.

    Volgens Leontine Vandeputte speelde de pastoor Dutordoir (pastoor in Nukerke vanaf 1907) een beetje de rol van burgemeester tijdens de ambtsperiode van burgemeester T’Sjoen. Deze was de eigenaar van de brouwerij T’Sjoen gelegen aan Den Engel. T’Sjoen was plaatsvervangende burgemeester van Armand Vandeputte (zijn vader was de broer van de grootmoeder van Leontine) en woonde op de boerderij in Ten Abeele. Tijdens het bestuur van Armand Vandeputte had de burgemeester wel de touwtjes in handen. Vandeputte afkomstig uit een katholiek milieu stond op de lijst van de katholieke partij. Hij was liberaal getint, zoals zovele katholieken toen. Katholiek of liberaal, ze gingen allen naar de mis. Tijdens een bezoek van de pastoor aan Armand Vandeputte zou hij de pastoor geantwoord hebben:"Gij baas in de kerk en ik baas in de gemeente!"

    Meester Theofile Gilleman was oppermeester van de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Hij woonde in het schoolhuis naast de eigenlijke school.

    Gilleman was een strenge meester en ook al kwam de pastoor nooit op bezoek in de gemeenteschool, toch gaf meester Gilleman godsdienstonderricht. Zijn zoon is gesneuveld in het begin van  W.O.-I. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. (Dat zal een fonograaf geweest zijn, de voorloper van de grammofoon). Hij is driemaal getrouwd geweest; eerst met een zekere Maes, dan met Claus en tenslotte  met Gusta Tonneau, de zus van Staf  Brugge zijn vrouw. Na het overlijden van de meester is zijn weduwe gaan wonen in het huis naast de school (zie nr 14). Ze is overleden in 2007 in Louise-Marie.

    Chlotilde Dezaeytyd gaf handwerk aan de meisjes. Chlotilde was getrouwd met een zekere Theofile Holderbeek. Chlotilde woonde ook langs de Pontstraat  waar nu de woning met huisnummer  45 staat. Daar had haar man Theofiel een schrijnwerkerij. In de woning werd bovendien nog een herberg opengehouden, nl "In 't Vosken". Vooraan stonden drie grote, mooie  linden, die gerooid werden bij de heraanleg van de Pontstraat in 1970. In de volksmond heette het daar toen  “bij klôten fieli”.

    Iets over het oud schoolhuis behorend tot de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke.  “Krachtens de wet van 1842 op het lager onderwijs moest iedere gemeente op haar grondgebied ten minste één school hebben. In de meeste gemeenten werden vanaf dan, met staatstoelagen, nieuwe openbare scholen gebouwd, met als doel openbaar lager onderwijs in te richten.  Ten gevolge van die wet werd langs de  Pontstraat  een school met bijhorend schoolhuis opgericht. Er liepen meisjes en jongens school vanaf de leeftijd van 6 jaar.

    Beschrijving van het schoolgebouw: er was één grote klas voor de jongens en een kleinere klas voor de meisjes. Het plafon was heel hoog en op de noordenmuur van de jongensklas was een grote platte grond van Nukerke geschilderd. De speelplaats met sanitair lag langs de Pontstraat waar ook de toegang tot de school was. De meisjes moesten zich tevreden stellen met een kleine klas én een kleine speelplaats achter het gebouw, aan de kant van de Mere.. 

    Ook toen werd er hier in Nukerke een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar één kind (Florent Brugge) overbleef.  Nadien werd de school definitief gesloten. Meester Gilleman bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het  bewoond door Aloïs Norga  die het later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het oude schoolgebouw een mechanische maalderij  inrichtte.

    Zoals reeds gezegd werd op een bepaald moment Armand Vandeputte, broer van de vader van Leontine Vandeputte,  dienstdoende burgemeester in de plaats van burgemeester T’Sjoen. Toen, in 1930-1931, werd beslist langs de Holandstraat een nieuwe gemeenteschool te bouwen. Het metselwerk werd toevertrouwd aan Fedor Vancoppenolle. Deze was getrouwd met Malvina Willems, de zuster van Aloïs Willems, kinderen van Désiré Willems. Deze school omvatte naast het schoolhuis één kleuterklas en twee lagere klassen. Dit project kon verwezenlijkt worden door het feit dat Armand Vandeputte zich aansloot bij de liberalen want de katholieken waren tegen de bouw van de school. De tegenstanders dreven het zó ver te verkondigen dat het een “goddeloze school” was. Toch kende de school een tijdelijke bloei, maar wie zich katholiek noemde stuurde zijn kinderen toch naar de school van de "paster".

    Maar hoe is die nieuwe gemeenteschool op deze plaats terecht gekomen? Ver van de katholieke dorpsschool om niet in concurrentie te komen met mekaar. Toch lag de school (en nu nog steedss) ongeveer in het geografisch centrum van de gemeente met de bedoeling de kinderen van de boskant de gelegenheid te geven om dichter bij huis te kunnen schoollopen. In de grondwet staat immers “vrijheid van onderwijs” wat ook inhoudt dat de ouders vrij de school konden kiezen die overeenstemde met hun politieke of godsdienstige overtuiging. Was de loopafstand van huis naar school groter was dan 4 km dan waren de ouders niet verplicht hun kinderen naar school te sturen. Maar ook de dorpspolitiek moeide zich natuurlijk met de zaak. In oorsprong zou de school langs de Weytstraat worden gebouwd, op een perceel grond rechtover het estaminet “In de iene”. (“In de hen”,  nu woning van de familie M. Moreau).  Maar ....Richard Vanderbeke die toen op ‘t Holand woonde, naast de familie Willems, kwam met een ander voorstel voor de pinnen. Zijn vrouw had daar namelijk een kruidenierswinkeltje en hij was schoenmaker. Dus ... stelde hij de gemeenteraad voor een stuk weiland, gelegen naast zijn huis, om  te ruilen voor het voorziene stuk bouwgrond langs de Weytstraat. Zo kwam de nieuwe gemeenteschool op de plaats terecht waar ze nog steeds staat. 

    Maar er was ook nog de katholieke dorpsschool van Meester Jan Antoon Verlent beginjaren 1900. Hij woonde op de plaatse waar nu de woning staat van Aelvoet-Restiaens. Naar verluidt was "meester Jan" een geëerd figuur, streng en voortvarend. Hij was gehuwd met IrmaJooris. De kleuterklas was ondergebracht in het gebouwtje dat later de parochiezaal is geworden. Einde jaren 1800 werd de kleuterklas overgebracht naar de kloosterschool.  Zuster Alcantra, een goede zuster, heeft er gedurende 49 jaar les gegeven. Het huisje van Louiske en Bernard Deriemacker (zoon van Paul) leunde aan tegen dat gebouwtje. De grotere meisjes en jongens liepen school in het gebouw naast het kloosterhuis, gelegen langs het Lindeke en het Meetjesstraatje. Meisjes en jongens kregen gescheiden onderricht. Meester Jan gaf les aan de jongens. Hij was een man met gezag en was niet bang de stokmeter uit te halen om het zitvlak van sommige ongemanierde leerlingen mee te verwarmen. Als het echt te guur werd, zodat de meester sommige leerlingen niet de baas kon, dan riep hij de hulp in van de onderpastoor. Die kwam dan orde op zaken stellen. Er was ook een zondagsschool ingericht, een soort voortgezet onderwijs voor oudere leerlingen tot 16 jaar. De jongens kregen dan tuinbouw en de meisjes leerden huishoudkunde.

    Na de vespers en het lof was er dan weer zondagschool allicht voor een andere groep leerlingen. Die zondagschool werd gehouden om de kinderen de kans te geven iets meer te leren. In die tijd stak het nog niet zo nauw om naar school te gaan. Veel ouders hielden tijdens de week hun kinderen al eens thuis om te helpen op het veld. In oorsprong ging die zondagschool door in opdracht voor de parochie.

    De lering was een vorming van de toekomstige communicanten. De pastoor gaf les aan het tweede jaar en de onderpastoor hield zich bezig met het eerste jaar maar als er een begrafenis was dan sprong de onderpastoor, Nicolaas  (klooiske in de volksmond) in.

    De onderpastoor oefende er bij de toekomstige communicanten vóór de hoogmis duchtig de catechismus in. De lering duurde toen nog twee jaar.

    De eerste communie was geen grote plechtigheid. De kinderen hadden gewone kledij aan en feest was er niet. Op de dag van de plechtige communie droegen we een wit kleed met een voile voor het aangezicht. De jongens kregen een nieuw kostuum. Onze dag was goed gevuld. De eerste mis was om 6 uur en de hoogmis om 9 uur. In de namiddag om 14 uur was er nog vespers en lof. ’s Maandags was er een mis uit “dankbaarheid”, dan kreeg je een prentje dat vermeldde dat je je plechtige communie had gedaan. Toen werden van ons nog geen foto’s gemaakt in ons communiekleed.

     

    Buurt

    Begin de jaren 1900 was het zo’n beetje overal café. Kijk in ‘ Zeitje waren er op de drie huizen drie estaminets. Op de Pontstraat waren er twee cafés naast elkaar; “In ’t Voske” en “In de Sterre” bij Marie “schoenies”. Ja want daar maakten ze schoenen. Hypoliet Van Overtveld was daar schoenlapper. Langs de Holandstraat waren er ook cafés zoals “In de Vinke”, “In de trap op”, “In ’t Moleke”. “Moleke daar was een watergraanmolen, die onttrok zijn water vanaf  de bronnen in Ten Hole, van ’t Holand en van de Molenbeek. Aan de overkant van de watermolen lag een vijver. Een schoft naast de woning hield het water op. Daar woonden achtereenvolgens Vandercleyen, Notebaert en nadien Frans Verhellen , beter bekend als Frans van ’t Meuleke. Maar toen had de molen reeds lang zijn functie verloren en verviel tot een ruïne. De vijver aan de overzijde is beetje per beetje dichtgeslibd en werd later opgevuld.  Stroomafwaarts van ‘t Meuleke stond de watermolen Ten Meulebroecke, sinds de jaren 70 volledig ontmanteld en verbouwd.

     

     

    Op de boerderij

    Oude landmaten: een roe is ongeveer 14m2, een hectare is 700 roe, 1 hectare is 3 dagwand., een bunder is 100 vierkante roes. Onze boerderij langs de Holandstraat werd gebouwd door Ernest Vandeputte. In de schuur ligt nog een balk met de inkerving van 1748. Tijdens verbouwingen werd hij uit het woonhuis verwijderd. In 1908 werd beslist om de oude koeienstal af te breken en te verbouwen want hij moet ongezond geweest zijn aangezien veel volle koeien hun kalf vroegtijdig afwierpen. De nieuwe stal werd gebouwd door Remi Decordier en er steken wel honderdduizend bakstenen in. Tijdens de bouwwerken viel diezelfde Remi meerdere keren “van zattigheid” van zijn stelling. Als ze aan de geveltop metselden werd ons Julia geboren en … weer werd er gedronken. Ze vonden toen ook van alles uit om te kunnen drinken. “’t Waren toen allemaal dronkaards”, zei vader “. ’t Was ’t enige plezier dat ze hadden, die arme mensen. Ze dronken een “djureke” (een klein glaasje). Dat kostte toen in de “staminee” één cent. Ja ’t bier was goedkoop. Het beste bier uit de streek kwam volgens vader van de brouwerij Van der Donckt  in de “Bronnestraat” te Nukerke, nu Straalbronnen. Toen al pompten ze het water ter plaatse uit de grond.

    Meestal dronk men bruin bier. Vader haalde bij de brouwerij een vijftal tonnen in een keer. Legde die in de kelder om te rusten en te rijpen. Na een tijdje werd er van afgetapt. We gingen met de bierkan naar de kelder om ons bier.

    We verwarmden ons huis met kolen. Die kwamen van Blommaerts van Etikhove. Hij was invoerder van steenkool uit de Walen. De kolen – 3OOO kg- werden in het station van Ethikove overgeladen op een wagen en met de paarden naar huis getrokken. Thuis werd het voer kolen op de binnenplaats gekipt en met “brouettes” naar ’t koolhok gevoerd. Veel arbeid. Nu zouden ze het niet meer doen. Onze boerderij telde drie trekpaarden, 7 à 8 melkkoeien en dan nog kalvers, jaarlingen  en “tweejaarse”. Wij hadden ook een koewachter. Hij kwam uit een gezin van wel 15 kinderen. Hij zorgde voor de koeien en het kuisen van de stallen. Maar het melken van de koeien was het werk van moeder. De melk werd opgehaald door een voerman en tijdens den oorlog naar Oudenaarde gebracht om aan de Duitsers te leveren.

    Als de dorsmachine kwam was  de ganse buurt bereid een handje toe te steken. In vele kleine huisjes stond er een weefgetouwtje. Wel ze lieten dat weefgetouw staan om hier aan de dorsmachine te kunnen staan werken. En ze kwamen graag . Ze konden dan een hun goesting vlees eten en van dat goe bier drinken.’t Was dus kwestie van eens goed hun buikje te kunnen vullen. Want och arme, ’t waren meestal arme menskens!

    Ons graan werd gemalen in de graanwatermolen Ten Meulebroecke. In den oorlog van 14-18 werd er natuurlijk wel eens in ’t blauw gemalen, nu zou men zeggen in t’ zwart. (Blauwen heeft ook de betekenis van stiekem iets doen, smokkelen of sluiken). Zo deden de ulanen eens een grote controle op ons hof. Ulanen, dat waren lansiers of licht gewapende ruiters o.a. in het Duitse en Oostenrijkse leger die uitgestuurd werden op verkenning. Velen boeren werden “gepakt” omdat er te veel graan of meel werd aangetroffen op het erf. Zo zijn we een groot varken (in ’t blauw gekweekt) kwijtgespeeld. Bij een bezoek van, weer eens de Ulanen, vonden ze toch wel het goed verstopte varken zeker. Vader werd verplicht het te gaan afleveren in de gendarmerie te Oudenaarde. En …hij kwam terug met een grote boete. Zo zie je maar, ons vlees was al gegeten voor we het hadden kunnen slachten. Die oorlogsjaren dat waren wrede tijden. In ’t begin was er veel paniek bij de mensen want het verhaal deed de ronde dat inwoners van Leuven volle pispotten over de Duitsers gegooid hadden. Als straf zouden de Duitsers dan 2 jongens hebben opgepakt, aan elkaar vastbonden en nadien levend begraven hebben.

     

    Gezin van Leontine

     

    Mijn ouders waren moeder Euthalie Heuvick en vader Richard Vandeputte. Moeder werd geboren in de boerderij in de Ruitegem. Ze kregen 6 kinderen: Octaaf, geboren te Nukerke in 1902, Alix geboren in 1904, Henri is van 1906, Julia werd geboren in 1908, en ik, Leontine, was van 1910 en Maurice was van 1915. Tussen Maurice en Leontine had moeder een verlies. Dat ging zo. Moeder had de gewoonte kousen te stoppen aan dat venster daar. Het was avond en het stormde hevig. Dan een harde rukwind. Een afgewaaide tak  zwiepte over het dak van de koeienstal tegen dat vensterraam daar waar moeder zat. Het glas vloog rond in honderd stukken en moeder was zo verschrokken dat  ze als een weerlicht van haar stoel wegliep. Enkele dagen later verloor ze het kind. Nadien is ze lang ziek geweest. Ze kreeg er bovendien nog het “flebit” bij en is gestorven. Ze was amper 48 jaar. En vader bleef over met 6 jonge kinderen. We waren nochtans een mooi gezin. Spijtig dat moeder dat niet heeft kunnen meemaken. Geen enkele van de 6 kinderen is getrouwd. Ja, ik heb wel veel occasie gehad maar…ik was er niet voor. Aan trouwen heb ik nooit gedacht. ‘k Ben ook nooit in een “associëteit” geweest en nooit kennis gehad. We konden ons toch niet verbeteren. Ieder had zijn werk want er waren toen niet zoveel machines. ’t Was meer handwerk. En ’s avonds zaten wij gezellig bij elkaar rond de stoof te babbelen. Onzen Octaaf zat veel dáár, aan het venster, te lezen in La libre Belgique.

     

     

    Over ’t hospice en over “grielies”, die garelen maakte voor de trekpaarden,  de koeien en de ossen.

    Alix Verbruggen  van “zwarte Grielie” was toen vroedvrouw en heeft veel kinderen op de wereld helpen zetten. Victor Verbruggen, een blonde van haar, noemden we “wiete Grielie. Hij heeft nog gewoond waar “Lustie” zijn café had. Eigenlijk woonde “wieten Grielie” in een huisje langs de Boelaardstraat. Na zijn dood heeft het klooster de woning gekocht om er weeskinderen in op te vangen die voordien in ’t hospice verbleven. In 1938 werd het toekomstig kinderverblijf met een verdieping opgetrokken en aangepast aan de omvang van het aantal kinderen. ’t Eerste hospice was een woonhuis langs de Pontstraat (nu huisnummer 50). Daar waren toen nog geen nonnen en het waren wereldlijke mensen die enkele oudjes verzorgden. Mijn vader heeft al het water bijgehaald met paard en aalstuk voor de bouw van het nieuwe hospice. De grond werd geschonken door de familie Van Malleghem. Het water werd gehaald in de dekenij. Ja, uit die goede bron in de Zakstraat. Ge weet hoe dat gaat. Zijn vader was toen in de gemeenteraad en die moesten toch het goede voorbeeld geven. ’t Was van de broek in de gemeenteraad te zitten. Ge moest altijd iets doen. Ik geloof dat de bakstenen voor de bouw van ’t hospice gebakken zijn in de steenovens van Theofiel De Bisschop. In de kouter aan de Mellinckstraat kan je nog zien waar de leem werd uitgegraven. Theofiel zelf woonde op de hoek van de Sponde en de Staatsbaan. Op dat land waar de ovens stonden waren er toen drie steenputten. Die moeten er nog zijn. Naast “In den Engel” woonde Maurice Vandendaele. Die is tijdens den oorlog aan het front gesneuveld tijdens een aanval van de Duitsers. Er werd verteld dat hij juist een huis wilde binnenvluchten om te schuilen. Juist aan de deur werd hij getroffen door een scharpnel. Maurice was getrouwd met Christine Van Maelsaeke.

     

    Ons schoolleven

    Wij gingen naar school in de “katholieke “school. Dat was een school als zo vele; een katholieke school die aangenomen was door de Staat en die zich mocht “aangenomen meisjesschool” noemen. In het verlengde van het klooster werd de “aangenomen jongensschool” gebouwd. De kleuters gingen toen, zelf vanaf hun prille twee jaar, naar de bewaarschool in een gebouwtje achter de kerk waar nadien het parochiehuis was er een kleuterklas. De kleinste werden er opgevangen door zuster Cantela. In de lagere school met toegang langs het Lindeke kon je schoollopen tot 14 jaar. Daar kreeg je les van zuster Gulla en van zuster Bertha. De jongens speelden met de marbels en de meisjes dansten in de danskoord en speelden het  hinkspel.

    De meeste meisjes liepen school tot 14 jaar, wat verplicht was, maar sommige ouders vonden het best dat hun kinderen, vooral jongens, thuisbleven vanaf de leeftijd van 10 jaar. Ze werden broodverdiener als koewachter bij een boer. De weiden waren toen nog niet afgespannen. En wat deden de koewachtertjes naast het toezicht op de koeien? Ja, kikvorsen pakken en opblazen, of doden en de billetjes roosteren.

     

    Octaaf werd vanaf zijn 6 jaar naar Deinze gestuurd en nadien naar Geraardsbergen. Op een keer werd tijdens zijn verhuis met de kar al zijn “beddegoed” aangeslagen door de Duitsers. Dan schakelde hij over naar het college van Ronse waar hij bleef tot zijn 18 jaar om dan thuis te blijven en te helpen op de boerderij. Nochtans, Octaaf was een goede student die veel prijsboeken behaalde. Thuis lazen we La libre Belgique en Octaaf las veel in die krant.

    Alix ging vanaf haar twaalfde naar Ronse,  naar de Sancta Maria. Ook zij bleef thuis op haar 18de.

    Henri liep school aan het college te Ronse en tijdens den oorlog was hij op pensionaat in Ath (om Frans te leren).

    Julia was ook op pensionaat in Ronse en verbleef 2 jaar in Flobecq.

    Ik zelf, Leontine, liep in Nukerke school tot mijn 12 jaar. Dat was in de Aangenomen Meisjesschool, zoals dat toen noemde. Ik herinner mij nog de zusters Cantala, Aqualina, Gula en Bertha. In de jongensschool stond zuster Belmina voor de kleinsten en in de klas daarnevens gaf meester Jan les aan de groten. Nadien was ik, op pensionaat in Berchem, hier aan de Schelde.

    En ten slotte Maurice: die liep bewaarschool in Nukerke en vanaf 6 jaar tot 10 jaar was hij op school in Russeignies, verhuisde dan naar Geraadsbergen waar hij zijn plechtige communie deed. Vandaar trok hij naar Leuze tot 18 jaar, om … zijn Frans te leren.

    Hoe we ons verplaatsten? Onze nonkel had een koets en daarmee voerde hij ons naar het station van Leupegem. Daar nam Octaaf de tram naar Geraardsbergen. Er reed ook een tram van Berchem naar Kortrijk. Zo nam Henri de trein in het station van Etikhove om naar Ath te rijden. Af en toe ging ik zelf te voet naar het pensionaat te Berchem, dan ging grote zus mee om het valies te dragen. Ja ik ben tot 18 jaar naar school geweest in Berchem. ’t Was daar al in ’t Frans te doen. Enkel op woensdag mochten we Vlaams spreken. We leerden daar vooral koken, naaien en het huishouden doen. Wie op pensionaat ging bleef binnen voor 3 maanden. ’t Was hard. ’s Zondags kregen we bezoek en van thuis werd er vers en proper ondergoed meegebracht. De vuile was ging mee naar huis.

     

     

    Oorlogsjaren 1914-1918.

    Over de burgerlijke slachtoffers te Nukerke. Tijdens de oorlogsperiode gold een algemeen verbod van na zonsondergang nog licht te maken buiten. De bewoners werden er ook op gewezen hun vensters af te schermen zodat niet het minste licht van lamp, “quinquet”of stallantaarn. Zo moet het gezin Baele dat in één van de huisjes aan de negenkoten woonde eens zeer onvoorzichtig zijn geweest. Op een donkere avond scheen een zwak lichtje  door de kleine raampjes van hun schamel huisje in de negenkoten. Duitse wachtposten gestationeerd op de Edelareberg  hebben dat schijnsel opgemerkt. Een goed gericht schot trof de kleine woning. De obus (granaat afgevuurd door een kanon) doodde alle bewoners: Alfred Reynaert en zijn vrouw Amandina Baele, vader Octaaf Baele, August Reynaert en Maria Ysebaert. De familie ging de nacht nog bij pastoor Dutordoir om het voorval te melden en de begrafenis te regelen, maar de pastoor durfde de deur niet openen en buiten komen. Hij riep:

    : ”Begraaf ze in den hof en we zullen een dienst doen na den oorlog!”

    Tijdens die oorlogsjaren zijn wij veel koeien kwijtgeraakt. De boeren kregen het bevel van de Duitsers om op een bepaalde dag met zoveel beesten naar de plaatse te komen. Die werden daar gekeurd en de goeie dieren werden ons afgepakt.

    Onze streek werd op 1 november 1918 bevrijd door de 91ste Amerikaans Divisie. Het was na de oorlog. Dat moet in 1925 gebeurd zijn dat er Hongaarse kinderen in ons land verbleven. Zoals elders waarschijnlijk verbleven er toen in Nukerke 2 meisjes in het klooster. Er was er eentje die al redelijk goed Vlaams kon en zei: “Tijdens den oorlog is mijn vader soldaat geweest bij de Duitsers en hij heeft vele Belgen doodgemaakt!” En ze kreeg me daar een slag van een ander Vlaams kind, wiens vader in den oorlog was om gekomen. Dat is gebeurd toen ik op school was in Berchem.

    Tijdens de eerste oorlog deed mijn vader veel goede werken maar wie kreeg mocht dat niet zeggen tegen de anderen. Ons moeder is nog naar het tribunaal gemoeten in Oudenaarde. Ze moest daar gaan uitleggen waarom ze zo vrijgevig was tegenover bedelaars. Dat mocht dus niet van de Duitsers. De juge vroeg haar:” Wat hebt gij gegeven?” “Mijn linkerhand weet niet wat mijn rechterhand gaf!” En, ze heeft het niet gezegd. In ’t jaar 17 maakten ze comitémeel om te bakken. We hebben dat ook eens gebruikt om te bakken. Beie! ’t Was niet goed. Dat kwam zo! ’t Moleke werd gepakt en kon niet meer malen. Wij hadden op dat moment geen meel meer en gingen naar de gemeente comitémeel halen. Maar ge ziet van hier, we hebben dat dan aan de dieren gegeven . ’t Was ook de tijd van de rantsoeneringzegels. Paul Deriemacker was daar chef van. Paul was de vader van Joseph de koster, van Michel den bakker en van Octaaf de leverancier en van Bernard. Vader Paul woonde toen in het schamel huisje naast het zaaltje. Je weet wel, het eerste schooltje. Nadien woonde daar Benard en Louiske. Weet je nog ? Naast de schouw van hun woonkamer was er een trapje dat met enkele treden naar het podium van het zaaltje leidde.  Als het al eens toneel was, was het hier een drukte van belang want de woonkamer werd plots kleedkamer. Paul en zijn vrouw, dat waren geen rijke mensen. Hij ging om de centen (stoeltjesgeld) in de kerk en hielp ook bij de begrafenissen. Tussendoor ging hij ook bij de boeren werken, zoals zo velen. Hij was ook de barbier van de gemeente. Elke week, de zaterdag, kwam hij mijn vader scheren. Kom om 12 uur en ‘k zal thuis zijn zei vader. Vader kwam thuis met de paarden en Paul zat al te wachten. Na het scheren kon hij zich bijzetten aan tafel. De vader van Paul speelde op het orgel in de kerk. Maar Alfred Hoffmann, de vader van Paul Hoffmann, speelde toen een beetje kattenkoster voor pastoor Dutordoir. Op een dag wilde de pastoor niet meer. Hij heeft eens achter Hoffmann gezeten in de kerk. Dat moet nogal een zicht geweest zijn. Maar de kattenkoster hield voet bij stuk. Maar Dutordoir hield toch meer van Joseph Deriemacker.

    Nu we het toch hebben over Joseph Deriemacker. In de krant van augustus 1936 lazen we volgende bericht. Bloemenliefhebbers Wilt gij goed en goedkoop bediend worden, wendt u in volle vertrouwen tot JOSEHP De Riemeacker, koster, te Nukerke. – Bijzonderheid van Dhalia’s en Chrysanthèmen.- Komt en ziet onze verzameling in bloei, om uw keus te doen voor het aanstaande voorjaar. Altijd snijbloemen te verkrijgen aan matige prijzen. Cyclamen in den Winter. Geraniums en Salvia’s voor April-Mei.

    Er was ook nog de suisse in de kerk. Weet je nog, die lange, magere, stijve mijnheer, dat was Richard Couvreur van op de Mellinckstraat.

     

    Oorlogsjaren 40-45

    Nukerke werd bezet op dinsdag 21 mei 1940. Onzen Octaaf is ook soldaat geweest in de tweede oorlog. Na de capitulatie is hij samen met enkele Ronsenaars weggelopen uit Zwevegem. Hij was nog maar goed weg of ze werden weer opgepakt door de Duitsers. Als straf werd hen alles afgepakt en ze werden op een mies (weide) opgesloten als vee. Een paar dagen later vertrokken al de gevangenen in kolom uit Zwevegem weg, richting Ronse. Daar werden ze in de garage Notebaert op de Hoogstraat opgesloten. Er waren er wel duizend. Botteldoorn en De Catelle hadden onzen Octaaf daar herkend. Langs die weg zijn wij dan te weten gekomen dat Octaaf in Ronse was. Zo konden we hem bezoeken en wat eten bezorgen. Hij zei toen:”Wat moet ik met al dat eten doen?” “Ha, opeten en van de rest zorg dragen!” Toen dachten ze ook dat ze binnen de drie dagen zouden vrij komen, maar … ze trokken te voet weg naar Ninove. ’t Is maar om te zeggen, maar weet je dat hij in Oostende nieuwe schoenen had aangetrokken en tegen dat hij in Ninove was waren ze versleten. Na 1 dag in Ninove dachten ze dat ze gelost zouden worden. Maar, ze trokken naar Gembloers. Daar werden ze op een groot hof opgesloten met honderden soldaten, allen dood van den honger. Octaaf durfde zijn eten niet boven halen want de meesten hadden geen eten en zouden er moeten staan op kijken. Octaaf kende Frans en stuurde een jongen uit de buurt naar het dorp op eten, tegen betaling. De anderen hadden geen eten, geen geld en kenden geen woord Frans. Het eten werd verdeeld tot Octaaf zelf geen eten meer had. Onzen Henri zei dat Octaaf zot was en dat hij dat niet moest doen. En dat was daar iets op die binnenkoer. Vuil en smerig. Iedereen deed zijn behoefte waar hij zat of stond. Enkele dagen later zaten ze al in Namen. Daar zouden ze gelost worden maar iedereen werd er van alles afgepakt. Zij die Vlaams spraken werden eerst gelost. Sommige Walen leerden vlug enkele Vlaamse woorden om als Vlaming te kunnen doorgaan. Het weinige geld dat hij nog bezat stak Octaaf in zijn “getten”. Wie niet naar huis mocht vloog naar Duitsland.

    Tijdens de bezetting werd een burgerwacht opgericht. Veel gezonde mannen waren opgeëist om in Duitsland te gaan werken. Mannen die nog thuis waren werden door de Duitsers verplicht de wacht op te trekken o.a. aan de tunnel om te vermijden dat er sabotagedaden zouden gebeuren. Er was een beurtrol aan de tunnel in Louise-Marie. Onzen Octaaf moest ook eens “sentinelle” spelen, maar zijn kameraden kwamen die nacht niet en Octaaf heeft die ganse nacht alleen de wacht moeten optrekken. Hij was daar nie goe van!

    Er was ook veel armoede en honger. De boeren werden bestolen. Velen uit de stad kwamen ’s nachts op de velden hun voorraad opdoen. Het ging zo ver dat de beesten op het veld werden geslacht en versneden. De rest bleef liggen. Dus kwamen de boeren overeen de boerenwacht op te richten. De mannen deden ’s nachts hun ronde langs de velden. Dat was enkel ’s zomers. Wij hadden ook al een radio tijdens den oorlog. Maar je moest opletten want de Duitsers vielen de huizen binnen om te controleren op welke post de radio stond. En als ’t  n’en Engelse post was… amaai…! We moesten wel twee paarden afstaan aan de Duitsers waarvoor we nooit voor vergoed zijn geweest. We hebben geen goed leven gehad met die twee oorlogen!

    In ’t begin van den oorlog zijn we 2 paarden kwijtgeraakt aan de Duitsers. Onzen “achttienmaander” mochten we houden. Dat ging zo! Vader moest met zijn twee volle merries vervoer leveren aan de Duitsers. (Ook Octaaf Schoorens heeft vervoer moeten leveren). De aangeduide boeren moesten materiaal vervoeren naar het front en in het terug keren brachten ze vluchtelingen mee naar achter. De verste plaats dat vader is gegaan was Wattrelos in Noord-Frankrijk. Dat zou zo gezegd maar drie dagen duren  maar  zo zag het er niet naar uit. Op een dat zei hij tegen de andere opgeëiste boeren dat hij dorst had en wat zou gaan drinken. Maar hij had een ander plan. Naar huis trekken! En zo gedacht, zo gedaan. Vader op weg dus naar huis! Kort nadien werd hij al tegen gehouden door de gendarmen: ”Waar gade gij naar toe?” ”Naar huis tiens!” Die gasten telefoneerden naar hun overste. Gelukkig kwam het bericht dat hij door mocht. En op een dag! Thuis naderde maar de laatste loodjes wogen het zwaarst. De uitgeputte paarden konden maar moeizaam, zelfs met een lege wagen, de Sponde boventrekken. Maar al in Nukerke op de plaatse en dus bijna thuis werd hij tegengehouden door Duitsers. Er was niets aan te doen en de paarden werden hem afgepakt. Toen heeft vader echt veel geschreid. Zo zijn twee volle merries afgeven! En zo moesten de velden wachten. Gelukkig waren er anderen die ons hielpen, want ook onze koeien waren afgepakt. Dat was zo! De boeren moesten met hun koeien naar de plaatse van Nukerke. Daar werden de dieren die min of meer gezond waren opgeëist. Ons restte nog één “koeitje”. We moesten de mensen schoon spreken om ons land te komen zaaien met hun koeien. Frans Vander Geynst van aan de Mere had toen twee ossen. Wij hebben toen ook een os opgeleid en samen met dienen achttienmaander hebben wij verder gesukkeld. Ja wij hadden ook nog een “neutie” maar had op een keer sponzen opgegeten. Hij werd ziek en ze hebben hem dan melk gegeven. Maar dat hadden ze beter niet gedaan. Hij is …doodgegaan! En ’t ergste van ’t geval was dat we hem niet konden opeten. Maar onze beste koe hadden wij al eerder ondergebracht bij mensen in Ellezelles, bij een man die een stalletje had. Hij heeft voor de koe gezorgd tijdens de oorlog. De melk mocht hij gebruiken. Na de oorlog kregen wij de koe terug mits betaling. In Henegouwen werden de koeien niet opgeëist. Ze hadden daar betaald aan de Duitsers. Er was hier ook een  “comiteit” dat eten uitdeelde zoals suiker, meel en vlees. Dat was gerookt vlees uit Amerika. Wij noemden dat vlees “wilden Henri”. Wij aten dat niet op maar gaven het weg.

    Ge moet zeggen dat ons ouders toch wel geen leven hebben gehad tijdens den oorlog. Ze hebben geen minuut rust gekend. Da was maar een droef leven. En vluchtelingen dat er waren! De scholen zaten vol. Bij ons sliepen er Duitse soldaten in onze schuur en ’s morgens vertrokken ze naar de plaatse om orders te gaan halen. ’t Staat mij voor dat er een vlieger is neergevallen achter Aloïs Willems en de hoeve van Jules Moreels(vader van Gaston) die getrouwd was met Maria Van Hooland. Duitsers hebben dat vliegtuig bewaakt.

     

    D’er moet een Belgische vlieger gevallen zijn in de weide achter Bruggen. Heel wat mensen zijn daar op af gekomen. Maar dat was achter den oorlog. Maar ook in Etikhove is tijdens een luchtgevecht een Canadees neergehaald door een Duitse jager. De mensen die daar woonden hebben slagen gekregen van de Duitsers want deze dachten dat ze de piloot hadden beschermd en geholpen om te ontsnappen.

     

    Tijdens de oorlog hielp Winterhulp de arme mensen. De grote en arme gezinnen werden met van alles geholpen om de oorlog door te komen. De onderwijzeres Rachel Dekens organiseerde die hulp. Van alles werd ingezameld: kleren, voedingswaren, geld … Ook bij ons kwamen ze geld vragen en vader gaf steeds maar ze mochten aan niemand zeggen dat hij geld had gegeven. Dat moest niemand weten! Ja, zo was hij. Van rantsoenzegels hebben wij geen gebruik gemaakt. We gingen die wel halen in het gemeentehuis maar we deelden die uit aan de buren. Met die zegels konden zij dan brood, boter, vlees, suiker … kopen bij de handelaars en in de winkel. "Zo bakte bakker Michel Deriemaeker brood met het meel geleverd door het comité. Dat brood was goedkoper en werd gekocht door de minderbegoeden die het "comiteitbrood" noemden. 't Was niet lekker, maar ... 't was te nemen of te laten."

    De verste plaats waar ik ooit geweest ben was Antwerpen. Dat kwam zo! Tijdens den oorlog kwamen in Nukerke 4 jongens en 1 meisje aan uit Antwerpen. Het waren kinderen, jonge tieners, die tijdelijk de armoede in de grootstad konden ontvluchten. Vele gemeenten deden aan die actie mee. Wij hadden een 12-jarige gevraagd maar per slot van rekening bleef er voor ons een 17-jarige magere jonge gast over. Wij waren de laatste om te mogen kiezen en kregen dus den overschot. Later ”jonde” die jongen zich vreselijk goed. Ge kunt dat denken, van dat vernielde Antwerpen naar een boerderij vol leven. Die jongen zijn moeder was weduwe en bleef achter met 1 zoon en 2 dochters. Vader had een schone post, hij was douanier. Ah ja, onze knaap noemde Willy Uyterhoeve. Dat was nogal een gast. De kersen waren nog niet rijp en hij zat al in de boom. Wij zegden dat hij dat niet mocht doen. ’t Was te gevaarlijk voor een kind van ’t stad. Hij droomde ervan een kilo kersen te kunnen eten. Ja, en niemand van ons kon dat. Op een dag in de kersentijd ging hij met ons mee om te gaan hooien. ’t Was  ’t moment. we zouden die jonge man eens testen. Zo gezegd, zo gedaan. We wogen vooraf een kg grote vleeskersen en we zetten die klaar voor als onze Willy thuiskwam. En zo gebeurde. Hij kreeg die kersen voor de neus gezet op tafel. En hij maar smullen. Dat is nog niet alles. Zeven grote boerenboterhammen heeft hij er bij gegeten. Nadien zei hij:”’k Zal nu zeker wel n’en  kg kersen binnen hebben. En plezier dat wij hadden. Maar … voor te werken was hij te dom dat hij een mens was. We hadden in die tijd veel konijnen en die koten moesten worden gekuist. Wel we hadden daarna meer werk met hem, ook om hem te wassen, dan met de konijnen. Na een maand bij ons op de boerderij was Willy wel 15 kg verzwaard. Toen hij bij ons op de boerderij verbleef verboden we hem iets te zeggen of te spreken met anderen. We lieten hem ook niet alleen bij de buren gaan. Eens kwamen zijn moeder en zus hem bezoeken. Hij vroeg: “Mag ik ze gaan afhalen aan de trein in Etikhove?” Wel hij herkende zijn moeder niet meer en zijn moeder herkende haar zoon niet eens. ’t  Moest juist lukken dat ze die dag kwamen want we hadden juist een groot varken geslacht. Ze bleven eten en bij hun vertrek hadden ze een volle valies vlees mee; saucissen, carbonaten, boter en vers gebakken brood. Op een dag is hij dan vertrokken. De burgemeester Arthur Verdonckt kwam Willy thuis ophalen want de kinderen moesten weer de trein op naar Antwerpen. Op de boerderij van Devos was er ook een jongen. Tot slot van rekening kwam dus de burgemeester hen ophalen. Die zou gezegd hebben :“Ge zijt kloek en gezond. Als ik in uw plaats was dan ging ik naar Duitsland om er te werken.””Ga gij zelf” antwoordde Willy en ’t was gedaan met preken. Ik heb veel burgemeesters overleefd; Joseph T’Sjoen, Armand Vandenputte, Arthur Verdonckt, Richard Deschaumes (Marstiezen Richard ) en André Hubeau.

    Drie maanden mocht Willy blijven en dan moest hij weer weg. De andere huisgezinnen die tijdelijk een kind adopteerden waren, Brugge, Anna Vandeputte , Artur Verdonckt en August Teirlinck. Nadien is hij wel nog een paar keer teruggekeerd. Ik herinner mij nog dat hij eens op een paaszaterdag met een moto voor de poort stond.  Willy kwam binnen. Maar er was nog een jong meisjes mee. Dat was zijn lief. Die liet hij eerst aan de poort staan. Maar waarom zou ze niet mogen binnen komen? Het was juist etenstijd en wij zaten aan tafel. Kom zet u bij. Twee stoelen werden bijgezet. Kijk, vader komt thuis van het veld, met de paarden. Zeg eens niets als hij binnen komt. We zullen eens zien of hij je nog herkent. Niet spreken. Wel vader zou je dienen heer herkennen. ‘k Heb geen herinnering aan deze man. Toen zei de jongen:”vader!” want zo had hij ons vader drie maanden aangesproken. En leute dat wij hadden. Ha,’t is Willy. Hij had eigenlijk vroeger een scheef oog dat hij heeft laten rechtzetten. Daardoor bekende vader hem niet. Willy vertelde toen dat hij op ’t einde van den oorlog werd opgeëist door de Duitsers om te gaan werken in hun thuisland. Daar is hij een vinger kwijtgeraakt bij het verslepen van een zware ijzeren “pautrel”. Voor herstel werd hij drie weken naar Frankrijk gestuurd en hij die geen woord Frans kon. Hij heeft daar ook geen woord gesproken. Nadien werd hij weer in Duitsland gestoken.

     Na den oorlog, in 1966, is hij om mij geweest. Ik moest mee naar Antwerpen. En ik vertrok met een grote valies eten: brood, vlees als saucissen en carbonaten, boter…, allé een valies vol. En het vlees ? Dat werd onmiddellijk gebakken tegen het slecht worden. En ’s anderendaags was het daar kermis voor de familie. Ik was daar welgekomen in Antwerpen en bleef er drie dagen en dingen die hij mij getoond heeft: de tunnel, de Boerentoren, de Schelde, de kathedraal en de grote winkels.

    Tegen ’t einde van den tweeden oorlog lag een Engels artilleriebataljon gebivakkeerd achter ‘t Zonneke. Vandaar beschoten ze de twee scheldebrugen te Oudenaarde. Rond de brug zijn daar trouwens verscheidene doden gevallen. En op een zondag was ’t eindelijk zo ver. We waren bevrijd. Lange kolommen Engelse tanks passeerden langs de Staatsbaan. Bijna gans Nukerke was daar om de Engelsen toe te wuiven. Het was zondag 4 september 1944. Een groep Nukerkse weerstanders namen achteraf wraak op verschillende mensen.

    Maurice Verpoot, broer van Jeanne woonde in den “Elst”. Hij was een burgerlijk slachtoffer evenals Maurice Vandendaele die langs de Smouterstraat (nu Mellinckstraat) woonde naast de steenbakkerij van Theofiel Debisschop. Zijn broer Florent was pastoor. Die is jong gestorven, aan tyfus. Dat was zo! Hij moest een pastoor vervangen die zelf aan tyfus was gestorven. Deweer Jules en Geerseau Jacqueline woonden in de Kortekeer en tijdens een beschieting van de Schelde werden ze gedood door een verloren projectiel. En met de benzine die sommige mensen konden bemachtigen zijn er rare toeren gebeurd.  Zo is de woning van Dekeyser André, die getrouwd was met Schoenies José, uitgebrand. Ze hadden niet beter gevonden dan benzine op de zolder te verbergen. André woonde rechtover de smidse van Lietaer. En op een dag had een groepje gasten in ’t Zonneke wat gelampet. Richard Dekeyser had daar wat  “nafte” bekomen van de Engelsen. Bij het buiten gaan rolde hij een sigaretje. Toen moet de fles die in de binnenzak van de vest stak ontploft zijn en Richard veranderde in een brandende fakkel. Engelse soldaten hebben hem nog proberen over de grond te rollen. Zwaar verbrand liep hij nog naar huis. Enkele dagen nadien is hij gestorven.

     

    Over het dagelijks leven van toen

    Als ’t kermis was kwam er al eens kennis op bezoek in de namiddag. Dan werd er wat gegeten en gedronken. De eerste paardenmolen op de plaatse is er gekomen na de tweede oorlog. Als ik klein was had ik geen fiets. Zelfs niet als ik al wat ouder was want ik ging soms te voet met een valies naar Berchem op pensionaat. Ik heb niet geweten dat we thuis uit een grote teil aten met houten lepels. Dat was meer de gewoonte bij de kleine man. Rond Toontje was ver veel begankenis in Nukerke. Op 17 januari begon de grote noveen. En volk dat daar op af kwam. De mensen gingen langs de buitenkant rond de kerk en bleven bidden vóór een afbeelding van Toontje met zijn varken die hier vooral aanbeden werd om verloren zaken terug te vinden en om de dieren in de stallingen te vrijwaren van besmettelijke ziekten. Er waren gelovigen die een uitgelezen stuk varkensvlees, in boterpapier gewikkeld, op de communiebank achterlieten. De pastoor at dat dan op zeker!

    De steenweg heb ik zeker 2 of 3 keer weten herleggen en de Pontstraat en de Holandstraat waren al gekasseid van toen ik klein was. Tussen de steenweg en de velobaan lag een berm van zeker een halve meter hoog met hier en daar een opening. De eerste auto die in Nukerke reed was waarschijnlijk die bij bakker Michel. Dokter Glibert reed tijdens den oorlog met een moto rond. De bevallingen gebeurden thuis. Het was Juliette, de vrouw van de landmeter Freddy Devos, die bij de bevallingen hielp. Ze woonden in het Meetjesstraatje in de woning waar later de beenhouwerij Verlinden was. Dokter De Feyter uit Etikhove heeft bij mij de pokken gezet als ik klein was. Een zekere Medard van aan “Den Os” had reeds een grote Amerikaanse auto. Dokter Berlanger had vóór den oorlog geen auto of velo. Hij deed alles te voet. Die dokter woonde eerst langs de Pontstraat in de woning naast die van Madame Planchon. Later verhuisde hij naar de Steenweg in de woning naast T’Sjoen, waar later het café “In de kroon” was. Dat moet beginjaren 30 zijn geweest want nadien huurden Gilbert Vandenabeele en Angèle Blancquart de woning langs de Pontstraat tot 1938. Onmiddellijk nadien kocht Laurant Deweer de woning en bracht er een bakkerij in onder die werkte tot de op ruststelling van dochter Edith.

     

     

    Tijdens verscheidene gezellige momenten heeft Leontine op een pittige wijze haar herinneringen fijntjes en soms met een kwinkslag verteld. De gesprekken worden zo goed als het kon met haar eigen woorden en zinswendingen weergegeven.

    Hier eindigt letterlijk het levendig levensverhaal van Leontine. Op de vroege zaterdagmorgen van 20 december 2008 heeft haar warme ziel afscheid genomen. Op die eens zo bedrijvige hoeve was alle leven stil gevallen. Haar oppassers vonden haar koude lichaam in de bedstee.



    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Doodsprentje met namen van gesneuvelden







    Hier lag hun land, hier lag hun werk
    Hier stond hun huis, hier stond hun kerk
    Maar 't Vaderland riep "te wapen"
    Zij gingen op, zij vielen neer,
    Nu liggen ze op het veld van eer
    In de eeuwige rust te slapen.


    Burgers gestorven voor België

    1918  den 28ste oktober ten gehuchte Kruissens Dhondt Theophile, dagloner, overleden
    1919 is  Marie-Clemence, huishoudster, overleden ten gehuchte Keizereistraat
    1918 op 2 november is Huysman Romanie, huishoudster te Quaremont, gestorven ten gehuchte Steenweg
    1918 op 2 november is in het huis van Modest Ysebaert ten gehuchte Steenweg Depoorter Germaine gstorven
    1918 den 4de november is Reynaert Alfred, geboren te Ronse in 1891 en werkman, zoon van Gustaaf Reynaert, ten gehuchte Steenweg overleden.
    1918 den 4de november rond zes uur ‘s avonds is overleden Baele Jozef werkman, ten gehuchte Steenweg in het huis met nummer 77
    1918 op 4 november ten gehucht Steenweg in het huis met nummer 77 is overleden om zes uur ‘s avonds Reynaert August (werkman) en geboren den 15 december 1841

    De oorlog eiste zijn tol want volgende personen zijn “Gestorven voor België”

    “Remi Joseph Gilleman, soldaat bij het 3de regiment jagers te voet, stamnummer 52575 oud 24 jaar 3maanden en 18 dagen te Nukerke gehuisvest, ongehuwd is overleden aan het front op 5 september 1914 ten tienen half ure ’s avonds. Hij was geboren te Nukerke als zoon van Theophielus Josephus Gilleman, gemeenteonderwijzer oud 52 jaar en van wijlen Melanie Van Lancker”

    “Het jaar negentien honderd achttien den acht en twintigste October is overleden  om twaalfuur en dry kwart ’s middags ten gehuchte Kruissens Dhondt Theophiele dagloner en geboren den 28 februari 1860.”

    “Vander Spoilden Marie-Clemence huishoudster overleden ten gehuchte Keizereistraat”

    “Huysman Romanie huishoudster te Quaremont is heden om elf uren ’s middags ten huize ten gehuchte Steenweg overleden op 2 november 1918”

    “Depoorter Germaine is ten huize van Modest Ysebaert (61 jaar en landbouwer) overleden  ten gehuchte Steenweg  op 2 november 1918”

    “In het jaar 1918 den vijfden November om negen uren ‘s morgens ……… verklaren dat gisteren rond acht uren ’s avonds ten gehuchte Steenweg overleden is Reynaert Alfred werkman, geboren te Ronse in 1891, zoon van Gustaaf Reynaert  oud zestig jaar.”

    “In het jaar 1918 den vijfden November om negen uren …… aangifte van overlijden van Baele Amandina-Angela huishoudster hier geboren den zeventiende Augustus 1893 dochter van Charles. Ze is gisteren overleden  ten haren huize en ten gehuchte Steenweg rond zes uren ‘s avonds.”

    “Het jaar negentien honderd achttien den vijfden November om negen uren ’s morgen voor ons, Joseph T’Sjoen Burgemeester… zijn verschenen Gustaaf Reynaert oud zestig jaren en Charles Louis Baele oud vijf en vijftig jaren beide dagloners alhier wonende… dewelke ons hebben verklaard dat gisteren 4 november 1918 rond zes uren ’s avonds ten huize nummer zeven en zeventig en ten gehuchte Steenweg overleden is Baele Jozef-Octaaf werkman alhier wonende…”


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (3 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een levensverhaal vol anekdotes

    Over Wieten Grielie

    Begin 1900 woonde Wieten Grielie langs de Boelaerdstraat in zijn woning naast het hospice. De woning dateert uit 1918). In de volksmond noemde hij Wieten Grielie en hij had maar zijn reden van bestaan gewoon omdat er niet ver van hem ook een Zwarte Grielie leefde met hetzelfde beroep, namelijk garelen voor koeien en paarden  maken en repareren.

     

    Wieten Grilie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen hij met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutranoy ging om zijn ondertrouw te bespreken zei die:” Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt gij beter op uwen put peinzen. Binnen kort mag je er beginnen aan scharten!” Waarop Hulleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!”

    Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van Barmhartigheid.

      

    Mijn verhaal: Het leven in het wezenhuis St-Vincentius te Nukerke

    (De Nukerkenaren hadden het steeds over “de kinderen van het hospice)

    In 1944 werd een jongen van slechts 2 jaar oud opgenomen in het wezenhuis te Nukerke. Daar kregen een 40-tal jongens een warm onderdak. In het klooster iets verder op was er een wezenhuis voor de meisjes. Zo werden broertjes en zusjes volledig van mekaar gescheiden. Ze konden elkaar pas terug zien als er bezoek was of als ze naar huis gingen. Voor veel opgenomen kinderen veroorzaakte die scheiding een echt drama. Er waren drie soorten kinderen in het wezenhuis: de weeskinderen,de gerechtskinderen en de kinderen van zelfstandigen. Ik voelde aan dat er soms onderscheid werd gemaakt. Zo kregen de kinderen die familie hadden regelmatig bezoek en kinderen van zelfstandige mochten soms naar huis. En ik ?

    De vrederechter “juge Minne” uit Oudenaarde kwam tweemaal per jaar op bezoek om na te gaan of alles naar wens verliep. Wij, de gerechtskinderen  kregen bij elk bezoek iets… snoep of geld! Wij konden daar vrij over beschikken. Mijn eerste kennismaking met mijn nieuwe woonst maakte ik waarschijnlijk van op de arm van zuster Veronica. Enkele jaren later zijn zuster Theodora  Dortmas en zuster Gerarda Van Woensel de vorige zusters komen aflossen. Nadien is zuster Gerarda overste (Moeder) geworden van het wezenhuis en het hospice. Zij werd vervangen door kwam zuster Elise en nadien zuster Digna. Een tijdje later maakten we kennis met zuster Dominica.

    Het gebouw bestond uit 1 zaal op het gelijksvloer, je viel zo met de deur in huis. Achter de zaal was er een bezoekruimte en een kleine slaapkamer voor een ziek kind. Er was geen keuken want de maaltijden werden in het hospice bereid. De grotere jongens mochten de ketels ophalen.. Er was wel een afwasruimte, want wij deden de vaat. Verder was er nog een kleine gang waar elk kind zijn eigen kastje had. Wij hadden er geen telefoon (voor de noodgevallen was er een in het hospice). De grote kelderverdieping werd gebruikt als badkamer. Hoe verliep zo’n badceremonie? Wel het water werd boven verwarmd op een houtvuur en dan door de zuster naar benden gedragen. De kleinsten mochten steeds eerst in ’t bad toen het nog lekker warm was. Elk kind dat het water in ging moest een klein broekje aantrekken. Als het de beurt was aan de groteren werd er soms gespeurd want ’t water werd als maar kouder. We werden allen gewassen in het zelfde badwater met hetzelfde broekje, het broekje dat nat werd doorgegeven. De grote jongens moesten de kleinsten helpen bij het aankleden. Dat was veel werk gespaard voor de zusters die moesten werken met de middelen die ze hadden. Maar terug naar de badkamer. Het vuil water werd in een putje vergaard en nadien met een handpomp naar boven gepompt. Indien nodig werd ons haar geknipt. In de jaren veertig was dat een werkje voor coiffeur Roger Ceuterick maar om de kosten te sparen leerde zuster Theodora de stiel en knipte zij dus voortaan onze wilde haren. Waar haalde die zuster de tijd voor al die jobs?

    Er waren twee slaapzalen : een voor de groten en een voor de kleinsten, dat waren de kinderen tot 6 jaar. Op elke zaal sliep er een zuster in een chambrette. Veel privecy hadden ze toen niet. Maar ja, wie wel? Tegen de muur stond een grote nachtemmer. Bij de grote jongens ontstond soms een wedstrijd om de emmer zo vol mogelijk te pissen. Maar we fopten ons zelf want die emmer moesten we zelf naar beneden dragen. En leutig dat het was! Op koude dagen werd een mazoutkachel aangestoken. Die verwarmde de beide zalen. Langs de muur van de zaal was er een boord waarop een reeks verlakte kommetjes stonden met water. Hier deden we ons dagelijks kattenwasje. Dit water werd in grote emmers gegoten en naar beneden gedragen. Af en toe was er een bedplasser. Dat bracht natuurlijk z’n problemen mee.’s Morgens werden de groten gewekt om 5u30. We wasten ons en kleedden ons aan om onmiddellijk naar de zaal van de kleinsten te gaan. Elke grote jongen werd een kleintje toegewezen om dat kind te helpen bij het wassen en aankleden. Verder moesten we ook gedurende de ganse dag voor dat jongere kind zorgen zoals eten geven en meenemen naar de school. We gingen in rang naar school begeleid door een zuster. Jarenlang was dat het werk van zuster Theodora. Zo wandelden we langs de groentetuin en door den boomgaard (waar nu de Samaritaan staat) tot aan het “Meetjes straatje”(nu Glorieuxstraat). Dat was toen een onverharde landweg tussen de “plaats” en de Pontstraat. Van het Meetjes straatje ging het dan naar’t Lindeke. Zo arriveerden we aan de jongensschool waar ook de kinderen van de straat les volgden. (de kinderen die dagelijks naar huis gingen noemden wij “de kinderen van de stroate”. Na schooltijd dezelfde weg, maar in omgekeerde richting. ’s Middags gingen wij ook naar huis eten. Om vier uur aten we boterhammen en ’s avonds ons avondeten. Dat bestond uit karnemelk, pudding, boterhammen enz.. De kleinsten moesten gaan slapen na het avondeten en de groteren gingen rond 20  uur slapen. De grote jongens hielpen de kleinsten bij het uitkleden. Maar we hadden ook onze pretjes. Af en toe mochten een paar kinderen de kapotte schoenen bij schoenmaker André Verhellen brengen. Toen lieten Mariette en André hun lieve kleine konijntjes zien en we gingen niet weg zonder snoepje. Eigenlijk mochten de weesjongens veel meer beleven dan de weesmeisjes.

    Tijdens de vakantie deden de jongens van het weeshuis de schoolkuis. Toen bestonden er nog geen kuisploegen. Zo moest ik eens wachten op de meester. Van die tussentijd maakte ik gebruik om bij bakker Michel aan een vers brood te zitten. Ik heb een lekker vers gebakken brood uitgepeuzeld, zoals een muis dat zou doen. Allen de korst bleef over. Ons huiswerk maken en de catechismus leren deden we waar de kinderen speelden. Rond 17u30 werd de paternoster gelezen en werd er een liedje gezongen. Dan begonnen wij aan avondeten dat bestond uit karnemelk, afkomstig van de boerderij van het hospice, pudding, boterhammen, enz. moesten de kleintjes gaan slapen. En weer hadden de ouderen de taak de kleintjes te helpen om hen in hun nestje te stoppen. Natuurlijk helpen de zuster daarbij. De groteren gingen rond 20 uur slapen. Op elk bedjes lager een mooie gehaakte bedsprei. Die spreien werden door de zusters en hun familie gehaakt. Zuster Theodora en zuster Gerarda hebben er hun best mee gedaan. De familie van de zusters kwam wel eens op bezoek en ze lieten niet na iets mee te brengen voor de weesjes. We mogen wel zeggen dat we nooit honger hebben geleden. Ik kreeg als zwak kind soms extra melk. En hoe dikwijls heb ik de wel bekende toverdrank gedronken; een geklutst ei met suiker in een glas bruin bier? En dan die fameuze “levertraan” ! Bah, gelukkig kregen we er onmiddellijk een klontje suiker bij om de smaak weg te werken. En verder, de dag na de slachting van een varken kregen wij dan verse hoofdvlak voorgeschoteld. Maar de kinderen lustten dat niet want dat “stekte” in mond en keel. Met als gevolg dat ik later nooit meer hoofdvlak heb gegeten. Nu mag ik dat verklappen maar… we kenden wel allemaal een maniertje om die hoofdvlakke weg te moffelen. Zo was er een hond en een W.C.

    De weken die volgden aten we dagelijks smout op onze boterham. Bah! (nu is dat bijna een luxeproduct). ‘k Moet iets verklappen; van de goede boerenboter heb ik eens stiekem gepiekt. Op vrijdag werd er nooit vlees gegeten, wel kaas, eieren of vis. De avond vóór Aswoensdag kregen we pannenkoeken of wafels voorgeschoteld.

    Het wezenhuis van de meisjes in “’t Klooster” was volledig apart. Ze kookten daar hun eigen potje en hadden niets van uitstaan met het hospice of St-Vincentius.

     

    Plechtige communie

    Ik kreeg de kleren voor mij eerste communie van de moeder van een zuster Suzanne (Magriet De Backer).Voor mijn plechtige communie kreeg ik mij kleren van nonkel Georges Vandenabeele en tante Rachel. Na de mis mocht ik als beloning alleen eten als een bevoorrechte in de bezoekersruimte. Toen andere bezoekers langs kwamen  vroegen ze heel bezorgd:”Manneke, zijt gij gestraft misschien omdat gij zo gans alleen moet zitten?” Die dag heb ik niemand van mijn familie gezien. Dat blijft in je ziel gegrift.

     

    Naar de mis.

    De kinderen gingen vanaf de leeftijd van 7 jaar naar de mis van 6u30 in de parochiekerk. ‘s Zondags volgden wij zelfs tweemaal de mis, namelijk om 6u3O of om 7u30 en naar de hoogmis om 9u30 én … ’s namiddags om 2 uur naar ’t Lof. Tijdens de vastenperiode was er de Vespers en het Lof gevolgd door de kruisweg. Meestal waren de kinderen van het weeshuis misdienaar. Als wij misdienaar waren tijdens een begrafenisdienst dan slopen wij soms na de dienst mee aan aan de koffietafel bij Ryckbosch of ’t Kindt. En niemand stuurde ons weg. Men vond het goed. Na een huwelijksmis liepen wij vlug naar het portaal, spanden er een lint en strikten zo het jonge koppel. Wij kregen wat geld en de trouwers konden gaan. Maar wij waren sluw en wij strikten elk koppel van de suite. Het moest soms snel gaan. Met het verdiende geld trokken wij naar Ryckbosch en we lieten ons verwennen met snoepjes. De rest ging in mijn rood spaarpotje van de A.S.L.K.

    Jaarlijks ging de pastoor een bedevaart voor naar Kerselare. Na de mis vroegen de misdienaars of ze nog even het blaasorgel in de kapel mochten bedienen want de koster vond natuurlijk niemand om gedurende de hele voormiddag de trappers te bedienen. Na de diensten mochten we mee met de koster naar de sacristie. Met beide handen grabbelde hij in een geldkoffertje en vulde met een gul gebaar onze kleine handjes. Wij dankten met een glimlach en een kleine buiging. Fier als een gieter en overgelukkig zochten wij de speelgoedkraampjes op. En de snoepjes kleefden in ons mondje. Maar de tijd ging snel en het werd snel namiddag. Onze vriendjes zaten al lang terug op de harde schoolbanken. En … de zusters zullen wel ongerust zijn. We zullen gestraft worden. En wie in de week een straf had gekregen ging de vrijdag kopje onder in het bad. En dat was even niet plezant!

     Ik werd misdienaar vanaf mijn zevende. Met nieuwjaar las een van de misdienaars een nieuwjaarsbrief voor aan de pastoor. Dan kreeg elk 100fr. En het moest lukken dat die som juist voldoende was om de schoolreis te betalen. Het gebeurde al eens dat tijdens de warme zomerdagen de ijscrèmekar uit Ronse ons na de hoogmis stond op te wachten aan de kerk. Als ’t kermis was dan ging een zuster vragen om eens langs het wezenhuis af te zakken. Zo genoot ieder kind, groot en klein, van een lekker ‘ijskremke”. Later werd er in de vernieuwde keuken in de nieuwbouw een ijsmachine geïnstalleerd. Zuster Thelephora kende een uitstekend recept om ijscrème te maken.

      

    De school

    Zoals we reeds vertelden liepen we in rang naar school onder het alziende oog van zuster Theodora. De school van de jongens lag naast de meisjesschool. Die twee waren van elkaar gescheiden door een bakstenen muur. Tegen de muur van de school was er een poortje. Soms durfden wij eens naar de meisjes speelplaats gluren, hetzij door het sleutelgat van het poortje ’t zij over het muurtje. Maar dat waste ver! We werden prompt door de meester ter orde geroepen gestraft. “Sta maar wat tegen de muur!” Wat ik nu wel heel erg vind, maar in mijn kinderjaren niet besefte, was het feit dat de broertjes en zusjes van de weeskinderen van elkaar waren gescheiden en zich moesten tevreden stellen door eens van ver naar elkaar te kijken in de schoolomgeving of in de kerk. In de kerk zaten de jongens langs de rechterkant en de meisjes langs de linkerkant. Enkel voor degene die het geluk hadden om in het weekend naar huis te gaan was het een prettig weerzien.

     

    Milde schenkers

    Met het feest van sinterklaas kreeg elk kind een kleur- of leesboek, schrijfgerief, fruit en wat speelgoed. Zo was in de jaren 50 een koppel uit Brussel, wij noemden ze “nonkel en tante”, die ons in hun hart droegen en ons ter gelegenheid van hun jaarlijks bezoekje van alles meebrachten. Elk kind was gelijk en kreeg even veel. Later ontstond er een comité, ze noemde dat “de ronde tafel” uit Ronse die ons ook van alles gaven.

    Dokter Roelens, onze huisarts die na de oorlog uit Congo was teruggekeerd en die aan Den appel woonde, gaf elk jaar opnieuw aan 2 weesjes hetzelfde, namelijk hun sinterklaas en hun nieuwjaar. Als die dokter verhuisde werd die traditie enkele jaren verder gezet door dokter De Meulemeester E.

    ‘Zondags gingen wij veel wandelen met de zusters. Zo wandelden wij naar Louise-Marie, de Sancta Maria te Ronse, de molen Ter Slepe. Van de boer kregen wij veel appels. Ik weet nog goed als we naar Ronse wandelden dat we moesten plassen vóór de stad introkken. En ’t werd nog plezant want we plasten voor wie het verst. Tijdens een van onze wandelingen in de zomer zag ik eens een naakt kindje staan langs de straatkant en ik zei verbaasd :” Kijk daar eens, die heeft geen pietje !” En pats ik kreeg een oorveeg van de zuster want dat betaamde niet. Je moet weten dat ik toen 12 jaar was en niet het onderscheid kende tussen een jongen en een meisje.

    En als wij speelde dan vonden wij spelletjes uit zoals vliegen vangen. ‘k Moet zeggen dat ik dat goed kon. Eieren uitblazen was ook een geliefkoosd spel. Ja, zo’ veel speelgod hadden wij niet. Verder hadden wij een grote zandbak, kanarievogels, duiven en een hond. Fietsen hadden wij niet. Ik heb pas leren fietsen als ik al bij pastoor Van Pouck werkte. Het was een oud vehikel gekregen van madam Blommaert. En leren fietsen deed ik alleen. ‘k Ben dikwijls de gracht ingetuimeld en heb het gras gekust.

     

     Er werd eens bijgebouwd

    Door de aangroei van het aantal kinderen  - eens waren we met 46 – kwam er een deel nieuwbouw bij met een badkamer. De verbouwingswerken bracht wel zijn moeilijkheden mee. Zo sliepen sommigen kinderen in de badkamer. Ik sliep op een matras in het bad zelf. Soms sliepen we in het hospice tussen de bejaarden of bij de zusters.

    Bedplassen werd toen niet toegestaan. Dat werd afgestraft niet alleen bij ons maar ook in de gewone gezinnen. Er stond al eens een jongen met een nat laken op zijn hoofd!  Maar toen wist men niet beter. Onze zusters waren geen geschoolde opvoedsters. We mochten al blij zijn dat we een dak boven ons hoofd hadden.

     

    Het hospice

    Daar mocht je niet zo maar met de deur in huisvallen. Er was de portierster. Zuster Leonard was een klein maar dapper zusterke. Ze had een grote verantwoordelijkheid voor de telefoon en de bezoeken. Tussendoor zat ze kousen te stoppen van jong en oud. En breien deed ze ook. Zo had ze een goed trucje om de maat van de kousen te weten. Met ons handje moesten we een vuistje maken waarrond ze de kous legde. Was de omtrek van ons vuistje dan gelijk aan de lengte van onze voet ? Of toch min of meer! Weet je wat ze nog deed samen met ons? Je kunt het nooit raden! Telefoonboeken en kranten verknippen in stukjes papier van twee handpalmpjes groot. Ja, voor in het toilet, niet om telefoonnummers vanbuiten te leren, maar om onze p… af te kuisen. ’t Schijnt dat papier van telefoonboeken in die tijd luxepapier was. Zo zie je maar, we hadden geen eerste klasse toiletten doch wel luxe toilet papier. Och, we mochten niet klagen! ’t Waren slechte tijden voor iedereen.

    In mijn tijd verbleven er in het hospice ongeveer 48 bejaarden. Een tiental mensen sliepen op een eigenkamertje op de eerste verdieping. Zij waren waarschijnlijk begoed want ze hadden er hun eigen kacheltje én hun eigen kolenhok waar hun provisie aan kolen lag. Elk koos ook zijn eigen soort kolen. De anderen sliepen op ‘t gelijksvloer waar een mannen- en een vrouwenzaal was. De weeskinderen hielpen al eens in het hospice. Zo vulden wij de kolen aan en droegen water naar boven om de waskommen te vullen.. De toiletten waren buiten. Voor de nacht waren er wc-stoelen. Sommigen hadden op hun kamertje hun eigen meubeltjes staan. Soms was daar heel mooie antiek onder. Op de eerste verdieping van het kloosterhuis was er aan de oostkant een kleine kapel. Eenmaal per jaar werd de monstrans uitgezet en was er een “gedurende aanbidding”. Zuster Thelephora kon heel goed orgel spelen.

    Zuster Thelephora en zuster Edith (vroeger zelf weeskind geweest en ze verblijft nog in Nukerke (2009)) deden de keuken in het hospice. Ze kookten dagelijks voor ongeveer 100 personen, weeskinderen, bejaarden en zusters. Zo werd er goede confituur gemaakt van fruit uit de tuin en de boomgaard. Vóór het koken op een elektrisch vuur gebeurde kookten de zusters op een houtvuur. Soms wandelden alle weeskinderen naar het Heidje. Daar mochten (of moesten) ze hout rapen voor dit vuur. Nadien kregen we wel de verdiende snoep. Hm! Met het weinig comfort en materiaal waarover de zusters beschikten moesten ze soms gevaarlijke dingen doen. Het werd hoog tijd dat er een nieuw rusthuis werd gepland. Weet je dat er de laatste jaren dat het hospice bestond de zusters met de paraplu boven het hoofd hebben gekookt.

    Zuster Theodora en Zuster Dominica verlieten Nukerke in 1973. Zuster Ademar en zuster Gisèle uit Zandvliet hebben toen hun zware taak overgenomen. Zuster Gisèle werd overste van de Samaritaan.

    Over de bewoners

    De mannen die daar verbleven konden nogal wat vlees eten. Ze rookten overal, ook op de slaapkamers en op de slaapzalen. Het mag wel een wonder lijken dat daar nooit een brand is ontstaan. ‘s Zaterdags werden de mannengeschoren. Dat was een werkje voor zuster Theodora. Als beloning kreeg dan wat centen om iets te kopen voor de kinderen die niets hadden.

    Iedere maandag was het grote wasdag. Het vuil linnen werd gekookt in een grote koperen ketel op een houtvuur. Alle zusters werden opgetrommeld ook die van ’t wezenhuis én Anna Ysebaert. De zondag voordien spanden de grote jongens de wasdraden van de ene fruitboom naar de andere. In het midden van elke draad werd en nog een stok geplant voorzien van een spie (een wig) om al zo de draad te verhogen en te beletten dat de was de grond zou raken. Hola, niet vergeten de koeien op de andere weide te laten of…

    Voor ons, de kinderen, was elke wasbeurt een hele gebeurtenis. Zo’n bedrijvigheid. De ouderen die nog konden helpen werden ingeschakeld om de was op te plooien of te strijken. ’t Is waar. De oudjes hielpen soms ook in de keuken bij het schillen van de aardappelen en het kuisen van de groenten. Tijdens het werk werd de paternoster gebeden. Soms waren er ook dementerende bejaarden die wel een durfden weg te lopen. Of al eens op café gingen “lampetten” bij Michel Arco “In de wachtzaal” op de plaatse. Zo gebeurden het al eens dat ze te laat waren of niet thuiskwamen. In dat geval werd er beroep gedaan de specialisten, namelijk de grote jongens van het wezenhuis. Die zouden ze wel gaan zoeken én ze veilig thuis brengen. Zo was er eens een oudje omzeggens spoorloos. Ik ging op pad en na ’t vele vragen aan elke voorbijganger heb ik de verlorene terug gevonden in Ronse. Bij het naar huis gaan moest ik dat ventje voortdurend overtuigen dat we wel degelijk naar huis gingen. Het ging zelfs zo ver dat ik autostop deed! En… ’t lukte we mochten meerijden. En content dat het ventje was. Hij zat voortdurend te lachen want ’t was de eerste maal in z”n leven dat hij in een auto zat. Eind goed al goed, we werden thuis, aan het hospice, veilig afgezet. Op een andere keer moest ik een mannetje gaan zoeken tot in Etikhove. Ik vond hem vlug en zei hem dat hij daar moest blijven zitten in de graskant tot ik terug kwam met de kruiwagen. En zo gebeurde. Ik voerde het mannetje met de kruiwagen naar huis. Moeder Gerarda stond ons op te wachten en boos als ze was verwittigde ze hem dat ze hem zouden vastbinden als hij het nog waagde weg te glippen. Rad van tong zijnde antwoordde hij:” ‘k Benne kik geen koe zulle !” Al die kleine zaakjes die verkeerd liepen was het gevolg van personeelstekort. De zusters werkten bovendien gratis en waren dag én nacht ter beschikking van de oudjes en de kinderen. Nu zou men voor veel minder staken.

    ’t Was eens op een mooie zomerdag dat er terug een oud ventje gaan lopen was. Door links en rechte te vragen vonden we hem eindelijk terug in “den geitenhoek”. Op dat moment waren we met twee weeskinderen. We pakten hem langs zijn beide zijden onder de arm vast en weg waren we. Onderweg naar huis naderden wij de woning van H. Ysebaert. Daar liep ons een hondje tegemoet dat naar de zin van de oude man wat vervelend blafte. Stop eens zie hij! Wacht een beetje! En hij begon nerveus op zijn tabakschique te kauwen. Draaide ze dan eens goed rond in zijn bruine mondje en spuwde die met volle kracht richting hondje. Die bruine prop kwam toch wel juist in hondjes neusgat terecht zeker! Die begon dan te niezen mijnen man. En weg was hij. Ja, probeer dit maar eens duizendmaal. Wie doet dat die man na? Het bijzonderste is dat we veilig zijn thuisgeraakt!

    In die tijd was er een dodenhuisje naast het kolenhok van het hospice. De zusters van het wezenhuis werden dikwijls gevraagd om een overledene in ’t dorp te helpen afleggen (opbaren). De meeste mensen stierven toen thuis en bleven thuis in de beste kamer opgebaard liggen tot aan de begrafenis. Het geld dat ze voor die diensten kregen kwam ten goede aan de weeskinderen. Raar maar waar! Wij, weeskinderen, waren blij als er al eens een oudje stierf die een kamer bewoonde. Wie een kamer bewoonde was welstellend en… wij kregen op de dag van de begrafenis koekenbrood en chocolademelk.

     

    Op de boerderij

    In de jaren veertig en vijftig hadden wij voor die tijd een grote boerderij. Er liepen immers 5 melkkoeien, varkens, kippen én ze hadden één paard om het werk te doen. Maurice De Vos, zelf een bewoner van het hospice, werkte op de boerderij en was er ook verantwoordelijk voor. De velden en de weiden lagen rond het hospice.  Als er iets te oogsten viel dan waren de weeskinderen er als de eersten bij om te helpen. We raapten de aardappelen. We hielpen in de oogst. We verzamelden de vele aren die op de grond waren gevallen in wissen manden. Ja, toen mocht er niets verloren gaan. We hielpen ook als de dorsmachine op de boerderij kwam. Ons grootste plezier hadden wij als de ratten en de muizen renden voor hun leven. Niet verder vertellen, maar…er kroop eens een muisje onder de kap van zuster Theodora, tussen haakjes, ze waren bij haar thuis boeren. Ze kende dus het boerenleven en …ze kon tegen een stootje.

    Iedere week werd er brood gebakken in de bakoven naast de paardenstal. De oven stoken was het werk van Maurice en het deeg kneden was een zorg voor alweer, zuster Theodora. En lekker dat het koekenbrood was, en het  rozijnenbrood en het gewoon boerenbrood!

    De melk werd gekarnd en dus hadden we boter en steeds verse karnemelk. Als een koe moest kalveren dan werd de hulp ingeroepen van Medard Heyntjes. Die woonde voorbij de bocht. Soms werd er een varken geslacht door André Verlinden. Die werd later opgevolgd door Jef Willems. Maurice. Onze boer, hield het varkentje stevig vast met de touw. De slachter gaf het schreeuwende dier een zware slag met een hamer op het voorhoofd. Vlug werd de keel overgesneden en het bloed opgevangen om er lekkere bloedworst van te maken. Het beestje werd gebrand met stro, open gekapt en van de ingewanden ontdaan. ’s Anderendaags werden de twee helften versneden. Er werd ook hoofdvlak gemaakt. Daar werd van alles in gedraaid, zelfs het vel met nog stekels op.

    De dagen na de slachting werd een groot deel van het vlees in de pekel gestopt om te bewaren. Of het werd gesteriliseerd zoals ze met veel groenten deden. Te veel eieren! Geen probleem! Die werden gewoon in een bruine “zaankom” gestopt onder het kalkwater. Onze wintervoorraad!

     

    Rond de gebouwen van het hospice stonden er veel bomen zoals populieren. Het gevolg was dat de goten al eens vol lagen met rottende blaren. En dat bevuilde het regenwater dat voor de wekelijkse was werd gebruikt. Maar daar was een oplossing voor. Ik werd uitverkozen om dat karweitje te klaren. Ik, een flinkerd van 12 jaar kroop door het dakvenster, liet me even over het dak glijden en kuiste de goot uit.

     

     De pastorij 

    Destijds bestond er een artesische put met ringen achter de pastorei. Deze waterput voorzag de pastorij, de onderpastorij en het oud gemeentehuis van drinkwater. Bij een herstel aan de pomp kwam er olie in de put terecht. Pastoor Van Pouck besloot dat het water ondrinkbaar was. Daarop werd door het gemeentebestuur besloten om een leiding te leggen vanaf de Samaritaan, die toen in opbouw was, naar de pastorei. In de Samaritaan werd put geboord van ongeveer 100m diep. Nadat de laatste onderpastoor de parochie had verlaten werd de vroegere onderpastorij bewoond door de gezusters Verbruggen Alice, Hélène en Rachel.

     

    De kerk

    De kerk staat niet in’t midden van de gemeente, dat voorrecht krijgt het kapelletje toegewijd aan O.L.V. van Fatima op ’t Holand ingewijd door pastoor Tirez in 1953. Met de bouw van dit kappelletje wou men tegemoet aan de vraag van de kerkgangers om dichtbij de mogelijkheid te hebben te kunnen biechten of  mis te horen. Ook de leerlingen van de gemeenteschool zouden er hun voordeel bij hebben. Ze zouden voortaan niet meer maandelijks een paar keer in weer en wind te voet naar het dorp moeten trekken. Deze traditie verwaterde langzaam en de volgende pastoors lieten het kapelletje links liggen. Het verkommerde en werd bij de heraanleg van de Holandstraat gesloopt. De stoere oude lindeboom moest er toen ook aan geloven.

    Maar nu terug naar de parochiekerk. Pastoor Van Pouck heeft op het punt gestaan de dorpskerk wit te laten schilderen. Het zou prachtig zijn geweest maar ook zeer duur. Langs de andere kant zou de restauratie ten goede zijn gekomen aan het dorpsbeeld. Het zou er iets fraaier hebben bijgelegen, vooral sinds een al te ijverig schepencollege begin jaren 70 grote kuis hield op het dorpsplein door enkele oude pittoreske gebouwtjes met geschiedenis te slopen. Ze moesten plaats maken voor de auto’s.

    Aan de buitenkant van het koor, kant sacristie, staat een grote calvarie met aan de ene zijde Johannes de Doper, aan de andere zijde Maria. Op deze plaats liggen enkele graven en de plaats werd door onze voorouders, om welke reden ook, vagevuur genoemd. Het concilie Vaticanum II  (1962-1965)  bracht een grote evolutie in de kerk. Voortaan zouden niet allen de gebeden en de gezangen in de volktaal gebeuren , het altaar zal dichter bij de gelovigen staan en de pastoor zal met het aangezicht naar de menigte kijken. Het nieuwe altaar in de kerk werd vervaardigd door de meubelmakerij De Jaegher uit Eeklo.

     

     De biecht

    In de goede oude tijd (is dat de tijd van vóór het concilie van 1962 ?) was er elke zaterdag biechtgelegenheid in de kerk van 18 uur tot 19 uur. De zondagmorgen idem een half uur vóór de mis. Ja, het was de tijd dat de mensen zich nog bewust waren van hun fouten. In de vastenperiode kwam er een vreemden biechtvader bij. Dan kwamen de gelovigen blijkbaar hele karrenvrachten zware zonden belijden, misstappen die ze liefst niet aan de dorpsherder zijn neus hingen. En wat deden de pastoors nadat hij met een piepoogje de volgende schuldbelijder had bekend ? Ja, hij nam een zakdoek, besprenkeld met reukwater, voor de mond om al die gure geurtjes te verdoezelen. En met bevende stem kon de biechteling zijn hartje lichter maken. Het merendeel kwam er goed van af en zwiepte met een brede glimlach het rood fluwelen gordijntje opzij. De volgde!

     

    Toontje met z’n varken

    “Met Toontje klaren de dagen tot de vijfenhalf”.

    Tegen de buitenkerkmuur zijn verschillende staties ter ere van St-Antonius (met het varken) aangebracht.

    Rond het feest van de H. Antonius abt op 17 januari heeft er sinds jaren een noveen plaats in deze kerk. Dan werd de kerk versierd met de bloemen die madame Blommaert schonk. Toen, in de jaren vijftig, kwam er nog veel volk af om Toontje om zijn gunsten te smeken. Was je iets verloren? Wend je dan tot Toontje. Veel kans dat je het terug vond! Gedurende die dagen van de noveen hield ik een standje open achteraan in de kerk. Ik verkocht er kaarsen en medaillons. De gelovigen konden bij mij missen bestellen en betalen en ik mocht hen zegenen met de relikwie van de H.Antonius. Ik moest natuurlijk een zegening uitspreken maar aangezien ik nooit Latijn heb geleerd ging dat wat moeilijk. De zegende priester brabbelden destijds ook een onverstaanbare Latijnse tekst. Dus, deed ook ik alzo. Tot op zekere dag een oud vrouwtje me vroeg:” Maar wat zeegde gij otijd ?”  Ik antwoordde:” Niet vies van zijn, ’t is afgekuist…!” Maar dat zei ik zo snel dat niemand het verstond en… ’t leek van ver op kerklatijn. Dat vrouwtje hé, dat heb ik nooit meer weer gezien. ’t  Kan ook zijn dat ze het jaar nadien was verleden of …

    Eertijds waren de zijmuren achteraan in de kerk beschilderd met Nukerkse taferelen. Spijtig werden die ten tijde van pastoor Naessens overschilderd. Voortaan prijkt daar een modernere tekening. Al of niet mooi?

    Processie

    Tweemaal per jaar ging er een processie uit nl. op Sacramentsdag en op O.L.V.-Hemelvaart. Op Sacramentsdag ging de grote processie uit. Vanaf de kerk ging het naar het wezenhuis, en hospice, waar de oudjes buiten zaten. Verder ging we de Boelaerdstraat op tot bij Gentil; aan de hoek van de Pontstraat. In de kapel daar werd voor het eerst halt gehouden. Dan ging het richting  Den Appel. Onderweg was er nog een halte aan de kapel op de hoek van de Holandstraat.. Vanaf daar ging de lange sliert de Steenweg naar beneden naar de kerk toe. Op O.L.V.-Hemelvaart ging de kleine processie uit. Toen ging het richting Geitenhoek waar een altaar werd opgezet om het H. Sacrament op te stellen. Vandaar ging het via de Steenweg terug naar de kerk. Ter gelegenheid van de processie werden de woningen versierd met bloemen en een vlag. Soms werd er een tafeltje neergezet en op een sneeuwwit kleedje stond een beeld. Het was ten tijde van pastoor Tirez dat er discussie was. De processie was reeds enkele keren uitgesteld wegens het slechte weer. De pastoor kwam met een oplossingvoor de dag; regen of niet de processie gaat uit. En wat gebeurde er? De lange stoet werd uitgeregend en de gelovigen werden gezegend met een stevige plensbui. Iedereen liep naar huis maar niet de dragers van het beeld van St-Anthonius. Die lieten zich verleiden en schuilden met onze patroon en al in een café. Na enkele natjes werd het buiten droog en konden de dragers onze patroonheilige veilig thuisbrengen. Men had z’n lesje geleerd en er kwam een nieuwe afspraak; als op de dag van de processie de klokken drie keer luiden dan gaat de processie uit. Indien 1 klok luidt dan niet.

    Er was een vaste volgorde voor de deelnemers. Voorop stapte de champetter , dan de misdienaars met kaarsen en kruis, de vlagdragers met de vlag van De Boerinnenbond, de BJB, de Scouts, de Chiro, 15 weeskinderen met elk een klein vlagje(de 15 vlagjes symboliseerden de 15 mysteries van de rozenkrans), de dragers met de beelden, de fanfare van Nukerke, de koster en het zangkoor, de bloemenmeisjes die weelderig kleurrijke kroonblaadjes en papiersnippers rondstrooiden, de pastoor met het Sacrament onder het baldakijn met een zestal lantaarndragers erom heen en tenslotte de gelovigen.

    De drie dagen vóór O.-L.-H.-Hemelvaart worden kruisdagen genoemd. Drie dagen vóór de hoogdag maakten de pastoor met relikwie, de misdienaars met het kruisbeeld en vele boeren en boerinnen maar ook kinderen en andere gelovigen een rondgang door de velden om de gunst af te smeken voor een goede oogst van de vruchten der aarde. Gedurende de hele weg werd de litanie van alle heiligen gezongen.”Sanctus… ora pro nobis…”

    Met Kerstmis

    Op 24 december was ik al vroeg in de weer om de kerk warm te stoken. Daar stonden twee grote kolenkachels. In de goede, oude tijd werd op kerstavond steeds een luchtig toneel gebracht in de parochiezaal. Na de fratsen van de grappige acteurs (die zijn ondertussen allen boven de zeventig) trokken de gelovigen flink napratend naar de middernachtmis in de warme kerk.

    Allerheiligen en Allerzielen

    Na de vespers en het lof op Allerheiligen werden er 3 Onze vaders en 3 Weesgegroeten gebeden gevolgd door een “en glorie zij de Vader, de Zoon en de H. Geest” gingen de mensen buiten en kwamen seffens terug binnen. Iedere gelovige die daar aan deel nam kreeg daarvoor een volle aflaat. Dit werd soms meermaals herhaald. In de volksmond noemde dat ”perjonkelen”.

     

    Een berechting

    In Ronse en Oudenaarde was er wel een hospitaal maar op het platteland stierven de mensen meestal thuis tot beginjaren vijftig. Het was dan ook een vast gebruik dat de pastoor de ziekenzalving (toediening van de H. Olie en de Communie) gaf aan de stervende. Als kind zagen we meermaals de pastoor en zijn misdienaar met lichtende lantaarn en rinkelende bel in weer en wind over kleine veldwegjes stappen. Toevallige voorbijgangers en boeren op het veld knielden uit eerbied neer en sloegen een kruisteken.

    Ook de hoogdag werd naar de zieke en zwakke mensen gedragen. Later werden de pastoor en een paar misdienaars vervoerd per auto door de koster, eerst door Joseph Deriemacker  en nadien door Norbert Deriemacker. De ene misdienaar droeg een lantaarn, de andere droeg een bel. De rinkelende bel verwittigde de mensen dat Ons Heer op komst was. Het was in de tijd dat we bij berechtingen zagen dat kleine biggetjes gewoon onder de Leuvense stoof lagen in een bakje vol met stro.

     

     Missie

    Om de tien jaar was het dringend nodig onze parochianen eens grondig ter orde te roepen. Een paar paters kwamen gedurende een drietal dagen naar de parochie afgezakt met stevige donderpreken op zak. Preekstoel en ramen kregen soms de beef.  Het was muisstil in de stampvolle kerk. En de brave lieden zaten daar als sukkels gebukt onder de zware zondelast. Op één avond waren de jongeren niet toegelaten want dan hadden ze het over de huwelijksperikelen. Het moet gezegd, onze brave ouders waren er soms niet goed van. De laatste missie werd gepredikt in 1961 door redemptoristen E.P. Decocker en E.P. Van Buggenhout 

     

    Kerkelijke diensten

    Tijdens elke dienst in de kerk werd er stoeltjesgeld opgehaald. Lang geleden was dat een taak van betrouwbare personen zoals daar waren Bernard Deriemaecker en zijn vrouwtje Louiske en na hen door de dochter Maria en schoondochter Régina die trouwens verantwoordelijk waren voor het klein onderhoud in de kerk. Ze schoven tussen de rijen door met uitgestoken hand waarop je het geldstukje deponeerde. Let op! Er waren 3 soorten stoelen met elk hun prijs. De kosten voor de stoel stegen mee met de tijd. Het werd algauw een halve frank en nadien een frank. De laatste moderne pastoors vonden het beter het stoeltjesgeld jaarlijks thuis bij de kerkgangers op te halen. Dat was een opdracht voor Paul Decatelle. Ten tijde van pastoor van Pouck kostte een stoel met biezen zitting 6OFr, een stoel met een mooi kleurrijk fluwelen kussen kostte 120Fr en een voor een eigen stoel betaalde je 100Fr. Eens het stoeltjesgeld opgehaald verschenen daar de kerkmeesters die met een blinkende koperen schaal rondkwamen. Zo kon men z’n offergave schenken. Waar is de tijd van de “kluitjes” en de kwartjes, je weet wel, die centen met een gaatje in. Sinds pastoor van Pouck werd ook de “Sint-Pieterspenning” door Paul opgehaald.

    Nadat Louiske er niet meer was en Maria en Régina te oud werden heeft Paul en de zusters van de meisjesschool de taak op zich genomen om de kerk te onderhouden. Zuster Lucienne stond in voor het altaargewaad van de priesters en de misdienaars. Niemand kon haar kunst van feilloos plooien en vouwen van de witte gewaden evenaren. Het vele koper dat regelmatig moest worden gekuist dát was een groot werk. Rond de jaren zeventig eindigden ook de omhalingen door Broeder Leonardus van de Minderbroeders te Ronse. Hij haalde eetwaren en geld op voor het klooster aan de “Barrière de fer”.Nog een gebruik dat in die periode definitief verdween is de zending. Boeren droegen na een slachting (er was somtijds een noodslachting) van een dier het beste stukje vlees naar de pastorij en naar het klooster.

    Iedere tweede zondag van de maand was er ’t lof aan het altaar van O.-L.Vrouw. Dan volgde er een speciaal gebed voor de ongehuwde vrouwen waarmee men de jonge maagden bedoelde. Nu zou het zijn voor de ongehuwde jonge moeders. Na het gebed gaf de pastoor een zegening met de relikwie van O.-L.Vrouw.

    In ’t portaal was er achter een heel groot en zwaar hek een kleine ruimte. Daar hing een lang dik touw. Als je daar met volle kracht aan trok begon er een klok te luiden. De misdienaars mochten om beurten. We hielden de touw goed vast en gingen mee de lucht in. En leuk dat het was, dat hoeft niet gezegd. In de tijd van pastoor Tirez werden twee nieuwe klokken gekocht en ingehuldigd op 26 mei 1951. Deze moesten de gestolen klokken vervangen die tijdens W.O.-II door de Duitsers waren gestolen om ze te hersmelten tot oorlogstuig.

    Tijdens ’t Lof is er eens een kogel door een kerkraam gevlogen. Wie dat heeft gedaan is nooit gekend. Ondertussen is het raam hersteld.

    En waar is de tijd van de wekelijkse biecht ? En de mis op de 1ste zondag van de maand voor de leden van de Bond van het H. Hart voor de mannen ? En op de 2de zondag van de maand voor de leden van de Boerinnenbond én de talrijke processies.

    Het Vormsel

    Om de twee jaar kwam de bisschop van Gent de kinderen van Nukerke en Zulzeke vormen. Na de dienst was de bisschop bij de pastoor uitgenodigd voor het middagmaal en ik was daar verantwoordelijk voor de keuken. Als dessert werd er een ijs opgediend. Ik kwam er met grote schreden aan en roef, daar schoof de taart over het tapijt.

    Maar geen nood! Ik heb leren mijn plan trekken. Dus schepte ik de taart op het plateau en bediende de hoogwaardige heren.

     

     Tot slot

    Zuster Gisèle schreef het volgende relaas

    “Op 15 december 1890 deden onze zusters hun intrede in een boerenhof van het echtpaar De Vos-Van der Steen. De boerderij was gelegen langs de Pontstraat (nu huisnummer 50). Deze mensen hadden tot dan, met hun beperkte mogelijkheden, bejaarde mannen en vrouwen onderhouden.

    In dit zo gezegde hospice, dat kraakte van de sleet, werd in soberheid en armoede, maar vol liefde en toewijding een twintigtal mannen en vrouwen verzorgd.

    Door toedoen van E.H. Pastoor De Boe kon in september 1897 een nieuw gebouw in gebruik worden genomen. In 1901 werd er een jongensweeshuis aan het hospice verbonden, dat later uitgroeide tot het jongenstehuis “Paviljoen St-Vincentius”. De perikelen van W.O.-I en W.O.-II trotseerde de instelling ondanks bepaalde moeilijkheden, met moed en krachtdadigheid. Bij het begin van de jaren zestig ging de Congregatie over tot het zetten van een nieuwbouw, die het oude hospice en weeshuis ophief. Het jongensweeshuis samen met het meisjesweeshuis, dat vanaf 1877 verbonden was aan de school, werden op 1 september 1968 vervangen door een gemengd kindertehuis “St-Vincentius” te Nukerke en “Zonnelied” in Ronse.

     Op 16 juni 1968 werd het eerste deel van de Samaritaan in gebruik genomen. De nieuwbouw bestond uit een V-dienst voor chronische zieken. Op het einde van de jaren zeventig werd, deels met staatssubsidies, het gebouw de Jericho opgericht.  Het werd een verzorgingstehuis voor semi-validen en bejaarden. De plechtige inzegening had plaats op 31 mei 1980.

    Wij menen daarmee een acute moderne nood te helpen lenigen, een werk dat volledig in de lijn ligt van de verlangens van de Stichter.”

     

    In de loop van de geschiedenis evolueerden de weeshuizen dus naar gezinsvervangende tehuizen. Rond het jaar 1968 gebeurde ook hier te Nukerke een grondige renovatie van het jongenstehuis en werden de meisjes ondergebracht in een nieuw huis in Ronse. Van de grote groep jongens en de grote groep meisjes werden er kleine groepen van een 14-tal kinderen samengesteld, zusjes en broertjes konden in éénzelfde groep. De opvoeders zorgden voor een huiselijke sfeer, voor gezelligheid met aandacht voor elk kind. De kinderen konden schoollopen, spelen en ravotten. Tijdens het schoolverlof mochten ze voor een 3-tal weken naar zee. In het voorjaar van 1989 kwam er een einde aan de opvang van de kinderen en werd het huis St-Vincentius gesloten.

    In het kindertehuis St-Vincentius werden gedurende vele jaren aan een groot aantal kinderen en jongeren de beste zorgen gegeven.

     

    Slot

    “In dit schrijven heb ik herinneringen uit mijn kinder- en jeugdjaren verteld. Maar er zijn veel persoonlijke ervaringen die ik liever in mijn hart bewaar. Wanneer ik zelf als echtgenoot en vader verantwoordelijk werd voor vrouw en kinderen, begreep ik pas goed welke verantwoordelijkheid, soms ongeschoolde en zeer jonge zusters  voor een grote groep kinderen toen droegen. Zo dikwijls heb ik achteraf bedacht dat ik die ouderlijke liefde heb gemist, maar ik heb toch veel vriendschap gekregen. Ik heb een strenge maar goede opvoeding gekregen. Veel kinderen die in een gezin werden opgevoed hadden het misschien minder goed dan wij. De christelijke waarden, de werklust en het respect voor mens en natuur probeer ik steeds door te geven aan mijn kinderen en kleinkinderen. Door mijn blijvend contact met de zustergemeenschap in België en Nederland wil ik mijn grote dank betuigen omdat ik mij bij hen als kind mocht “thuis” voelen.” P.D.

    Nog over de kerkgemeenschap

    In de 19de eeuw waren verscheidene mensen met enig aanzien lid van een of andere genootschap of vereniging zoals:

    De broederschap van het H. Hert en Kruisweg vereeniging – Maria Rosalia Van Schoorisse (1815-1899) echtgenote van Joannes De Merlier

    De Confederatie van het H. Sacrament – Jan-Baptiste Van De Putte (1807-1894)

    Congregatie van O.-L.-Vrouw en Broederschap van het H. Hert, van den wekelijkschen Kruisweg en van den Derden Regel – Pauline Van Wymeersch (1851-1929)

    Confrerie van het H. Hert van Jezus en van het genootschap van den H.Franciscus-Xaverius – Francies Van Glabeke (1831-1917)

    De Kruiswegvereeniging – Marie Melanie Van Lancker (1856-1890)

    Het Bureel der Kerkmeesters, Confrerie van het H. Hert van Jezus en van het genootschap van den H. Franciscus-Xaverius –Hippoliet Van Lancker  (1864-1921) en Joannes -Baptista Declippele  (1831-1889)

    Het Aartsgenootschap van den H. Franciscus-Xaverius – Henri Van Coppenolle (1841-1922)

    De Kerkraad – Het Katholijk Schoolkomiteit – Het Armbestuur – Genootschappen van het H. Hert en van den H. Franciscus-Xaverius – Augustinus Claus (1806- 1882)

    De Boerinnengilde – Leonie-Marie-Melanis Verhaeg (1870-1932)

     

    Gouden kloosterjubiuleum op 19 juni 1955 van zuster Maria Eleonora van de Congregatie der Zusters van Barmhartigheid

    Van 1905 tot 1955

    “Gouden kloosterjubilé van de eerwaarde Moeder Aveline gevierd in het Hospice te Nukerke, waar de Eerwaarde Jubilaresse 49 jaar verbleef, waarvan 2è jaar als Overste.” Nukerke 3 juni 1951

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mensen schrijven geschiedenis

    Mensen schrijven geschiedenis 

    Mijn vader Georges Van Maelsaeke werd geboren in 1890 en werd soldaat in 1910 maar werd reeds op 2 augustus 1914 gemobiliseerd. Hij werd krijgsgevangen genomen door de Duitsers in Luik en naar een Duits werkkamp gevoerd. De eerste keer dat hij mocht naar huis komen was op 17 januari 1919. Het eten was er  slecht. Zo kregen ze soep van bieten en het was dat of niets. Hij was blij toen hij in een suikerfabriek mocht werken daar kon hij ten minste wat suiker jatten. Maar dat was nog niet alles! Nadien is hij nog gedurende 1 jaar soldaat geweest in het Belgisch leger.

    Mijn ouders Valerie Verpoort en Georges trouwden op 7 april 1921. Van pure armoede trokken ze naar Compiègne (Noord-Frankrijk) om er te gaan werken op een grote hofstede. Moeder werkte er in het huishouden en vader werkte op de velden. Mijn moeder is dan in januar 1923 terug naar huis gekomen want ik moest op de wereld komen. Dat heb ik dan gedaan thuis in Terpoort op 2 februari 1923 geholpen door de vroedvrouw Julita, maar mijn moeder was wel vooraf bij een dokter in Ronse geweest en nadien bij de dokter in Schorisse. Drie maanden na mijn geboorte trok mijn moeder met een baby terug naar Frankrijk. We bleven er tot 1926.

    Het verdiende geld werd naar huis opgestuurd, gespaard en belegd. En zoals zo velen werd het op een spaarboekje gezet in de Patria te Ronse.  Met de jaren dertig begon een periode met diepe crisis. De textielnijverheid te Ronse werd zwaar getroffen. Toen was er grote werkloosheid in de streek. Ondertussen hadden enkele grote textielbarons van Ronse, waaronder Dupont, Lagache, Annick …grootse plannen. Ze zouden met het geld van de Patria textielbedrijven oprichten in Afrika, dicht bij de katoenplantages. Maar deze onderneming viel faliekant uit. Veel geld dat de arme arbeider had bijeengegaard verdween in een diepe put.

    Gelukkig hadden mij ouders hun spaargeld reeds terug gevraagd. Zo konden ze enkele jaren later, in 1934, in Terbeke een huis kopen, naast het routehuisje (afgebroken in de jaren 70). Dat spoorweghuisje was toen bewoond door Julien Vandercoilden en later door Joseph Roman  wiens vrouw de bareel bediende vanaf 1933. Die bewaakte bareel kwam op vraag van de omwonenden na het ongeval met de brouwerswagen (een lange smalle wagen speciaal gebouwd om tonnen te vervoeren). De vrouw bediende de bareel van 6 tot 6. Na dat uur werd ze afgelost door Octaaf Mannens die dienst deed tot de laatste trein uit Ronse rond 22 uur voorbij gereden was. Dan werd de bareel dicht geschoven en op slot gedaan. Enkel voetgangers konden nog via een hekje de spoorweg over.

    Vanaf 11 jaar werd ik op pensionaat gestuurd in St-Maria-Oudenhove, daar was een familielid nonneke. In die school moest er op bepaalde dagen van de week Frans worden gesproken en sommige vakken kregen we in ’t Frans. Op mijn veertiende bleef ik thuis, zoals de meeste kinderen, en moest mijn kost verdienen. Dus de naaimachine op en mannenhemden maken aan 35 centiemen ‘t stuk. Maar dat deed ik niet graag. Dus werd er gekozen voor de fabriek in Ronse. Eerst bij Van Caeneghem, dan bij René Van Damme, en 10 jaar bij Léon Cambier. Ik ben blijven werken tot ik weduwe ben geworden. Zoals vele vrouwen moest ik coupons kuisen. Ik was pikureerster. Dat waren rollen geweven stof van 6o m lengte. En wij moesten de “padeputen” herstellen. Dat waren fouten in het weefsel ontstaan door een slechte werking van de schietspoel. Dat deden we de ganse tijd rechtstaand en met 5 vrouwen. We werden per stuk betaald, dus hoe meer meters we verbeterden hoe meer we verdienden.” Ik heb nog gewerkt aan 9,5 fr per uur. Met St-Ambroos (7 december) moesten wij niet werken. En, op 8 december vierden wij “spiêneesten meestag”. Die dag gingen naar de mis te Ronse. Tot 1950 hadden wij slechts 1 dag congé. Sint-Elooi was de dag dat de boeren een stapje in de wereld zetten. De boerinnen bleven thuis.  

    “Ik werd dus geboren in 1923 te Nukerke in een huisje in Ter Poort. Mijn ouders kochten later een  thuis in Terbeke.  Moeder hield er een kruidenierswinkel en verkocht er ook bier en likeuren. ‘Zondags, na de mis, ging mijn moeder het bier bestellen in de brouwerij van Raphaël en Gabriël T’Sjoen aan “Den Engel”. De voerman leverde met een speciale wagen de tonnen bij ons af. Thuis tapte vader dan het bier over in flessen.

    De dag dat er bier op de flessen werd getrokken stond mijn moeder op om 6 uur. Ze stak de leuvense stoof aan en hitte het water. Ondertussen controleerde ze de flessen, een soort champagneflessen, op mogelijke slakken. De flessen werden dan een na een in een ton met heet water, gemengd met soda, ondergedompeld waarna vader ze waste met een molentje. Dan nog spoelen en in rekken laten uitlikken. Vader sloeg een koperen kraan in de ton en vulde de flessen. Nadien werden die met een koperen flessenstopper gestopt en belanden in per dozijn in houten bakken. De stopsels kwamen in grote zakken aan in ’t station van Etichove. Vader haalde die af met ons camionnetje. Dat camionnetje was  van ‘t bouwjaar 1927, had 4 wielen en “tremen” voor 1 paard. Met paard en wagen werden de bakken bier dan thuis bij de mensen gebracht. Dat paardje, och arme Lotte, werd in 1939 door het Belgisch Leger aangeslagen. Nadien hebben de Duitsers dan nog ons wagentje afgepakt en meegenomen. Zo goed en zo kwaad als het kon werd het bruine vocht dan maar met de houten kruiwagen gevoerd. En als het niet te ver was dan voerde ik als jong meisje enkele bakken tot bij de klanten.

    Voordien kochten we ons bier bij Thienpont, maar ge weet hoe dat gaat. Op een keer vroeg Raphaël T’Sjoen, de brouwer, of we van hem geen bier wilden afnemen. Ja zo gaat dat! Na den oorlog heeft Albert T’Sjoen nog enkele jaren gebrouwd. Hij bottelde toen het bier in “fidoelkes” zo met een “mekaniekske”.

      

    ONS BESTAAN ROND DE SPOORWEG

    Ongevallen aan de spoorweg

    “Laurent Vander Eecken verongelukte in 1926 met zijn span paarden aan de onbewaakte overweg, aan de smisse, langs de Mellinckstraat. Hij was op terugweg van de molen. Door het geluid van de ratelende karrenwielen over de kasseistenen hoorde de man de aanstormenden trein niet naderen. Zijn jongste zoontje was amper anderhalf jaar. De mensen kenden toen niet of onderschatten een beetje de gevaren die zich konden voordoen rond de spoorwegovergangen. Twee paarden, de kar en het slachtoffer werden in de diepte naast de spoorweg geslingerd.” 

    Edmond Van Moorleghem had bij ons thuis in Terbeke enkele tonnen bier geleverd. Hij werkte als brouwersgast en voerman voor de brouwerij T’Sjoen aan “Den Engel” in Nukerke. Het was rond 9 uur in de voormiddag. Bij zijn vertrek had hij de trein uit Etikhove niet horen aankomen. Span en wagen werden gegrepen. De voerman bleef op slag dood.”

    “Monske had zopas 5 tonnen bier bij ons thuis geleverd. Dat was bier van de Brouwerij T’Sjoen dat in handen was van de broers Gabriël en Raphaël. Hun vader is nog burgemeester geweest in Nukerke. En ja, de tonnen waren afgeladen en Monske vertrok  om zijn wagen iets verderop te keren. Ondertussen waren er 2 klanten in ons winkeltje. Tot ze plots een oorverdovend gedonder en schurend lawaai hoorden. Van schrik sloegen de 2 vrouwtjes op de vlucht en mijn moeder, die in verwachting was van onzen René, ging buiten zien en stond onwezenlijk voor zich uit te staren. Monske zijn gespan was gegrepen door een michelientje met twee wagons, dat kwam uit de richting van Oudenaarde. De wagen verhakkeld in honderd stukken ! De twee brabanders bloedend tegen de beemd en een stervend Monske ergens daar tussen. En zeggen dat André Ceuterick 5 minuten voordien was vertrokken. André kwam mee met de levering maar deed de weg van de brouwerij met de fiets. Ja, dat wachthuisje stond daar ongelukkiglijk veel te dicht bij de sporen en men had geen goed overzicht op de spooroverweg. Waarschijnlijk wegens besparingen was het wachthuisje niet bewoond en de overweg niet bewaakt. Dat was me een dag!” Een paar jaren later werd de overweg bewaakt en werden er slagbomen aangebracht. Die werd bediend door Anna Vancoppenolle, de vrouw van Joseph Roman. Zij woonden toen in het wachthuisje. Anna bediende de bareel en Joseph was onderhoudsman aan de spoorlijn samen met zijn chef pioche. Anna werkte tot 6 uur ’s avonds en dan werd ze afgelost. Iedere dag om 10 uur ’s avonds ging de bareel neer en werd op slot gedaan. Om 6 uur ’s morgens werd de overweg weer opengesteld. Dat was voor de veiligheid want ’s nachts reden de goederentreinen. Voor fietsers en voetgangers was er wel een passage. Toen was er ook een houten barakje waar een telefoon stond. Vanuit het station verderop belde de stationschef dat er een trein onderweg was.

    Er werd ook gespeeld rond de spoorweg en wel aan “het mijntje”, beneden den boomgaard van Philip Hubeau.. Dat was en is nog steeds een doorgang onder de spoorweg. Het is als een bakstenen poortgewelf  waardoor een pad loopt naast de Holbeek, die iets hogerop ontspringt.

     

    In ’T VOLK  VAN RONSE van zaterdag 22 oogst 1936 lezen we het volgende verslag.

    “Etichove  Weer een verschrikkelijk ongaval aan den onbewaakten overweg.- De onbewaakte overwegen hebben eens te meer een einde gesteld aan een jong leven. Maandag namiddag deed de jonge h. Joseph Hoerée, uit Oudenaarde, zoon van den heer deurwaarder Hoerée, en waarnemend ontvanger te Antwerpen, een tochtje met zijn motorfiets van Oudenaarde in de richting van Nukerke, langs Etikhove. Ter hoogte van de spoorweg werd het slachtoffer op het ogenblik dat het over de sporen wilde rijden, verrast door trein 2871, komende uit Ronse naar Gent, met het verschrikkelijk gevolg, dat hij door de locomotief gevat en een 80 meter verder meegesleept werd. De motorfiets zelf moest een honderdtal meter verder van onder de locomotief gehaald worden. Spoedig daagde hulp op doch een in allerhaast ontboden geneesheer kon slechts den dood vaststellen. Het slachtoffer was 24 jaar oud en totaal den schedel verbrijzeld. Het lijk werd naar Oudenaarde overgebracht. De ongelukkige bracht juist enkele verlofdagen thuis door. De rijkswacht deed het gebruikelijk onderzoek en verwittigde daarna het parket van Oudenaarde. Dit stapte ter plaatse af om zich rekenschap te geven van het feit, dat de zichtbaarheid op de spoorbaan aldaar helemaal onvoldoende is. Omstreeks een jaar geleden deed zich op dezelfde plaats een soortgelijk ongeval voor. Men kan zich de droefheid der ouders voorstellen, wanneer ze den vrezelijken dood van hun zoon vernamen. Wanneer toch zal de Nationale Maatschappij een einde stellen aan deze doodslagen, door een afdoende oplossing te geven aan de kwestie van der overwegen?”

    De mensen kenden toen onvoldoende de gevaren die spoorwegovergangen met zich meebrachten.”

    ’T Volk van Ronse werd verdeeld door propagandisten die een stuivertje wilden bijverdienen. In 1936 kostte het krantje van 4 blz. 0,35 fr. Dat waren mensen zoals Remi-Emiel Vandenabeele die elke zondag na de vroegmis de gazet verkocht in ’t portaal van de kerk. Een ander man verkocht er “De Scheldeklokken”.(regio Oudenaarde)

     

    Mijn schooltijd

    De gemeenteschool langs de Pontstraat liep toen al leeg, maar daar ben ik nooit naar school geweest.

    “Van kleins af liep ik school in de dorpsschool van de aangeno