Nukerke
Nukerke aan de voet van een getuigenheuvel
Startpagina !
Inhoud blog
  • Enkele mooie beelden
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Schilderspalet
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • DE 20ste EEUW
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 4.De snibbemolen
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
  • Over de negenkoten en andere anekdoten.
  • Het leven langs de Pontstraat
  • Pittige verhalen
  • Een bijna eeuwelinge vertelt haar leven
  • Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
  • Een levensverhaal vol anekdotes
  • Mensen schrijven geschiedenis
  • Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen
  • Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
  • Oorlogsverhalen
  • Toen er nog champetters waren
  • Burgemeester André Hubeau
  • Nukerke had een 100-jarige
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    metgezel
    blog.seniorennet.be/metgeze
    Inhoud blog
  • Enkele mooie beelden
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Schilderspalet
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • DE 20ste EEUW
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 4.De snibbemolen
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
  • Over de negenkoten en andere anekdoten.
  • Het leven langs de Pontstraat
  • Pittige verhalen
  • Een bijna eeuwelinge vertelt haar leven
  • Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
  • Een levensverhaal vol anekdotes
  • Mensen schrijven geschiedenis
  • Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen
  • Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
  • Oorlogsverhalen
  • Toen er nog champetters waren
  • Burgemeester André Hubeau
  • Nukerke had een 100-jarige
    Zoeken in blog

    16-12-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voorwoord

    VOORWOORD

    Deze blog, steeds in uitbreidingsfase, is een verzameling van een 50-tal potloodtekeningen met bijhorende teksten. Een dertigtal gebouwen werden uitverkozen, het zijn echter geen waardevolle historische gebouwen want dat bezat Nukerke niet. Dus beperkten we ons tot de kerk, beelden van de vroegere dorpskom, windmolens, een huisje, een statige boerderij…. Alle gebouwen die in min of meerdere mate dicht bij de landbouwgemeenschap stonden. Daar het kerkdorp Louise-Marie dicht bij Nukerke aanleunde werd ook dit gehucht in de kijker gezet. Zo stappen we soms even over de gemeentegrens om een kijkje te nemen in de buurtgemeente.

    Bij elke tekening hoort wat tekst en uitleg. Zo krijg je een beeld van het vroegere Nukerke, een beeld dat erg heeft geleden onder de slopershamer.

    Verder volgen: “ Het begin van de volksontwikkeling en het onderwijs” en het deel “Verzamelde opstellen” met belevenissen die Nukerkse oud-strijders hebben meegemaakt gedurende W.O.-II, met o.a. een volledig dagboek. Ten slotte is er de rubriek “Mensen schrijven geschiedenis” waarin dorpelingen hun verhaal doen.

    We konden niet nalaten u een paar frivole liedjes te laten lezen. Deze liedjes werden vroeger gretig gezongen op buurt- en familiefeesten door Aloïs Willems. Het zijn liedjes van toen die weinig inwoners nog zullen kennen. Laat staan dat ze die ooit hebben horen zingen.

    Deze blog is niet af en wordt steeds bijgewerkt.

    Bezoek ook de blog op maarkedalinbeeld


    Beluister het lied 'Mijn Germaine' door te klikken;
    Beluister het lied 'De pensjager'.

    Beluister het lied 'Meisjefijn'

    Beluister het lied 'Meisjes'

    hedwig.vandenabeele@hotmail.com


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (17 Stemmen)
    16-12-2005, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    16-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

















    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (12 Stemmen)
    16-12-2008, 15:50 geschreven door Hedwig
    Reacties (2)
    30-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Enkele mooie beelden
    Enkele mooie beelden














    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (11 Stemmen)
    30-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    NUKERKE, AAN DE VOET VAN DE GETUIGENHEUVELS



    Geologische ontwikkeling van onze streek




        Het Primair (de archaïsche periode)

    Aangenomen wordt dat de aarde 14 miljard jaar geleden is ontstaan. Sommige wetenschappers gaan zelfs terug tot 13 miljard jaar toen zich een grote klomp materie vormde. Dan was er de grote oerknal ? De aardbol koelde gedurende miljoenen jaren af  tot ze ver dat wetenschappers spreken van een sneeuwbalaarde, een superijstijd die heerste tot zo’n 600 miljoen jaar geleden met temperaturen van -50° tot +50°. Gedurende de afkoelingsperiode vanaf 4 miljard jaar geleden gutste het water uit de loodzware donkere wolken in bakken neer. Het bliksemde en donderde.

    De aarde is in wording met erupties en talrijke en hevige bodemverheffingen. Micro-organismen ontstaan. Dicht bij ons, namelijk in Lessen en Quenast, wijst de aanwezigheid van pofyrieten erop dat er vulkanische activiteit was.

    Bij opeenvolgende verzakkingen van de bodem werd het droge land onder water gezet. De soms weelderige plantengroei verdwijnt onder lagen zand- en kleibezinksels. Het zand verhardt tot zandsteen en een verrottingsproces zet de organische overblijfselen om in steenkool. De aardmassa’s die 200 miljoen jaren geleden het zogenaamde Gondwana en Laurasia vormden drijven uit elkaar.

    H
    et Secundair
    Dit tijdvak loopt van 225 miljoen jaar tot 65 miljoen jaar. Het grote vasteland valt verder uiteen en de continenten ontstaan. De bodem rees op en boomvarens en reusachtige oerplanten bedekten de bodem. Bij volgende overspoelingen werd de begroeiing meermaals overspoeld. Zo ongeveer 10 miljoen jaar geleden moeten de Vlaamse Ardennen voor het eerst droog zijn gekomen. Het is in de laatste periode van het Bovenkrijt dat land- en zeedieren ontstonden. Het is ook de tijd van de Iguanadons waarvan meer dan 20 skeletten werden gevonden in Henegouwse Bernissart.

    Meermaals deed er zich een oppersing  van de bodem. De zee trok zich terug en de erosie spoelde de eerder afgezette sedimenten weg. Tijdens het Krijt kwam ons land terug onder water te liggen om bij de volgende bodemwelving terug te trekken en sedimenten weg te spoelen.

    Het Tertiair
    I
    n 1974 werd in de Awashvallei in Ethiopië de skelet Luci gevonden. Luci behoorde tot de Australopithecus Afarencis, een mens die 3,4 miljoen jaar geleden werktuigen gebruikte om vlees van de beenderen te krabben.

    Het Tertiair is het tijdvak van 65 miljoen tot 2 miljoen jaar geleden. Toen reikte bij ons de oerzee tot in onze streken en ver daarbuiten tot aan de huidige Ardennen. Zand, mergel en klei werden afgezet. Bij een bodemverheffing bleef sediment achter dat later door de werking van de erosie werd weggespoeld. In het noorden van ons land deden zich meermaals een aantal schommelingen voor van de bodem wat grote overstromingen met zich meebracht. Deze zette bij elke overstroming op de vloedlijn zand en klei af.

    Deze kleilaag bevindt zich soms op een geringe diepte. Goed om weten is het feit dat de zeebodem afhelde van zuid naar noord wat een belangrijke rol speelde bij de vorming van de heuvelrug. Het oorspronkelijk gevormd plateau werd gevormd door 6 tot 8 tertiaire lagen, elk afgezet tijdens een overspoeling van de zee. Elk van die lagen bestaat uit welbepaalde types van klei en zand. Bij de laatste overstroming werd de geelrode, soms bruine, zavel (dietiaan zand) afgezet. Dit zand vormde de bovenste laag van het plateau. Dit zand is nu enkel te vinden op de heuveltoppen hoger dan 130m boven de zeespiegel. In oorsprong was dit zand groen doordat het oorspronkelijke ijzersilikaat door verwatering en oxidatie omgezet werd in ijzerhydroxine. Deze geelbruine ijzerhoudende zandsteen wordt limoniet genoemd. Onze ouders noemden hem bossteen of ijzersteen. Je las reeds dat onze voorhistorische bewoners gepoogd hebben er ijzer uit te halen. Later, in de middeleeuwen, werd de steen gebruikt bij enkele voor-romaanse gebouwen.(Ronse (St-Hermeskerk), Opbrakel (kerk), Maarke-Kerkem (kapel).

    Het Quartair

    Dit tijdvak vangt aan met het Pleistoceen (1,9 miljoen ) en eindigt zo’n 10 000 jaar vóór onze tijdrekening.

    Ondertussen heeft zich de hominidae (groep uit de orde van de primaten waartoe de mens behoort) ontwikkeld. Dat moet zo’n één à anderhalf miljoen jaar geleden in Afrika geweest zijn. Slechts 200 à 300 noordafrikaanse mensen zouden de wereld gekoloniseerd hebben. De Neanderthaler bevolkte pas 200 000 jaar geleden grote delen van Europa maar verdween 30 000 jaar geleden van het toneel. Men vermoedt dat een stam ook onze streken heeft bezocht. Trouwen het eerste fossiel van deze stam werd in 1880 in België gevonden. Menselijke resten werden niet gevonden wel Moustérien-stenen. Dit is een typische vorm van gebruikte stenen werktuigen. 60 000 jaar geleden  doet de homosapiens  zijn intrede. Het is een mensentype dat heel veel gelijkenis vertoont met van de mens van nu. Deze periode werd gekenmerkt door de grillen van de natuur. Er doen zich grote schommelingen voor in het klimaat. Het IJstijdvak (IJstijd) vangt aan. Herhaaldelijk groeien grote landijskappen aan en smelten nadien weer af. Dat veroorzaakte veel schommelingen van het zeeniveau, soms tot 100 meter niveauverschil.

    Het vastvriezen en weer ontdooien van het zeewater doet grote niveauverschillen van de zeespiegel ontstaan. De rivieren graven zich dieper in hun bedding. De Rhosnes, de Maarkebeek, de Meulebeek, de Zwalm…doen in onze streek vlijtig hun best. De erosie gaat zijn gang en bezinksel wordt afgezet. Tot en met rollend materiaal zoals keien kan je niet enkel vinden in de valleien maar tevens op de hoger gelegen .’t Is in deze periode dat de mensen in contact kwamen met de mammoet. Het bewijs is gevonden in Rumbeke toen bij graafwerken in september 2007 beenderen van de wolharige mammoet werden gevonden in een kleilaag.

    Onze streek heeft een zestal ijstijden gekend. De laatste ijstijd was zo rond en bij de 20 000 jaar geleden. En ten slotte, tegen het einde van de ijsperioden, wanneer de gletsjers zich reeds naar het noorden hadden teruggetrokken, staken hevige noordenwinden op die zand en kleideeltjes meevoerden, afkomstig van de glaciale sedimenten van de nog droog liggende Noordzee. Ondertussen had zich een heuvelrug (zie getuigenheuvels) gevormd, zeg maar een lange duin aan de rand van de oerzee. Deze werd bedekt met een dunne laag leem. Het is juist die dunne leemlaag, of soms het totaal ontbreken van de leem op de hoogste heuvels, die er de oorzaak van is dat de toppen bebost zijn. Aan de voet van de getuigenheuvels en verder noordwaarts kan de leemlaag een dikte bereiken van 3 à 4m. Er ontbreekt nog de teellaag bovenop, maar die wordt heel langzaam in de loop der eeuwen gevormd.

    Tijdens het holoceen (10 000 jaar vóór Christus), de laatste periode van het Quartair, is er een algemene verwarming; de ondergrond ontdooit en de toendra maakt plaats voor bossen, o.a het Kolenwoud.

    In ons landschap, dat volledig was gemoduleerd, verscheen de voorhistorisch mens als jager, eerst nog op de heuvelruggen want er wordt aangenomen dat de valleien slechts 950 jaar na Christus bewoonbaar waren.

    Over beschavingsresten. In Tieghem,  Caster, Elseghem, Leupegem, Edelare en Bevere werden door navorschingen aan de oppervlakte lemmers, krabbers, pijlpunten of stenen bijlen in vuursteen verzameld. Twee prachtige gepolijste bijlen te Etichove gevonden berusten in het stadsmuseum (Oudenaarde). Te Elseghem kwamen op anderhalve meter diepte verschillende bewerkte vuurstenen aan het licht en in datzelfde jaar, nl.1911, werden in  Melden twee gepolijste bijlen en de turflaag aan 5,26m gevonden. Veel werd er geschreven over de dolmen of grafmonument uit de voortijd, volgens Houzé den menhir (rechtstaande reuzensteen uit de oertijd), die zich vroeger noord-oost den wijk Kerkhem te Marcke verhief.” De geschiedkundige heeft het verder over paaldorpen in de scheldevallei, ontdekt door Kapitein Delvaux in 1883 en de vondst van “drie gepolijste bijlen, waaronder een in chloromelaniet, en een ander nog met een handvat in herthoorn voorzien, gehavende stukken van neolithieke potten, houtskool en korengranen en wijngaardranken, doorkloven beenderen van geiten, honden, herten, paarden, ossen en bevers en vooral twee merkwaardige menschendijbeenen. Deze eerste ontdekking staat in verband met een paaldorp, dat zich verhief ten zuiden der nederzetting door Kapitein Delvaux ontdekt te Peteghem, waar de middeleeuwsche abdij van Beaulieu, het paleis van Karel de Groote en Karel de Kale en het kasteel der Heeren en Graven van Vlaanderen zich verhieven…”

    De getuigenheuvels zijn gevormd
    IJzerzandsteen: In de bruine zandlaag klitte het zand soms samen. Zo ontstonden door de oxidatie van ijzersilikaat de typische bruine, ijzerhoudende zandsteen, in de volkmond bossteen of ijzersteen genoemd. In de voorhistorie zouden bewoners zelfs geprobeerd hebben uit die ijzerzandsteen  ijzer te winnen. (Het smeden zou het oudste beroep zijn). Tijdens de middeleeuwen werd die steen in de streek gebruikt als bouwsteen voor alle voor-romaanse en romaanse gebouwen te Ronse en omgeving, o.a. de St-Hermeskerk te Ronse en de St-Vincentiuskapel in Maarke-Kerkem.
    Omer De Jonghe baatte op zijn veld naast zijn woning in de Molenstraat te Nukerke, in de volksmond "op de kruissens", tot eind de jaren 60 een zavelgroeve uit. (toen bloeide de brem er nog welig). Daar konden onze ouders gratis een hoeveelheid ijzerzandsteen krijgen. Deze rotsachtige stenen sierden menig bloemenhofje of grot met beeltenis van O.-L.-Vrouw.Bij het definitief terugtrekken van het water voerden felle noordenwinden fijn zand aan wat het ontstaan gaf aan laag plateau.  De volgende miljoenen jaren zou de erosie zijn werk doen. Zachte delen werden weggespoeld. Bronnen deden grachten en beekjes ontstaan die verder zorgden voor de afbraak. De hardere lagen staken de kop op en vormden de heuvelrug die loopt over een oost-westlijn die reikt van de Kasselberg, het Heuvelland, over de rug van de Vlaamse Ardennen met de Kluisberg (141m), de Hotond (150m), de Muziekberg (148m), over de Pottelberg(157m) en de Oude Berg te Geraardsbergen tot de heuvels van het Hageland. De heuvelrug vormde reeds van eertijds de grens  tussen Vlaanderen en Henegouwen. Daar de ondergrond zavel en ijzerzandsteen bevat hebben de heuveltoppen goed weerstand kunnen bieden aan de erosie tijdens de laatste ijstijd, wat niet uitsluit dat er diepe dalen werden gevormd en het ontstaan gaf aan de vele uitlopers (Eikenberg., Edelareberg, Bossenaer, Varent, Hoogberg…). In onze gemeente deden de Maarkebeek en de Molenbeek aardig hun best bij het afgraafwerk.
    De getuigenheuvels en hun uitlopers zijn een echt bronnengebied. Tientallen bronnen ontspringen er op de noordflanken. Het insijpelend water dringt door de bodem tot op de ondoordringbare kleilaag. Daar wordt een ondergronds waternet gevormd. Langzaam zoekt het water dan een uitweg om ten slotte te ontspringen op de hellingen. Eeuwenlang werd dat water door de mens als drinkwater gebruikt en meermaals vormde zich rond de bron een fonteintje. Veel inwoners gebruikten in onze kinderjaren het water uit de bron als drinkwater. Soms werd de bron uitgegraven en sprak men van een fonteintje. De landbouwer die een fonteintje in de buurt had koelde er 's zomers de kannen melk in.Op de noordelijke hellingen waar de leemlaag eerder dun is doen zich bij langdurige regen verschuivingen voor omdat het insijpelend water boven de ondoordringbare kleilaag blijft staan. Deze kleilaag vormt een glijbaan waarover de bovenste laag wegschuift. Een veel voorkomend fenomeen in de Vlaamse Ardennen. Meermaals deden zich op de Spichtenberg te Nukerke dergelijke verschuivingen voor zelfs onlangs nog in oktober 2007.


    De prehistorie

    Het Paleolithicum of vroeg steentijdperk (ca 8 à 10 000 jaar vóór Christus)

    Werk voor archeologen en paleo-antropologen

    De ijstijd eindigt met het definitief terugtrekken van het ijs.

    Groepen jagers doorkruisten onze valleien en heuvels, een koud toendra gebied waar oerrund, mammoet en rendier leefden. In de streek werden echter geen stoffelijke resten van deze mensensoort gevonden. Maar deze Neanderthaler verdween uit het Europese landschap en werd afgelost door de “homo sapiens”, een mensenras afkomstig uit Noord-Afrika. Volgens ingewijden verscheen dit type voor het eerst in Palestina op nog een tamelijk plotse wijze. Wij noemen dit type de Cro-Magnon mens. Deze leefde tijdens de koude perioden in grotten, zoals Altamira (Spanje), Lascaux (Frankrijk), iets noorderlijker leefde l’homme de Tautavel en later in het huidige België in Goyet, Floreffe en Fufooz. In onze streek werd van deze mens echter niet het minste spoor gevonden. Begrijpelijk ook ! Waar kon hij hier een veilige en warme schutplaats vinden ?

       Mesolithicum of middensteentijd

    De mens leefde voordien nog volledig van de natuur maar met dit verschil dat hij vanaf nu verblijft in nederzettingen en veeteelt en landbouw beheerst. In oorsprong hielden die stammen geiten en schapen. En het is op de toppen van de heuvels, die thans voor een groot deel met bossen overdekt zijn, dat we de resten terugvinden van de activiteit van de eerste streekbewoners die hier een vast verblijf hadden. De resten dateren waarschijnlijk uit een tijd, die men Mesolthicum heeft genoemd en die verloopt tussen het terugtrekken van het ijs en het bereiken van de Neolithische revolutie die in het Nabije Oosten rond dezelfde tijd was ontstaan, iets vóór 4000 jaar vóór Christus. De mens had toen een vaste verblijfplaats, kende boog en pijl, gebruikte mikrolieten (uiterst kleine silexmesjes), gebruikte de bijl en temde de hond. Het heeft er alle schijn van dat grote volksverhuizingen, als gevolg van het einde van de ijstijd, voor het eerst een tamelijk dichte groep mensen naar de Vlaamse Ardennen heeft gebracht. Sporen van hun bedrijvigheid werden vooral terug gevonden op Kalmont (te Kwaremont richting Kluisberg) waar dikke lagen afval van silexbewerking werden gevonden. Maar ook in Leupegem en Edelare werden lemmers, krabbers, pijlpunten, stenen bijlen in vuursteen verzameld. In Etikhove werden 2 prachtige gepolijste bijlen gevonden en in 1912 werden in Melden 2 gepolijste bijlen opgegraven in een turflaag, op een diepte van 5,26m.


    Het Neolithicum of nieuw steentijdperk

           Beschavingsresten

    Veruit de meeste stenen voorwerpen uit deze periode, die in onze streek werden gevonden, behoren volgende voorwerpen: krabbers, messen, zaagjes, hamers, spitsen en vooral pijl- en speerpunten.

    Dat kan alleen maar betekenen dat onze streekgenoten zich vanaf toen bezig hielden met het verhandelen en bewerken van ruwe silexklompen, die vanuit de krijtgroeven in de omgeving van Bergen (Spiennes, Baudour ,…) naar ons toe werden gebracht. Enkele van die onbewerkte klompen heeft men bij opgravingen onder de St-Hermeskerk terug gevonden. Van de landbouwbedrijvigheid, die rond die tijd in onze streek werd ingevoerd, werden geen sporen teruggevonden.

    Alhoewel.Deze site was een ideale plaats voor de eerste bewoners die een droge plek zochten hoog op de heuvel met een ondergrond die ijzersteen bevat.

    Tijdens het Laat-Neolithicum werd deze site gelinkt aan de Klokbekercultuur en werden er sporen van een nederzetting gevonden. De ligging van deze nederzetting was een ideale plaats voor de eerste bewoners die een droge plek zochten hoog op de heuvel met een ondergrond rijk aan ijzersteen. 
     Uit de later metaaltijd is er echter  voorlopig weinig of niets gekend. De Klomp is nog steeds een klein gehucht  op een oostelijke uitloper van de Hotondberg, een mooie getuigenheuvel Je bereikt de Klomp via de Zeelstraat of de Rijksweg.(enkele gegevens uit “Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen”.)
    .

    Steen-bronstijdperk

     

    Het bewerken van steen zal tot 2000 jaar vóór Christus op de Kluisberg blijven bestaan. Het metaal verdrong uiterst langzaam het steen. In navolging van de gladde bronzen bijlen polijstte men stenen bijlen. Daar werden er verschillende exemplaren van gevonden. Deze gepolijste bijlen zijn ontstaan als nabootsing van gans gelijke gladde bronzen bijlen welke toen uit Oost-Europa werden ingevoerd.

    De cultuur die bij ons deze steen-bronstijd vertegenwoordigt heet men “Campignien”. Deze wordt getypeerd door een uiterst langzaam doordringen van het metaal met als gevolg een lang vasthouden aan stenen werktuigen.

    Onze streek, gelegen in de meest westelijke hoek van Europa, is lang buiten de nieuwe beschavingsinvloeden gebleven. Nochtans zou rond deze tijd Ronse deel uitmaakte van de allereerste industriële gemeenschappen van Europa.

    Wat onze streek niet kende is de megalietcultuur (het oprichten van monumenten zoals menhirs en dolmens). Nederland kende wel  tot 1000 jaar vóór Christus de “hunnebedden”. De megaliet op het nieuwe kerkhof van Ronse, langs de Ommegangstraat, is gewoon een nagebootste dolmen. Die is daar geplaatst onder impuls van de “archeoloog” Edouard  Joly, notaris te Ronse rond 1860. De plaatselijke bevolking wist te vertellen dat een groot span paarden werd ingezet om de grote stenen, die op de Muziekberg, waren opgedolven , naar Hogerlucht te slepen om daar op elkaar te worden gezet.

    Bronstijdperk

     

    In onze streek begint het echte bronstijdperk ca 1800 jaar vóór Christus.

    Rond 1500 jaar vóór Christus duiken in onze streken groepen mensen op uit Engeland. Deze hadden de gewoonte hun doden te verbanden en de as onder omgekeerde urnen in grafheuvels bij te zetten. In 1836 werd door Joly enkele graven van dit volk teruggevonden en in de periode tussen 1949-1951 vond men op de Kluisberg een dergelijk graf weliswaar met een kapotte urne, werk van plaatselijke schattenjagers. Op de heuvels zijn nog enkele onuitgegraven tumuli van die tijd bewaard. Vele gegevens schijnen erop te wijzen dat de nieuwe aangekomen bevolking contact heeft gehad met de oudere laatneolithische bevolking van de campgnien-beschaving.

    Uit het latere bronstijdperk vond men in het Oudenaardse bronzen zwaarden uit het Rijnland, speerpunten uit Engeland, armbanden uit Zwitserland. Bewijs dat de rijkdom in onze streek toenam. Op het kasteel Behaegel de Bueren in Kwaremont bewaart men gerestaureerde stukken van de Hilversumurne. Die urne werd er in 1949 op een ongelukkige wijze opgegraven. Naast de vroegere dokterswoning op Heynsdale (de Kraaie) is er nog een ongerepte grafheuvel te zien die waarschijnlijk stamt uit de Campignienperiode of uit de Hilsersumtijd dateert.

    Van 1100 tot 800 vóór Christus wordt Europa dooreen geschud door grote invasies. Onze streek bleef niet gespaard van grote invasies van Kelten die zich hier vestigden. Van deze beschaving werden in onze streek echter geen vondsten gedaan.

    Over Kelten, Galliërs en Oud-Belgen

    Tijdens de 7de eeuw vóór Christus kende onze streek niet de grote toeloop van vreemde volkeren; de Kelten, een vreemd volk dat het paard gebruikte als rijpaard en het zwaard invoerde. Deze volkeren vermengden zich met de tot heden karige bevolking die bestond uit late nakomelingen van de neolitische-Campignien cultuur. Hun grote grafheuvels waaronder hun doden liggen begraven, werden onmiddellijk over de brandstapel opgeworpen. De beenderen werden in een urne bijeengegaard en bovenop de resten van de brandstapel neergezet. In de 3de eeuw vóór Christus was geheel Gallia (Gallië) door de Kelten bewoond. De naam Galliërs is de algemene benaming voor de Kelten op het vasteland, een gebied vanaf de Pyreneeën tot aan de Rijn.

    De gewapende inval, die uit de Midden-Rijn vertrok en nogal krijgshaftig moet zijn geweest, bleef steken in Midden België. Het vreedzaam boerenleven in onze streek gaat voort terwijl in het oosten de krijgshaftige indringers de ijzerindustrie ontwikkelen. Nochtans heeft het er alle schijn van dat ook te Kwaremont en omgeving hopen slakke werden teruggevonden, die er zouden op wijzen dat men in die periode geprobeerd heeft uit de lagen Diesterse ijzerzandsteen ijzer te winnen. Hier sluiten we de Hallstadtperiode af, het was de tijd dat het ijzer enkel tot wapens werd gesmeed. Veel plaatsnamen in onze regio wijzen op de Keltische tijd, denken wij maar aan Rotnacum (Ronse) Heldenaard, Sceldard en Scaldenarde voor Oudenaarde. Zó ver kunnen wij echter voor Nukerke niet gaan. Wellicht was er toen geen plaats voor een dorpje. De heuvels waren dicht bebost en de valleien waren nog onbebouwbaar wegens te drassig. We moeten nog even wachten vooraleer de geschiedenis van Nukerke begint.

    We verlaten langzaam de voorhistorie … . De La Tene-periode treedt aan. Voortaan zal de mens het ijzer gebruiken voor het vervaardigen van werktuigen.

    Rond 125 à 100 jaar vóór Christus vallen groepen Belgen van over de Rijn onze streek binnen. De enige stam in ons land die er prat op kon gaan samen met de Belgen van over de Rijn te zijn gekomen waren de Nerviërs van Henegouwen met centrum in Bavai. Ze waren echter weinig talrijk (nog geen 1000 krijgers). Ze regeerden echter over heel wat vazallenstammen. Deze zijn nakomelingen van vroegere bewoners zoals de Ceutronen, Geidumnen, Grudiërs, de Pleumoxiërs en de Levaken.

    Door de vondsten in de Vlaamse Ardennen  weten we dat beide culturen (de krijgshaftige Kelten uit de Hallstadt-periode als die van de Belgisch invallers uit de La-Tene-periode)  hier vertegenwoordigd waren.

    Van de Kelten vond men destijds in de streek tussen Ronse en Flobecq enkele graven o.a. op de Pottelberg. Graven die slecht werden onderzocht.

    Uit de La Tenetijd  deed men een buitengewone vondst in Frasnes. In 1861 vond men er een ware goudschat bestaande uit niet minder dan 50 Keltische munten in een legering van goud en zilver en twee gouden halsbanden, dit alles begraven in een aarden pot, waarschijnlijk verborgen toen de Romeinse legers onze streek veroverden. De halsringen dateren van de 2de eeuw vóór Christus. De munten werden waarschijnlijk geslagen tussen 75 en 5O vóór Christus. De goudschat werd al snel verpatst want die verdween… tot in de jaren 6O de schat weer opdook in een verzameling van Alastair B. Martin in New-York. Sindsdien is de verzameling in depot afgestaan aan het Metropolitan Museum in New-York. In het museum te Ronse blijven enkel de oude tekeningen en foto’s te zien.

     

     

    Vondsten in onze streek

    Uit de oertijd  en andere van Keltisch oorsprong.

    Blijkbaar was het het gebied waar eens Nukerke zou ontstaan geen aantrekkelijke plaats voor de oermens, op de zuidelijke heuvelrug  na. In verslagen over opgravingen en vondsten komt de omgeving wél rijkelijk aan bod.

    Op de heuvels van Edelare vond men allerlei vuurstenen (silex) voorwerpen die eerder van defensieve aard waren. Hier zouden krijglieden hebben gewoond die de mensen, wonende in de scheldemeersen moesten beschermen.

    Vondsten: stukken van gepolijste bijl en een bruin neolithisch bijltje

    Te Oudenaarde of er omheen : twee dijbenen opgegraven in het vroeger paaldorp.

    Twee taferelen op baksteen met de voorstelling van een Keltische koning en koningin…, Keltische potscherven, ijzeren wapens, een amulet werd in 1939 gevonden te Elsegem, scherven van stevige kruiken, sterke urnen, grote kommen…soms van de zelfde kwaliteit keramiek als men vond in Folkestone(GB).

    Keltische overblijfselen zijn te vinden in namen als Berchem en in Ediche (eik) en in Edichove In Etikhove werden trouwens veel gepolijste bijlen in vuursteen gevonden. In de volksmond noemde men ze donderstenen ; ze zouden de uiteinden van een bliksem zijn. De akkers waar veel van die bijlen werden gevonden kregen de naam Donderlanden.

    De Romeinse tijd

     

    Onze streek treedt de “Geschiedenis” binnen

     

    Hier eindigt de prehistorie en treden we de geschiedenis in met de komst van de Romeinen. Hun schrijvers hebben  immers aardrijkskundige en volkskundige gegevens uit onze streek neergepend.

    Vast staat dat onze streek door de verovering van Caesar in 58 vóór Christus een nieuw tijdperk inluidde. Onze verre voorouders kwamen in contact met een hoog ontwikkelde beschaving. Met een bestuursvorm en met een levendige economie. Caesar trof hier een ruw en primitief volkje aan dat woonde in hutten en leefde van de roofbouw. Stenen woningen was hen onbekend. Onze streekbewoners, de Nerviërs, werden waarschijnlijk in 57 jaar vóór Christus verslagen te Saulzoir bij Solesmes aan de Selle, een oostelijke bijrivier van de Schelde. Volgens het boek van J. Caesar “De Bello Gallico” waren de Eburonen en de Nerviërs zijn zwaarste tegenstanders.

    Het gebied van de Belgica werd door Ceasar ingedeeld in Belgica Prima en Belgica Secunda. Onze Civitas der Nerviërs met Bavacum als hoofdstad lag in civiele provincie Belgica Secunda.  Op gebied van wegenaanleg zijn we hier in de heuvelstreek  goed voorzien. Vanuit Bavai vertrokken 8 hoofdwegen. In noordelijk richting liep er een weg naar Blicqui waar die zich in twee opsplitste. Een liep over Wattripont , over de Doornikse steenweg  langs de vroegere Steenstraete en Hoogewieg (weg), Oude Kwaremont naar Kerkhove aan de Schelde. De oostelijke Romeinse weg liep over Flobecq naar Opbrakel en Nederbrakel tot in Velzeke, toen een heel belangrijke Romeinse nederzetting. Een afsplitsing van die wegliep over de Quatre Vents naar het Wolfgat en Etikhove richting Schelde te Oudenaarde. Mogelijks liep er een weg vanaf de Kattemolen naar de “Boetzity”. Ook de weg die loopt over de heuvelkammen kan wijzen op de Romeinse wegenbouw. Op terrein zal je bemerken dat die wegen op de hoogten liggen en niet in de valleien die toen nog drassig waren. Bemerking: de benaming heirbaan of “den ouden heirweg” verwijst in onze streek niet het minste naar de echte militaire wegen. In onze streek hebben de Romeinse de bestaande kronkelende wegen verhard, verbreed en rechtgetrokken. Onze streken waren voor de Romeinse bezetter een belangrijk landbouwgebied waar graangewassen werden geteeld bestemd voor de export o.a. naar de grensgebieden waar grote legereenheden het land verdedigden.

    Langs de wegen stonden er op gestelde afstanden mijlpalen, hetzij om de Romeinse mijl (millia passuum= 1000 dubbele passen of ca 1500m) aan te duiden, hetzij om de Keltische leuca (Frans lieue=2222m) weer te geven. Sommige palen droegen geen opschrift. Langs die wegen moest je maar zelf de mijlen bijhouden.

     

           Vondsten uit de Romeinse tijd

           Twee Romeinse tegels waarop een geboeide Galliër en een vrouw voor Caesar werden gebracht.

           Romeins kamp op de Koppenberg. Gouden en zilveren muntstukken met beeltenis van de keizer. In 1917 werden er bij het graven van loopgrachten een paar 100 Romeinse gouden, muntstukken opgegraven.

            Een Romeins kerkhof te Oudenaarde. Een Gallo-Romeinse dodenakker te Petegem…

            Een mooie verzameling Romeinse pannen.

    Mozaïeken vloeren in de kerk te Pamele.

    Vondsten in 1907: een reeks graven met mooi Romeins aardewerk op de Kallenberg te Kwaremont., een mijlpaal en veel afval te Ronse, typisch Romeinse dakpannen in Etikhove (wat mogelijks op een villa wijst – dezelfde vorm van pannen werden in Velzeke gevonden), afval op de Muziekberg en op d’Hoppe. Men schat dat er in onze omgeving een drietal Romeinse nederzettingen werden bewoond.

    Waarom is het overgrote deel van het stenen materiaal verdwenen? De middeleeuwse mens gebruikte veel materiaal  om wegen te verharden of om bouwplaatsen op te vullen (onder de St-Hermeskerk) . Veel Romeinse ruïnen verdwenen ook gewoon onder de begroeiing.

      

    Van Melden naar Nukerke, een lange geschiedenis.

     

    Alle oorspronkelijke bewoners die de West-Europese laagvlakte bewoonden stammen uit een smeltkroes van volkeren als er waren de Kelten, de Nerviërs, de Romeinen, de Franken, de Germanen. Wij houden het vanaf nu bij dat volkje, de Nerviërs, dat woonde aan de oevers van de Scaldis, aan de voet van de beboste heuvel, een uitloper van het Kolenwoud dat zich naar het oosten uitstrekte. Daar woonden de eerste mensen in een nederzetting bestaande uit hutjes gemaakt van takken en leem. Stenen woningen en steden kenden ze nog niet. Wie dichter bij het water woonde bouwde een paalwoning. De stroom wou wel eens overstromen en zette de “meersen” tijdelijk onder water. Het vredig volkje werd door Romeinse legioenen, onder leiding van Julius Ceasar in 57 vóór Christus aangevallen, om samen met hun stamhoofd Boduognat te worden verslagen in Solesmes aan de Selle. We onthouden alvast dat de eerste menselijke activiteit in onze streek dateert van kort vóór de Romeinse invasie. Julius Ceasar vermeldde in zijn boek “De Bello Gallico” de Belga-Belgae als een verbond van stammen. Deze verschilden onderling wel danig van taal en zeden. De Nerviërs waren zo wat de dappersten maar ook de meest barbaarse. Wij en onze streekgenoten zouden afstammen van die Nerviërs maar gelukkig ook een beetje van de Menapiërs. Niet voor niets ligt de taalgrens aan onze achterdeur. Blijkbaar was de invloed van de Romeinen op de noordelijke stammen van kortere duur en voerden de bewoners een hardnekkige tegenstand tegen de bezetter.

    Met de komst van de Romeinen in onze streek verlaat ons dorpje de prehistorie en treedt onze toekomstige" prochie" de geschiedenis binnen. De zopas beschreven nederzetting kreeg de naam “Meldi”, wat zoveel betekent als moeras. De beboste heuvel werd Cobbenhulle. We werden ingedeeld in de Belgica prima en de ontwikkeling van onze streek kon beginnen. En het mag ons niet verbazen als Melden uitgroeide tot een klein vicus of handelsnederzetting. Op de Cobbenhulle werd een Romeinse villa gebouwd (met zicht op de Scaldis en de vallei. Een heerweg werd aangelegd die liep van Bavai, over Doornik en Kwaremont naar de Schelde in Kerkhove. Men vermoedt dat er ten oosten van de Cobbenhulle, tussen Ronse en Oudenaarde een aftakking liep van een legerbaan. De Romeinen wisten uit de plaatselijke ijzersteen ijzer te smelten. Maar de grootste revolutie was de kennismaking met de christelijke leer waarmee de Romeinen in Rome al eerder hadden kennis gemaakt. Het staat vast dat Romeinse bekeerlingen de christelijke beschaving hebben meegebracht. Tijdens het bewind van de Romeinse keizer Constantijn (324-337) kon de nieuwe leer in alle vrijheid worden beleden en verspreid. De heirwegen speelden hier een belangrijke rol want zendelingen konden zich zonder moeite snel en veilig verplaatsen. Ook de stromen en de rivieren speelden een belangrijke rol. Immers de meeste grote nederzettingen bevonden zich langs waterwegen, aan samenvloeiingen van rivieren, aan kruispunten van de heirwegen, soms op heuveltoppen. Er wordt verondersteld dat achter de Cobbenhulle, kant Nukerke, er een secundaire weg lag (nu Rijksweg). Maar de verspreiding van het christendom werd eveneens bevorderd door de toen nog primitieve uitbouw van de administratieve indeling van onze streek.

    Vanaf de 3de eeuw vervaagde de Romeinse invloed omdat ondertussen uit het oosten Germaanse stammen naar onze streken migreerden en zich mengden met de Kelten. Toch bleef onze dun bevolkte streek wat verweesd achter. Maar, de missionering ging verder. Reeds in een kroniek van 388 staat vermeld dat de bisschop van Tours, de latere H. Martinus, in Vlaanderen het ware geloof aan de mensen had gebracht.  Martinus  zou in onze streek een belangrijk deel hebben gehad bij de bekering van de bewoners. De eerste kerk van Melden werd immers toegewijd aan de H. Martinus.

     

    De Merovingische-Frankische Tijd (350-843)

     Van bij het begin van de organisatie van de Kerk viel Melden onder het gezag van het bisdom Kamerijk. De grootschalige evangelisatie begon in de 5de eeuw. Denk aan de bekering van Clovis maar ook aan de komst van predikers, uit het Franse Aquitaine en uit Ierland. Met heel veel zekerheid weten we dat Amandus, vanuit Doornik de Scaldis  en de Scarpe afvoer, Ronse aan deed en verder langs Melden en Oudenaarde, Gent bereikte.

    De verspreiding van de nieuwe godsdienst werd bevorderd dankzij de (primitieve) uitbouw van de administratieve indeling en de wegeninfrastructuur. Men veronderstelt dat er achter de Cobbenhulle toen reeds een secundaire weg lag. Wijst die naar de weg Ronse-Oudenaarde ?

    Na de terugtrekking van de Romeinse legioenen bezetten groepjes Franken de streek tussen Schelde en Leie en langs de oevers van de Schelde. Daar beoefenden ze de akkerbouw en de veeteelt. Melden zou voortaan een belangrijke rol spelen want deze nederzetting werd vanaf de 7de eeuw een heerlijkheid onder het bestuur van de baronnen van Pamele. Men vermoedt dat deze heren nazaten waren van de eigenaar van de Romeinse villa die op wijze grootgrondbezitter zijn geworden. De eerste bekende heer van deze heerlijkheid staat vermeld in het jaar 845 als ridder A. de Pamele. In deze periode was Melden dus de hoofdplaats van “het Land tusschen Marcke ende Rosne”, waarvan het grondgebied van volgende 8 dorpen deel van uitmaakten: Melden, Marcke, Kerkem, Etikhove, Nukerke, Zulzeke, Kwaremont en Berchem. Verschillende opvolgers van de Heer A. de Pamele werden in Melden begraven. Melden was immers de hoofdplaats van de heerlijkheid.

    In 843, bij de dood van Lodewijk de Vrome, werd bij het Verdrag van Verdun het vorstendom van Karel de Grote verdeeld onder zijn 3 kleinzonen. Vlaanderen werd opgesplitst. De Schelde, van Kamerijk over Doornik, Oudenaarde, Gent) werd voortaan de grens tussen Francia Occidentalis (onder Franse kroon) en Francia Media (oostelijk van de rechteroever), bestuurd door Lotharius II. Deze grens zal verdwijnen in 1526 dankzij de Vrede van Madrid.

    Ondertussen kwamen wij onder Duitse invloed. Nukerke lag voorlopig in een gebied dat zich uitstrekte van de Schelde tot aan de Rijn en de Moezel. Melden werd voortaan een heel belangrijke grenspost tussen het Franse Rijk en het toenmalige Duitsland. (ook Ename was toendertijd een bruggenhoofd aan de Schelde) Onze Vlaamse overburen aan de Schelde woonden wel in Kroon Vlaanderen maar de graaf moest de Franse meester erkennen. De kans om een grote stad te worden hebben beiden ontlopen. Men vermoedt dat de drassige bodem daar de oorzaak van was.

    We zitten vanaf nu volop in het Leenstelsel, een staatsbestel dat zal duren tot 1384.

     

     

    Het Leenstelsel (843 -1384)

     

     

    We zijn in de  vroege middeleeuwen. Het Leenstelsel of Leenroerig Stelsel met zijn lijfeigenen of laten, halfvrije en vrije landlieden. Deze mensen kenden nog een onzeker bestaan. Allen werden afhankelijk van machtige grootgrondbezitters die hen desnoods doorverkochten met de grond. Hier en daar bleef die middeleeuwse mentaliteit bestaan tot vóór de laatste wereldoorlog. De bevolking zal langzaam aangroeien dankzij het feit dat op vruchtbare gronden landbouwnederzettingen ontstonden die algauw uitgroeiden tot parochiegemeenschappen, zoals ook met het latere Melden gebeurde.

    Vanaf 843 met het Verdrag van Verdun werd Vlaanderen opgesplitst. De Schelde werd de natuurlijke grens tussen het Franse Rijk en het Duitse Rijk.
     Historische bronnen en wetenschappelijke opgravingen op een site gekend als “’t Oud kasteel” op de linkeroever van de  thans afgesneden Scheldemeander te Petegem-aan-de-Schelde tonen aan dat zich  hier een omvangrijke Karolingisch Koninklijke Curtis bevond, die als bestuurlijk en administratie centrum  van belang was voor onze streek. Deze belangrijke nederzetting bekend als “apria Petinghen ville” (uit een oorkonde uit 864 uitgevaardigd door Karel de Kale) bezat naast een luxueus residentieel  verblijf ook een kerk met een begraafplaats.

    Op bestuurlijk gebied was het eerder rampzalig gesteld. Het grote rijk was verdeeld in heerlijkheden, baronieën of eenvoudige "landen" deeluitmakend van graafschappen, bisdommen of vorstendommen, dikwijls met zwakke gezagdragers. Er werd geërfd en onterfd. Zo kwam Melden en het ganse land van Marke en Ronne in de 10de eeuw terecht in het distrikt van Ename. Boudewijn V, graaf van Vlaanderen, veroverde rond 1040 Ename. De benediktijnenabdij werd gesticht en “het Land tusschen Marcke ende Rosne” werd in het Graafschap Vlaanderen ingelijfd, als deel van het “Lande van Aelst”. In 1225 werd Pamele tot baronie verheven. De heerlijkheden Etikhove, Maarke, Maarke ter Borche, Kerkem, Nukerke en Berchem met Kwaremont en Zulzeke vormden het “Land van Marcke en Ronne” dat een leenhof werd gehouden door de heer van Pamele. De hoofdzetel van dit leenhof werd gevormd door de heerlijkheden van de dorpen Melden en Nukerke.

    Deze periode werd gekenmerkt door de jarenlange invallen van de Noormannen die de streek langs de Schelde keer op keer plunderden. Ook de inwoners van de “vrije stede Gent” zullen in de 14de eeuw onze streek plunderen.

     

    Onze eerste prochie
    Onze dun bevolkte streek gleed rustig de vroege middeleeuwen binnen. De bevolking zal  langzaam aangroeien dank zij het feit dat op vruchtbare gronden landbouwnederzettingen ontstonden die algauw uitgroeiden tot parochiegemeenschappen, zoals ook met het latere Melden gebeurde. Voortaan spreekt men van een parochie en deze was toen altijd uitgestrekter dan een gemeente. En hier begint ook de geschiedenis van het latere Nukerke aangezien die gemeenschap aan de overkant van de Koppenberg  lange tijd heeft afgehangen van de parochie Melden.

    Het eerste kerkje van de “prochie” Melden, waarvan dus ook de gelovigen van het huidige Nukerke toe behoorden, zou in de Merovingische periode zijn ontstaan, waarschijnlijk uit de resten van/of als bijgebouw van een versterkte toren of mote, gelegen dicht bij de stroom. En was dat kerkje niet toegewijd aan de H. Martinus ? Het kerkje is naar alle waarschijnlijkheid gebouwd door “het Capittel van kanonniken der Cathedraal van Kameryck die altoos gelast zijn geweest met de reparatiën derzelve en die ook de groote tiendeheffers en patronen ervan waren….”, aldus een document. In oorsprong hing Melden afvan de bisschopszetel in Bavay, maar na de verwoesting van deze nederzetting maakte het deel uit  van het bisdom Kameryck(Cambrai). Vast staat dat Kameryck vóór 406 reeds een bisschopszetel was.  In de kronieken lees je dat “ten jare 922 werd Gerardus de Loz, heer van Pamele, hoofd van de heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne waarvan Melden de hoofdplaats was, in de kerk begraven. Het oorspronkelijk Romaans kerkje werd in de loop van de geschiedenis keer op keer verbouwd

    In het jaar 871 hebben onze streken een inval gekend van de Noormannen, alsook in 940 “die niets nalieten dan rouwe en verwoestinge”. Rond die tijd maakte het Land van Marke en Ronne deel uit van het distrikt van “Eename” onder het bewind van Boudewijn,V, graaf van Vlaanderen.

     Tijdens het bestuur van Karel V moest ook de “prochie” Melden afrekenen met godsdiensttroebelen door de opkomst van de protestanten. “ …in de jaeren 1565-1566-1567 werd de Katholieke Godsdienst alhier geteisterd door de predikatiën en oproeringen der Nieuwgezinden of Calvinisten…” En verder: op zondag 25 augustus 1566 was een “groote sectie van Calvinus’ leerlingen ende heetten geuzen …” hier neergestreken …”ende smeten in stukken alle de ornamenten, beelden, plaeten, kisten ende scheurden die boeken in stukken…”

    “Den 18 juny 1567 werden 13 der meeste roervinken tot de galg veroordeeld…” Op 28 april 1568 deden de geuzen nog een inval in de kerk van naaste parochie Zulzeke waar ze vuur stookten met de beelden  waardoor de kerk afbrandde.

    In 1578 staken de onlusten weer de kop op; “…werd op de eersten Sinksendag de pastoor door de calvinisten verjaagd, de kerk gesloten en de inwoners van alles beroofd”… , in 1582 “wierden de geuzen verjaagd, de kerke wierd geopend en de Goddelijke diensten als vroeger gedaan”. Uit rekeningen uit 1652 blijkt dat de toren “eene horlogie” had en in 1654  drie klokken…

    Onze eerste parochiekerk
     De oudste vermelding van Nukerke gaat terug tot 1116. Rond die tijd moet er ondertussen ten oosten van de Koppenberg, op de noordenflank van een heuvel een kerkje gebouwd zijn. Het aantal  bewoners moet hier zodanig aangegroeid zijn dat men de noodzaak ervan inzag hier een kerkje te bouwen. De afstand tot de parochiekerk van Melden was voor de gelovigen te groot. De “prochie” kreeg de naam Nova Ecclesia (Nieuwe kerk), een gemeenschap die zal uitgroeien tot Nukerke.
    Van een gemeente is nog helemaal geen sprake.
    In oorsprong was er geen sprake van een bediening per kerk. Toen was zomaar geen priester per parochie beschikbaar. De "prochie" werd bediend door een of ander priester of monnik uit de abdij van Ename (1063) of vanuit Pamele. Pas vanaf het Concilie van Trente(1545-1563) zullen pastoors met een vast statuut worden aangesteld in de parochies. Priesters waren tot de 10de eeuw al dan niet getrouwde mannen. Monniken leefden steeds in celibaat.

    In 1661 zou Melden samen met gans het Land van Aalst verenigd worden met het Aartsbisdom van Mechelen  dit door toedoen van Paus Pius IV en Philippus II, koning van Spanje.

    De Bourgondische Tijd ((1384-1482)

     

    Bij de dood van Graaf Lodewijk van Male (laatste Graaf van Vlaanderen) in 1384 kwamen onze gewesten in Franse handen onder het bestuur van Filips de Stoute, Hertog van Boergondiër die gehuwd was met de dochter van onze laatste graaf. Het middeleeuwse stadje Pamele dat ontstaan is op het einde van de 11de eeuw op de rechteroever van de Schelde speelde een belangrijke rol. De Schelde vormde toen de grens tussen het bisdom Doornik en het bisdom Kamerijk. In 1593 zal Pamele zijn zelfstandig bestuur verliezen.

    Gedurende deze periode kende onze streek echter een grote opleving. Kunst en cultuur stonden op het voorplan. Pamele kende een rijkelijk verleden, denken we maar aan de abdij van Maagdendale, de Bourgondisch hertogen. Het stadje zal later de thuishaven zijn van de prostestanten.

    Het is het tijdperk waarin talrijke kostbare kunstwerken ontstonden. Denken we aan de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde en de tapijtweefkunst. Op de flanken van de heuvels groeiden toen zelfs wijnstokken. Al deze zaken verschaften onze arme landlieden werkgelegenheid als spinner, tapijtwever, bouwvakker, landarbeider…. Menig inwoner van de “prochie Nova Ecclesia” verdiende zijn brood in Oudenaarde. Er was veel werk in de bouw toen de St-Walburgakerk werd gebouwd. Veel landlieden uit onze gemeente werkten als tapijtwever. Het was ook de tijd dat de heer van Pamele de plak zwaaide in de streek.

    De rust in onze “prochie” werd meermaals verstoord door de strooptochten van de Gentenaars o.a. in 1453 en de Gentenaars trokken in 1478 ten strijde tegen Doornik dat niet in het Bourgondisch Rijk lag.

     

    Wat bracht de 15de eeuw in onze streek ?

    Karel de Stoute trok door ons dorp op 27 mei 1464 op weg naar zijn blijde intrede in Oudenaarde.

    Wijngaarden groeiden op onze heuvelflanken.

    Gentenaars overrompelden in 1453 onze streek.

    En trokken in 1478 troepen uit Doornik door ons dorp op weg naar Oudenaarde om er een bloedige strijd te voeren?

    Voor vervolg zie rubriek Habsburgers.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (11 Stemmen)
    30-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    29-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schilderspalet
    Schilderspalet


    Reliëfkaart van Nukerke
      Afhellend van zuid(onder) naar noord (boven)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (5 Stemmen)
    29-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Opkomst van het protestantisme (vervolg)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Ons eerste kerkje te Nukerke volgens een oude kaart.

    De Habsburgers (1482-1555) 


    Met de dood van Maria van Bourgondië, dochter van Karel de Stoute, in 1482 begon het tijdperk van de Habsburgers. In 1500 werd in Gent (of was het Eeklo, zoals ze ginder beweren) Karel V geboren, zoon van Filips de Schone. Dank zij deze grote vorst komt Nieukerke in de geschiedenisboeken terecht. Volgens  historische bronnen zou  Karel V  vóór zijn huwelijk met Isabella van Portugal , bij “Johanna van der Gheynst “  een dochter verwekt hebben, nl. de latere landvoogdes Margaretha van  Parma (1522-1586). Tijdens zijn huwelijk werden  volgende kinderen geboren : Filips, Maria, Johanna . Ten slotte had hij nog een zoon Don Juan buiten zijn huwelijk en na de dood van Isabelle. Gedurende haar bestuursperiode verbleef  Margaretha te Oudenaarde  in  het “Huis van Margaretha van Parma”, naast de “Boudewijnstoren”. De jonge Karel verbleef wel eens in  Oudenaarde bij de familie de Lalaing  (huis aan de Schelde) en juist daar zou de jonge Johanna dienster zijn geweest. Haar ouders  woonden in de boerderij te Nukerke, op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. De ouders van Johanna waren tapijtwevers. Omer Wattez beschreef als volgt het feit:” Te Oudenaarde werd in de zestiende eeuw geboren: Margaretha van Parma, natuurlijke dochter van Keizer Karel en Johanna van der Gheenst, dochter van eenen tapijtwever uit Nukerke”. In een voetnota meldt de schrijver nog: “Dit wordt door sommigen echter betwist.”De naam Keizerrei  zou kunnen afgeleid zijn van het woord keizer. Wie weet heeft de jonge vorst meermaals, te paard, de bossen van Nukerke doorkruist. Sommige Meldenaars vinden het jammer dat de kroniekschrijvers niet Melden hebben vermeld in plaats van Nieukerke, Melden was immers nog steeds de hoofdparochie en zal dat nog lang blijven

    Joseph Plancquaert schreef het volgende: “Op het Bourgondische kasteel stond Janneke, dochter van Gilles Van der Gheenst en Johanna Van der Coye, naarstige handwerkers in de tapijtweverij, woonachtig te Nukerke, ten dienste van mevrouw de gravin de Lalaing .Dit pachtig kasteel, door Filips de Goede opgebouwd had ook een “ Toren van Bourgondië” en stond daar waar de Schelde de stad uitvloeit, links van het gerechthof.

    Dien Novemberdag 1521 nam de keizer kwartier in dit kasteel en was er te gast van den graaf de Lalaing, gouverneur. Van hier uit voerde hij oorlog tegen Frans-I, koning van Frankrijk, die Doornik had bezet.

    Het wakkere, drentele meisje, zindelijk uitgedost, was in de bloem der jaren. Men kan zich voorstellen hoe schroomvallig, bevreesd en ontzet die jonge dochter zich tegenover de keizer gevoelde. Hoe de oplettende dienstmeid het ook druk had om haren hogen gast te dienen, doch schiep de keizer genoegen in haar bekoorlijk voorkomen, in hare vriendelijkheid en keuvelde graag met haar. Niemand had de hartstocht des keizers voor de volksdochter durven tegengaan, wel werd zijn gedrag bedekt afgekeurd, maar men durfde het niet aan het hem te verwijten. Toch bij het heengaan ontstond uiterste verslagenheid bij het meisje. In de Kronycke van Oudenaarde, f° 154, leest men:”In ’t jaer XVe XXII, ’t Audenarde, binnen Pamele, op het Spey gelach Jannekin van de bastaerde dochter van Carolus de vyfste ende wiert daar Christen ghemaeckt. Dese traude namaels den Hertoghe van Parmen ende wiert Regente van de Nederlanden.”

    Wijl Janneke late in den echt trad met Jan Van den Dycke, een gewone burgersjongen, en dezes broeder en zuster Baudouyn, Maria en Agnes werkgasten bleven in de tapijtnijverheid, werd het kindje Margareta aan het hof zorgvuldig grootgebracht en trouwde eerst Alexander de Medicis en nadat deze werd vermoord, Octave Fanèse, hertog van Parma en Plaisance. In 1555, toen Keizer Karel afstand deed van zijn staten, vertrouwde hij aan Margareta van Parma het bestuur toe ven de Belgische provinciën. Acht jaren lang, door een zacht en tevens sterk beheer, won zij de genegenheid en de achting van hare onderdanen. Bij de aankomst van den hertog van Alba in 1568, zegde zij vaarwel aan haar vaderland en stierf aan jicht, in Italië, in 1586"."Het fijngetoest, wonderlijk subtiel, Vlaams gothiek stadhuis van Oudenaarde, met zijn tot kant gesneden stenen en goudgeflikker in ’t zonnelicht, herinnert ons steeds aan Karel de Vijfde en misschien ook aan Janneke Van der Geenst van Nukerke”. Zij was immers de dochter van  een keizer met grote faam: in zijn keizerrijk ging de zon nooit onder. Op vijftienjarige leeftijd werd Karel Heer van de Nederlanden en van het Franche-Comté. In 1514 erfde hij Spanje, Napels, Sicilië, Sardinië en dank zij de ontdekkingstochten van Colombus beheerde hij de ontdekte gebieden in Amerika.

    Sinds het bestaan van Janneke werd Nukerke meer gekend. Zo komt onze gemeentenaam voor in een beschrijving van de bouw van het stadhuis van Oudenaarde: ”Brusselse steen voor de vooergevel, graniet van Ecaussines en bloksteen van Avesnes voor galerijen en vensters. De baksteen waarmede werd gebouw komt van de scheldeboorden: van Berchem bij Nukerke… En verder. “In 1528 werden sommige lasten aan de stad opgelegd voor het opbouwen van het schepenhuis: “betaelt Janneken,dwater vrauwe, voor IIIIe XXIIIvaten wter ghehaelt ter meerschpoorten ende ghebrocht ant Schepenhuis, omme teale ende moortele te makene…”

    Een belangrijke verandering deed zich voor op politiek vlak. Karel V zorgde voor de eenmaking van de Nederlanden. Zo versloeg hij de legers van Frans I van Frankrijk. Door het Verdrag van Madrid in 1526 verloor Frankrijk voor goed de rechten over Vlaanderen. De oude graafschappen en hertogdommen maken vanaf heden deel uit van de XVII Provinciën. De bouw van het stadhuis van Oudenaarde (eerste steenlegging in 1526) trok veel landleden aan.

    De Spaanse tijd (1555-1713)

    Filips II volgde in 1555 zijn vader Keizer Karel, graaf van Vlaanderen en koning van Spanje,op. Hij was hier praktisch nooit en liet zich hier vertegenwoordigen o.a. door zijn stiefzus Margareta van Parma -van Nukerkse afkomst - die regeerde als gouvernante over de Nederlanden van 1559 tot 1567.

    Het waren harde tijden voor onze streek.

    Het protestantisme stak de kop op met veel troebelen als gevolg.

    In 1557 was er de “doortocht der Spagnaerts door het dorp, vertrekkende naar de grenzen in Oorloge tegen Vranckrijck

    Het bestuur van de landvoogdes werd afgelost door een Spaanse zending; de beruchte Alva. Hij was een gevreesd bestuurder die hier een echt schrikbewind voerde van 1567 tot 1573. De protestanten konden er van mee spreken. Alva werd hier opgevolgd door de zoon van Margaretha, nl. Alexander Farnese (1578-1592). De Spaanse legers veroverden wel Vlaanderen maar over de Schelde in het noorden geraakten ze niet.

    Betere tijden meldden zich aan ten tijde van de aartshertogen Albrecht (neef van Filips-II) en Isabelle vanaf 1596 tot 1621. De tapijtweverijen in Oudenaarde kwamen in die periode tot bloei. Er was werk voor iedereen en wellicht is in die tijd het huisweven ontstaan want “het schamel volck” mocht toen wekelijks in Oudenaarde zijn werk komen afleveren en nieuw werk ophalen. Maar, na de dood van Albrecht kwamen op 13 juli 1621 onze gewesten opnieuw onder Spaans bestuur. De toestand van ons land werd erbarmelijk. De velden werden niet bebouwd uit vrees voor krijgsbenden die strooptochten organiseerden. De lakennijverheid in Oudenaarde kwam in verval.
    In het jaer 1635 is de streke hier overvloedig gequelt geweest door de peste, soo dat alles hier bijna was verlaten en de straeten overlommert waeren van gers en kruydt”.

    Maar dat was nog niet alles!

    Legers van alle slag trokken door onze streek. Franse troepen van Lodewijk XIV trokken in 1667 al over de parochie Melden naar Oudenaarde om de stad in te nemen. Hij dacht hier te blijven want de stad kreeg de koninklijke fontein (op de markt van Oudenaarde) als geschenk. Lodewijk zou meermaals proberen Vlaanderen bij Frankrijk in te lijven. Meermaals had onze streek te lijden van vreemde troepen die hier plunderden en roofden. De bevolking van de parochie Nukerke bedroeg in 1570 1320 inwoners. In 1585 was die al gestegen tot 1450 inwoners.
    Belangrijke gebeurtenissen:

     

    1557                               weer een grote hongersnood

    1566                               de godsdiensttroebelen beginnen

    1577                               een grote aardbeving zou de kerkklokken vanzelf aan het luiden hebben gebracht

    1577-1580     de velden lagen onbewerkt en de mensen moesten hun goederen bewaken door de komst van de Cal-                      vinisten

    1580                               Franse troepen bezetten de streek van Oudenaarde

    1580                               op woensdag 6 april tussen 5 en 6 uur ’s avonds is er een aardbeving met zware schokken

     

    1581                In ons dorp Melden-Nukerke heerst er een extreme “ruyne ende destructie” en werd er geroofd en geplunderd door bendes.

    1585                                        Horden wolven overvallen onze streek.

    1680                               Tijdens de zomer van 1680 waren er grote overstromingen in de scheldevallei. De inwoners vroegen aan de Douarière van Melden en Nukerke in een verzoekschrift om uitstel van hun pachtschuld dit omwille van “de groote oncosten ten jaere 1679 totten jaere 1684".

     

    1699                        Jaer 1699 werd een jaar van overvloedige neerslag. Het is een dure tijd.

     

    1709                               werd een jaar met strenge winter en met hongersnood als gevolg.

     

    In het jaar 1713 is er een begin van het volksonderwijs. Toen stichtte een zekere Piet Spileers, geboren in ons dorp en later ontvanger der domeinen, een beurs voor de arme kinderen zodat ze konden leren lezen en schrijven maar voornamelijk om de jeugd de katholieke leer bij te benegen. De eerste onderwijzer in Melden-Nukerke zou Jan Georges Signor zijn die als Duitse soldaat hier is achtergebleven. Hij was tijdelijk ook koster in de kerk van Melden (1719-1729). De dorpsonderwijzer bezat toen helemaal geen diploma. Het was iemand van goeden huize, een vrijwilliger, een brave ziel, die wel kon lezen en schrijven. Een andere vorm van het volksonderwijs was de “leeringhe” op zondagvoormiddag en gegeven door een kapelaan. Aangezien de kinderen analfabeet waren beperkte het leren zich tot het memoriseren van teksten uit de catechismus. De eerste Roomse catechismus dateert van 1555, geschreven door Petrus Canisius. De Mechelse catechismus is van 1609.


    Opkomst van het protestantisme

    De Spanjaarden die onze gouwen bezetten waren niet hét toonbeeld van vrede, gerechtigheid en menslievenheid. Bovendien verrijkte de aristrocatie zich snel en was de leuze van de geestelijkheid “Vast geloven en sterk zondigen!”

    Tijdens het bestuur van Karel V moest ook de “prochie” Melden afrekenen met godsdiensttroebelen door de opkomst van de protestanten. “ …in de jaeren 1565-1566-1567 werd de Katholieke Godsdienst alhier geteisterd door de predikatiën en oproeringen der Nieuwgezinden of Calvinisten…” En verder: op zondag 25 augustus 1566 was een “groote sectie van Calvinus’ leerlingen ende heetten geuzen …” hier neergestreken …”ende smeten in stukken alle de ornamenten, beelden, plaeten, kisten ende scheurden die boeken in stukken…”

    “Den 18 juny 1567 werden 13 der meeste roervinken tot de galg veroordeeld…” Op 28 april 1568 deden de geuzen nog een inval in de kerk van naaste parochie Zulzeke waar ze vuur stookten met de beelden  waardoor de kerk afbrandde.

    In 1578 staken de onlusten weer de kop op; “…werd op de eersten Sinksendag de pastoor door de calvinisten verjaagd, de kerk gesloten en de inwoners van alles beroofd”… , in 1582 “wierden de geuzen verjaagd, de kerke wierd geopend en de Goddelijke diensten als vroeger gedaan”. Uit rekeningen uit 1652 blijkt dat de toren “eene horlogie” had en in 1654  drie klokken…

    De bosgeuzen en de Vlaamse Olijfberg

     De godsdiensthervorming die in de 16de eeuw op gang kwam was een religieuze beweging die zich verzette tegen de rooms-katholieke kerk. Onze contreien behoorden ondertussen tot de 17 Provinciën bestuurd door Filips-II vanuit het katholieke Spanje. Onze streek was een goede voedingsbodem voor de opleving van nieuwe ideeën., in dit geval het protestantisme. Oudenaarde was  toen in heel Europa bekend. De stad was het Europees centrum van de  wolnijverheid en de tapijtweefkunst. Langs de betrekkelijke goede verbindingswegen brachten kooplieden en reizigers  de ideeën.aan.  Er was de landweg van Valenciennes naar Gent en er was de Schelde, die Noord-Frankrijk verbond met Antwerpen. Bovendien waren de beboste heuvels tussen Ronse en Oudenaarde uitstekende oorden voor bijeenkomsten én veilige schuilplaatsen voorde “ketters”.  Ketters waren zij die de ideeën van Luther en Calvijn genegen waren en die dus de bijbel bezaten of lazen of de openbare preken in oplucht bijwoonden  In Zuid-Vlaanderen  ontstonden weldra de protestantse kerken van Mater, Horebeke, Melden, Nukerke, Etikhove, Oudenaarde, Wijlegem. Samen vormden  ze de“Vlaamsche Olijfberg”, zo genoemd door Lodewijk van Nassau (1602-1665). Aangenomen wordt echter dat het de schuilnaam was voor de verzameling van de 7 protestantse gemeenten. Deze gemeenten hebben talrijke vergaderplaatsen gehad die niet allemaal in de geschiedschrijving zijn terug te vinden. Zo waren er zeker vergaderlokalen in Etikhove tussen 1781 en 1913, o.a. langs de Nederholbeekstraat.

    Het Muziekbos of “Geuzenbos” is één van de laatste overblijfselen van het uitgestrekte woud in het zuiden van Vlaanderen. Dit bos was reeds in de 15de eeuw een toevluchtsoord voor de hervormers als Waldenzen en Katharen uit Frankrijk

    Enkele feiten op een rij:

    Veel inwoners van Nukerke waren in de 15 en 16de eeuw als tapijtwever of wolbewerker werkzaam in Oudenaarde. Niet te verwonderen dat onze mensen snel onder invloed kwamen van de nieuwe beweging.

    In 1533 werd in Oudenaarde de eerste Lutheraan veroordeeld. Nadien zouden er nog velen volgen. Bij de veroordeelden waren veelal tapijtwevers en ambachtslieden. Blijkbaar heeft de toenmalige deken van Ronse een belangrijke rol gespeeld bij het opmaken van de lijsten met namen van de ketters. Maar ook Margaretha van Parma speelde een belangrijke rol. Zo weigerde zij op 26 mei 1564 de samenkomst van een rederijkersfeest in het Oudenaardse.

    Op 5 oktober  1566 gaf graaf Egmont de toelating om op de Eindries een tempel te bouwen waar ook de hervormden van Nukerke konden  verzamelen. De landvoogdes kwam tegen deze beslissing in het verweer. Daarop kwamen de hervormden gewapend naar de preken.

    In 1567 beweerde de pastoor van Sint-Pieters te Ronse dat dikwijls 4 à 5000 gewapende personen uit o.a. Nukerke voorbij zijn huis trokken op weg naar een prediking. Volgens gegevens was de stad Ronse “besmet” en de mensen verwachtten toen veel hulp vanuit Duitsland en van Oranje  en van de heer van Brederode.

    Op 19 september 1566 schrijft een Oudenaards stadsmagistraat  een  bezwaarschrift tegen de oprichting van een protestantse kerk op de Eindries waarbij wordt aangevoerd dat 7 tot 8 dorpen,aan de andere kant van de stad gelegen,  geheel de nieuwe godsdienst zijn toegewijd. Hier worden de dorpen genoemd richting Ronse(dus ook Nukerke) en Horebeke.

    En dan de beeldenstorm in onze streek. Er werd een verslag opgemaakt over de toestand van de kerken na de beeldenstorm in de dekenij Ronse . Het verslag vermeldt :”Deze golf van vernieling van religieuze kunst-en gebruiksvoorwerpen van de katholieke kerken begon op 10 augustus 1566 te Steenvoorde (Noord-Frankrijk) en woedde drie weken in de Nederlanden. Te Oudenaarde brak de beeldenstorm uit op 18 augustus, te Ronse op 19augustus. Slechts 7 van de 30 kerken in het verslag genoemd bleven gespaard.” De schuld van deze vernieling lag bij de inwoners van Mater, Horebeke, Melden, Nukerke, Etikhove …

    Verder algemeen beeld.

    Graaf Egmont, geboren in 1522 in La Hamaide (Henegouwen )was in 1559 lid van de Raad van state en stadshouder van Vlaanderen en Artois. Hoewel hij sympathie had voor de Hervormden, het Eedverbond der Edelen en Willem van Oranje, bleef hij trouw aan koning Filips II en de landvoogdes Margaretha van Parma. Zijn gematigd optreden tegen de protestanten uit onze streek was er mede oorzaak van dat hij op 5 juni 1568 te Brussel zal onthoofd worden door de troepen van Alva.

    Er werden toen massaal goederen in beslag genomen van mensen die er van verdacht waren” bekeerd” te zijn. Vele inwoners sloegen op de vlucht have en goed achterlatend. In de periode van 1568-1570 werd melding gemaakt van een terechtstelling van 38 mannen en 2 vrouwen uit het “Lande van Aelst”

    Uit de lijst van terechtgestelde hervormers uit de streek van Oudenaarde tussen 1567 en 1573 werden de terecht gestelden als volgt bestempeld: calvinist en beeldstormer, calvinist en rebel. Inwoners die op de vlucht sloegen mochten erop rekenen dat hun goederen in beslag werden genomen.

    In 1572 werden in Oudenaarde zelfs 4 priester terechtgesteld door Jacob Blommaert en zijn aanhangers. In 1567 was de tapijtfabrikant en gewezen wethouder van Pamele werd wegens zijn hervormde opvattingen voor 50 jaar uit de stad Oudenaarde verbannen. In 1572 keerde hij met een legertje Bosgeuzen naar zijn geboortestreek terug. Hij nam de stad bij verrassing in en vestigde een calvinistisch en oranjegezind bestuur. Een maand later vluchtten de bezetters in paniek weg bij het naderen van de troepen van Alva. De vier priester werden dan maar geboeid in de Schelde gegooid. J. Blommaert werd tijdens zijn vlucht  door de Spaanse troepen gedood.

    In de periode1595-1617 stelde de deken van Ronse een lijst van “ketters” op uit Berchem, Edelare Etikhove, Nukerke,… Verscheidene inwoners weken toen uit naar Zeeuws-Vlaanderen. Uit statistieken blijkt dat het aantal hervormden in 1670 en 1700 het hoogtepunt bereikte in onze streek. Er bleek nogal een grote kettersgezindheid te heersen.

    In 1781 vaardigt Jozef-II een tolerantie-verdikt uit waardoor het de protestanten toegelaten is hun godsdienst “in het geheim” te belijden. Ze kregen voortaan de volledige burgerrechten terug o.a. wettig huwelijk en wettige testamenten. In 1795 kreeg Horebeke een echt protestants kerkgebouw.

    De Grondwet van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden zal in 1815 eindelijk de vrijheid van godsdienst waarborgen.

    Belangrijke archieven zijn bewaard in Ronse, Gent en Sint-Maria-Horebeke met prachtige zaken afkomstig uit de protestantse gemeenschap van Etikhove. En welke rol speelde de “Geuzentoren” op de Muziekberg ?

     De Heer Dejonghe Wilfred uit Sint-Maria-Horebeke heeft voor ons de volgende gegevens over Nukerke opgezocht in zijn archieven. “Ontstaan omstreeks het midden van de XVIde eeuw, zijn er in het oude landdekenaat Ronse in de latere XVIIde en XVIIIde eeuw nog enkele vrij belangrijke groepen van hervormden, zij het dan min of meer openlijk, blijven voortbestaan.(..) De hervormde gemeenschappen van Etikhove, Mater, Nukerke, Melden, Oudenaarde, Sint-Maria-Horebeke en Wijlegem gaf men vroeger de gemeenschappelijke naam van de “Vlaamse Olijfberg”. Ook in verschillende andere dorpen in de omgeving woonden nog talrijke prostestanten. Heden vormt de protestantse gemeente van Sint-Maria-Horebeke één van de de weinige kernen van hervormden in België die rechtstreeks opklimmen tot vóór de herovering der Zuidelijke Nederlanden door Farnese”(C. DE RAMMELAERE)Opmerking:”vrij belangrijke groepen” en “talrijke protestanten” moet men zeer relatief opvatten, behalve te Horebeke misschien ging het om een kleine minderheid van de bevolking.Ik heb geprobeerd specifiek betreffende Nukerke hier en daar wat losse gegevens te verzamelen, in tegenstelling tot Mater, Horebeke en Etikhove is er te Nukerke nooit sprake geweest van een protestants kerkgebouw, wat D. Bouckzoone ook moge beweren, of van een protestants gemeenschapsleven in de zin van een “parochie”, misschien, maar daar is geen bewijs voor, kunnen er vergaderingen bij deze of gene aan huis gehouden zijn. Van protestantse zijde zijn er geen documenten over Nukerk bewaard, wat volgt komt grotendeels uit “katholieke”geschriften, nl. jaarlijkse verslagen opgemaakt door de pastoors voor het bezoek aan de deken, met gegevens betreffende de geestelijke en materiële toestand van de parochie.

         Ziehier, ongeveer chronologisch:

    1559: inwoners van Nukerke wonen hervormde preken bij te Ronse in de Fiertelmeersstraat.
    1566: ketters verwoesten het schrijn van Sint-Stefaan
    Goederen worden verbeurd verklaard van degene die uitgeweken waren na de Beeldenstorm bij o.a. Noël de Butseler, Daniël Corthals, de weduwe van Pauwels de Crits, Loy van Malier met echtgenote, David Taelman
    Op 15 mei 1568 werd Haskin Bruggeman van Ronse opgeknoopt te Nukerke.
    1569: een kapel langs de weg naar Oudenaarde is in verval wegens een geuzenactie.
    1569: een dekenaal verslag vermeldt de naam van de ketters: Maria vanden Abeele, Magdalena Aelvoets echtgenote van Hermes Heycke, Walterius van Baesvanck, Guilielmus Curthals alias Damnayns met echtgenote Joanna Laurens, Hermes Heuvick zoon van Nicolai, Gillis Maecht, Danielus, Philippus en Stephanus vande Putte en de echtgenote van Arnoldi Scudematte, deze personen hielden hun Pasen niet: “vivunt sine religione atheos”; plures sunt rarius frequentantes templum”
    1574: Jacquemynken Becaus uit Nukerke trouwt met Adriaan Mainfroid uit Frankenthal te Londen in de protestantse vluchtelingenkerk Austin Friars
    15 augustus 1587: idem voor Bernaert van den Putte van Nuekercke met Janneken van Nelden(Welden,) uit Maeteren
    2 april 1592: idem voor Bernaert van den Putte van Nieukercke met Aurijntken Mestdach van Oudenaerde
    1613: velen verzuimen aan de paasplicht, hetzij om ketterij, hetzij om andere redenen.
    In de omgeving van Ronse werden er op Pinksteren ketterse boeken aangeslagen bij Andreas van den Abeele
    1615: een document meldt talrijke afwezigen op de bicht waaronder veel ketters o.a. Joannes Pot, David van der Donckt, Joannes Vereyst en echtgenote, Joannes Puerniet en familie, Petrus Ardenois is vertrokken naar Holland (1616)
    1625: men vermeldt enkele verzuimen
    1711: er zijn 5 protestantse families te Nukerke en er worden protestantse huwelijken voltrokken door een predikant
    17
    31: er worden 2 protestantse families gemeld te Nukerke
    1743: één protestantse familie uit Nukerke wijkt uit naar Nederland
    1747: één persoon uit ons dorp is “una persona heretica est hic”
    1772: de laatste protestant in Nukerke, een vrouw, sterft ,”ultima heretica pertinaciter est mortua”

    Maar er was ook beterschap. De streek van Oudenaarde was in West-Europa beroemd geworden “voor hare wolleweverijen, tapijt- en goudlederfabrieken, en dat uren in de ronde meer dan vijftig duizend werkklieden in het werk werden gesteld”. Dat meldt althans een document:”… in de prochie Melden liggende bij de stede Audenaerde int land van Aelst syn woonachtigeen groote menicht van schamel volck”. Zij weven tapijten, maar hun werk was van “seer cleenen qualiteite”. Toch mochten ze werken voor “de stede Audenaerde”.


    Oostenrijks bewind (1713-1794)

     

    Vanaf 1651 tot 1674 werd de Heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne bestuurd door de heer Jan van der Heyden of Jonkheer de la Bruière, die op zijn beurt Heer was van het goed ter Heyden in Kwaremont. De Heerlijkheid werd nu eens groter en dan weer kleiner. Bevatte de Heerlijkheid in 1651 nog 15 parochies dan bestond ze in 1661 uit slechts de “prochies Melden en Neukrcke”. Melden zou tot aan de Franse Revolutie in (1792) de belangrijkste hoofdplaats blijven van “de Landen gelegen tusschen Marke ende Ronne”.

    Volgende figuren stonden verder aan het hoofd van onze Heerlijkheid:

    Marie-Christine de Landas, dame douarière (weduwe) van Jan-jaspard van der Heyden, hoofd van Melden en Nukerke.(1675-1696)

    Jan-Adriaan-Alexander, baron van Bylandt (1698-1726)

    Barbara vrouw van baron van Bylandt (1727-1730)

    Adriaan-Jozef, baron van Bylandt (zoon van) (1731-1766)

    Maria-Joanna-Elisabeth-Antoinette baronnesse de Bernelau (1767-1776)

    Lodewijk-Fredericus-Thadeus “vrije baron van Bylandt, van Pamele, van de heerlijkheid van Melden en Nukerke, van de Llanden tusschen de Marcke ende Rosne…” (1776-1792)

    Vanaf het bestuur van de van der Heydens werd er in de parochie Melden een vierschaar ingericht die in dienst bleef tot aan de Franse Revolutie. De vierschaar was gevestigd in de herberg “Bij de Barrière binnen de prochie Melden.”, tegenover de Statiestraat nu. In de vierschaar zetelden de baljuw (de landrechter, meier, schout), de burgemeester en de schepenen die de “zaken der prochies van Melden en Nukerke te vereffenen hadden”

    Tot hier vormen Melden en Nukerke nog steeds een entiteit onder het zelfde parochiebestuur. Met de Franse bezetting zal een einde komen aan de macht van de parochies die het geestelijke (godsdienstige) en het burgerlijk bestuur verenigde. De administratie voor burgerzaken gebeurt voortaan in het gemeentehuis bij de dienst Burgelijke stand.

    De 17de eeuw was voor de Zuidelijke Nederlanden een ongelukseeuw. De talrijke conflicten en de uitputtende oorlogen veroorzaakten in sommige streken grote armoede. Bovendien kwam de lakennijverheid in Vlaanderen in verval. Hoeveel mensen van Nukerke werkten niet in Oudenaarde, dé stad van de tapijtkunst. Maar het grootste deel van de plattelandsbewoners leefde van de opbrengst van de veestapel en de akkers. Deze lagen er in deze periode verlaten bij. De landwerkers hadden schrik van de stropende legerbenden die de akkers en het karige graan in de schuren van de boeren plunderden. Er was voedselgebrek. De hongersnood rond 1740 en 1780 was nodig om de aardappel in de voeding te gebruiken. Einde 18de eeuw werd dit gewas volledig naar waarde geschat en erkende men er ook de voedingswaarde van. De landbouwer Antoon Verhulst uit Brugge zou de aardappel in Vlaanderen hebben geïntroduceerd.
    Onze Oostenrijkse vorsten zouden verandering brengen. Zij hadden er immers alle belang bij een voorspoedig rijk te kunnen regeren. Tijdens het bewind van Maria-Theresia (1740-1780) kwam er weer voorspoed al probeerde de Franse vorst meermaals onze streken te bezetten. Denk maar aan de bezetting van Oudenaarde in 1745. Ondertussen nam de welvaart langzaam toe. Er kwam verbetering in de handel, nijverheid, landbouw, wegenaanleg, onderwijs. In 1773 werd in Oudenaarde op het Jezuietenplein de eerste middelbare school van de streek opgericht. Kunst en wetenschap namen een sprong voorwaarts en … de Franse invloed was zo groot dat onze bestuurders het Frans als voertaal hadden.

    Het volksonderwijs nam een aanvang. De parochie Melden-Nukerke kreeg zo’n eerste onderwijsvorm in 1713 toen een zekere Piet Spileers een beurs stichtte om de arme kinderen te leren lezen en schrijven. De hoofdzaak was de jongeren in de katholieke godsdienst op te voeden. De eerste onderwijzer zou ene Jan Georges Signor zijn geweest. Een “Duitschman hier toegekomen met het duitsche leger”. Hij gaf onderricht van 1719 tot 1729. Veel moet je je van dat onderricht niet bij voorstellen; de dames en heren voor de klas waren in die tijd gewone “goede zielen” van de parochie die soms zelf met moeite konden lezen en schrijven. Ze hadden geen diploma. Kwamen in aanmerking om te onderrichten: “een joffrouw”, de koster, de onderpastoor…

    Nukerke wordt op de kaart gezet.

    Maria-Theresia gaf in 1771 de opdracht aan haar diensten om haar rijk, waaronder het toekomstig België, op kaart te zetten. De bekende Ferrariskaarten kwamen tot stand  tussen 1771 en 1778. De leiding was in handen van Joseph Jean François Graaf de Ferraris. Deze was artillerie-generaal in dienst van de Oostenrijkers én cartograaf en veldmaarschalk. Deze volledig met de hand getekende kaarten in kleur zouden van pas kunnen komen bij de oorlogsvoering, want ze bevatten waterlopen, bruggen, bossen, woningen, plaatsen voor mogelijke legerplaatsen, landerijen…, mooi ingekleurd.

    Nukerke anno 1777
    Nukerke, tot heden nog een kerkdorp of kerkgemeente onder de vleugels van Melden, bestond uit een kerk met dorpskern en gehuchten her en der verspreid gelegen in het Comté D’Alost.Volgende gehuchten konden we op de kaart terugvinden. Het aantal woningen staan tussen haakjes. De H staat voor het Franse hameau wat zoveel betekent als gehucht zoals H. Hoovervont ( 10), H. Gheynst (10 ), H. Cortekeer (17) was echter bij Melden en Sulsique ondergbracht.H. T’Eytien (20), H. Capelle Straete (20), H. Ter Brugen (19), Boschaet Nukerke, H. Meulestraete Nukerke, H. Rugteghem (10), Beirlemont, Fienes Bosch, Steecksecruysse (met deel in Etikhove met 16 huisjes). De woningen droegen toen geen individuele nummers. Er waren slechts de parochienummers. Voor Nukerke was dat 65 en voor Melden was het parochienummer 75.
    De Grand Chemin de Renaix volgde toen gedeeltelijk een ander tracé dan de huidige Rijksweg. In de 18de eeuw lag de weg grotendeels aan de oostkant van een langgerekt bosgebied dat zich uitstrekte vanaf de Sant straete, Cruys Bergh, D’Albosch, Cortekeer en Meldenbosch.
    Volgende gebouwen staan aangeduid: in H Gheynst de meulen te Gheynst, in H Meulestraete Nukercke met grote vierkanthoeve en huisjes voor de landlieden, grote vierkantshoeve (laatste eigenaar G. Decuyper) aan de Chemin de Renaix, de Molen Ten heynst en boven op de Cruys Berg de Snebbemolen. Het waterkasteel lag in een moerassig gebied en bestond uit 3 gebouwen omgeven door een vierkante wal. Deze wal werd bevoorraad door de watertoevloed uit D’Aubeke en uit de De Meulebeek. Deze laatste liep daar onder een houten brugje op de Holandstraat richting Meulestraete Nukercke. De Mariaborrebeek ,de Meulebeek en de Hollebeek en D’Aubeke waren reeds gekende beken. Ze werden toen niet bij naam genoemd.


     

    De Franse bezetting(1794-1815)

     

     

     

    Op 5 mei 1789 breekt de grote Franse Revolutie uit.

    In 1792 roept Frankrijk de republiek uit en het ganse toekomstige België wordt er volledig bij ingelijfd, met alle gevolgen voor de burgers en het kerkelijk gezag. Alle ongehuwde mannen van 20 tot 25 jaar werden onder de wapens geroepen. De nieuwe Franse staat rekent met een andere tijdrekening; zo werd 1793 jaar I en de kalender rekende met andere maanden onderverdeeld in dekaden (weken van 10 dagen). Administratief was onze streek ondergebracht in de provincie l’Escaut (Schelde). Frans werd de bestuurlijke taal en de katholieke godsdienst werd afgeschaft.

    Tijdens de jaren 1793 en verder doorkruisten vreemde legers onze parochies. Zo kwamen hier op 17 april 1793 Oostenrijkse troepen aan. Zelfs boeren werden opgeëist om oorlogsmateriaal naar Ath te voeren. In 1794 landen hier nog meer Oostenrijkers, Duitse Huzaren, dragonders en jagers. We mogen aannemen dat de baan Ronse-Oudenaarde (nu deel van de N6O Terneuzen-Valenciennes) een drukke begankenis kende van vreemde troepen.

    Op 13 juli 1794 veroveren de Franse troepen onze streken en bombarderen Oudenaarde.

    Vanaf 1798 hielden de Franse sansculotten lelijk thuis in onze streek; kerken werden gesloten en de pastoors verjaagd. Een kroniek vermeldt dat de pastoor van Melden zelfs bij ene Verroken schuil hield aan een brouwerij De Bisschop, “hof tegen Nukerke”. In die hoven werd er mis gelezen en sommige sacramenten toegediend.

    Bron : o.a.“Uit ons dorpken van Aloïs Dezaeytijd” 

      Bij decreet van 31 augustus 1795 werd Nukerke ingedeeld in het kanton Oudenaarde-Oost samen   met Eine,  Ename, Etikhove en andere.

    Vanaf 4 september 1798 werden jonge mannen in de leeftijd van 20 tot 25 jaar opgeroepen om te dienen in het Franse leger. Sommigen beantwoordden niet de oproep en gingen in het verzet en begonnen in deze “Beloken  Tijd” de Boerenkrijg. De Fransen noemden die slecht bewapende benden brigands.

    Dank zij het Concordaat van Worms op 15 juli 1801 werd de godsdienstvrede hersteld en kregen de parochiepriesters voortaan een staatswedde. Kerk en Staat werden gescheiden en de vroege parochies op het platteland werden gemeenten Vanaf nu zal de parochie plaats maken voor een wereldlijk gezag met een degelijk ingerichte administratie. Nukerke scheidde zich af van de hoofdparochie Melden en de beide gemeenten gaan vanaf heden hun eigen weg. Voor de mensen komt er beterschap wat betreft de voeding want meer en meer wordt de aardappel bekend rond 1800.

     

    Nukerke in de steigers

    Vanaf halfweg de 18de eeuw veranderde Nukerke grondig van uitzicht. Zo verrezen toen tal van vierkantshoeven en kreeg de gemeente een eeuw later  een gemeentehuis met aanpalende pastorie. Zoals in menig dorp bleef soms nog lang in de 20ste eeuw het gemeentehuis een dorpscafé te zijn waar een kamer was voorbehouden voor de administratieve zaken. Na de bouw van een  gemeentehuis ging de herberg verder onder de naam van “In ’t oud gemeentehuis”. Wat ook het geval was in Nukerke bij Ryckbosch. Dit typische dorpstaverne werd in de jaren 70 op vraag van het gemeentebestuur afgebroken.

    “In de 2de helft van de 19de eeuw nam de bebouwingsconcentraties in de dorpskom toe. Naast burger- en herenhuizen van de lokale notabelen kwamen in die tijd ook de eerste officiële gebouwen zoals een gemeentehuis en een gemeenteschool tot stand die het centrumkarakter van de dorpskern affirmeerden. Zoals vele gemeenten kreeg ook in die periode Nukerke zijn gemeenteschool. Een constante bij de bouw van die eerste scholen was een vleugel met twee klassen. De onderwijzerswoning van het dubbel huistype met twee bouwlagen werd er zijdelings tegen aangebouwd.” Op ’t einde van de 19de eeuw richtten veel parochies hun eigen scholen op. Overal hadden ze dezelfde vorm: een laagbouw met ramen in neogotische stijl. (enkele gegevens komen uit het werk Inventaris over het cultuurbezit in België)

    Nukerke kreeg in 1903 een nieuwe pastorie voor de pastoor terwijl de opeenvolgende onderpastoors Spitaels, Van Moorleghem, Aelvoet, ‘t Kint en Pot in de vroegere woning naast het gemeentehuis huisden, beiden gebouwd met een pui of bordes.

    Veel oude en kleine landbouwbedrijfjes werden vergroot, aangepast of uitgebouwd tot hun huidige vorm.. Zo werden veel gevels van de woningen in de loop der tijden verhoogd en van een extra rij halfronde bovenvensters voorzien. De woning van de nieuw gebouwde hoeven dragen dezelfde kenmerken. Tijdens de verbouwingen werden stukken met inscripties met zorg teruggeplaatst. Een bouwjaar vindt men nu terug op een moerbalk, een deuromlijsting, een haardbalk, een booganker, een cijferanker, een christusmonogram, een steen boven de inrijpoort. Resten van schuren met een houtconstructies en lemen wandvullingen werden nog uitzonderlijk aangetroffen in Tenhole nr. 1 en op den Dries, eerste eigenaars Vande Putte, nu Devenijns. De grote lemen schuur aan de oostzijde van deze hoeve geeft ons een beeld hoe de oorspronkelijke hoeve er in de 18de eeuw moet uitgezien hebben. Hopelijk worden die constructies bewaard. Een van de oudste hoeven in Nukerke is de grote vierkantshoeve langs de Weitstraat nr 31. De zandsteen omlijste inrijpoort  draagt het jaartal 1749.

    Rond de hoeven verschenen de kleine landhuisjes voor de dagloners. Die huisjes werden echter nog in de traditionele hout- en leemstructuur gebouwd. Het dak was met stro bedekt. Tegen eind 19de eeuw werden de lemen muren vervangen door baksteen. Na de tweede wereldoorlog werden de laatste strooien daken vervangen door pannendaken. Hier volgt een summiere opsomming van de vierkanthoeven. Boelaerdstraat nr  15 anno 1718, De Spijker anno 1841, Dieriksstraat nr 5 anno 1861, Dieriksstraat 15 1870, Heidje  De Spijker nr 4 anno 1841, Heidje nr 11 anno 1755, Holandstraat 2 anno 1740, Holandstraat 9 anno 1840, Holandstraat 14 anno 1739, Eglantier kleine hoeve anno 1860, Ommegangstraat 68 anno 1880 (?), Pontstraat 62 anno 1571 als molenaarshuis, Turkeye nr 10 anno 1833, Turkeye nr 12 anno 1724, Tenhole 3 anno 18.., Weitstraat 25 anno 1719, Weitstraat 27 anno 1835, Weitstraat 31 anno 1749, Weitstraat 37 anno 1860 (?), Zeitje 3 anno 1860.


                            Het Nederlands Bewind (1815-1830)

     

    Bij Koninklijk Besluit van 15 september 1819 heeft Koning Willem I bepaald dat in Vlaanderen het Nederlands de officiële taal wordt. Maar het duurde tot 1 januari 1823 tot de administratie volledig was vernederlandst. Vanaf dan zijn ook de gemeentelijke archieven in het Nederlands opgesteld.



     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    29-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    28-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE 20ste EEUW

    OP WEG NAAR DE  20ste EEUW

    De Belgische Staat (vanaf  1830) -
    19de eeuw



    Bij Koninklijk Besluit van 15 september 1819 heeft Koning Willem I bepaald dat in Vlaanderen het Nederlands de officiële taal wordt. Maar het duurde tot 1 januari 1823 tot de administratie volledig was vernederlandst. Vanaf dan zijn ook de gemeentelijke archieven in het Nederlands opgesteld.


    Hier volgt een uittreksel uit het geboorteregister

    't Jaer duizend achthonderd tweeendertig den vijfentwintigden february ten vier uren namiddag voor ons Frederic Antone van Butsele, Burgemeester officier van den burgerstand der gemeente van Nukerke distrikt van Oudenaaede Provintie Oostvlaenderen, is gekomen: Petrus van den Abeele, oud negenentwintig jaren, zager te Nukerke, welken ons heeft verklaerd dat heden vijfentwintigden february ten twee uren namiddag Rosalia Geenens, oud dryendertig jaren, spinster, geboren en wonende te Nukerke,gelegen is in zijn huys, wijk melingstraet, van een kind van het mansgeslacht, welke hij ons vertoond, en aan welk hij geeft de naem en toenaem van Petrus Geenens. Deze verklaering gedaen in de tegenwoordigheyd van Joannes Demenus oud dryenvijftig jaren, veldwagter en Charles Louis Hoffman oud eenendertig, particulieren wonende beyde te Nukerke en heeft den comparant verklaerd niet te kunnen schrijven nog teekenen door onkunde, de getuygen hebben dezen akt met ons naer voorlezing geteekend

           (get.) J. Demenus   C.L. Hoffman    J. Vanbutsele


    Nabeschouwing :welke informatie halen we uit bovenstaande?

    De schrijfwijze van onze taal. Wie er burgmeester en veldwachter was. Tijdens de Franse Revolutie werd ons land administratief ingedeeld en tijdens het Hollands Bewind verder aangepast. Zo lezen we over het arrondissement en de provincie. Naam van de aangever en woonplaats, al of niet gehuwd en met wie, beroep en de geletterdheid van de comparant.

    De 19de eeuw bracht veel armoede in Vlaanderen zodat velen van onze overgrootouders en grootouders noodgedwongen werk zochten in in Noord-Frankrijk.De dapperste mannen trokken de landsgrens met Frankrijk over en werkten er als seizoenarbeider op de zeer grote landerijen in Picardië. Wekenlang waren ze van huis weg, om er dag in dag uit te wroeten op de bieten- de graanvelden en in de asten. Na een lang seizoen kwamen ze uitgeput terug, te voet en met de trein, sommigen op klompen.  Maar fier waren ze als ze bij moeder thuis op tafel de goudstukjes (napoleons) neertelden die ze hadden verdiend.
    De fotografie werd uitgevonden in 1826. Welk was de eerste foto die in Nukerke werd "getrokken"?

    Levensduurte in de 19de eeuw

    De mensen stonden wel eens in het krijt bij de winkelier. In een goed bijgehouden schriftje schreef een kruidenier-bakker de naam van de klant, de datum, de artikelen met de prijs en gewicht of hoeveelheid van de gekochte waar. Alles keurig in inkt geschreven. Deze gegevens geven ons een idee over de levensduurte in de 19de eeuw.

     

    1883                                25 november                       1 brood en 6 koeken van 5 centimes                             0,80

    1883                                3 december                          besteld voor Niklaas                                                         1,20

    1883                                16 december                        1 koekebrood en 1 brood van 0,50 centiems                              2,00

    1883                                27 december                        25 eieren aan 0,14 centiemes                                          3,50

                             28 december                        1 kg meelsuiker                                                                  1,75

    1884                                4 januari                                              1 brood en 8 eieren                                                            1,46

                             9 april                                    9 krokelingen                                                                      0,45

                             28 april                                 ½ kg zout                                                                            0,08

                             12 mei                                   voor 25 centimes gist                                                        0,25

                             9 juli                                      2 brooden gebakken                                                         0,20

                                                                            1 wit brood                                                                          0,50

                             25 juli                                    1 brood en alf pond boter                                                1,70

                             29 oogst                                               alf pond bloem en vierendeel rijst                                  0,15

                             2 october                              1 brood en ½ kg zout                                                        0,58

                             17 october                            gebakken 18 roggebrooden                                             1,26

                             19 october                            Pierre geëten en gedronken voor                                     1,50

                             20october                             Pierre geëten en gedronken                                              1,85

                             27 october                            20 roggebrooden gebakken                                             1,40

                             5 november                         15 roggebroden gebakken                                               1,05

                             10 november                       3 bussels hout aan 0,25 centimes

                             15 november                       4 broden gebakken en 1 viersel Corent                         1,90

    1886                                20 september                       alf pinte genivre                                                                 0,30

                             25 october                            1 koekebrood                                                                     1,50

    1891                                24 november                       ½ kg boter                                                                           1,75

                                                                            ½ kg boter en 1 brood  0,50                                             2,20

                                                                            2 roggebroden en 6 koeken                                             1,30

    1892                                29mei                                    6 roggebroden                                                                    3,00

     

    Meestal verbruikten de mensen toen roggebrood omdat dit soort brood beter en langer bewaarde.

     

    Landbouwactiviteit

    Dat de “prochie” Nukerke uit een landbouwgemeenschap bestond staat vast. De grond bewerken in de valleien kon pas van zodra de moerassige ondergrond droog kwam te liggen. Dat zou pas gebeurd zijn vanaf de 10 eeuw.  Rond 1750 stonden in Nukerke maar een paar hoeven. De meeste boerderijen dateren van halfweg de 19de eeuw.

    Op één km² trof men een 6-tal windmolens aan. De getuigenheuvel leek destijds wel een molenland. Er waren de”wint Meulen ter Geynst”, de molen “Ten Slepe”, “de wint Meulen ter Hingst”, “de hoogmeulen ter Crycen”, de “Snibbemolen” op de Kruisens en iets verderop in Zulzeke de Molen Ten Hotond.

    Op de top van de Kruissens moet het er in de 19de en begin 20ste eeuw een drukte van belang geweest zijn; het is niet alleen het kruispunt waar Ronse en de gemeenten Zulzeke en Nukerke elkaar treffen, bovendien was het gelegen langs de drukke verbindingsweg van Valenciennes naar Gent. Daar stonden drie windmolens kort bij elkaar en er waren enkele staminees zoal de Chalêt de la Cruche (Ronse), het Molenhuis (Zulzeke) en de Chalêt de la Croix (Nukerke)

    Dan waren er nog de talrijke watermolens in de valleien zoals “de watermeulen te Meulebroecke” en de “water Meulen ter Eerstbrugge” Dat alles wees op een grote landbouwactiviteit. Een industriegebied avant la lettre? Honderden streekbewoners verdienden toen op de een of andere wijze hun dagelijks brood in de landbouw.  Tot ver over halfweg de negentiende eeuw was de Nukerkse gemeenschap er een die op de landbouw was gericht, in het bijzonder op de graanteelt. Zie ook het Nukerkse wapenschild. Men verbouwde gerst, rogge, haver, tarwe…Men kan zich best voorstellen wat een bedrijvigheid dat met zich meebrachtop die grote hoeven. De herenhoeven  met de boerenmeiden en -knechten, de pikkers, de binders en de “ stuikers”, de voerlui of  “cartons” de dorsers met de vlegel en de mensen aan de wanmolen , de dragers en de slepers, de” tassers” die op de schelf de schoven tot onder het nok moesten tasten, de “mijters” en de kafverzamelaars, de vrouwen rond de stoofpot en de wriemelende kinderen, de molenaars, de metsers, de timmerlui en de smid, want er moest al eens het een en het ander hersteld worden.  Je had er ook de “koeplekjes” van de kleine pachtertjes. Ook zij verbouwden hun provisie aan graan en haalden de oogst binnen met eigen volk of met hulp van buren. Je had nog de keuterboeren. Dat was een boer die zijn landerijen bewerkte met één paard. Bij zwaar werk, ploegen bijvoorbeeld, werd het span aangevuld met een os. Heel soms liep een koe in het span. Het graan werd gedorst met de dorsvlegel op de lemen vloer in het schuurtje en in de wanmolen buiten “gemeuld”. Wegens het stof, geen gezond werk! Het lekkere brood werd meestal gebakken  in het “ovenbuur” buiten. De kleine man, een landman of arbeider die al eens een lapje grond bezat bakte het brood in een stenen bakoven die van in de woonkamer werd gestookt. Het stookhout werd buiten in de houtmijt gestapeld. Het brandhout voor de volgende bakte werd in de oven gestoken na een bakbeurt; zo werd het voldoende droog.

    Maar de uitbreiding van de landbouw had ook zijn neveneffecten. Grote delen van het oorspronkelijk woud waren al gerooid maar door de uitbreiding van de landbouw werden nog grotere delen gekapt. Op de steile hellingen bleef het bos echter tot heden bewaard. De bosbouw verschafte niettemin een grote werkgelegenheid. Vele mannen werkten er als boswachter, houthakker, zager, voerman, jachtopziener , boswachter … stroper!

    Hadden de mensen het al niet te breed in normale omstandigheden dan kwam er nog een hongersnood, veroorzaakt door het mislukken van de aardappeloogst in 1845, toen de aardappel behoorde tot het basisvoedsel.

    Tegenslagen in de 19de eeuw

    1845: een grote aardappelplaag vernietigde de oogst.

    1845: een winter met hongersnood, bovendien begint de winterkoude op 28 oktober.

    1867: een pokkenplaag slaat toe met doden als gevolg.

    Nukerke start met volksonderwijs. In de notulen van de gemeenteraad wordt melding gemaakt van de aanstelling van ene Pieter, Amandus Germonprez als onderwijzer aan de gemeenteschool. De eerste gemeenteschool kwam er op de hoek van de huidige Pontstraat en de Mere. Het gebouw, klassen en schoolhuis, zijn sindsdien niet veel gewijzigd. Voor de verdere geschiedenis van de gemeenteschool verwijzen wij u naar de rubriek “Ontstaan van het gemeentelijk onderwijs”.

    Op 1 augustus 1864 startten Belgische officieren in de kazerne van Maegdendaele te Oudenaarde de recrutering van jonge mannen. Daar wachtten hen enkele officieren en een 20-tal onderofficieren hen op officieren. Het was de bedoeling zoveel mogelijk militairen op te leiden om nadien naar Mexico te worden gestuurd met als opdacht daar deel uit te maken van de wacht van de keizerin Charlotte, echtgenote van Maximiliaan van Oostenrijk en in 1864 keizer van Mexico geworden. Tijdens de opleiding verbleven de militairen in de vroegere abdij die staatseigendom was geworden sinds de Franse tijd. De legerstaf was ondergebracht in het vorige Jezuïetenklooster dat in 1773 was opgeheven en eveneens staatseigendom was geworden.

    De kandidaten moesten een bewijs leveren van goed gedrag en een uittreksel uit de burgerlijke stand (bewijs van geboorte). Enkel ongehuwde mannen jonger dan 35 jaar werden toegelaten. Maar er waren uitzonderingen voor wie reeds een goede staat van dienst hadden. Ook enkele vrouwen konden mee. Bij de indiensttreding ontving de recruut 60 frank. Bij aankomst in Mexico kregen ze nog een vergoeding.

    In het werk “L’ expédition des volontaires belges en Mexique 1864-1867 » (2e partie) van Albert Duchenne vonden we tussen de 1587 namen van “ Les volontaires Belges en Mexique 1864-1867”de naam van een Nukerkenaar. We lezen: Vandeputte, Pierre-Jos (Nukerke, Fl. or., 1847) engagé décembre 1864 - licencié janv. 1867 (R) wat zo veel wil zeggen als dat Vandeputte, geboren in Oost-Vlaanderen, ingelijfd werd in 1864 en ontslagen is in 1867 én gerepatrieerd werd.

    Wie was die man? Pieter Josephus Vandenputte werd geboren op 12 juli 1847 als zoon van Fredericus, houtzager, en van Adecca Theresia Bruneel, huisvrouw en spinster, beide op dat ogenblik 26 jaar en wonende ten gehuchte Hul in Nukerke. Zo te zien ging de verfransing zo ver dat men zelfs de voornaam wijzigde in Pierre.

    Een zekere Brudyn Eugène uit Etikhove, geboren in 1840 werd toen bij de “volontaires” ingelijfd als “domestique”.

    Uittreksel uit het geboorteregister. Bij Koninklijk Besluit van 15 september 1819 heeft Koning Willem I bepaald dat in Vlaanderen het Nederlands de officiële taal wordt. Maar het duurde tot 1 januari 1823 tot de administratie volledig was vernederlandst. Vanaf dan zijn ook de gemeentelijke archieven in het Nederlands opgesteld.

     Nabeschouwing :welke informatie halen we uit bovenstaande?

    De schrijfwijze van onze taal. Wie er burgmeester en veldwachter was. Tijdens de Franse Revolutie werd ons land administratief ingedeeld en tijdens het Hollands Bewind verder aangepast. Zo lezen we over het arrondissement en de provincie. Naam van de aangever en woonplaats, al of niet gehuwd en met wie, beroep en de geletterdheid van de comparant.

     De 19de eeuw bracht veel armoede in Vlaanderen zodat velen van onze overgrootouders en grootouders noodgedwongen werk zochten in in Noord-Frankrijk.De dapperste mannen trokken de landsgrens met Frankrijk over en werkten er als seizoenarbeider op de zeer grote landerijen in Picardië. Wekenlang waren ze van huis weg, om er dag in dag uit te wroeten op de bieten- de graanvelden en in de asten. Na een lang seizoen kwamen ze uitgeput terug, te voet en met de trein, sommigen op klompen.  Maar fier waren ze als ze bij moeder thuis op tafel de goudstukjes (napoleons) neertelden die ze hadden verdiend.


    Op den Dries

    Dries is een Oudnederlands (1150) woord en wees op een weiland met bomen beplant, soms driehoekig van vorm, en een plaats waar alle dieren (meestal schapen) uit de omgeving mochten grazen. Dries wees soms op een braakliggende akker of dorpsplein ...

    Daar werd in het ouderlijk huis Aloïs Willems geboren als zoon van Desiré en Melanie Verhellen. De oude woning werd in 1953 grondig gemoderniseerd; strooidak en lemen muren verdwenen. Een houten balk, verborgen in het plafond draagt het jaartal 1668. In oorsprong behoorde dit landhuis toe aan de boerderij van Staf Vande Putte, een grote vierkantshoeve aan de overzijde. Dat was toen rijk en invloedrijk en devote familie want. Zo schonk Mathilde Vande Putte een glasraam aan de parochiekerk te Nukerke.  Dit moeten we corrigeren als volgt:Anna Theresia Vandeputte geboren te Nukerke op 30 september1795 schonk aan de parochiekerk een heel mooi kleurrijk glasraam, O.-L.-Vr. van Lourdes voorstellend. Dit glasraam is geplaatst in de noordenmuur van de kerk.”
    Octaaf Verhellen, broer van Melanie was toen “carton” (van het Franse carter dat voerman betekent ?) op de boerderij van Vande Putte. 

    In de jaren 20 bleven op de boerderij nog 2 jonkmans en één jonge dochter over. Die mensen waren zó devoot dat ze dagelijks in de kerk te Nukerke de mis bijwoonden. In het huishouden werden ze geholpen door de buurvrouw van rechtover, nl  Hortanse de vrouw van Richard Vanderbeke. Als beloning voor haar hulp schonken de Vande Puttes de woning aan Hortanse. De boerderij zelf werd in 1926 gekocht door  Richard Devenijns en vrouw Zulma Devos, afkomstig uit Leupegem. In de jaren 70 volgde zoon Marc zijn vader op.

    In de loop der tijden werd het landhuisje van de familie Willems uitgebouwd tot een zelfstandige boerderij.

    Vooraf een verhaal van twee inwoners die de overgang naar de 20ste eeuw hebben meegemaakt. Dit verhaal uit 1973 is een weergave van een interview met Remi Pot en Aloïs Willems. Het gesprek werd zo getrouw mogelijk weergegeven. Vandaar het soms oude woordgebruik.

    Remi Pot werd geboren in Etikhove in 1892 en Aloïs Willems werd in 1897 geboren in Nukerke. Gedurende vele jaren waren ze buren op ’t Holand, Den Dries in de volksmond.

    Hun verhaal

    Aloïs en Remi: “Toen wij naar school gingen  in onze kindertijd moesten wij nog niet opletten voor de auto’s. D’er waren er nog gene. Wij aten toen veel boterhammen, eieren, soms vlees. Sommige mensen aten toen al twee keer per dag vlees. Ik ben in Etikhove naar de school geweest en  zat bij meester Vande  Putte. Meestal gingen de kinderen op kloefen naar school.

    Aloïs.: Voor mij was dat naar school gaan wel een half uur stappen. D’ Holandstraat was toen al gekassied. En als ’t winter was dan zat de sneeuw soms in ons kloefen. In de school bleven de kloefen in de gang staan. Wij gingen op ons kousen naar binnen. Sommige kinderen deden gebreide sokken aan in de klas. Als het regende droegen we een kapmantel. Ge weet wel, zoals de facteur er nu nog een draagt. We namen onze boterhammen mee en warme soep kregen we van de nonnekes. Ik denk dat we 1 cent betaalden voor een tas soep. De minder begoeden betaalden niet. Pas als we onze plechtige communie deden kregen we schoenen maar tijdens de week liepen we steeds op kloefen.  Wij, de jongens, droegen een pofbroek,  zo’n broek tot aan de knie, ja met een rekker in. Punten en rapporten bestonden toen nog niet. Meestal schreven we op een stenen lei met een griffel. Af en toe schreven we in een cahier, allé een schrijfboek, met een inktpen. Kleurpotloden bestonden toen niet in de school. Een boekentas hadden we niet want we namen niets mee naar huis. Alleen de catechismus ging mee. Ik herinner mij nog de vakken heilige geschiedenis, aardrijkskunde en vaderlandse geschiedenis. Van die vakken hadden wij een boekje. We leerden ook andere vakken zoals het abc, rekenen, optellen, aftrekken … Straf schrijven bestond toen niet. Maar ’t was de tijd van de kloefen hé. Dus de kloefen uit en met de knieën in de kloefen. Nog niet braaf ? Dan kwam er een andere straf. Soms kwam meester Jan met zijnen regel rond en sloeg op ons kneuten. Als we dorst hadden dan dronken we water aan de pomp want leidingswater bestond nog niet in Nukerke.”

    Aloïs ging naar de kleuterklas in het schooltje naast de villa Van Malleghem, achter de kerk. “Daar waren in mijn tijd 2 kleuterklassen. Ik zat in de klas van de kinderen die geboren waren in 1897. We verzamelden op de koer van de meisjesschool en gingen vandaar met de zuster de plaatse af naar de klassen. In de klas was er geen verlichting en als het te donker was om iets te leren dan deden we niets. En we waren helemaal niet verplicht om naar school te gaan. Als we groter waren staken we veel deugnieterij uit. Soms moesten we schoolblijven omdat we niet op school aankwamen, maar we moesten ook blijven als we ons les niet konden.”

    De voorschoolse opvoeding noemde vroeger de bewaarschool of fröbelschool voor kinderen van 3 tot 6 jaar. In oorsprong was de voorschoolse opvoeding uitsluitend een particulierinitiatief. De eerste officiële kleuterscholen startten in 1843 en het zal nog tot 1879 duren voor aleer de gemeenten verplicht werden om een bewaarschool op te richten. De oprichting van de lagere scholen was reeds verplicht vanaf 184 2 en was kosteloos voor kinderen van behoeftige ouders. De leerplicht voor kinderen van 6 tot 14 jaar kwam in voege in 1914 en de wet van 19 mei 1914 voorzag de oprichting van de 4de graad lager onderwijs. Het lager onderwijs was toen kosteloos.

    “De eerste communie bestond toen ook al, dat was op 7 jaar. Goede katholieken mochten de bijbel niet lezen. De meeste kinderen gingen naar school tot aan hun plechtige communie. En eens dat voorbij speelden we koewachtertje bij een boer.” “ Ik”, zei Remi, “ ik verdiende 8 frank per maand en er waren er niet veel die zo veel verdienden. We kregen wel eten op de boerderij. Foto’s van die tijd hebben we niet. Dat is spijtig. Maar sommige jongens bleven gemakkelijk thuis. Vooral als ge van de oudste waart. Die bleven gemakkelijker thuis om te werken. Ik was van de jongste en ging  meer naar de school. Soms ging er een zondagschool door. In Etikhove was er soms avondschool. We gingen daar naar toe om te leren. ’t Was gratis en zelfs grote mensen van 20 jaar mochten komen. En een bibliotheek in de klas dat bestond nog niet. We hadden zelf weinig boekjes en ze moesten dan nog in de school blijven. En gedichtjes leerden we ook maar we zijn die vergeten. Bomen schreven wij toen nog met twee o’s.” 

    Veel boeken hadden we niet. Den schoolopziener kwam somwijlen naar de klas.

    In de lagere school zat ik bij meester Jan, op het dorp. De man met een zakuurwerk want polshorloges kenden ze nog niet. Op zijn neus stond een pince-nez met een koordje vastgelegd om als hij vlieg niet op de grond te vallen en met een ressorke om op de neus vast te zetten. Onze meester had geen kiel aan. Ik denk dat onze meester Jan de eerste was in Nukerke die een fiets had. We gingen volle dagen naar school van maandag tot vrijdag en de zaterdag was er school tot ’s middags. Sommige kinderen doken de school. Er werd ook haagschool gehouden vooral tijdens de fruittijd.

    Remi: ”Ik moest eens schoolblijven met een kameraad. Omdat ik mijn les niet kende. Als straf moesten we het onkruid trekken in de lochting  van de meester. Die lochting lag waar nu ’t kerkhof ligt. We kropen over de muur en begonnen te wieden. Of we het wisten of niet maar we hadden al de prei uitgetrokken want we dachten dat het onkruid was. De meester had dat vlug in de mot. ’s Anderendaags moesten we een wieske meebrengen naar de klas en het aan de meester geven. Ge kent dat wel he, zo'n fijn lang twijgje van een wilgenstruik, waarmee ze wissen maanden mee maken. Maar dan hebben we er van gehad. In de benen. De schoolblijvers moesten soms de klas kuisen. De wc’s bestonden uit een hokje met een plank waarin een rond gat was.

    Aloïs: “In 1913 heb ik voor ’t eerst een vlieger gezien toen we bezig waren met den oogst te pikken op ’t Eertsveld. ’t Was een noodlanding. Op school was er geen bibliotheek. We hadden weinig schoolboeken en die moesten altijd in de klas blijven. En schriften , we hadden er “meeruize” twee of drie. We zaten met zes op een lange bank zonder leuning. Onze rug leunde tegen de bank achter ons. We mochten niet te veel schommelen terwijl er geschreven werd. En het houten bord hing niet aan de muur maar stond op een driepikkel, een ezel zoals ze zeggen. De meester schreef er op met krijt. Ja, ’t was in de tijd van Koning Leopold II. Er waren weinig kranten in onze kindertijd. We kochten af en toe ’t Volk van Ronse. Soms was er zondagschool maar in Etikhove was er ook ’s avonds school. We gingen daar naartoe om te leren. En ’t was gratis.en zelfs grote mensen van 20 jaar mochten er naartoe. Examens hadden we niet.”

    Thuis stonden er toen niet veel teloren op tafel. In ’t midden stond een grote teil met eten en ieder at met een houten lepel. Ons huis dat was maar om zo te laten; aarden muren met stokken er in verwerkt, aarden vloeren , strooien dak en de zoldering gelegd met planken en daarop aarde geplakt voor de warmte. Het eerste vliegtuig dat ik zag was er een die een noodlanding had moeten doen op de Eerstkouter, daar aan 't Moleke. We waren juist bezig met de oogst te pikken. ’t Was de tijd dat de boeren op ’t land werkten met een span koeien of een ossenspan. Boeren die meer land hadden bezaten één of twee paarden. Bij Remi hadden ze 2 ossen en zeven koeien. De ossen deden het werk. Veel mensen leefden van de opbrengst van een klein boerderijtje. Wij hadden thuis 31 dagwand. Eén ha is 3,25 dagwand groot en één roe is 5,57 meter in ’t vierkant. Het geld was toen een centiem, twee centiem en een frank was toen al veel geld. De dichtste winkel was in de Vinke, bij Ryckbosch. En cafés… er waren er


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wapenschild van Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen     Wapenschild van Nukerke

     Dit wapenschild werd toegekend  aan de nieuwe gemeente Nukerke tijdens het Hollands Bewind op 4     augustus 1818 en definitief bevestigd  door de Belgische regering op 11 september 1843. Voorde en Zulzeke hebben een identiek wapenschild.

            Het staat met zekerheid vast dat de naam Nukerke betekent “Nieuwe kerk”,  “Nova Ecclesia”. “Dit kan verklaard worden door het feit dat de kerk van Nukerke, wiens patronaat toebehoorde aan  het kapittel van Kamerrijk ( Cambrai, nu Noord-Frankrijk), omwille van het groot aantal gelovigen dat er de godsdienstige plichten   kwam vervullen, tot afzonderlijke parochie werd verheven  en aldus werd afgescheiden van Melden. Nukerke vormde reeds lang met Melden een “vierschaere”  en maakte met zeven andere localiteiten , deel uit van de baronie die de grondeigendommen, gelegen tussen de twee beken “de Marcke en de Ronne” groepeerde. Deze baronie in de kasselrij  van Aalst  was leenplichtig tegenover het feodaal hof van de hertog van Kleef te Heinsberg nabij Aken. In 1647 behoorden de dorpen, Nukerke, Edegem, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem aan de Baron van Pamele toe. De Nederlandse regering kende op 4 augustus 1818 aan de gemeente Nukerke een wapen toe van lazuur met de godin Ceres van goud. Ceres was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid. Daarom stond ze op het wapenschild afgebeeld met een  bundel korenaren in de linkerarm en de rechterhand aan de ploeg geslagen.  Dit wapen werd bekrachtigd bij KB van 1 september 1843. In oude documenten werd de volgende schrijfwijze van de gemeentenaam teruggevonden: 13 en 14de eeuw  Neukirchen, 1538 Nieukerke, 1618 Nova Ecclesia – 1657  Neukercke – 1678 Nieukerk – 1679  Neukerk – 1689 Nieukercke – 1733  Neuféglisse – 1736  Nuyckercke – 1746  n’oeuf es-glisse – 1748 Nukerke  - 1767 Nukercke –1779 Nieuwkercke , 1851 Nukerke en sindsdien ongewijzigd.




    "Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst"

    Interpretatie betreffende het”Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst”. Het document bestaat hierin dat elk perceel grond en elk huis, alle wegen en waterlopen die bestonden in 1772, op perkament zijn aangebracht. Zo bestaat dit  tweedelig “Landboeck” uit 23 perkamenten of kaarten die achtereenvolgens een bepaald deel van de parochie voorstellen. Petrus Joannes Bonné, landmeter, zou de metingen komen doen met toestemming van de burgemeester Baillui en de schepenen van de parochie op 2 .. 1768. Ieder stuk land zal in het “Landboeck” opgetekend worden door middel van kleurrijke kaarten. De metingen werden gedaan in november 1771. De burgemeester en de schepenen deden dan ook na de goddelijke diensten te Ronse, Etikhove, Zulzeke, Melden en Nukerke publiceren dat de voornoemde landmeter zou verblijven bij Urbanus Vander Straeten en dat iedere eigenaar inspektie mocht komen doen aangaande hun eigendom en gebruik, dit gedurende de maanden maart, april en mei 1772. Dit deed men om fouten en missingen te verbeteren, of misschien ook om een hermeting te doen ten koste van de verongelijkte. Hierbij noteert men dat de meting  gedaan werd in Aalsterse maten of 93 Roeden terwijl dit overeenstemt met 100 Nukerkse roeden en dit geldt voor alle gronden, bossen en weiden van de parochie voor ze gecoteerd waren, alle bestaande gronden, bossen en weiden, als degene palende aan de heirweg, dorpswegen, Pontwegen, zijwegen en bermen, de grachten daarlangs zijn niet meegemeten. Daarna volgt nog een beschrijving aangaande de afspanning met hagen, de waterlopen en de scheidingslijnen en helfthagen.


    Het parochiaal register

    Het parochiale register met geboorten tot 1603 en huwelijken, alsook de overlijdens vanaf 1629 tot 1800 berustten reeds in 1955 in het rijksarchief te Gent

    Nog in 1956 zei de gemeentesecretaris P. Hoffmann:” Op onze parochie zijn geen geschiedkundige werken verschenen.”

    Let op het woord “ parochie”, waarmee men eigenlijk gemeente bedoelt. Een woordgebruik dat is gegroeid uit het feit dat een parochie (prochie) als gemeenschap eerder bestond dan gemeente als entiteit. Let tevens op de schrijfwijze van de lange a. Bij het ontstaan van het middelnederlands kwam men op de idee de lange a te schrijven als ae. Zie de vele eigennamen.

    Evolutie van de Nukerkse bevolking

     


    jaar                 aantal

     

    1570                 1320

    1585                 1450

    1816                 2562

    1830                 2440

    1846                 2230

    1857                 2001

    1866                 2126

    1880                 2185

    1890                 2191

    1900                 2264

    1910                 2139

    1920                 1952

    1930                 1820

     

    jaar                 aantal

     

    1940                 1858

    1950                 1857

    1960                 1794

    1961                 1784

    1962                 1809

    1963                 1785

    1964                 1794

    1965                 1816

    1966                 1862

    1967                 1829

    1968                 1809

    1969                 1800

    1970                 1826

    1975                 1840

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (8 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Gemeentehuis  met pui of bordes, onderpastorie en pastorie te Nukerke. De eerste twee  gebouwen werden in 1974 jammerlijk gesloopt om plaats te maken voor  een parking. Sindsdien is het dorpsplein een kale plaats. Velen zullen met heimwee terugdenken aan de tijd toen onze geüniformeerde veldwachter, Kamiel Verdonckt,  iedere zondag na de hoogmis, de trappen van de pui  besteeg , met een armbeweging de aandacht van de menigte vroeg en vervolgens op een statige wijze de  “berichten aan de bevolking” kond maakte terwijl groot en klein, opkijkend in de richting van de veldwachter, met aandacht en respect voor het gezag in stilte luisterden. Nadat  “en ieder zegge het voort “ weerklonk verbrak het geroezemoes de stilte van de “plaatse”

    Over dit gemeentehuis met pui wist Paul Hoffmann, die gemeentesecretaris was tijdens en na de oorlogsjaren , met zekerheid te vertellen dat dit gebouw reeds in 1772 bestond. De beschrijving komt immers voor op het eerste perkament van het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst”. Men weet echter niet wanneer het gebouwd is aangezien het “Landboeck” (1772) het oudste document is dat  vroeger in Nukerke berustte. Het gebouw was vroeger, dus minstens vanaf 1772, de pastorie en is pas in 1903 of 1904 gemeentehuis geworden. Naast het gemeentehuis met pui stond het huis van de onderpastoor. Volgende onderpastoor woonden in deze woning: Van Moorleghem, Aelvoet, ’t Kint , Pot.

    Het klein, muftig kantoortje van de secretaris zou de vroegere slaapkamer geweest zijn. Het gemeentehuis zelf was vanaf 1770 ondergebracht in de herberg “In ’t oud gemeentehuis” (zie beschrijving bij nr 6) , schuin tegenover  de pastorie. Later heeft men het secretariaat verplaatst naar het huis waar nadien de koster Deriemaeker  woonde (nu drukkerij). Eerst rond 1903 of 1904 is de pastorie gemeentehuis geworden, terwijl iets verderop een nieuwe pastorie werd gebouwd  (zie gebouw links). Aan de oude pastorie bracht men enkele veranderingen aan zoals  de ingang en de toegangstrap. Rond 1905 plaatste men in de hoek van de voorgevel en de westelijke zijgevel een O-L-Vrouwbeeld. Dit beeld was een geschenk  van de toenmalige dorpsonderwijzer van de katholieke school, “meester Jan”, aan zijn gemeente. Meester Jan woonde op het dorpsplein in de woning waar nu de familie Georges Aelvoet-Restiaens woont. Jarenlang gaf meester Jan aan zijn oud-leerlingen ‘s zondag  na de mis les in de “zondagschool”. De Ontvanger van Belastingen had zijn kantoor tot 1912 naast het gemeentehuis, nadien werd zijn bureel verhuisd naar de herberg “In den Engel” om nadien te verhuizen naar de woning naast de brouwerij Tsoen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3.Hospice
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    3.        Hospice of  “Oudemannenhuis” te Nukerke, gesloopt  begin jaren 70 toen de werken aanvingen voor de bouw van de nieuwe verpleeg- en rustoord, de Samaritaan. In het hospice werden zowel oude vrouwen als mannen opgenomen die niet meer zelfstandig konden leven. De plaatselijke oudjes hadden natuurlijk voorrang. De dagelijkse zorgen waren in handen van enkele zusters van Barmhartigheid. De enkele ongezellige kamers hadden hoge plafonds. Aan het hospice was een grote boomgaard en moestuin verbonden waarin de meest-valide bewoners van het tehuis konden werken. De zusters hadden  ook de zorg van gerechtskinderen en wezen op zich genomen. De meisjes verbleven in de kloosterwoning, gelegen op de speelplaats van de vrije school terwijl de jongens in een bijgebouw van het hospice verbleven. Niet te verwonderen dat zij de “kinderen van het hospice “ genoemd werden. Dagelijks kwamen zij onder begeleiding van een zuster naar de jongensschool, gelegen naast de meisjesschool.   
    Ontwikkeling van het hospice “Vóór 1890 bestond er te Nukerke een vreemdsoortig hospice. Oude mannen en vrouwen werden er verzorgd door het echtpaar Antoon de Vos-Theresia Van der Steen, mensen van goeden wil, maar zonder bestuurlijke bevoegdheid, zodat de zaak dreigde ten gronde te gaan. Dit wilden de E.H. Pastoor Files en het Gemeentebestuur van Nukerke ten alle prijzen verhoeden, en dus werden er Zusters van  Barmhartigheid van Ronse gezonden om het vervallen gesticht terug in bloei te brengen. Den 15de december deden de Zusters er hun intrede en werden verwelkomd aan het huis van Therisie Van der Steen met een peperkoek. Toen waren er reeds twintig oudjes opgenomen. Het zogezegd hospice bestond uit een boerenwoning langs de Pontstraat, rechtover de huidige Glorieuxstraat. Het gebouwtje was met stro bedekt en was lang niet waterdicht, maar de Gemeente had plannen om een nieuw hospice te bouwen. Van Ronse kwam de tijding dat Moeder Felicitas Nukerke moest verlaten om in Heldergem een nieuw huis te beginnen. Zuster Venantia werd den 21ste september 1894 als jonge overste in het Hospice aangesteld. Rond die tijd werd de aanvang begonnen van een nieuw Hospice te bouwen dank zij de krachtdadigheid van E.H. Pastoor de Boe.Einde augustus 1897 was de bouw voltooid. Volgens overeenkomst  moesten de Zusters de ouderlingen kost en inwoon geven tegen 45 centimes daags. De kostkopers betaalden 1F. In 1901 werden de eerste weesjongens geplaatst: het was een schuchter begin, van een werk dat later zou groeien en bloeien. Tijdens de oorlog 1914-1918 werd van 1915 tot op het einde van de oorlog  een deel  van het hospice in lazaret herschapen In 1923 moest Moeder Venantia, reeds 33 jaar in Nukerke, naar Durmen verhuizen, en werd slechts na twee maanden vervangen door Moeder Aveline. De overste was reeds 20 jaar  werkzaam in het hospice. Onder haar bestuur nam het hospice verdere uitbreiding en werd de eigendomskwestie definitief opgelost door de oprichting van een Associatie in 1928, zonder winstgevend doel. De Parochiale werken van Nukerke. In 1932 mocht het H. Sacrament in het hospice blijven. Op 10 augustus celebreerde Eerwaarde Vader Akkerman  de eerste H Mis.Het gesticht had zulk een grote bijval dat het te klein werd, en aldus werd  een tweewoonst, grenzend aan het gesticht aangekocht. Deze woning richtte men in voor de jongens. Het gebouw kreeg de naam van “Palviljoen St-Vincentius”. Langzamerhand werd de inrichting steviger en groter. Op 2 Juli 1939 vierde het hospice een 100 jarige, nl. Madame Justine Segers Tijdens de oorlog 1940-45 bedroeg het aantal inwoners, 98 nl. 10 zusters, 48 ouden van dagen en kostdames en 40 weesjongens.”(tekst  overgenomen uit een oude kroniek).
    Korte evolutie van het hospice. Volgende tekst werd opgesteld door de zusters.
    “Op 15 december 1890 deden onze zusters hun intrede in het boerenhof van het echtpaar De Vos-Van der Steen. Deze mensen hadden tot dan, met hun beperkte mogelijkheden, bejaarde mannen en vrouwen onderhouden. In dit zogezegde hospice, dat kraakte van de sleet, werd in soberheid en armoede, maar vol liefde en toewijding een twintigtal bejaarden verzorgd.
    Door toedoen van E.H. pastoor De Boe kon in september 1897 een nieuw gebouw in gebruik worden genomen. In 1901 werd er een jongensweeshuis aan verbonden, dat later uitgroeide tot het jongenstehuis “Paviljoen St- Vincentius”.
    De perikelen van Wereldoorlog I en II trotseerde de instelling ondanks moeilijkheden, met moed en krachtdadigheid.
    Bij het begin van de jaren zestig ging de congregatie over tot het zetten van een nieuwbouw, die het oude hospice en het weeshuis ophief.
    Het jongensweeshuis, samen met het meisjesweeshuis, dat vanaf 1877 verbonden was met de school, werden op 1 september 1968 vervangen door een gemengd kindertehuis in Nukerke “Sint Vincentius” en een in Ronse “Zonnelied”.
    Op 16 juni 1968 werd het eerste deel van de nieuwbouw V.-Dienst voor chronische zieken “De Samaritaan” in gebruik genomen.
    Op het einde van de zeventigerjaren werd, deels met staatssubsidies, het verzorgingstehuis voor semi-validen en bejaarden “Jericho” opgericht. De plechtige inzegening had plaats op 31 mei 1980. Wij menen daarmee een acute moderne nood te helpen lenigen, een werk dat volledig in de lijn ligt van de verlangens van de Stichter.” Zuster Gisèle


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2.Oude dorpskom
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2.        Zicht op de oude dorpskom  van Nukerke, gezien vanuit de vroegere Boelaardstraat. Met zicht op de kerk  Onze-Lieve-Vrouw  Tenhemelopneming.  Dit dorpszicht is sinds de eindjaren 70 onherroepelijk verdwenen. Links zie je nog de herberg “In ’t oud gemeentehuis” met bijhorend kruidenierswinkeltje, waar we, in onze jeugdjaren, nadat we twee trapjes afdaalden voor 5 fr een pakje Belga kon kopen. Deze herberg was tot de afbraak eigendom van de familie Ryckbosch.  Rechts bevond zich de woning “Blommaert” . In deze woning  werd in de jaren 70, en  dit tot aan de fusie van de 4 gemeenten  op 1 januari 1977, de gemeentelijke diensten ondergebracht.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    28-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    27-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.4.De snibbemolen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    4.       In de verte de houten  “Snibbemolen” te Nukerke, op een hoogte van 125m. Omer Wattez vermeldt deze molen in zijn werk “De Vlaamsche Ardennen” voor het eerst gepubliceerd in 1913, maar op een kaart van 1862 staat hij vermeld als  ’t Snibbe molen. De houten windmolen, in de verte, op de hoek van de  Staatsbaan (nu Rijksweg) en de Molenstraat(nu Zeelstraat), is .afgewaaid rond 1940 op het ogenblik dat de molenaar pas de molen had verlaten. Het molenaarshuis staat tot heden nog aan de overzijde van de Rijksweg. De laatste twee molenaars waren Theofiel Bostijn die opgevolgd werd door zijn zoon Julien. Zijn dochter, Simone, woont nu bij haar dochter,  Marie-Paule Deschamps in Ronse. In hoofdzaak werd hier notenolie  geproduceerd. Nadat de molen onbruikbaar was  werd het vele hout tijdens de oorlogsjaren links en rechts als brandhout aan de man gebracht. Richard De Bisschop heeft jarenlang samen met zijn vrouw, Irma Decuyper, de herberg “In ‘t molenhuis” opengehouden. De woning met bijgebouwen staat op de hoek van de huidige Rijksweg en Zeelstraat. De handboogschutters van de Nukerkse schuttersmaatschappij schoten er naar de liggende wip. De staande wip stond  op de terp waarop vroeger de molen stond. In de jaren tachtig verhuisde de staande wip naar het sportterrein  langs de Kortekeer. Tot in de jaren 50 waren de vier stenen voeten, op de terp, de enige getuigenissen van de molen. Ook in die periode werd de terp afgegraven  om er zavel te ontginnen maar na enkele jaren werd de zavelput gedempt met allerlei afval. Op  het voorplan ziet u de stenen windmolen  “Ten Kruissens” in volle glorie, honderd meter verder eveneens op het grondgebied van Nukerke. Zie verder bij molen “Ten Kruissens”. Alleen al in Nukerke stonden 4 windmolens wat een bewijs is van de toenmalige rijkdom van de streek.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    27-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    25-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.5. Windmolen ten Kruissens
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    5.        De witgekalkte stenen  windmolen “Ten Kruissens” te Nukerke, ontdaan van de wieken. Deze molen bestond met zekerheid reeds in 1556, als eigendom van de familie Ladeuze te Etikhove. In 1831 werd hij eigendom van de zout- en zeepzieder Desclée-Van Malderd te Ronse.  In 1864 ging de molen over naar de familie Willems uit Zulzeke en in 1899 werd de molen dan doorverkocht aan Richard Maes.  Op een kaart van 1862 staat de molen aangeduid zonder naam. Tot op heden is de molen in het bezit van de familie Maes  A. Een storm vernielde de wieken en in 1929 werd elke activiteit gestopt. De stenen kuip bleef staan terwijl het  interieur tot woonhuis werd ingericht. In het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen vermeld als “De hoogmeulen ter Crycen”.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    25-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    24-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.6. Windmolen Ten Hengst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen 6. Stenen graan- en oliewindmolen  “Ten Hengst”, gelegen langs de Ommegangstraat te Nukerke, 112,5m boven zeeniveau op een afgeplatte heuveltop, een getuigenheuvel. Deze molen stond reeds vermeld in het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” van 1772 als “De wint Meulen ten hingst”. Hij zou  dateren uit 1571. Deze molen werd in de volksmond zo genoemd omdat de wieken wild konden te keer gaan. De molen werd door een blikseminslag volledig vernield in 1831. Deze graan- en oliemolen werd nadien herbouwd door Constant Kervyn.  Meer dan eens  werden de wieken tijdens een storm afgerukt. Hij vormt een mooi geheel met de gerestaureerde molenaarshoeve. Sinds K.B. van 30-12-60 is de molen een beschermd  monument  en kan hij weer lustig met zijn wieken zwaaien. Laatste restauratie gebeurde in 2004. Dat er destijds , alleen al in Nukerke, 5 windmolens en 2 watermolens actief waren getuigt van een zeer grote rijkdom aan graangewassen en een zekere welstand voor de bevolking. Zie ook het Nukerkse wapenschild.  De gemeente Nukerke kreeg bij koninklijk besluit van 1843 een mooi wapen toegekend waarvan de beschrijving als volgt luidt: “achtergrond van lazuur(blauw) met de godin Ceres  van goud, ze slaat de hand aan de ploeg en draagt een bundel korenhalmen”. Ceres was de Romeinse godin van de landbouw (de vruchtbaarheid) en door haar beeltenis wordt dus deze tak van bedrijvigheid, eigen aan de gemeente, op zinnigebeeldige manier voorgesteld. Nukerke was eertijds een heel bedrijvige en welvarende gemeente op landbouwkundig gebied, te zien aan de vier windmolens en twee watermolens.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    24-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    23-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.7. Oud-schoolhuis
    Klik op de afbeelding om de link te volgen   Oud schoolhuis  behorend bij de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Om de historiek rond de perikelen - de plaatselijke schoolstrijd - van die gemeenteschool beter te begrijpen is de geschiedenis op nationaal vlak heel belangrijk en verhelderend. Zie verder in de volledige tekst.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    23-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    22-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.8. Oud hoevetje
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  8.  Oud, verlaten  hoevetje langs de Pontstraat. Afgebroken in 1999.  In dit hoevetje woonde jarenlang  Richard  Van Coppenolle, in de volkmond “ ’t cabineurke”. Deze was immers aangesteld om  de “compteur” of de elektriciteitsmeter in de woningen op te nemen. Omdat Richard  bij een stroomonderbreking naar de elektriciteitescabine moest (met de fiets, in weer en wind)  om de panne te herstellen  en omdat hij bovendien niet te groot van gestalte was noemde men hem met een verkleinwoordje. Richard was steeds opgewekt en een graaggeziene figuur, potlood achter het oor, sigaartje in de mond en een lederen diensttas aan de zij.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    22-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    21-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.9. Gesloten hoeve
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Gesloten vierkantshoeve langs de Ruitegem.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (6 Stemmen)
    21-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    20-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.10. Windmolen ter Slepe
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    1.        Stenen korenwindmolen “Molen Ter Slepe” ook genaamd “Molen Ten Nieuwennest” langs de Weitstraat te Nukerke op een hoogte van amper 56 m. Verklaring voor de eerste naam: de molenwieken sleepten traag wegens het feit dat ze weinig wind vingen. Hij prijkt immers niet bovenop een heuvelrug maar op een lage uitloper van de getuigenheuvels. Tweede verklaring: de naam  van het café dat de naam droeg “In de Nieuwennest”. De molen dateert uit de periode 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos.

    Op een kaart van 1862 staat hij aangeduid als Slepe molen, gelegen langs de Wijkstraat. De molen werd verscheidene keren van de hand gedaan. De laatste eigenaars, die de molen als schenking verkregen, waren Octavie-Sidonie De Langhe en Victor De Langhe die hem ten slotte door verkochten in 1910 aan Rafaël Maes-Vandenhende. Vanaf 1938 werd de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Tot overmaat van ramp sloeg de bliksem op de molen en werden de wieken totaal vernield. Een roemloos einde stond hem te wachten. Gilbert Stockman uit Etikhove heeft later de molen opgekocht om hem volledig te restaureren, wat maar gedeeltelijk is gelukt. Nu staat hij weer te koop.

    In 1968 verscheen in “De Ronsenaar” volgend artikel van AVH onder de titel “Nieuwe toekomst voor de molen ter Slepe te Nukerke”. “Wie een beetje de streek van de Vlaamse Ardennen met zijn typische bezienswaardigheden kent, weet dat het gebied Etikhove-Nukerke-Louise-Marie kan omschreven worden als een verrassende oase van pittoreske heuvelachtige natuurpracht. Midden dat deinend landschap prijken - zoals overal trouwens in de Vlaamse Aedennen - een stel oude windmolens die het landelijk karakter van ’t gebied nog meer affirmeren en die omwille van hun aanlokkelijkheid en hun antieke waarde trouw bewaard blijven. Een van deze merkwaardige molens is stellig de windmolen “Ter Slepe” aan de Wijtstraat te Nukerke, dicht bij de spoorweg Oudenaarde-Ronse en slechts een boogscneut verwijderd van de wijk “Donderij” te Etikhove. De molen Ter Slepe is laag gebouwd en prijkt niet zoals vele andere op een heuvel. Zijn naam heeft hij te ontleend aan het feit dat zijn wieken regelmatig op de grond sleepten. (De schrijver bedoelde hiermee dat de wieken meestal traag draaiden omdat ze weinig westenwind vingen . De wind uit de andere richtingen gaven geen probleem.(six)). De niet opgehoogde plek waarop de windmolen “Ter Slepe” in stenen werd opgetrokken was niet ideaal om veel wind te vatten, vandaar het slepen van de wieken.In feite droerg deze windmolen eerste de naam van een nabij gelegen herberg met uitsteekbord “Nieuwennest”. De molen “Ter Slepe” dateert uit de jaren 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos en door deze laatste uitgebaat tot 1835. Op 15 december 1847 verkocht  notaris Platteau van Ro,nse de molenmet bijhorende molendam aan Louis Vindevogel. In 1848 veranderde de molen terug van eigenaar. Door schenking werd hij de eigendom vanAlbib De Vos uit Elzele. In 1865 werde de molen terug verkocht en kwam in handen van Vital De Langhe uit Schorisse. Deze laatste herbouwde de molen gedeeltelijk in 1880. In 1897 komt de molen toe aan de weduwe en kinderen van de Langhe en wordt een jaar later als schenking toevertrouwd aan Octavie Sidonie De Langhe en Victor De Langhe. In 1910 wordt landbouwer Maes-Vandenhende uit Ronse de nieuwe eigenaar. Vanaf 1938 wordt de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Rond die periode sloegde bliksem in op Ter Slepe en de wieken waren totaal vernield. Nooit werden er nog andere wieken op geplaatst. Tijdens de naoorlogse periode heeft niemand zich meer om het instand houden of om een eventuele restauratie van de molenpuinen bekommerd. De molen stond letterlijk te vergaan en scheen geduldig te wachten op ’n roemloos en stil einde. Door allerlei omstandigheden veranderde de molen ter Slepe tijdens de naoorlogse periode nogmaals van eigenaar. Hij werd aangekocht door Willem Vandereecken-Baeke uit Nukerke. Bij die aankoop bleek het echter dat de heer Gilbert Stockman uit Etikhove zich om tal van redenen voor de puinen van de molen Ter Slepe begon te interesseren. Terecht had de heer  Stockman ingezien dat het zeer spijtig zou zijn de molen volledig teniet te laten gaan én omwillle van zijn passende schilderachtige versieringsrol in het landschap én omwille van zijn antieke en folkloristische waarde. De heer Stockman nam kontakt met de eigeaars Vandereecken-Baeke en slaagde er in de molen in zijn vervallen toestand aan te kopen. Onmiddellijk liet de heer Stockman de restauratie van de molen aanvangen. Het dak in alpenmutsvorm werd volledig vernieuwd. De buitenmuren van de molen werden hersteld en gedeeltelijk hermetst. Het interieur van de molenwerd bijgewerkt en in zijn oorspronkelijke toestand herschapen. De restauratie van de molen Ter Slepe is thans nog volop aan de gang. De onderkeldering werd ontruimd en alles wordt thans in gereedheid gebracht voor het plaatsen van nieuwe deuren en ramen. Vermoedelijk zal de molen in de loop van de komende zomer tot een juweeltje herschapen zijn en bewoonbaar gemaakt worden. Voor de windmolen Ter Slepe is heel onverwacht ’n nieuwe toekomst begonnen. Hij werd gered van de ondergang. Het is ‘n nieuwe aanwinst voor een heerlijk landschap midden de Vlaamse Ardennen.”

    Tot zo ver het artikel. Maar, geachte schrijver, wij moeten u zwaar teleurstellen. Dat programma werd amper verwezenlijkt, de zaak sleept nog aan, en de molen staat er nu (in 2008) nog even triestig en verlaten bij als toen die tijd…

    Aanvulling: In een plaatselijke krant van mei 2006 verscheen volgend artikel.

    Kunstenaar Piet Van Praet, die al enkele jaren in de vroegere molen Te Slepe aan de Weitstraat in Nukerke woont, ziet zich gedwongen om zijn “woonmolen” te verkopen. Sinds enkele maanden krijgt de man namelijk geen leefloon meer van het OCMW. Na een val drie jaar geleden, zat de kunstenaar maandenlang in een rolstoel. Volgens het OCMW is hij nu echter niet meer arbeidsongeschikt. Voor Van Praet, die de molen zelf restaureerde en inrichtte met kunstwerken uit recuperatiematerialen, is de noodgedwongen verkoop een harde dobber.(CVO)

    Aanvulling mei 2011 uit Plusmagazine

    Kunstenaar Piet Van Praet richtte de stenen molen Ter Sleepe (1795) in Maarkedal (tussen Oudenaarde en Ronse) als vakantiewoning in met knipogen naar Gaudi. Logeren op vijf etages tot onder de molenkap en met schitterend uitzicht op de omgeving.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    20-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    19-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.11. Kerk te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming, parochiekerk te Nukerke. Deze eenvoudige classicistische dorpskerk van ca 1775 ligt op een hoogte van 87m boven de zeespiegel.  Het staat met zekerheid vast dat de naam Nukerke betekent “Nieuwe kerk”,  “Nova Ecclesia”. “Dit kan verklaard worden door het feit dat de kerk van Nukerke, wiens patronaat toebehoorde aan  het kapittel van Kamerrijk ( Cambrai, nu Noord-Frankrijk), omwille van het groot aantal gelovigen dat er de godsdienstige plichten   kwam vervullen, tot afzonderlijke parochie werd verheven  en aldus werd afgescheiden van Melden. Nukerke vormde reeds lang met Melden een “vierschaere”  en maakte met zeven andere localiteiten , deel uit van de baronie die de grondeigendommen, gelegen tussen de twee beken “de Marcke en de Ronne” groepeerde. Deze baronie in de kasselrij  van Aalst  was leenplichtig tegenover het feodaal hof van de hertog van Kleef te Heinsberg nabij Aken. In 1647 behoorden de dorpen, Nukerke, Edegem, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem aan de Baron van Pamele toe. De Nederlandse regering kende op 4 augustus 1818 aan de gemeente Nukerke een wapen toe van lazuur met de godin Ceres van goud. Ceres was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid. Daarom stond ze op het wapenschild afgebeeld met een  bundel korenaren in de linkerarm en de rechterhand aan de ploeg geslagen.  Dit wapen werd bekrachtigd bij KB van 1 september 1843. In oude documenten werd de volgende schrijfwijze van de gemeentenaam teruggevonden: 13 en 14de eeuw  Neukirchen, 1538 Nieukerke, 1618 Nova Ecclesia – 1657  Neukercke – 1678 Nieukerk – 1679  Neukerk – 1689 Nieukercke – 1733  Neuféglisse – 1736  Nuyckercke – 1746  n’oeuf es-glisse – 1748 Nukerke  - 1767 Nukercke –1779 Nieuwkercke , 1851 Nukerke en sindsdien ongewijzigd.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    19-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    18-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.12. Binnenzicht van de kerk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Binnenzicht van de dorpskerk te Nukerke. Het meubilair van  de portiekvormige hoofd- en zijaltaren zijn 18° eeuws alsook de twee biechtstoelen en  de marmeren doopvont met koperen deksel, waarop de Slang van de bekoring is afgebeeld. De doopvont werd in de jaren 70 vooraan in de kerk geplaatst. Het overige meubilair is 19° eeuws zoals de communiebank in smeedijzer en koper, het hek van de doopkapel, het koorgestoelte, de kerkmeesterbank en de kansel. De orgelkast, met muziektrofeeën, dateert van ca 1850. De schilderij “De Heilige Familie” is 17° eeuws. Tot de jaren 70 waren achteraan langs beide kanten van zijbeuken mooie Nukerkse landschapschilderingen op de muren te bewonderen. Deze werden echter toen overschilderd en God weet wat die moderne afbeelding moet voorstellen.De kerk van Nukerke gebouwd op het uiterste einde van een uitloper van de getuigenheuvel met een zandlemige ondergrond. Vanop de omliggende heuvels zoals de Eikenberg in Edelare, de Ommegangstraat, de Hotond, ja zelfs vanuit de vallei in Melden merk je de spitse kerktoren die als een baken hoog boven het bosrijke heuvelland uitsteekt, gebouwd op een omzeggens strategische plaats. Want vanaf hier zakt het terrein de diepte in, noordwaarts naar de scheldevallei. Het gehucht “De zak” heeft hier zijn naam verdiend. De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk is gebouwd in een eenvoudige classicistische stijl en dateert uit ca 1775. De altaarwijding had plaats in 1777. In de loop van de geschiedenis is de kerk menigmaal verbouwd want een eerste kerkje stond er reeds in 1116 en staat in de kronieken vermeld al  “Nova ecclesia”, wat nieuwe kerk betekent. De nederzetting kreeg algauw de naam Nukerke. In de omgeving van Nukerke werden pre-historische en Gallo-Romeinse vondsten gedaan, wat wijst op oude woonkernen. Tijdens de middeleeuwen hing Nukerke af van de heerlijkheid “t’ land tussen Marke en Ronne” die op haar beurt toebehoorde aan de baronie van Pamele (Oudenaarde). De Hervorming kon in Nukerke op tamelijk veel aanhangers rekenen. De bevolking leefde vooral van de bosontginning en de landbouw. Nog steeds is Nukerke een typische landbouwgemeente. Na de grote pestepidemie van 1667 tot 1669 nam de bevolkingsgroei weer snel toe.Het inwonersaantal groeide aan tot begin 19de eeuw.

    Was Nukerke, als kerkgemeente, een deelparochie van Melden tot aan de Franse Bezetting de inwoners kregen pas hun zelfstandigheid tijdens Het Hollands Bewind toen Nukerke zijn wapenschild kreeg in 1843.

    Laatste pastoors op een rij:

    Op een doodprentje lezen we:

    Bid voor de ziel van den Eerweerden Heer Joannes-Cornelus Robijns,

    geboren  te Buggenhout                             15 April 1841,

    Onderpastoor te Lede-Aalst                      1867-1888,

    Pastoor te Cherscamp                                 1888-1891,

    Pastoor te Nukerke                                      13 October 1891,

    Aldaar zeer godvruchtig overleden          28 Mei 1892

     “Hij muntte uit in voorzichtigheid, liefdadigheid en priesterlijke iever.Hij Hij vetlaat deze aarde met de zegening van zijne schapen en van alle zijne vrienden.”

    Fivez: waarschijnlijk een van de initiatiefnemers voor de bouw van een nieuw hospice.

    De Boe: stond met veel krachtdadigheid achter de bouw van ’t hospice dat voltooid werd eind augustus 1897.

    De Groote, de man die in Nukerke het katholiek onderwijs hielp tot stand brengen

    Dutordoir, pastoor van 1907 tot 1931. Voerde een politieke strijd tegen de gemeenteschool

    Reyns pastoor tot 1951. Klein van gestalte maar stond zijn mannetje. Was brandend van ijver voor de zielen.

    Clément Tirez pastoor tot 1954: een wijze herder

    Joseph Van Poeck de Knyf. Een gemoedelijke levensgenieter

    Moras (tot 1968) met een tijdelijk verblijf te Nukerke

    Naessens: een actieve en sociale figuur

    Ghys: een euchumenisch man

    Heysse: meer politieker dan dorpsherder, werkterrein was de parochiezaal met feest en vertier. Leider in de plaatselijke schoolstrijd rond de jaren 80.

    Remi Godefroid (laatste parochieherder van Nukerke). Kon met zijn komst de rekeningen vereffenen en orde op zaken stellen waardoor hij uit bepaalde hoek tegenwind kreeg..


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (8 Stemmen)
    18-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    17-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.14. Windmolen Ter Geynst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    14.      Houten windmolen “Ter Gheynst” prijkte op de hoek tussen de Pontstraat en Ruitegem te Nukerke. Dat het een oude molen betrof bewijst volgende tekst: “De wintmolen Ter Gheinst toebehorend hebbend dehoirs van wylent Colaert Pot is verbleven op 13.8.1582.” En verder “ geeft toelating aan Pieter van Butsele Pieters en Lieven Vandevelde om een nieuwe molen te mogen bouwen op den ouden molendam, waar vóór de troubles nog een molen heeft gestaan binnen de parochie van Nukerke op het cauterken ter gheynst ofte cauborrevelt  die van tevoren ghenaemt es gheweest t’meuleken ter  gheynst…(1690). De laatste eigenaar was Emiel De Vos-Slots. In de volksmond  gebruikte men de naam “Vozenmolen”. De molen werd volledig afgebroken in 1949, maar de molenstenen werden bewaard. De mechanische graanmaalderij naast de windmolen werd gebouwd in 1911 door de familie Moreels. Na Gaston Moreels zette zijn dochter Annie de zaak  verder samen met haar echtgenoot, Paul Aelgoet.  De activiteit in de mechanische maalderij hield op in 1993. In het "Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen bekend als “De wint Meulen ter Geynst”.Een overachterkleinzoon (P.C.) van Petrus Augustus Van Malleghem liet ons volgende weten.
    Overachterkleinzoon (P.C.)van Petrus Augustus Van Malleghem, molenaar te Nukerke (molen Ter Gheynst door een storm vernietigd in 1942, gelegen op de kruising van de Pontstraat en de Boularestraat rechtover de kapel.); zijn zoon Victor was geneesheer en een tijdlang burgemeester van Nukerke.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    17-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.13. Herenwoning te Louise-Marie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Herenhuis langs de Louise-Mariestraat in Louise-Marie. Deze woning werd gebouwd in 1869.  Het kerkdorp Louise-Marie strekt zich uit over Etikhove, Ellezelles, Nukerke en Ronse.

    Aan de voet van de Muziekberg was er vele jaren geleden een waterfabriekje.

    In “’t Volk van Ronse” van 22 oogst 1936 zagen we volgende rubriek:

    ”Het beste tafelwater  La Royale Louise-Marie"
    Allerfijnste limonaden   “Jass”
     
    Nitterveld-bronnen Louise-Marie(Ronse)  Telefoon 230.



    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    17-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    16-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.15.Kerktoren te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              Verdwenen zicht  op de kerktoren van Nukerke met vooraan het O.-L.-Vrouwbeeldje dat jarenlang prijkte op de hoek van het  gemeentehuis, dat op zijn beurt verdween in de jaren 70. Het O.-L.-Vrouwbeeldje met kindje Jezus staat nu in het perkje op een bakstenen voetstuk opgericht door de KVLV.

    De kerkklokken.
    In een brochure “Parochie O.L.Vrouw Hemelvaart Nukerke 1777-1977 “ lezen we het volgende over de kerkklokken van de Nukerke parochiekerk.“Van de drieklokken is “Dionysia” de oudste. Het jaartal 1807 dat erop voorkomt is het jaar waarin onze oudste klok werd gegoten, zodat men wel van een hoge ouderdom kan spreken.. We vinden naast het jaartal 1807 nogs beschrijving :”Betaalt door de parochianen van Nukerke, voorstkomende uyt ST. Denys by Berghe, gewijd ben ik Dionysia, gevormt door O.J. Van Butsele, meyer en M. Therese  Vandeputte,  peter en meter. Gemaakt door L. Regnault in 1807 onder pastoorschap van Aug. Vandeputte”. De klok weegt 810kg en heeft een beneden doorsnee van105cm. Het was op 6 augustus 1943 dat onze klokken door de alhier bezettende Duitse militaire overheid (Rosemann) werden opgeëist. De twee grootste klokken Dionysia en Agatha werden weggevoerd naar het militair cantonnement van Aalst. De kleine “Maria klok” bleef over om de parochianen ter kerke te roepen. Door de krachtdadige bemiddeling van de toenmalige pastoor Reyns en de tussenkomst van vicaris-generaal Z.E.H. Claeys-Bouüaert kon “Dionysia” ingeruild worden tegen de “Maria-klok”. Op 26 mei 1951 werden de nieuw gegoten klokken plechtig ingewijd door Z.E.H. Deken Lust van Ronse. (Deze beide klokken horen toe aan de Kerkfabriek in tegenstelling tot “Dionysia” die aan de parochie toebehoort. Op beide klokken staat jaarschrift: ”weggehaald bij oorlog 1940-1945, zie mij nu blij hier weer in vrije zieleplicht.” Op de klok Maria (sol kruis) gewicht 503kg, 92cm doorsnede) staat verder :naam Maria; peter Octaaf Lefebre (voorzitter van de Kerkfabriek) meter Flavie van Glabeke echtgenote van Vitaal Deventer, voorzitter van het bureel der Kerkmeesters): pastoor  E.H. Achilles Reyns; burgemeester  Richard Deschaumes; Schepenen André Hubeau en R. Teirlinck,  Kerkraad: O. Lefebre, V. Deventer, R. Vandendaele, O. De Ruyk, Th. Capiau.De klok Agatha (la kruis- gewicht 387 kg - met 85 cm doorsnede) staat het jaartal en Naam: Agatha, peter A. Hubeau; meter Cécile Hubeau (echtgenote van burgemeester Richard Deschaumes); E.H. pastoor Achilles  Reyns;  Burgemeester R. Deschaumes; schepen  . Hubeau en R. Teirlinck.De vervanging van deze door de Duitsers weggehaalde klokken, gebeurde op staatskosten; de oude klokken Maria en Agatha hadden een gewicht van respectievelijk 430 kg en 340kg. In de zelfde brochure lees je meer over het kerkinterieur en de glasramen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    16-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    15-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.16. Louise-Marie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Bijhuis van Sint-Leonardus, verblijfplaats van de zusters. Deze woning is nog steeds de verblijfplaats van de zusters die werkzaam zijn in het rusthuis Sint-Leonardus  in Louise-Marie. Het rustoord zelf werd opgericht in 1900 en was oorspronkelijk bedoeld als sanatorium voor dames.  Bij het geheel hoorde  een school en een boerderij. Vanaf 1904 namen de Zusters van  Barmhartigheid  er hun intrek. De laatste jaren werd het interieur van het rustoord grondig gemoderniseerd
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (5 Stemmen)
    15-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    14-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.17. Kerk La Salette
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

            De kerk La Salette te Louise-Marie, gelegen op het grondgebied van Ronse, ligt op een hoogte van 112,5 m. Louise-Marie is een schilderachtig gehucht en kerkdorp  in de Vlaamse Ardennen gelegen op de noordelijke flank van de Muziekberg (hoogte 147m). Het grondgebied van de parochie Louise-Marie  behoort tot de stad Ronse en de vroegere gemeenten Nukerke, Etikhove en Schorisse in  de provincie Oost-Vlaanderen en tot de gemeente Ellezelles in Henegouwen. Naar verluidt zou de naam van de eerste Belgische koningin Louise-Marie (geboren in Palermo op  3 april 1812 en overleden in Oostende op 11 oktober 1850)  , dochter van de Franse koning Lodewijk Filips, aan de oorsprong liggen van de naamgeving van dit gehucht. Immers de eerste steenlegging van deze neo-romaanse parochiekerk in 1851 viel samen met de eerste verjaardag van haar overlijden. Deze kerk is bekend om haar Sint-Apolloniaverering. Rond 9 februari  worden hier jaarlijks, tijdens de noveen tegen tandpijn, de alom gekende geutelingen gebakken. De kerk is toegewijd aan  O.L.Vrouw van La Salette. Het kerkelijk interieur is 19de eeuws behalve het altaar aan de noordzijde dat 17de en 18de eeuws is. Het schilderij “Verschijning van O.L.Vrouw van La Salette” is  19de eeuws.

            L’abbé Francis Cambier liet ons in november 2006 het volgende weten. «Je possède la copie d'une lettre que le curé de Louise Marie Vanderooms (?) adressait à Emmanuel Degand, secrétaire communal d'Ellezelles, le 20 décembre 1893 et où il lui fait le récit de la fondation de la paroisse et de l'érection de l'église.»


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    14-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    13-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.18. Huidig dorpszicht
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Dorpszicht van Nukerke.  Zicht vanaf het Lindeke
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    13-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    12-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.19.Molen ten Hotond
    Klik op de afbeelding om de link te volgen De hoogste getuigenheuvel in de omgeving van Nukerke is de Hotond op het grondgebied van Kluisbergen in de deelgemeente Zulzeke.

     De Molen Ten Hotond staat langs de Zandstraat te Zulzeke,deelgemeente van Kluisbergen, waarvan sinds generaties enkel de stenen kuip overblijft want hij is ontdaan van wieken en kap. Sinds jaren doet hij dienst als uitkijktoren. Een oriëntatietafel maakt je wegwijs bij de studie van het wijds panorama. De molen staat immers op een pracht van een getuigenheuvel 140m boven de zeespiegel. Den hoogste top van de heuvel is 150m hoog en ligt een paar honderd meter verder oostwaarts in het bos (aan het waterreservoir). Insiders beweren dat men vanop de toren tot 107 kerktorens kan waarnemen, uiteraard bij zeer uitgeklaard weer.
    De huidige taverne was eertijds het molenaarshuis gelegen naast de voormalige windmolen. Deze oude molenaarsite ligt op de hoogste plek in de Vlaamse Ardennen, tevens het hoogste punt van Oost-Vlaanderen. Reeds in 1672 voor het eerst vermeld was de site in 1684 gekend als Hootont meúlen. Toen nog een houten staakmolen. Deze werd later vervangen door deze stenen molen die werkte als olie- en korenmolen van het type grondzeiler. Op de Ferrariskaart staat de molen bekend als H. Den Hootont en Hootont Molen gelegen aan de westrand van het Slange Bosch Deze stenen molen werd grondig hersteld in 1845 en 1911. Tijdens deze laatste herinrichting werd het olieslagwerk verwijderd. In 1943 werd de uitbating stop gezet en werd de maalinstallatie beetje bij beetje afgebroken. De wieken en de kap verdwenen. De stenen kuip die nog restte kreeg een toeristisch functie als uitkijktoren. Die werd zelfs in 1957 voorzien van een oriëntatietafel. Sinds een paar generaties is deze site eigendom van de familie Vande Wiele. 

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    12-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    11-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.20. De Keizerrei
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    20      Oude hoeve op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. Volgens  historische bronnen zou  Karel V (Keizer Karel de Grote) , vóór zijn huwelijk met Isabella van Portugal , bij “Johanna van der Gheynst “  een dochter verwekt hebben, nl. de latere landvoogdes Margaretha van  Parma (1522-1586). Tijdens zijn huwelijk werden nadien  volgende kinderen geboren : Filips, Maria, Johanna . Ten slotte had hij nog een zoon Don Juan buiten zijn huwelijk en na de dood van Isabelle. Gedurende haar bestuursperiode verbleef  Margaretha te Oudenaarde  in  het “Huis van Margaretha van Parma”, naast de “Boudewijnstoren”.  De jonge Karel verbleef wel eens in  Oudenaarde bij de familie de Lalaing  (huis aan de Schelde) en juist daar zou de jonge Johanna  dienster zijn geweest. Haar ouders  woonden in de boerderij te Nukerke, op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. De ouders van Johanna waren tapijtwevers. Even naar de annalen;”Op het Bourgondische kasteel te Oudenaarde stond Janneke, dochter van Gilles Van der Gheenst en Johanna Van der Coye, naarstige handwerkers in de tapijtweverij, woonachtig te Nukerke, ten dienste van Mevrouw de Gravin de Lalaing. Het wakkere, drentele meisje, zindelijkuitgedost, was in de bloem der jaren. Men kan zich voorstellen hoe de schroomvalige, bevreesd en ontzet die       jonge dochter zich tegenover de keizer voelde. Hoe de oplettende dienstmeid het ook druk had om haren hogen gast te dienen, tocht schiep de keizer genoegen in haar bekoorlijk voorkomen, in hare vriendelijkheid en keuvelde graag mrt haar. Niemand had de hartstocht des keizers voor de volksdochter durven  tegengaan, wel werd gedrag bedekt afgekeurd, maar men durfde het niet aan het hem te verwijten. Toch bij het heengaan ontstond uiterste verslagenheid bij het meisje.In de Kronycke van Oudenaarde, f° 154, leest men: ‘In ’t jaer XVe XXII, ’t Audenarde, binnen Pamele, op het Spey gelach Jannekin van de bastaerde dochter van Carolus de vyfste ende wiert daar Christen ghemaeckt. Dese traude namaals den Hertoghe van Parmen ende wiert Regente van de Nederlanden’. Wijl Janneke later in den echt trad met Jan Van den Dycke,een gewone burgersjongen, en dezes broeder en zuster Baudouyn,Maria en Agnes werkgasten bleven in de tapijtnijverheid, werd het kindje Margareta aan het hof zorgvuldig grootgebracht en trouwde eerst Alexander de medicis en nadat deze werd vermoord, Octave Farnèse, hertog van parma en Plaisance. In 1555, toen Keizer Karel afstand deed van zijn staten, vertrouwde hij aan Margareta van Parma het bestuur toe van enkele provinciën. Acht jaar lang,door een zacht en tevens sterk beheer, won zij de genegenheid van de hertog van Alba, in 1568, zegde zij vaarwel aan haar vaderland en stierf aan de jicht in Italië in 1586.

    De straatnaam Keizerrei te Nukerke zou dan ook af te leiden zijn  van het woord keizer. Wie weet heeft de jonge vorst  meermaals,  te paard, de bossen van Nukerke doorkruist. Tot heden leven nog  nazaten, in rechte lijn, van  Johanna van der Gheynst.  Het gezin Vandergeynst heeft de boerderij verlaten in 1968. Er waren in het gezin 4 meisjes en 1 jongen, waarvan geen enkele het landbouwbedrijf voortzette. De woning werd ondertussen grondig gerenoveerd. Eind 2010 lag de boerderij echter volledig in puin. Van renovatie van het oorspronkelijk gebouw was geen sprake meer.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    11-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    10-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.22. Klooster te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het klooster te Nukerke

    In de volksmond werden “de kinderen van het klooster” ook “de weeskinderen” genoemd. In werkelijkheid was het een gemengde groep van kinderen die een ouder verloren hadden, kinderen van een alleenstaande vader, kinderen uit gedeeltelijk ontwrichte gezinnen. Ze werden ondergebracht in het klooster dat deel uitmaakte van een complex dat bestond uit drie klassen voor de meisjesschool, palend aan de grote, verzorgde moestuin, verder de speelplaats met afdak en toiletten (toen vertrekken genoemd). Aan de zuidengevel van het klooster werd de jongensschool aangebouwd bestaande uit 3 klassen. Daar liepen de jongens school vanaf het 2de leerjaar tot en met het 8ste leerjaar. De leerplicht was verplichtend tot 14 jaar. Vanaf die leeftijd gingen veel kinderen werken. Weinig kinderen op het platteland zetten vóór W.O.-II de stap naar het secundair onderwijs. Jongens uit landbouwgezinnen waren toen beter af en mochten naar het secundair onderwijs in Ronse. Velen trokken naar het college. Maar … om hun Frans te leren werden toen kinderen uit de betere gezinnen in het internaat gestopt in  een of ander, liefst katholiek en streng, instituut juist over de taalgrens. Heel soms werden daar ook de meisjes heen gestuurd, om Frans te leren en om welopgevoed te worden. Dat kan later van pas komen bij de keuze van een huwelijkspartner.

    Het klooster heeft het uitzicht van een grote woning met juist voldoende ruimte om 5 zusters te huisvesten en een 12-tal kinderen in onder te brengen. Een deel van het gelijksvloer was voorbehouden aan de zusters; er was de keuken, de eetruimte en de leefruimte. Het andere deel (de noorkant), gescheiden door een middengang was de leefruimte voor die 12-tal meisjes. De voornaamste meubelen waren een lage tafel met stoelen. Tegen de wand stond nog een kast met een vakje voor elk kind. In dit lokaal werd er gegeten, gespeeld, gewerkt, huiswerk gemaakt en de catechismus geleerd. Op de eerste verdieping bevonden zich de slaapplaatsen voor de zusters en een kleine kapel. Onder het dak bevond zich de slaapruimte van de meisjes. Een ruimte zonder comfort, warm in de zomer en bitterkoud in de winter. De meisjes, soms hele kleintjes, hadden een weinig benijdenswaardig leven. Ze werden ’s morgens vroeg gewekt want om 7 uur was er reeds een mis in de parochiekerk, een paar honderd meterv verder. Het moet gezegd, de gemeenschap had voeling met die kinderen. Ze waren bij elke gebedsdienst aanwezig. Heel wat parochianen lieten pakken kleren afgeven, kleren waar hun kinderen waren uitgegroeid. Het hoeft niet gezegd dat de nonnetjes de kleren gretig in ontvangst namen. En steeds waren de kinderen op post. Op zon- en feestdagen was het een gaan en komen naar en van de kerk; er was de vroegmis, de hoogmis, de Vespers en het Lof.  Maar ze waren verzorgd, werden goed opgevoed en hadden immers een thuis.

    De leefwereld van de meisjes beperkte zich tot de kloosterwoning, een speelplaats, een moestuin, een grasperkje, een stukje boomgaard en de klaslokalen.

    Laten we even N. aan het woord. Geboren in 1940, verbleef ze in het klooster vanaf haar 5 tot 13 jaar. “We verbleven heel veel tijd in onze leefruimte waar we speelden, werkten en er al eens een stil hoekje opzochten om onze catechismus te leren. Ons huiswerk maakten we samen aan de tafel en de een hielp de andere.  Dagelijks stonden de grootste meisje rond de tafel om de aardappelen te schillen voor de volgende dag. We maakten op dat moment al eens ruzie. Kijk hier in mijn arm. De mesjes waren scherp.Maar al bij al was er een goede sfeer. Wij sliepen op het hoogste deel, de zolder die ingericht was als dortoir. Enkele dakvenstertjes.lieten wat daglicht binnen.(en bij het bekijken van de foto van het kloostergebouw). Kijk achter dat dakkapelletje moesten we onze kleren passen. Weet je hoe ik mij chirokleedje moest passen?. Ik moest op mijn twee knieën zitten en de onderste rand van het kleedje moest de vloer raken. Zó, dat was een zedige lengte. Maar terug naar de slaapplaats. De bedjes stonden keurig op een rijtje. Vooraan stond een lange smalle tafel waarop onze waskom stond. Een grote waterkan werd aangedragen want lopend water was niet. Na de was werd het vuile water met de emmer naar beneden gebracht. Het gebeurde wel eens dat bij het morgenkrieken na een strenge winternacht een ijslaag  het water in de waskom bedekte. De zaterdag was het wasdag; er waren geen douches of ligbaden. Elk stond voor zijn waskommetje waste zich volledig. Let op, het bleef eenzedig wasje.. Het vuile linnen ging in de wasmand. De zusters deden de was in houten kuipen. De grootste meisjes werkten al te graag mee en droegen het wasgoed naar den bleek achteraan in de hof. Daar moesten we dan het wasgoed open spreiden om het te laten bleken. Af en toe moesten we de was met water besprenkelen. Het water haalden wij uit de nabije waterput. Het wasgoed te drogen hangen aan de wasdraad was ook ons werk. We maakten al eens grapjes want het wasgoed van de nonnekens ging eveneens door onze handen. Strijken was dan weer de taak van de werkzuster.

    Jaar in jaar uit, zomer en winter, iedere morgen wandelde de meisjes, klein en groot, onder begeleiding van een zuster naar de parochiekerk. Die kerk was tijdens de week een ijskelder. Als we de kerk verlieten sloegen we meermaals onze armen rond ons lichaam, kwestie van ons op te warmen.. Mijn handen leken soms wel vervroren. Maar als kind kon ik na enkele jaren en de talrijke kerkbezoeken  al die Latijnse gezangen uit het hoofd meezingen. Goed hé !

    In de  zuiderhoek van de speelplaats stond een grot ter ere van Maria en Bernadette. Daar ruikte het steeds vochtig. Tijdens de meimaand werd er ’s morgens dagelijks een rozenkrans gelezen. We zaten allemaal op onze knieën, en ’t wastoch soms zo koud.

    Het slapengaan verliep als een ritueel. Na het uitkleden moesten wij op onze knieën zitten en bidden, dan bed in en slapen. Tijdens de vasten mochten wij niet snoepen maar mijn moeder die af en toe op bezoek kwam (niet alle meisjes kregen bezoek), bracht al eens een snoepje mee. Elk een had in een kast een blikken doosje staan. Daarin werden de lekkernijen opgeborgen en na de vasten deelden we mee aan de kinderen die niet veel hadden. De leeftijd speelde geen rol en de grootsten hielpen de kleinsten. Mijn moeder gaf me wel eens een vijffrankstuk dat ik ’s maandags aan de zuster gaf die er dan voor zorgde dat het op mijn spaarboekje stond. Ha, en waar is de tijd toen we onze maandstonden begonnen te krijgen en ons moesten verversen op de vertrekjes op de speelplaats. Aan die toiletjes hingen van die korte deurtjes en het gebeurde al eens dat de kleintjes onder de deurtjes kwamen loeren. Dan was ik kwaad.

    Het gebeurde eens dat mijn moeder geen geld had om mijn verblijf in het klooster te betalen. Dat moest maandelijks gebeuren. Zij kende een koolmijner die goedkoop aan steenkolen geraakte. Dus betaalde ze mijn verblijf door een hoeveelheid steenkool aan de zusters te leveren.  Wel erg hé?

    Mijn plechtige communie deed ik in het klooster. Ik mocht bij Roger Ceuterick mijn haar laten knippen. Ik had mooi lang haar en ik weet nog dat ik met kort haar buiten kwam. Mijn moeder kocht de kleren. Ik weet ook nog dat we tijdens de grote vakantie bij een boer aardappelen gingen rapen. Ha, dat waren mooie dagen. We gingen te voet tot aan de boerderij, ik weet niet meer waar maar ’t was een eindje stappen. En we kregen daar van dat lekker boerenbrood met echte goede boteren plakken kaas. Dat smaakte want in ’t klooster kregen wij geen boter op het brood. Voor dat werk kregen wij niets (nochtans betaalde de boer toen 25 fr per schof en als aardappelraper verdiende je dus algauw 75 fr per dag en dan werkte je van 8 tot 12 en van 13 tot 19).

    Van het eten herinner ik mij nog die melkpap (karnemelk) waarin van die brokken zaten. Als de zuster het niet zag zette ik mij bord buiten aan de deur. Eten voor de poesjes.(die mochten nooit binnen komen).

    ’s Zondags gingen we naar de chiro in de parochiezaal bij leidster Maria Deriemacker. Dan trokken we ons blauw kleedje aan met gele das. Tijdens de grote vakantie gingen we samen met de chiro van Ronse en Pater Michel op bivak. ‘k Weet ook nog dat ik in het klooster eens heel veel zeer in mijn buik had. Dokter Roelens kam bij mij en stelde een apendix vast. Ik werd in zijn auto gezet en de dokter voerde mij naar de kliniek op Hogerlucht te Ronse om geopereerd te worden. Enkele keren mocht ik bij klasvriendinnetjes gaan spelen o.a. bij de zusjes Roelens.

    Maar al bij al… ik weet niet meer of ik mij toen ongelukkig voelde."
    Rond de tijd van de processie was het steeds een drukte van belang. Dan moesten de processiekleren van op de zolder naar beneden worden gehaald. Die kleren hingen toen,mooi afgeschermd, op de zolder boven de klassen van de jongensschool. Het zat zo! De zolder boven het klooster stond in verbinding met de zolder boven de jongensschool. Op de dag van de processie werden alle figuranten gekleed en getooid door de zusters en door de talrijke vrijwilligers. Vanaf het klooster ging de groep dan stoetsgewijze naar de kerk waar de processie werd gevormd. Na de processie werden alle kleren nagezien op hun netheid en pas dan terug gehangen op zolder. Stil wachtend op de volgende uitstap!

    Wie herinnert zich volgende zusters ?  Zuster Leandrine , zuster Lucienne , Moeder Anna , zuster Lucilla., zuster Juliette, zuster Theodora . En de leke onderwijzeres van het 1ste studiejaar, juffrouw Angèle Dejonghe (geboren te Zulzeke in 1908, ze woonde nadien op het Heidje te Nukerke en overleed er in 1966), weliswaar ongehuwd want gehuwde onderwijzeressen verloren hun opdracht in het de christelijke scholen. Jufrouw Angèle gaf les tot aan haar op ruststelling in 1962. Enkele jaren later verdwenen. de zusters. Ze werden vervangen door leken. Zo volgde Mariette Geenens Moeder Anna op als schoolhoofd.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    10-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.21- Kerkje van Melden
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Onze eerste parochiekerk

    Het eerste kerkje van de “prochie” Melden, waarvan ook de gelovigen van het huidige Nukerke toe behoorden, zou in de Merovingische periode zijn ontstaan , waarschijnlijk uit de resten van , of als bijgebouw van een versterkte toren of mote, gelegen dicht bij de stroom. Het kerkje is naar alle waarschijklijkheid gebouwd door “het Capittel van kanonniken der Cathedraal van Kameryck die altoos gelast zijn geweest met de reparatiën derzelve en die ook de groote tiendeheffers en patronen ervan waren….”, aldus een document.

     In de kronieken lees je dat “ten jare 922 werd Gerardus de Loz, heer van Pamele, hoofd van de heerlijkheid van het Land tussen Marke en Ronne waarvan Melden de hoofdplaats was, in de kerk begraven. Het oorspronkelijk Romaans kerkje werd in de loop van de geschiedenis keer op keer verbouwd .

    In het jaar 871 hebben onze streken een inval gekend van de Noormannen, alsook in 940 “die niets nalieten dan rouwe en verwoestinge. Tijdens het bestuur van Karel V moest ook de “prochie” Melden afrekenen met godsdiensttroebelen door de opkomst vande protestanten. “ …in de jaeren 1565-1566-1567werd de Katholieke Godsdienst alhier geteisterd door de predikatiën en oproeringen der Nieuwgezinden of Calvinisten…” En verder: op zondag 25 augustus 1566 was een “groote sectie van Calvinus’ leerlingen ende heetten geuzen …” hier neergestreken …”ende smeten in stukken alle de ornamenten, beelden, plaeten, kisten ende scheurden die boeken in stukken…”

    “Den 18 juny 1567 werden 13 der meeste roervinken tot de galg veroordeeld…” Op 28 april 1568 deden de geuzen nog een inval in de kerk van naaste parochie Zulzeke waar ze vuur stookten met de beelden  waardoor de kerk afbrandde.

    In 1578 staken de onlusten weer de kop op; “…werd op de eersten Sinksendag de pastoor door de calvinisten verjaagd, de kerk gesloten en de inwoners van alles beroofd”… , in 1582 “wierden de geuzen verjaagd, de kerke wierd geopend en de Goddelijke diensten als vroeger gedaan”. Uit rekeningen uit 1652 blijkt dat de toren “eene horlogie” had en in 1654  drie klokken…

         Ondertussen werd ten oosten van de Koppenberg een kerkje gebouwd omdat het aantal 
    b
    ewoners  aangroeide  en de afstand tot de parochiekerk van Melden toch ver was.
    De “prochie” kreeg de naam Nova Ecclesia (Nieuwe kerk), een gemeenschap die zal uitgroeien tot Nukerke.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    10-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    09-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              

             Verblijfplaats van de schrijver Hugo Claus. De schrijver kocht de gesloten hoeve, typische bouwtype voor Zuid-Vlaanderen, in 1960. Tot dan was de boerderij een bloeiend bedrijf in eigendom van de familie René Tonniau-Verhellen. Het was toen nog heel uitzonderlijk dat bij het op rust gaan van de landbouwer de boerderij niet werd verder gezet door een van de kinderen. Meer nog deze boerderij werd verkocht aan “stadsmensen” zoals dat toen werd gezegd. Het neerhof ligt ”in Tenhole nr xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />3”, een oase van rust en groen, in een klein dal tussen twee uitlopers van de getuigenheuvel. De bron geeft het jaar door overvloedig drinkbaar water. Mensen uit de buurt en stadslui kwamen zich hier bevoorraden. Tot de jaren 70 was de weg Tenhole zelfs niet gekasseid  Het merendeel van de wegen in de gemeente waren dat wel (macadam of asfalt kende men hier blijkbaar nog niet); de weg was gewoon met grind verhard en voldoende breed voor stro- of hooiwagen. Hugo Claus liet de oude boerderij opknappen, zeg maar stevig verbouwen. Dit karwei nam enkele jaren in beslag. Het woonhuis werd mooi ingericht en schuren en stallingen, met rieten dak, kregen elk hun functie. Deze plek werd voor het gezin Claus een vaste stek vanaf 1963. In de boomgaard werd een kleine chalet gebouwd; het werkterrein van de schrijver. Algauw werd vrouw Elly Overzier een graag geziene dame die vlot met de mensen van “den buiten” kon opschieten. Zo liep zoontje Thomas vanaf de 1ste kleuterklas school in de “Gemeenteschool”. Meermaals liet vrouw Elly haar ongenoegen blijken over de hygiënische toestand van het schooltje. De toiletten waren “vertrekken” zonder waterspoeling en je weet wel …een plank met een rond gat…. Maar, het moet gezegd, … het onderwijs was naar de wens van de ouders want de knaap kon er later zedenleer volgen. En of hij het naar zijn zin had. Een dorpsschool midden de velden en weiden én toffe buren… Het jonge kind was verknocht aan de tuinman Georges die hem meermaals van school meenam naar Tenhole, soms achter op de fiets. Het jonge ventje beleefde er een heerlijke tijd in de buurt van ’t Holand.

    Dat de nieuwe woonst van de schrijver ergens verscholen lag daar in het rustige Nukerke blijkt uit een krantenbericht waarin Hugo Claus liet optekenen dat hij ging wonen “op een plaats in Nukerke waar Christus nog niet voorbij gekomen was”, dit tot ergernis van heel wat mensen. En placht hij niet te zeggen tegen zijn bezoekers:”… volg de gids want anders komt u in de bled (van het Frans le bled, wat zo veel kan betekenen als de woestijn) terecht !”. Hoe je er wel terecht kon bij hem? Ergens langs de Staatsbaan (nu Rijksweg) nam je de Dierickstraat, een kronkelende, wagenbrede kasseiweg. Vóór de klim draaide je rechts het straatje Tenhole in. In 1070 verliet Hugo Claus Nukerke en trok naar Amsterdam. 

    Te Nukerke (van Hugo Claus)

    ‘s Zondags na de vespers, wil hij thuis geen krentenbrood,
    de idioot. Hij stapt in het veld en in de huizen
    en zwijgt in alle talen.

    Zelfs al zit je in de bomen
    dan ben je toch geen vogel.

    Ook in mijn denken staat hij daar
    zonder een gebaar, zijn tanden malen.
    Ik zwaai met mijn hand, hij ziet een zeis.

    Als er geen koeien waren
    dan was de bandhond een groot beest.

    Dan rukt hij de almanak met playgirls
    van de wand en rent in het aardappelland.

    Beetje bij beetje at de vlo
    het oor van de hond..

    Hij vertrouwt de waarde van woorden niet
    (zoals ik, maar met een andere nood).

    Met zijn playgirl klimt hij blaffend
    tussen de takken:

    In nemen en in gheven
    Moeten die sinne
    Die dolen in minne
    Altoes hier leven.



    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    09-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    08-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.25. Leo Piron
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

      

                                      Villa van Leo Piron te Nukerke.

    Leo Piron werd in1899 in Marcinelle geboren en overleed in Nukerke in 1962.

    Leo Piron huwde met Marie-Josèphe, een van de drie dochters van de landschapsschilder Valerius de Saedeleer, van wie hij de knepen van het vak leerde. Hij werd dus ook landschapschilder. Na de dood van Valerius in 1937 bleef hij in de villa Tynlon op de Bossenaar wonen tot 1945

    Kort na de Tweede Wereldoorlog kocht hij in Nukerke, langs de Staatbaan, een lapje grond naast het Daelbosch. Op dit uitverkoren plekje met uitzicht op de weidse scheldevallei liet hij er in 1948 zijn villa bouwen waarin hij voor de rest van zijn leven zou wonen en werken. De villa kreeg de naam “Daelbosch”. Zijn werkkamer op de eerste verdieping had een groot raam op het westen én een heel groot raam ving het noordenlicht op. Hij hield van dat zuiver en fel licht. Vanuit zijn werkkamer had hij een prachtig en wijds vergezicht en volgde gretig het spel van de wolken en het licht. Het panoramisch uitzicht vanuit zijn werkkamer werd door niets gehinderd, geen boom, geen huis. De weiden doken stijl de diepte in richting Donderput, Zulzeke, de scheldevallei… Zijn einder was eindeloos.

    Vele buren zullen hem nog herinneren als een gemoedelijke, stille en rustige man die tijdens zijn vele wandelingen contact zocht met mens en natuur. Na zijn dood werd de los (de landweg) die hij honderden keren bewandelde naar hem genoemd. Het Leo Pironpad duikt vanaf de Smisstraat nog steeds de mysterieuze Donderput in. De schilder genoot van dat panoramisch en schilderachtig landschap, het mooiste hoekje van Nukerke! Hij wandelde omzeggens in zijn eigen schilderijen.

    De schilder is echter tot heden niet terug te vinden op de lijst van de grote Vlaamse kunstenaars.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    08-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    07-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.26. Watermolen Ten Meulebroecke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                Watermeulen te Meulebroecke

    Deze in oorsprong graanwatermolen is van het type bovenslagmolen omdat het aangevoerde water van boven af op de schoepen van het aandrijfrad valt. Deze vorm van energie is reeds drieduizend jaar oud.
    " De weg naar de watermolen was lange tijd niet gekasseid omdat dat een private weg was. Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte.In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve.
    Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver naar de Meulebroecke. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan namen ze mee naar huis maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!
    In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben.
    Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.
    Iets over het malen zelf. Het principe was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; rondmalen op 100, dat was voor zwijnenvoer. Er werd ook gemalen op 80 en op 60. Bijvoorbeeld roggegraan op 100 malen of rondmalen gaf  bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen. Om mooie, witte bloem te bekomen werd het graan eerst geperst tussen de stenen zodat tijdens het malen de pel geheel bleef. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60.
    Tijdens de oorlog van 14-18 mochten we niet dorsen tenzij onder toezicht van de Duitsers. Maar wij dorsten toch! ’s Nachts ! Dan zetten de Duitsers niet uit in het pikkedonker. Overdag deden twee cavaleriesoldaten tweemaal daags een ronde van één uur. De berijders kregen zelf inspectie van hun oversten om na te gaan of de paarden wel goed werden onderhouden. Die mannen stonden immers voor alles in. Ook voor het onderhoud van hun paarden. Het gebeurde wel eens dat ze op een boerderij een zakje haver vroegen om hun paarden te voeren. Zoveel schrik zat erin dat ze zelfs vreesden voor hun job en bij het voetvolk aan het oostfront te worden gestuurd." A.A.
    De watermolen werd reeds in 1571 vermeld als molen ”te Meulebroeck”.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    07-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    06-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33b. Huisjes van de negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Tekening van twee van de negen kleine, schamele huisjes die tot de Negenkoten behoorden. Er was elektriciteit,  voldoende om een paar lampjes te laten branden. De "conteur" hing in de woonkamer tegen de muur tussen het raam en de voordeur. Op de tekening zie je duidelijk de ingang van de bedrading. Een ondiepe steenput zorgde voor de bevoorrading van drinkwater voor de huisjes. Tijdens de winter werd de pomp met stro omwonden.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33a. De negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Eerste woning uit een reeks van de 9 woningen die om hun vervallen toestand "koten" werden genoemd.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.33. De negenkoten
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De negenkoten

    Op de afdruk van de oorspronkelijk kaart van Vlaanderen uit 1538 die in het “Germanisches Nationalmuseum” te Neurenberg berust liggen de gemeenten Ronse, Berchem, Nieukerke en Melden, Quaremont gelegen in het Land van Aelst, verkeerdelijk ten westen van de Schelde. Op de eerste gedetailleerde kaart ziet men duidelijk de schaarse bewoning van het toenmalige Nukercke. In vroegere jaren stonden hier reeds enkele woningen langs de weg naar Oudenaarde. De woningen lagen aan de rand van een groot bos dat zich uitstrekte vanaf de Cortekeer over de Coppenberg tot aan de Steenbeekdries.

    In de 19de eeuw stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. Typisch woningen voor de de werkman. Soms in eigendom maar meestal was het een huurwoning. De laatste eigenaars waren T’Sjoen die twee huisjes bezat waarvan één tweewoonst en Octaaf Geenens die eigenaar was van zes huisjes. Octaaf had die woningen enkele jaren na de eeuwwisseling gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Kort na de eerste wereldoorlog  werden de strooien daken vervangen door een pannendak. Het verst gelegen huisje had zelfs een bakoven. Naast de leefruimte waren er een paar slaapvertrekken, een schotelhuis en soms een alkoof (heel klein voorraadkamertje). Het laatste huurgeld bedroeg 150 Fr per maand maar de woning aan de straatkant had een maandhuur van 200Fr. Een na een werden de woningen echter verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard met als gevolg dat er besloten werd de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 Fr  slooppremie.

    In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar de herberg Den Os. Met hun schaarse centen  maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze dan verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schof (dat is 3 uren). Alma, de moeder van André Van Ceunebroeck,  was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. En ze had steeds een grote voorraad aan hout liggen. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die mensen werden tijdens een beschieting in de eerste oorlog door een Duitse obus dodelijk getroffen. De Duitse artillerie stond opgesteld op de Edelareberg. En zoals het hoorde in oorlogstijden was het verboden van licht te maken tijdens de duisternis. Het echtpaar moet dat even uit het oog verloren zijn. Een Duits kanonnier had dat schamel lichtje echter opgemerkt. De gevolgen bleven niet uit. De namen van de doden  prijken op de lijst van de burderlijke slachtoffers. Ze staan voor eeuwig gegrifd op het monument der gesneuvelden.

     

    Iets hoger en aan de andere kant van de weg lag een koeplekje met het staminee Den os. Café sinds mensenheugenis. De eigenaar vóór Octaaf Geenens was een koppel zonder kinderen dat nogal goed aan de drank zou geweest zijn. Octaaf Geenens werd de nieuwe waard van de herberg Den os toen hij het hoevetje met bijhorend café kocht en er naartoe verhuisde in 1895. Met de kruiwagen verhuisde het jonge paar de schaarse bezittingen van Zulzeke naar Nukerke langs de Kortekeer. Hun zoontje was toen 3 jaar. Die zou later zijn vader opvolgen. Op de dag van de verhuis speelde het knaapje met de geitjes op de berm van de Kortekeer tot hij bij het afglijden zijn bloot achterwerkje verbrandde aan de tengels (brandnetels). Sommige kleine jongetjes liepen toen blijkbaar met een rokje aan.

    Den os was dus ook een koeplekje met enkele streepjes land waarop een drietal koetjes werden gehouden. Elke voerman die hier voorbij kwam hield halt om de dieren te laten op adem komen. Sommigen kropen met zware wagens geladen met wol en katoen de Koppenberg op. Je moet weten dat  de wagens van Transport De Jaeger uit Ronse reeds van de Gentse haven kwamen. En de weg bleef maar stijgen tot op de Kruissens Niet te verwonderen dat de Brabanders bekaf waren. Vóór de deur stond een beulde (palen met dwarsbalk) waaraan de voerlieden hun paarden konden vastbinden. De waterpomp met bijhorende drinkbak stond er bij. Terwijl de paarden rustten , hun haver kregen en dronken konden de mannen zich laven aan het frisse bier. “Ja, ’t is daar altijd een goede zulle geweest.”

     

     

    Hoger op , meer naar het dorp toe, lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper een paar 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder elkaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven én het was belangrijk te weten wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (3 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.32. De oude steenweg
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Zicht uit de jaren 40 op de kerk van Nukerke van op de Steenweg.
    De Steenweg zou minstens sinds de late middeleeuwen een verbindingsweg zijn geweest tussen Ronse en Oudenaarde als deel van de weg die liep van het noorden van Frankrijk naar de scaldis in Oudenaarde
    en verder via Gent tot Terneuzen. Reeds in 1275 is de weg vermeld als een “grant voie” nadien sinds de 18de  eeuw als Grand Chemin de Renaix. Pas rond 1800 is de weg min of meer rechtgetrokken op het tracé dat weer
    gedeeltelijk werd gewijzigd gedurende de aanleg tot een expresweg tijdens de jaren zeventig en tachtig.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.31. Hospice en St-Vincentius
    Klik op de afbeelding om de link te volgen      Hospice met woning van de zusters, de stallen en het "wezenhuis" St-Vincentius.
         Tekening naar een oude kaart.


    Het hospice met het huis van de zusters, de stallingen en in de verte het “wezenhuis” St-Vincentius.

    In het woonhuis waren een paar kamers voorbehouden voor de betere lui. Zo woonde Mevr. De Backer, moeder van zuster Susanne, lange tijd in de kamer onderaan links. Rechts van de voordeur was de spreekkamer met daar achter achter het verblijf van de zusters. Op de eerste verdieping links was er een kapel. De sacristie was boven de voordeur. Het verblijf van de ouderlingen bevond zich in het gebouw, met verdieping, dat dwars op de woning stond.

    De woning in de verte is het oorspronkelijk gebouw dat werd ingericht als verblijfplaats voor de weeskinderen. In de jaren 50 werd de woning opgetrokken met één verdieping. Tussen de woning en het hospice zie je de stallingen van de hoeve.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3O. De spoorwegtunnel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    TUNNELVERHAAL

    “Gaston Devos woonde in die jaren op het Holand, nu huisnummer 17, hij was beroepsmilitair. Zoals velen waren ook zij in 1944 de oorlog grondig beu. Er waren de opeisingen, het voedseltekort, het gebrek aan steenkolen... Vader en zoon bereidden een snood plannetje voor.

    In 1942 werd de omgeving van de tunnel door de Duitsers afgezet. Later werd gezegd dat Hitler zich in de tunnel had opgehouden. In werkelijkheid zou het Goebbels geweest zijn. Niemand mocht toen de sector binnen. ’t Is in die periode dat ons huis werd doorzocht en dat ze in de kelder enkele vaten bier vonden.’t Was toen nog gebruikelijk dat de brouwerij T’Sjoen ,van aan Den engel (het mooie woonhuis werd in de jaren ’70 onteigend en afgebroken) bier uitvoerde met paard en bierwagen..

    De Duitsers vonden niet beter dan al ons bier uit te drinken; ze zeiden dat het toch allemaal van hen was.

    Op een mooie morgen in augustus 1944 werd de tunnel gesaboteerd. Ik weet het nog zo goed als ware het gisteren gebeurd. We hoorden vanuit onze slaapkamer zoals gewoonlijk de eerste trein passeren om vijf vóór vier. Het was de “koolmijnerstrein” (Gent-Blaton) die met onze Vlaamse mijnwerkers naar de “fosten” reed. Zoals gewoonlijk reed de trein ons huis voorbij maar kort nadien hoorden we het knarsen van de remmen. De trein stopte. We vonden dat al eigenaardig. Enkele uren later vernamen we wat er gebeurd was. Gaston Devos en zijn zoon Michel hadden hun plannetje uitgevoerd. De familie Devos woonde toen op het Holand nu huisnummer 7. Tijdens de nacht hadden ze halfweg de tunnel enkele rails losgemaakt. Dat was op de plaats waar de tunnel een lichte bocht maakt. Zij lieten de trein stoppen en verplichtten de machinist de locomotief af te koppelen. Dadelijk werd hij weer onder stoom gezet. De machinist sprong eruit terwijl de machine langzaam op dreef kwam en het donkere gat binnen reed, richting Louise-Marie. Na enkele ogenblikken hoorden ze een schurend geluid gevolgd door zwaar gedonderd. De locomotief was gekanteld en de tunnel was geblokkeerd.

    Maar wat was de bedoeling van die gevaarlijke onderneming. Wel het zat vele burgers hoog dat de goede, vette steenkolen uit de Borinage en andere rijkdom van ons land voor hun neus voorbijreden richting Duitsland. Wij moesten ons tevreden stellen met kolen van heel slechte kwaliteit. Bovendien waren de geallieerden op 6 juni geland in Bretagne en ze maakten snel vooruitgang. Deze sabotage kon alleen maar de aftocht van de bezetter vertragen.

    Wij en alle buren profiteerden van de gelegenheid om de steenkolen uit de tender te halen. Volle kruiwagens werden naar huis gevoerd. De volgende winter zal het feest zijn rond de warme kachel. De tunnel werd pas vrijgemaakt door de Engelsen na de bevrijding.

    Al bij al een gevaarlijke onderneming die sabotage want gewoonlijk waren de Duitsers na een aanslag uit op weerwraak. Dorpen en buurten waar de bezetter een duidelijke weerstand ondervond werden steeds zwaar aangepakt. In een handomdraai werden dorpelingen verzameld en een vuurpeloton deed de rest. Gelukkig voor onze dorpbewoners hadden de Duitsers  in augustus dringender zorgen. Zo niet…!”
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.29. Aan 't lindeke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


     

    32          ’t Lindeke in zijn wintertenue

    Deze Hollandse linde(v. en m.) is reeds lang een uit de kluiten gegroeid lindeke.  Met zekerheid werd hij aangeplant begin 1800 want op de Vandermaelenkaart  uit 1851 komt deze "tilleuil" als merkteken voor. De oudste autochtone Nukerkenaren hebben de boom er altijd weten staan. Na al die jaren noemen wij hem nog steeds “het lindeke” ondanks zijn hoge leeftijd en zijn stoer uitzicht. Het is niet enkel een boom maar tevens een plaatsnaam, ja zelfs een groen monument, een kleine reus van 14 meter hoog en een buikje van 4 meter omtrek. Zuster Gula van de katholieke school begeleidde jarenlang haar leerlingen van school tot aan de linde. Daar scheidden de wegen want twee voetwegen kruisten mekaar. In omzeggens elke windrichting vertrok een wegje. Geen mens heeft tot heden de linde zijn geheimen kunnen ontfutselen.Teder en zacht zoals hij is heeft hij talrijke verliefde koppeltjes uit voorgaande generaties in zijn brede mantel van jonge groene fluwelen blaadjes omarmd. Geen woordje ging verloren, geen zoentje of smakje werd gehoord. En het onzelievevrouwebeeldje daar boven tegen de dikke stam keek van uit het kapelletje liefelijk toe en wenste de jonge mensen veel geluk. Hoeveel kerkgangers op weg naar de dienst troffen mekaar hier ‘s zondags. Tijd dus om nieuwtjes door te geven. En dan: “Allez tot volgende week!” Maar menigmaal was ’t lindeke ontroerd telkenmale hij de oude pastoor met grote schreden zag voorbijkomen, lichtjes voorovergebogen, Ons Here dragend, op weg naar een berechting. Zijn dienaar droeg een lantaarn en rinkelde de bel als ze een woning naderden.

    Het was reeds lang gebruikelijk bij onze voorouders dat lindebomen werden geplant bij de boerderijen, op kruispunten van steen- en aardewegen, langs dreven, op dorppleinen, aan een herberg (bij de stamenie “In de sterre” stonden er zelfs 3 lindebomen). Het mocht al eens meer lukken dat we drie linden bij mekaar zagen aanleunen. Eenvoudige huisjes stonden al eens in de schaduw van een lindeboom. Op vele plaatsen stond de veldkapel onder de beschermende kruin van een stoere linde. En in de hoek van menig boomgaard waakte een linde. Veelal werd aan de boom een godsdienstig beeldje of kapelletje gehangen, toegewijd aan  O.-L.-Vrouw. Soms werd aan de voet van de boom een kruisbeeld geplaatst.  Al deze Vlaamse gebruiken stammen uit de tijd van onze Germaanse voorouders. Toen was de lindeboom toegewijd aan de godin Freia. En was zij niet “de godin der minne”? De mooie lindeboom bracht immers liefde, huwelijkstrouw en …geluk in het huisgezin. Ook in de middeleeuwen speelde de linde een belangrijke rol in het volksleven en in de volksoverleveringen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De laatste suisse in de kerk te Nukerke

    De laatste suisse in de O.-L.H.-Hemelvaartkerk te Nukerke was Richard Couvreur die in een klein boerderijtje woonde langs de Mellinckstraat nr 5 te Nukerke waar nu reeds de vierde generatie woont. Een suisse is een ordebewaarder die aangesteld werd in sommige katholieke kerken. Ze droegen een uniform met vermelding “politie” (zonder politiönele macht natuurlijk) met staf of hellebaard (hier in de betekenis van een strijdbijl aan een lange spies) en een bandelier, een brede draagriem of band over schouder en borst. Hun taak bestond erin o.a. praters en telaatkomers terecht te wijzen en oneerbiedige houdingen te verbieden, o.a. het dragen van hoed of klak. Zatteriken werden zonder veel onthaal naar buiten verwezen. Kinderen keken met heel veel ontzag die strenge man aan en durfden geen vin te verroeren. Dat fel blinkend koperen strijdbijl gaf geen vredig gevoel. Athans, zo heb ik het beleefd.

    Richard Couvreur werd “geboren te Etichove den 18 September 1878 en godsvruchtig in den Heer ontslapen te Nukerke den 14 Mei 1933, voorzien van deHH. Sacramenten der stervenden. Hij was lid van de confreriën van het Allerheiligste Sacrament,- het H.Hart,- de Derde Orde van den H. Franciscus en van den H. Franciscus-Xaverius.”

    Uit het doodsprentje of bidprentje vernemen wij dat Richard weduwenaar was in een eerste huwelijk met Odile de Catelle en bij het sterven de echtgenoot was van Adèle Aelvoet.

    De tekst op zijn doodsprentje luidt verder als volgt:

    “Gelukkig den mensch die de dood steeds voor ogen heeft en zich dagelijks bereidt om te sterven. Nav.Christi X.

    Hij gaf luister aan de feesten en verheerlijkte de hoogtijden tot het einde van zijn leven, opdat men den Heiligen Naam der Heeren zoude prijzen en in den vroege morgen Gods heiligheid verkondigen. Eccl.XLVII,12.

    Vaarwel, Beminde Echtgenoote, Kinderen en Kleinkind, troost u, we zullen elkandr wederzien. Duurbare vrienden, lange jaren was ik voorU in de kerk op mijnen post, gedenkt U mijner, Gij, die daar missen of goddelijke diensten bijwoont. Mijne zusters en dochters den Heer in ‘t klooster toegewijd, op uw aandenken in ’t gelid betrouw ik het meest.

    H. Hart van Jezus, wees mijn heil. 500 dag. afl.

    Zoet Hart van Maria, wees mijn toevlucht. 800 dag. afl.”

    Het bidprentje werd gedrukt in de Drukkerij P.Hoffmann te Nukerke.

    Zijn tweede kleinkind, een jongen, kreeg zoals toen gebruikelijk was, bij zijn geboorte in 1934, de naam van grootvader, nl. Richard.

           We begrijpen best waarom Richard die voorname taak kreeg toebedeeld van pastoor Reyns. Hij stamde uit een diep christelijke familie; hij had immers twee zussen en 2 dochters die kloosterzuster waren.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dit volledig bakstenen kapelletje tref je aan op de hoek van de Weitstraat en de Keistraat. Het is een typisch klein veldkapelletje, gedeeltelijk gebouwd in de hoge berm. met een hoogte van 1,99m, een breedte van 1,18m en een diepte van 98cm. Het werd gebouwd op het land van een zekere Goedgebuur uit Gent en ’t is het altijd gebleven, toch tot in de jaren 90.. Charles Vander Eecken, een landbouwer die zijn bedrijf runde op de hoek van de Keistraat en de Holandstraat pachtte het van de eigenaar Goedgebuur. Volgens hem heeft de eigenaar de kapel zelf laten bouwen. De juiste datum is echter onbekend. Wel zou het vóór 1900 zijn gebouwd. .De veldkapel werd juist daar gebouwd, op deze hoek, niet enkel omdat ze eigenaar van het perceel grond waren maar tevens omdat de familie diep gelovig was. Het werd niet samen met een ander gebouw gezet (b.v. een woning) .Het werd toegewijd aan O.L.Vrouw, want er heeft steeds een oud beeldje van O.L.Vrouw in gestaan. Lange tijd heeft de familie Van Maelzaeke de kapel onderhouden. Er werden regelmatig bloemen bijgezet en af en toe brandde er binnen een kaars. Vooral tijdens de meimand gingen de buren regelmatig de bloemen verversen en werden er nieuwe kaarsen op de kandalaars geplaatst.. Het kapelletje heeft geen naam. Volgens Charles is dat te wijten aan het feit dat hier nooit een bedevaart naar de kapel plaats had. “Als het nodig was dan ging nonkel Ernest destijds het kapelletje witkalken.” Maar, na vele generaties begon de kapel te verkommeren. Meer nog, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kapel getroffen tijdens een luchtaanval en bijna volledig verwoest. Nadien werd het min of meer hersteld. Maar na het verbreden en betonneren van de Weitstraat in de jaren 80 werd er niet veel meer naar omgekeken, op het plaatsen van enkele veldbloemen en een kaarsje na. Hoewel, het bakstenen kapelletje werd al eerder gerestaureerd door Ernest Everaert. De ouders van Bertha Van Maelzaeke hebben toen het werk en de materialen bekostigd.

    Tot in de lente van 1980 door de Koning Boudewijn Stichting de actie “Met open oog op weg” op touw werd gezet. De bedoeling ervan was plaatselijke besturen, scholen, verenigingen, buurtcomités,… aan te sporen om kleine projecten in de onmiddellijke omgeving onder handen te nemen en de nabije omgeving aangenamer te maken. De derde graad van de Gemeentelijke Basisschool zou zich inzetten tot het opsmukken van deze veldkapel. Maar hoe troffen ze het bouwwerkje aan? Het voegsel verpulverden tot zand en de voegen zaten vol aarde. Niet te verwonderen, want cement was er bij de bouw niet aan te pas gekomen. Toen bouwde men nog met kalk en zavel. Ook hoekstenen kwamen los en nog erger, de natuur ging zijn gang en weldra drongen de wortelen van gras en netels zich in de voegen. Aan de achterzijde groeide een vlierstruik wiens wortelen in de voegen vastzaten. De linker zijkant vertoonde een scheur. Het dak was al eens hersteld want er staken rode bakstenen tussen. Een groot deel van het gebouwtje zat onder de aarde die de berm was afgegleden.

    Gedurende 10 dagen, van 18 maart tot 4 juni 1980 werkten groepjes kinderen aan de verfraaiing. Er werd geklopt en geschuurd, gemetseld, gevoegd, geverfd en geplaveid  Na het binnen sturen van het dossiertje ontving de school een subsidie van 2000 fr. Daarmee werd het materiaal bekostigd nl. 145 kg cement, 130 kg zavel, 40 kg glaskorrel, 15 bakstenen, witte verf, kasseistenen, een slotje, schuurpapier, een drankje voor de werkers, foto’s, administratie…

    Zo werd het oude kapelletje in een nieuw kleedje gestopt en kon het weer een paar generaties verder… tot een jaar later op een zonnige dag een maaimachine van de gemeente het kapelletje tijdens het maaien raakte en neerlegde. De gemeentewerkman Fernand Ruelle heeft dank zij de plannetjes met de juiste afmetingen de kapel in haar oorspronkelijke vorm kunnen opbouwen.. Sindsdien staat het weer te pronken in een vergeten hoekje.

    Verhalen

    Een overlevering wil dat er heel lang geleden rond de kapel werd gespookt.

    En een waar gebeurd verhaal vertelt dat een zekere Deruyver , een pelsjager (of is het pensjager) hier zou verongelukt zijn door een schotwonde veroorzaakt door zijn eigen karabijn.


    In 1980 schreef een plaatselijke reporter in de krant volgend artikeltje.

    Een vervallen kapel te Nukerke

    Maarkedal.- Keurig onderhouden, door bereidwillige buren, zo was ruime tijd de kapel langs de Weitstraat te Nukerke. Vroegere meimaanden stond het veldkapelletje te pronken, Maria ter ere en Nukerke ten bate. Witgekalkt beheerste het de rust van de omgeving aan de hoek van de Keistraat. Maar nu schijnt niemand zich nog over het kapelletje te ontfermen.De belangloze inzet van zovele jaren, is er niet meer. Het mag niet zijn dat aangelanden de kapel laten verkommeren. Een zeker respect dringt zich op voor de landelijke kapellen, tastbare getuigen van betere en vromere tijden. Wegenwerken hebben het kapelletje lelijk verminkt, met uiteindelijke herstellingswerken kreeg het weer een dak. Het werd een kapel zonder kruis. Overgeleverd aan wie ook, heeft de kapel er een zieltogende aanblik gekregen. –(D.R.)

    Even een rechtzetting: het veldkapelletje heeft nooit een kruis.gehad.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    06-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    05-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Pentekening naar een oude foto.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.38. Woning van de familie Van Malleghem
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              Potloodtekening van de oorspronkelijke woning met paardenstal en remise (koetshuis).
    Huis Van Malleghem” in Nukerke-dorp. Deze woning dateert van vroeg in de 18de eeuw want ze staat aangetekend  op de Ferrariskaart opgemaakt in 1777. Het gebouwtje links van de woning  werd gebouwd als parochiale bewaarschool.  We kunnen voorlopig aannemen dat de familie Van Malleghem de grond afstond en op eigen kosten het gebouwtje liet oprichten. Op een grafsteen lezen we “Geloofd zij Jezus Christus Amen. Ter Zaliger gedachtenis van Petrus Augustinus Van Malleghem geboren te Nukerke Den 29 november 1775 aldaar overleden den 15 maart 1858  van zijne echtgenote Anna Theresia Van De Putte  geboren te Nukerke Den 30 september 1795 van hun kinderen  Amelia Clemence geboren te Nukerke 17 December 1821 en aldaar overleden 7 april 1903  Victor Geneesheer en Oud-Burgemeester der gemeente Nukerke  geboren den 22  dec 1827 en overleden De 2 mei 1900 en zijne echtgenote Rosalie De Tollenaere 1835-1905  De Zeer Eerwaarden Desiderius-Augustinus Titularis Kanunnik van S.Baafs  Hoofdkerk geboren Nukerke Den 14 januari 1831 en overleden  te Gent De 29 januari 1890.
    "Het jaer 1900 2 mei is overleden om half een uur des nachts ten zijne huize en ten gehuchte Plaats Van Malleghem Victorianus-Franciscus oud 72 jaar, dokter in de geneeskunde ten gehuchte Plaats, echtgenoot van Rosalie De Tollenaere oud 67 jaar zonder beroep en alhier wonende, oud-burgemeester der gemeente (1895), alhier geboren en hier wonende en zoon van wijlen Augustianus en van wijlen Theresia Vande Putte beide alhier overleden. Twee zonen komen het overlijden aangeven nl.Octaaf Van Malleghem oud 35 jaar Substituut-Prokureur des Konings te Gent en Hector Van Malleghem oud 29 jaar onderpastoor te Herdersem."
    Deze familie was  blijkbaar zeer invloedrijk en bezat veel gronden. Van Malleghem was tevens weldoener en geldschieter voor  de katholieke gemeenschap te Nukerke. En zo komen we aan de “ontwikkeling van de parochieschool”. Aldus een oude tekst.” In 1877 deden de Z.E.H. Kan. Désiré Van Malleghem en zijn zuster Clémence, een klooster en een school bouwen te Nukerke. De E.H. Pastoor  De Groote vroeg Zusters van Barmhartigheid om klooster en bewaarschool te bedienen. De eerste Zusters: Moeder Raphaël, Zr Felicitas en Zr Birgitta kwamen er den 8 Juli 1877 toe, en werden er aan de goede zorgen van de E.H.Pastoor toe vertrouwd, die aan de Zusters het aller nodigste bezorgde en ieder jaar 100 fr per Zuster aan het Moederhuis zou betalen. De Zusters van de bewaarschool kenden groten bijval: na 8 dagen waren er reeds 81 kinderen. In 1879 werd een jongensklas naast het klooster gebouwd, waar een onderwijzer fungeerde. Tijdens den schoolstrijd 1879-1884 stond het klooster twee lokalen af aan de school. In één dier klassen gaf Zr Reinilde, later Algemene Overste, het onderricht. In 1884 worden Lagere- en Bewaarschool aangenomen. Het leven der school heeft nu een normaal verloop: uitbreiding en verbetering naarmate de schoolbevolking toeneemt of de eisen der hygiëne en gerieflijkheid zich deden gelden. Mei 1940 bracht over ’t klooster de grote beroerte. Reeds den 12 Mei kwamen de eerste vluchtelingen. De scholen werden ontruimd en ingericht als nachtverblijf. Den 20 Mei waren de Duitsers daar. Ze vertrokken slechts op 1 juni. Gauw werd echter alles in orde gebracht. Verder verliep alles rustig.

    Op het doodprentje van D.-A. Van Malleghem lezen we de hoogtepunten in zijn leven

    “Bid voor de ziel van den Zeer Eerw. Heer Desiderius-Augustinus Van Malleghem

    te Nukerke geboren                 14 Januari 1831

    In het Seminarie getreden         1 Oktober 1853

    Priester gewijd teGent             20 December 1856

    Onderpastoor te Pamele         22 December 1857

    Coadjutor van den Z.E.H.Verduyn in S. Nicolaas te Gent 3 Januari 1859

    Onderpastoor in S. Nicolaas Gent           24 Mei 1869

    Algemeene Bestuurder der Zusters Franciscanersen van Gent 19 Januari 1871

    Eerekanunnik van Sint Baafs                   25 Juli 1877

    Dekanale schoolopziener                          22 September 1879

    Titulaire Kanunnik                                     16 Juli 1888

    Godvruchtig in den Heer ontslapen te Gent 29 Januari 1890”

    Opmerking: we stellen vast dat deze priester op het moment van het hoogtepunt in de schoolstrijd schoolopziener werd op een moment dat het katholiek onderwijs werd opgericht en de bouw werd begonnen van duizenden katholieke dorpsscholen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.34. Het kerkje te Zulzeke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

          Kerkje van Zulzeke (tekening in opbouw)

    Zulzeke is een kleine deelgemeente van Kluisbergen met een oppervlakte van 562 ha en 627 inwoners in ‘70. De landelijke dorpsplaats bezit een gezellige taverne “In ’t oud gemeentehuis” uit 1841. Het is de laatste van de vier herbergen die er waren tot de jaren 80. Verder is de mooie St-Janskerk een bezoekje waard. Het is een driebeukige hallenkerk met oude vierkante westentoren met harstenen onderbouw. Het voorkomen van de kerk is 18de eeuws maar er zijn talrijke oude sporen. De kerk, het omringend kerkhof en de kerkhofmuur zijn beschermd als monument en als landschap (K.B. van 29 oktober 1975). De binnendecoratie is 17de en 18de eeuws met toch nog een zuideraltaar in de renaissance stijl (ca 1600). Het hoofdaltaar is 18de eeuws. Boven het altaar prijkt het schilderij “Jezus verschijnt aan Maria-Magdalena (Vlaamse school, einde 17de eeuw).

    De pastorij, aan de noordzijde van de kerk, is in 2007 verkocht aan een particulier

    De inwoners van Zulzeke en Nukerke leefden vroeger nauw verbonden met elkaar. Men zocht er al eens zijn partner en beide gemeenschappen namen deel aan elkaars feesten. Zo was de jaarlijkse geitenkeuring, een echte volkstoeloop. En met Sint-Jan in ‘t water was het kermis. Veel inwoners van Zulzeke sloten aan bij het verenigingsleven van Nukerke. We denken hier aan BGG, het Werk van den akker, het davidsfonds… Niet te verwonderen dat bij de fusie van de gemeenten in 1976 men plannen had om het deel van Nukerke ten westen van de Rijksweg bij Kluisbergen aan te sluiten.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (2 Stemmen)
    05-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    04-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.37. Aan Den Engel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Zicht op de oude steenweg of Staatsbaan te Nukerke richting Oudenaarde. Beeld van vooraan 1900. Blijkbaar was de weg toen nog een grindweg. Links de statige woning van de brouwerij T'Sjoen en rechts de herberg den Engel. Dit mooie beeld is voorgoed verdwenen. Geheel de buurt werd tijdens de jaren 70 met de grond gelijk gemaakt voor de aanleg van de expresweg N60.
    De tekening is nog niet volledig afgewerkt.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.35.Pastorie te Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De pastorie uit de tijd toen het gebouw nog gezag en eerbied uitstraalde bewoond door een parochiale herder die instond voor de christelijke opvoeding van de gemeenschap. De tijd dat menig gezagdrager of hoogwaardigheidsbekleder hier zijn voeten onder de tafel mocht zetten dateert al uit vorige eeuw. De talrijke dorpelingen die hier destijds over de vloer kwamen kunnen getuigen hoe mooi het interieur was. In 1901 werd de aanvraag voor de bouw van deze pastorie ingediend. De bouw werd gerealiseerd in 1903- 1904 door het gemeentebestuur. Later werden er nog bijgebouwtjes aan toegevoegd.
    Beste lezer, kom toch even mee binnen in dat eens zo prachtig gebouw. De hoge voordeur geeft toegang tot een brede gang. Halverwege  sluit een mooie dubbele deur, met prachtig gekleurd brandglas, het privégedeelte af.  Rechts kom je de spreekkamer binnen. Een plaats waar menigeen zijn zijn/haar hartje kwam luchten. Van hier geeft een dubbele deur  de hoge bezoeker toegang tot de grote ontvangstkamer, bemeubeld met een eetkamer en een lederen salon, waar bisschop en deken meermaals de voeten onder tafel staken. De andere helft van de woning bestaat uit de keuken en de werkkamer, gescheiden door een gang. Naast de keuken is er nog een klein schotelhuis met twee roodglanzende koperen handpompen op de blauwstenen pompsteen. Een mooie sierlijke trap brengt ons naar de eerste verdieping met 6 slaapkamers en een kleine badkamer. Bijzonder aan de slaapkamer van de pastoor is het smeedijzeren hek dat de slaapkamer van de pastoor afsluit van de rest van de woning. De ramen van deze slaapkamer zien bovendien voorzien van stevige tralies. Geen enkel onverlaat kan hier de pastoor overvallen. Naast de grote slaapkamer is de kamer waar eertijds de kapelaan sliep. Tussen de 2 slaapkamers achteraan is er een lokaalje dat dienst doet als archief. Buiten, aan de oostkant van het gebouw bevinden zich 2 w.c.’s en het washuis. Aan de westkant was er een kolenhok, maar tijdens de periode van pastoor Van Poucke werd een mini-chauffage geïnstalleerd. Achter de pastorie ligt een grote tuin met boomgaard. Het keukenwater werd sinds jaar en dag aangevoerd vanuit een steenput onder het oude gemeentehuis. In de jaren 60 werd die put echte vervuild met smeerolie. Vanaf dan werd de watertoevoer voorzien vanaf het kindertehuis waar een heel diepe steenput was. Pas vanaf 1975 kreeg de pastorie leidingswater toen Nukerke aansloot op de watervoorziening van het TMVW. In 1963, ten tijde van pastoor Van Pouck de Knyf werd een deel van de kelder omgevormd tot garage. Sinds het vrijkomen van de pastorie logeert het OCMW van Maarkedal er asielzoekers. Dit eertijds zeer eerbiedwaardig huis werd gedegradeerd tot asielhuis bewoond door  mensen waarvan sommigen een godsdienst beleiden die sinds mensenheugenis haaks staat op het christelijk geloof dat eeuwenlang door onze dorpsherders werd verkondigd. Hoe een dubbeltje rollen kan…Een eeuwenlange traditie ging verloren. Is de pastoor definitief weg ?


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    04-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    03-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.48.Goet ten Broecke met watermolen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Watermolen behorend tot het "Goet Ten Broecke" te Kluisbergen, in de deelgemeente Zulzeke, buurgemeente van Nukerke. De molen draagt de datum 1870. Dit jaartal wijst enkel op een herstelling want de oorspronkelijke molen moet veel ouder zijn.

    Uittreksel uit het Ministrieel Besluit van 14 juli 2004 :
    Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumente, stads- en dorpsgezichten…
    Wegens“De artistieke, historische en industrieelarcheologische waarde van de hoeve genaamd “Ten Broecke” met inbegrip van het erf met toegangspoortje , de oude molenvijver, het aanpalend deel van de Molenbeek met oevers en flankerende bomenrij, de aangrenzende gekasseide toegangsweg met twee bruggen, het watermolenhuis met strekdam, woelkom, drie bijhorende linden en het sluiswerk met uitsluiting van de recente bedrijfsgebouwen) gelegen Kapoenstraat 18 te Kluisbergen (Zulzeke)
    De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten een voormalig foncier (hoeve) van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangrijke getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. Expliciete materiële resten van deze historische oorsprong zijn onder meer de terp en oude overwelfde kelders waarop in 1729 de kern van de hudige woning werd opgericht, het toegangspoortje ter hoogte van de oude toegang, de omgrachting gevormd door het deel van de Molenbeek met zijn twee gemetste bruggen en de aanpalende oude spaarvijver.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.47. Goet ten Broecke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

           De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten en voormalig foncier van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangwekkende getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. (Ministerieel Besluit 14-07-2004). De woning werd in 1911 voorzien van een pannendak.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Potloodtekening van wat overblijft van de vroegere hofstede van Francis Vander Eecken. Deze werd in Ronse geboren in 1847.  In Nukerke baatte hij de hoeve uit beneden de Diericskstraet. Hij was gehuwd met Melanie Vanderdonckt. Ze hadden samen 7 dochters en 1 zoon Laurent. Zo kwam hij op de burgerlijke stand, in de leeftijd van 49 jaar, de geboorte melden van zijn dochter Celesta Adolphine geboren op 31 mei 1896. 
    Francis was gedurende 30 jaar burgemeester van Nukerke. Naar we vernamen kreeg hij een eerbewijs voor bewezen diensten van koning Leopold II. In de woonplaats van deze hoeve droeg een houten balk  het jaartal 1764. Deze balk werd bij verbouwing van de vorige boerenwoning opnieuw gebruikt. Bij onderzoek bleek immers dat de balk veel ouder scheen te zijn dan het metselwerk van de voorgevel.

    Deze hoeve staat beschreven als “bakstenen hoeve met min of meer U-vormige aanleg, thans onbewoond (2011). Lang Z-O georiënteerd boerenhuis van 10 trav. Onder pannen schilddak en loodrecht zadeldak ter hoogte van één travel.; naar verluidt binnenin balk met jaartal 1870 doch teruggaand op oudere hoeve. Per twee gegroepeerde getoogde vensters met hardstenen lekdorpel in de voorgevel. Twee rechthoekige voordeuren in gesinterde bakstenen omlijsting met oren en gestrekt druiplijstje; gelijksoortige achterdeur."

    De burgerlijke stand vermeldt ook ene "Vander Eecken Charles, Henri,  August, Francies zonder beroep en alhier geboren den 10de oktober  1889 ten gehuchte Dierixkstraat is overleden in 1905".

    De enige zoon Laurent is in juli 1924 verongelukt aan de onbewaakte spooroverweg  op de Mellinckstraat. Hij was op weg naar de molen Van Malleghem met een volle wagen koren. Wagen, paarden en voerman, allen waren op slag dood toen het span door een trein werd gegrepen. Laurent liet zijn vrouw, Leonie Van Oosthuyze achter met een kindje van elf maanden. Uit haar tweede huwelijk met Waelkens Maurice werden nog drie kinderen geboren. De gesloten hoeve had een strodak dat in 1930 vervangen werd door pannen. Eerst kwam de woning aan de beurt. Pas jaren later werden de schuur en de stallingen ook vernieuwd. Volgens André heeft zijn vader die karwei zelf geklaard.

    In 1993 stopte André Waelkens en zijn vrouw alle landbouwactiviteiten op de hoeve. Deze werd verkocht in 1995 en kwam nadien zeer snel in verval. Deze tekening geeft een beeld van de toestand eind 2011.

    De burgemeester komt aangifte doen van een overlijden.

    In het jaar 1905 komt Francis Vander Eecken, burgemeester, oud acht en vijftig jaren en Laurant Blommaert gemeentesecretaris oud zeven en veertig jaren aangifte doen van een overlijden “ten gehuchte Dierixkstraat overleden is Vander Eecken Charles- Henri-Angele-Francis zonder beroep en alhier geboren den tienden October achttien honderd negen en tachtig ….”

     

    Iets hogerop, in de bocht, stond toen nog een hoeve, eigendom van Blommaert uit Etikhove, maar bewoond door de familie Dekeyser. Deze hoeve brandde een paar keer volledig uit. Zo’n oude hoeve met veel hout en stro was een gretige prooi voor een vuurtje en blussen was onbegonnen werk. Een telefoon en de brandweer kende men hier nog niet. Bij de eerste brand in de jaren dertig kregen de bewoners van het afgebrand hof onderdak in de boerderij van Waelkens Maurice. Ondertussen werd boven de woning een hele hoop stro getast zodat het gezin er terug zijn intrek kon nemen. Sinds die gebeurtenis kreeg de hoeve de naam “’t verbrand hof”. Lang bleef deze hoeve niet meer bewoond en verviel in puin. Toch maar een akelig boeltje voor kinderen die daar voorbij kwamen en des te meer was het benauwend toen zich in de jaren 50 een zekere V. er zich verhing. Monske Rousseau gebruikte er nog enkele jaren een schuurtje. Rond de jaren 70 werd het boeltje opgeruimd en het erf werd een akker.

    Bijlagen:
    Waelkens klein.jpg (88.2 KB)   


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.42. Kapel van mere.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kapel van Mere

    Feitelijk staat de kapel langs de Oude Heerweg. Deze O.-L.-Vrouwkapel zou opgericht zijn in 1868 door de familie De Bisschop. Deze grote bakstenen veldkapel met pannen gedekt, zo stond er tot 1970 een zelfde kapel op de hoek Pontstraat Holandstraat, is toegewijd aan O.-L.-Vrouw van Lourdes. Tot de jaren 80 waren deze kapellen een oord van gebed en devotie tijdens processies en bedevaarten.
    Dit olieschilderijtje is vermoedelijk geschilderd rond 1950 en is een werk van de amateurschilder Van Coppenolle die toen woonde in het Zeitje.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.41. De site rond het Waterkasteel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een mooie legende over het Waterkasteel

    Volgens een oud volksverhaal stond ooit in D’Aubeke een waterkasteel. De benaming is afkomstig wegens het feit dat er rond die velden langs het beekje, meermaals dauw hing. In de oude atlas staat die plaats vermeld bij nr 114 als D’Aubeke en bij nr 115 als D’Aubeke pad. Volgens de kaart van 1777 bestond daar reeds een bijzondere systeem van waterhuishouding. Daar was de grond toen nog zeer drassig en blijkbaar was daar een heel actieve bron die zorgde voor veel bovengronds water. Dicht bij elkaar trof men er twee omwalde woningen aan die enkel toegankelijk waren langs een brug. Veel water werd aangevoerd door de Meulebeek met bronnen in Ten Hole en op de noordflanken Turkeyen. De landerijen langs de beide oevers werden toen als drassig gebied ingekleurd. Op een kaart van 1851 staat een gebouw met twee vleugels omgeven door een brede wal. Het geheel werd aangeduid met “Water Kasteel ou ter Heerbrug Molen”. De Meulebeek liep onder de Holandsraat door. De oversteek gebeurde d.m.v. een houten brug.

    Dat daar een kasteel stond is wellicht veel gezegd. Laat ons zeggen een statige stenen woning omgeven door water. De kleine Margaretha van Parma (een bastaardkind van Karel V) zou daar in haar kinderjaren zijn opgevoed. Soms kwam Karel V op bezoek. Vandaar dat één van de toegangswegen Keizerrei werd genoemd. Ook een paus van Rome zou daar zijn zoon hebben ondergebracht. De toegangsweg  die de paus volgde naar het waterkasteel werd later Pausweg. Deze aarden weg is het verlengde van de Letterstraat. Je had dus toegang tot het waterkasteel via de Pausweg (verlengde van de Letterstraat) en de Keizerrei. De naam D’ Aubeke wijst op de dauw die heel regelmatig boven de akkers hangt. Volgens het volksverhaal zou ook ’t Moleke en de omgeving ervan deel uitgemaakt hebben van ’t Waterkasteel. Het is een feit dat op oude kaarten deze omgeving is aangeduid als drassig gebied. Recht tegenover de watermolen moet een schuur hebben gestaan, op palen. Op de plaats waar de familie De Rooze een paar generaties woonde. Al bemerkt dat het gelijkvloers van het oude woongedeelte een meter hoger ligt en onderkelderd is. Werd in die overwelfde kelder vroeger ook ijs opgeslagen en bewaard voor de zomertijd? Sommigen spreken hier van een ijsfabriekje, maar dat is veel gezegd. Hoe dan ook, het ijs van de vijver werd verzaagd en de ijsblokken werden tussen het stro bewaard. Daar waar het mogelijk was bouwde men de hoeve aan een beek want water was belangrijk. Er waren dus nog hoeven die een ijskelder bezaten. Dat was een ondergrondse kelder met dikke muren, onder de schuur, zonder vensters en met een toegangspoortje. Van buitenaf liep men door een gleuf die steeds dieper werd naar beneden. In oorsprong zou het ijs hier gebruikt worden om de melk te koelen. Er was trouwens een voorraad ijs tot een stuk in de zomer.

    Wat nu nog rest van het 18de eeuws Waterkasteel is de westelijke vleugel van het oorspronkelijk gebouw met twee vleugels; een zuidelijke en een westelijke vleugel. Men zegt dat de eigenaar van dit kasteel met molen ook op de Steenbrug te Ronse een watermolen bezat.

     

    Watermolen Heerbrug (Eerstbrugge), in de volksmond ‘ t Meuleke

    ’t Meuleken was tot midden de jaren 80 een gezellig dorpscafeetje. De naam verwijst naar de vroegere graanwatermolen  die er was in ondergebracht aan de westelijke oever van de Meulebeek. Deze watermolen werd reeds in 1539 vermeld als watermolen ter Eertsbrugge” en behoorde tot het waterkasteel, een site met walgrachten, aan de overkant van de straat.  Een kroniek heeft het over de “muelne ende erve ter hertbrugghe” en de Ferrariskaart (1777) heeft het over het gehucht H Ter Brugen. Op de Vandermaelenkaart  (1851) staat deze site aangeduid als “Water Kasteel ou ter Heerbrug Moulin”. De maalinstallatie zou rond 1882 gewerkt hebben d.m.v. een stoommachine. Daartoe diende uitbreidingswerken te worden uitgevoerd. Rond 1900 werd aan de westgevel van het molengouw een deel bijgebouwd dat dienst deed als melkerij die werkte dankzij de stoominstallatie. De werking van de melkerij en de maalinstallatie  hield op in 1933. Daarop werd de maalderij en de melkerij beetje bij beetje ontmanteld en kreeg het gebouw de functie van woning. Bij Leontine kan je er meer overlezen want zij heeft als kind ’t meuleke en de melkerij nog in werking gezien.


    Wat de volksmond zegt ! ’t Meuleke was een oude watermolen gelegen op de plaats waar de Molenbeek onder de Holandstraat duikt. Het waterrad en de maalinstallatie is kort na de tweede wereldoorlog in verval gekomen. Dat was ten tijde van Octaaf Norga. Recht tegenover het gebouwtje lag een grote vijver waarin het water werd opgehouden. Daar werd het water verzameld afkomstig van de Meulebeek en van D’Aubeke, twee beken die hier vóór de vijver samenvloeien en overvloedig water aanvoeren. Het schof (schuif, schot) stond naast het molenaarshuis. De laatste sporen van de vijver verdwenen bij de heraanleg van de Holandstraat in de jaren 80. Aan de oostelijke gevel van het gebouw ziet men nog de sporen van het rad. Zo te zien moest het verval van het water tamelijk groot zijn geweest. Het westelijk gedeelte van ’ t Meuleke was melkerij. Dat is nog duidelijk te zien aan de binneninrichting. De vloer van de melkerij lag veel hoger dan de Holandstraat. Dat was natuurlijk gemakkelijk voor het lossen van de melkkannen. Binnen leidde een trap van de woonkamer naar de melkerij. Ten tijde van Frans Verhellen werd de melkerij ingericht als winkeltje en later als woonkamer.

     

    Een overlevering heeft het over een verhaal uit het jaar 1710. Toen zou een zekere Prins Filip, een Spaanse jonkheer, in Oudenaarde zijn goederen hebben verdeeld. In die periode kwamen er elfhonderd ha grond van Melden over naar Nukerke. Nukerke was toen op weg naar zijn zelfstandigheid. En wie waren de gelukkige eigenaars?  Wel volgens het verhaal gingen ongeveer 300 ha naar de familie Van Malleghem.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.40. Kapel de Rode Haan
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Veldkapel Roden Haan aan Stampers in de Turkeyestraat.

    We schrijven wel kapel want het gaat over meer dan een veldkapelletje. Dit bakstenen gebouwtje werd gebouwd in de tweede helft van de 19de eeuw op de hoek van de Wolfstraat en " Turkeyen".

    Ontstaan van de kapel.

    Op de kaart van 1777 was het gehucht Turkeyen nog niet bewoond noch vermeld. In 1832 werd in Turkeyen een begin gemaakt met het bouwen van de stallingen van de boerderij die zal gebouwd worden voor rekening van de familie De Temmerman. Nu Turkije nr 10. Daar is de huidige eigenaar Georges De Smet geboren. In oorsprong een mooi bakstenen hof met strooien dak. Een wijde en hoge toegangspoort geeft toegang tot de grote binnenkoer. De bakstenen werden ter plaatse gebakken, dat zie je nog aan de uitgraving in een van de hokken. Wat niet voorzien was gebeurde op een dag; de boer kwam te overlijden en de boerin bleef alleen achter. Om het werk te verrichten moest de hulp inroepen worden van mansvolk, zeg maar knechten. Maar de boerin moet nogal een gierige pin zijn geweest. De knechten werden niet goed behandeld, slecht gevoed en onderbetaald. Het waren sukkelaars. In de jaren achttienhonderd was het de gewoonte dat mensen hun ongenoegen bekend maakten. De ontevreden knechten klommen tijdens de vrije tijd in de bomen die ginds op de hoek stonden en begonnen te scharminkelen. Scharminkelen betekent letterlijk "met ketelmuziek iemand honen". De persoon die men hoonde was waarschijnlijk een scharminkel (hier de vrekkige boerin); een boze geest of een zeer mager mens of dier. Een scharminkel  betekent ook  spektakel of woelige wanorde, gedruis of geraas. Toen moeten daar op de hoek dus ook al bomen hebben gestaan aan een klein veldkapelletje. Zo’n actie bestond er in veel lawaai te maken met o.a. een oude hoorn, potten en ketels en een “klakkedjure”om de goegemeente op de hoogte te brengen van hun wantoestand. De boerin zat in de rats. Alles liep verkeerd op de binnenkoer. De paarden trokken zich los en waren moeilijk in bedwang te houden. De eigenares zocht hulp in het veldkapelletje ginds op de hoek. Ja, toen verzette het geloof nog bergen ! Ze ging dagelijks lauderen aan de veldkapel. In de volksmond in Nukerke betekent lauderen zoveel als bidden en lofprijzen.  Ze smeekte dagenlang Onze Lieve Heer :”Mijnheer en mijn God, wat moet ik doen om uit die ellende te geraken ? Help mij toch!”. Haar Heer en Meester antwoordde: ” Ga naar huis en geef uw werkvolk meer en beter eten!” Dat beloofde ze maar of de toestand verbeterde daar zijn we niet zo zeker van. Er hing wel nog onheil in de lucht. Op een dag stond de boerderij in licht laaie. Om die miserie nooit meer te moeten meemaken besliste de eigenares om deze huidige kapel te bouwen. En … zoals gebruikelijk zou een lindeboom de kapel behoeden tegen onheil. En een naam werd vlug gevonden. Blijkbaar kende men toen reeds het gezegde “De rode haan laten kraaien of de rode  haan op het dak zetten” wat wil zeggen een huis in brand steken. Iedereen sprak voortaan van de Kapel de Roden Haan. Een 60cm groot houten gepolychromeerde madonna met kind op de arm prijkte op het altaar en houten engeltjes in sculptuur hingen aan de muur. In de jaren 70 werd de voorkant van de kapel van nieuw metselwerk voorzien. Pastoor Regibo, toen pastoor te Zulzeke, eens op bezoek in de buurt in de jaren 50 vond het een prachtig en waardevol beeld. Maar het was zodanig door houtworm aangetast dat het dringend aan restauratie toe was. Een antiquair uit Horebeke, dat moet een zekere Van Schorisse zijn geweest,  kocht het toen op. Nu staat er een stenen beeld. Georges De Smet en Alix Callebaut zorgen al decennialang voor het onderhoud van de kapel. Rechtover de kapel staan twee huisjes. In een ervan, dat van op de hoek, was begin jaren 1900 bewoond door de 2 ongetrouwde zussen Van de Kerkhove, de jonge dochters Marie en Pauline. Marie werd zwanger en zette een zoon op de aarde. Die zoon is bruine pater geworden en heeft een groot deel van zijn leven in Belgisch Congo gemissioneerd. Eens op oudere kwam pater Van de Kerkhove wonen in het huisje van zijn moeder en sleet er zijn laatste dagen in gezelschap van zijn gezellin. Zus Pauline is tijdens den oorlog door haar eigen Groendaler doodgebeten. Ja, dat alles gebeurde “aan stampers”. Waar komt dat vandaan? Wel de arme stakkers hadden in de schrale negentiende eeuw geen geld om olie te kopen. Olie werd toen nog gebruikt voor de verlichting. Dus stampten die mensen het koolzaad tot olie d.m.v. een houten stamper en een stenen pot. Een karwei van lange duur.

    Nog een verhaaltje. ’t Gebeurde al eens dat een jonge man zijn lief ging zoeken in een gemeente in de buurt. Dat  viel niet altijd in goede aarde en dat werd hem door beide kanten zelfs kwalijk genomen. De ene parochie liet verstaan dat die jonge man hun meisjes moest gerust laten en zijn eigen parochie vond dat die bewuste man in zijn omgeving moest op zoek gaan. Dus trof men maatregelen. De jonge man werd “op transveld gestoken”. “Ge werd daarvoor aangekeken.” Hij werd geplaagd en nageroepen. Men maakte hem het leven zuur. Ja, ’t was een harde tijd voor onze voorouders. Ook een Nukerke onderpastoor werd toen eens op transveld gezet. Op een keer kwam hij te voet van Ronse. Jonge gasten riepen hem na en gooiden zelfs met brokken aarde naar hem. Reden: hij had iets op zijn kerfstok wat niet betaamde voor een priester.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    03-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    02-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.49. Lemen schuur op den Dries
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Lemen schuur op Den Dries

     

    Daar  op Den Dries werd in het ouderlijk huis Aloïs Willems geboren als zoon van Desiré en Melanie Verhellen. De oude woning werd in 1953 grondig gemoderniseerd toen strooidak en lemen muren verdwenen. Een houten balk, verborgen in het plafond draagt het jaartal 1668. In oorsprong behoorde dit landhuis en het koeplekje er naast toe aan de boerderij van Staf Vande Putte die een grote vierkantshoeve aan de overzijde van de Holandstraat exploiteerde. De Vande Puttes waren toen een rijke, invloedrijke én devote familie. Zo schonk de dochter Anna Theresia Vandeputte geboren te Nukerke op 30 september 1795 aan de parochiekerk van Nukerke een heel mooi en kleurrijk glasraam, O.-L.-Vr. van Lourdes voorstellend. Dit glasraam is geplaatst in de noordenmuur van de kerk.

     Octaaf Verhellen, broer van Melanie was toe “carton” (van het Franse carter dat voerman betekent ?) op de boerderij van Vande Putte. In de jaren 20 bleven op de boerderij nog 2 jonkmans en één jonge dochter over. Die mensen waren zó devoot dat ze dagelijks in de kerk te Nukerke de mis bijwoonden. In het huishouden werden ze geholpen door de buurvrouw van rechtover, nl  Hortanse de vrouw van Richard Vanderbeke. Als beloning voor haar hulp schonken de Vande Puttes de woning aan Hortanse. De boerderij zelf werd in 1926 gekocht door  Richard Devenijns en vrouw Zulma Devos, afkomstig uit Leupegem. In de jaren 70 volgde zoon Marc zijn vader op. En de volgende 2 generaties staan reeds klaar voor de opvolging.

    De hoeve staat beschreven als een “Grote en opvallende hoeve met fraaie verheven inplanting aan rechte straathoek en tussen kruispunten met Dieriksstraat en Bakkerbos. Lang boerenhuis van zeven travels en anderhalve bouwlaag met brede korfboogvormige toegangspoort onder zadeldak bedekt met kunstleien ter vervanging van stro sinds ca. 1920. Aan de straatzijde, op de uitgewerkte booganker boven de toegangspoort, staat 1840, het jaartal toen de vorige hoeve met losse bestandmiddelen tot huidige hoeve werd verbouwd. De woning heeft een overwelfde driedelige huiskelder en naar verluidt zouden de funderingen zo maar eventjes 1,2m breed zijn. Het erf zelf met mestput is gekasseid sinds 1940. De mestput is ondertussen verplaatst naar de buitenzijde van het hof. De lemen schuur onder kunstleien schilddak aan de noordzijde is vermoedelijk uit de 18de eeuw. De achter- en zijgevels zijn bestaan uit houtbouw op bakstenen voet en deels nog de oorspronkelijke lemen vullingen.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.45. Veldkruis te Ronse
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Potloodtekening
    Dit veldkruis aan een zeer oude linde , in de volksmond "gekruiste God" genoemd,  zou dateren van 1876. Dit monument kan je vinden op het kruispunt van de Ninovestraat met de Oscar Delghuststraat. Dit mooi symbool van onze Westeuropese christelijke beschaving staat in Ronse onder zware druk. Gelukkiglijk in 2010 gerestaureerd door het Wittentakcomité. Volgens een krantenbericht waren verschillende mensen een tijdje ongerust omdat het kruis een tijdje verdwenen wa. Het kruis was in veilige handen voor restauratie. De Vlaamse Ardennen zijn rijk aan veldkapellen onder een vredige en lieflijke linde.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.44. Site met Meulen Ter Gheynst
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een reus wordt geveld.

    “De hoeve met molen langs de Pontstraat.nr 62 was in de 19de eeuw eigendom van een familie Claus uit Etikhove maar werd aangekocht in 1900 door Emiel Devos, geboren te Melden in 1855, en Maria Slots, geboren in 1856. Marie Slots was zelfs van Duitse oorsprong; haar vader is  hier na de oorlog waarschijnlijk in België achter gebleven. Dit gezin telde 10 kinderen, 6 zonen en 4 dochters: Clara, Oscar, Modest, René, Achiel, Maria, Octavie, Josephine, Joseph, Georges. Het klokje op het dak van de boerenwoning werd ’s middags geluid om het werkvolk te verwittigen dat het eten klaar was. Je moest een trapje op om aan een zeel te trekken. Josephine huwde met Richard Geenens. Maar 4 bleven jong en runden de boerderij tot aan de verkoop op 8 mei 1968 aan Désiré Heuvick. De jongste, Georges, is dan nog getrouwd en heeft een tijdje in de Zandberg, een café langs de Ommegangstraat, gaan wonen. Op de boerderij werden 4 paarden gehouden. Daarvoor waren er twee “kartonks”, de broers René en Oscar. Ze hadden veel land in pacht, eigendom van de familie Van Malleghem. Die hadden “grauwelijk” veel land in eigendom. Daar waren ook twee dochters in dat gezin; Christiane en Irène. Christiane kwam jaarlijks de pacht ophalen. Ze reed toen reeds met een gemotoriseerde fiets met twee grote fietszakken. En ge moest dat zien! Bij haar vertrek zaten de fietszakken vol met appels, brood, noten en boter . De familie Van Malleghem bezat toen een hele grote woning in Gent.

    Het was in de tijd vóór den oorlog de gewoonte dat de meisjes meer naar school gingen dan de jongens. Bovendien, de jongens gingen enkel ’s winters naar school en bleven definitief thuis rond hun dertiende jaar. Meisjes die langer naar school gingen deden dat in de wezenschool te Ronse.”

    Vozen Deestie, een van de zonen die op de hoek Pontstraat-Steenweg woonde, zat wel eens met zijn riek achter wat bengels aan die rond zijn woning kwajongensstreken uithaalden en ze met een luide “sjakerdjie”wegjoeg. Tja, ’t was in de goeden ouden tijd dat je daar op de hoek van de Pontstraat in de staminee “In den appel” een fris biertje of een “fidoelke” kon drinken.

    Een reus komt ten val.

    “Het was het jaar 1942. De school was pas begonnen. We zaten gezellig in de klas maar buiten blies een hevige wind. Al met eens hoorden we buiten een donderend lawaai en… een hels gekraak en…een zware plof. Stilte… Verbazing… Paniek! Het moet van ginder boven komen! Alle kinderen vluchtten van schrik de klassen uit.” De houten windmolen Ter Gheynst, in de volksmond “vôzen meulen” lag tegen de grond. Totaal vernield. Niet meer te herstellen. Een oud monument is voor altijd verdwenen. De terp met de vier teerlingen hebben we nog vele jaren gezien.

    Volgens de “Inventaris van het cultuurbezit in België” is deze boerenwoonst het voormalige molenaarshuis van de verdwenen houten korenmolen Ter Gheynst. Deze oude windmolensite stond reeds vermeld in 1571 en een toelating tot de bouw van een nieuwe molen op de oude molendam werd gegeven in 1690. Hij zou volgens betrouwbare bron vernield zijn door storm op 26 april 1943.

    Het was reeds begin 1900 gebruikelijk dat de voorgevel  van de boerenhoven gekalkt werden. Zo was dat ook met deze hoeve. Het klokje op het dak is enigszins gewijzigd en de voorgevel is getekend met de blaffeturen zodat dit beeld het oorspronkelijke uitzicht weergeeft.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.43. Het Nieuwennest
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Aan de “Steenen molen en Nieuw Nest”

     

    Op de Vandermaelenkaart uit 1851 staan deze beide gebouwen reeds aangeduid.

    De herberg “Het Nieuwennest” situeerde zich in de woning van de boerderij waar we Omer Delanghe hebben weten wonen, op de hoek van de Weitstraat en de Hoevekouter. In 1920 kochten Francis Van Maelsaeke en zijn vrouw Marie Depaepe de boerderij en de woning met herberg. Ze huurden de woning van Leo Devos. Het staminné werd open gehouden door zijn zoon Ivo Van Maelsaeke (zoon van Francis) gehuwd met Marie Depaepe. Marie stierf in het kraambed bij de geboorte van haar 8ste kind. In hun jonge jaren was er soms veel  ambiance! Daar zorgde Ivo voor die accordeon speelde. De herberg sloot haar deuren nog voor W.O.-I. Na de oorlog werd Ivo Van Maelsaeke er de nieuwe eigenaar van. Ondertussen erfde Zoë Devos, dochter van Leo,  ’t Nieuwennest.

    De laatste molenaar was Raphaël Maes  die woonde in het molenaarshuis aan de overkant van de Weitstraat. Dat molenaarshuis is in de jaren 30 afgebroken wegens onbewoonbaarheid daar de vloer, die rustte op gewelven, het begeven had. De toegang tot het huis ging via een trap. De molen die in de vallei ligt draaide soms ellendig traag en de molenaar moest meermaals wachten op meer wind om het graan te malen. In die tijd draaide, iets verderop, de watermolen (graanmolen) van Octaaf Van Malleghem nog, gelegen langs de Maarkebeek in Etikhove. Er was toen keuze te over om het graan te  laten malen.

    De watermolen Te Meulebroecke was eigendom van Leo Devos, later Odiel Devos en nadien Robert Antrop. In de jaren ’70 werd het gebouw, dat al dienst deed als schuur, afgebroken.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over de negenkoten en andere anekdoten.

    Over de “negenkoten” en andere Nukerkse anekdoten

     

    De negenkoten

    Op de afdruk van de oorspronkelijk kaart van Vlaanderen uit 1538 die in het “Germanisches Nationalmuseum” te Neurenberg berust liggen de gemeenten Ronse, Berchem, Nieukerke en Melden, Quaremont gelegen in het Land van Aelst, verkeerdelijk ten westen van de Schelde. Op de eerste gedetailleerde kaart ziet men duidelijk de schaarse bewoning van het toenmalige Nukercke. In vroegere jaren stonden hier reeds enkele woningen langs de weg naar Oudenaarde. De woningen lagen aan de rand van een groot bos dat zich uitstrekte vanaf de Cortekeer over de Coppenberg tot aan de Steenbeekdries.

    In de 19de eeuw stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. De laatste eigenaars waren T’Sjoen die twee huisjes bezat waarvan één tweewoonst en Octaaf Geenens die eigenaar was van zes huisjes. Octaaf had die woningen enkele jaren na de eeuwwisseling gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Kort na de eerste wereldoorlog  werden de strooien daken vervangen door een pannendak. Het verst gelegen huisje had zelfs een bakoven. Het laatste huurgeld bedroeg 150 Fr per maand maar de woning aan de straatkant had een maandhuur van 200Fr. Een na een werden de woningen echter verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard met als gevolg dat er besloten werd de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 Fr  slooppremie.

    In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar de herberg Den Os. Met hun schaarse centen  maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze dan verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schof (dat is 3 uren). Alma, de moeder van André Van Ceunebroeck,  was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. En ze had steeds een grote voorraad aan hout liggen. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die werden tijdens een beschieting in 1944 door een Duitse obus dodelijk getroffen. Hun namen staan gegrift op de gedenksteen voor de gesneuvelden.

     

    Iets hoger en aan de andere kant van de weg lag een koeplekje met het staminee Den os. Café sinds mensenheugenis. De eigenaar vóór Octaaf Geenens was een koppel zonder kinderen dat nogal goed aan de drank zou geweest zijn. Octaaf Geenens werd de nieuwe waard van de herberg Den os toen hij het hoevetje met bijhorend café kocht en er naartoe verhuisde in 1895. Met de kruiwagen verhuisde het jonge paar de schaarse bezittingen van Zulzeke naar Nukerke langs de Kortekeer. Hun zoontje was toen 3 jaar. Die zou later zijn vader opvolgen. Op de dag van de verhuis speelde het knaapje met de geitjes op de berm van de Kortekeer tot hij bij het afglijden zijn bloot achterwerkje verbrandde aan de tengels (brandnetels). Sommige kleine jongetjes liepen toen blijkbaar met een rokje aan.

    Den os was dus ook een koeplekje met enkele streepjes land waarop een drietal koetjes werden gehouden. Elke voerman die hier voorbij kwam hield halt om de dieren te laten op adem komen. Sommigen kropen met zware wagens geladen met wol en katoen de Koppenberg op. Je moet weten dat  de wagens van Transport De Jaeger uit Ronse reeds van de Gentse haven kwamen. En de weg bleef maar stijgen tot op de Kruissens Niet te verwonderen dat de Brabanders bekaf waren. Vóór de deur stond een beulde (palen met dwarsbalk) waaraan de voerlieden hun paarden konden vastbinden. De waterpomp met bijhorende drinkbak stond er bij. Terwijl de paarden rustten , hun haver kregen en dronken konden de mannen zich laven aan het frisse bier. “Ja, ’t is daar altijd een goede zulle geweest.”

     

     

    Hoger op , meer naar het dorp toe, lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper een paar 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder elkaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven én het was belangrijk te weten wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.

     

     

    Oorlog

    Op het Heidje woonden Michel Gerseau  met zijn vrouw en kind. Toen ze even buiten kwam om met het kind op het plankier wat te wandelen werden moeder en kind dodelijk getroffen door een verdwaalde granaat.

    Maurice Vanden Daele, sneuvelde als vrij jonge soldaat. Hij woonde naast "Den Engel".

    In 1944 is een Amerikaanse jager op de Bossenaer neergestort in de boomgaard van Daniël Verroken.(een deel van de neus van het vliegtuig moet nog in de grond zitten). Het nieuws van de crash was vlug gekend en nog rapper werd de cocqpit geplunderd en el wat niet te warm of te zwaar was  werd meegenomen.

     

    Ander oorlogsnieuws

     

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Jean-Baptist De Schampheleire te Etikhove in zijn boerderij langs de Gansbeekstraat  daar waar de Maarkebeek onder de straat duikt. Baptist werd geboren in 1900 en was afkomstig uit de Varent. Tijdens zijn jonge jaren had hij meermaals deelgenomen aan de bietencampagne in het noorden van Frankrijk. En je weet hoe dat gaat. De jonge man maakte daar kennis met een meisje uit de streek. Ze trouwden en kwamen wonen langs de Gansbeekstraat. De jonge vrouw werkte samen met Jean-Baptist en leerde ook wat Nederlands. De periode tussen de twee oorlogen was een harde tijd en Jean-Baptist oefende zoals zovele meerdere beroepen uit. Zijn hoofdbezigheid was echter fruit kweken. Hij schafte zich een paard aan en reed wekelijks met paard en kar naar de markten in de omgeving om het lekkere fruit aan de man te brengen. Op een dag heeft het gezin “alle chance van de wereld” gehad. Het was in 1945. De streek was reeds maanden bevrijd maar de Duitsers gaven niet op en bestookten Antwerpen met de fameuze  V-2 raketten. Er werden zo maar eventjes 2000 raketten op de haven afgestuurd. Niet allen bereikten het beoogde doel. Sommige “vliegende bommen” misten hun doel, weken af of raakten tijdens de vlucht defect. Zo hoorden ze op een mooie dag in Ethikove het gefluit van een aanstormende V-2. Men wist dat eens het motorgeluid ophield de bom binnen de kortste stonden zou vallen. Wat ook geschiedde. Gelukkig stond in de weide aan het erf van De Schampheleire  een rij hoge populieren. Deze bomenrij werkte als vangnet voor de raket die in de toppen terecht kwam en met een geweldige slag ontplofte. Bladeren, twijgen, takken, metalen stukken, vuur, rook, pannen en stenen het vloog al in het rond. Het dak van de woning was volledig ontmanteld maar niemand werd gekwetst. De buurt kwam er gelukkig met de schrik vanaf.

     

     

    Schoolleven

    In de jaren dertig deed zuster Cantara de allerkleinsten verder was er moeder Aquilina, moeder Aphra en nadien moeder Anna. De leken onderwijzeressen waren Marietje Deraedt, in dienst tot aan haar trouw, juffrouw Rachel en juffrouw Angèle, twee jonkheden.

    Vanaf hun plechtige communie verlieten veel meisje de school om naar Ronse te gaan schoollopen. Sommige meisjes gingen naar de wezenschool op den Bruul te Ronse.

    Meester Jan die toen les gaf in de jongensschool kwam wekelijks de zaterdagvoormiddag naar de meisjesklassen om onze les te komen overhoren. Telkens hij kwam had hij een verrassing in petto. Op het eind van zijn bezoek had hij steeds een verrassing voor ons. Hij hield zijn twee vuisten voor zich.? In een ervan zat een cent. Een leerling die goede antwoorden had gegeven mocht raden in welke hand de cent stak.. Raadde die juist dat mocht het kind de cent aan het  negertje geven, aan dat dankbaar knikkende kopje …

    Meester Jan, met zijn pince-nez was een streng man. Hij was bekend voor zijn uitspraak: "Vooruit gij ,ga van voren op den tree de knieën zitten gij lieleken chudas", en dat met een accent uit het West-Vlaamse Kallo.

     

    Over Wieten Grilie

    Wieten Grielie woonde langs de Boelaerdstraat

    Wieten Grielie bestond omdat er ook een Zwarte Grielie bestond

    Wieten Grielie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij woonde boven aan de Boelaerdstraat  ‘t Was blijkbaar een gezonde brok natuur want hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen hij met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutranoy ging om zijn ondertrouw te bespreken zei verbouwereerde pastoor:” Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt  gij beter op uwen put peinzen. Binnen kort mag je er beginnen aan scharten!” Waarop Huleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!”

    Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van barmhartigheid.

    En Wieten Grielie had geen reden van bestaan als er ook gene Zwarten Grielie was. Deze woonde op het dorp langs ’t Lindeke. Eigenlijk noemde hij Victor Verbruggen en hij was getrouwd met ene Elodie Van Hooland. Beiden waren gareelmakers eerste klasse.

     

     

    Werkgelegenheid

    Langs de Pontstraat (huisnummer 52) staat in de boomgaard een typisch gebouwtje in fabrieksvorm met zaagtanddak. Dit gebouwtje werd er na W.O.-I gebouwd in opdracht van een zekere De Weer. Deze zou er een weverijtje in onderbrengen. Gedurende een bepaalde periode waren er drie wevers; Omer en Richard Martens en Gilbert Vandenabeele. De fabrikant had daar zelfs een auto om de afgewerkte “bomen” naar Ronse te voeren. Veel succes heeft de weverij niet gekend want de jaren dertig verzonken in een diepe crisis. Vooral de textielindustrie in Ronse had erg te lijden. Nog vóór W.O.-II werd het textielfabriekje gesloten.

    Gaston De Jaegher kocht het woonhuis met fabriekje en zette er een wagenmakerij op.

    Gaston De Jaegher maakte jarenlang karren en wagens voor de boeren. Zijn werkhuis lag achter de grote toegangspoort van zijn woning. De houtreserve lag in het vroeger fabrieksgebouwtje in de boomgaard. Hier werden wagens en karren gemaakt tot 1957. Dan is de wagenmaker ziek geworden en gestorven. Met zijn sterven is ook de laatste wagenmaker van de streek verdwenen. Zoon Georges heeft nooit gedacht de stiel van vader te leren. Hij studeerde voor onderwijzer. Hij voorzag dat er geen toekomst zat in de wagenmakerij. Na de oorlog kenden de karrenwielen met rubberen banden snel opgang.

     

    Hospice

    De bewoners van het hospice genoten van een zekere vrijheid. Vooral de mannen profiteerden daarvan. Een oud mannetje kwam zo bijna dagelijks op de trappen zitten van de woning op de hoek van de Pontstraat en het Meetjesstraatje. Zijn kleine oogjes gluurden van links naar rechts. Als de kust veilig was haalde hij stiekem een klein flesje uit zijn binnenzak en nam een slokje van een heerlijk vocht. Anderen wandelden langs de straten en kwamen kijken naar de schoolkinderen. Sommigen mannen hadden een abonnement “In de wachtzaal” bij Michel Arco (Michel Aelvoet).

     

    Over cafés langs de steenweg

    Was er geen industrie langs de nochtans drukke steenweg Terneuzen-Valenciennes des te meer waren er herbergen en afspanningen. Even opsommen: “Den os”, “De lustige boertjes”, ”Staminee”, “In ’t bisdom”. Dezeherberg stond op de hoek van de Steenweg en de Sponde (Elsstraat), en werd open gehouden door Milie of  Filie De Bisschop. Ze hadden een zandgroeve aan de Mellinckstraat naast de spoorweg en een zandgroeve in de Kortekeer waar de sporen van afgraving nog duidelijk zichtbaar zijn, o.a. aan het voetbalveld. Langs de Mellinckstraat werd de groeve later terug gedeeltelijk opgevuld.

    Theofiel was slager, beenhouwer, herbergier, metselaar, zandontginner, steenbakker. Hij was specialist in het kandelaren van oude en zieke bomen. De grootste takken werden danig ingekort dat de boom de vorm kreeg van een kandelaar.

    Andere cafés zijn: In de Keizer (hoek van de Sponde), In de kroon, Den Engel, Truweeltje, Léon d'or (bij Clara Ceuterick)’t clubhuis van Eendracht Nukerke want  lange tijd kleedden de spelers van de voetbalclub Eendracht Nukerke zich in het achterhuis van het café. Verderop naar de Kruissens toe waren er  Den appel, ‘t Zonneke, ’t Neerhof, De drie roze broekjes (bij den zwarten Merie, Omer Deriemacker) anders gezegd Te speelders bij Speeldersen Zwarten,  Den beitel,  't Neerhof (bij René Callebaut), Chalet la Croix. , In de Keizer (hoek met de Sponde), Sint-Martinus (Eglantierstraat). Bij stupies (tijdelijk), Den Elst (tijdelijk).

    Het was lang de gewoonte dat er ook café werd gehouden "achter  “achter den toog". In praktisch elk kruidenierszaakje kon je tegen betaling een jenever achteroverslaan.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het leven langs de Pontstraat

    De jaren dertig

      

     

    Marietje De Jaegher vertelt.

    “Mijn grootvader was afkomstig van Wannegem-Lede waar hij een brouwerij had met bijliggende landerijen. Ik werd geboren te Nukerke op 26 april 1922 en ben zus van broer Georges die geboren was in 1918.

    Mijn ouders hebben het huis langs de Pontstraat (nu huisnummer 52) gebouwd in 1923. De grond werd gekocht van de familie De Weer. Het terrein waarop ons huis werd gebouwd vormde één geheel met het oude hospice. (D’er moet nog een oude foto bestaan van dat eerste hospice te Nukerke.) De familie De Weer bezat gans het terrein gelegen op de hoek van de Pontstraat en de Potaarde. Dat oude hospice was eigenlijk een koeplekje. Elke bewoner moest zowat voor zichzelf zorgen. Bavo, getrouwd met Clémence Verplanken, heeft dat hoevetje gekocht nadat de oudjes naar het nieuwe hospice waren verhuisd. Voordien woonde hij in de boerderij langs de Capellestraat (nu Pontstraat nr 7) Daar had hij een houtzagerij en schrijnwerkerij. Rechtover de schrijnwerkerij was er een smidse (afgebroken in september 2010). Het was toen gebruikelijk dat als er ergens een houtbewerker woonde er zich ook een smid kwam vestigen. Je ziet, de ene stielman trok de andere aan want ze hadden elkaar nodig. Na Bavo zijn Octaaf Meerschaert en vrouw Maria Teirlinck gaan wonen in die hoeve. En dat ging zo in die tijd. Tijdens de winter was er niet veel werk op de boerderij. Ze lagen bijna stil en er waren toen geen grote machines. Zo werkten de landlieden ’s winters o.a. in een zagerij. Daar was veel werk! En hard werk want het zagen ging nog met de hand. Sommigen trokken ’s winters mee met de dorsmachine. Bavo heeft dat ook nog gedaan.

    En Bavo Deweer werd toen suisse in de kerk te Nukerke ten tijde van de legendarisch pastoor Dutordoir. Naar het schijnt was die pastoor een heel verstandig man. ’t Was natuurlijk ook niet moeilijk verstandig over te komen tussen al die ongeletterde mensen! Maar kom ! Maar kwaad dat die mens zich kon maken tijdens zijn preken van op de hoge kansel. Achteraf zei Bavo, de suisse: ”Menier pastoar g’et ou weer loaten goan hé! G’et ou weer koad gemokt!” Bavo De Weer werd niet gespaard. Zijn zoon Oscar, geboren te Nukerke op 14 oktober 1886, sneuvelde als soldaat van het 1ste Linieregiment in de loopgrachten nabij Diksmuide op 6 juli 1915. Het stoffelijk overschot rust op ’t erepark nabij Diksmuide. Bavo had 4 kinderen: Jules,Oscar, Arthur en Anna, de moeder van Marietje.

    Op de hoek van de Potaarde en de Pontstraat, op het terrein van Bavo De Weer, werd in mijn jeugdjaren één van de eerste elektriciteitscabines te Nukerke gebouwd. Ronse had toen al elektriciteit maar wij moesten ons nog behelpen met een “quinqué” , van het Franse quenquet of petroleumlamp.

    ‘k Heb ook nog geweten dat de houten windmolen Ter Gheynst in honderd stukken tegen de grond lag. Hij heeft daar lang gelegen nadat hij tijdens een hevig onweer tegen de vlakte ging. We noemden hen “Vossen meulen”, naar de boerderij er naast. Een boerderij met een klokje op het dak. Alleen de grote boerderijen hadden zo’n klokje."

    Mijn schooltijd

    "Zoals de meeste kinderen liep ik school in de “Aangenomen meisjesschool” van het dorp te Nukerke. In de meisjesschool kon je toen schoollopen vanaf de kleuterklas tot de 4de graad lager onderwijs. Kinderen van katholieken gingen toen niet naar de gemeenteschool. Het gebeurde meermaals dat de beste leerlingen vroeger de school verlieten om in Ronse of net over de taalgrens verder te gaan studeren. De zusters stimuleerden de beste leerlingen om verder te studeren. Je moet weten dat toen in Ronse de meeste vakken in het Frans werden onderwezen. Wat voor ons, kinderen van den buiten, niet gemakkelijk was. Wij hadden familie wonen in Oudenaarde waar Frans de voertaal was. Ja, de burgerij in Oudenaarde had toen Frans als huistaal. Daar leerde ook ik mijn Frans bij die Franssprekende nichtjes en hun vriendinnetjes. Na mijn plechtige communie stapte ik dus naar de Sancta Maria te Ronse. Daar bestond toen een 6de klas van het lager onderwijs waar de kinderen van den buiten hun Frans konden bijschaven. Ik ging niet naar die klas omdat ik al voldoende Frans kon en dus werd ik in het zesde middelbaar ingeschreven. Ik kon goed mee volgen. Je moet weten dat in Nukerke verscheidene leerjaren bij mekaar zaten in dezelfde klas. En ik, nogal een vluggerd, pikte vele zaken mee van de hogere leerjaren. Daardoor had ik algauw een flinke voorsprong op mijn medeleerlingen. Zo heb ik eens een leerjaar mogen overspringen.

    In dat eerste jaar van mijn middelbaar zaten wel 40 leerlingen in de klas. We werden er alfabetisch geplaatst maar omdat ik wat laat was ingeschreven kreeg ik nummer 39. Ik weet het nog goed “trente-neuf”. Het waren niet allemaal nonnen die er les gaven. Er waren ook al een aantal ongehuwde leraressen aan de school verbonden. Zo hadden wij een juffrouw uit Oostende. Af en toe mochten wij eens Vlaams spreken. Ik was er op pensionaat en in de studiezaal moest ik mijn huistaken alleen maken. Ze waren verbaasd dat ik het zo goed deed. Ik herinner mij nog de les geschiedenis over de Egyptenaren en dat in het Frans. Niet simpel! Er was ook een Walin die les gaf en … die kon geen woord Nederlands. Wat een tijd zeg! Ik heb wel eens goed geschreid als de examens aankwamen. Gelukkig mocht ik het vak geschiedenis en aardrijkskunde in het Nederlands afleggen. Met nieuwjaar had ik 60%. Met Pasen was dat al veel beter en tegen de grote vakantie was ik de derde van de klas. Na enkele jaren humaniora ben ik, op aanraden van mijn moeder, naar de normaalschool overgestapt. Toen ging dat zo. Dat was normaal zeker dat de ouders dat beslisten? Zo de ouders spreken zo doen de kinderen. Ja toen was dat zo, maar … nu niet meer, denk ik!"

    Thuis op de Pontstraat

    "Vader was wagenmaker van beroep. Hij was zeer bekend om zijn wagens en vooral om de degelijkheid van de houten wielen. Hij was echt een stielman. Zijn stiel had hij geleerd in Kaster. Dat was daar heel bekend voor het maken van wielen. Ze maakten daar vooral wielen voor “voituren” en vader woonde daar zelfs in bij de familie.Hij moet daar graag gezien geweest zijn.

    Achter onze woning werd een fabriekje gebouwd op aanraden van een textielbaas uit Ronse. En waarom niet. Al die wevers die naar Ronse gingen werken deden dat te voet. Waarom dus niet dichter bij huis? Die fabriek was eigendom van nonkel Frans. Spijtig genoeg is die enkele jaren na de start van de weverij gestorven. Hij was pas enkele maanden getrouwd en is overleden aan een bloedvergiftiging. Er werd geweven “à façon” met 4 getouwen en één wever per getouw. Er werden vooral stoffen voor manshemden geweven. Toen, in mijn kinderjaren, waren er in Ronse nog veel woningen waar een houten weefgetouwtje stond in de voorplaats. Frans Deweer had ook een camionette om de bomen (geweven stoffen) naar de Liniaire in Leupegem te voeren. Bij zijn terugkeer had hij een andere opdracht mee en de nodige bobijnen. De kleine huiswever, ook die van Nukerke, moesten “hunne boom” per kruiwagen naar Ronse brengen bij hun opdrachtgever. Dat was een of andere textielweverij. Ik mocht als kind wel eens mee met de camionette. Was me dat een belevenis !

    En het gebeurde al eens dat de broer van meester Gilleman, Marcel, met een mandje duiven aankwam en vroeg om de beestjes op de vlucht te zetten. Marcel Gilleman woonde toen met zijn zus in het koeplekje, waar later ‘t cabineurke woonde, een paar huizen verder van de school.  Nonkel Frans woonde toen in het huis waar later de bakkerij was van Laurent De Weer, schuin tegenover onze wagenmakerij. Dat huis heeft Nonkel Frans nadien gekocht. Ja, dat was de woning waar dokter Berlanger heeft gewoond. Hij heeft dat zelf laten bouwen, een beetje naar de stijl van dat statige huis van de familie Planchon er naast. Ze hebben deze woning laten bouwen als ze gaan rentenieren zijn. De Planchons hadden een bierbrouwerij te Ronse. Na de dood van nonkel Frans kwam het fabriekje in handen van vader. Die was heel content dat hij kon beschikken over dat fabriekje. Het werd een opslagplaats voor het hout. Dat hout dat moest dienen voor het vervaardigen van de wielen moest zeer sterk zijn en droog. Elk jaar trok vader naar de omliggende bossen om het beste hout op te kopen. Het was toen gebruikelijk dat er jaarlijks in de bossen hout werd te koop gesteld, ook brandhout. Hij wist steeds lang vooraf welk hout hij wilde. Miel Den Haerinck, vader van André, deed niets anders dan bomen omhakken. Het klein, kort hout mocht hij houden of hij verkocht het door, kwestie van een stuiver bij te verdienen. ’s Zomers dan werd er niet gehakt en werkten de houthakkers bij de boeren.

    Je kon na de werkuren van op de straat niet zien dat het bij ons een wagenmakerij was. Vooraan lag er geen plankje. Vader was ook stipt en hij maande de boeren aan hun bestelling te komen af halen. Begin de jaren 20 was de elektriciteit nog niet voorhanden in Nukerke. Dat was wel gepland en dus kocht vader een elektrische zaag. Toen heeft hij zelf was afgezaagd bij de elektriciteitsmaatschappij om stroom te krijgen.

    Wanneer de houten wielen waren gemaakt dan kwam de boer die halen met paard en kar en voerde de wielen naar de smidse van Mielie Claus, de vader van Michel, aan Den Appel. Er waren toen nog smidsen o.a. op de hoek van de Donderije en de Mellinckstraat bij De Zitter. En dan nog de smidse Lietar, langs de Staatsbaan niet ver van Den Engel en dan nog de smidse rechtover Octaaf Maarschaert. Mielie smeedde de ijzeren banden rond het hout. Smid en wagenmaker werkten goed samen in de smisse om de ijzeren ringen rond de wielen te spannen. Mielie Claus had nogal de naam van een ‘nijvegerd” te zijn. Ge weet wel. Dat zijn van die gasten die nooit ophouden. Dat was een man die van alles kon en alle prutswerkjes waren de zijne. Als hij ergens een werkje aan de hand had dan had hij de gewoonte de helft van zijn werktuigen thuis te vergeten en thuis vond hij dikwijls zijn gerief niet terug. En die smisse die zat vol. Op de muren en in alle hoeken en kanten hingen wel 10 horloges die alle 10 werkten en alle 10 op het zelfde moment het uur klopten. Gezellig boeltje was het daar! Ja ’t was de tijd van Marie, de vrouw van Mielie. Rechtover het kruidenierswinkeltje van Marie woonde op de hoek Modest Devos, in de volksmond Deeiste Devos of Voazen Deêstie. De voorbijtrekkende schoolkinderen vonden dat een norse man, maar dat was de schuld van de kinderen zelf die allerlei fratsen uithaalden om de man te plagen."

    De school op het dorp waar ik school liep.

    "Zuster Augula zorgde voor de kinderen van de tweede kleuterklas. In haar klas stond een piano. Daar bovenop stond een wekker. De zuster had de opdracht te bellen als de lessen gedaan waren. Maar ik mocht altijd met de bel gaan rinkelen. In 1930 was zuster Aquilina overste en deed het 5de, 6de, 7de en 8ste  studiejaar. Ze was goed bedreven en bereidde de meisjes goed voor op het Kantonnaal Examen. Meester Jan was toen de oppermeester. Zuster-overste schreef al eens een briefje en ik moest dat berichtje tijdens de schooluren bij meester Jan brengen Hij woonde op de plaatse en was reeds op pensioen. Irma, zijn vrouw, kwam opendoen, en na een beleefde groet werd het berichtje afgegeven. En negen op tien, die dag kwam meester Jan nog naar school. Hij was een heel goede meester en had na zijn oppensioenstelling nog een grote verbondenheid met zijn school. Op een dag komt mijn moeder meester Jan tegen en deze zegt haar dat mijn broer Georges “ nen rappen” was. “Hij moet naar een andere school want hier kan hij niets meer bijleren. Laat hem naar Ronse gaan.” En zo geschiedde. Op tweede Sinksen deed hij zijn plechtige communie en ging dan naar het college van Ronse in de klas van meester Valère Mores. In ’t begin ging hij dagelijks te voet vanaf de Pontstraat. Tijdens de winter had het eens geijzeld. Thuis bleef hij niet. Op zijn kloefen was hij weg. De mensen die gingen werken deden dat ook.

    De betere families stuurden hun kinderen vanaf de leeftijd van 12 jaar, na hun plechtige communie, naar een pensionaat in Henegouwen. Toen was er nog geen sprake van een taalgrens. Het was nog in de tijd dat de kleine Vlamingen hun Frans moesten gaan leren in een of ander instituut in Celles, Ellezelles, Ath, Leuze… De meeste meisjes verbleven er slechts één of twee jaar. Ondertussen waren ze 14 jaar en tijd om thuis te blijven.

    In de jaren dertig was er tocht enige wedijver tussen de beide scholen. Meester Fedor, toen nog een jonge onderwijzer van de nieuwe gemeenteschool op het Holand kwam af en toe bij ons langs om van mij te horen wat en hoe wij in de vrije school leerden. Hij kwam al eens bij ons thuis zijn boterham opeten. Vooraf  ging bij Bekie (winkel van Richard Vanderbeke) een doosje sardienen halen. In de winkel daar vroeg eens een vrouw: ”Ha, zijde gij dienen nieuwe meester die hier in de school gaat komen ? En is ’t waar dat er niet meer gaat gelezen (gebeden) worden? “ Antwoord van de meester: ” Luister hé, wij zijn allemaal christelijk opgevoed!” “ Hoe diep dat het er in zat hé!”(sic)

     In de aangenomen jongensschool gaven Maurice Bastien, Benoit Lepez en Marcel Lepez les. Maurits Bastien was afkomstig van Zulzeke. Zijn ouderlijk huis was schuins over de gemeenteschool. Hij was een boerenzoon die nadien in het seminarie is getreden en priester werd. Maurits kreeg zijn “Heilige Priesterwijding” en deed zijn “Eerste Plechtige H. Mis” te Gent op “Beloken-Paaschen” 1943. Hij werd in Zulzeke gevierd op 9 mei 1943. Priester Bastien werd zelfs onderpastoor op Sint-Hermis te Ronse."

     

    Oorlogsjaren

    "Als jonge onderwijzeres hielp ik bij Winterhulp en het Rode Kruis. De leden van het comité van Winterhulp waren o.a. Dr Glibert en Jean Decubber (die ook tweede bediende was op het gemeentehuis) en de gemeentesecretaris. Hij was aangesteld voor de bevoorrading. Onze taak was de arme mensen en allen die behoeftig waren te helpen. Vooral de huisgezinnen met kinderen stonden vooraan. Wij zorgden voor de bedeling van de kolen. Zo was er een depot in de boerderij van Maurice Eyckerman. Talrijk waren de mensen die daar met een kruiwagen kolen kwamen halen.

    En dan in 1944…!Het was op een dinsdag dat mijn broer Georges, Roger Demets, Roger Vandendaele en ik naar Waregem zouden fietsen. ’t Was daar kermis en wij hadden al enkele jaren de gewoonte  naar naar toe te gaan. We reden de Sponde naar beneden en daar liep een soldaat de straat op en af. Was dat een Duitser ? Al gauw kwamen we aan in Berchem en passeerden even bij een tante. “Wat, gaan jullie naar Waregem? Maar dat moogt ge niet riskeren. ’t Is veel te gevaarlijk want ’t is hier ergens iets gaande.” Er hing precies iets onheilspellend in de lucht. Maar wij reden toch verder. Ge weet hoe jonge mensen zijn. Maar na enkele kilometers zijn we toch maar terug gekeerd. Tegen dat we terug in Berchem waren stond er een locomotief met veel wagons en in de richting van Kwaremont was er precies een grote bedrijvigheid. De mensen zeiden ons dat we naar huis moesten. De mensen van Kwaremont betrouwden ook het boeltje niet en bleven binnen en kwamen niet op straat. Er hing iets in de lucht. Dan werd het zondag. We hoorden tegen de middag een heel harde ontploffing. Nadien bleek dat de achterwacht van de bezetter een munitiedepot liet in de lucht vliegen. Blijkbaar was daar een raketbasis in opbouw voor de lancering van de V-bommen. We hoorden nadien dat het nieuwe kasteel ten gronde af lag."

    Dit kasteel en het domein er rond behoorde toe aan de familie Behaegel de Bueren. En de raketbasis daar maakte deel uit van een batterij die was opgesteld van Noord-Frankrijk tot Kwaremont.

    Het echte verhaal uit de mond van de eigenaar van het kasteel.

    Verslag van een interview door de heer P.H. op 4 januari 1996 met Jonckheer André Behaeghel de Bueren, zoon van Gravin de Beuren die tevens eigenares was van “Goet ten Broecke” van 1920 tot 1950, moment waarop ze stierf.

    De familie woont in het Chateau de Calmont dat op een domein ligt van enkele honderden ha.

    “Mevrouw  Gravin de Bueren was de laatste afstammelinge van een oude Hollandse familie. De familie was over gans Europa verspreid o.a. in Westfalen in Duitsland en in Oostenrijk. De familie de Bueren is in Vlaanderen gekomen onder het Oostenrijks Bewind, toen Maria Theresia van Oostenrijk Gent bezette. Een Oostenrijks kolonel, een de Bueren is toen - zoals het een bezetter past, getrouwd met een Van De Woestijne uit Gent en zo zijn de de Bueren in Gent gekomen. In 1923 is door toedoen van Koning Albert I de naam Behaeghel  veranderd in Behaeghel – de Bueren; dit was nodig omdat anders zo’n oude en over gans Europa verspreide familienaam zou verdwijnen. Gravin de Bueren was gehuwd met Ridder Gaston Behaeghel. Hun huwelijk werd gezegend met zes kinderen. Ridder Pierrre – als oudste erf je automatisch de titel van je vader - die huwde met dame Morelle de  Westgaver uit Gent , Jonckheer Philippe, Jonkheer André, Jonkvrouw Anne-Marie die huwde met graaf Raymond D’Ansembourg, een Hofhertog van Luxemburg en die nu nog verblijft op het kasteel te Melle en tenslotte Jonkvrouw Lorette die huwde met Baron de Bassompierre uit Brussel.

    Toen Gravin Berthe de Bueren stierf in 1950, werden de bezittingen verdeeld onder de kinderen. Tijdens de oorlog 40-45 was Jonkheer André Behaeghel-de Bueren sterk bevriend met een Engelsman. Deze Engelsman seinde berichten door naar Londen over de toestand in de omgeving. Op 3 september 1944 seinde hij door dat er een lanceerplatform stond in de buurt van het kasteel Calmont. Men zou daar meteen overgaan tot het bombarderen van dat lanceerplatform. Dit ging toen echter niet door omdat de Engelsen zich reeds in Doornik bevonden en deze zouden het platform gewoon innemen. Er bevonden zich daar toen plusminus 100 V1-bommen. In een fabriekje beneden de Bossenaarstraat werden toen de stukken gemaakt voor het platform.  Er bleef één Duitser achter om alles op te blazen, de rest van de Duitsers trok naar Ronse. Die achtergebleven Duitser heeft het platform niet kunnen opblazen daar hij gevangen genomen werd door Achiel  Vergeynst. Toen de Duitsers de Engelsen te Ronse tegen kwamen zijn ze gevlucht en zijn ze terug gekeerd naar  het kasteel waar ze zagen dat het platform niet ontploft was. Ze hebben het toen laten ontploffen. Men vertelt dat de Engelse kolonne tijdens de opmars naar Oudenaarde op zeker ogenblik een Duitse gemotoriseerde patrouille kruiste die op weg was naar het platform. En ... de Engelse lieten hen ongemoeid! Niet te geloven! De ontploffing veroorzaakte veel schade aan het park en heeft het kasteel Calmont compleet vernield. Gedurende de periode die volgde heeft de familie Behaegel-de Bueren  drie maanden op het “Goet ten Broecke” in Zulzeke gewoond. De kant van de borenwoning met de beste kamer werd ter hun beschikking gesteld….

    Bevrijding

    "Aan Den Appel te Nukerke woonde toen een schoon en gelukkig Vlaams gezinnetje met kinderen. Mijnheer Jan Van Ackere was leraar aan het Atheneum in Ronse. Zijn vrouw was de dochter van de bekende en geëerde familie Van den Abeele die een winkel had met boeken en speelgoed in de Baarstraat te Oudenaarde.

    Ik weet nog goed. Het was op de maandag na de bevrijding dat mijn vader in de voornoen groepjes mensen de Pontstraat zag op en af gaan. Sommigen trokken richting Etikhove met een kruiwagen volgeladen met pakjes en dozen, nieuwe spullen, zakken, boeken, speelgoed…Allé, alles wat niet te zwaar en te heet was! De ene had dit mee en de andere dat. Vader vroeg zich af wat dit betekende. Hij naar buiten ! En vroeg op de man af waar al dat nieuw spul wel vandaan kwam. Ha, daar van op de steenweg, aan Den Appel. ’t Is daar een huis en ’t zit vol met mooie dingen. ’t Zat zo. De familie Van den Abeele in Oudenaarde had een grote hoeveelheid mooie dingen, ook boeken en speelgoed bij de dochter in Nukerke ondergebracht. De goederen waren aangekocht met het oog op het komende sinterklaasfeest. Ze vreesden immers voor een totale vernieling van hun woning als de bruggen over de Schelde onder vuur zouden komen te liggen. Immers op 19 mei 1940 vielen bij een Duits bombardement op de scheldebrug  26 slachtoffers, de meeste vluchtelingen uit Lanaken in Limburg. Bij de buurtbewoners zat de schrik er dus in.

    Mijn vader neemt dan ook maar de fiets en gaat kijken naar de vernieling. Na een tijdje komt hij thuis. Ge moet dat zien! Schande. Daarop nam ik, nog een jong meisje, mijn fiets om ook eens te gaan kijken. ‘k Was nog maar pas van mijn fiets gestapt of daar komt een man op mij af met boeken onder de arm. Hier, gij zijt gestudeerd. Ge gaat dat kunnen gebruiken. Hij duwde een stapel boeken in mijn handen. En ga maar binnen, ge gaat daar wel uw goesting vinden. Maar nee ! Da’s niet van mij ! Toch wel. En ik de trappen op om de boeken terug te brengen. Die legde ik op een venstertablet. Niet te geloven. Wat eens een mooie hall moet geweest zijn lag in de vernieling. Mijn ogen vielen op enkele mooie pentekeningen  aan de wand. Het glas gebroken en de tekeningen doorkerfd. Die tekeningen waren door een familielid getekend. Regelrechte baldadigheid. Het huis, “het torenhof”, bleef er verlaten achter. Enkele dagen voordien was de leraar ondergedoken. Zijn vrouw was met de kinderen door de velden naar de pastorie van Nukerke gevlucht uit schrik voor mogelijke bedreigingen. De leraar heeft een tijdje vastgezeten.

    Weken later kregen nogal wat kinderen gestolen zaken. Hopelijk waren die arme zieltjes er gelukkig mee ! Immers, “gestolen goed gedijt niet”!

    Zo zijn er hier en daar nog ongeregeldheden gebeurd. Vernielingen, diefstallen, bekladden van woningen, verwijten, valselijk betichten van mensen … Ja, ’t was ’t einde van een lange oorlog. De mensen waren blij gezind en dronken pinten. En van het een komt het ander. Alles komt dan boven, het goede en het slechte!

    En dan waren er de “witte bendes”. De “bekies” waren chef van de bende. Ge moest niet veel gedaan hebben om van de brokken te delen. "

    Onderwijzeres

    "Kort nadat ik mijn diploma heb behaald, dat was tijdens de oorlog, moest ik af en toe een interriem doen in de gemeenteschool te Nukerke. Cécile Gremonprez die les gaf aan o.a. het eerste leerjaar was verondersteld dat ze de kinderen voorbereidde op de eerste communie. Maar die was niet zeer gesteld op die kerkelijke aangelegenheden .Telken jare dus werd ze ziek rond de tijd van de communies zodat ze de voorbereiding niet hoefde te doen.

    Zo gebeurde het eens dat de facteur de boodschapper speelde. De overste van het klooster te Etikhove gaf aan Remi de facteur de opdracht om tijdens zijn ronde te Nukerke aan mij te vragen eens naar de school te komen. Ja er was toen geen telefoon en de zusters mochten niet naar buiten. De vraag was: “Zoude gij hier willen komen lesgeven?” Dat stond mij daar niet veel aan, maar van thuis moest ik dat werk aannemen. Maar mijn aanstelling moest toen eerst worden goedgekeurd door kanunnik Quintelier, diocesaan hoofdinspecteur van het bisdom Gent. Maar moeder-overste - een goede – durfde al eens een beslissing nemen zonder haar overheid er kennis van te geven. Je kunt het al raden. Wij beiden moesten naar Gent, bij Quintelier die hoogst waarschijnlijk een andere kandidate had. Ik moest mij op mijn best kleden. Met de trein naar Gent. Aan ’t station daar namen we een taxi tot bij Quintelier. Van de zuster moest ik in de taxi blijven zitten. Plots komt ze buiten gevlogen en zegt dat ik binnen mocht. De kanunnik wist dat mijn broer les gaf in de gemeenteschool van Melden. “Is hij wel aangesloten bij het C.O.V. Zijn jullie christelijke mensen?”  “Ja, wij gaan naar de kerk.” “De kerk van Nukerke, aan wie is die toegewijd?” “ Aan O.-L.-Vr Hemelvaart.” Mij ondervrager beweerde dat ik verkeerd was en sloeg een dik kerkelijk boek open. “G’hebt gelijk!”

     

    Paul Hoffmann, de gemeentesecretaris

    We hebben al bemerkt dat tot halfweg de 20ste eeuw vele doodsprentjes werden gedrukt in de Drukkerij Hoffmann. "Twee zussen van de gemeentesecretaris, Ida en Aimée, woonden in de straat om naar ’t lindeke te gaan. Die zussen waren ongetrouwd en hielden daar een winkel van kruidenierswaren. Achteraan was er een plaats waar een oude drukmachine stond. Daar werden soms doodsbrieven en doodsprentjes gedrukt vanaf begin 1900.  Hun concurrent was de Drukkerij Deriemaeker, van de koster, op het dorpsplein.

    Paul Hoffmann had de naam van “pietje precies”. Hij was zeer correct en gesteld op orde en respect. Een beetje als een militair ! Was hij niet als zestienjarige vrijwillig ingelijfd in het Belgisch leger tijdens de Eerste Wereldoorlog!"


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pittige verhalen

    Albert Antrop werd geboren op een woensdag van het jaar 1915. Zoals zo velen vertelt ook  Albert over zuster Cantara  die een hele generatie kinderen heeft opgevoed. Als kleuter trok hij niet zó graag op naar school omdat hij op school moest blijven eten. Let op! Geen lekkere boterhammen van thuis maar kloosterkost. En dan nog tijdens de oorlog. “Alle dagen moet ik ambras hebben gemaakt. Tot besloten werd mij naar Ronse te sturen naar “de wezenschool”. Die aanvaarden alle kinderen jonger dan 6 jaar. Ik was pas 4 jaar en werd op pensionaat gestuurd. Ik bleef er tot mijn 9 jaar en dat was een privilegie. In die tijd liepen de kinderen van de liberalen school in de “wezenschool” terwijl de katholieke kinderen naar de Sancta Maria trokken. En waarom op internaat ? Wel, onze ouders hadden absoluut geen tijd om ons naar en van school te brengen. Toen ging alles te voet en de school was toch ver. De weg liep van de Meulebroecke, het veld in naar de herberg “De koekoek” waar Armand Rousseau nog gewoond heeft. (Vital Laurier heeft dat huisje nadien gekocht en afgebroken). Dan langs de Potaarde, de Pontstraat over en langs het Meetjesstraatje naar het dorp. Dat alles langs onverharde voet- en landwegen.

    Dus werd voor het gemak gekozen. Toch voor degene die geld hadden. Ik bleef  in “de wezenschool” tot de leeftijd van 9,5 jaar. Daar was ik het knechtje van de nonnekes. Was er een boodschap te dan werd Albert aangesproken. Ik weet nog, er had een hevig onweer gewoed. De straten van het centrum stonden half onderwater en de zusjes Aelvoet waren nog niet afgehaald aan de school. Dus werd Albert aangesproken: “Alberke, zoude gij die twee meisjes willen thuis brengen?” En Albert trok op, de stad door tot aan de passerelle. Vandaar liet ik hen gaan en keek ze nog een tijdje na. En dat voor een kind van 9 jaar.

    Het jaar nadien ging ik over naar het college.

    14-18

    Dat de Duitsers ook Nukerke bezetten kon je merken aan de patrouilles die voorbij kwamen. In Nukerke was een sectie Duitse soldaten gelegerd. Tweemaal daags patrouilleerden 2 Duitse soldaten te paard gedurende ongeveer een uur. Kwestie van alles onder controle te houden.

    In 1918 werd onze streek door de Engelse troepen bevrijd. Het heeft 2 dagen geduurd eer ze van Melden tot hier in Nukerke zijn geraakt. De wegen waren toen maar half verhard en bij hevige regen bleven er enkel poelen en plassen over. De paarden trokken zich half dood om al dat zwaar geschud de berg boven te trekken. Op 11 november om 9 uur in de voormiddag hing reeds een witte vlag boven op de kerktoren. Maar terugtrekkende Duitsers vonden het wel nog nodig om vanuit een mitrailleursnest in de berm van de spoorweg in Terpoort  op de Engelsen te schieten die zich te ver waagden. Maar er waren toen zoveel Engelsen dat het op een moment op de weide zwart zag van de paarden. Op ’t einde van de grote oorlog pakten de Duitsers bij hun aftocht alles mee wat ze konden gebruiken. Zelfs de runderen namen ze mee. Het was voor hen zogezegd militaire eigendom. En dan trokken ze achteruit. In die jaren ging dat nog heel traag. Amper 15 km per dag.

    Onze Belgische soldaten waren tijdens den oorlog pover gekleed. “

     

    Op en rond de boerderij

    De boerderij werd gebouwdin 1858 door Leo Devos, ook Lootje genoemd omdat hij niet te groot was. Leo was de grootvader van Albert Antrop. Al de bouwstenen werden ter plaatse gemaakt en gebakken door een ploeg steenbakkers. Helpers liepen heen en weer met een handvol steenkool die in de openingen tussen de stenen werden gelegd. Tijdens de winter hadden die steenbakkers geen werk. Dan vlochten ze manden. Metsers waren er genoeg. De huisjes uit die periode hadden allemaal dezelfde indeling. Op een van de muren moet nog een schild staan van De Vos. Aansluitend aan de vierkantshoeve werd een maalderij gebouwd; een watermolen die werkte op het water van de Meulebeek. Een eindje verderop werden, zoals gebruikelijk, een drietal kleine huisjes gebouwd. Die werden dan verhuurd aan de dagloners die op de boerderij zouden werken. Zo was er bij ons thuis werk voor 3 “maarten” en 2 knechts. De ene meid moest kuisen, wassen en plassen terwijl een andere het vuile buitenwerk deed en een derde aan de kookpot stond. In sommige gevallen bleven meiden en knechts op de boerderij overnachten. Het gebeurde al eens dat de voerman bij zijn paarden sliep. Gelukkig dat die mensen ons hadden of ze vergingen van armoede. De mensen hadden toen geen “tractement”.

    De knechten durfden al eens van werk en boer veranderen om een “frankske” meer te verdienen. Dan moesten ze natuurlijk verhuizen. En kreeg het werkvolk eten en drinken, er werd al eens iets meegepakt en … eieren werden al eens geroofd.

     Die huisjes van het werkvolk hadden allen dezelfde vorm. Je viel met de deur in huis, in de woonkamer dus. Verder was er een schotelhuis of spinde (soms ook sponde genoemd), een gang naar de achterdeur en 3 à 4 kleine slaapkamers.  Er was meestal een weefkamer waar een houten weeftoestel stond. De vloer in de weefkamer was steeds in geharde leem. Waarom? Wel er moesten al eens putten worden gegraven onder de trappers van het weefgetouw. De eerste “weverkens”die naar de fabriek gingen werken verdienden een armoeloon, zelfs al zwoegden ze 10 uur per dag.. En … steeds stonden de met stro gedekte huisjes met de voorzijde naar de zon gericht, steeds per twee of drie met de zijgevel tegen aanleunend. Stond de façade van het huisje westelijk gericht dan mocht je ervan overtuigd zijn dat de plannen door een architect waren getekend.

    Halfweg de 19de eeuw werden in Nukerke de meeste vierkantshoeven gebouwd zoals er zijn het hof van Devenijns op ’t Holand (nog gedeeltelijk met lemen schuur), het hof van Claus-Vande Putte (later Eyckerman-De Zaeytijd), het hof van Leo Devos en dat van Schoorens langs de Weitstraat. Al bemerkt dat aansluitend bij elk van die hoeven steeds enkele werkmanshuisjes stonden? Zo stonden er bij de hoeve langs de Ruitegem drie huisjes en dan nog eens twee. Wegens verkrotting zijn er vele reeds jaren geleden afgebroken of verbouwd. Langs de Doolstraat (vanaf de beek tot boven aan de Pontstraat) staan nog steeds een paar huisjes. Soms tweewoonst genoemd. De Doolstraat wijst op het feit dat de mens die dit donker gat bij nacht en ontij gebruikte z’n hart in de keel voelde kloppen onder het zwiepen en het kraken van de hoge populieren.  Zo benauwend moet het geweest zijn. Het is bovendien een  kronkelende holle weg.

    Iets meer over het hof Claus-Vande Putte. Een dochter van Claus was getrouwd met een zoon Planchon, brouwer te Ronse. Bij hun rentenieren hebben ze, voor die tijd, een prachtige woning laten bouwen langs de Pontstraat, hoek Meetjesstraatje. Binnen was het daar steeds kraaknet en de woning was rijkelijk ingericht.

     

    Werk op het erf.

    Een grote boerderij zoals deze uit de Meulebroecke deed het werk met 4 paarden. Vóór de grote oorlog vertrokken nogal wat jonge mannen op campagne naar de grote hoven in Noord-Frankrijk. Dan bleef er niets anders over dan met het “vrouwvolk” het zware werk te verrichten. Zo was de jaarlijkse suikerbietenteelt een heel drukke tijd. Iedere middag begon de zware arbeid. Boer Leo reed met een ploegje, getrokken door één paard, de rijen bieten uit. Na hem maakten twee vrouwen de bieten los.  Anderen moesten de koppen (het loof) afkappen en werden de bieten op rijen gelegd. Daar stond de voerman al klaar om de bieten op de wagen te gooien. Eens de wagen vol verscheen onmiddellijk de volgde wagen. Dat ging zo dagelijks tijdens de bietencampagne tot het donker werd. Per dag werden soms 3 voeren van elk 3 à 4 ton geladen. De volgeladen wagens vertrokken dan naar het erf. ’s Morgens bij de eerste klaarte knarsten de ijzeren banden op de kasseien  want de wagens reden richting station van Etikhove waar de treinwagons stonden te wachten.

    Enkele oude vlakte maten:een gemet is een half morgen of 300 vierkante roeden. In ’t Gentse is 1 gemet 4479 m² groot. Een morgen is zoveel land als men in een morgen (voormiddag) kon omploegen..Een vierkante  roe is 6 stappen op 6 stappen.

     

    De campagnards

    Ik zie ze nog optrekken, de sterkste mannen. Ze vertrokken op campagne naar Noord-Frankrijk, letterlijk gepakt en gezakt. Gepakt met hun werktuigen zoals pik en haak en gezakt met hun “bezotse” over de schouder. ”Bezotse” is van het Franse woord “besace” afgeleid. Dat is een zak die in ’t midden opengaat en aan de twee uiteinden gesloten is. Weet je dat de vrouwen ondertussen hier meer verdiend hadden dan sommige echtgenoten. Dat geld kittelde al eens in de broekzak van die mannen. En je weet hoe dat gaat. Vertier en een pleziertje kost geld. Nog zo iets. De meeste huisgezinnetjes kochten voor het vertrek van de man bij de boer een paar honderd kg graan. Kwestie van voorraad in huis te hebben. Geld om te betalen hadden ze niet. Er moest gewacht worden tot de brave huisvader met een goudstukje - “een napoleontje” - de boer betaalde. De meeste seizoenarbeiders trokken twee- tot driemaal per jaar. Ze deden de bieten- én de graancampagne. Kort na de tweede oorlog was het gedaan met de campagne. Het werk van de Belgen werd afgepakt door de Polen.

     

    Steenbakkerij

    De steenbakkerij van Debisschop bijna aan het einde van de Mellinckstraat heb ik weten werken. Je ziet trouwens nog de resten van het uitgraven van de leem. Theofiel Debisschop woonde toen naast de steenbakkerij. Nadien woonde hij in het boerderijtje waar later Maurice Devos is gaan wonen. Het was toen ook gebruikelijk dat bij het bouwen van een huis de opgegraven leem werd gebruikt om ter plaatse de bakstenen te bakken. Dat waren toen soms van die harde zwart gebakken stenen. Bakken van stenen was toen een kennis. Meestal werd beroep gedaan op een ploeg steenbakkers. De kleiklompen werden in open lucht gebakken. Meermaals waren de stenen aan de buitenrand niet hard gebakken. Er moest goed worden gestookt en dan nog was er soms veel verlies.

    De koekoek

    De koekoek was een kroeg gelegen op de oostkant van de Potaarde. Een los, aarden weg, die vertrok aan de Mellinckstraat leidde er naar toe. De tonnen bier moesten van daar naar boven worden gedragen want de biercamion kon niet tot boven. Daar kwam heel wat volk over de vloer. De mensen uit Nukerks bos namen deze korte weg naar ’t dorp. Nadat Monske verhuisd was naar de Diericksstraat werd de kroeg gekocht door Vital Laurier en Melanie Vancoppenolle.  Monske Gerseau had naast zijn kroeg een werkhuis. Daar maakte en herstelde hij karren. Monske was blijkbaar een slimme man, een uitvinder. Zo had hij eens een machine in mekaar geknutseld om zijn werk te verlichten. Dat spel werkte met de wind. Op een keer waaide het flink en het ventje kreeg de aandrijving niet meer onder bedwang. De machine werd dol en Monske vloog van schrik voor de brokstukken onder de schaafbank. Dicht bij de woning was er een bron. In den ouden tijd (19de eeuw) werden de woningen gebouwd daar waar water voor handen was, hetzij een bron, een fontein of een beek. Voetwegen leidden er naar toe. In begin negentienhonderd waren er drie soorten mensen: grote boeren, kleine boeren en keuterboeren met een drietal koetjes. Het gebeurde al eens dat een keuterboertjes zich een baron voelden. En verder ging dat toen zo! De meeste mensen hadden een lapje grond bij het huis liggen waarop ze tarwe of rogge zaaiden. Daarnaast kweekten ze meestal enkele geiten.

     

    De mobilisatie

    Veel jonge mannen uit onze streek moesten op eigen kosten de trein op om in Ieper te verzamelen. Ik was er niet graag bij! Dus keerde ik snel naar huis terug maar mijn vader was zo kwaad dat ik daar terug stond. Hij stuurde mij terug. Ik mocht mij zelfs niet neerzetten en zonder eten wees hij mij de deur uit schrik dat ik als deserteur zou worden opgepakt. Na de capitulatie van het Belgisch leger heb ik van de chaos gebruik gemaakt om tijdelijk onder te duiken. Veel soldaten kwamen toen terecht in de textielfabriek van Cambier te Ronse. Mijn vader dacht dat ook ik daar werd ondergebracht daarom fietste hij elke dag met enkele boterhammen naar Ronse. Hij vond mij natuurlijk niet. Ik ben wel ’s nachts in den pikke donker van Eke naar huis gefietst, zonder licht nog straatverlichting. Dat was maar bangelijk. 

     

    Een knipoog op de modernisatie

    De elektriciteit is in Nukerke niet plots gekomen. Eerst werd er een netwerk in en rond het dorp van Nukerke aangelegd nadien straat per straat naar de buitenkanten. Maar dat ging niet zo van zelf. De katholieken die toen aan ’t bewind waren in Nukerke zorgden dat hun vrienden eerst werden bediend. Zo werd maar een deel van de Mellickstraat voorzien. Een liberaal die verderop woonde kon wachten. De bekabeling werd gedaan door Blommaert uit Horebeke.

    De eerste landbouwtractoren in Nukerke verschenen kort na W.O.-II. Het waren de fameuze Ferguson, tractoren geweigerd in Argentinië, die om de een of andere reden op de Belgische markt verschenen. Ze waren niets waard en om de aanschaf te vergemakkelijken moest de landbouwer slechts een jaar nadien de betaling doen. In Nukerke reden er zo een drietal o.a. bij Edgard Heuvick. De eerste eigenaar in Nukerke van een automobiel was waarschijnlijk boer Verdonckt die aan Den Engel woonde in zijn nieuwe villa.

     

    De mens maalt al 30 000 jaar.

    “De Italiaans onderzoekster,Anna Revedin, vermoedt dat de mens tijdens het steentijdperk niet enkel van dierlijk eiwit en vet leefde. De plantaardige resten en de slijtageresten die gevonden werden op dertigduizend jaar oude maalstenen in Italië, Rusland en Tsjechië wijzen erop dat de stenen werden gebruikt om wortels en zaden van varens en lisdodden fijn te malen. Antropologen vermoeden nu dat er dertigduizend jaar geleden verandering kwam in de voeding van de mens toen hij graan begon te malen.”

     

    Iets meer over de watermolen.

    De weg naar de watermolen was niet gekasseid omdat dat een private weg was.

    Deze watermolen is samen met de boerderij in 1858 gebouwd door Leo Devos, grootvader van Albert Antrop. In het molenhuis lagen 2 stellen molenstenen, 2 koppels dus. Eén voor het malen van tarwe en één voorbehouden voor dierenvoedsel. Waar men kon opteerde men voor een watermolen omdat het opzetten van een houten molen toen een fortuin kostte, wel 11 000 frank. Dat was een smak geld en. Enkel de rijke heren konden zich een windmolen permitteren.

    In de naastliggende schuur van 12m op 24m stond de dorsmachine, een vaste en niet op wielen dus. Een deel van de vloer was niet verhard en diende als dorsvloer of deel waarop dus de dorsmachine stond. Die bleef er natuurlijk staan want ze werd aangedreven door lange brede riemen die op hun beurt in beweging kwamen door de drijfkracht van het waterrad in beweging gebracht door het water van de Meulebeek. Een schoft hield het water op in een grote vijver. Er was voldoende water om gedurende 2 uren op volle kracht te dorsen. Ook al waren we concurrenten, er werd afgesproken met de molenaar van ’t Moleke om gelijktijdig te werken. Zo spaarden ze veel water. Aan de overkant van ’t Moleke was een grote waterreserve. Tijdens de oorlog van 14-18 kwamen landlieden soms van een uur ver bij ons om wat graan te malen. Te voet met een zakje graan van 25kg op de rug, voortdurend de omgeving afspiedend om niet gepakt te worden. Het gemalen graan kregen ze mee maar “bulden” (zuiveren) moesten ze zelf doen. Weet je dat de kleine man die weinig middelen van bestaan had soms zijn graan maalde door middel van een koffiemolen!

    In dat molenhuis was er ook een stampkot waar lijnzaad (vlaszaad) tot olie werd gestampt door middel van een stenen klopper of stamper. Die olie was toen veel geld waard. Daarom werd ze verkocht aan handelaars die afnemers hadden in de verfindustrie. Wat bijzonder was aan die stampinstallatie is het feit dat gans dat mechanisme en gans de constructie zelfstandig stond. Dus niet bevestigd aan muren of zoldering. De reden was eenvoudig; door het gestampt en geklop zouden de muren het snel begeven hebben. Het is jammer dat zo’n installatie is verdwenen. Het zou nu een pracht van industriële archeologie zijn.

    Iets over het malen zelf.

    Het princiep was “U vraagt wij malen”. Je kon op verschillende wijzen malen; op 100, op 80 en op 60. Roggegraan  op 100 malen of rondmalen gaf bruinbrood. Graan op 80 gemalen gaf lichtbruin brood en wit brood verkreeg men door op 60 te malen want dan had men 40 gruis over. En sowieso werd er gemalen vanaf 100 kg graan. En raar maar waar, gedurende den oorlog vroegen velen te malen op 60.

    Tijdens de oorlog van 14-18 mochten we niet dorsen tenzij onder toezicht van de Duitsers. Maar wij dorsten toch! ’s Nachts ! Dan zetten de Duitsers niet uit in het pikkedonker. Overdag deden twee cavaleriesoldaten tweemaal daags een ronde van één uur. De berijders kregen zelf inspectie van hun oversten om na te gaan of de paarden wel goed werden onderhouden. Die mannen stonden immers voor alles in. Ook voor het onderhoud van hun paarden. Het gebeurde wel eens dat ze op een boerderij een zakje haver vroegen om hun paarden te voederen. Zoveel schrik zat erin dat ze zelfs vreesden voor hun job en bij het voetvolk aan het oostfront te worden gestuurd.

     

    Een mooie legende over het Waterkasteel

    Volgens een oud volksverhaal stond ooit in D’Aubeke een waterkasteel. De benaming is afkomstig wegens het feit dat er rond die velden langs het beekje, meermaals dauw hing. In de oude atlas staat die plaats vermeld bij nr 114 als D’Aubeke en bij nr 115 als D’Aubeke pad. Volgens de kaart van 1777 bestond daar reeds een bijzondere systeem van waterhuishouding. Daar was de grond toen nog zeer drassig en blijkbaar was daar  een heel actieve bron die zorgde voor veel bovengronds water. Dicht bij elkaar trof men er twee omwalde woningen aan die enkel toegankelijk waren langs een brug. Veel water werd aangevoerd door de Meulebeek met bronnen in Ten Hole en op de noordflanken Turkeyen. De landerijen langs de beide oevers werden toen als drassig gebied ingekleurd. Op een kaart van 1851 staat een gebouw met twee vleugels omgeven door een brede wal. Het geheel werd aangeduid met “Water Kasteel ou ter Nersbrug Molen”. De Meulebeek liep onder de Holandsraat door. De oversteek gebeurde langs een houten brug.

    Dat daar een kasteel stond is wellicht veel gezegd. Laat ons zeggen een statige stenen woning omgeven door water. “De kleine Margaretha van Parma (een bastaardkind van Karel V) zou daar in haar kinderjaren zijn opgevoed. Soms kwam Karel V op bezoek. Vandaar dat één van de toegangswegen Keizerrei werd genoemd. Ook een paus van Rome zou daar zijn zoon hebben ondergebracht. De toegangsweg  die de paus volgde naar het waterkasteel werd later Pausweg. Deze aarden weg is het verlengde van de Letterstraat. Je had dus toegang tot het waterkasteel via de Pausweg (verlengde van de Letterstraat) en de Keizerrei. De naam Dauwbeke wijst op de dauw die heel regelmatig boven de akkers hangt. Volgens het volksverhaal zou ook ’t Moleke en de omgeving ervan deel uitgemaakt hebben van ’t Waterkasteel. Het is een feit dat op oude kaarten deze omgeving is aangeduid als drassig gebied. Recht tegenover de watermolen moet een schuur hebben gestaan, op palen. Op de plaats waar de familie De Rooze een paar generaties woonde. Al bemerkt dat het gelijkvloers van het oude woongedeelte een meter hoger ligt en onderkelderd is. Werd in die kelder vroeger ook ijs opgeslagen en bewaard voor de zomertijd? Sommigen spreken hier van een ijsfabriekje, maar dat is veel gezegd. Hoe dan ook, het ijs van de vijver werd verzaagd en de ijsblokken werden tussen het stro bewaard. Daar waar het mogelijk was bouwde men de hoeve aan een beek want water was belangrijk. Er waren dus nog hoeven die een ijskelder bezaten. Dat was een ondergrondse kelder met dikke muren ,onder de schuur, zonder vensters en met een toegangspoortje. Van buitenaf liep men door een gleuf die steeds dieper werd naar beneden. In oorsprong zou het ijs hier gebruikt worden om de melk te koelen. Er was trouwens een voorraad ijs tot een stuk in de zomer.

    Wat nu nog rest van het 18de eeuws Waterkasteel is de westelijke vleugel van het oorspronkelijk gebouw met twee vleugels; een zuidelijke en een westelijke vleugel. Men zegt dat de eigenaar van dit kasteel met molen ook op de Steenbrug te Ronse een watermolen bezat.

     

    ‘ t Moleke

    ’t Moleke is een oude watermolen gelegen op de plaats waar de Molenbeek onder de Holandstraat duikt. Het waterrad en de maalinstallatie is kort na de tweede wereldoorlog in verval gekomen. Dat was ten tijde van Octaaf Norga. Recht tegenover het gebouwtje lag een grote vijver waarin het water werd opgehouden. De laatste sporen van de vijver verdwenen bij de heraanleg van de Holandstraat. Aan de oostelijke gevel van het gebouw ziet men nog de sporen van het rad. Zo te zien moest het verval van het water tamelijk groot zijn geweest. Het westelijk gedeelte van ’ t Moleke was melkerij. Dat is nog duidelijk te zien aan de binneninrichting. De vloer van de melkerij lag veel hoger dan de Holandstraat. Dat was natuurlijk gemakkelijk voor het lossen van de melkkannen. Binnen leidde een trap van de woonkamer naar de melkerij. Ten tijde van Frans Verhellen werd de melkerij ingericht als winkeltje en later als woonkamer.

     

    Een overlevering heeft het over een verhaal uit het jaar 1710. Toen zou een zekere Prins Filip, een Spaanse jonkheer, in Oudenaarde zijn goederen hebben verdeeld. In die periode kwamen er 1100 ha van Melden over naar Nukerke. Nukerke was toen op weg naar zijn zelfstandigheid. En wie waren de gelukkige eigenaars?  Wel volgens het verhaal gingen ongeveer 300 ha naar de familie Van Malleghem.

     

     

    Van Malleghem

    Het gezin Van Malleghem bezat 10 kinderen. Vader was juge in Gent en afkomstig van een rijke familie.Ze verbleven slecht een paar maanden per jaar in hun mooie buitenhuis naast de kerk te Nukerke. Daar was een paardenstal voor wel 6 paarden. Om de baan op te gaan beschikten ze over 3 koetsen; een grote koets voor  6  à 8 personen en getrokken door 4 paarden, een enkele koets voor 3 personen en tenslotte een ressortkarretje op ijzeren banden.

     

    Molen ter Gheynst

    De molen hoorde vóór de eerste oorlog bij de boerderij van Claus. Maar door de komst van de mechanische molen van Moreels werd de concurrentie te groot. Vanuit deze maalderij vertrokken grote zakken meel met de kar, getrokken door koeien, naar het station van Etikhove om in Brussel te belanden in de beste patisserieën.

     

    Eerste gemeenteschool

    De school langs de Pontstraat werd door sommige een oord van verderf genoemd. De oppermeester was meester Gilleman nazaat van een familie met schoolmeesters. Wie daar school liep zou in “d’helle” terecht komen. Op ’t laatst had onderwijzer Gilleman nog 2 leerlingen: Richard De Bisschop en Franske Norga. In die tijd was pastoor Dutordoir dorpsherder te Nukerke en speelde hij burgemeester, was baas op ’t kerkhof en chef in ’t hospice. Naar ’t schijnt, althans volgens verhalen, had hij ook andere activiteiten en zou de pastoor enkele kinderen hebben lopen in Nukerke. Dat was toen geen geheim. De pastoor en de onderpastoor bleven preken tegen die liberale school. De pastoor deed al wat hij kon opdat de katholieken bij een volgende verkiezing zouden boven zijn. Maar de liberalen wonnen en Armand Vandeputte uit ten Abele werd burgemeester. Ondertussen zat de school zonder leerlingen en de oppermeester zonder werk. Bij zijn op ruststelling woonde hij in een woning gelegen tussen de school en het hoevetje van R. Van Coppenolle.

     

     

     

    Nieuwe gemeenteschool

     Ondertussen werden plannen gesmeed om een nieuwe school te bouwen op ’t Holand, ver weg van de kerktoren. Er werd beslist de school te bouwen op een stukje land naast het huis van R. Vanderbeke. Omer Aelvoet, schrijnwerker te Nukerke, stak in voor een totaal bedrag van 100 000 fr. Het metselwerk werd verricht door Fedor Van Coppenolle, broer van Georges die ook metser was. Het schijnt dat het nog veel voeten in de aarde heeft gehad vooraleer de goedkeuring ervan naar Brussel werd verzonden. De secretaris zou daar steeds een stokje hebben voor gestoken. Maar eind goed al goed. Ja, in die tijd was je orangist of je was vrijheidsstrijder en dus “ liberalist”. 

    Het schijnt dat A. Amelot, liberaal volksvertegenwoordiger uit Zingem, toen een grote rol speelde bij de afhandeling van het schooldossier én bij de benoemingen van het onderwijzend personeel. Vandaar dat Germonprez uit Zingem in Nukerke een vaste benoeming kreeg.

     



     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een bijna eeuwelinge vertelt haar leven

         EEN LEVENSVERHAAL
    Leontine Vandeputte en haar leven op de boerderij  

    Leontine vertelt in dit stuk een deel van haar leven. Een vrouw met als het ware een encyclopedisch geheugen als het over Nukerke ging. Kwiek van geest kon ze op een sappige toon, soms met wat ironie, vertellen over mensen, gebeurtenissen en allerhande toestanden vanaf de beginjaren 1900. Verzonken in haar oude zetel diepte ze de oude verhalen weer op. Haar oogjes schitterden als ze op een guitige toon aan een nieuw verhaal begon! Soms verhief ze haar stem en schaterlachte. Je zag dat ze zich al die dingen nog levendig kon voorstellen ook al was Leontine al goed op weg om de 100 te bereiken. We probeerden haar mooi en sappig taaltje zo getrouw mogelijk weer te geven.

    Maandag 28 mei 2006.

    Het was november 2006. Leontine stond voorover gebogen boven een bedje pluksla. Dat is voor van middag. Ze richtte zich niet op. Enkel het hoofd draaide. “Ja oud zijn dat is iets. Ge begint van langs om meer naar de grond te kijken…”

    Dinsdag 4 november 2007

    Leontine zat in haar vertrouwde zetel aan de zwarte Leuvense stoof, zo een met een verlengde buis. (Dezelfde stoof stond destijds bij burgemeester Hubeau.) In de hoek naast de schouw stond haar voorraad kannen kolen en fijn stoofhout dat een paar keer per dag van pas komt. Als ze opgaat in haar verhaal vergeet ze soms de kachel. Ja, en dan ! Zonder moeite steekt ze die weer aan en schept wat kolen uit een koolbak.

    Dinsdag 11 maart 2008: “…dat alleen zijn dat is triestig. Oud zijn en bijna niet meer kunnen gaan, ja dat is lastig. En zó oud worden als ik. Der zijn der niet te veel. Vandaag staan haar grijze haren weelderig wijd. Neen, ge moogt mij niet trekken (fotograferen). Maar ge zijt zo schoon zo! Neen, neen da nie!

     Het was zaterdag  6 mei 2008. Ha, ik heb niet veel overkomst meer. Al wie ouder is dan ik is al dood.

    Op zekere dag was Leontine gevallen. Maar dat liet ze blijkbaar niet aan haar hart komen. Ze zat even knusjes in haar zetel, de knieën beschermd onder een kartonnen doos zodat de wonden droog bleven. Het oude lenige Leontientje van weleer is op korte tijd veel veranderd, gekrompen…Ze is aan het wegsmelten bij haar Leuvense stoof die vandaag rood gloeide.

    Hier volgen de verhalen van Leontine zoals ze niemand ooit heeft verteld.

     

    Over de dorpspolitiek in begin 1900

    Armand Vandeputte kwam op met de katholieken. August Vandeputte was 35 jaar in de politiek maar mijn vader wou niet in de politiek gaan  “omdat daar niets goed van komt”.

    Volgens Leontine Vandeputte speelde de pastoor Dutordoir (pastoor in Nukerke vanaf 1907) een beetje de rol van burgemeester tijdens de ambtsperiode van burgemeester T’Sjoen. Deze was de eigenaar van de brouwerij T’Sjoen gelegen aan Den Engel. T’Sjoen was plaatsvervangende burgemeester van Armand Vandeputte (zijn vader was de broer van de grootmoeder van Leontine) en woonde op de boerderij in Ten Abeele. Tijdens het bestuur van Armand Vandeputte had de burgemeester wel de touwtjes in handen. Vandeputte afkomstig uit een katholiek milieu stond op de lijst van de katholieke partij. Hij was liberaal getint, zoals zovele katholieken toen. Katholiek of liberaal, ze gingen allen naar de mis. Tijdens een bezoek van de pastoor aan Armand Vandeputte zou hij de pastoor geantwoord hebben:"Gij baas in de kerk en ik baas in de gemeente!"

    Meester Theofile Gilleman was oppermeester van de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Hij woonde in het schoolhuis naast de eigenlijke school.

    Gilleman was een strenge meester en ook al kwam de pastoor nooit op bezoek in de gemeenteschool, toch gaf meester Gilleman godsdienstonderricht. Zijn zoon is gesneuveld in het begin van  W.O.-I. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. (Dat zal een fonograaf geweest zijn, de voorloper van de grammofoon). Hij is driemaal getrouwd geweest; eerst met een zekere Maes, dan met Claus en tenslotte  met Gusta Tonneau, de zus van Staf  Brugge zijn vrouw. Na het overlijden van de meester is zijn weduwe gaan wonen in het huis naast de school (zie nr 14). Ze is overleden in 2007 in Louise-Marie.

    Chlotilde Dezaeytyd gaf handwerk aan de meisjes. Chlotilde was getrouwd met een zekere Theofile Holderbeek. Chlotilde woonde ook langs de Pontstraat  waar nu de woning met huisnummer  45 staat. Daar had haar man Theofiel een schrijnwerkerij. In de woning werd bovendien nog een herberg opengehouden, nl "In 't Vosken". Vooraan stonden drie grote, mooie  linden, die gerooid werden bij de heraanleg van de Pontstraat in 1970. In de volksmond heette het daar toen  “bij klôten fieli”.

    Iets over het oud schoolhuis behorend tot de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke.  “Krachtens de wet van 1842 op het lager onderwijs moest iedere gemeente op haar grondgebied ten minste één school hebben. In de meeste gemeenten werden vanaf dan, met staatstoelagen, nieuwe openbare scholen gebouwd, met als doel openbaar lager onderwijs in te richten.  Ten gevolge van die wet werd langs de  Pontstraat  een school met bijhorend schoolhuis opgericht. Er liepen meisjes en jongens school vanaf de leeftijd van 6 jaar.

    Beschrijving van het schoolgebouw: er was één grote klas voor de jongens en een kleinere klas voor de meisjes. Het plafon was heel hoog en op de noordenmuur van de jongensklas was een grote platte grond van Nukerke geschilderd. De speelplaats met sanitair lag langs de Pontstraat waar ook de toegang tot de school was. De meisjes moesten zich tevreden stellen met een kleine klas én een kleine speelplaats achter het gebouw, aan de kant van de Mere.. 

    Ook toen werd er hier in Nukerke een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar één kind (Florent Brugge) overbleef.  Nadien werd de school definitief gesloten. Meester Gilleman bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het  bewoond door Aloïs Norga  die het later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het oude schoolgebouw een mechanische maalderij  inrichtte.

    Zoals reeds gezegd werd op een bepaald moment Armand Vandeputte, broer van de vader van Leontine Vandeputte,  dienstdoende burgemeester in de plaats van burgemeester T’Sjoen. Toen, in 1930-1931, werd beslist langs de Holandstraat een nieuwe gemeenteschool te bouwen. Het metselwerk werd toevertrouwd aan Fedor Vancoppenolle. Deze was getrouwd met Malvina Willems, de zuster van Aloïs Willems, kinderen van Désiré Willems. Deze school omvatte naast het schoolhuis één kleuterklas en twee lagere klassen. Dit project kon verwezenlijkt worden door het feit dat Armand Vandeputte zich aansloot bij de liberalen want de katholieken waren tegen de bouw van de school. De tegenstanders dreven het zó ver te verkondigen dat het een “goddeloze school” was. Toch kende de school een tijdelijke bloei, maar wie zich katholiek noemde stuurde zijn kinderen toch naar de school van de "paster".

    Maar hoe is die nieuwe gemeenteschool op deze plaats terecht gekomen? Ver van de katholieke dorpsschool om niet in concurrentie te komen met mekaar. Toch lag de school (en nu nog steedss) ongeveer in het geografisch centrum van de gemeente met de bedoeling de kinderen van de boskant de gelegenheid te geven om dichter bij huis te kunnen schoollopen. In de grondwet staat immers “vrijheid van onderwijs” wat ook inhoudt dat de ouders vrij de school konden kozen die overeenstemde met hun politieke of godsdienstige overtuiging. Was de loopafstand van huis naar school groter was dan 4 km dan waren de ouders niet verplicht hun kinderen naar school te sturen. Maar ook de dorpspolitiek moeide zich natuurlijk met de zaak. In oorsprong zou de school langs de Weytstraat worden gebouwd, op een perceel grond rechtover het estaminet “In de iene”. (“In de hen”,  nu woning van de familie M. Moreau).  Maar ....Richard Vanderbeke die toen op ‘t Holand woonde, naast de familie Willems, kwam met een ander voorstel voor de pinnen. Zijn vrouw had daar namelijk een kruidenierswinkeltje en hij was schoenmaker. Dus ... stelde hij de gemeenteraad voor een stuk weiland, gelegen naast zijn huis, om  te ruilen voor het voorziene stuk bouwgrond langs de Weytstraat. Zo kwam de nieuwe gemeenteschool op de plaats terecht waar ze nog steeds staat. 

    Maar er was ook nog de katholieke dorpsschool van Meester Jan Verlinden beginjaren 1900. Hij woonde op de plaatse waar nu de woning staat van Aelvoet-Restiaens. Naar verluidt was "meester Jan" een geëerd figuur, streng en voortvarend. De kleuterklas was ondergebracht in het gebouwtje dat later de parochiezaal is geworden. Einde jaren 1800 werd de kleuterklas overgebracht naar de kloosterschool.  Zuster Alcantra, een goede zuster, heeft er gedurende 49 jaar les gegeven. Het huisje van Louiske en Bernard Deriemacker (zoon van Paul) leunde aan tegen dat gebouwtje. De grotere meisjes en jongens liepen school in het gebouw naast het kloosterhuis, gelegen langs het Lindeke en het Meetjesstraatje. Meisjes en jongens kregen gescheiden onderricht. Meester Jan gaf les aan de jongens. Hij was een man met gezag en was niet bang de stokmeter uit te halen om het zitvlak van sommige ongemanierde leerlingen mee te verwarmen. Als het echt te guur werd, zodat de meester sommige leerlingen niet de baas kon, dan riep hij de hulp in van de onderpastoor. Die kwam dan orde op zaken stellen. Er was ook een zondagsschool ingericht, een soort voortgezet onderwijs voor oudere leerlingen tot 16 jaar. De jongens kregen dan tuinbouw en de meisjes leerden huishoudkunde.

    Na de vespers en het lof was er dan weer zondagschool allicht voor een andere groep leerlingen. Die zondagschool werd gehouden om de kinderen de kans te geven iets meer te leren. In die tijd stak het nog niet zo nauw om naar school te gaan. Veel ouders hielden tijdens de week hun kinderen al eens thuis om te helpen op het veld. In oorsprong ging die zondagschool door in opdracht voor de parochie.

    De lering was een vorming van de toekomstige communicanten. De pastoor gaf les aan het tweede jaar en de onderpastoor hield zich bezig met het eerste jaar maar als er een begrafenis was dan sprong de onderpastoor, Nicolaas  (klooiske in de volksmond) in.

    De onderpastoor oefende er bij de toekomstige communicanten vóór de hoogmis duchtig de catechismus in. De lering duurde toen nog twee jaar.

    De eerste communie was geen grote plechtigheid. De kinderen hadden gewone kledij aan en feest was er niet. Op de dag van de plechtige communie droegen we een wit kleed met een voile voor het aangezicht. De jongens kregen een nieuw kostuum. Onze dag was goed gevuld. De eerste mis was om 6 uur en de hoogmis om 9 uur. In de namiddag om 14 uur was er nog vespers en lof. ’s Maandags was er een mis uit “dankbaarheid”, dan kreeg je een prentje dat vermeldde dat je je plechtige communie had gedaan. Toen werden van ons nog geen foto’s gemaakt in ons communiekleed.

     

    Buurt

    Begin de jaren 1900 was het zo’n beetje overal café. Kijk in ‘ Zeitje waren er op de drie huizen drie estaminets. Op de Pontstraat waren er twee cafés naast elkaar; “In ’t Voske” en “In de Sterre” bij Marie “schoenies”. Ja want daar maakten ze schoenen. Hypoliet Van Overtveld was daar schoenlapper. Langs de Holandstraat waren er ook cafés zoals “In de Vinke”, “In de trap op”, “In ’t Moleke”. “Moleke daar was een watergraanmolen, die onttrok zijn water vanaf  de bronnen in Ten Hole, van ’t Holand en van de Molenbeek. Aan de overkant van de watermolen lag een vijver. Een schoft naast de woning hield het water op. Daar woonden achtereenvolgens Vandercleyen, Notebaert en nadien Frans Verhellen , beter bekend als Frans van ’t Meuleke. Maar toen had de molen reeds lang zijn functie verloren en verviel tot een ruïne. De vijver aan de overzijde is beetje per beetje dichtgeslibd en werd later opgevuld.  Stroomafwaarts van ‘t Meuleke stond de watermolen Ten Meulebroecke, sinds de jaren 70 volledig ontmanteld en verbouwd.

     

     

    Op de boerderij

    Oude landmaten: een roe is ongeveer 14m2, een hectare is 700 roe, 1 hectare is 3 dagwand., een bunder is 100 vierkante roes. Onze boerderij langs de Holandstraat werd gebouwd door Ernest Vandeputte. In de schuur ligt nog een balk met de inkerving van 1748. Tijdens verbouwingen werd hij uit het woonhuis verwijderd. In 1908 werd beslist om de oude koeienstal af te breken en te verbouwen want hij moet ongezond geweest zijn aangezien veel volle koeien hun kalf vroegtijdig afwierpen. De nieuwe stal werd gebouwd door Remi Decordier en er steken wel honderdduizend bakstenen in. Tijdens de bouwwerken viel diezelfde Remi meerdere keren “van zattigheid” van zijn stelling. Als ze aan de geveltop metselden werd ons Julia geboren en … weer werd er gedronken. Ze vonden toen ook van alles uit om te kunnen drinken. “’t Waren toen allemaal dronkaards”, zei vader “. ’t Was ’t enige plezier dat ze hadden, die arme mensen. Ze dronken een “djureke” (een klein glaasje). Dat kostte toen in de “staminee” één cent. Ja ’t bier was goedkoop. Het beste bier uit de streek kwam volgens vader van de brouwerij Van der Donckt  in de “Bronnestraat” te Nukerke, nu Straalbronnen. Toen al pompten ze het water ter plaatse uit de grond.

    Meestal dronk men bruin bier. Vader haalde bij de brouwerij een vijftal tonnen in een keer. Legde die in de kelder om te rusten en te rijpen. Na een tijdje werd er van afgetapt. We gingen met de bierkan naar de kelder om ons bier.

    We verwarmden ons huis met kolen. Die kwamen van Blommaerts van Etikhove. Hij was invoerder van steenkool uit de Walen. De kolen – 3OOO kg- werden in het station van Ethikove overgeladen op een wagen en met de paarden naar huis getrokken. Thuis werd het voer kolen op de binnenplaats gekipt en met “brouettes” naar ’t koolhok gevoerd. Veel arbeid. Nu zouden ze het niet meer doen. Onze boerderij telde drie trekpaarden, 7 à 8 melkkoeien en dan nog kalvers, jaarlingen  en “tweejaarse”. Wij hadden ook een koewachter. Hij kwam uit een gezin van wel 15 kinderen. Hij zorgde voor de koeien en het kuisen van de stallen. Maar het melken van de koeien was het werk van moeder. De melk werd opgehaald door een voerman en tijdens den oorlog naar Oudenaarde gebracht om aan de Duitsers te leveren.

    Als de dorsmachine kwam was  de ganse buurt bereid een handje toe te steken. In vele kleine huisjes stond er een weefgetouwtje. Wel ze lieten dat weefgetouw staan om hier aan de dorsmachine te kunnen staan werken. En ze kwamen graag . Ze konden dan een hun goesting vlees eten en van dat goe bier drinken.’t Was dus kwestie van eens goed hun buikje te kunnen vullen. Want och arme, ’t waren meestal arme menskens!

    Ons graan werd gemalen in de graanwatermolen Ten Meulebroecke. In den oorlog van 14-18 werd er natuurlijk wel eens in ’t blauw gemalen, nu zou men zeggen in t’ zwart. (Blauwen heeft ook de betekenis van stiekem iets doen, smokkelen of sluiken). Zo deden de ulanen eens een grote controle op ons hof. Ulanen, dat waren lansiers of licht gewapende ruiters o.a. in het Duitse en Oostenrijkse leger die uitgestuurd werden op verkenning. Velen boeren werden “gepakt” omdat er te veel graan of meel werd aangetroffen op het erf. Zo zijn we een groot varken (in ’t blauw gekweekt) kwijtgespeeld. Bij een bezoek van, weer eens de Ulanen, vonden ze toch wel het goed verstopte varken zeker. Vader werd verplicht het te gaan afleveren in de gendarmerie te Oudenaarde. En …hij kwam terug met een grote boete. Zo zie je maar, ons vlees was al gegeten voor we het hadden kunnen slachten. Die oorlogsjaren dat waren wrede tijden. In ’t begin was er veel paniek bij de mensen want het verhaal deed de ronde dat inwoners van Leuven volle pispotten over de Duitsers gegooid hadden. Als straf zouden de Duitsers dan 2 jongens hebben opgepakt, aan elkaar vastbonden en nadien levend begraven hebben.

     

    Gezin van Leontine

     

    Mijn ouders waren moeder Euthalie Heuvick en vader Richard Vandeputte. Moeder werd geboren in de boerderij in de Ruitegem. Ze kregen 6 kinderen: Octaaf, geboren te Nukerke in 1902, Alix geboren in 1904, Henri is van 1906, Julia werd geboren in 1908, en ik, Leontine, was van 1910 en Maurice was van 1915. Tussen Maurice en Leontine had moeder een verlies. Dat ging zo. Moeder had de gewoonte kousen te stoppen aan dat venster daar. Het was avond en het stormde hevig. Dan een harde rukwind. Een afgewaaide tak  zwiepte over het dak van de koeienstal tegen dat vensterraam daar waar moeder zat. Het glas vloog rond in honderd stukken en moeder was zo verschrokken dat  ze als een weerlicht van haar stoel wegliep. Enkele dagen later verloor ze het kind. Nadien is ze lang ziek geweest. Ze kreeg er bovendien nog het “flebit” bij en is gestorven. Ze was amper 48 jaar. En vader bleef over met 6 jonge kinderen. We waren nochtans een mooi gezin. Spijtig dat moeder dat niet heeft kunnen meemaken. Geen enkele van de 6 kinderen is getrouwd. Ja, ik heb wel veel occasie gehad maar…ik was er niet voor. Aan trouwen heb ik nooit gedacht. ‘k Ben ook nooit in een “associëteit” geweest en nooit kennis gehad. We konden ons toch niet verbeteren. Ieder had zijn werk want er waren toen niet zoveel machines. ’t Was meer handwerk. En ’s avonds zaten wij gezellig bij elkaar rond de stoof te babbelen. Onzen Octaaf zat veel dáár, aan het venster, te lezen in La libre Belgique.

     

     

    Over ’t hospice en over “grielies”, die garelen maakte voor de trekpaarden,  de koeien en de ossen.

    Alix Verbruggen  van “zwarte Grielie” was toen vroedvrouw en heeft veel kinderen op de wereld helpen zetten. Victor Verbruggen, een blonde van haar, noemden we “wiete Grielie. Hij heeft nog gewoond waar “Lustie” zijn café had. Eigenlijk woonde “wieten Grielie” in een huisje langs de Boelaardstraat. Na zijn dood heeft het klooster de woning gekocht om er weeskinderen in op te vangen die voordien in ’t hospice verbleven. In 1938 werd het toekomstig kinderverblijf met een verdieping opgetrokken en aangepast aan de omvang van het aantal kinderen. ’t Eerste hospice was een woonhuis langs de Pontstraat (nu huisnummer 50). Daar waren toen nog geen nonnen en het waren wereldlijke mensen die enkele oudjes verzorgden. Mijn vader heeft al het water bijgehaald met paard en aalstuk voor de bouw van het nieuwe hospice. De grond werd geschonken door de familie Van Malleghem. Het water werd gehaald in de dekenij. Ja, uit die goede bron in de Zakstraat. Ge weet hoe dat gaat. Zijn vader was toen in de gemeenteraad en die moesten toch het goede voorbeeld geven. ’t Was van de broek in de gemeenteraad te zitten. Ge moest altijd iets doen. Ik geloof dat de bakstenen voor de bouw van ’t hospice gebakken zijn in de steenovens van Theofiel De Bisschop. In de kouter aan de Mellinckstraat kan je nog zien waar de leem werd uitgegraven. Theofiel zelf woonde op de hoek van de Sponde en de Staatsbaan. Op dat land waar de ovens stonden waren er toen drie steenputten. Die moeten er nog zijn. Naast “In den Engel” woonde Maurice Vandendaele. Die is tijdens den oorlog aan het front gesneuveld tijdens een aanval van de Duitsers. Er werd verteld dat hij juist een huis wilde binnenvluchten om te schuilen. Juist aan de deur werd hij getroffen door een scharpnel. Maurice was getrouwd met Christine Van Maelsaeke.

     

    Ons schoolleven

    Wij gingen naar school in de “katholieke “school. Dat was een school als zo vele; een katholieke school die aangenomen was door de Staat en die zich mocht “aangenomen meisjesschool” noemen. In het verlengde van het klooster werd de “aangenomen jongensschool” gebouwd. De kleuters gingen toen, zelf vanaf hun prille twee jaar, naar de bewaarschool in een gebouwtje achter de kerk waar nadien het parochiehuis was er een kleuterklas. De kleinste werden er opgevangen door zuster Cantela. In de lagere school met toegang langs het Lindeke kon je schoollopen tot 14 jaar. Daar kreeg je les van zuster Gulla en van zuster Bertha. De jongens speelden met de marbels en de meisjes dansten in de danskoord en speelden het  hinkspel.

    De meeste meisjes liepen school tot 14 jaar, wat verplicht was, maar sommige ouders vonden het best dat hun kinderen, vooral jongens, thuisbleven vanaf de leeftijd van 10 jaar. Ze werden broodverdiener als koewachter bij een boer. De weiden waren toen nog niet afgespannen. En wat deden de koewachtertjes naast het toezicht op de koeien? Ja, kikvorsen pakken en opblazen, of doden en de billetjes roosteren.

     

    Octaaf werd vanaf zijn 6 jaar naar Deinze gestuurd en nadien naar Geraardsbergen. Op een keer werd tijdens zijn verhuis met de kar al zijn “beddegoed” aangeslagen door de Duitsers. Dan schakelde hij over naar het college van Ronse waar hij bleef tot zijn 18 jaar om dan thuis te blijven en te helpen op de boerderij. Nochtans, Octaaf was een goede student die veel prijsboeken behaalde. Thuis lazen we La libre Belgique en Octaaf las veel in die krant.

    Alix ging vanaf haar twaalfde naar Ronse,  naar de Sancta Maria. Ook zij bleef thuis op haar 18de.

    Henri liep school aan het college te Ronse en tijdens den oorlog was hij op pensionaat in Ath (om Frans te leren).

    Julia was ook op pensionaat in Ronse en verbleef 2 jaar in Flobeque.

    Ik zelf, Leontine, liep in Nukerke school tot mijn 12 jaar. Dat was in de Aangenomen Meisjesschool, zoals dat toen noemde. Ik herinner mij nog de zusters Cantala, Aqualina, Gula en Bertha. In de jongensschool stond zuster Belmina voor de kleinsten en in de klas daarnevens gaf meester Jan les aan de groten. Nadien was ik, op pensionaat in Berchem, hier aan de Schelde.

    En ten slotte Maurice: die liep bewaarschool in Nukerke en vanaf 6 jaar tot 10 jaar was hij op school in Russeignies, verhuisde dan naar Geraadsbergen waar hij zijn plechtige communie deed. Vandaar trok hij naar Leuze tot 18 jaar, om … zijn Frans te leren.

    Hoe we ons verplaatsten? Onze nonkel had een koets en daarmee voerde hij ons naar het station van Leupegem. Daar nam Octaaf de tram naar Geraardsbergen. Er reed ook een tram van Berchem naar Kortrijk. Zo nam Henri de trein in het station van Etikhove om naar Ath te rijden. Af en toe ging ik zelf te voet naar het pensionaat te Berchem, dan ging grote zus mee om het valies te dragen. Ja ik ben tot 18 jaar naar school geweest in Berchem. ’t Was daar al in ’t Frans te doen. Enkel op woensdag mochten we Vlaams spreken. We leerden daar vooral koken, naaien en het huishouden doen. Wie op pensionaat ging bleef binnen voor 3 maanden. ’t Was hard. ’s Zondags kregen we bezoek en van thuis werd er vers en proper ondergoed meegebracht. De vuile was ging mee naar huis.

     

     

    Oorlogsjaren 1914-1918.

    Over de burgerlijke slachtoffers te Nukerke. Tijdens de oorlogsperiode gold een algemeen verbod van na zonsondergang nog licht te maken buiten. De bewoners werden er ook op gewezen hun vensters af te schermen zodat niet het minste licht van lamp, “quinquet”of stallantaarn. Zo moet het gezin Baele dat in één van de huisjes aan de negenkoten woonde eens zeer onvoorzichtig zijn geweest. Op een donkere avond scheen een zwak lichtje  door de kleine raampjes van hun schamel huisje in de negenkoten. Duitse wachtposten gestationeerd op de Edelareberg  hebben dat schijnsel opgemerkt. Een goed gericht schot trof de kleine woning. De granaat doodde alle bewoners: Alfred Reynaert en zijn vrouw Amandina Baele, vader Octaaf Baele, August Reynaert en Maria Ysebaert. De familie ging de nacht nog bij pastoor Dutordoir om het voorval te melden en de begrafenis te regelen, maar de pastoor durfde de deur niet openen en buiten komen. Hij riep:<<Begraaf ze in den hof en we zullen een dienst doen na den oorlog!>>

    Tijdens die oorlogsjaren zijn wij veel koeien kwijtgeraakt. De boeren kregen het bevel van de Duitsers om op een bepaalde dag met zoveel beesten naar de plaatse te komen. Die werden daar gekeurd en de goeie dieren werden ons afgepakt.

    Onze streek werd op 1 november 1918 bevrijd door de 91ste Amerikaans Divisie. Het was na de oorlog. Dat moet in 1925 gebeurd zijn dat er Hongaarse kinderen in ons land verbleven. Zoals elders waarschijnlijk verbleven er toen in Nukerke 2 meisjes in het klooster. Er was er eentje die al redelijk goed Vlaams kon en zei: <<Tijdens den oorlog is mijn vader soldaat geweest bij de Duitsers en hij heeft vele Belgen doodgemaakt!>> En ze kreeg me daar een slag van een ander Vlaams kind, wiens vader in den oorlog was omgekomen. Dat is gebeurd toen ik op school was in Berchem.

    Tijdens de eerste oorlog deed mijn vader veel goede werken maar wie kreeg mocht dat niet zeggen tegen de anderen. Ons moeder is nog naar het tribunaal gemoeten in Oudenaarde. Ze moest daar gaan uitleggen waarom ze zo vrijgevig was tegenover bedelaars. Dat mocht dus niet van de Duitsers. De juge vroeg haar:” Wat hebt gij gegeven?” “Mijn linkerhand weet niet wat mijn rechterhand gaf!” En, ze heeft het niet gezegd. In ’t jaar 17 maakten ze comitémeel om te bakken. We hebben dat ook eens gebruikt om te bakken. Beie! ’t Was niet goed. Dat kwam zo! ’t Moleke werd gepakt en kon niet meer malen. Wij hadden op dat moment geen meel meer en gingen naar de gemeente comitémeel halen. Maar ge ziet van hier, we hebben dat dan aan de dieren gegeven . ’t Was ook de tijd van de rantsoeneringzegels. Paul Deriemacker was daar chef van. Paul was de vader van Joseph de koster, van Michel den bakker en van Octaaf de leverancier en van Bernard. Vader Paul woonde toen in het schamel huisje naast het zaaltje. Je weet wel, het eerste schooltje. Nadien woonde daar Benard en Louiske. Weet je nog ? Naast de schouw van hun woonkamer was er een trapje dat met enkele treden naar het podium van het zaaltje leidde.  Als het al eens toneel was, was het hier een drukte van belang want de woonkamer werd plots kleedkamer. Paul en zijn vrouw, dat waren geen rijke mensen. Hij ging om de centen (stoeltjesgeld) in de kerk en hielp ook bij de begrafenissen. Tussendoor ging hij ook bij de boeren werken, zoals zo velen. Hij was ook de barbier van de gemeente. Elke week, de zaterdag, kwam hij mijn vader scheren. Kom om 12 uur en ‘k zal thuis zijn zei vader. Vader kwam thuis met de paarden en Paul zat al te wachten. Na het scheren kon hij zich bijzetten aan tafel. De vader van Paul speelde op het orgel in de kerk. Maar Alfred Hoffmann, de vader van Paul Hoffmann, speelde toen een beetje kattenkoster voor pastoor Dutordoir. Op een dag wilde de pastoor niet meer. Hij heeft eens achter Hoffmann gezeten in de kerk. Dat moet nogal een zicht geweest zijn. Maar de kattenkoster hield voet bij stuk. Maar Dutordoir hield toch meer van Joseph Deriemacker.

    Nu we het toch hebben over Joseph Deriemacker. In de krant van augustus 1936 lazen we volgende bericht. Bloemenliefhebbers Wilt gij goed en goedkoop bediend worden, wendt u in volle vertrouwen tot JOSEHP De Riemeacker, koster, te Nukerke. – Bijzonderheid van Dhalia’s en Chrysanthèmen.- Komt en ziet onze verzameling in bloei, om uw keus te doen voor het aanstaande voorjaar. Altijd snijbloemen te verkrijgen aan matige prijzen. Cyclamen in den Winter. Geraniums en Salvia’s voor April-Mei.

    Er was ook nog de suisse in de kerk. Weet je nog, die lange, magere, stijve mijnheer, dat was Richard Couvreur van op de Mellinckstraat.

     

    Oorlogsjaren 40-45

    Nukerke werd bezet op dinsdag 21 mei 1940. Onzen Octaaf is ook soldaat geweest in de tweede oorlog. Na de capitulatie is hij samen met enkele Ronsenaars weggelopen uit Zwevegem. Hij was nog maar goed weg of ze werden weer opgepakt door de Duitsers. Als straf werd hen alles afgepakt en ze werden op een mees (weide) opgesloten als vee. Een paar dagen later vertrokken al de gevangenen in kolom uit Zwevegem weg, richting Ronse. Daar werden ze in de garage Notebaert op de Hoogstraat opgesloten. Er waren er wel duizend. Botteldoorn en De Catelle hadden onzen Octaaf daar herkend. Langs die weg zijn wij dan te weten gekomen dat Octaaf in Ronse was. Zo konden we hem bezoeken en wat eten bezorgen. Hij zei toen:”Wat moet ik met al dat eten doen?” “Ha, opeten en van de rest zorg dragen!” Toen dachten ze ook dat ze binnen de drie dagen zouden vrij komen, maar … ze trokken te voet weg naar Ninove. ’t Is maar om te zeggen, maar weet je dat hij in Oostende nieuwe schoenen had aangetrokken en tegen dat hij in Ninove was waren ze versleten. Na 1 dag in Ninove dachten ze dat ze gelost zouden worden. Maar, ze trokken naar Gembloers. Daar werden ze op een groot hof opgesloten met honderden soldaten, allen dood van den honger. Octaaf durfde zijn eten niet boven halen want de meesten hadden geen eten en zouden er moeten staan op kijken. Octaaf kende Frans en stuurde een jongen uit de buurt naar het dorp op eten, tegen betaling. De anderen hadden geen eten, geen geld en kenden geen woord Frans. Het eten werd verdeeld tot Octaaf zelf geen eten meer had. Onzen Henri zei dat Octaaf zot was en dat hij dat niet moest doen. En dat was daar iets op die binnenkoer. Vuil en smerig. Iedereen deed zijn behoefte waar hij zat of stond. Enkele dagen later zaten ze al in Namen. Daar zouden ze gelost worden maar iedereen werd er van alles afgepakt. Zij die Vlaams spraken werden eerst gelost. Sommige Walen leerden vlug enkele Vlaamse woorden om als Vlaming te kunnen doorgaan. Het weinige geld dat hij nog bezat stak Octaaf in zijn “getten”. Wie niet naar huis mocht vloog naar Duitsland.

    Tijdens de bezetting werd een burgerwacht opgericht. Veel gezonde mannen waren opgeëist om in Duitsland te gaan werken. Mannen die nog thuis waren werden door de Duitsers verplicht de wacht op te trekken o.a. aan de tunnel om te vermijden dat er sabotagedaden zouden gebeuren. Er was een beurtrol aan de tunnel in Louise-Marie. Onzen Octaaf moest ook eens “sentinelle” spelen, maar zijn kameraden kwamen die nacht niet en Octaaf heeft die ganse nacht alleen de wacht moeten optrekken. Hij was daar nie goe van!

    Er was ook veel armoede en honger. De boeren werden bestolen. Velen uit de stad kwamen ’s nachts op de velden hun voorraad opdoen. Het ging zo ver dat de beesten op het veld werden geslacht en versneden. De rest bleef liggen. Dus kwamen de boeren overeen de boerenwacht op te richten. De mannen deden ’s nachts hun ronde langs de velden. Dat was enkel ’s zomers. Wij hadden ook al een radio tijdens den oorlog. Maar je moest opletten want de Duitsers vielen de huizen binnen om te controleren op welke post de radio stond. En als ’t  n’en Engelse post was… amaai…! We moesten wel twee paarden afstaan aan de Duitsers waarvoor we nooit voor vergoed zijn geweest. We hebben geen goed leven gehad met die twee oorlogen!

    In ’t begin van den oorlog zijn we 2 paarden kwijtgeraakt aan de Duitsers. Onzen “achttienmaander” mochten we houden. Dat ging zo! Vader moest met zijn twee volle merries vervoer leveren aan de Duitsers. (Ook Octaaf Schoorens heeft vervoer moeten leveren). De aangeduide boeren moesten materiaal vervoeren naar het front en in het terug keren brachten ze vluchtelingen mee naar achter. De verste plaats dat vader is gegaan was Wattrelos in Noord-Frankrijk. Dat zou zo gezegd maar drie dagen duren  maar  zo zag het er niet naar uit. Op een dat zei hij tegen de andere opgeëiste boeren dat hij dorst had en wat zou gaan drinken. Maar hij had een ander plan. Naar huis trekken! En zo gedacht, zo gedaan. Vader op weg dus naar huis! Kort nadien werd hij al tegen gehouden door de gendarmen: ”Waar gade gij naar toe?” ”Naar huis tiens!” Die gasten telefoneerden naar hun overste. Gelukkig kwam het bericht dat hij door mocht. En op een dag! Thuis naderde maar de laatste loodjes wogen het zwaarst. De uitgeputte paarden konden maar moeizaam, zelfs met een lege wagen, de Sponde boventrekken. Maar al in Nukerke op de plaatse en dus bijna thuis werd hij tegengehouden door Duitsers. Er was niets aan te doen en de paarden werden hem afgepakt. Toen heeft vader echt veel geschreid. Zo zijn twee volle merries afgeven! En zo moesten de velden wachten. Gelukkig waren er anderen die ons hielpen, want ook onze koeien waren afgepakt. Dat was zo! De boeren moesten met hun koeien naar de plaatse van Nukerke. Daar werden de dieren die min of meer gezond waren opgeëist. Ons restte nog één “koeitje”. We moesten de mensen schoon spreken om ons land te komen zaaien met hun koeien. Frans Vander Geynst van aan de Mere had toen twee ossen. Wij hebben toen ook een os opgeleid en samen met dienen achttienmaander hebben wij verder gesukkeld. Ja wij hadden ook nog een “neutie” maar had op een keer sponzen opgegeten. Hij werd ziek en ze hebben hem dan melk gegeven. Maar dat hadden ze beter niet gedaan. Hij is …doodgegaan! En ’t ergste van ’t geval was dat we hem niet konden opeten. Maar onze beste koe hadden wij al eerder ondergebracht bij mensen in Ellezelles, bij een man die een stalletje had. Hij heeft voor de koe gezorgd tijdens de oorlog. De melk mocht hij gebruiken. Na de oorlog kregen wij de koe terug mits betaling. In Henegouwen werden de koeien niet opgeëist. Ze hadden daar betaald aan de Duitsers. Er was hier ook een  “comiteit” dat eten uitdeelde zoals suiker, meel en vlees. Dat was gerookt vlees uit Amerika. Wij noemden dat vlees “wilden Henri”. Wij aten dat niet op maar gaven het weg.

    Ge moet zeggen dat ons ouders toch wel geen leven hebben gehad tijdens den oorlog. Ze hebben geen minuut rust gekend. Da was maar een droef leven. En vluchtelingen dat er waren! De scholen zaten vol. Bij ons sliepen er Duitse soldaten in onze schuur en ’s morgens vertrokken ze naar de plaatse om orders te gaan halen. ’t Staat mij voor dat er een vlieger is neergevallen achter Aloïs Willems en de hoeve van Jules Moreels(vader van Gaston) die getrouwd was met Maria Van Hooland. Duitsers hebben dat vliegtuig bewaakt.

     

    D’er moet een Belgische vlieger gevallen zijn in de weide achter Bruggen. Heel wat mensen zijn daar op af gekomen. Maar dat was achter den oorlog. Maar ook in Etikhove is tijdens een luchtgevecht een Canadees neergehaald door een Duitse jager. De mensen die daar woonden hebben slagen gekregen van de Duitsers want deze dachten dat ze de piloot hadden beschermd en geholpen om te ontsnappen.

     

    Tijdens de oorlog hielp Winterhulp de arme mensen. De grote en arme gezinnen werden met van alles geholpen om de oorlog door te komen. De onderwijzeres Rachel Dekens organiseerde die hulp. Van alles werd ingezameld: kleren, voedingswaren, geld … Ook bij ons kwamen ze geld vragen en vader gaf steeds maar ze mochten aan niemand zeggen dat hij geld had gegeven. Dat moest niemand weten! Ja, zo was hij. Van rantsoenzegels hebben wij geen gebruik gemaakt. We gingen die wel halen in het gemeentehuis maar we deelden die uit aan de buren. Met die zegels konden zij dan brood, boter, vlees, suiker … kopen bij de handelaars en in de winkel.

    De verste plaats waar ik ooit geweest ben was Antwerpen. Dat kwam zo! Tijdens den oorlog kwamen in Nukerke 4 jongens en 1 meisje aan uit Antwerpen. Het waren kinderen, jonge tieners, die tijdelijk de armoede in de grootstad konden ontvluchten. Vele gemeenten deden aan die actie mee. Wij hadden een 12-jarige gevraagd maar per slot van rekening bleef er voor ons een 17-jarige magere jonge gast over. Wij waren de laatste om te mogen kiezen en kregen dus den overschot. Later ”jonde” die jongen zich vreselijk goed. Ge kunt dat denken, van dat vernielde Antwerpen naar een boerderij vol leven. Die jongen zijn moeder was weduwe en bleef achter met 1 zoon en 2 dochters. Vader had een schone post, hij was douanier. Ah ja, onze knaap noemde Willy Uyterhoeve. Dat was nogal een gast. De kersen waren nog niet rijp en hij zat al in de boom. Wij zegden dat hij dat niet mocht doen. ’t Was te gevaarlijk voor een kind van ’t stad. Hij droomde ervan een kilo kersen te kunnen eten. Ja, en niemand van ons kon dat. Op een dag in de kersentijd ging hij met ons mee om te gaan hooien. ’t Was  ’t moment. we zouden die jonge man eens testen. Zo gezegd, zo gedaan. We wogen vooraf een kg grote vleeskersen en we zetten die klaar voor als onze Willy thuiskwam. En zo gebeurde. Hij kreeg die kersen voor de neus gezet op tafel. En hij maar smullen. Dat is nog niet alles. Zeven grote boerenboterhammen heeft hij er bij gegeten. Nadien zei hij:”’k Zal nu zeker wel n’en  kg kersen binnen hebben. En plezier dat wij hadden. Maar … voor te werken was hij te dom dat hij een mens was. We hadden in die tijd veel konijnen en die koten moesten worden gekuist. Wel we hadden daarna meer werk met hem, ook om hem te wassen, dan met de konijnen. Na een maand bij ons op de boerderij was Willy wel 15 kg verzwaard. Toen hij bij ons op de boerderij verbleef verboden we hem iets te zeggen of te spreken met anderen. We lieten hem ook niet alleen bij de buren gaan. Eens kwamen zijn moeder en zus hem bezoeken. Hij vroeg: “Mag ik ze gaan afhalen aan de trein in Etikhove?” Wel hij herkende zijn moeder niet meer en zijn moeder herkende haar zoon niet eens. ’t  Moest juist lukken dat ze die dag kwamen want we hadden juist een groot varken geslacht. Ze bleven eten en bij hun vertrek hadden ze een volle valies vlees mee; saucissen, carbonaten, boter en vers gebakken brood. Op een dag is hij dan vertrokken. De burgemeester Arthur Verdonckt kwam Willy thuis ophalen want de kinderen moesten weer de trein op naar Antwerpen. Op de boerderij van Devos was er ook een jongen. Tot slot van rekening kwam dus de burgemeester hen ophalen. Die zou gezegd hebben :“Ge zijt kloek en gezond. Als ik in uw plaats was dan ging ik naar Duitsland om er te werken.””Ga gij zelf” antwoordde Willy en ’t was gedaan met preken. Ik heb veel burgemeesters overleefd; Joseph T’Sjoen, Armand Vandenputte, Arthur Verdonckt, Richard Deschaumes (Marstiezen Richard ) en André Hubeau.

    Drie maanden mocht Willy blijven en dan moest hij weer weg. De andere huisgezinnen die tijdelijk een kind adopteerden waren, Brugge, Anna Vandeputte , Artur Verdonckt en August Teirlinck. Nadien is hij wel nog een paar keer teruggekeerd. Ik herinner mij nog dat hij eens op een paaszaterdag met een moto voor de poort stond.  Willy kwam binnen. Maar er was nog een jong meisjes mee. Dat was zijn lief. Die liet hij eerst aan de poort staan. Maar waarom zou ze niet mogen binnen komen? Het was juist etenstijd en wij zaten aan tafel. Kom zet u bij. Twee stoelen werden bijgezet. Kijk, vader komt thuis van het veld, met de paarden. Zeg eens niets als hij binnen komt. We zullen eens zien of hij je nog herkent. Niet spreken. Wel vader zou je dienen heer herkennen. ‘k Heb geen herinnering aan deze man. Toen zei de jongen:”vader!” want zo had hij ons vader drie maanden aangesproken. En leute dat wij hadden. Ha,’t is Willy. Hij had eigenlijk vroeger een scheef oog dat hij heeft laten rechtzetten. Daardoor bekende vader hem niet. Willy vertelde toen dat hij op ’t einde van den oorlog werd opgeëist door de Duitsers om te gaan werken in hun thuisland. Daar is hij een vinger kwijtgeraakt bij het verslepen van een zware ijzeren “pautrel”. Voor herstel werd hij drie weken naar Frankrijk gestuurd en hij die geen woord Frans kon. Hij heeft daar ook geen woord gesproken. Nadien werd hij weer in Duitsland gestoken.

     Na den oorlog, in 1966, is hij om mij geweest. Ik moest mee naar Antwerpen. En ik vertrok met een grote valies eten: brood, vlees als saucissen en carbonaten, boter…, allé een valies vol. En het vlees ? Dat werd onmiddellijk gebakken tegen het slecht worden. En ’s anderendaags was het daar kermis voor de familie. Ik was daar welgekomen in Antwerpen en bleef er drie dagen en dingen die hij mij getoond heeft: de tunnel, de Boerentoren, de Schelde, de kathedraal en de grote winkels.

    Tegen ’t einde van den tweeden oorlog lag een Engels artilleriebataljon gebivakkeerd achter ‘t Zonneke. Vandaar beschoten ze de twee scheldebrugen te Oudenaarde. Rond de brug zijn daar trouwens verscheidene doden gevallen. En op een zondag was ’t eindelijk zo ver. We waren bevrijd. Lange kolommen Engelse tanks passeerden langs de Staatsbaan. Bijna gans Nukerke was daar om de Engelsen toe te wuiven. Het was zondag 4 september 1944. Een groep Nukerkse weerstanders namen achteraf wraak op verschillende mensen.

    Maurice Verpoot, broer van Jeanne woonde in den “Elst”. Hij was een burgerlijk slachtoffer evenals Maurice Vandendaele die langs de Smouterstraat (nu Mellinckstraat) woonde naast de steenbakkerij van Theofiel Debisschop. Zijn broer Florent was pastoor. Die is jong gestorven, aan tyfus. Dat was zo! Hij moest een pastoor vervangen die zelf aan tyfus was gestorven. Deweer Jules en Geerseau Jacqueline woonden in de Kortekeer en tijdens een beschieting van de Schelde werden ze gedood door een verloren projectiel. En met de benzine die sommige mensen konden bemachtigen zijn er rare toeren gebeurd.  Zo is de woning van Dekeyser André, die getrouwd was met Schoenies José, uitgebrand. Ze hadden niet beter gevonden dan benzine op de zolder te verbergen. André woonde rechtover de smidse van Lietaer. En op een dag had een groepje gasten in ’t Zonneke wat gelampet. Richard Dekeyser had daar wat  “nafte” bekomen van de Engelsen. Bij het buiten gaan rolde hij een sigaretje. Toen moet de fles die in de binnenzak van de vest stak ontploft zijn en Richard veranderde in een brandende fakkel. Engelse soldaten hebben hem nog proberen over de grond te rollen. Zwaar verbrand liep hij nog naar huis. Enkele dagen nadien is hij gestorven.

     

    Over het dagelijks leven van toen

    Als ’t kermis was kwam er al eens kennis op bezoek in de namiddag. Dan werd er wat gegeten en gedronken. De eerste paardenmolen op de plaatse is er gekomen na de tweede oorlog. Als ik klein was had ik geen fiets. Zelfs niet als ik al wat ouder was want ik ging soms te voet met een valies naar Berchem op pensionaat. Ik heb niet geweten dat we thuis uit een grote teil aten met houten lepels. Dat was meer de gewoonte bij de kleine man. Rond Toontje was ver veel begankenis in Nukerke. Op 17 januari begon de grote noveen. En volk dat daar op af kwam. De mensen gingen langs de buitenkant rond de kerk en bleven bidden vóór een afbeelding van Toontje met zijn varken die hier vooral aanbeden werd om verloren zaken terug te vinden en om de dieren in de stallingen te vrijwaren van besmettelijke ziekten. Er waren gelovigen die een uitgelezen stuk varkensvlees, in boterpapier gewikkeld, op de communiebank achterlieten. De pastoor at dat dan op zeker!

    De steenweg heb ik zeker 2 of 3 keer weten herleggen en de Pontstraat en de Holandstraat waren al gekasseid van toen ik klein was. Tussen de steenweg en de velobaan lag een berm van zeker een halve meter hoog met hier en daar een opening. De eerste auto die in Nukerke reed was waarschijnlijk die bij bakker Michel. Dokter Glibert reed tijdens den oorlog met een moto rond. De bevallingen gebeurden thuis. Het was Juliette, de vrouw van de landmeter Freddy Devos, die bij de bevallingen hielp. Ze woonden in het Meetjesstraatje in de woning waar later de beenhouwerij Verlinden was. Dokter De Feyter uit Etikhove heeft bij mij de pokken gezet als ik klein was. Een zekere Medard van aan “Den Os” had reeds een grote Amerikaanse auto. Dokter Berlanger had vóór den oorlog geen auto of velo. Hij deed alles te voet. Die dokter woonde eerst langs de Pontstraat in de woning naast die van Madame Planchon. Later verhuisde hij naar de Steenweg in de woning naast T’Sjoen, waar later het café “In de kroon” was. Dat moet beginjaren 30 zijn geweest want nadien huurden Gilbert Vandenabeele en Angèle Blancquart de woning langs de Pontstraat tot 1938. Onmiddellijk nadien kocht Laurant Deweer de woning en bracht er een bakkerij in onder die werkte tot de op ruststelling van dochter Edith.

     

     

    Tijdens verscheidene gezellige momenten heeft Leontine op een pittige wijze haar herinneringen fijntjes en soms met een kwinkslag verteld. De gesprekken worden zo goed als het kon met haar eigen woorden en zinswendingen weergegeven.

    Hier eindigt letterlijk het levendig levensverhaal van Leontine. Op de vroege zaterdagmorgen van 20 december 2008 heeft haar warme ziel afscheid genomen. Op die eens zo bedrijvige hoeve was alle leven stil gevallen. Haar oppassers vonden haar koude lichaam in de bedstee.



    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Doodsprentje met namen van gesneuvelden







    Hier lag hun land, hier lag hun werk
    Hier stond hun huis, hier stond hun kerk
    Maar 't Vaderland riep "te wapen"
    Zij gingen op, zij vielen neer,
    Nu liggen ze op het veld van eer
    In de eeuwige rust te slapen.


    Burgers gestorven voor België

    1918  den 28ste oktober ten gehuchte Kruissens Dhondt Theophile, dagloner, overleden
    1919 is  Marie-Clemence, huishoudster, overleden ten gehuchte Keizereistraat
    1918 op 2 november is Huysman Romanie, huishoudster te Quaremont, gestorven ten gehuchte Steenweg
    1918 op 2 november is in het huis van Modest Ysebaert ten gehuchte Steenweg Depoorter Germaine gstorven
    1918 den 4de november is Reynaert Alfred, geboren te Ronse in 1891 en werkman, zoon van Gustaaf Reynaert, ten gehuchte Steenweg overleden.
    1918 den 4de november rond zes uur ‘s avonds is overleden Baele Jozef werkman, ten gehuchte Steenweg in het huis met nummer 77
    1918 op 4 november ten gehucht Steenweg in het huis met nummer 77 is overleden om zes uur ‘s avonds Reynaert August (werkman) en geboren den 15 december 1841


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een levensverhaal vol anekdotes

    Over Wieten Grielie

    Begin 1900 woonde Wieten Grielie langs de Boelaerdstraat in zijn woning naast het hospice. De woning dateert uit 1918). In de volksmond noemde hij Wieten Grielie en hij had maar zijn reden van bestaan gewoon omdat er niet ver van hem ook een Zwarte Grielie leefde met hetzelfde beroep, namelijk garelen voor koeien en paarden  maken en repareren.

     

    Wieten Grilie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen hij met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutranoy ging om zijn ondertrouw te bespreken zei die:” Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt gij beter op uwen put peinzen. Binnen kort mag je er beginnen aan scharten!” Waarop Hulleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!”

    Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van Barmhartigheid.

     

     

     

     

    Mijn verhaal: Het leven in het wezenhuis St-Vincentius te Nukerke

    (De Nukerkenaren hadden het steeds over “de kinderen van het hospice)

    In 1944 werd een jongen van slechts 2 jaar oud opgenomen in het wezenhuis te Nukerke. Daar kregen een 40-tal jongens een warm onderdak. In het klooster iets verder op was er een wezenhuis voor de meisjes. Zo werden broertjes en zusjes volledig van mekaar gescheiden. Ze konden elkaar pas terug zien als er bezoek was of als ze naar huis gingen. Voor veel opgenomen kinderen veroorzaakte die scheiding een echt drama. Er waren drie soorten kinderen in het wezenhuis: de weeskinderen,de gerechtskinderen en de kinderen van zelfstandigen. Ik voelde aan dat er soms onderscheid werd gemaakt. Zo kregen de kinderen die familie hadden regelmatig bezoek en kinderen van zelfstandige mochten soms naar huis. En ik ?

    De vrederechter “juge Minne” uit Oudenaarde kwam tweemaal per jaar op bezoek om na te gaan of alles naar wens verliep. Wij, de gerechtskinderen  kregen bij elk bezoek iets… snoep of geld! Wij konden daar vrij over beschikken. Mijn eerste kennismaking met mijn nieuwe woonst maakte ik waarschijnlijk van op de arm van zuster Veronica. Enkele jaren later zijn zuster Theodora  Dortmas en zuster Gerarda Van Woensel de vorige zusters komen aflossen. Nadien is zuster Gerarda overste (Moeder) geworden van het wezenhuis en het hospice. Zij werd vervangen door kwam zuster Elise en nadien zuster Digna. Een tijdje later maakten we kennis met zuster Dominica.

    Het gebouw bestond uit 1 zaal op het gelijksvloer, je viel zo met de deur in huis. Achter de zaal was er een bezoekruimte en een kleine slaapkamer voor een ziek kind. Er was geen keuken want de maaltijden werden in het hospice bereid. De grotere jongens mochten de ketels ophalen.. Er was wel een afwasruimte, want wij deden de vaat. Verder was er nog een kleine gang waar elk kind zijn eigen kastje had. Wij hadden er geen telefoon (voor de noodgevallen was er een in het hospice). De grote kelderverdieping werd gebruikt als badkamer. Hoe verliep zo’n badceremonie? Wel het water werd boven verwarmd op een houtvuur en dan door de zuster naar benden gedragen. De kleinsten mochten steeds eerst in ’t bad toen het nog lekker warm was. Elk kind dat het water in ging moest een klein broekje aantrekken. Als het de beurt was aan de groteren werd er soms gespeurd want ’t water werd als maar kouder. We werden allen gewassen in het zelfde badwater met hetzelfde broekje, het broekje dat nat werd doorgegeven. De grote jongens moesten de kleinsten helpen bij het aankleden. Dat was veel werk gespaard voor de zusters die moesten werken met de middelen die ze hadden. Maar terug naar de badkamer. Het vuil water werd in een putje vergaard en nadien met een handpomp naar boven gepompt. Indien nodig werd ons haar geknipt. In de jaren veertig was dat een werkje voor coiffeur Roger Ceuterick maar om de kosten te sparen leerde zuster Theodora de stiel en knipte zij dus voortaan onze wilde haren. Waar haalde die zuster de tijd voor al die jobs?

    Er waren twee slaapzalen : een voor de groten en een voor de kleinsten, dat waren de kinderen tot 6 jaar. Op elke zaal sliep er een zuster in een chambrette. Veel privecy hadden ze toen niet. Maar ja, wie wel? Tegen de muur stond een grote nachtemmer. Bij de grote jongens ontstond soms een wedstrijd om de emmer zo vol mogelijk te pissen. Maar we fopten ons zelf want die emmer moesten we zelf naar beneden dragen. En leutig dat het was! Op koude dagen werd een mazoutkachel aangestoken. Die verwarmde de beide zalen. Langs de muur van de zaal was er een boord waarop een reeks verlakte kommetjes stonden met water. Hier deden we ons dagelijks kattenwasje. Dit water werd in grote emmers gegoten en naar beneden gedragen. Af en toe was er een bedplasser. Dat bracht natuurlijk z’n problemen mee.’s Morgens werden de groten gewekt om 5u30. We wasten ons en kleedden ons aan om onmiddellijk naar de zaal van de kleinsten te gaan. Elke grote jongen werd een kleintje toegewezen om dat kind te helpen bij het wassen en aankleden. Verder moesten we ook gedurende de ganse dag voor dat jongere kind zorgen zoals eten geven en meenemen naar de school. We gingen in rang naar school begeleid door een zuster. Jarenlang was dat het werk van zuster Theodora. Zo wandelden we langs de groentetuin en door den boomgaard (waar nu de Samaritaan staat) tot aan het “Meetjes straatje”(nu Glorieuxstraat). Dat was toen een onverharde landweg tussen de “plaats” en de Pontstraat. Van het Meetjes straatje ging het dan naar’t Lindeke. Zo arriveerden we aan de jongensschool waar ook de kinderen van de straat les volgden. (de kinderen die dagelijks naar huis gingen noemden wij “de kinderen van de stroate”. Na schooltijd dezelfde weg, maar in omgekeerde richting. ’s Middags gingen wij ook naar huis eten. Om vier uur aten we boterhammen en ’s avonds ons avondeten. Dat bestond uit karnemelk, pudding, boterhammen enz.. De kleinsten moesten gaan slapen na het avondeten en de groteren gingen rond 20  uur slapen. De grote jongens hielpen de kleinsten bij het uitkleden. Maar we hadden ook onze pretjes. Af en toe mochten een paar kinderen de kapotte schoenen bij schoenmaker André Verhellen brengen. Toen lieten Mariette en André hun lieve kleine konijntjes zien en we gingen niet weg zonder snoepje. Eigenlijk mochten de weesjongens veel meer beleven dan de weesmeisjes.

    Tijdens de vakantie deden de jongens van het weeshuis de schoolkuis. Toen bestonden er nog geen kuisploegen. Zo moest ik eens wachten op de meester. Van die tussentijd maakte ik gebruik om bij bakker Michel aan een vers brood te zitten. Ik heb een lekker vers gebakken brood uitgepeuzeld, zoals een muis dat zou doen. Allen de korst bleef over. Ons huiswerk maken en de catechismus leren deden we waar de kinderen speelden. Rond 17u30 werd de paternoster gelezen en werd er een liedje gezongen. Dan begonnen wij aan avondeten dat bestond uit karnemelk, afkomstig van de boerderij van het hospice, pudding, boterhammen, enz. moesten de kleintjes gaan slapen. En weer hadden de ouderen de taak de kleintjes te helpen om hen in hun nestje te stoppen. Natuurlijk helpen de zuster daarbij. De groteren gingen rond 20 uur slapen. Op elk bedjes lager een mooie gehaakte bedsprei. Die spreien werden door de zusters en hun familie gehaakt. Zuster Theodora en zuster Gerarda hebben er hun best mee gedaan. De familie van de zusters kwam wel eens op bezoek en ze lieten niet na iets mee te brengen voor de weesjes. We mogen wel zeggen dat we nooit honger hebben geleden. Ik kreeg als zwak kind soms extra melk. En hoe dikwijls heb ik de wel bekende toverdrank gedronken; een geklutst ei met suiker in een glas bruin bier? En dan die fameuze “levertraan” ! Bah, gelukkig kregen we er onmiddellijk een klontje suiker bij om de smaak weg te werken. En verder, de dag na de slachting van een varken kregen wij dan verse hoofdvlak voorgeschoteld. Maar de kinderen lustten dat niet want dat “stekte” in mond en keel. Met als gevolg dat ik later nooit meer hoofdvlak heb gegeten. Nu mag ik dat verklappen maar… we kenden wel allemaal een maniertje om die hoofdvlakke weg te moffelen. Zo was er een hond en een W.C.

    De weken die volgden aten we dagelijks smout op onze boterham. Bah! (nu is dat bijna een luxeproduct). ‘k Moet iets verklappen; van de goede boerenboter heb ik eens stiekem gepiekt. Op vrijdag werd er nooit vlees gegeten, wel kaas, eieren of vis. De avond vóór Aswoensdag kregen we pannenkoeken of wafels voorgeschoteld.

    Het wezenhuis van de meisjes in “’t Klooster” was volledig apart. Ze kookten daar hun eigen potje en hadden niets van uitstaan met het hospice of St-Vincentius.

     

     

    Plechtige communie

    Ik kreeg de kleren voor mij eerste communie van de moeder van een zuster Suzanne (Magriet De Backer).Voor mijn plechtige communie kreeg ik mij kleren van nonkel Georges Vandenabeele en tante Rachel. Na de mis mocht ik als beloning alleen eten als een bevoorrechte in de bezoekersruimte. Toen andere bezoekers langs kwamen  vroegen ze heel bezorgd:”Manneke, zijt gij gestraft misschien omdat gij zo gans alleen moet zitten?” Die dag heb ik niemand van mijn familie gezien. Dat blijft in je ziel gegrift.

     

    Naar de mis.

    De kinderen gingen vanaf de leeftijd van 7 jaar naar de mis van 6u30 in de parochiekerk. ‘s Zondags volgden wij zelfs tweemaal de mis, namelijk om 6u3O of om 7u30 en naar de hoogmis om 9u30 én … ’s namiddags om 2 uur naar ’t Lof. Tijdens de vastenperiode was er de Vespers en het Lof gevolgd door de kruisweg. Meestal waren de kinderen van het weeshuis misdienaar. Als wij misdienaar waren tijdens een begrafenisdienst dan slopen wij soms na de dienst mee aan aan de koffietafel bij Ryckbosch of ’t Kindt. En niemand stuurde ons weg. Men vond het goed. Na een huwelijksmis liepen wij vlug naar het portaal, spanden er een lint en strikten zo het jonge koppel. Wij kregen wat geld en de trouwers konden gaan. Maar wij waren sluw en wij strikten elk koppel van de suite. Het moest soms snel gaan. Met het verdiende geld trokken wij naar Ryckbosch en we lieten ons verwennen met snoepjes. De rest ging in mijn rood spaarpotje van de A.S.L.K.

    Jaarlijks ging de pastoor een bedevaart voor naar Kerselare. Na de mis vroegen de misdienaars of ze nog even het blaasorgel in de kapel mochten bedienen want de koster vond natuurlijk niemand om gedurende de hele voormiddag de trappers te bedienen. Na de diensten mochten we mee met de koster naar de sacristie. Met beide handen grabbelde hij in een geldkoffertje en vulde met een gul gebaar onze kleine handjes. Wij dankten met een glimlach en een kleine buiging. Fier als een gieter en overgelukkig zochten wij de speelgoedkraampjes op. En de snoepjes kleefden in ons mondje. Maar de tijd ging snel en het werd snel namiddag. Onze vriendjes zaten al lang terug op de harde schoolbanken. En … de zusters zullen wel ongerust zijn. We zullen gestraft worden. En wie in de week een straf had gekregen ging de vrijdag kopje onder in het bad. En dat was even niet plezant!

     Ik werd misdienaar vanaf mijn zevende. Met nieuwjaar las een van de misdienaars een nieuwjaarsbrief voor aan de pastoor. Dan kreeg elk 100fr. En het moest lukken dat die som juist voldoende was om de schoolreis te betalen. Het gebeurde al eens dat tijdens de warme zomerdagen de ijscrèmekar uit Ronse ons na de hoogmis stond op te wachten aan de kerk. Als ’t kermis was dan ging een zuster vragen om eens langs het wezenhuis af te zakken. Zo genoot ieder kind, groot en klein, van een lekker ‘ijskremke”. Later werd er in de vernieuwde keuken in de nieuwbouw een ijsmachine geïnstalleerd. Zuster Thelephora kende een uitstekend recept om ijscrème te maken.

     

     

     

     

     

    De school

    Zoals we reeds vertelden liepen we in rang naar school onder het alziende oog van zuster Theodora. De school van de jongens lag naast de meisjesschool. Die twee waren van elkaar gescheiden door een bakstenen muur. Tegen de muur van de school was er een poortje. Soms durfden wij eens naar de meisjes speelplaats gluren, hetzij door het sleutelgat van het poortje ’t zij over het muurtje. Maar dat waste ver! We werden prompt door de meester ter orde geroepen gestraft. “Sta maar wat tegen de muur!” Wat ik nu wel heel erg vind, maar in mijn kinderjaren niet besefte, was het feit dat de broertjes en zusjes van de weeskinderen van elkaar waren gescheiden en zich moesten tevreden stellen door eens van ver naar elkaar te kijken in de schoolomgeving of in de kerk. In de kerk zaten de jongens langs de rechterkant en de meisjes langs de linkerkant. Enkel voor degene die het geluk hadden om in het weekend naar huis te gaan was het een prettig weerzien.

     

     

    Milde schenkers

    Met het feest van sinterklaas kreeg elk kind een kleur- of leesboek, schrijfgerief, fruit en wat speelgoed. Zo was in de jaren 50 een koppel uit Brussel, wij noemden ze “nonkel en tante”, die ons in hun hart droegen en ons ter gelegenheid van hun jaarlijks bezoekje van alles meebrachten. Elk kind was gelijk en kreeg even veel. Later ontstond er een comité, ze noemde dat “de ronde tafel” uit Ronse die ons ook van alles gaven.

    Dokter Roelens, onze huisarts die na de oorlog uit Congo was teruggekeerd en die aan Den appel woonde, gaf elk jaar opnieuw aan 2 weesjes hetzelfde, namelijk hun sinterklaas en hun nieuwjaar. Als die dokter verhuisde werd die traditie enkele jaren verder gezet door dokter De Meulemeester E.

    ‘Zondags gingen wij veel wandelen met de zusters. Zo wandelden wij naar Louise-Marie, de Sancta Maria te Ronse, de molen Ter Slepe. Van de boer kregen wij veel appels. Ik weet nog goed als we naar Ronse wandelden dat we moesten plassen vóór de stad introkken. En ’t werd nog plezant want we plasten voor wie het verst. Tijdens een van onze wandelingen in de zomer zag ik eens een naakt kindje staan langs de straatkant en ik zei verbaasd :” Kijk daar eens, die heeft geen pietje !” En pats ik kreeg een oorveeg van de zuster want dat betaamde niet. Je moet weten dat ik toen 12 jaar was en niet het onderscheid kende tussen een jongen en een meisje.

    En als wij speelde dan vonden wij spelletjes uit zoals vliegen vangen. ‘k Moet zeggen dat ik dat goed kon. Eieren uitblazen was ook een geliefkoosd spel. Ja, zo’ veel speelgod hadden wij niet. Verder hadden wij een grote zandbak, kanarievogels, duiven en een hond. Fietsen hadden wij niet. Ik heb pas leren fietsen als ik al bij pastoor Van Pouck werkte. Het was een oud vehikel gekregen van madam Blommaert. En leren fietsen deed ik alleen. ‘k Ben dikwijls de gracht ingetuimeld en heb het gras gekust.

     

     

    Er werd eens bijgebouwd

    Door de aangroei van het aantal kinderen  - eens waren we met 46 – kwam er een deel nieuwbouw bij met een badkamer. De verbouwingswerken bracht wel zijn moeilijkheden mee. Zo sliepen sommigen kinderen in de badkamer. Ik sliep op een matras in het bad zelf. Soms sliepen we in het hospice tussen de bejaarden of bij de zusters.

    Bedplassen werd toen niet toegestaan. Dat werd afgestraft niet alleen bij ons maar ook in de gewone gezinnen. Er stond al eens een jongen met een nat laken op zijn hoofd!  Maar toen wist men niet beter. Onze zusters waren geen geschoolde opvoedsters. We mochten al blij zijn dat we een dak boven ons hoofd hadden.

     

     

    Het hospice

    Daar mocht je niet zo maar met de deur in huisvallen. Er was de portierster. Zuster Leonard was een klein maar dapper zusterke. Ze had een grote verantwoordelijkheid voor de telefoon en de bezoeken. Tussendoor zat ze kousen te stoppen van jong en oud. En breien deed ze ook. Zo had ze een goed trucje om de maat van de kousen te weten. Met ons handje moesten we een vuistje maken waarrond ze de kous legde. Was de omtrek van ons vuistje dan gelijk aan de lengte van onze voet ? Of toch min of meer! Weet je wat ze nog deed samen met ons? Je kunt het nooit raden! Telefoonboeken en kranten verknippen in stukjes papier van twee handpalmpjes groot. Ja, voor in het toilet, niet om telefoonnummers vanbuiten te leren, maar om onze p… af te kuisen. ’t Schijnt dat papier van telefoonboeken in die tijd luxepapier was. Zo zie je maar, we hadden geen eerste klasse toiletten doch wel luxe toilet papier. Och, we mochten niet klagen! ’t Waren slechte tijden voor iedereen.

    In mijn tijd verbleven er in het hospice ongeveer 48 bejaarden. Een tiental mensen sliepen op een eigenkamertje op de eerste verdieping. Zij waren waarschijnlijk begoed want ze hadden er hun eigen kacheltje én hun eigen kolenhok waar hun provisie aan kolen lag. Elk koos ook zijn eigen soort kolen. De anderen sliepen op ‘t gelijksvloer waar een mannen- en een vrouwenzaal was. De weeskinderen hielpen al eens in het hospice. Zo vulden wij de kolen aan en droegen water naar boven om de waskommen te vullen.. De toiletten waren buiten. Voor de nacht waren er wc-stoelen. Sommigen hadden op hun kamertje hun eigen meubeltjes staan. Soms was daar heel mooie antiek onder. Op de eerste verdieping van het kloosterhuis was er aan de oostkant een kleine kapel. Eenmaal per jaar werd de monstrans uitgezet en was er een “gedurende aanbidding”. Zuster Thelephora kon heel goed orgel spelen.

    Zuster Thelephora en zuster Edith (vroeger zelf weeskind geweest en ze verblijft nog in Nukerke (2009)) deden de keuken in het hospice. Ze kookten dagelijks voor ongeveer 100 personen, weeskinderen, bejaarden en zusters. Zo werd er goede confituur gemaakt van fruit uit de tuin en de boomgaard. Vóór het koken op een elektrisch vuur gebeurde kookten de zusters op een houtvuur. Soms wandelden alle weeskinderen naar het Heidje. Daar mochten (of moesten) ze hout rapen voor dit vuur. Nadien kregen we wel de verdiende snoep. Hm! Met het weinig comfort en materiaal waarover de zusters beschikten moesten ze soms gevaarlijke dingen doen. Het werd hoog tijd dat er een nieuw rusthuis werd gepland. Weet je dat er de laatste jaren dat het hospice bestond de zusters met de paraplu boven het hoofd hebben gekookt.

    Zuster Theodora en Zuster Dominica verlieten Nukerke in 1973. Zuster Ademar en zuster Gisèle uit Zandvliet hebben toen hun zware taak overgenomen. Zuster Gisèle werd overste van de Samaritaan.

    Over de bewoners

    De mannen die daar verbleven konden nogal wat vlees eten. Ze rookten overal, ook op de slaapkamers en op de slaapzalen. Het mag wel een wonder lijken dat daar nooit een brand is ontstaan. ‘s Zaterdags werden de mannengeschoren. Dat was een werkje voor zuster Theodora. Als beloning kreeg dan wat centen om iets te kopen voor de kinderen die niets hadden.

    Iedere maandag was het grote wasdag. Het vuil linnen werd gekookt in een grote koperen ketel op een houtvuur. Alle zusters werden opgetrommeld ook die van ’t wezenhuis én Anna Ysebaert. De zondag voordien spanden de grote jongens de wasdraden van de ene fruitboom naar de andere. In het midden van elke draad werd en nog een stok geplant voorzien van een spie (een wig) om al zo de draad te verhogen en te beletten dat de was de grond zou raken. Hola, niet vergeten de koeien op de andere weide te laten of…

    Voor ons, de kinderen, was elke wasbeurt een hele gebeurtenis. Zo’n bedrijvigheid. De ouderen die nog konden helpen werden ingeschakeld om de was op te plooien of te strijken. ’t Is waar. De oudjes hielpen soms ook in de keuken bij het schillen van de aardappelen en het kuisen van de groenten. Tijdens het werk werd de paternoster gebeden. Soms waren er ook dementerende bejaarden die wel een durfden weg te lopen. Of al eens op café gingen “lampetten” bij Michel Arco “In de wachtzaal” op de plaatse. Zo gebeurden het al eens dat ze te laat waren of niet thuiskwamen. In dat geval werd er beroep gedaan de specialisten, namelijk de grote jongens van het wezenhuis. Die zouden ze wel gaan zoeken én ze veilig thuis brengen. Zo was er eens een oudje omzeggens spoorloos. Ik ging op pad en na ’t vele vragen aan elke voorbijganger heb ik de verlorene terug gevonden in Ronse. Bij het naar huis gaan moest ik dat ventje voortdurend overtuigen dat we wel degelijk naar huis gingen. Het ging zelfs zo ver dat ik autostop deed! En… ’t lukte we mochten meerijden. En content dat het ventje was. Hij zat voortdurend te lachen want ’t was de eerste maal in z”n leven dat hij in een auto zat. Eind goed al goed, we werden thuis, aan het hospice, veilig afgezet. Op een andere keer moest ik een mannetje gaan zoeken tot in Etikhove. Ik vond hem vlug en zei hem dat hij daar moest blijven zitten in de graskant tot ik terug kwam met de kruiwagen. En zo gebeurde. Ik voerde het mannetje met de kruiwagen naar huis. Moeder Gerarda stond ons op te wachten en boos als ze was verwittigde ze hem dat ze hem zouden vastbinden als hij het nog waagde weg te glippen. Rad van tong zijnde antwoordde hij:” ‘k Benne kik geen koe zulle !” Al die kleine zaakjes die verkeerd liepen was het gevolg van personeelstekort. De zusters werkten bovendien gratis en waren dag én nacht ter beschikking van de oudjes en de kinderen. Nu zou men voor veel minder staken.

    ’t Was eens op een mooie zomerdag dat er terug een oud ventje gaan lopen was. Door links en rechte te vragen vonden we hem eindelijk terug in “den geitenhoek”. Op dat moment waren we met twee weeskinderen. We pakten hem langs zijn beide zijden onder de arm vast en weg waren we. Onderweg naar huis naderden wij de woning van H. Ysebaert. Daar liep ons een hondje tegemoet dat naar de zin van de oude man wat vervelend blafte. Stop eens zie hij! Wacht een beetje! En hij begon nerveus op zijn tabakschique te kauwen. Draaide ze dan eens goed rond in zijn bruine mondje en spuwde die met volle kracht richting hondje. Die bruine prop kwam toch wel juist in hondjes neusgat terecht zeker! Die begon dan te niezen mijnen man. En weg was hij. Ja, probeer dit maar eens duizendmaal. Wie doet dat die man na? Het bijzonderste is dat we veilig zijn thuisgeraakt!

    In die tijd was er een dodenhuisje naast het kolenhok van het hospice. De zusters van het wezenhuis werden dikwijls gevraagd om een overledene in ’t dorp te helpen afleggen (opbaren). De meeste mensen stierven toen thuis en bleven thuis in de beste kamer opgebaard liggen tot aan de begrafenis. Het geld dat ze voor die diensten kregen kwam ten goede aan de weeskinderen. Raar maar waar! Wij, weeskinderen, waren blij als er al eens een oudje stierf die een kamer bewoonde. Wie een kamer bewoonde was welstellend en… wij kregen op de dag van de begrafenis koekenbrood en chocolademelk.

     

    Op de boerderij

    In de jaren veertig en vijftig hadden wij voor die tijd een grote boerderij. Er liepen immers 5 melkkoeien, varkens, kippen én ze hadden één paard om het werk te doen. Maurice De Vos, zelf een bewoner van het hospice, werkte op de boerderij en was er ook verantwoordelijk voor. De velden en de weiden lagen rond het hospice.  Als er iets te oogsten viel dan waren de weeskinderen er als de eersten bij om te helpen. We raapten de aardappelen. We hielpen in de oogst. We verzamelden de vele aren die op de grond waren gevallen in wissen manden. Ja, toen mocht er niets verloren gaan. We hielpen ook als de dorsmachine op de boerderij kwam. Ons grootste plezier hadden wij als de ratten en de muizen renden voor hun leven. Niet verder vertellen, maar…er kroop eens een muisje onder de kap van zuster Theodora, tussen haakjes, ze waren bij haar thuis boeren. Ze kende dus het boerenleven en …ze kon tegen een stootje.

    Iedere week werd er brood gebakken in de bakoven naast de paardenstal. De oven stoken was het werk van Maurice en het deeg kneden was een zorg voor alweer, zuster Theodora. En lekker dat het koekenbrood was, en het  rozijnenbrood en het gewoon boerenbrood!

    De melk werd gekarnd en dus hadden we boter en steeds verse karnemelk. Als een koe moest kalveren dan werd de hulp ingeroepen van Medard Heyntjes. Die woonde voorbij de bocht. Soms werd er een varken geslacht door André Verlinden. Die werd later opgevolgd door Jef Willems. Maurice. Onze boer, hield het varkentje stevig vast met de touw. De slachter gaf het schreeuwende dier een zware slag met een hamer op het voorhoofd. Vlug werd de keel overgesneden en het bloed opgevangen om er lekkere bloedworst van te maken. Het beestje werd gebrand met stro, open gekapt en van de ingewanden ontdaan. ’s Anderendaags werden de twee helften versneden. Er werd ook hoofdvlak gemaakt. Daar werd van alles in gedraaid, zelfs het vel met nog stekels op.

    De dagen na de slachting werd een groot deel van het vlees in de pekel gestopt om te bewaren. Of het werd gesteriliseerd zoals ze met veel groenten deden. Te veel eieren! Geen probleem! Die werden gewoon in een bruine “zaankom” gestopt onder het kalkwater. Onze wintervoorraad!

     

     

     

    Rond de gebouwen van het hospice stonden er veel bomen zoals populieren. Het gevolg was dat de goten al eens vol lagen met rottende blaren. En dat bevuilde het regenwater dat voor de wekelijkse was werd gebruikt. Maar daar was een oplossing voor. Ik werd uitverkozen om dat karweitje te klaren. Ik, een flinkerd van 12 jaar kroop door het dakvenster, liet me even over het dak glijden en kuiste de goot uit.

     

     

    De pastorij

     

    Destijds bestond er een artesische put met ringen achter de pastorei. Deze waterput voorzag de pastorij, de onderpastorij en het oud gemeentehuis van drinkwater. Bij een herstel aan de pomp kwam er olie in de put terecht. Pastoor Van Pouck besloot dat het water ondrinkbaar was. Daarop werd door het gemeentebestuur besloten om een leiding te leggen vanaf de Samaritaan, die toen in opbouw was, naar de pastorei. In de Samaritaan werd put geboord van ongeveer 100m diep. Nadat de laatste onderpastoor de parochie had verlaten werd de vroegere onderpastorij bewoond door de gezusters Verbruggen Alice, Hélène en Rachel.

     

    De kerk

    De kerk staat niet in’t midden van de gemeente, dat voorrecht krijgt het kappelletje toegewijd aan O.L.V. van Fatima op ’t Holand ingewijd door pastoor Tirez in 1953. Met de bouw van dit kappelletje wou men tegemoet aan de vraag van de kerkgangers om dichtbij de mogelijkheid te hebben te kunnen biechten of  mis te horen. Ook de leerlingen van de gemeenteschool zouden er hun voordeel bij hebben. Ze zouden voortaan niet meer maandelijks een paar keer in weer en wind te voet naar het dorp moeten trekken. Deze traditie verwaterde langzaam en de volgende pastoors lieten het kapelletje links liggen. Het verkommerde en werd bij de heraanleg van de Holandstraat gesloopt. De stoere oude lindeboom moest er toen ook aan geloven.

    Maar nu terug naar de parochiekerk. Pastoor Van Pouck heeft op het punt gestaan de dorpskerk wit te laten schilderen. Het zou prachtig zijn geweest maar ook zeer duur. Langs de andere kant zou de restauratie ten goede zijn gekomen aan het dorpsbeeld. Het zou er iets fraaier hebben bijgelegen, vooral sinds een al te ijverig schepencollege begin jaren 70 grote kuis hield op het dorpsplein door enkele oude pittoreske gebouwtjes met geschiedenis te slopen. Ze moesten plaats maken voor de auto’s.

    Aan de buitenkant van het koor, kant sacristie, staat een grote calvarie met aan de ene zijde Johannes de Doper, aan de andere zijde Maria. Op deze plaats liggen enkele graven en de plaats werd door onze voorouders, om welke reden ook, vagevuur genoemd. Het concilie Vaticanum II  (1962-1965)  bracht een grote evolutie in de kerk. Voortaan zouden niet allen de gebeden en de gezangen in de volktaal gebeuren , het altaar zal dichter bij de gelovigen staan en de pastoor zal met het aangezicht naar de menigte kijken. Het nieuwe altaar in de kerk werd vervaardigd door de meubelmakerij De Jaegher uit Eeklo.

     

     

     

     

    De biecht

    In de goede oude tijd (is dat de tijd van vóór het concilie van 1962 ?) was er elke zaterdag biechtgelegenheid in de kerk van 18 uur tot 19 uur. De zondagmorgen idem een half uur vóór de mis. Ja, het was de tijd dat de mensen zich nog bewust waren van hun fouten. In de vastenperiode kwam er een vreemden biechtvader bij. Dan kwamen de gelovigen blijkbaar hele karrenvrachten zware zonden belijden, misstappen die ze liefst niet aan de dorpsherder zijn neus hingen. En wat deden de pastoors nadat hij met een piepoogje de volgende schuldbelijder had bekend ? Ja, hij nam een zakdoek, besprenkeld met reukwater, voor de mond om al die gure geurtjes te verdoezelen. En met bevende stem kon de biechteling zijn hartje lichter maken. Het merendeel kwam er goed van af en zwiepte met een brede glimlach het rood fluwelen gordijntje opzij. De volgde!

     

    Toontje met z’n varken

    “Met Toontje klaren de dagen tot de vijfenhalf”.

    Tegen de buitenkerkmuur zijn verschillende staties ter ere van St-Antonius (met het varken) aangebracht.

    Rond het feest van de H. Antonius abt op 17 januari heeft er sinds jaren een noveen plaats in deze kerk. Dan werd de kerk versierd met de bloemen die madame Blommaert schonk. Toen, in de jaren vijftig, kwam er nog veel volk af om Toontje om zijn gunsten te smeken. Was je iets verloren? Wend je dan tot Toontje. Veel kans dat je het terug vond! Gedurende die dagen van de noveen hield ik een standje open achteraan in de kerk. Ik verkocht er kaarsen en medaillons. De gelovigen konden bij mij missen bestellen en betalen en ik mocht hen zegenen met de relikwie van de H.Antonius. Ik moest natuurlijk een zegening uitspreken maar aangezien ik nooit Latijn heb geleerd ging dat wat moeilijk. De zegende priester brabbelden destijds ook een onverstaanbare Latijnse tekst. Dus, deed ook ik alzo. Tot op zekere dag een oud vrouwtje me vroeg:” Maar wat zeegde gij otijd ?”  Ik antwoordde:” Niet vies van zijn, ’t is afgekuist…!” Maar dat zei ik zo snel dat niemand het verstond en… ’t leek van ver op kerklatijn. Dat vrouwtje hé, dat heb ik nooit meer weer gezien. ’t  Kan ook zijn dat ze het jaar nadien was verleden of …

    Eertijds waren de zijmuren achteraan in de kerk beschilderd met Nukerkse taferelen. Spijtig werden die ten tijde van pastoor Naessens overschilderd. Voortaan prijkt daar een modernere tekening. Al of niet mooi?

    Processie

    Tweemaal per jaar ging er een processie uit nl. op Sacramentsdag en op O.L.V.-Hemelvaart. Op Sacramentsdag ging de grote processie uit. Vanaf de kerk ging het naar het wezenhuis, en hospice, waar de oudjes buiten zaten. Verder ging we de Boelaerdstraat op tot bij Gentil; aan de hoek van de Pontstraat. In de kapel daar werd voor het eerst halt gehouden. Dan ging het richting  Den Appel. Onderweg was er nog een halte aan de kapel op de hoek van de Holandstraat.. Vanaf daar ging de lange sliert de Steenweg naar beneden naar de kerk toe. Op O.L.V.-Hemelvaart ging de kleine processie uit. Toen ging het richting Geitenhoek waar een altaar werd opgezet om het H. Sacrament op te stellen. Vandaar ging het via de Steenweg terug naar de kerk. Ter gelegenheid van de processie werden de woningen versierd met bloemen en een vlag. Soms werd er een tafeltje neergezet en op een sneeuwwit kleedje stond een beeld. Het was ten tijde van pastoor Tirez dat er discussie was. De processie was reeds enkele keren uitgesteld wegens het slechte weer. De pastoor kwam met een oplossingvoor de dag; regen of niet de processie gaat uit. En wat gebeurde er? De lange stoet werd uitgeregend en de gelovigen werden gezegend met een stevige plensbui. Iedereen liep naar huis maar niet de dragers van het beeld van St-Anthonius. Die lieten zich verleiden en schuilden met onze patroon en al in een café. Na enkele natjes werd het buiten droog en konden de dragers onze patroonheilige veilig thuisbrengen. Men had z’n lesje geleerd en er kwam een nieuwe afspraak; als op de dag van de processie de klokken drie keer luiden dan gaat de processie uit. Indien 1 klok luidt dan niet.

    Er was een vaste volgorde voor de deelnemers. Voorop stapte de champetter , dan de misdienaars met kaarsen en kruis, de vlagdragers met de vlag van De Boerinnenbond, de BJB, de Scouts, de Chiro, 15 weeskinderen met elk een klein vlagje(de 15 vlagjes symboliseerden de 15 mysteries van de rozenkrans), de dragers met de beelden, de fanfare van Nukerke, de koster en het zangkoor, de bloemenmeisjes die weelderig kleurrijke kroonblaadjes en papiersnippers rondstrooiden, de pastoor met het Sacrament onder het baldakijn met een zestal lantaarndragers erom heen en tenslotte de gelovigen.

    De drie dagen vóór O.-L.-H.-Hemelvaart worden kruisdagen genoemd. Drie dagen vóór de hoogdag maakten de pastoor met relikwie, de misdienaars met het kruisbeeld en vele boeren en boerinnen maar ook kinderen en andere gelovigen een rondgang door de velden om de gunst af te smeken voor een goede oogst van de vruchten der aarde. Gedurende de hele weg werd de litanie van alle heiligen gezongen.”Sanctus… ora pro nobis…”

    Met Kerstmis

    Op 24 december was ik al vroeg in de weer om de kerk warm te stoken. Daar stonden twee grote kolenkachels. In de goede, oude tijd werd op kerstavond steeds een luchtig toneel gebracht in de parochiezaal. Na de fratsen van de grappige acteurs (die zijn ondertussen allen boven de zeventig) trokken de gelovigen flink napratend naar de middernachtmis in de warme kerk.

    Allerheiligen en Allerzielen

    Na de vespers en het lof op Allerheiligen werden er 3 Onze vaders en 3 Weesgegroeten gebeden gevolgd door een “en glorie zij de Vader, de Zoon en de H. Geest” gingen de mensen buiten en kwamen seffens terug binnen. Iedere gelovige die daar aan deel nam kreeg daarvoor een volle aflaat. Dit werd soms meermaals herhaald. In de volksmond noemde dat ”perjonkelen”.

     

    Een berechting

    In Ronse en Oudenaarde was er wel een hospitaal maar op het platteland stierven de mensen meestal thuis tot beginjaren vijftig. Het was dan ook een vast gebruik dat de pastoor de ziekenzalving (toediening van de H. Olie en de Communie) gaf aan de stervende. Als kind zagen we meermaals de pastoor en zijn misdienaar met lichtende lantaarn en rinkelende bel in weer en wind over kleine veldwegjes stappen. Toevallige voorbijgangers en boeren op het veld knielden uit eerbied neer en sloegen een kruisteken.

    Ook de hoogdag werd naar de zieke en zwakke mensen gedragen. Later werden de pastoor en een paar misdienaars vervoerd per auto door de koster, eerst door Joseph Deriemacker  en nadien door Norbert Deriemacker. De ene misdienaar droeg een lantaarn, de andere droeg een bel. De rinkelende bel verwittigde de mensen dat Ons Heer op komst was. Het was in de tijd dat we bij berechtingen zagen dat kleine biggetjes gewoon onder de Leuvense stoof lagen in een bakje vol met stro.

     

     

     

    Missie

    Om de tien jaar was het dringend nodig onze parochianen eens grondig ter orde te roepen. Een paar paters kwamen gedurende een drietal dagen naar de parochie afgezakt met stevige donderpreken op zak. Preekstoel en ramen kregen soms de beef.  Het was muisstil in de stampvolle kerk. En de brave lieden zaten daar als sukkels gebukt onder de zware zondelast. Op één avond waren de jongeren niet toegelaten want dan hadden ze het over de huwelijksperikelen. Het moet gezegd, onze brave ouders waren er soms niet goed van. De laatste missie werd gepredikt in 1961 door redemptoristen E.P. Decocker en E.P. Van Buggenhout

     

     

    Kerkelijke diensten

     

    Tijdens elke dienst in de kerk werd er stoeltjesgeld opgehaald. Lang geleden was dat een taak van betrouwbare personen zoals daar waren Bernard Deriemaecker en zijn vrouwtje Louiske en na hen door de dochter Maria en schoondochter Régina die trouwens verantwoordelijk waren voor het klein onderhoud in de kerk. Ze schoven tussen de rijen door met uitgestoken hand waarop je het geldstukje deponeerde. Let op! Er waren 3 soorten stoelen met elk hun prijs. De kosten voor de stoel stegen mee met de tijd. Het werd algauw een halve frank en nadien een frank. De laatste moderne pastoors vonden het beter het stoeltjesgeld jaarlijks thuis bij de kerkgangers op te halen. Dat was een opdracht voor Paul Decatelle. Ten tijde van pastoor van Pouck kostte een stoel met biezen zitting 6OFr, een stoel met een mooi kleurrijk fluwelen kussen kostte 120Fr en een voor een eigen stoel betaalde je 100Fr. Eens het stoeltjesgeld opgehaald verschenen daar de kerkmeesters die met een blinkende koperen schaal rondkwamen. Zo kon men z’n offergave schenken. Waar is de tijd van de “kluitjes” en de kwartjes, je weet wel, die centen met een gaatje in. Sinds pastoor van Pouck werd ook de “Sint-Pieterspenning” door Paul opgehaald.

    Nadat Louiske er niet meer was en Maria en Régina te oud werden heeft Paul en de zusters van de meisjesschool de taak op zich genomen om de kerk te onderhouden. Zuster Lucienne stond in voor het altaargewaad van de priesters en de misdienaars. Niemand kon haar kunst van feilloos plooien en vouwen van de witte gewaden evenaren. Het vele koper dat regelmatig moest worden gekuist dát was een groot werk. Rond de jaren zeventig eindigden ook de omhalingen door Broeder Leonardus van de Minderbroeders te Ronse. Hij haalde eetwaren en geld op voor het klooster aan de “Barrière de fer”.Nog een gebruik dat in die periode definitief verdween is de zending. Boeren droegen na een slachting (er was somtijds een noodslachting) van een dier het beste stukje vlees naar de pastorij en naar het klooster.

     

     

    Iedere tweede zondag van de maand was er ’t lof aan het altaar van O.-L.Vrouw. Dan volgde er een speciaal gebed voor de ongehuwde vrouwen waarmee men de jonge maagden bedoelde. Nu zou het zijn voor de ongehuwde jonge moeders. Na het gebed gaf de pastoor een zegening met de relikwie van O.-L.Vrouw.

    In ’t portaal was er achter een heel groot en zwaar hek een kleine ruimte. Daar hing een lang dik touw. Als je daar met volle kracht aan trok begon er een klok te luiden. De misdienaars mochten om beurten. We hielden de touw goed vast en gingen mee de lucht in. En leuk dat het was, dat hoeft niet gezegd. In de tijd van pastoor Tirez werden twee nieuwe klokken gekocht en ingehuldigd op 26 mei 1951. Deze moesten de gestolen klokken vervangen die tijdens W.O.-II door de Duitsers waren gestolen om ze te hersmelten tot oorlogstuig.

    Tijdens ’t Lof is er eens een kogel door een kerkraam gevlogen. Wie dat heeft gedaan is nooit gekend. Ondertussen is het raam hersteld.

    En waar is de tijd van de wekelijkse biecht ? En de mis op de 1ste zondag van de maand voor de leden van de Bond van het H. Hart voor de mannen ? En op de 2de zondag van de maand voor de leden van de Boerinnenbond én de talrijke processies.

    Het Vormsel

    Om de twee jaar kwam de bisschop van Gent de kinderen van Nukerke en Zulzeke vormen. Na de dienst was de bisschop bij de pastoor uitgenodigd voor het middagmaal en ik was daar verantwoordelijk voor de keuken. Als dessert werd er een ijs opgediend. Ik kwam er met grote schreden aan en roef, daar schoof de taart over het tapijt.

    Maar geen nood! Ik heb leren mijn plan trekken. Dus schepte ik de taart op het plateau en bediende de hoogwaardige heren.

     

     

    Tot slot

    Zuster Gisèle schreef het volgende relaas

    “Op 15 december 1890 deden onze zusters hun intrede in een boerenhof van het echtpaar De Vos-Van der Steen. De boerderij was gelegen langs de Pontstraat (nu huisnummer 50). Deze mensen hadden tot dan, met hun beperkte mogelijkheden, bejaarde mannen en vrouwen onderhouden.

    In dit zo gezegde hospice, dat kraakte van de sleet, werd in soberheid en armoede, maar vol liefde en toewijding een twintigtal mannen en vrouwen verzorgd.

    Door toedoen van E.H. Pastoor De Boe kon in september 1897 een nieuw gebouw in gebruik worden genomen. In 1901 werd er een jongensweeshuis aan het hospice verbonden, dat later uitgroeide tot het jongenstehuis “Paviljoen St-Vincentius”. De perikelen van W.O.-I en W.O.-II trotseerde de instelling ondanks bepaalde moeilijkheden, met moed en krachtdadigheid. Bij het begin van de jaren zestig ging de Congregatie over tot het zetten van een nieuwbouw, die het oude hospice en weeshuis ophief. Het jongensweeshuis samen met het meisjesweeshuis, dat vanaf 1877 verbonden was aan de school, werden op 1 september 1968 vervangen door een gemengd kindertehuis “St-Vincentius” te Nukerke en “Zonnelied” in Ronse.

     Op 16 juni 1968 werd het eerste deel van de Samaritaan in gebruik genomen. De nieuwbouw bestond uit een V-dienst voor chronische zieken. Op het einde van de jaren zeventig werd, deels met staatssubsidies, het gebouw de Jericho opgericht.  Het werd een verzorgingstehuis voor semi-validen en bejaarden. De plechtige inzegening had plaats op 31 mei 1980.

    Wij menen daarmee een acute moderne nood te helpen lenigen, een werk dat volledig in de lijn ligt van de verlangens van de Stichter.”

     

    In de loop van de geschiedenis evolueerden de weeshuizen dus naar gezinsvervangende tehuizen. Rond het jaar 1968 gebeurde ook hier te Nukerke een grondige renovatie van het jongenstehuis en werden de meisjes ondergebracht in een nieuw huis in Ronse. Van de grote groep jongens en de grote groep meisjes werden er kleine groepen van een 14-tal kinderen samengesteld, zusjes en broertjes konden in éénzelfde groep. De opvoeders zorgden voor een huiselijke sfeer, voor gezelligheid met aandacht voor elk kind. De kinderen konden schoollopen, spelen en ravotten. Tijdens het schoolverlof mochten ze voor een 3-tal weken naar zee. In het voorjaar van 1989 kwam er een einde aan de opvang van de kinderen en werd het huis St-Vincentius gesloten.

    In het kindertehuis St-Vincentius werden gedurende vele jaren aan een groot aantal kinderen en jongeren de beste zorgen gegeven.

     

    Slot

    “In dit schrijven heb ik herinneringen uit mijn kinder- en jeugdjaren verteld. Maar er zijn veel persoonlijke ervaringen die ik liever in mijn hart bewaar. Wanneer ik zelf als echtgenoot en vader verantwoordelijk werd voor vrouw en kinderen, begreep ik pas goed welke verantwoordelijkheid, soms ongeschoolde en zeer jonge zusters  voor een grote groep kinderen toen droegen. Zo dikwijls heb ik achteraf bedacht dat ik die ouderlijke liefde heb gemist, maar ik heb toch veel vriendschap gekregen. Ik heb een strenge maar goede opvoeding gekregen. Veel kinderen die in een gezin werden opgevoed hadden het misschien minder goed dan wij. De christelijke waarden, de werklust en het respect voor mens en natuur probeer ik steeds door te geven aan mijn kinderen en kleinkinderen. Door mijn blijvend contact met de zustergemeenschap in België en Nederland wil ik mijn grote dank betuigen omdat ik mij bij hen als kind mocht “thuis” voelen.” P.D.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mensen schrijven geschiedenis

    Mensen schrijven geschiedenis 

    Mijn vader Georges Van Maelsaeke werd geboren in 1890 en werd soldaat in 1910 maar werd reeds op 2 augustus 1914 gemobiliseerd. Hij werd krijgsgevangen genomen door de Duitsers in Luik en naar een Duits werkkamp gevoerd. De eerste keer dat hij mocht naar huis komen was op 17 januari 1919. Het eten was er  slecht. Zo kregen ze soep van bieten en het was dat of niets. Hij was blij toen hij in een suikerfabriek mocht werken daar kon hij ten minste wat suiker jatten. Maar dat was nog niet alles! Nadien is hij nog gedurende 1 jaar soldaat geweest in het Belgisch leger.

    Mijn ouders Valerie Verpoort en Georges trouwden op 7 april 1921. Van pure armoede trokken ze naar Compiègne (Noord-Frankrijk) om er te gaan werken op een grote hofstede. Moeder werkte er in het huishouden en vader werkte op de velden. Mijn moeder is dan in januar 1923 terug naar huis gekomen want ik moest op de wereld komen. Dat heb ik dan gedaan thuis in Terpoort op 2 februari 1923 geholpen door de vroedvrouw Julita, maar mijn moeder was wel vooraf bij een dokter in Ronse geweest en nadien bij de dokter in Schorisse. Drie maanden na mijn geboorte trok mijn moeder met een baby terug naar Frankrijk. We bleven er tot 1926. xml:namespace prefix = o />

    Het verdiende geld werd naar huis opgestuurd, gespaard en belegd. En zoals zo velen werd het op een spaarboekje gezet in de Patria te Ronse.  Met de jaren dertig begon een periode met diepe crisis. De textielnijverheid te Ronse werd zwaar getroffen. Toen was er grote werkloosheid in de streek. Ondertussen hadden enkele grote textielbarons van Ronse, waaronder Dupont, Lagache, Annick …grootse plannen. Ze zouden met het geld van de Patria textielbedrijven oprichten in Afrika, dicht bij de katoenplantages. Maar deze onderneming viel faliekant uit. Veel geld dat de arme arbeider had bijeengegaard verdween in een diepe put.

    Gelukkig hadden mij ouders hun spaargeld reeds terug gevraagd. Zo konden ze enkele jaren later, in xml:namespace prefix = st1 />1934, in Terbeke een huis kopen, naast het routehuisje (afgebroken in de jaren 70). Dat spoorweghuisje was toen bewoond door Julien Vandercoilden en later door Joseph Roman  wiens vrouw de bareel bediende vanaf 1933. Die bewaakte bareel kwam op vraag van de omwonenden na het ongeval met de brouwerswagen (een lange smalle wagen speciaal gebouwd om tonnen te vervoeren). De vrouw bediende de bareel van 6 tot 6. Na dat uur werd ze afgelost door Octaaf Mannens die dienst deed tot de laatste trein uit Ronse rond 22 uur voorbij gereden was. Dan werd de bareel dicht geschoven en op slot gedaan. Enkel voetgangers konden nog via een hekje de spoorweg over.

    Vanaf 11 jaar werd ik op pensionaat gestuurd in St-Maria-Oudenhove, daar was een familielid nonneke. In die school moest er op bepaalde dagen van de week Frans worden gesproken en sommige vakken kregen we in ’t Frans. Op mijn veertiende bleef ik thuis, zoals de meeste kinderen, en moest mijn kost verdienen. Dus de naaimachine op en mannenhemden maken aan 35 centiemen ‘t stuk. Maar dat deed ik niet graag. Dus werd er gekozen voor de fabriek in Ronse. Eerst bij Van Caeneghem, dan bij René Van Damme, en 10 jaar bij Léon Cambier. Ik ben blijven werken tot ik weduwe ben geworden. Zoals vele vrouwen moest ik coupons kuisen. Ik was pikureerster. Dat waren rollen geweven stof van 6o m lengte. En wij moesten de “padeputen” herstellen. Dat waren fouten in het weefsel ontstaan door een slechte werking van de schietspoel. Dat deden we de ganse tijd rechtstaand en met 5 vrouwen. We werden per stuk betaald, dus hoe meer meters we verbeterden hoe meer we verdienden.” Ik heb nog gewerkt aan 9,5 fr per uur. Met St-Ambroos (7 december) moesten wij niet werken. En, op 8 december vierden wij “spiêneesten meestag”. Die dag gingen naar de mis te Ronse. Tot 1950 hadden wij slechts 1 dag congé. Sint-Elooi was de dag dat de boeren een stapje in de wereld zetten. De boerinnen bleven thuis.  

    “Ik werd dus geboren in 1923 te Nukerke in een huisje in Ter Poort. Mijn ouders kochten later een  thuis in Terbeke.  Moeder hield er een kruidenierswinkel en verkocht er ook bier en likeuren. ‘Zondags, na de mis, ging mijn moeder het bier bestellen in de brouwerij van Raphaël en Gabriël T’Sjoen aan “Den Engel”. De voerman leverde met een speciale wagen de tonnen bij ons af. Thuis tapte vader dan het bier over in flessen.

    De dag dat er bier op de flessen werd getrokken stond mijn moeder op om 6 uur. Ze stak de leuvense stoof aan en hitte het water. Ondertussen controleerde ze de flessen, een soort champagneflessen, op mogelijke slakken. De flessen werden dan een na een in een ton met heet water, gemengd met soda, ondergedompeld waarna vader ze waste met een molentje. Dan nog spoelen en in rekken laten uitlikken. Vader sloeg een koperen kraan in de ton en vulde de flessen. Nadien werden die met een koperen flessenstopper gestopt en belanden in per dozijn in houten bakken. De stopsels kwamen in grote zakken aan in ’t station van Etichove. Vader haalde die af met ons camionnetje. Dat camionnetje was  van ‘t bouwjaar 1927, had 4 wielen en “tremen” voor 1 paard. Met paard en wagen werden de bakken bier dan thuis bij de mensen gebracht. Dat paardje, och arme Lotte, werd in 1939 door het Belgisch Leger aangeslagen. Nadien hebben de Duitsers dan nog ons wagentje afgepakt en meegenomen. Zo goed en zo kwaad als het kon werd het bruine vocht dan maar met de houten kruiwagen gevoerd. En als het niet te ver was dan voerde ik als jong meisje enkele bakken tot bij de klanten.

    Voordien kochten we ons bier bij Thienpont, maar ge weet hoe dat gaat. Op een keer vroeg Raphaël T’Sjoen, de brouwer, of we van hem geen bier wilden afnemen. Ja zo gaat dat! Na den oorlog heeft Albert T’Sjoen nog enkele jaren gebrouwd. Hij bottelde toen het bier in “fidoelkes” zo met een “mekaniekske”.

      

    ONS BESTAAN ROND DE SPOORWEG

    Ongevallen aan de spoorweg

    “Laurent Vander Eecken verongelukte in 1926 met zijn span paarden aan de onbewaakte overweg, aan de smisse, langs de Mellinckstraat. Hij was op terugweg van de molen. Door het geluid van de ratelende karrenwielen over de kasseistenen hoorde de man de aanstormenden trein niet naderen. Zijn jongste zoontje was amper anderhalf jaar. De mensen kenden toen niet of onderschatten een beetje de gevaren die zich konden voordoen rond de spoorwegovergangen. Twee paarden, de kar en het slachtoffer werden in de diepte naast de spoorweg geslingerd.” 

    Edmond Van Moorleghem had bij ons thuis in Terbeke enkele tonnen bier geleverd. Hij werkte als brouwersgast en voerman voor de brouwerij T’Sjoen aan “Den Engel” in Nukerke. Het was rond 9 uur in de voormiddag. Bij zijn vertrek had hij de trein uit Etikhove niet horen aankomen. Span en wagen werden gegrepen. De voerman bleef op slag dood.”

    “Monske had zopas 5 tonnen bier bij ons thuis geleverd. Dat was bier van de Brouwerij T’Sjoen dat in handen was van de broers Gabriël en Raphaël. Hun vader is nog burgemeester geweest in Nukerke. En ja, de tonnen waren afgeladen en Monske vertrok  om zijn wagen iets verderop te keren. Ondertussen waren er 2 klanten in ons winkeltje. Tot ze plots een oorverdovend gedonder en schurend lawaai hoorden. Van schrik sloegen de 2 vrouwtjes op de vlucht en mijn moeder, die in verwachting was van onzen René, ging buiten zien en stond onwezenlijk voor zich uit te staren. Monske zijn gespan was gegrepen door een michelientje met twee wagons, dat kwam uit de richting van Oudenaarde. De wagen verhakkeld in honderd stukken ! De twee brabanders bloedend tegen de beemd en een stervend Monske ergens daar tussen. En zeggen dat André Ceuterick 5 minuten voordien was vertrokken. André kwam mee met de levering maar deed de weg van de brouwerij met de fiets. Ja, dat wachthuisje stond daar ongelukkiglijk veel te dicht bij de sporen en men had geen goed overzicht op de spooroverweg. Waarschijnlijk wegens besparingen was het wachthuisje niet bewoond en de overweg niet bewaakt. Dat was me een dag!” Een paar jaren later werd de overweg bewaakt en werden er slagbomen aangebracht. Die werd bediend door Anna Vancoppenolle, de vrouw van Joseph Roman. Zij woonden toen in het wachthuisje. Anna bediende de bareel en Joseph was onderhoudsman aan de spoorlijn samen met zijn chef pioche. Anna werkte tot 6 uur ’s avonds en dan werd ze afgelost. Iedere dag om 10 uur ’s avonds ging de bareel neer en werd op slot gedaan. Om 6 uur ’s morgens werd de overweg weer opengesteld. Dat was voor de veiligheid want ’s nachts reden de goederentreinen. Voor fietsers en voetgangers was er wel een passage. Toen was er ook een houten barakje waar een telefoon stond. Vanuit het station verderop belde de stationschef dat er een trein onderweg was.

    Er werd ook gespeeld rond de spoorweg en wel aan “het mijntje”, beneden den boomgaard van Philip Hubeau.. Dat was en is nog steeds een doorgang onder de spoorweg. Het is als een bakstenen poortgewelf  waardoor een pad loopt naast de Holbeek, die iets hogerop ontspringt.

     

    In ’T VOLK  VAN RONSE van zaterdag 22 oogst 1936 lezen we het volgende verslag.

    “Etichove  Weer een verschrikkelijk ongaval aan den onbewaakten overweg.- De onbewaakte overwegen hebben eens te meer een einde gesteld aan een jong leven. Maandag namiddag deed de jonge h. Joseph Hoerée, uit Oudenaarde, zoon van den heer deurwaarder Hoerée, en waarnemend ontvanger te Antwerpen, een tochtje met zijn motorfiets van Oudenaarde in de richting van Nukerke, langs Etikhove. Ter hoogte van de spoorweg werd het slachtoffer op het ogenblik dat het over de sporen wilde rijden, verrast door trein 2871, komende uit Ronse naar Gent, met het verschrikkelijk gevolg, dat hij door de locomotief gevat en een 80 meter verder meegesleept werd. De motorfiets zelf moest een honderdtal meter verder van onder de locomotief gehaald worden. Spoedig daagde hulp op doch een in allerhaast ontboden geneesheer kon slechts den dood vaststellen. Het slachtoffer was 24 jaar oud en totaal den schedel verbrijzeld. Het lijk werd naar Oudenaarde overgebracht. De ongelukkige bracht juist enkele verlofdagen thuis door. De rijkswacht deed het gebruikelijk onderzoek en verwittigde daarna het parket van Oudenaarde. Dit stapte ter plaatse af om zich rekenschap te geven van het feit, dat de zichtbaarheid op de spoorbaan aldaar helemaal onvoldoende is. Omstreeks een jaar geleden deed zich op dezelfde plaats een soortgelijk ongeval voor. Men kan zich de droefheid der ouders voorstellen, wanneer ze den vrezelijken dood van hun zoon vernamen. Wanneer toch zal de Nationale Maatschappij een einde stellen aan deze doodslagen, door een afdoende oplossing te geven aan de kwestie van der overwegen?”

    De mensen kenden toen onvoldoende de gevaren die spoorwegovergangen met zich meebrachten.”

    ’T Volk van Ronse werd verdeeld door propagandisten die een stuivertje wilden bijverdienen. In 1936 kostte het krantje van 4 blz. 0,35 fr. Dat waren mensen zoals Remi-Emiel Vandenabeele die elke zondag na de vroegmis de gazet verkocht in ’t portaal van de kerk. Een ander man verkocht er “De Scheldeklokken”.(regio Oudenaarde)

     

    Mijn schooltijd

    De gemeenteschool langs de Pontstraat liep toen al leeg, maar daar ben ik nooit naar school geweest.

    “Van kleins af liep ik school in de dorpsschool van de aangenomen meisjesschool te Nukerke. Naast het klooster stond de jongensschool. Beide aangenomen scholen werden gescheiden door een bakstenen muur, voorzien van een houten poortje aan de hoek van het zustershuis.

    Zo ver naar school gaan ,dat was dagelijks een heel lange voettocht. Op onze “kloefkes” waren wij een uur waren onderweg door weer en wind, soms langs modderige wegen en over kleine veldwegeltjes en kerkwegen, langs de “fenise”, Meulebroecke, langs “De koekoek” (daar was ooit een herberg) en de Potaarde, bergop bergaf. En als het gesneeuwd  had dan waren we verplicht van een omweg te maken langs “de iene”rond. ( “De iene” dat was de herberg  langs de Weitstraat gelegen ongeveer rechtover de Holandstraat.) Onze ouders hadden geen tijd om met ons mee te gaan, daarom sloten wij aan bij een grote groep kinderen. De groteren droegen zorg van de kleintjes.

    De kloefen mochten de klas niet in. Die stonden op een rijtje onder de kapstokken. En… ’s middags bleven wij natuurlijk op school eten. Toen zaten wij op een lange bank onder het afdak en aten er onze boterhammetjes op. Ik weet nog de tijd dat de zustertjes soep maakten van soepvlees met rijst. Vermicelli was er niet. Het vlees werd na het koken tot kleine stukjes geplukt en in de gekookte aardappelen gemengd. Deze puree werd in de oven gebakken. Hm, ’t was wel lekker..

    ’s Zondags mochten we schoenen aantrekken of bij minder goed weer droegen wij opgeblonken, Franse kloefen, met mooie geschilderde bloempjes erop. Die werden in een houtwerkplaats in Schorisse gemaakt bij Olyslagers

    In de meisjesschool deed zuster Cantara de kleuters. Dan was er zuster Gudula en de zuster Dorothea, de juffrouwen Rachel De Deken, Angèle Dejonghe en Marietje Deraedt (die zuster Dorothea opvolgde). De klas van juffrouw Rachel bevond zich toen nog in het jongensgedeelte. De meisjes kwamen dus dagelijks het poortje in en uit.(en wij vroegen ons als kind af waartoe dat poortje diende, sic) Het was ook de tijd dat meester Jan er nog les gaf en Maurits Bastien. Na hen kwamen de gebroeders  Lepez Marchel en Benoit. Bij de uitbreiding van de jongensschool kreeg de jonge Oscar Decubber het lokaal van juffrouw Rachel toegewezen waar hij gedurende zijn ganse loopbaan fungeerde.

    Op politiek gebied was er ondertussen ook ‘t een en ‘t ander gebeurd. Armand Vandeputte was wel een katholiek maar hij werd door die groep niet aanvaard en dus werd hij liberaal. Daardoor ontstond er een bittere strijd tussen de Katholieken en de Liberalen want er zou een nieuwe gemeenteschool komen. En dat project  had letterlijk en figuurlijk veel voeten in de aarde. Wat vooraf ging. Philip Hubeau had beneden zijn hof een stuk land liggen dat hij verkocht dat aan Henri Van Maelzaeke. Naast dat perceel bewerkte Philip nog een stuk land “van den Armen”. Richard Vander Beken had daarnaast een weide liggen die hij op zijn beurt aan Philip verkocht omdat zo een groot perceel werd gevormd. Kort nadien heeft vader Henri ook een perceel op het”Appeldoornveld” op de Spichtenberg gekocht. Vader Henri had een stuk land langs de Weitstraat dat nadien in handen kwam van Richard Vander Beken, in ruil voor het perceel waarop de gemeenteschool  zou komen.

    Dus in ’t kort: Vander Beken had ’t land van Henri en Henri had ’t land van Philip en Philip had den meers beneden zijn hof en de gemeente bouwde de school op het stuk land dat Richard aan de gemeente verkocht en… de cirkel was rond.                                              

    En toen werd het lente van het jaar 1931. Op 30 april namen we na schooltijd ons persoonlijk gerief mee naar huis want morgen,1 mei, zouden wij ons laten inschrijven in de nieuw gebouwde gemeenteschool op ‘t Holand.. Niet alleen de nonnetjes waren boos. Ook Marietje Deraedt was niet te spreken. Was zij niet een beetje misnoegd omdat zij naast de benoeming had gegrepen in de gemeenteschool? Marietje was de dochter van Edmond Deraedt, die zijn boerderij had op de hoek van de Weitstraat en de Spichtenberg.

    Een beetje discriminatie kon toen geen kwaad. Bovendien was het de periode dat pastoor Dutordoir tevens voor burgemeester speelde.

    Maar eerst nog een anekdote. Zoals gewoonlijk gingen wij ter gelegenheid van de eerste vrijdag van de maand de donderdag voordien met de school te voet naar de kerk te Nukerke om er te biechten. ’s Anderendaags, de vrijdagmorgen, zaten veel kinderen om 7 uur in de vroegmis en gingen te communie. Na de mis liet zuster Gudula op haar teken de leerlingen van de dorpsschool eerst vertrekken. Die van de gemeenteschool konden wachten tot de laatste. Wij waren nog maar kinderen maar voelden wel die grote vernedering en onrechtvaardigheid aan. Enkele dagen voordien waren wij nog haar bevoorrechte leerlingen en was zij nog “onze” zuster. “Hoe kon zij ons zulke dingen aandoen !”. Zo te zien lag dat voorval na al die jaren nog steeds op de lever van M-O.

     

    Een nieuwe gemeenteschool werd gebouwd

    Het kleine complex op ’t Holand bestond uit 2 klassen met tussenin een keukentje en een afdak. Verder was er een kolenhok en vertrekjes (toiletten) en de “pissienen” op de beide speelplaatsen van mekaar gescheiden door een muur van betonplaten. Elke speelplaats had zijn toegang langs drie treden en een zwaar ijzeren hekken bevestigd aan gemetselde zuilen. De schooltuin lag aan de straatkant tussen de twee toegangen, een voor de jongens en een voor de kleuters en de meisjes.

    In de lente van 1931 was het gebouw klaar. Dus kon er gestart worden op 1 mei van dat jaar. De Merlier Fedor en Gremonprez Cécile werden respectievelijk aangesteld als onderwijzer/schoolhoofd en als kleuteronderwijzeres. Gremonprez werd bovendien belast met het vak vrouwelijke handwerken aan de meisjes van de lagere school. De inschrijvingen op die eerste meidag kwamen vlot binnen want er werden die dag 20 kleuters en 39 leerplichtige kinderen ingeschreven. Maar die eerste schooldag dat was me wat. Er was niets van meubilair. De buren en andere en sympathisanten leenden tijdelijk een zitbank of een tafel.

    Maar niet getreurd! Tegen het einde van het schooljaar waren er dat achtereenvolgens 29 kleuters en 42 lagere schoolkinderen. En het aantal leerlingen bleef stijgen zodat op 29 november 1932 mevrouw De Ronne-Herregat Julia benoemd werd tot kleuteronderwijzeres, terwijl Gremonprez Cécile werd benoemd tot lagere onderwijzeres. Door het oprichten van een tweede lagere klas was er een klaslokaal te weinig. Prompt werd de kleuterklas met een houten schutsel in twee verdeeld. Gedurende de periode april-juni 1937 werd aan de zuidkant van het bestaande gebouw een klas gebouwd bestemd voor de kleuters. Het schoolhuis, bestemd voor het schoolhoofd, was beschikbaar op 1 juni 1938.

    Veel comfort in de school was er niet. Het gebouw was nieuw en zag er netjes uit. Op de eerste schooldag waren er nog geen schoolbanken. Men moest zich behelpen met stoelen en banken, tafels, planken en schragen van de buren en praktisch geen leerboeken. Een “keukentje” zonder accommodatie, wel een blauwe pompsteen en een handpomp dat het water naar boven pompte uit een ondiepe “steenput” (6m diep). Later zou er een kookfornuis komen, je weet wel zo met 4 deurtjes vooraan. In die tijd nam men het niet te nauw met de veiligheid van de kinderen. Immers de 2 speelplaatsen helden af en waren gescheiden door een wand van betonnen palen en betonnen platen. Het water van de speelplaats liep van de riool naar een regenput. Met een handpompje werd dat water gretig boven gehaald om de klassen te reinigen. Verder was er achter het gebouw een boomgaard en langs de straatkant lag er voldoende grond om een schooltuin aan te leggen. Ja, terwijl de meisjes handwerk kregen van de juf, gaf de meester aan de jongens tuinbouwlessen. De meeste jongens zouden het op school leren en nergens anders want, na hun 8ste studiejaar (14 jaar waren ze dan) wachtte het werk in fabriek, atelier of bij vader thuis op de boerderij.

     

    Ik ging naar die nieuwe school

    Wij (ik was 8 jaar) en veel andere kinderen werden daar ingeschreven. Dit was natuurlijk niet naar de zin van de mensen van ‘t dorp. De oude gemeenteschool was een doorn in het oog van de geestelijken, maar déze nieuwe school was verwerpelijk. Daarom werden wij uitgemaakt voor goddeloze liberalen en ze verweten ons voor bosbewoners  (gans de streek vanaf het Holand tot Louise-Marie leunde immers aan tegen de heuvelrug van ‘t Nukerks bos. De samenleving werd verdeeld en het was een tijd voor plagerijen en kwaadsprekerij.

    Maar de tijd heelt de wonden , én er zou rust komen. Maar eerst nog enkele anekdotes.

    Meester Jan was eens op bezoek gekomen bij Henri Van Maelsaeke, getrouwd met Maria De Wolf, om een zaak te bespreken. Henri moet in die periode lid geweest zijn van “den Armen” en den Openbare Onderstand. “Ah, wat is dat ver om tot hier te komen!” “Ah, ge weet het ! En wat moeten de schoolkinderen van hier dan zeggen. Zij moesten dagelijks die weg doen om naar uw school te komen in ‘t klooster. Gelukkig is er nu een school dichtbij!””Wel, die gemeenteschool heb ik altijd bestreden en ik ben pas afgetreden en ‘k moet al weer vechten tegen de komst van die nieuwe school.”

    Pastoor Dutordoir had in het heetst van de schoolstrijd zelfs luid verkondigd dat hij nooit of ter nooit een voet zou zetten in de gemeenteschool en dat hij er zeker geen catechismusles zou onderrichten. Het gemeentebestuur nam dat niet. Arrmand Vandeputte en Henri Van Maelsaeke schreven een klachtbrief naar het bisdom. Enige tijd later moest de pastoor de parochie verlaten om directeur te worden in een klooster.

    Er kwam verzoening. Daar zorgde pastoor Reyns voor. De maandag na zijn inhuldiging trok de pastoor naar ’t Holand. Beeld je in  halfweg die voormiddag stapte daar de pastoor en zijn zus ’t Holand op met twee maanden vers gebakken boterkoeken richting gemeenteschool. Daar werden alle leerlingen getrakteerd op boterkoeken en chocolademelk. Op die wijze wou hij de relatie weer goed maken. Er kwam eindelijk rust in de parochie. De onderlinge goede verstandhouding tussen de twee schoolnetten was echter oppervlakkig en broos. Maar de opeenvolgende pastoors zorgden voor rust en vrede. Al was er wel enige naijver, de beide scholen gingen, onder leiding van de pastoor, op schoolreis. Weliswaar met aparte bussen, en … meestal ging de reis naar bedevaartsoorden. Tijdens de jaren 80 zal de schoolvrede terug worden verbroken.  

     Het veldkapelletje op de hoek Van de Keistraat en Weitstraat

    Het kapelletje werd gebouwd op vraag van Virginie Laurier, echtgenote van Francis Van Maelsaeke (overgrootmoeder van Marie-Odette). Volgens haar zou het daar gespookt hebben. Het land behoorde toen aan de familie Planchon , brouwer te Ronse). Francis en Virginie hadden samen 9 kinderen; 4 zoons en 5 dochters.

    Dit volledig bakstenen kapelletje tref je aan op de hoek van de Weitstraat en de Keistraat. Het is een typisch klein veldkapelletje, gedeeltelijk gebouwd in de hoge berm, met een hoogte van 1,99m, een breedte van 1,18m en een diepte van 98cm.Een eiken deurtje met vertikale balkjes sloot de nis af. Het werd gebouwd op het land van een zekere Goedgebuer uit Gent. Charles Vander Eecken, een landbouwer die zijn bedrijf runde op de hoek van de Keistraat en de Holandstraat pachtte het van de eigenaar Goedgebuer. Volgens hem heeft de eigenaar de kapel zelf laten bouwen. De juiste datum is echter onbekend. Wel zou het vóór 1900 zijn gebouwd.

    Een andere versie luidt als volgt;

    Het kapelletje werd gebouwd op vraag van Virginie Laurier, echtgenote van Francis Van Maelsaeke (overgrootmoeder van Marie-Odette). Volgens haar zou het daar gespookt hebben. Het land behoorde toen aan de familie Planchon , brouwer te Ronse). Francis en Virginie hadden samen 9 kinderen; 4 zoons en 5 dochters.

    De veldkapel werd juist daar gebouwd, op deze hoek, niet enkel omdat ze eigenaar van het perceel grond waren maar tevens omdat de familie diep gelovig was. Het werd niet samen met een ander gebouw gezet (b.v. een woning) .Het werd toegewijd aan O.L.Vrouw, want er heeft steeds een oud beeldje van O.L.Vrouw in gestaan. Lange tijd heeft de familie Van Maelzaeke de kapel onderhouden. Er werden regelmatig bloemen bijgezet en af en toe brandde er binnen een kaars. Vooral tijdens de meimand gingen de buren regelmatig de bloemen verversen en werden er nieuwe kaarsen op de kandelaars geplaatst. Het kapelletje heeft geen naam. Volgens Charles Vander Eecken is dat te wijten aan het feit dat hier nooit een bedevaart naar de kapel plaats had. “Als het nodig was dan ging nonkel Ernest destijds het kapelletje witkalken.” Maar, na vele generaties begon de kapel te verkommeren. Meer nog, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kapel getroffen tijdens een luchtaanval en bijna volledig verwoest. Nadien werd het min of meer hersteld. Maar na het verbreden en betonneren van de Weitstraat in de jaren 80 werd er niet veel meer naar omgekeken, op het plaatsen van enkele veldbloemen en een kaarsje na. Hoewel, het bakstenen kapelletje werd al eerder gerestaureerd door Ernest Everaert. De ouders van Bertha Van Maelzaeke hebben toen het werk en de materialen bekostigd.

     

    Aan de “Steenen molen en Nieuw Nest”

     Op de Vandermaelenkaart uit 1851 staan deze beide gebouwen reeds aangeduid.

    De herberg “Het Nieuwennest” situeerde zich in de woning van de boerderij waar we Omer Delanghe hebben weten wonen, op de hoek van de Weitstraat en de Hoevekouter. In 1920 kochten Francis Van Maelsaeke en zijn vrouw Marie Depaepe de boerderij en de woning met herberg. Ze huurden de woning van Leo Devos. Het staminné werd open gehouden door zijn zoon Ivo Van Maelsaeke (zoon van Francis) gehuwd met Marie Depaepe. Marie stierf in het kraambed bij de geboorte van haar 8ste kind. In hun jonge jaren was er soms veel  ambiance! Daar zorgde Ivo voor die accordeon speelde. De herberg sloot haar deuren nog voor W.O.-I. Na de oorlog werd Ivo Van Maelsaeke er de nieuwe eigenaar van. Ondertussen erfde Zoë Devos, dochter van Leo,  ’t Nieuwennest.

    De laatste molenaar was Raphaël Maes  die woonde in het molenaarshuis aan de overkant van de Weitstraat. Dat molenaarshuis is in de jaren 30 afgebroken wegens onbewoonbaarheid daar de vloer, die rustte op gewelven, het begeven had. De toegang tot het huis ging via een trap. De molen die in de vallei ligt draaide soms ellendig traag en de molenaar moest meermaals wachten op meer wind om het graan te malen. In die tijd draaide, iets verderop, de watermolen (graanmolen) van Octaaf Van Malleghem nog, gelegen langs de Maarkebeek in Etikhove. Er was toen keuze te over om het graan te  laten malen.

    De watermolen Te Meulebroecke was eigendom van Leo Devos, later Odiel Devos en nadien Robert Antrop. In de jaren ’70 werd het gebouw, dat al dienst deed als schuur, afgebroken.

     

    St.Eloi, cabinet

    … zo lezen we op een stafkaart opgemaakt in 1862. Cabinet betekent zoveel als kroeg of herberg.

    Het was vroeger al eens de gewoonte dat de boerenknechts, nadat ze hun loon hadden ontvangen, de maandag niet aan ’t werk gingen op de hoeve. Ze gingen op café. Langs de Weytstraat was er ‘t staminee  St-Elooi. In een schuurtje was er een smidse van de hoefsmid Lo Lemarcq. Een van de bezoekers moet het eens aan de stok gehad hebben met Leon, een beer van een vent. Die zelfde boerenknecht trok naar ’t Nieuwennest en hakkelde nogal opgewonden:” Marie jonk, geef mij eens een sterk bier samen met een groot brood en een stuk van die hesp daar.!” “Ja en wa scheelter “? “’k Ga eens goe eten want ‘k moet er goed opstaan. ‘k Ga gaan vechten tegen dienen beer uit St-Elooi.” Men vond dat zo’n goeie mop dat men nadien dit café “In den beer” is gaan noemen.

    Bij de bevrijding in 1944 ging ik als jong meisje daar gaan dansen samen met Julia en Juliette Botteldoorn….. In het keukentje stond er een platendraaier en wij dansten op die muziek. En plezier dat we hadden. Nadien vertrokken wij al door de kouter tot aan “pistolen” (of cuypers of Decuyper G). Weet je dat ze hun platen toen de platen, per fiets, in Kortrijk gingen halen!

     

     Over een wonderbare verschijning te Etikhove

    Het was op een mooie dag in 1933 dat in de Nederholbeekstraat rechtover het cafeetje “In ’t Schoentje” (dat zou nu zo recht tegenover het voetbalveld zijn) dat O. L. V. van Lourdes verscheen aan Omer Gossey in een tronk.Omer, een huisschilder, zat die periode wel ferm in de schulden want hij had pas bij zijn woning een groot magazijn gebouwd. Het nieuws van de verschijning verscheen in “’t Nieuws van de dag” in 1933. Dat bracht toen veel volk op de been. Zelfs met bussen en volle treinen werden de mensen van heinde en ver aangevoerd. Die kwamen natuurlijk bidden, gaven giften en kochten al eens een klein houten kapelletje voor thuis. Ondertussen werd er een handeltje opgezet en… Omer verdiende er aan. De pastoor had al gauw het spelletje door en geloofde niet in de verschijning. Toch hield Omer vol. Hij bad voor en durfde al eens in een tranche te vallen. De plek trok niet alleen goedgelovigen maar ook nieuwsgierigen. Het ging zo ver dat er zelfs een liedje werd gezongen; zo van “Ave, ave, ave Maria. Ave, ave, Omer lîegt ermee!”.

     

    DE OORLOGSJAREN 

    Het tunnelverhaal

    In dit verhaal speelt Gaston De Vos een hoofdrol. Zijn kleinzoon, Filip, was zo vriendelijk ons de volgende gegevens te laten weten.

    “Germanus Gaston Valère De Vos is geboren te Nukerke op 8 september 1892 zoon van Théophile De Vos en Elodie De Zaeytijd. Gaston huwde met Malvina Van de Kerkhove, geboren te Nukerke op 5 augustus 1892. Ze hadden drie kinderen: Michel, Rachel en Noël. Mijn vader vertelde veel dat ze op de Gansbeek in Etikhove woonden. Blijkbaar moeten ze op een bepaald moment verhuisd zijn van Nukerke naar Etikhove. Zoon Noël werd nog in Nukerke geboren in 1936. In die tijd was Gaston militair. Hij werd gepensioneerd als Adjudant 1ste klas. Voor die tijd een belangrijke graad in het Belgische leger. Hij was tevens oud-strijder tijdens de beide wereldoorlogen. Later zijn ze verhuisd naar Bevere-Oudenaarde. Daar heb ik mijn grootouders altijd weten wonen. Ik herinner mij nog wel de familiebezoeken in de streek van Nukerke en omstreken. Gaston overleed te Oudenaarde op 16 juli 1978 en zijn vrouw Malvina overleed er op 28 mei 1979. Ik weet ook nog dat Michel De Vos in Duitsland een tijd krijgsgevangen geweest is in een Stalag. Thuis werden nadien nog brieven gevonden die Michel schreef tijdens zijn gevangenis. Michel was ook beroepsmilitair. Hij is reeds overleden.

    Verder laten we Marie-Odette aan het woord.

    “Gaston De Vos woonde in die jaren op het Holand, nu huisnummer 17, hij was beroepsmilitair en getrouwd met Vina Vandekerckhove. Ze hadden een zoon Michel. Zoals velen waren ook zij in 1944 de oorlog grondig beu. Er waren de opeisingen, het voedseltekort, het gebrek aan steenkolen... Vader en zoon bereidden een snood plannetje voor.

    In 1942 werd de omgeving van de tunnel door de Duitsers afgezet. Later werd gezegd dat Hitler zich in de tunnel had opgehouden. In werkelijkheid zou het Joseph Goebbels geweest zijn. Er waren wel dagen dat niemand de sector rond de tunnel binnen mocht maar wij wisten niet waarom. ’t Is in die periode dat ons huis werd doorzocht en dat ze in de kelder enkele vaten bier vonden.’t Was toen nog gebruikelijk dat de brouwerij T’Sjoen ,van aan Den engel (het mooie woonhuis werd in de jaren ’70 onteigend en afgebroken) bier uitvoerde met paard en bierwagen. De Duitsers vonden niet beter dan al ons bier uit te drinken; ze zeiden dat het toch allemaal van hen was.

    Nu verder over Gaston. Op een mooie morgen in augustus 1944 werd de tunnel gesaboteerd. Ik weet het nog zo goed als ware het gisteren gebeurd. We hoorden vanuit onze slaapkamer zoals gewoonlijk de eerste trein passeren om vijf vóór vier. Het was de “koolmijnderstrein” (Gent-Blaton) die met onze Vlaamse mijnwerkers naar de “fosten” reed. Maar nu over dat snood plan van Gaston De Vos. Zoals gewoonlijk reed de trein ons huis voorbij maar kort nadien hoorden we het knarsen van de remmen. De trein stopte. We vonden dat al eigenaardig. Enkele uren later vernamen we wat er gebeurd was. Gaston De Vos en zijn zoon Michel hadden hun plannetje uitgevoerd. Tijdens de nacht hadden ze halfweg de tunnel enkele rails losgemaakt. Ja en toen lagen die rails nog op as van steenkolen. De uitgekozen plaats was daar waar de tunnel een lichte bocht maakt. Zij lieten de trein stoppen en verplichtten de machinist de locomotief af te koppelen. Dadelijk werd hij weer onder stoom gezet. De machinist sprong eruit terwijl de machine langzaam op dreef kwam en het donkere gat binnen reed, richting Louise-Marie. Na enkele ogenblikken hoorden ze een schurend geluid gevolgd door zwaar gedonderd. De locomotief was gekanteld en de tunnel was geblokkeerd. En alles werd vanuit het huis daarboven afgespioneerd. Men had daar een goed zich op de tunnel. Daar woonde Henri De Wolf(*) - getrouwd met Marie Van de Kerckhove - schoonbroer van Gaston De Vos en vanuit zijn “kiekenskot” konden de mannen de spoorweg en de tunnelingang goed in de gaten houden.

    (*) Bij Henri De Wolf maakten ze stenen en dan moest er geschept worden. Daarom noemde men hem Schepersen Henri. Vroeger kreeg zo wat iedereen een lapnaam.

    Maar wat was de bedoeling van die gevaarlijke onderneming. Wel het zat vele burgers hoog dat de goede, vette steenkolen uit de Borinage en andere rijkdom van ons land voor hun neus voorbijreden richting Duitsland. Wij moesten ons tevreden stellen met kolen van heel slechte kwaliteit. Bovendien waren de geallieerden op 6 juni geland in Bretagne en ze maakten snel vooruitgang. Deze sabotage kon alleen maar de aftocht van de bezetter vertragen.

    Wij en alle buren profiteerden van de gelegenheid om de steenkolen uit de tender te halen. Volle kruiwagens werden naar huis gevoerd. De volgende winter zal het feest zijn rond de warme kachel. De tunnel werd pas vrijgemaakt door de Engelsen na de bevrijding.

    Al bij al een gevaarlijke onderneming die sabotage want gewoonlijk waren de Duitsers na een aanslag uit op weerwraak. Dorpen en buurten waar de bezetter een duidelijke weerstand ondervond werden steeds zwaar aangepakt. In een handomdraai werden dorpelingen verzameld en een vuurpeloton deed de rest. Gelukkig voor onze dorpbewoners hadden de Duitsers  in augustus dringender zorgen. Zo niet…!

    Bij het terugtrekken van de Duitse troepen werden de spoorwegbruggen in Terpoort en op de Steenbeekdries opgeblazen ten einde de geallieerde opmars te vertragen. Kort na de bevrijding werden verschillende mannen opgepakt en tijdelijk ondergebracht in de kelders van het oude stadhuis van Ronse. Waren het echte of vermeende collaborateurs en waren de aanklagers wel zuiver op de graat?” 

    In die tijd trof ons in Nukerke een ongeval. Georges Kestelijn, oom van Michel, overkwam op 18 maart 1945 een dodelijk ongeval. Bij het kappen van steenkool in de fossen werd hij bedolven en is zo verongelukt. Hij had nog maar een jaar meer te gaan voor zijn pensioen.”

    De spoorweg en de burgerwacht

    “Reeds vanaf 1942 werden mannelijke burgers opgeroepen om de wacht aan de tunnel op te trekken vanaf 6 uur ‘s morgens tot zonsondergang. Twee aan twee liepen de ploegen de spoorweg op en af richting station van Etikhove tot aan de tunnel. De tunnel werd bewaakt door een andere ploeg. En zo ging het dagenlang tot aan het moment van de sabotage van de tunnel. De mannen van de burgerwacht langs de spoorweg wisten dat er bij ons drank te krijgen was. Sommigen vergaten hun wacht en kwamen bij ons thuis ’n halven drinken. ‘k Herinner mij nog Michel Langie, Georges Vandenabeele en Torke Van Moorleghem, die tijdens W.O.-I een hand was kwijt geraakt.

    De boerenwacht

    Ook landbouwers organiseerden een wacht, de boerenwacht, met de bedoeling de bebouwde velden te bewaken en zo te verhinderen dat er massaal veldvruchten, zoals aardappelen, werden gestolen. Stadsmensen kwamen ’s nachts wel eens hun voorraad opdoen.”

    Comité

    Het comité dat was aangesteld om de rantsoeneringsbonnen te verdelen was gevestigd in het gemeentehuis te Nukerke. Daar moesten wij onze zegels voor brood, suiker en vlees uitwisselen. Rijst en koffie was er niet te krijgen. Arthur Verdonckt en Jean Decubber waren leden van het comité.

     

    Rantsoenzegels

    Het systeem van de rantsoenzegels moest er voor zorgen dat elke bewoner kon overleven tijdens de duur van den oorlog.Hoe dat werkte ? Om te beginnen moest de winkelierster een klantenlijst bijhouden waarmee zij naar het gemeentehuis trok. Die lijst bevatte alle leden van het gezin. Aan de hand van die gegevens konden de comitéleden het aantal zegels berekenen waarop dat gezin recht had gedurende een maand. De winkelier ontving voldoende vellen met zegels. Ter waarde van de voorgeschreven zegels ontving de klant de kruidenierswaren. Meestal hadden de zegels betrekking op slechts 100 of 200 gram. De kruidenierster kleefde de zegels op een fiche en stempelde ze af om ze te ontwaarden. De volle fiches werden aan het comité bezorgd die voor de tegenwaarde een bon overhandigde aan de winkelier. Met die bons trokken wij naar Ronse bij de “grossist” Octaaf Deriemacker die langs de Zonnestraat woonde. Ter waarde van al die bons leverde Octaaf dan de waren. En zo  konden wij opnieuw herbeginnen.

    ’t Meel dat we kregen van “‘t commiteit “ was echt slecht. Na het bakken van het brood was enkel de korst eetbaar. Het binnenste was een echte onetelijke pap. Dat kwam doordat wij meel kregen van doorgeschoten graan. ’t Beste graan ging naar ’t Duitse leger.

    Graan, boter, vlees en meel waren zeer duur. Er werd toen dus veel “geblauwd”. En,… voor geblauwde goederen golden woekerprijzen. Hoe dat ging? De boeren waren verplicht hun melk aan de melkerij te leveren. Natuurlijk was de verleiding groot en werd er af en toe een hoeveelheid achter gehouden. Die melk werd gekarnd en de boter werd in ’t zwart verkocht. Zeg maar geblauwd. Tot uit de Borinage kwamen mensen per trein naar Nukerke om boter te kopen. Ze mochten zich zeker niet laten pakken.

    Boeren vonden toen allerlei truckjes uit om een koetje of een varkentje in ’t geheim te kweken.

    De kolen die werden verdeeld deugden ook niet. ’t Was fijn kolenstof dat we met water moesten vermengen. Ja we moesten ons met van alles een beetje verhelpen.  

    Dan maar onderduiken

    Georges en Adriën Van Maelsaeke werden gemobiliseerd in 1940. Na de capitulatie mocht Georges vlug naar huis. Zijn eenheid was niet eens bewapend. Adriën werd gevangen genomen en werd in kolom afgevoerd. Op een dag passeerde de kolom  gevangenen de Zonnestraat in Ronse. Maurice Van Wetteren die daar juist stond riep hem een huis binnen. En zo is hij niet naar Duitsland gevoerd.

    Op zekere dag kregen mijn broers Georges (22/08/1914) en Adriën (13/12/1917) in 1943 bericht om zich aan te bieden voor de keuring. Dat deden ze dus niet en doken onder. Georges zat bij nonkel Leon op Hogerlucht en Adriën zat in ten Abele. Op een dag zouden ze eindelijk nog eens thuis slapen. Die dag moeten ze zijn aangedragen want ‘s avonds omsingelde een Duitse patrouille de boerderij in Ten Abele. Ook de champetter Charles Verdonckt was er bij. Maar die was ook opgeëist. Adriën werd al vlug opgepakt. Hij dacht te vluchten door het klein raampjevan de slaapkamer van zijn zuster Rachel, maar viel in de handen van de Duitsers. Hij vluchtte nog snel binnen en kroop onder het bed. Daar werd hij opgepakt. Onmiddellijk werd hij meegenomen naar de “Kommandantur” te Oudenaarde, waar ook Richard Deruyver vast zat. De dag nadien brachten wij hem verse kleren en wat eten. Adriën werd naar Baden-Baden gevoerd om daar te werken in een fabriek was de Duitsers sproeistoffen produceerden. De broers Firmin, den oudsten,en José, den jongste moesten de Duitsers niet hebben.

    Maar Georges hebben ze niet gevonden. Die zat in het klein slaapkamertje tussen de muur en het bed waarin  Henri met opgetrokken benen en het gezicht naar de muur lag te kreunen van de pijn. Zijn familieleden vertelden de Duitsers dat hij “sehr krank” was. Zij vlug naar buiten uit schrik voor de ziekte van die oude man.

    Op een mooie dag van mei 1945 stond Adriën als een vrij man op ons erf. Hij was vertrokken zonder één frank geld op zak. Gelukkig gaf Vincent Ysebaert hem 20fr om wat eten te kopen onderweg.

    De bevrijding

    Enkele dagen vóór de komst van de Engelsen heeft de achterhoede van het Duitse leger de raketbasis op het domein Behaegel in Kwaremont in de lucht laten vliegen. In de bossen werd een basis aangelegd om raketten (waren dat vliegende bommen ?) af te vuren richting Engeland. Maar zo ver is het niet gekomen. Op het moment van de ontploffing beefde gans de streek van de Vlaamse Ardennen. Dat was een onbeschrijflijke knal. Geheel het oud kasteel lag in puin en al die mooie “boekers”(beuken)  waren aan flarden gescheurd. ’t Was ’t moment voor de mensen uit de streek om het hout te gaan rapen dat moest dienen als brandstof.

    De bevrijding van onze streek kwam inzicht (Brussel was reeds op 2 september 1944 bevrijd). Op een mooie zondag op 3 september 1944 rolden lange kolommen Engelse pantser- en wielvoertuigen over de Steenweg van Ronse naar Oudenaarde. Mensen uit Zulzeke en Etikhove kwamen samen met gans Nukerke de bevrijders verwelkomen. Aan “Den engel” stond er een massa volk. Een gelukkig volk zingend en juichend om de bevrijding. Het knarsen van de ratelende rupsen op de kasseien overstemde het gejuich. Zonder stoppen en in snelle vaart bolden ze de Steenweg naar beneden. Onze streek werd bevrijd door het” V Royal Tank Regiment, 7 th Division, 2nd Britisch Army.”

    In die dagen hielden de Duitse dekkingstroepen nog hevig weerstand aan de oevers van de Leie en de Schelde. Om hun aftocht te vertragen of te verhinderen nam een Engels artilleriebataljon stelling in het diepe dal aan de Letterstraat tot achter ’t Zonneke. Zwaar geschut nam de scheldebrug te Kerkhove onder vuur. Bij elk schot trilden de flinterdunne ruiten van de vensters. We hadden schrik dat die ruiten aan diggelen zouden vliegen. Wij, toen nog kinderen, stopten onze oren af met de handjes en keken angstig om ons heen. Tijdens de beschieting verbleven wij soms in de gewelfde kelder onder de woning van Marcel Lepez. Daar waren wij toch meer beschut tegen eventuele obussen van de Duitsers. Na enkele dagen kwam er een einde aan het schieten. De Britten braken hun bivak op en vertrokken richting Oudenaarde. Waren dit dan de laatste schermutselingen die we in Nukerke zagen?

    De bevrijding met zijn perikelen.

    Pas bevrijd van oorlogsgeweld ! Sommige burgers vonden de tijd rijp om af te rekenen met buren en kennissen.

    Oude buurtconflicten werden boven gehaald. Het was vaak voldoende een Vlaams katholiek te zijn, een dagblad te lezen, ‘t Volk van Ronse te kopen of een halve intellectueel te zijn om in de gendarmerie van Ronse aangegeven te worden op basis van collaboratie…Ik heb mensen weten oppakken door de gendarmes. Die brachten de mannen naar de kelders onder het stadhuis van Ronse. In Nukerke werden op enkele woningen (Staatsbaan, Holandstraat, Ruitegem) swastika’s aangebracht door enkele misnoegden.

    Maurice Eyckerman was tijdens den oorlog verantwoordelijk gesteld voor het bijhouden van de dierenpopulatie. Elk kalfje of biggetje dat geboren werd moest bij hem op de lijst worden geregistreerd.

    Weet je dat wij naar het gemeentehuis moesten gaan aangeven als we een biggetje hadden gekocht en bij ’t slachten moesten we weer daar heen om te verklaren 

    In de buurt van ’t Zonneke daagde een groepje geweldenaars op en lieten iets verderop in de buurt een strooien pop verbranden. Aan “Den Appel” werd de woning van Jan Vanacker (een leraar in het K.A. te Oudenaarde) geplunderd. De rest lag buiten voor het grijpen. Het gezin, dat onraad rook, was de dag voordien al door de velden gevlucht naar Oudenaarde.

    Wie tijdens de oorlog zijn verantwoordelijkheid had opgenomen werd na de oorlog soms lelijk aangepakt. Zo gaf burgemeester Richard Deschaumes tijdens W.O.-II zijn ontslag; hij wilde niet functioneren tijdens de Duitse bezetting. Hij werd vervangen door Arthur Verdonckt, een schoenmaker uit de Meersstraat, die als oorlogsburgemeester nadien een stuk van het gelag kon betalen. Ze noemden hem een “Eratz-burgemeester”.

    Dokter N. Glibert werd door de bezetter aangewezen om de keuring te doen bij de opgeëiste mannen. Velen werden goedgekeurd, anderen werden afgekeurd. Maar,... niet elke man kon worden afgekeurd, ook al probeerden sommigen de dokter om te kopen met brood, hesp of boter. De gezonde mannen werden naar Duitsland getransporteerd om daar te werken in de industrie. Ze vervingen de Duitse “Mannschaft” die aan het front streden. 

    Over het oorlogsmonument.

    Het was pastoor Dutordoir die in zijn tijd besliste om het gedenkteken van de gesneuvelden in de Eerst Wereldoorlog in de kerkmuur naast de ingang in te laten metselen. Ge weet het of niet, maar de pastoor was toen een beetje de baas in de gemeente. 

    Georges Van Maelsaeke

    Emile, Joseph,Georges Van Maelsaeke, maar iedereen noemde hem Georges was geboren op 21 maart 1890 als zoon van Ivo. In zijn jonge jaren deed hij gedurende 2 jaar zijn militaire dienst als gewone piot. Hij werd wel de ordonnans van de majoor. Toen de Grote Oorlog dreigde werd hij op augustus 1914 opgeroepen en gemobiliseerd bij “Les Premiers chasseurs à Pied”. Ja, ’t was toen al in ’t Frans. Georges kon wel een beetje Frans want hij is tot 15 jaar naar ’t college geweest. Bij de inval van de Duitsers was hij bij de eerste krijgsgevangenen op de citadel van Luik. Hij was van de jongste en die werden in de eerste linie opgeteld. Gedurende 4 lange jaren was hij krijgsgevangen in Duitsland waar hij in een “Lager” (Duits voor legerplaats of kamp) verbleef. Die gevangenen moesten werken voor hun kost. Zo moest Georges in een suikerfabriek werken. Daar konden ze al eens en brokje suiker in hun mond steken zonder dat een bewaker het zag. ’t Eten werd daar niet verzorgd. Aardappelen werden gewassen en gekookt en ’t gebeurde dat daar al eens een rotte tussen zat. Als je die in je gamel kreeg, ja dan had je tegenslag. Ja, ’t leven was daar erbarmelijk. Bij ons thuis hebben ze toen lang gedacht dat Georges dood was want we kregen van hem niet het minste nieuws. Tot op een dag Joseph Van Nieuwenhuyze uit Etikhove naar Gent ging. Dat moet in 1916 zijn geweest. Daar aan het station was een plaats waar een massa brieven en kaarten lagen van soldaten die naar huis hadden geschreven. Maar die kaarten, die kwamen niet ter bestemming. De treinen reden niet want alle bruggen over de spoorlijnen waren gesprongen. ’t Moest toch wel lukken zeker dat Joseph tussen die brieven er ene vond van onzen Georges. Hij bracht die mee en zo waren mijn ouders gerustgesteld. Het werd 1918 en sommige krijgsgevangen werden gelost. Georges is al over ’t water gekomen. Van Hamburg naar Gent en vandaar te voet naar huis. En dan … het werd 17 januari 1919, den dag vóór Toontje. ’s Nach

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen

    VERZAMELDE OPSTELLEN


    Het oorlogsverhaal  van Adriën Van Maelzaeke

     

    Ik stel mij even voor.

     

    Soldaat milicien  van de klas 1937 gekazerneerd bij het regiment van het 4de Linie, 15 de Cie – 4de bataljon mortier 7.6

    Stamnummer: 104.86.153

    Legerdienst vervuld als soldaat van 28 mei 1937 tot 30 mei 1938

    Eerste mobilisatie in augustus 1938 voor 4 dagen

    Tweede mobilisatie in september1939

     

    Mobilisatie

     

    Ik werd binnen geroepen in Brugge en vervolgens naar Oostende gebracht. Daar hadden wij onze stelling dicht bij het Fort Napoleon. Na een drietal weken zijn wij naar Schilde getrokken waar we drie maanden een stelling bezetten aan het Albertkanaal dat deel uitmaakte van de verdediging van de stad Antwerpen.

    In de maand januari 1940 mochten we op rust aan zee in Wenduine. Voor niet lang echter want rond half januari was er weerom alerte en moesten we per trein, in goederenwagens, naar Leuven in de Ridderstraat, waar we gebleven zijn tot einde februari 1940. In begin van de maand maart vertrokken we te voet naar Diepenbeek bij Hasselt.. Daar moesten we nieuwe stellingen maken dicht bij de spoorlijn Hasselt-Luik. We zijn daar gebleven tot de 10de mei  1940 bij het uitbreken van de oorlog.

     

    ’t Is oorlog.

    In de morgen van 10 mei 1940 werden we rond 3 uur in de morgen gewekt met het bericht “’t is oorlog!”. We wilden het eerst niet te geloven tot de luitenant ons een tweede maal kwam oproepen. Als we buiten kwamen begon het reeds te klare. De lucht was grijs van het ontploffen der granaten van ons afweergeschut en wij naar onze stellingen. Daar lagen we juist inde driehoek Holland-België-Duitsland. We moesten nog dringend onze stellingen afmaken. We deden nu meer op een dag dan wat we deden op 3 maand.

    In de voormiddag zagen we reeds twee Duitse vliegtuigen neerschieten die als Belgische waren geschilderd. In de namiddag zagen we de eerste vluchtelingen op de weg komende van Genk en het Albertkanaal. Tegen de avond waren er reeds honderden voorbij getrokken, te voet soms met volgeladen kinderwagens, per fiets …

    Op 500 meter van onze stellingen stond een spoorwegkanon te schieten naar Maastricht, elke 20 minuten werd er een schot gelost. Gans de nacht door werd er  gevuurd. ’s Anderendaags, rond, 9 uur ’s morgens, verschenen negen Duitse vliegtuigen om het kanon te bombarderen. Er vielen zo’n 21 bommen, maar het kanon was reeds vroeg vertrokken, er stond enkel nog een nagemaakt kanon.

    Op 12 mei zagen we de eerste Franse verkenningswagens naar het Albertkanaal rijden. Maar… ze trokken zich snel terug en het zag er dus niet goed uit voor ons. Algauw begonnen soldaten van het 11de Linie zich terug te trekken, ze hadden reeds de vuurdoop ondergaan. Vliegtuigen mitrailleerden hun loopgrachten  en er vele veel doden en gekwetsten.

    ’s Avonds kregen we ook bevel om achteruit te trekken. Gans de nacht trokken we dwars door de bossen om zo beschut te zijn  voor het zicht van de vliegers. Enkele mannen moesten met paard en kar ons materiaal vervoeren over de grote weg en die werden al de 2de dag overvallen door een Duitse patrouille. Zo hebben we onze blauwe zakken en ander materiaal nooit meer terug gezien.

    En zo trokken wij dag en nacht achteruit met af en toe een korte rustpauze. Onze aftocht ging langs Leuven  waar de Engelsen hun stellingen hadden. Vandaar gingen wij naar Puurs tot wij in Bornem belandden. Onderweg hebben we nu en dan een luchtgevecht  tussen Engelse en Duitse vliegtuigen meegemaakt  Af en toe kwam er ook een Frans vliegtuig tussen .In Bornem had onze compagnie de achterwacht; we moesten de aftocht dekken van de manschappen die over de scheldebrug trokken in Temse. Daar waren de laag gelegen gronden reeds onder water gezet. Ik zat als waarnemer met een T.G. en nog een makker op de toren van het paterskloosters. Om 6 uur ’s avonds mochten wij onze post verlaten en ook de brug overtrekken.. Nog geen 5 minuten nadat de laatste soldaat was vertrokken vloog de brug in de lucht en volgde er een felle brand. Die nacht brachten wij de nacht door in een school en ’s anderendaags ’s morgens zijn we met goederenwagens naar Drongen (Don Bosco) bij Gent gebracht. Daar vernamen wij dat kort na ons vertrek uit Temse de statie (station) daar gebombardeerd werd.

    Van Don Bosco werden wij met autobussen naar Wevelgem vervoerd. We moesten daar de stellingen van de Engelsen overnemen want zij trokken zich terug om in te schepen naar Engeland. De Engelsen hadden de Duitsers die voormiddag nog erg gebombardeerd;  in de namiddag, na de inname van onze nieuwe stelling, kregen wij een echt trommelvuur over ons van de Duitsers.. Na twee dagen moesten wij ons terugtrekken langs Menen en Geluwe. In de kom van de gemeente ontploften opnieuw scharpells (granaten)  boven onze hoofden . ’s Avonds mochten wij ergens in een schuur overnachten, maar van slapen was er geen sprake meer. Opnieuw werden we beschoten en de volgende morgen zagen we rond de hoeve kraters van obussen, zo groot dat je er eens huis kon in zetten.

    Op den duur begon de toestand er voor ons benauwd uit te zien.. Er was bijna geen bevoorrading meer en onze keukens waren reeds lang van bij ons weg.. Dus aten wij af en toe een stuk brood.

    Ondertussen hadden we reeds enkele slapeloze nachten doorgebracht. Op een avond hielden we halt, naast ons schoten ze met de artillerie. Wij nestelden ons in een gracht. Daar zijn wij nadien in slaap gevallen ondanks het lawaai dat het geschut maakte. ’s Anderendaags trokken we langs Zonnebeke naar Ieper langs de berg van Mesen waar we fel werden gehinderd door een stroom vluchtelingen. Zo moesten wij eens met onze mortieren een hoeve beschieten waar Duitsers achter zaten., maar … die hoeven zaten overal vol met Belgische vluchtelingen. Waar wij zaten als waarnemer was er een obus gevallen en gelukkig niet ontploft. De obus was op een huifkar gevallen en was zo een tiental centimeter van een muur plat gevallen.

    Daarna moesten wij onze mortieren terug gaan halen en zelf voorttrekken terwijl de kogels rond de oren floten. Vele compagnieën waren gans uiteen geslagen; van een regiment kon men nog hooguit enkel een bataljon vormen.

    We zaten goed in de frontlijn. Overal lagen dode paarden en stonden er vele kruisjes met een helm erop. Zo belandden wij in Staden . Daar sliepen wij in een grote schuur..  Vroeg in de morgen van 28 mei kwam er bericht dat het Belgisch leger  zich had over gegeven. Eerst konden wij het niet geloven. De soldaten waren blij dat het gedaan was, maar de officieren liepen met het hoofd in de grond. Die voormiddag trokken wij naar Klerken, naar een school waar we onze wapens moesten afgeven. We werden krijgsgevangenen en moesten op weg. De dagmarsen begonnen, dus te voet naar Deerlijk. Vele van onze West-Vlaamse makkers waren reeds naar huis getrokken, maar zij moesten hun stempel gaan haleb in Brussel. Maar… in plaats van hun stempel te krijgen zijn zij naar Duitsland getransporteerd. Wij echter trokken te voet verder van Deerlijk naar Anzegem, Kerkhove, Berchem en vandaar naar Ronse. Eerst moesten wij  verzamelen in de fabriek Delacroix, maar daar was geen plaats meer voor ons. Dan maar naar de fabriek van Lagache in de smalle Spinstersstraat . Daar was een vrouwtje het voetpad aan het schuren. De voordeur stond wijd open. Dus ik naar binnen en de deur dicht. Nadien kreeg ik van dat vrouwtje oude kleren van haar man en zo kon ik nadien in burgerkleren naar huis.


    Adriën Van Maelzaeke mei 1986

     




    Oorlogsherinnering van Michel De Venter

     

    Het is ongeveer 45 jaar geleden dat Duitsland brutaal België is binnen gevallen. Daarom nodigden wij een oud-strijder uit naar de klas. Het was Michel Deventer, reeds enkele jaren gepensioneerd landbouwer in de Hoevestraat te Nukerke.

    Hoe het allemaal begon?

    “Toen onze landbestuurders zagen dat Duitsland oorlog stookte met Polen, Frankrijk en Nederland, dacht de Belgische overheid wel dat ons land aan de beurt zou komen. Daarom maakte België zich klaar. Vele Belgische jonge mannen werden reeds in september 1939 gemobiliseerd. Eén van hen was de 26-jarige landbouwer Michel. De eerste jaren van mijn lange mobilisatie was ik gekazerneerd te Bachte-Maria-Leerne. Daar kregen wij een versnelde opleiding. We groeven  loopgrachten, trokken de wacht op en leerden met wapens omgaan. Alle soldaten overnachtten in de schuren van het kasteel van Ooidonk.

    In oktober 1939 vertrok het 22ste Linieregiment, waartoe ik behoorde, naar Broechem aan het Albertkanaal. Daar namen wij de stellingen over van de vermoeide kameraden. Op 11 november 1939 moest ik in een bunker de wacht optrekken. Die dag herinner ik mij nog levendig. De dag waarop men een oproep naar vrede de wereld instuurde bereidden de landen zich voor op een nieuwe verschrikkelijke oorlog.

    Op 1 december om 9 uur ’s morgens vertrok ons regiment naar Casteau.  Dagen aan een stuk regende het pijpenstelen. Het was een ellendige voettocht. Na enkel weken welverdiende rust vertrok gans ons regiment met de trein naar ‘s Gravenwezel. Wat was die Kempen toch wondermooi, spijtig konden wij er niet ten volle van genieten. Er dreigde immers oorlog!  En… oorlog brengt dood en vernietiging.

    Toen… ,op de mooie lentemorgen van 10 mei 1940, brak de oorlog uit. In de vroege morgen om 4 uur viel de Duitse agressor België binnen. Onze sergeant riep:”Alarm! Geen oefenalarm! ’t Is oorlog! Iedereen op zij post.” De lucht wasvol van motorgebrom. Die morgen werd Antwerpen reeds gebombardeerd. Belgische forten werden koelbloedig ingenomen. Het Belgisch leger was werkelijk verrast. Maar wij zouden niet terugdeinzen maar standhouden! Zo luidde het bevel. Maar een grote gemotoriseerde troepenmacht naderde het Albertkanaal. De aanvaller voerde een omsingeling uit. In het begin hield de Belgische vuurlijn stevig stand maar de Duitse overmacht was  zó groot dat wij dreigden  onder de voet te worden gelopen. Dan maar liever terugtrekken dan nu al in Duitse handen te vallen. Achter gelaten bruggen werden vernield want de aanvaller naderde snel. Wij trokken terug langs Temse en Lokeren. Ondertussen gingen de luchtaanvallen verder. Eindelijk moesten wij onze nieuwe stellingen aan de Schipdonkse vaart bezetten. En kijk, enkele dagen later reeds stonden wij oog in oog met de vijand. Het eerst Duitse offensief werd op 26 mei ’40 door het Belgische leger afgeslagen.  Maar de Duitsers hielden aan en zette op 27 mei een bloedige aanval in. Toen vielen er honderden doden en zeer veel gekwetsten. Dank zij een hevig verzet kon een grote troepenmacht van de geallieerden naar Engeland ontkomen. Neen, niet enkel uit vrees want… eens zouden ze versterkt terug komen.

    Op 28 mei ’40 , rond 2 uurt,vernamen we dat onze koning Leopold III had gecapituleerd. Ons leger was tijdelijk uitgeschakeld.

    Duizenden lotgenoten  werden krijgsgevangen genomen. Via Lokeren en Gent werden ze op transport gezet naar Walsoorden in Nederland. Daar werden wij in rijnaken opgesloten. Op iedere boot zat er ongeveer 2000man. Deze boten werden door een sleepboot getrokken. Wij kenden gedurende drie dagen veel ontbering. Eindelijk konden wij voet aan wal zetten. Wij kwamen in Immerich aan. Vandaar vertrokken wij met de trein naar Oostenrijk. Die reis duurde zo maar eventjes 8 ellendige dagen.  In die concentrtatiekampen verbleven  duizenden gevangenen. Ikzelf verbleef in kamp Stalag  17b. Na maanden van hongerlijden mocht ik bij een wijnboer gaan werken. Ik verdiende een  weinig geld waarmee ik dan kleren kocht voor de komende winter.

    15 december ’40 naderde. Het werd een heuglijke dag want we mochten naar huis! Na een lange rit die 6 dagen duurde kwamen we in het Antwerpse station aan met een bomvolle trein. Met een vrachtwagen werd ik naar huis gebracht.

    Besluit: België hield 18 dagen stand terwijl Nederland het maar 10 dagen heeft uitgehouden. Nooit meer oorlog, liever vrede. Wie de oorlog niet heeft meegemaakt weet niet wat dat is. Als er nu nog een oorlog komt dan ligt gans de wereld plat.

    Twee jonge Nukerkenaren sneuvelden , er was één politieke gevangene en 3 burgerlijke slachtoffers.


    Michel De Venter mei 1984



    Oud-strijder  Raphaël Schoorens en zijn oorlogsverhaal

     

    Raphaël werd geboren op 12 april 1912 en was gedurende zijn leven landbouwer op zijn bedrijf in het Zeitje te Nukerke.

     

    "Het is nu bijna 46 jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak."
    Voor een jeugdig publiek vertelde hij zijn verhaal.

    Raphaël was pas getrouwd op 28 juni 1939.

    ”Nooit zal ik die dag vergeten toen ik op 1 september 1939 om 4 uur in de morgen door Richard Deschaumes, de toenmalige burgemeester van Nukerke, uit men bed werd getrommeld. Deze bracht een briefje waarop stond dat ik gemobiliseerd werd. Voor mij begon de fase B. Ik was een jonge landbouwer en die boodschap kwam mij zeer ongelegen want de volle schuur wachtte op de dorsmachine.

    Ik werd gekazerneerd in Massenhoven achter het Albertkanaal tot november 1939. Daar werd ik ingelijfd in de 10de compagnie van het 3de bataljon van het 2de Linieregiment. Overdag moesten wij een stelsel van loopgraven uitgraven om zo een verdedigingslijn uit te uitbouwen.

    Na enkele weken trokken wij te voet langs Rumst en Zemst  over Zinnik naar een kamp in Casteau bij Bergen. Daar bleven wij tot de 10de januari 1940. Ondertussen is mij moeder gestorven.

    België was ongevraagd bij de oorlog betrokken., wij zouden immers neutraal blijven. Hét grote gevaar kwam uit het oosten. In 1934 was daar Adolf Hitler aan de macht gekomen. Volgens Raphaël klonk toen de Duitse leuze “Liever kanonnen dan boter !”.

    In de nacht van 9 op 10 mei viel het Duitse leger brutaal ons land binnen. De vliegvelden werden vooraf aangevallen om alle Belgische vliegtuigen te vernietigen. De Belgische forten, o.a. dat van Eben-Emael; kwamen op een soms listige wijze in Duitse handen. Moeilijk was het niet want Duitse spionnen hadden zich onder onze bevolking gemengd.

    Op 10 mei 1940 zag de lucht zwart van de vliegtuigen. Duitse parachutisten werden vóór en achter onze linies gedropt. Zij moesten de bruggen proberen in handen te krijgen om ze dan eventueel op te blazen of om ze in handen te krijgen zodat wij ze niet konden vernietigen..

    Ondertussen was ik bij de bevoorrading in de vuurlijn bij ’s Gravenwezel. Daar ook was de Duitse overmacht zó groot dat de Belgische regimenten verplicht werden zich achteruit te trekken. Tijdens onze aftocht zagen wij ook Franse soldaten die zich moesten terugtrekken na de capitulatie van Nederland op 15 mei. Dat liet bij ons een ontmoedigende indruk na. Wij trokken dan ook terug via Hemiksem over een noodbrug over de Schelde. Vandaar gingen wij naar Sint-Niklaas en Lokeren en Zomergem. Onderweg daar naar  toe werden wij gehinderd door de duizenden vluchtelingen die soms de weg versperden van de Belgische militaire kolommes. Ze waren op weg met paard en kar, met de fiets of met een volgeladen kruiwagen. Af en toe ontstond er paniek als de vluchtelingenstroom werd beschoten door Duitse vliegtuigen. Daarbij vielen soms veel slachtoffers. Die nacht sliepen wij in een school maar vroeg in de nacht vertrokken wij te voet door een bosrijk gebied. Daar bleven wij dan 2 dagen. In die omgeving bezetten wij onze nieuwe stelling aan de Schipdonkse vaart

    Op zondag 26 maart werd door het Belgisch leger een tegenoffensief ingezet. Bij die zware aanval verloor het 1ste bataljon bijna al zijn officieren. Ja die werden natuurlijk altijd de eerste geviseerd. Ook mij eigen commandant Verbiest sneuvelde tijdens een bombardement. Maandagmorgen sloten wij dan aan bij de 6de compagnie. We trokken door roggevelden en hier en daar deden zich schermutselingen voor met groepjes Duitsers. Daarbij kwam nog dat we onder vuur kwamen te liggen van onze eigen artillerie. Achteraf vernamen wij dat ze dat deden om onze aftocht te dekken. Maar wat een massacre (slachting).  Een regen van granaten viel uit de lucht. De “scharpenels” veroorzaakten zware verwondingen. Alles werd vernield en er vielen veel doden. Op de weiden lagen dode koeien. Nadien werden we onder vuur genomen door Duitse mitrailleurs. Maar we trokken verder samen met groepen vluchtelingen langs Knesselare en Ruddervoorde.

    Toen was het 28 mei en daar vernamen we rond 10 uur in de voormiddag dat Koning Leopold-III akkoord  ging met een capitulatie. Tegen den avond waren wij opgepakt door de Duitsers en werden wij als krijgsgevangenen behandeld. In kolommen stapten wij naar Kortrijk, waar we de Leie overstaken via de half ingestorte brug. Van Izegem stapten wij naar Oudenaarde. Maar op een bepaalde plaats was de Oudenaardse Steenweg afgesloten en werden wij noodgedwongen op een voetbalveld opgesloten. Pas in de namiddag trokken wij verder richting Oudenaarde. Gelukkig was de Scheldebrug in Kerkhove nog niet gedynamiteerd. en kwamen wij zo sneller dichter bij huis.

    Op 31 mei ontsnapte ik in het halfduister uit de kolom. Ik was even uit het zicht van mijn Duitse bewakers en kon mij verschuilen.  Nadien vluchtte ik naar mijn boerderij in Nukerke. Heel veilig bleek ik daar ook niet te zijn want de burgemeester, Richard Deschaumes, raadde mij toen aan toch maar voorzichtig te zijn want er waren de laatste tijd in het dorp veel “Feldgendarmen” gezien.

    Vele van mijn kameraden zijn met beestenwagens naar Oostenrijk vervoerd en in een of ander concentratiekamp terecht gekomen. Vele leden daar dikwijls honger en werden ziek. Gelukkig ben ik daar allemaal aan ontsnapt.”

     

    Raphaël Schoorens   Nukerke april 1985




    Mijn herinneringen aan de oorlog 40-45

     

     

    “Ik ben nu al enkele jaren grootmoeder maar ik herinner mij toch nog enkele bijzondere momenten die toch je leven lang bijblijven ook al was ik maar 5 jaar als de oorlog uitbrak.

    Ik zag bijvoorbeeld op een avond mijn vader met enkele buren op ons kamer komen. Zij gingen aan het venster staan kijken naar de daken van de fabriek. Want van door ons venster kon je op de daken kruipen. (Wij woonden toen nog in Ronse). En ik, ik hield mij slapend, maar ik hoorde dat zij van plan waren langs de daken te ontvluchten voor de Duitsers. En de avond nadien zijn ze dan gevlucht naar Frankrijk om daar te gaan werken. Maar ze moesten verraden geweest zijn , want kort nadien zijn de Duitsers ons huis binnengestormd en overal gezocht , tot op de daken van de fabriek. Gelukkig hebben ze hen niet meer ingehaald. Dan heb ik aan mijn mama gezegd wat ik die avond daarvoor gehoord had. En mijn mama heeft mij dan al wenend geprezen omdat ik daar toch niets van gezegd had. Goed dat zij het niet wist als die soldaten daar waren. We zagen onze papa niet veel. En als hij al eens naar huis kwam met wat eten en een beetje geld, was dat nog in het grootste geheim. Maar toen begrepen wij nog niet welke grote gevaren hij liep om eens bij zijn gezin te zijn. Mama was dus alleen met 5 kinderen, waarvan 2 ouder waren dan ik en ook 2 jonger.

    Hetgeen ik mij ook goed herinner was op een middag dat mama bezig was met vlees te braden toen al meteens de sirene ging en dan moest iedereen naar de schuilkelder van de fabriek. Zij had toen reeds mijn zuster en 2 broers voorop doen lopen maar ik wilde bij mama en broertje blijven. Daarna zijn we dan ook met z’n drieën gegaan; ik voorop en mama volgde met broertje op haar arm en in haar ander hand de pan met vlees. Ja, het was een droeve tijd. In ons huis mochten wij niet boven slapen omdat het te veel tijd kostte als er een bomalarm was. Gans de gebuurte sliep in de schuilkelder. Elk had een matras en dekens en eten mee. Vele nachten hebben wij daar doorgebracht.

    Op een grote weide recht over ons huis hadden de Duitse soldaten tenten opgeslagen. Daar deden ze oefeningen. Er waren daar ook brave mensen bij.die thuis ook kinderen hadden. Last hebben de mensen van hen niet ondervonden en als ze eten over hadden verdeelden ze het onder de buren. Dan hebben we nog meegemaakt als ze zelf moesten vluchten voor de oprukkende Engelsen in 1944. Er is dan nog gevochten geweest. En in de grote weide waren er ‘s anderendaags reeds andere tenten met Engelsen. We waren natuurlijk blij dat het vrede was maar met die Engelsen was het voor ons zo goed niet. Ze hadden grote ketels waar ze hun eten in kookten en als er over was deden ze dat in een grote ketel, soms 2. Dan groeven ze een grote put en daarin deden zij al dat eten in plaats van dat aan de mens uit te delen. Natuurlijk waren ze niet allemaal zo. Er waren er ook goede en vriendelijke mensen bij. Tot in de scholen waren er soldaten. En dan beetje bij beetje zijn ze vertrokken.

    Zo dat was dan mijn verhaal van de oorlog. Het is te hopen dat onze kinderen en kleinkinderen dit nooit moeten meemaken.” Mevrouw Nicaise

     

    De eerste Duitsers te Nukerke

     

     

    “Toen de Duitsers in Nukerke aankwamen was ik niet thuis. Ik was bloem gaan halen naar de molen te Etikhove, voor mijn tante. Daar hoorde ik vertellen dat er Duitsers op den Bossenaar waren opgemerkt. Ik ben vlug naar huis gereden met mijn fiets. Toen ik thuis aankwam waren de eerste Duitsers er al.  Eerst waren er twee met een motorfietss en dan kwam er een hele reeks met de fiets. Nadien arriveerden de paarden met karren, de lichte kanonnen en de tanks. Deze Duitse eenheid maakte deel uit van een frontlijn tot aan de Schelde. De generale staf was gelegerd in de boerderij van René Devenijns, de boerderij recht tegenover de onze. De soldaten sliepen in onze woonkamers en wij met de ganse familie moesten in de kelder slapen. De veldkeuken stond opgesteld in onze boomgaard. Ik heb nog moeten helpen loopgrachten graven voor de Duitsers. Men vertelde dat de trein van Hitler in de tunnel van Louise-Marie heeft gestaan maar later vernamen wij dat het de trein van Goering was. Twee keer zijn mijn vader en ik met onze paarden naar het dorp moeten rijden. De paarden die de Duitsers goed vonden eisten ze dadelijk op. Opdat ze onze paarden niet zouden opeisen trokken we, vooraleer naar het dorp te gaan, eerst naar de hoefsmid. Daar lieten wij een steentje plaatsen tussen het hoefijzer en de hoef zodat het paard bij het lopen hinkte. Bij de terugkeer van het dorp gingen wij weer naar de hoefsmid om het steentje te laten verwijderen. Op het dorp hadden de Duitsers kratten gezet waarin krijgsgevangenen  zaten.

    Aan het einde van de oorlog, toen de Duitsers moesten vluchten, lieten ze veel fietsen achter. Af en toe trokken mijn broers en ik naar de Koppenberg en zochten ons een fiets uit om mee naar school te rijden”.(L. Willems)

     


     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Het monument ter herdenking van de gesneuvelden , weggevoerden en burgerlijke slachtoffers tijdens de wereldoorlogen 1914-1918 en 1940-1945.
    Gesneuvelden 1914-1918
    Gilleman Joseph
    De Morelle Kamiel
    De Sloover Ernest
    Langie Omer
    De Weer Oscar
    Van Hoolandt Frans
    Willems Jeroom
    Audoorn Arthur
    Van Ceunebroeck Emiel
    Deriemacker Achiel
    Van Meerhaeghe Remie
    Bourgeois Alfred
    Burgelijke slachtoffers
    D'Hondt Theofiel
    Reynaert Alfred, omgekomen in de negenkoten door Duitse obus.
    Baele Amandina, behoorde tot hetzelfde gezin.
    Baele Octaaf, behoorde tot hetzelfde gezin.
    Reynaert August,behoorde tot hetzelfde gezin.
    Ysebaert Maria
    Gesneuvelden 1940-1945
    Verpoort Maurice
    Vandendaele Maurice
    Politieke gevangenen
    Maes Maurice, omgekomen in een concentratiekamp
    Burgerlijke slachtoffers
    De Smet Elodie, thuis omgekomen door Engelse obus
    Geerseau Jacqueline, thuis omgekomen door Engelse obus
    Deweer Jules

    Maurice Vandendaele die getrouwd was met Ernestine Van Maelsaeke was gemolbiliseerd. Zijn vrouwtje was toen zwanger van Johan. Op een dag is hij mogen naar huis komen om spijtig genoeg de begrafenis van zijn dochtertje bij te wonen. Na de begrafenis moest hij terug zijn compagnie vervoegen. Hij is uit de oorlog niet meer terug gekomen ! Voordien was Maurice verpoort al
    gesneuveld.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oorlogsverhalen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Dit is een schets van het monument der gesneuvelden dat staat op het dorpsplein van Nukerke. Het werd er in opdracht van de N.S.B opgericht in 1947. Oorpronkelijk stond het in het midden van het plein maar bij de herinrichting ervan in de jaren 90 werd de gedenksteen verplaatst naar de oostkant van het plein.

    In deze rubriek verschijnt een reeks korte levensverhalen van Nukerkse oud-strijders uit WO-II.

    We beginnen de reeks met  de aantekeningen uit het dagboek van Roger Vandendaele.


    Uit het dagboek van  Roger Vandendaele xml:namespace prefix = o />

     

    Voorwoord

     

    Aan de Gemeentelijke Basisschool Holandstraat 22,  9681 Nukerke-Maarkedal

     

    Beste Heer Vandenabeele

     

    Met zeer groot genoegen heb ik Uw vriendelijk schrijven van de Gemeenteschool van Nukerke ontvangen, met al die lieve handtekeningen van jongens- en meisjesstudenten, die na Uw initiatief, Heer leraar, dankbaar hebben gebruik gemaakt om van mijn gegevens uit mijn oorlogs- en krijgsgevangendagen er een echt boeiend opstel met neer te pennen.

    Het doet goed als Nukerkenaar, dat ons jeugdig volkje , dit Vaderlandse gebeuren gedachtig moge zijn en blijven. Waarlijk het gaf mij een druppel goed bloed ten beste!

    Zeer gevoelig en met oprechte dank en groeten

    Roger Vandendaele,   8400 Oostende

     

    Zoals ik U op 11 november 1987 beloofd heb wil ik  mijn woord houden en U vertellen over mijn belevenissen vóór en tijdens de oorlogsgebeurtenissen 1940/1945 en over mijn krijgsgevangenschap in Stalag IA  Oost-Pruisen.

     

    Verhaal

     

    Ik ondergetekende Roger Vandendaele (broer van Gilbert Vandendaele, hoofdgriffier op rust en wonende te Edelare (Oudenaarde) ben geboren te Nukerke op 28 mei 19xml:namespace prefix = st1 />14 in “Den Engel” Staatsbaan 42, die nu niet meer bestaat maar onteigend is.

    Ik liep school bij de zusters in de  Dorpsschool te Nukerke tot  aan mijn plechtige communie. Nadien gingen wij met de fiets naar het St-Antoniuscollege te Ronse samen met Albert T’Sjoen, Georges de Jaegher, Tuur De Weer, De Keyser enz. Ik deed daar mijn plechtige communie. Ik was de 1ste in Nederlands en Jacques Ponnette was de 1ste in Frans en catechismus. Ook mijn broer ging daar naar school. Ik deed mijn middelbare studies en bleef dan thuis bij mijn ouders. Ik leerde ook de stiel en volgde de snijschool in Brussel.. Ik volgde nadien ook een leercontract in Ronse.

    Mijn militaire dienst vervulde .ik als soldaat in 1935 in de 3de Linie 10 te Gent in de Sint-Pieterskazerne.

    Het was bij ons thuis café én kleermakerij en tevens lokaal van de schuttersmaatschappij St-Sebastian. Schieten en voetbal dat was onze hobby. Ik was dus een echte Nukerkenaar.

    Na al die goede jaren brak de mobilisatie van ’39 uit en werd ik gemobiliseerd rond Gent, ’t is te zeggen in Zwijnaarde en Wondelgem. Na een tijd mochten we terug naar huis terug wegens het verdrag van Chamberlain en een tijd nadien was er terug mobilisatie.

    Men vertrok met ons van links naar rechts in ’t land, naar Oostende en  naar Berchem bij Antwerpen. Wij hebben ook met onze compagnie de Engelse vliegers, die voor den oorlog waren neergekomen in ’t fort van Borsbeek bij Antwerpen en daar waren geïnterneerd, bewaakt onder het bevel van majoor De Wilde, oud-burgemeester van Leupegem. Dan werden wij verplaatst naar Nijlen, Grobbendonk aan het Albertkanaal en van daar naar Bergen om dan terug te komen naar het Albertkanaal in Schilde-Wijnegem.

    Daar lagen wij op 10 mei waar er om 3 uur ’s morgens alerte was omdat onze stellingen overvlogen werden door Duitse vliegers.

    Zaterdag 11 mei en zondag 12 mei waren er vliegers. Was me dat een schieten. Wij zagen toen de eerste valschermspringers.

    Op maandag 13 mei trok het Franse leger naar het fort van Turnhout over het Albertkanaal…..en dan kwamen deze Fransen terug na enkele uren

    Op dinsdag  14 mei zagen wij Duitse spionnen die gekleed waren als geestelijke, zoals nonnen en priesters.

    Woensdag 15 mei waren er overal bombardementen in ‘t land. ‘ En wij ons maar ingraven in de bossen aan het Albertkanaal. En maar vluchtelingen van Turnhout die richting .Schilde en Wijnegem trokken. Ons leger begon dan aan de terugtocht. Ondertussen bleven de Duitse vliegers maar komen. Wij hadden veel  vrees.! Hoe zou jezelf zijn!

    Op vrijdag 17 mei om 6 uur ’s namiddags vertrokken wij uit Schilde naar Wijnegem en Hemiksem waar wij overnachtten tot vroeg in de morgen .Dan vervolgden wij de aftocht.  Ondertussen dekten wij de 12de Divisie tot wij de eerste Duitse motorrijders zagen aan de over zijde van de Schelde. Wij trokken over Steendorp richting Lokeren waar wij terug hebben overnacht in een zijgebouw van een huis . Zeveneken, waar onze keukentrein stond werd gebombardeerd. Wij eisten paarden op bij de boeren en dan vertrokken wij naar Gent over Ledeberg, waar ik binnenwipte bij tante Marie Vandendaele, zuster van pa. Daar heb ik wat gegeten. “Kijk daar rijdt een piot te paard.” ’t Was ik. Ik vertrok met onze compagnie naar Zomergem. Daar sprak een generaal ons toe: ”Gedenk de mannen van 14-18 !”; Wij verspreidden ons in de velden rond de Schipdonkse vaart. (Kanaal van Schipdonk)

    Dan werd het 19 mei…20mei.. 21 mei.  Wij moesten opschuiven richting Ronsele, ons ingraven en de stellingen betrekken achter de Schipdonkse vaart, die na het kanaal van Terneuzen de 1ste frontlijn werd. Wie ik toen op bezoek kreeg per fiets was mijn broer Gilbert, Marcel D’Hondt en anderen uit Nukerke. Ik zei hen: “Wees maar niet te stout zo in volle gevechtszone !”. Zij trokken dan verder op. Wij verbleven in een kleine hoeve in Oostwinkel-Ronsele. De P.C. van onze commandant  lag niet ver van ’t kanaal. Onze verkenners waren over een klein pontonbrugje  over het water gegaan. De bruggen over het kanaal werden opgeblazen, terwijl Duitse krijgsgevangenen naar achter werden gebracht. Ondertussen klonk daar een oorverdovend geluid  van mitrailleurvuur en van granaten en obussen die ontploften. Vliegers doken over ons en mitrailleerden onze stelling.

    Het werd 24 mei 1940.  Wij moesten tot aan de vaart optrekken met al wat we bezaten. Ik had een mitraillette  met veel laders. Onze commandant en de luitenant  van het 1ste peloton gaven het bevel .Er werd stevig over en weer geschoten. Ook onze artillerie schoot boven ons hoofd. Rechts van ons lag het  22de Linie aan de Steenweg van Waarschoot. Opeens werden wij omsingeld. Wij schoten ondertussen in de  richting van de vaart en het bruggetje en op de roeibootjes waarmee de Duitsers overkwamen. Opeens stonden wij oog in oog met de degenen die ons zouden gevangen nemen . Oef !

    De mouwen opgesloofd, de granaten in de hand en de mitraillette op ons gericht. Onze commandant en de luitenant waren de eerste gesnapt en wij, met een tiental, moesten de wapens weggooien, zo werd ons gezegd want wij waren ook   bij de lurven gevat. Ik had gans mijn lader verschoten, 32 ballen, en verdook de andere nog volle laders terwijl ik nog kon. Vliegensvlug verstopte ik ze in de grond…. Zonder helm en met de handen in de lucht moesten wij over dat noodbruggetje dat met lijken, van de onze en ook van Duitsers, was bedekt. Wij dus over ’t water met ons groepje denkende dat het voor ons gedaan was . Maar het fluiten van de kogels en het rammelen van de wapens rondom ons verdoofden onze oren. En dan in de verte die doffe slagen van de artillerie. Op alle gezichten vrees …! ’t Was een hel. Wij kropen door een gracht en kwamen aan een haagkant. We kropen uit de gracht  om de weg over te steken. Maar ’t was weer “halt!” Een Duitse mitrailleurnest beschoot die haag en dan riepen ze :”Löss !Löss! Schnell !”  “Waffen weg ! Hände hoch !. Maar wij waren reeds ontwapend. En zo geraakten wij onder bewaking  achteruit naar Oostwinkel, Ronsele en Lembeke tot aan de kerk van Waarschot, waar we werden opgesloten en waar we de nacht doorbrachten onder het vuur van ons eigen artilleriegeschut. De ruiten van de glasramen sneuvelden onder het gedreun en de glasscheven rinkelden. Wij hielden ons bij elkaar tegen de kerkmuur.

    25 mei ’40. Vandaar gingen wij in een reeds grotere groep gevangenen naar een school in Lembeek en nadien naar de kerk van Wachtebeke.

    26 mei: Daar hebben we gerust om nadien terug te voet naar een fabriek in Moerbeke-Waas te trekken.

    Op 27 mei trokken wij terug verder naar een fabriek in Lokeren waar ik Maria Claus zag, de vrouw van de brouwer uit Lokeren, die mij kende. Ik gaf haar een briefje en vroeg haar het bij mij thuis te willen bezorgen. Zij was immers van Berchem (bij Oudenaarde)( bij haar oom) zij was de zuster van advocaat Claus uit Ronse. Zij bezorgde ons ondergoed en eten en kleren in een pak “want “ zei ze, “ik zal u die brengen , men weet nooit!”. Ze moest die niet brengen want Duitse camions kwamen ons opladen om verder te rijden om ons “Entlassungschein” te gaan halen, zo zeiden de Duitsers. Ondertussen was Marietje met  het pakje aangekomen. Ze wierp het nog mij toe toen wij op de open camion zaten. Jammerlijk vloog het er neven en wij maar rijden…tot aan de Normaalschool van Sint-Niklaas in de Kasteelstraat waar ik Emiel Dekeyser  zag , een Nukerkenaar. Wij tweeën zwoeren samen te blijven. Zo deden wij dit met nog andere kennissen uit de streek, zoals Georges Vandenabeele, Michel Kestelijn (in Nukerke gekend als pijpke omdat hij pijp rookte), Valère Van Coppenolle enz…

    28 mei 1940

    Wij vernamen dat onze koning Leopold-III gecapituleerd had. Vanaf nu waren wij dus zeker dat we met ons beloofde “entlassungschein bei die Mutter gehen”. Maar …helaas ze voerden ons weg. We reden over de brug van Hemiksem, over de Schelde. Plots bleef de ganse colonne voertuigen  staan op de geniebrug … om de stevigheid ervan te testen. Nadien schokten we verder naar Brasschaat (Polygoon). Daar waren we al met honderden, zeg maar met duizenden gevangen soldaten, allen krijgsgevangenen. Rond 4 uur ‘s namiddags ging de tocht te voet verder richting Kalmthout en van daar per spoor in beestenwagens naar Duitsland over Holland. langs Breda, Tilburg, Rozendaal, Mauheim, Essen en Dortmund. Ondertussen hadden we er 17 uren trein opzitten.

    29 mei.

    De beestenwagens stonden nog klaar. “Einsteigen !” De volgepropte sliert beestenwagens zette zich in gang en knarste over  de sporen. We waren nogmaals op weg. Waarheen ?. “Ik las de namen van de stations die wij voorbij reden. Door de ijzeren raampjes , met ijzeren baren afgesloten, zagen wij het landschap voorbijglijden.

     

    Zaterdag 30 mei

    Om 11 uur stopte de trein in Dortmund. “Aussteigen! Schnell!”. We werden samengebracht in het sportpaleis.

     

    Vrijdag 31 mei

    We sliepen onder tentzeilen niet ver van het Dortmundse Sportpaleis.. Alles wat maar enige waarde had moesten we afgeven ook mijn porteplume werd mij afgenomen. Verder moest ik het dan stellen met een potloodje om mijn notaboekje(agenda) bij te houden, want ik noteerde alle namen van stations die wij in het Duitse Rijk voorbij reden . In elk station stond op grote spandoeken geschreven “Wir capitulieren nicht!” In de straten van Dortmund werden wij vanaf de bovenverdiepingen bekogeld met allerlei huisgerief. De Engelse krijgsgevangenen trokken de spits. Fair play was hun leuze. Ze schuifelden en floten uit volle borst. Dat stond de Duitse bevolking helemaal niet aan, daarom hun woede om zelfs met stoelen naar ons te werpen. In ’t sportpaleis werden wij ingedeeld in de 6de Cie. Die namiddag komen nog veel Belgische krijgsgevangenen aan. Die nacht hebben wij goed geslapen want wij waren echt moe.

    Zaterdag 1 juni.

    De gehele dag bleven wij in de omgeving van het sportpaleis.

     

    Zondag 2 juni

    Om 5 uur stonden wij op. Eerst gingen wij naar het sportpaleis en vandaar naar het station. Om 5u30 terug de beestenwagens op en weg waren we. Ziehier de reisweg. We  reden langs Soest, Brenninghaven , Lippstadt, Gescke, Paderboven Neuenbeken, Homburg , Susen, Altenbeken(tunnel)Ringelheim, Serlsgitter, Bielde, Burgdorf, Hedeper, Mattiezehl, Jersheim, Sollingen, Schöningen, Dölhpe, Eilsleben, Dreileben, Welder, Niederdodeleben, Magdeburg, (hier was een stop), Biederitz, Bergzow, Parchem, Brandenburg, Werder, Wildpark, Potsdam, Charlotteburg, Babelsberg, Nikolassee(Berlin). Grünerwald, Halensee, Smargendorf, Wilmersdorf, Insbrückerplata, Papestruze, Tempelhof  (vliegplein Berlin), Braunaustrasz, Osthreuz, Lichtenberg, Friedsichsfelde, Biesdorf, Karelsdorf, Malsdorf, Hoppengarten, Neuerhagen, Friedersdorf, Strausberg, Herrensee, Rehfelde, Damsdorf, Trebnitz, Gusow, Werbig, Gelzow, Goegast, Hustrin, Neustadt, . Wehebben gans de nacht gereden in die beestenwagens,tot na 9uur. Dan volgen Liesan, Simonsdorf, Werder, Marienburg, Elbing, Bramsberg, Ludwichshort, Robbelbude, (Köningsberg Bonhart), Köningsberg (wij zijn in Oost-Pruisen), Weckbold (stop), …Tarrau, Schrombeknet, Knautern, Stablack.

     

    Dinsdag 4 juni

    Na een treinreis van 51 uren kwamen we eindelijk rond 7 uur ‘s avonds aan in Stablack. Daar werden we ondergebracht in een tentenkamp Stalag 1A (Kriegsgefangenenlager).

    5 juni

    Ik heb goed geslapen, ook al was het op de grond. Die dag hebben ze ons de pokken gezet en kregen we pikuren.(inspuitingen) . Gisteren zag ik Jules Teirlinck, Georges Vandenabeele en Laurant Deweer.(bakker te Nukerke)., alle drie uit Nukerke. Ach, wat doet het deugd ons eigen mensen  te zien.

    6 juni

    Terug in de tent geslapen. We werden in de rij gezet voor een doktersonderzoek. Er werden ook vingerafdrukken genomen en we moesten ons huisadres opgeven. Van de Duitsers kregen wij dan ons stamnummer. Mijn stamnummer is N 6660BStalag IA.

    ’s Namiddags werd ons haar afgeknipt en werden we onder een stortbad gezet. Dan was er verzameling geblazen en werd er een groepsfoto genomen.

    7 juni

    Ik werd in de tent van de 30ste Cie ingedeeld. Die nacht heb ik weer goed geslapen, op de grond, ook al zijn de nachten hier zeer koud. Overdag is het stikheet. Vandaag hebben wij een soort “kloterkaas”(platte kaas) gegeten.

    8 juni

    Het was een koude nacht maar een warme dag. Vandaag aten we saucissen met een stukje droog brood.

    9 juni

    ’t Is zondag en we hebben in de tent geslapen. Ik heb een sergeant van het 23ste gezien. Hij noemt Van Hove en is afkomstig uit Nederbrakel. Hij is destijds nog met zijn moto bij mij geweest in Nukerke. Vandaag aten we kaas, brood en boter.

    10 juni

    Terug in de tent geslapen en nog redelijk goed ook. Ik voel me wel moe. Verder is er geen nieuws.

    11 juni

    In de tent geslapen. Om 6 uur in de morgen ben ik vertrokken naar een boerderij. Daar moest ik aardappelen verlezen en strooi (stro) op een mijt gestapeld. Om 9 uur ’s avonds was ik terug in de tent. Die zelfde avond zag ik ook nog Jules Teirlinck, Georges Vandenabeele en Laurent De Weer.

    12 juni

    Om 4 uur ‘s morgens zijn Jules Teirlinck, Georges Vandenabeele en compagnie met de trein vertrokken. Ze kregen anderhalf brood mee. Misschien gingen ze wel naar huis. Maar dat weet ik niet…. Die namiddag werden wij verplaatst van de tent naar een barak achter de keuken (als men dat nog een keuken kan noemen) In die barak lagen tot gisteren Jules, Georges en Laurent. Nu behoren wij tot de 21ste compagnie en krijgen een strozak ! OK!!!

    13 juni

    Ik heb goed geslapen op mijn strozak in de barak. In plaats van groep 6 worden wij nu groep 7.

    14 juni

    Zopas heb ik bemerkt dat in mijn barak ook Maurice Haelters ligt. Hij is familie van mij en woont in Oudenaarde. Verder zag ik Michel Kestelijn terug en sprak ook voor het eerst met Meester Lepez en Vincent Ysebaert..

    15 juni

    Eindelijk nog eens goed geslapen. Nieuws heb ik niet.

    Zondag 16 juni

    Om 8 uur was er een mis in open lucht juist vóór de keuken. Daar zag ik weer de vertrouwde gezichten van Michel, Vincent en van Heuvick uit Etikhove. ’s Avonds liep ik broeder Van Hautte Albert tegen het lijf, hij is brankardier. Hij was van de Broeders van Liefde van de Christelijke Scholen te Kortrijk. In de jaren 30 is hij opgegroeid in het hospice van Nukerke.

    Maandag 17juni

    De nacht verliep rustig en ik heb goed geslapen. Er is sprake dat wij morgen van hier zouden vertrekken uit het kamp. We vernemen ook het nieuws dat Frankrijk gecapituleerd heeft. Ons gevijven en één jongen uit Anzegem, twee van St-Denijs-Helkijn en één uit Zelzate zullen samen zijn om bij een boer in Nörhitten aan de Pregel in Oost-Pruisen te werken.(zie verder)

    Dinsdag 18 juni

    Goed geslapen. ‘s Namiddags moesten wij naar het onderzoek van N-(?). Men zegt ons nog maals dat wij morgen vroeg om kwart voor drie moeten opstaan om dan te vertrekken naar Insterburg.

    Woensdag 19 juni

    En werkelijk… we werden gewekt om kwart voor drieën. We vertrokken in het station van Stabach om 7 uur per spoor naar Insterburg. We reden langs Knautern, Schrombeknet, Tarau, Speicherstadt, Köningsburg, Selingenfebel, Guttenfbel, Einbrau ,Fapiau, Wehrlau, Norhitten en Insterburg. Om nadien terug te keren naar Norhitten. Wij kwamen om 12 uur aan in Insterburg en daar stonden boeren, gevangenen en soldaten, zoals op een markt ons op te wachten. Een boer vroeg”neun Stuck” – negen man -. Zo kwamen wij bij die ereboer terecht. Ons gevijven, één uit Anzegem, twee van St-Denijs-Helkijn en één uit Zelzate. Om 7u3O ’s avonds arriveerden wij op de boerderij . Wij kwamen daar aangereden met kar en paard én een wachtman én de boer. Wij verbleven daar op een hof van een reqiusteur die het beheer had over dat domein, de landerijen, de meersen en de werkmanswoningen, gelegen langs de Pregel, rivier die uitmondt in het Friches Haf  (Baltische Zee- Oostzee). In de streek waren er 17 zulke grote kasteelhoeven, die vroeger behoorden aan de Heren van Pruisen. De landerijen strekten zich zo ver uit, tot aan de gezichtseinder  langs de rivier De Pregel tussen Insterburg, Norkitten in de richting van Köningsberg.

    Wij waren dus samen met 9 Belgen. 1) Georges Vandenabeele(Nukerke), 2) Valère Van Coppenolle (Nukerke), 3) Georges Schiettecatte (Etikhove), 4)Emiel Dekeyser(Nukerke), 5) Roger Vandendaele (ik dus uit Nukerke), 6)De Rijcke (St-Denijs-Helkijn), 7) Van Overbeke (St-Denijs-Helkijn), 8) De Vriese (Anzegem), 9) Van Steenbeke (Zelzate).

    Wij werden “eingesperd” in ons logement waar eerder de Poolse en andere landarbeiders onderdak kregen tijdens het landbouwseizoen. Maar …met dit verschil, nu waren de ramen  en de deuren voorzien van ijzeren staven. Vóór het slapen gaan moesten onze kleren afgelegd worden. Deze werden dan in een houten koffer opgesloten. Zo was de bewaker er zeker van dat we ’s nachts niet zouden weglopen.

    Donderdag 20 juni

    Onze eerste nacht op de boerderij was voorbij. We sliepen op strozakken en in stapelbedden. Norhitten is een kleine gemeente gelegen aan de Pregel tussen Insterburg en Köningsberg. Daar zijn wij dus gelogeerd met ons negen, maar binnen kort zullen er nog 3 Fransozen bijkomen - Frankrijk heeft ondertussen gecapituleerd. Maar nu aan het werk ! Ons eerste werk was hooi van op de delten (zolder van de schuur) lossen . We gaven het hooi door van man tot man met een vork.

    Ons menu bestond uit cichoreisap met bruine stukken brood met boter en ’s middags werd ons gesmolten vleesblokjes(kontjes) met brood en aardappels in de pel .voorgeschoteld. ’t  Eten was in alle geval beter dan in ’t kamp!Nu moeten wij het hoofd hoog houden dat wijde dag afwachten om naar huis te kunnen gaan

    .

    Verder volgt mijn ganse agenda dat ik  van dag tot dag bijhield en waarin ik noteerde wat er zoal voorviel. (Dat agendaatje van ’40 dat bezit ik nog).

    Vrijdag 21 juni I het hooi gewerkt op den  delten( ruimte onder het nok van de schuur).

    Zaterdag 22 juni: op ’t veld in ’t hooi gewerkt.

    Zondag  23 juni: gevist

    Maandag  24 juni: op ’t veld gewerkt, in het hooi

    Dinsdag 25 juni: op ’t veld in het hooi gewerkt

    Woensdag 26 juni: hooi op de delten gestapeld en op het bietenveld gewerkt. De Duitsers waren kwaad op de Polen die daar gewerkt hebben voor ons want die hadden hele rijen jonge planten uitgekapt.

    Donderdag 27 juni: het hooi werd op hoppers gezet. ’s Namiddags regent het. Dus moesten we aardappelen verlezen.

    Vrijdag 28 juni: hooi

    Zaterdag 29 juni: hooi

    Zondag 30 juni: gevist

    Maandag 1 juli: in het hooi gewerkt en ’s avond geld ontvangen. Wij kregen 0,80Pf  in plaats van 0,60Pf.

    Dinsdag 2 juli: in het hooi gewerkt

    Van woensdag  3 juli tot en met zaterdag 6 juli lag ik ziek te bed.

    Zondag 7 juli: :we hebben gekaart.

    Maandag 8 juli: we hebben hooi binnen gehaald. ’s Avonds zijn er 3 Franse krijgsgevangenen aangekomen

    Dinsdag 9 juli: we hebben hooi binnen gehaald en op het bietenveld gewied.

    Woensdag 10 juli: hooi binnengehaald en in de bieten gewerkt

    Donderdag 11 juli tot en met zaterdag 13.juli: mest uitgevoerd.

    Zondag 14 juli: het regende en we hebben gekaart.

    Maandag 15 juli: zakken kolen gevuld.

    Dinsdag 16 juli: mest uitgevoerd en het veld met wortelen gewied.

    Woensdag 17 juli tot en met vrijdag 19 juli: mest uitgevoerd.

    Zaterdag 20 juli: mest uitgevoerd en koren en rogge gebonden

    Zondag 21 juli: Nationale feestdag met regen

    Maandag 22 juli: rogge gestuikt

    Dinsdag 23 juli: rogge gestuikt

    Woensdag 24 juli: rogge gebonden

    Donderdag 25juli: rogge gebonden

    Vrijdag 26 juli: rogge gestuikt

    Zaterdag 27 juli: ziek

    Zondag 28juli: regen en ik heb een brief geschreven naar huis.

    Maandag 29 juli: op het roggeveld gewerkt . Dan heeft het geregend.

    Dinsdag 30 juli: rogge

    Woensdag 31 juli: rogge

    Donderdag 1 augustus: op het roggeveld gewerkt en een kaart naar huis gestuurd.

    Vrijdag 2 augustus: op het roggeveld gewerkt

    Zaterdag 3 augustus: we hebben rogge binnengehaald..

    Zondag 4 augustus: in de namiddag hebben we rogge ingehaald.

    Maandag 5 augustus:  rogge ingehaald.

    Dinsdag 6 augustus: rogge ingehaald.

    Woensdag 7 augustus: rogge

    Donderdag 8 augustus:rogge en gerst gestuikt.

    Vrijdag 9 augustus: aardappelen in kisten gedaan en zakken gevuld.

    Zaterdag 10 augustus: gerst gestuikt.

    Zondag 11 augustus: we hebben de was gedaan en de bedden geplaatst. Het was mooi weder.

    Maandag 12 augustus:  de silo gevuld met klaver.

    Dinsdag 13 augustus:  de silo verder vullen met klaver en de koestal opgeschept. Nadien hebben we koren opgesteld.

    Woensdag 14 augustus:  de silo gevuld en koren opgesteld. (Roger wil bedoelen dat ze de roggebundels hebben gestuikt)

    Donderdag 15 augustus:  van alles gedaan o.a. gerst en haver opgesteld.

    Vrijdag 16 augustus : aan de dorsmachine gestaan en nadien rogge en haver gekeerd.

    Zaterdag 17 augustus:   aan de dorsmachine en haver gemengsel opgesteld. Her regende nadien.

    Zondag 18 augustus: schoon weder.

    Maandag 19 augustus:  ik was ziek; reuma aan handen en arm.

    Dinsdag 20 augustus: silo en haver gekuild.

    Woensdag 21 augustus: op de delten rogge aangegeven voor de dorsmachine.

    Donderdag 22 augustus: mest open gespreid op het veld.

    Vrijdag 23 augustus : mest open gespreid en haver opgeschud.

    Zaterdag 24 augustus: mest open gespreid.

    Zondag 25 augustus: een kaart naar huis geschreven

    Maandag 26 augustus: mest open gespreid.

    Dinsdag 27 augustus: mest open gespreid . De rozenkrans gelezen en gerst ingehaald.

    Woensdag 28 augustus: mest open gespreid.

    Donderdag 29 augustus: mest open gespreid , koren ingehaald, op veld samen gelegd en ingehaald.

    Vrijdag 30 augustus: regen … mest open gespreid.

    Zaterdag 31 augustus: mest open gespreid.

    Zondag 1 september: met de kaarten gespeeld.

    Maandag 2 september: klaver gekeerd.

    Dinsdag 3 september: klaver gekeerd en gemengsel… ik werd weer ziek.

    Woensdag 4 september: ziek.

    Donderdag 5 september ‘40: aardappelen uitgedaan , klaver gekeerd, gemengsel samen gelegd voor in te voeren

    Vrijdag 6 september ’40: aardappelen uitgedaan en gerst gekeerd

    Zaterdag 7 september ’40: aardappelen uitgedaan

    Zondag 8 september ’40: op ’t veld gerst samen gelegd en ’s middags binnengehaald in de schuur.

    Maandag 9 september ’40: gerst gekeerd , dan regen en klaver gekeerd. Valère  Coppenolle is naar Insterburg gevoerd want hij is ziek van de zweren. Ook goed nieuws want men wacht op ons.

    Dinsdag 10 september ’40: mest open gespreid en paardebonen en klaver gekeerd. De paarden gemend.

    Woensdag 11 september ’40: mest open gespreid en ’s middags heeft het geregend en zijn we thuis gebleven. We hebben gewassen. Kaart ontvangen : ze zijn thuis gelukkig!Valére heeft een brief terug geschreven en kaart naar huis geschreven.

    Donderdag 12 september ’40: rond de schuur gewerkt en aardappelen opgegraven.

    Vrijdag 13 september ’40: aardappelen geraapt achter de machine en nadien gerst en klaver gekeerd. Kaart van Gilbert  en kaart van ma.

    Zaterdag 14 september ’40: aardappelen opgegraven

    Zondag 15 september: gerst ingehaald en aardappelen uitgedaan bij de zwijnenmeester. Goed gegeten. Het waren varkenskoteletten .

    Maandag 16 september ’40: koeien ingejaagd en naar huis een kaart geschreven.

    Dinsdag 17 september: aan de dorsmachine gestaan.

    Woensdag 18 september ’40:  aardappelen geraapt.

    Donderdag 19 september ’40 : paardebonen ingehaald.

    Vrijdag 20 september ’40:  aardappelen geraapt en paardebonen gekeerd en ingehaald.

    Zaterdag 21 september ’40:  aardappelen geraapt.

    Zondag  22 september ’40: bij Rufer aardappelen uitgedaan en nadien goed gegeten nl. konijn en kieken.

    Maandag 23 september ’40: aardappelen uitgedaan en klaver gekeerd

    Dinsdag 24 september ’40: aardappelen uitgedaan en pakje ontvangen van huis met onderlijfje, kousen, zeep, pakje sigaretten  en 2 zakdoeken. (werd verzonden den 12ste ?)

    Woensdag 25 september ’40: kaart geschreven naar huis en de stal gewit.

    Donderdag 26 september ’40: stal gewit.

    Vrijdag 27 september ’40: de stal gewit en een kaart ontvangen van Ruien.

    Zaterdag 28 september ’40:  gras opgehoopt, regen.

    Zondag 29 september ’40: gewassen en genaaid.

    Maandag 30 september ’40: gras opgehoopt en schoon weer.

    Dinsdag 1 oktober ’40: aardappelen geraapt.

    Woensdag 2 oktober ’40: aardappelen geraapt.

    Donderdag 3 oktober ’40: aardappelen geraapt en kaart geschreven naar huis.

    Vrijdag 4 oktober ’40: aardappelen geraapt en nieuws ontvangen dat we dinsdag vertrekken met 6 man.

    Zaterdag 5 oktober ’40:ik ben ziek. Er zijn terug tegenorders want we vertrekken nog niet. Het vertrek is 14 dagen uitgesteld.

    Zondag 6oktober ’40: naar huis een brief geschreven.

    Maandag 7 oktober ’40: Ik ben nog ziek en heb een kaart geschreven naar Melden.

    Dinsdag 8 oktober ’40: de koppen van suikerbieten afgestoken.

    Woensdag 9 oktober ’40: de koppen van suikerbieten afgestoken.

    Donderdag 10 oktober’40: suikerbieten samen gehoopt.

    Vrijdag 11 oktober ’40: suikerbieten samen gesmeten. Een brief ontvangen van mama die op 6 september was geschreven en op 12 september was verzonden.

    Zaterdag 12 oktober ’40: suikerbieten samen gesmeten. ’s Avonds zegt de wachtman ons dat we ons gezessen maandag 21 oktober einfaren.

    Zondag 13 oktober’ 40: ik heb kleren genaaid.

    Maandag 13 oktober ’40: suikerbieten samen gesmeten.

    Dinsdag 15 oktober ’40: Valère moet naar Insterburg en de wachtman zegt ons  dat het vertrek voor maandag terug is uitgesteld.

    Woensdag 16 oktober ’40:aan de suikerbieten gewerkt.

    Donderdag 17 oktober ’40 : voederbieten opgelaten.

    Vrijdag 18 oktober ’40:  voederbieten opgeladen.

    Zaterdag 19 oktober ’40: voederbieten opgeladen.

    Zondag 20 oktober ’40: niets bijzonders gedaan.

    Maandag 21 oktober ’40: in de bieten gewerkt en een kaart geschreven naar huis.

    Dinsdag 22 oktober ’40: kaart van thuis ontvangen die op 18 september was verzonden en een kaart van het Rood Kruis ontvangen die verzonden was. op 5 oktober.

    Woensdag 23 oktober ’40:. Bieten opgeladen.

    Donderdag 24 oktober: het heeft hard gevroren . In de morgen geen aardappelen uitdoen. Nadien goed weder.

    Vrijdag 25 oktober ‘ 40: we hebben aard appelen uitgedaan.  Ik heb een pakje gekregen van Bocquet (waarschijnlijk de kleermaker langs de Zonnestraat, naast de Volksbond) uit Ronse. Het pakje bevatte chocolade, kaasjes en leverpastei.

    Zaterdag 26 oktober ’40:  gedorst en aardappelen uitgedaan.

    Zondag 27 oktober ’40:  kaart naar huis geschreven.

    Maandag 28 oktober  tot en met  donderdag 31 oktober ’40 hebben we in de bieten gewerkt.

    Vrijdag 1 november ’40: een kaart van mama ontvangen die verstuurd was op 2 september en nog een kaar ontvangen van mama  die verstuurd was op 10 oktober. Ook nog een kaart van Ruien ontvangen die verstuurd was op 10 oktober. Die dag werkten we verder in het hooi en de bieten.

    Zaterdag 2 november ’40:  in de bieten gewerkt.

    Zondag 3 november ’40: een brief naar huis geschreven.

    Maandag 4 november ’40: aardappelen geraapt.

    Dinsdag 5 november ’40: suikerbieten geladen.

    Woensdag 6 november ’40:suikerbieten geladen.

    Donderdag 7 november ’40: aardappelen uit gedaan.

    Vrijdag 8 november ’40: rapen opgeladen.

    Zaterdag 9 november ’40: het heeft gesneeuwd.  Een kaart van huis ontvangen die geschreven was op 19 oktober.

    Zondag 10 november ’40:  Nog meer sneeuw en vorst.

    Maandag 11 november ’40: aan de dorsmachine gestaan (kaf weggedaan).

    Dinsdag 12 november ’40: aardappelen uitgedaan met de machine. Valère is terug gekomen. Ik heb een kaart van ma ontvangen die verstuurd was op 13 oktober én een brief  die verstuurd was op 13 september.

    Woensdag 13 november ’40: aardappelen uitgedaan

    Donderdag 14 november ’40: aardappelen uitgedaan en kaart naar huis gestuurd.

    Vrijdag 15 november ’40: aardappelen uitgedaan

    Zaterdag  16 november ’40: laatste aardappelen uitgedaan.

    Zondag 17 november ’40: niets van nieuws.

    Maandag 18 november ’40: bieten en wortels uitgedaan.

    Dinsdag 19 november  tot en met donderdag 21 november’40: wortels uitgedaan. Vandaag ook silo’s uitgegraven. Pakje ontvangen en kaart van ma, verstuurd op 30 oktober. Brief ontvangen van 3/11/40.

    Vrijdag 22 november  en zaterdag 23 november ’40:  wortelen uitgedaan

    Zondag 24 november ’40: brief naar huis geschreven.

    Maandag 25 november tot en met woensdag 27 november ’40: wortelen uitgedaan. Vandaag, woensdag ook kaart ontvangen van ma (verstuurd op 8 november) en kaart van nonkel Jules (verstuurd op 6 november).

    donderdag 28november ’40: spruiten getrokken.

    vrijdag 26 november ’40:bietenhoop afgedekt. ’s Avonds zegt de onderofficier  dat De Keyser Emiel maandag naar Insterberg moet vertrekken, naar het coiffeursalon van de Hindenbergstrasse.

    Zaterdag 30 november’40: bietenkuil bedekt.

    Zondag 1 december ’40: het heeft hard gevroren.

    Maandag 2 december ’40:Em. De Keyser vertrekt naar Insterberg,. Aandenken E.D.K.. Ik ben ziek.

    Dinsdag 3 december ’40: Ik ben nog ziek.

    Woensdag 4 december ‘ 40: aardappelen geraapt.

    Donderdag 5 december ’40: aardappelen luchtigen.(open trekken om meer lucht te geven)

    Vrijdag 6 december  en zaterdag 7 december’40: gegraven.

    Zondag 8 december’40:  twee broeken gemaakt.

    Maandag 9 december ’40: lochting (moestuin) omgegraven.

    Dinsdag10 december ’40: pakje van huis gekregen.

    Woensdag 11 november ’40: hout weggebracht.

    Donderdag 12 december ’40:  vier brieven van huis ontvangen.

    Vrijdag 13 december ’40:hout weggebracht.

    Zaterdag 14 december ’40: aan de dorsmachine gestaan.

    Zondag 15 december ’40: bij Pasck broek gemaakt.

    Maandag 16 december tot en met vrijdag 20 december  ‘40: ziek

    Zaterdag 21 december ’40:  gedorst.

    Zondag 22 december ’40: een brief naar huis geschreven.

    Maandag 23 december  tot en met zaterdag 28 december’40: gedorst bij Pasck. Vandaag, zaterdag, ook  pakje van huis ontvangen, verstuurd op 3 december ’40.

    Zondag 29 december ’40: kaart naar huis geschreven.

    Maandag 30 december ’40: hout bijeen gebracht.

    Dinsdag 31 december ’40: hout gekapt.

    Woensdag 1 januari ’41: er is volop sprake bij de mensen hier op ’t hof dat wij weldra zullen vertrekken naar ’t kamp om naar huis terug te keren. Ondertussen werden adressen opgenomen. van  onze soldaat die ons opgeleid heeft. Wilhi Almonet, Wilhelmstrasse 173 Steausberg bei Berlin.

    De mensen van de boerderij: Erich Bavitsch Nörkitten (Kreis Insterberg), Ost-Pruisen Deutschland.

    Heinz Volgnaun – zelfde adres. Richard Schuller “ Domeinen Nörkitten, Nörkitten Insterbrug. INSTERBRUG ???, Komar (Frans) Borteck Hoffmeister , (ook onze kookvrouw) Lindenau Nörkitten (Insterbrug).

    Adressen van de Fransen die bij ons gevangen zaten bij de boer: Lucien Barbe- St Medard en Jalles Gironde France(FZ 12204)-

     Constant Masure Bauriez Marais de onze villes- Somain (Nord) France. Deze is na de inval van de Russen in Oost-Pruisen ginder ziek geworden en gestorven. (FZ 9764 Stalag 1A). Dat heb ik nadien geweten van zijn weduwe.

    Pierre Lacrois Hamcau La Fougère(FZ11850 Stalag 1A) Commune de Lant (Ain) France. Paul Riffard, La Rive Commune les Vastres Département de Haute Loire France. (FZ 12318 Stalag 1A)

    Belgen:

    Georges Vandenabeele Nukerke(37 ste Linie  6de cie)

    Emiel De Keyser  2, Place Communale Hoeylaert Brussel

    André Derycke Koffiestraat St-Denijs Helkijn

    Richard Van Overberghe Strijstraat 64St-Denijs Helkijn

    Marinus Steenbeke, Kallenmeersputte Zelzate

    Devrieze Daniel Krisweg Vlaams huis Anzegem

    Valère Van Coppenolle Nukerke (nu wwont hij aan de statie in Leupegem)

    Georges Schiettecatte Etikhove

    Zo bleven wij vanaf 1 januari 41 wat kleine werkjes doen op het hof  tot donderdag 6 januari ’41, de dag waar wij op wachtten.:

     

    Terug naar huis.

    Verzameling op 6 januari met lederen klompen aan, houten zool, kartonnen doos met wat ondergoed, gelapte broek en  met tranen in de ogen afscheid nemen van de Fransen die daar bleven en ook aan de werkmensen van het hof ( want ze waren gebonden daar te werken of soldaat bij ’t leger te worden). Wij te voet naar Insterburg per trein naar Stablack en dan naar Stalag IA, ons onderkomen. Daar hebben we een douche genomen, een doktersonderzoek gehad enz.,  andere formaliteiten en onze Entlassungshein (welke ik nog heb). We bleven daar in ’t kamp tot 14 januari ’41. Vandaar vertrokken wij: “ Vaarwel Stalag IA”. Met honderden keerden wij bij die Muttie terug via statie Stablack de trein op , 3de klasse, geen beestenwagens meer. Om 9u26 juist. vrijdag 14 januari naar Köningsberg, waar wij 1 uur middagstond hadden met een stukje bruin brood, wat worst en erzatskoffie. Verder de trein op over Braunsberg, Elbring, de brug over de Weichel, Dirschau, de Corridor van Dantzig. De dinsdagavond ’s avond om 19u30 soep gekregen en verder ’s nachts gereden. Het werd de zaterdagmorgen 15 januari ’41. Om 6 uur koffie gekregen. We reden verder om 8 uur over Kreuz, Landsberg, Nietz, Kustrin,. In Strausberg kregen we om 14 uur soep. Om 16u30 reden we Berlijn binnen en pas om 19 uur waren we buiten Berlijn.

    Het werd zondag 16 januari ’41. Om Ou30 waren we in Hannover. Daar dronken wij koffie. Om 10 uur reden we Kamen voorbij en om 11 uur waren we in Dortmund. Verder ging het over Oberhausen, Duisberg en de Rijn over. Soep of LOEP, Krüppfabriek, Krefeld, Wieze. Goch soep.

    Het werd maandag 17 januari ’41.Eindelijk, om 2 uur ’s nachts zijn wij in Antwerpen aangekomen. Daar papieren, Rode Kruis, … We vertrokken uit Antwerpen met de elektrische trein richting Brussel , waar we om 5 uur ‘s morgens aankwamen. We moesten in Mechelen overstappen want de brug was er gebombardeerd. Om 8u1O vertrokken wij in Brussel-Noord naar Brussel-Zuid. Eindelijk zijn wij in Audenaarde om 9u19 toegekomen. Ik kon daar de bus nemen naar Nukerke om 9u30. In Leupegem deed ik de buschauffeur Hector Herminaire wat wachten. Daar moest ik bij de vader  van Hector De Keyser, die aan de spoorwegbarreel woonde, de groeten  overbrengen van zijn zoon Emiel, die met een ander konvooi  krijgsgevangenen achterkwam. U moet niet vragen welke vreugde voor die mensen als ze me zagen staan  op mijnklompen. En ik verder naar de bus. In Nukerke gekomen vroeg ik aan Hector te stoppen aan de woning van Dokter Glibert want ik wist niet hoe dat mijn ma zou verschieten. Ik werd goed ontvangen met een glaasje wijn en vroeg aan Nestor (de dokter) om met mij mee te gaan tot thuis.  Hij deed dat en aan Den Engel stonden wel tientallen mensen te wachten en riepen:  “Roger uit Den Engel is terug!” en wij binnen en mijn moeder was zo verschrokken van bladschap dat ze enkele dagen spraakloos was. ’t Was vreugde en verdriet , wij omhelsden elkaar , pa en broer en vrienden en kennissen. Dokter Glibert gaf ma een spuitje en ze bleef enkele  dagen te bed. De verloren zoon was daar terug . Op mijn kleermakerstafel zat een Duits soldaat te naaien. Ik zei dat het hun fout was, doch ik kalmeerde nogal gauw. Het zag er een braaf mens uit. En alles wasvoorbij na zoveel ellende en krijgsgevangenschap te hebben doorstaan. Ik moet ookvan Vincent Ysebaert gaan zeggen bij zijn moeder dat hij afkwam met de volgende trein, maar ontgoocheling, zijn moeder was juist overleden. Dus ik kon het blijde nieuws niet meer vertellen. Dit was dus op mijnmoeders verjaardag 17 januari 1941 het blijde geschenk van mijn thuiskomst, haar zoon Roger terug te zien.

    Ikben dan in 1943 gehuwd met Rita Vercruysse uit Kortrijk. We hebben samen drie kinderen gekregen; 2 jongens en 1 meisje. Ik woonde van 1952 tot 1979, tot mijn pensioen, in Kortrijk gewoond. Dan tot 1986 woonde ik bij mijn dochter in Snaaskerke en nu ben ik op rust in Oostende… aan ’t zeetje !

    Hartelijk

    Roger Vandendaele


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
    02-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    01-11-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toen er nog champetters waren
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Ordehandhavers zijn er steeds geweest. Halfweg de 19de eeuw, nl. in 1832 was Charles Louis “veldwagter” te Nukerke. Na halfweg de 19de eeuw was het ene Désiré Hoffman die hier champetter was. Deze werd opgevolgd door Frederick Verdonckt geboren in Nukerke in 1855. Hij was er champetter tot 1928 en stierf in 1939. Zijn zoon Charles Verdonckt volgde hem op in 1928 en bleef in dienst tot 1956. Charles werd in Nukerke geboren op …. Hij liep er school in de dorpsschool. Nadien werd de knaap naar Wallonië gestuurd om er Frans te leren zoals dat vroeger heel gebruikelijk was. In de Abbaye de Malonne (Namen) konden de kinderen toen gratis verblijven mits ze werkten in de keuken of de tuin. Ondertussen leerden ze hun Frans. De leervakken waren uitsluitend rekenen en Frans. De rest was van geen belang. Daar in dat instituut heeft hij frère Matien-Marie (Louis-Joseph Wiaux 1841-1917 leren kennen). In 1912 ging Charles naar het leger als vrijwilliger. Toen wist hij waarschijnlijk nog niet dat zijn legerdienst 8 jaar zou duren. De Eerste Wereldoorlog is daar ondertussen ook bijgekomen. Na de wapenstilstand mocht hij niet onmiddellijk naar huis. Hij heeft nog een paar jaar militaire dienst gedaan. Na de legerdienst zocht hij een plaatsje aan de staat. Hij werd eerst bruggendraaier en nadien sluiswachter op de Schelde rond Helkijn. Dan bij het op rust gaan van vader Frederick kon Charles zijn vader opvolgen als champetter. Het was in de tijd dat Armand Van de Putte burgemeester was. Hij "duvelde" de jonge champetter. Tweemaal daags moest Charles met documenten of berichtjes naar Tenabele fietsen. Een hele karwei op die slechte wegen.  Monkie was nen blauwen en de champetter was van de katholieken. Dat zou nu pesterij noemen.
    Tijdens de eerste oorlogsjaren eisten de Duitsers alle beschikbare mannen op om te gaan werken in de Duitse industrie. Zo kregen de veldwachters de opdracht de opeisingbrieven aan de man te brengen. Maar tegen de dag van uitvoering doken sommigen mannen onder en verschenen niet op het appel. De Duitsers maakten een lijst op van de afwezigen. De champetter, vergezeld van een paar Duitsers, kreeg de opdracht jacht te maken op die onderduikers. Meestal probeerde men die ondergedoken ’s nachts op te pakken. De champetter leefde natuurlijk mee met die families en had een goed trucje. Wat deed hij ? Wel hij maakte, indien mogelijk, een grote omweg en passeerde gehuchten waar de honden gemakkelijk blaften. Dat was bij nacht het sein van onraad en dus konden de mensen maatregelen treffen. Binst den oorlog werd de champetter bij de “Bende van de witten” gerekend. Maar na een paar geheime vergaderingen heeft hij daar gauw komaf mee gemaakt. In Nukerke bestond de “Bende van de witten” in oorsprong uit 5 man: Maurice Maes, Michel Van Moorleghem, Michel Maes, Hector Van Moorleghem en Charles Verdonckt. Maar die laatste hield het dus gauw voor bekeken. Onmiddellijk na de bevrijding waren er plots wel honderd witten. Maar dat was uit opportuniteit zeker ! Als die Engelse vlieger neergevallen was in Ethikove dan was dat daar een grote bedoening want die piloot was niet te vinden. Neen, dood was hij niet en hij is ook niet in Duitse handen gevallen. Hij zat enkele dagen in een "kiekenskot" in Louise-Marie. Boven Nukerke heeft een Engels vliegtuig om een of andere reden eens een kerosinetank moeten lossen. Die is in de Sponde neergekomen, onbeschadigd maar verzonken in de grond. Madam conteur- je kent Richard toch reeds? - was daar nogal gauw bij en verzocht de kijklustigen zo vlug mogelijk het hazenpad te kiezen wegens ontploffingsgevaar. Ja, de meesten waren niet vertrouwd met dat gevaarlijk goedje. Maar wat is er gebeurd met de inhoud. Wie was daar mee gaan lopen? Je kan het wel raden zeker. Dat goedje was goud waard op de zwarte markt. De Nukerkenaren waren heel voorzichtig in hun doen en laten. Immers, er waren bij sommige particulieren Duitsers ondergebracht. Tegen heug en meug moest men die Duitsers een convenabele slaapgelegenheid aanbieden. Zo was er een Leutnant Wilcher ondergebracht bij dokter Glibert en een soldaat Dolf bij de champetter. Voor hun eten gingen ze naar de veldkeuken in de Oude Boelaerdstraat bij Deschaumes. Dokter Glibert woonde reeds vanaf 1937 in de nieuwe moderne woonst. Voordien woonde hij sinds 1926 in de woning tussen T’Sjoen en “De krone”. In 1940 hielden de Engelsen nog een tijdje stand achter de Schelde in Kerkchove. Vandaar nam hun artillerie de Steenweg onder vuur om oprukkende Duitse troepen tegen te houden. Bij die beschieting kwamen Duisters om. Zo werd er ene begraven in de Sponde. Later werd die opgegraven. Maar ook kwam vrouw Geerseau en kind om het leven op het plankier van hun woning in De Spijker 1. Daar werden ze getroffen door de scharpenels van een Engelse obus.
    Tijdens de oorlogsjaren lagen dus heel wat taken weggelegd voor de champetter van het dorp. De dieren, zoals koeien,varkens en schapen werden nauwkeurig geteld . Ja, die schapen leverden wol en die was gegeerd door de Duitse bezetter. Er was tijdens en na de oorlog ook een strenge controle op het kweken van tabaksplanten. Sommigen gingen zo ver dat ze tabaksplanten kweekten midden op de kouter verdoken in een korenveld. Bij een telling was de champetter steeds vergezeld van een garde van de belastingen. De champetter wilde wel elke inwoner tot vriend hebben maar een optreden was soms toch nodig. Ook de champetter had een huisgezin. Hij moest dus al eens schipperen. Tijdens de bezetting mochten de boeren niet zelf karnen want de melk moest naar de melkerij die onder Duitse controle stond. Opdat de boeren niet zelf zouden kunnen karnen werden de karners (karnmachine) verzegeld. Maar ge weet hoe dat gaat hé!. Dat touwtje wilde al eens stuk gaan en dan moest de boer de hulp inroepen van de veldwachter om er een nieuw loodje te komen aandoen. Natuurlijk had de nijverige boer de achter gehouden melk gekarnd en de boter tegen grof geld verkocht op de zwarte markt aan een of andere rijke familie. Hoe zou je zelf zijn hé ! Het moet gezegd, voor wat hoort wat en er viel dus voor de champetter wel eens een half kilootje boter naast de pot!
    In die jaren moest elke fiets over een fietsplaat beschikken, ook houders van een hond moesten taks betalen en in ruil ontving de bezitter een medaille die de hond steeds aan de halsband moest dragen. Werkhonden, zoals honden die mee aan een “triporteur” trokken, waren vrijgesteld van taks. Wie herinnert zich nog Michel Deriemaeker, Laurent Deweer (beiden bakkers) en August Ysebaert (groentekweker)? Zij waren de laatste die dagelijks met de ”triporteur” op weg waren. Ook de karnhonden die het treerad van een karnmolen in beweging brachten waren vrijgesteld. ’t Het was ook de tijd dat elke fiets voorzien moest zijn van een verplicht fietsplaatje die tegen betaling was te verkrijgen. Invaliden waren vrijgesteld van die taks. Hun gratis plaatje was voorzien van een rode streep. In 1956 is deze volkse champetter Charles overleden. Hij werd opgevolgd door Eugeen Van Dyck.Met dank aan L.V.
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Burgemeester André Hubeau
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Potloodtekening 30/40

    Joseph, André Hubeau geboren te Nukerke op 21 maart 1910 en godvruchtig overleden te Ronse op 19 februari 1995.

    André had het voorrecht dat hij van zijn ouders mocht verder studeren ook al was hij de enige zoon op het erf naast een zus. Hij was zo’n flinke student dat hij volgende academische graden behaalde: Licentiaat in handelswetenschappen ,financiële , consulaire en koloniale wetenschappen. Licentiaat in politieke- en sociale wetenschappen. Hij ging prat op zijn vorming maar liet dat niet openlijk blijken. Ook relativeerde hij zijn resem academisch graden. Hij vertelde dat in zijn tijd sommige van die graden werden bekomen mits het slagen in een paar examens. In de jaren 60 tot 80 hadden zijn vrienden uit de studententijd in Leuven belangrijke ministeriële posten in de toenmalige Belgische regeringen.

    Burgemeester van Nukerke van 1953 tot en met 1976

    Burgemeester van Maarkedal van 1977 tot en met 1983

    Oud-strijder en krijgsgevangene tijdens de oorlog 1940-1945


    Verhaal van André Hubeau

     

    Op 15 maart 1984 vertelde André Hubeau zijn oorlogsbelevenissen aan de schooljeugd.

    André Hubeau  werd te Nukerke geboren op 21 maart 1910. Tot voor enkele maanden was hij nog burgemeester van de gemeente Maarkedal en wordt door iedereen nog aangesproken met “burgemeester”. Hij is nu 74 jaar oud en woont nog steeds langs de Weitstraat in zijn grote hoeve, die ondertussen een rust uitstraalt na een eeuwenlange activiteit..

     

    “Tijdens mijn legerdienst volgde ik de opleiding van reserveofficier bij de infanterie. Op 21 september 1939 werd ik gemobiliseerd als jonge luitenant bij het 24 Linieregiment. (Daarop stapte hij naar de schone plaats, opende de deur van een mooie, grote antieke kleerkast en haalde  trots  zijn uniform van officier te voorschijn. Op de kapstok hing tevens zijn officiersmutsje. Op de vest prijkten drie gouden sterren., de graad van kapitein. Nu terug naar het verhaal.)

    Tijdens de mobilisatieperiode werden veel alarmoefeningen gehouden om de stellingen te leren bezetten in de korst mogelijke tijd. Iedereen wist trouwens dat er oorlog dreigde met ons buurland Duitsland.

    In de vroege morgen van 10 mei 1940 was er voor de zoveelste keer alarm. Mijn ordonance schudde mij wakker en riep: “Luitenant , luitenant ’t is alarm, maar nu is het serieus!”  Vliegensvlug werden de soldaten van  mijn peloton gewekt en zoals ze getraind waren kleedden ze zich vlug aan, namen de gevulde ransel, gasmasker en wapen en trokken naar de ingeoefende stelling. Mijn peloton bezette een stelling van mitrailleurs in verschillende tuinen in Hasselt. Reeds van bij zonsopgang maakten wij kennis met de oorlog want Duitse vliegtuigen vlogen over onze hoofden. Bommenwerpers waren op weg om vliegvelden aan te vallen en kruispunten te bombarderen, kwestie van paniek te zaaien onder de angstige burgers. Ons afweergeschut was echter ontoereikend want de vliegers vlogen op een hoogte van 8000 m. Die dag vielen reeds veel slachtoffers, ook onder de burgerbevolking. Duizenden vluchtelingen trokken over het Albertkanaal uit vrees voor de gruwelen. Velen zullen die 10de mei 1940 nooit vergeten. Tegen de avond dan verschenen de eerste Duitse troepen aan de oever van het kanaal. Onze Belgisch mitrailleurs vuurden wel uit volle kracht maar algauw ondervonden wij de grote overmacht van de Duitse troepen die voortdurend hun tankgranaten op onze stellingen afvuurden. Ondertussen dynamiteerden Belgisch genietroepen enkele bruggen over het Albertkanaal. Ik had wel de opdracht gekregen om zo lang mogelijk stand te houden  Maar,…na vier dagen moesten wij echter de verdediging afbreken  De Duitsers waren reeds doorgestoten tot voorbij Sint-Truiden. We moesten achteruit want de Duitsers waren van plan de tactiek van omsingeling uit te voeren. Daardoor zouden wij ingesloten worden en zouden zo hopeloos verloren zijn. Mijn peloton vertrok dan richting Loksbergen waar wij de mitrailleurs tegen vijandelijke vliegtuigen opstelden. Daar hielden wij nog een paar dagen stand... Ten slotte zijn wij voor de overmacht moeten wijken en trokken met onze mobiele mitrailleurposten, getrokken door boerenpaarden, naar Leuven. Dat was een lastige voettocht. Tijdens een van de veldtochten legden wij tot 72 km af in 24 uur. Ons regiment  verhuisde van Leuven via Temse naar Sint-Niklaas. Het was toen reeds de 18de mei. In Sint-Nilklaas gingen we de trein op en reden naar Gent. Hier heb ik ook wat geluk gehad want de trein na ons werd te Lokeren door Duitse eskaders aangevallen. Daar vielen vele slachtoffers.

    In Gent kreeg ik bevel van hogerhand om mijn luchtafweergeschut in het Gentse stadscentrum op te stellen, maar na een paar dagen was de opdracht daar geëindigd en vertrokken wij via de Pinte naar Tielt , Roeselare en Kortrijk. Daar aan de Leie betrokken wij een nieuwe stelling. Maar de Duitse aanval hield niet op en meermaals werden grote bressen in onze verdedigingslijn geslagen. Op 27 mei 1940 had de grote “slag aan de Leie”plaats. Onze reservetroepen werden ingezet. Maar vruchteloos ! Groepen Belgisch soldaten werden ingesloten, anderen werden tot overgave gedwongen en velen lieten er het leven bij. We werden tot overgave gedwongen. Ook ik liet een witte doek aan een loop van een geweer knopen om boven de loopgrachten te steken. Teken van onverzettelijke overgave. Daarop werd ik met mijn manschappen krijgsgevangen genomen. Alle militaire bezittingen  zoals gasmaskers, wapens, munitie en legerkaarten moesten worden afgegeven  Officieren werden gescheiden van de manschappen. Met een groep van een 40-tal officieren begonnen wij een voettocht naar Zwevegem en Moen. Nadien brachten Duitse vrachtwagens ons via Ronse en Brakel naar Ninove.. Vandaar ging onze reis per trein, in goederenwagens, langs Gembloers, Namen en Maastricht. Enkele dagen later werden wij ondergebracht in een kamp in Soest (Duitsland). Dat krijgsgevangenleven  aldaar woog zwaar wegens de honger, de dorst en … de verveling want gevangen officieren mochten niet te werk worden gesteld.

    Eindelijk op 11 augustus 1940 mochten veel krijgsgevangenen , waar onder ik, naar huis. Via Antwerpen en Gent kwam ik in Oudenaarde aan. De laatste kilometers naar Nukerke legde ik per fiets af. Daar wachtte mij een blij verwelkomen!

    Het werk op de boerderij kon beginnen, maar…helaas korte tijd nadien zouden de Duitsers onze paarden komen opeisen en moesten de velden wachten op betere tijden.”

     

    André Hubeau , Nukerke 15 maart 1984.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nukerke had een 100-jarige
    Klik op de afbeelding om de link te volgen De eeuwelinge van Nukerke was mevrouw Marie-Justine Seghers, geboren te Leupegem den 1 juli 1839
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Meester Jan
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Meester Jan, was oppermeester in de katholieke dorpsschool te Nukerke. Begin negentiende eeuw bepaalde hij mede de gang van zaken in Nukerke samen met de overijverige pastoor Dutordoir. Hun objectief was: de strijd tegen de "liberale, goddeloze" school langs de Pontstraat.

     -Maar er was ook nog de katholieke dorpsschool van Meester Jan Verlinden beginjaren 1900. Hij woonde op de plaatse waar nu de woning staat van Aelvoet-Restiaens. Naar verluidt was "meester Jan" een geëerd figuur, streng en voortvarend.

    -Meester Jan was toen de oppermeester. Zuster-overste schreef al eens een briefje en ik moest dat berichtje tijdens de schooluren bij meester Jan brengen Hij woonde op de plaatse en was reeds op pensioen. Irma, zijn vrouw, kwam opendoen, en na een beleefde groet werd het berichtje afgegeven. En negen op tien, die dag kwam meester Jan nog naar school. Hij was een heel goede meester en had na zijn oppensioenstelling nog een grote verbondenheid met zijn school. Op een dag komt mijn moeder meester Jan tegen en deze zegt haar dat mijn broer Georges “ nen rappen” was. “Hij moet naar een andere school want hier kan hij niets meer bijleren. Laat hem naar Ronse gaan.” En zo geschiedde.

    -Meester Jan die toen les gaf in de jongensschool kwam wekelijks de zaterdagvoormiddag naar de meisjesklassen om onze les te komen overhoren. Telkens hij kwam had hij een verrassing in petto. Op het eind van zijn bezoek had hij steeds een verrassing voor ons. Hij hield zijn twee vuisten voor zich.? In een ervan zat een cent. Een leerling die goede antwoorden had gegeven mocht raden in welke hand de cent stak.. Raadde die juist dat mocht het kind de cent aan het negertje geven, aan dat dankbaar knikkende kopje …

    -Meester Jan, met zijn pince-nez was een streng man. Hij was bekend voor zijn uitspraak: "Vooruit gij ,ga van voren op den tree de knieën zitten gij lieleken chudas", en dat met een accent uit het West-Vlaamse Kallo.



     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bavo De Weer
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Bavo De Weer was een vooraanstaande figuur en suisse in de kerk te Nukerke.
    Op zijn doodprentje lezen wij: "Bid voor de ziel van Bavo De Weer Echtgnoot van Clemence Verplanken vereerd met de Herinneringsmedaille 1870-1871  geboren te Sulsique, den 4 Januari 1843 en godvruchtig overleden te Nukerke den 15 Maart 1921. Hij was lid van het Genootschap van den H. Franciscus-Xaverius"

    In Nukerke woonde hij in het koeplekje op de hoek van de Pontstraat en de Potaarde. Hij was lid van het Genootschap van den H. Franciscus-Xaverius. Tot vóór zijn dood was hij suisse in de parochiekerk te Nukerke. “Heer, ik heb bemind den luister van Uw huis en de woonplaats Uwer glorie”, zo luidde de eerste zin op zijn doodprentje.

    Bavo De Weer werd niet gespaard. Zijn zoon Oscar, geboren te Nukerke op 14 oktober 1886, sneuvelde als soldaat van het 1ste Linieregiment in de loopgrachten nabij Diksmuide op 6 juli 1915. Het stoffelijk overschot rust op ’t erepark nabij Diksmuide


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pastoor Paul Dutordoir
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Paul Dutordoir werd geboren te Sint-Kruis-Brugge op 23 augustus 1861 en werd priester gewijd te Gent op 30 mei 1885. Hij was achtereenvolgens onderpastoor te Aspelaere (1885-1887), onderpastoor te Sint-Pieters-buiten Gent ((1887-1902), onderpastoor te Sint-Stephanus Gent (1902-1907), pastoor te Nukerke (1907-1931). Nadien werd hij Bestuurder van de Zusters der Visitatie te Mariakerke(Gent) van 29 september 1931 tot hij godvruchtig overleed op 16 februari 1946.
    Op zijn "doodsbeeldeke" lezen we:"Wie den eerwaarden overledene van dichtbij heeft gekend weet dat hij, onder eene ietwat ruwe schors een gouden hart droeg, een gevoelige ziel. Zijne rechtschapen gemoed, zijn gulhartig karakter."

     -Pastoor Dutordoir had in het heetst van de schoolstrijd zelfs luid verkondigd dat hij nooit of ter nooit een voet zou zetten in de gemeenteschool en dat hij er zeker geen catechismusles zou onderrichten. Het gemeentebestuur nam dat niet. Arrmand Vandeputte en Henri Van Maelsaeke schreven een klachtbrief naar het bisdom. Enige tijd later moest de pastoor de parochie verlaten om directeur te worden in een klooster.

    -Volgens Leontine Vandeputte speelde de pastoor Dutordoir (pastoor in Nukerke vanaf 1907) een beetje de rol van burgemeester tijdens de ambtsperiode van burgemeester T’Sjoen. Tijdens een bezoek van de pastoor aan Armand Vandeputte zou hij de pastoor geantwoord hebben:"Gij baas in de kerk en ik baas in de gemeente!" Ook toen werd er hier in Nukerke een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gemeenteschool: vorige schoolhoofden
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Vorige schoolhoofden












    Theofile Gilleman                              Fedor De Merlier                        Hedwig Vandenabeele
                                                            vanaf 1 mei 1931                         vanaf 1 september 1968
                                                                                                                tot 31 augustus 1994
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Meester Theofiel Gilleman
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    .       Theofile Gilleman, was het eerste schoolhoofd van de gemeenteschool, toen gelegen langs de Capellestraat (nu Pontstraat ) in Nukerke.
    Meester Theofile Gilleman was oppermeester van de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Hij woonde in het schoolhuis naast de eigenlijke school.
    Gilleman was een strenge meester en ook al kwam de pastoor nooit op bezoek in de gemeenteschool, toch gaf meester Gilleman godsdienstonderricht.
    Een zoon Joseph is gesneuveld in het begin van W.O.-I., nl. op 5 september 1914. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. (Dat zal een fonograaf geweest zijn, de voorloper van de grammofoon). Hij is driemaal getrouwd geweest; eerst met een zekere Maes, dan met Claus en tenslotte met Gusta Tonneau, de zus van Staf Brugge zijn vrouw. Na het overlijden van de meester is zijn weduwe een tijdje gaan wonen in het huis naast de school (zie nr 14).
    Ook toen werd er hier in Nukerke een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar een paar kinderen overbleven. Nadien werd de school definitief gesloten. Meester Gilleman bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het bewoond door Aloïs Norga die het later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het oude schoolgebouw een mechanische maalderij inrichtte.
    De school langs de Capellestraat werd door sommige een oord van verderf genoemd. Wie daar school liep zou in “d’helle” terecht komen. Op ’t laatst had onderwijzer Gilleman nog 2 leerlingen: Richard De Bisschop en Franske Norga. In die tijd was pastoor Dutordoir pastoor te Nukerke en speelde burgemeester, was baas op ’t kerkhof en chef in ’t hospice. Naar ’t schijnt had hij ook andere activiteiten. Maar de pastoor en de onderpastoor bleven preken tegen die liberale school. De pastoor deed al wat hij kon opdat de katholieken bij een volgende verkiezing zouden boven zijn. Maar de liberalen wonnen en Armand Vandeputte uit ten Abele werd burgemeester. Ondertussen zat de school zonder leerlingen en de oppermeester zonder werk. Bij zijn op ruststelling woonde hij in een woning gelegen tussen de school en het hoevetje van R. Van Coppenolle. 
    Tijdens zijn derde huwelijk met Gusta Tonneau werden na de gesneuvelde zoon Joseph, nog 2 zonen geboren. De oudste, Joseph-Theofiel-Guido, werd geboren op 13 juli 1918. Tijdens zijn beroepleven was deze werkzaam als technisch tekenaar bij New Holland. Joseph heeft tevens een aantal patenten op zijn naam staan onder de naam van Joseph TG Gilleman. Hij woonde destijds in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 6 kinderen en 7 kleinkinderen. De tweede zoon, Marcel, werd geboren op 8 januari 1923. Ook hij was later te werk gesteld bij New Holland. Hij werkte er als human recources medewerker, woonde in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 2 kinderen en 6 kleinkinderen.Hij overleed op 6 april 1986. Gusta is na de dood van Theofile van Nukerke verhuisd naar Sint-Denijs-Westrem nadat ze eerst woonde in het villaatje nr. 14 naast de oude school. Ze is overleden in 1979” (veel gegevens bereikten ons via Sarah Gilleman, een achterkleindochter van Theofile)

    De grootste concurrent van oppermeester Gilleman was de toenmalige pastoor Paul Dutordoir, die dorpsherder was van 1907 tot 1931. Hij overleed godvruchtig te Mariakerke (Gent) op 16 februari 1946. Hij predikte tegen de gemeenteschool en ging zwaar te keer tegen de”goddelozen” maar naar verluidt reed hijzelf niet zo’n fraai parcours. Een afbeelding van deze kan je vinden in de vorige rubriek.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Enkele oude frivole liedjes gezongen te Nukerke

    Enkele oude frivole liedjes gezongen op "den dries" te Nukerke

     

    Het lied van de pensjager

     

    Het was op enen zomeravond

    Toen ik pijn in mijne tanden had

    Ik durfde niet gaan slapen

    Ik ging wandelen al in het veld

    Als ik nog liefhebber was van  het pensjagen

    Nam ik mijne poeder en mijne karabien

    ’t Was om hem mee te dragen

    Nam ik mijne poeder en mijne karabien

    ’t Was om hem mee te dragen

     

    Ik ging langs ene stille dreve

    Alwaar het nachtegaaltje zo liefelijk zong

    Ik legde mij daar wat neder

    Al onder enen groenen tronk

    Daar viel ik lustig in enen slaap

    Mijne tandpijn was genezen

    Maar toen ik eindelijk wakker wierd

    De zon die was aan ’t rijzen.

    Maar toen ik eindelijk wakker wierd

    De zon die was aan ’t rijzen.

     

     

    Ik zat met mijne karabien verlegen

    Voor mij was het verboden jacht

    Ik durfdege mij niet risgieren

    Ik meende dat ‘k ene gendarme zag

    Maar wat geluk mijn ore tuit

    En de stem dat ik daar hoorde

    ’t Was juist enen orgel die daar klonk

    Die mijn jonk hart bekoorde

    ‘t  Was juist enen orgel die daar klonk

    Die mijn jonk hart bekoorde

     

    Ik ging met fiere treden

    Om die overschone maagd

    Een meisje van drie maal zeven

    Die ik daar zo lustig vond.

    Zij sprak Mijnheer gij zijt zo verhaast

    Om op pendars te jagen.

    Gij weet mijne vader is garde-chasse

    En ik zal u overdragen.

    Gij weet mijne vader is garde-chasse

    En ik zal u overdragen.

     

    Zeg meisje roep geen alarm

    Uw vader is mijne beste vriend.

    En ik ben ene gendarm

    Ik doe hier mijne dienst

    Niemand zal mij de jacht verbien.

    Meisje lief waar zijn uwe zinnen.

    ‘k Zal mijne karabien eens laten zien

    En ’t poeder ziet van binnen

    ‘k Zal mijn karabien eens laten zien

    En ’t poeder zit van binnen

     

    Als het meisje had vernomen

    Dat ik enen gendarm was

    Is ze zij bij mij gekomen

    En vroeg vergiffenis

    Zij spreidde zich in het gras

    En sprak lieve gendarm

    Hier is het wild waarop gij jaagt

    Schiet maar zonder pandarm.

    Het gaf een pief, een poef,een, paf

    En ’t kletterde in de bomen..

    ’ t Is juist gepast, mijn hondje bast

    En ‘k zag de stad van Rome.

    ’t Is juist gepast, mijn hondje blaft.

    En ‘k zag de stad van Rome.

     

    Als ik mijn poeder had verschoten

    Deed zij wat

    Uwe karabien moet zijn gebroken

    Want ’t zaad ligt al in het zand.

    Die schoot heeft niet getroffen’t

    Van zo een schoot word ik niet vet.

    ’t Is al in ’t zand gevlogen.

    Van zo een schoot word ik niet vet.

    ’t Is al in ’t zand gevlogen

     

    Pensjagers voor het laatste

    Als ge gij wilt op patrijzenjacht

    Ziet dat ge zijt gendarm

    Voor u is het ook een jacht.

    Schiet maar de vogels klein en groot.

    Alles wat ge kunt vizeren.

    Al gaat het zaad al waar ge wilt.

    En ge moet u niet generen,

    Al gaat het zaad al waar ge wilt.

    En ge moet u niet generen.

     

     

    Germaine

     

     

                    Refrein

    Ach Gemaine mijn hartendief

    Ach ik heb u zo lief

    Al is er met tijds haar smoeltje wat zwart

    Daarom gaat ze nooit uit mijn hart

    Ach ze is er zo lief en fijn

    Ach ze is er de mijn

    Ze zuipt en ze snuift en ze sneukelt er bij

    En toch blijft Germaine aan mij.

     

     

                                   1

     

    Wel vrienden ik heb het u nog niet gezeid

    ‘k Heb kennis met een schone meid.

    Ja ’t is als een beeld als een engel zo schoon

    Ze spant er voor zeker de kroon.
    Men noemt haar Germaine en ’t is hare naam

    Ja tot alles is ze in bekwaam

    Daarom durf ik zeggen voor u hier tevree.

    In ’t kort trouw ik er mee.

     

                    Refrein

    Ach Gemaine mijn hartendief

    Ach ik heb u zo lief

    Al is er met tijds haar smoeltje wat zwart

    Daarom gaat ze nooit uit mijn hart

    Ach ze is er zo lief en fijn

    Ach ze is er de mijn

    Ze zuipt en ze snuift en ze sneukelt er bij

    En toch blijft Germaine aan mij

     

     

                                   2

     

    Z ‘is deftig gekleed  ja dat zeg  ik voorwaar

    Maar spijtig ze heeft niet veel haar.

    Och God op haar rokske die z’heeft aan haar lijf

    Staat er wel een lapken of vijf.

    Haar hemdeke heeft in geen weke of tien

    Voor zeker de waskuip gezien.

    En haar schoenen zijn het hermaken niet weerd.

    Ze zijn er maar goed voor den heerd.

     

                    Refrein

    Ach Gemaine mijn hartendief

    Ach ik heb u zo lief

    Al is er met tijds haar smoeltje wat zwart

    Daarom gaat ze nooit uit mijn hart

    Ach ze is er zo lief en fijn

    Ach ze is er de mijn

    Ze zuipt en ze snuift en ze sneukelt er bij

    En toch blijft Germaine aan mij

     

                                   3

     

    Ja z’is toch zo deftig dat zeg ik tevree.

    Nu onlangs op enen souper.

    D’r zaten we samen te fretten te koen

    Ze had geen ferchetten van doen

    Ze stak mee heur puten her muile zo vol

    Ze zoop haar zo zaat als een mol

    En dan nog besluiten van die is

    Ze spoide al op de plancher

    .

                    Refrein

    Ach Gemaine mijn hartendief

    Ach ik heb u zo lief

    Al is er met tijds haar smoeltje wat zwart

    Daarom gaat ze nooit uit mijn hart

    Ach ze is er zo lief en fijn

    Ach ze is er de mijn

    Ze zuipt en ze snuift en ze sneukelt er bij

    En toch blijft Germaine aan mij

     

     

                                   4

     

    Ja gans haar familie is welstellend en goed,

    ’t Is geeneen die ergens niets doet.

    Haar broeder leurt appels haar zuster met sprot

    Ja zelfs zit een veerkie in’t kot

    Zo dus kunt ge denken dat is ergens fijn

    Ik geloof dat ‘k nie beters kan zijn.

    Daarom durf ik zeggen

    In ’t korte hertrouw ik ermee.

     

                    Refrein

    Ach Gemaine mijn hartendief

    Ach ik heb u zo lief

    Al is er met tijds haar smoeltje wat zwart

    Daarom gaat ze nooit uit mijn hart

    Ach ze is er zo lief en fijn

    Ach ze is er de mijn

    Ze zuipt en ze snuift en ze sneukelt er bij

    En toch blijft Germaine aan mij

     

      

    Daar boven in dat vensterke

     

    Daar boven in dat vensterke daar lag een meisje fijn.

    Daar kwam daar ene boer voorbij. “ Zeg meisje wil je mij ?”

    “Neen,  neen met een boer om te melken aan een koe

    Gij gij gij zijt zo fijn maar mijn man zult gij niet zijn.”

     

    Daar boven in dat vensterke daar lag een meisje fijn.

    Daar kwam daar ene beenhouwer voorbij. “ Zeg meisje wil je mij ?”

    “Neen,  neen rood van bloed, gij die alle moorden doet.

    Gij gij gij zijt zo fijn maar mijn man zult gij niet zijn.”

     

    Daar boven in dat vensterke daar lag een meisje fijn.

    Daar kwam daar ene kleermaker voorbij. “Zeg meisje wil je mij ?”

    “Neen, neen naalden breken ,gij zult in mijn handen steken.

    Gij gij gij zijt zo fijn maar mijne man zult gij niet zijn.”



    Op ienen dertien oêven

     

    Op ienen dertien oeven,

    den baker sloeg zijn wijf,

    Al mee een hiete poeule,

    zu deerlek op heur lijf.

    Wa goeun we den baker geven

    al veur zijn nieuwe jaor;

    Een kind al in de wiege

    mee zwart gekroeseld hoêr.

     

    De meisjes van Nukerke

    De meisjes ja van Nukerke zoals men overal ziet

    Ze zien d’er de jonkmans zu gieren maor jô ze gebôren da niet

    De meisjes voornaam zo lief en zo net

    Het zijn lijk engelkes die maagden zijn

    Als gij  eens goed  op hen let

    Ze lachen u zo zoetjes tegen

    Maar eenieder weet dat wel

    Ze zijn er ja zo verlegen

    Als gij maar eens komt aan hun vel

    En moet gij eens aan het tôten toe gaan

    Tralalalaliere

    ……………………………

    De meisjes ja van Nukerke

    Gelijk men overal zit

    Ze zien d’er de jonkman zu gieren

    Maor jô ze gebôren dat niet!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geschiedenis van het onderwijs

                           Geschiedenis van het onderwijs
    O
    ude volkeren kenden reeds een vorm van onderwijs. Bij de primitieve volkeren aapten de kinderen na wat de volwassenen deden. Meer georganiseerd was het onderricht bij de Grieken en Romeinen. Kloosters, burchten en abdijen  waren in de middeleeuwen plaatsen waar bevoorrechten enige vorm van onderricht kregen. De laagste klasse van de bevolking bleef steeds uitgesloten.


    Nationale voorgeschiedenis 

    Frans Bestuur (1792-1814)

    In 1795 werd het ganse toekomstige België door Frankrijk bezet. Een jaar later, in 1796, werd de universiteit van Leuven afgeschaft en religieuze orden werden ontbonden.Tijdens de Boerenkrijg van 1798 tot 1799 komen de landlieden massaal in het verzet tegen de Franse bezetter.Tijdens het Bewind van Napoleon Bonaparte kwam het concordaat  met de paus tot stand waardoor o.a.de katholieke eredienst werd hersteld en de geestelijkheid werd bezoldigd.Napoleon werd op 18 mei 1804 tot keizer verheven en kwam er zware druk te liggen op de Kerk.Kerk en Staat werden gescheiden waardoor de  Kerk alle voorrechten verliest. De Staat eigende zich het monopolie toe van het onderwijs en zelfs van de opvoeding van de kinderen. Dat was voortaan regeringszaak. Maar de Kerk bleef een grote levenskracht uitstralen zelfs na het verlies van haar goederen. Voortaan is de Kerk van de Staat gescheiden maar ze behoudt zeker nog rechten door het Concordaat gewaarborgd.

     

    Hollands Bewind (1815-1830)

     

    Een belangrijke datum is 30mei 1814 want België wordt met Holland verenigd.

    Het Openbaar Onderwijs kreeg de volle aandacht van Willem I, immers men had het toen over “onze bedroevende achterlijke bevolking”.

    De koning besliste in zaken van bestuur en onderwijs dat niet vrij was. Hij schonk dan ook zijn volle aandacht aan het openbaar onderwijs. Vierduizend kosteloze lager scholen kregen gediplomeerde onderwijzers en in 1816 werden zeven athenea door de Staat geopend.

    In 1819 werd het Nederlands, ook in het Vlaamse deel, de officiële en nationale taal.

    De gevoerde godsdienstpolitiek van de koning zal echter de oorzaak zijn van de latere scheuring.

    De kloosterorden die voor een vrij onderwijs zorgden werden tegengewerkt en vanaf 1824 eiste Willem I van de onderwijzende orden een officiële vergunning en bekwaamheidsdiploma’s. Hij droomde tevens van een staatskerk.

    Vanaf 1827 waren drie stromingen actief: de liberalen, de liberale katholieken en de katholieken.

    In 1828 ontstond het katholiek-liberaal verbond. De katholieken deden toegevingen over de gelijkstelling van de godsdiensten en de liberalen erkenden de vrijheid van het onderwijs.

     

    Belgisch bestuur

     

    Van 10 november tot 4 juni 1831heeft “Het Nationaal Congres”plaats. De meerderheid bestond uit katholieke voorstanders van de moderne vrijheden. De bijna even grote groep van liberalen beleden toen nog voor het merendeel de katholieke godsdienst, een minderheid waren vrijdenkers.

    De Belgische Grondwet was klaar op 7 februari 1931.

    De Belgische grondwet waarborgde toen reeds de vrijheid van onderwijs (artikel 17) in een geest van ruime tegemoetkoming aan de vrijheid en aan de godsdienstigheid van de school, maar de katholieken wilden in het openbaar leven de leer van de Kerk doen zegevieren.

    Het openbaar onderwijs werd voor het eerst geregeld door de wet van 23 september 1842  “Krachtens de wet van 1842 op het lager onderwijs moest iedere gemeente op haar grondgebied ten minste één school hebben. In de meeste gemeenten werden vanaf dan, met staatstoelagen, nieuwe openbare scholen gebouwd, met als doel openbaar lager onderwijs in te richten.

    Het onderwijs, vooral het lagere, bleef de voornaamste inzet van de partijstrijd. In 1842 hadden beide partijen eendrachtig nog samengewerkt aan de eerste organische wet op het lager onderwijs maar na 1847 werd de liberale schoolpolitiek geleidelijk vijandig tegenover de godsdienst.

    1847 werd het jaar van de werkelijke onafhankelijkheid van het burgerlijk gezag tegenover de godsdienst én streefde men voor de organisatie van het staatsonderwijs in alle graden.

     

    Wet van 1881 op het middelbaar onderwijs. Gevolg: om het godsdienstonderwijs te redden richtten de katholieken over het hele land vrije scholen op, die zij met de grootste opofferingen in stand hielden… De bisschoppen en de geestelijken wezen de gelovigen op de plicht hun kinderen een godsdienstige opvoeding te geven. De regering verbrak zelfs de betrekkingen met Rome in juni 1880. Ondertussen was de partij van de Onafhankelijken ontstaan met als gevolg dat bij de  verkiezingen van 1884 de katholieken zegepraalden en de katholieke reactie daarop begunstigde de vrijheid en het godsdienstonderricht.

    De wet van 1895 van Woeste-Schollaert  verplichtte op zijn beurt het godsdienstonderricht in de scholen, behalve wanneer de vader er zich tegen verzette.

    Voortaan kon iedere vrije school die aan de wettelijke voorwaarden voldeed aangenomen worden. Vandaar dat wij destijds al eens school liepen in een Aangenomen  Meisjessschool of in een Aangenomen   Jongensschool.

    Namelijk, de conservatieven(katholieken) en de liberalen streden omde macht ten einde hun programma te verwezenlijken. Onder de katholieken waren dan nog twee stromingen; de liberale katholieken en de ultramontanen. In 1864 werden veel stichtingen opgericht ten voordel van het godsdienstig onderwijs in de officiële scholen. Toen kwam de schoolwet van 1879 , ook “ongelukswet” genoemd, gevolgd door de wet van 1881 op het middelbaar onderwijs. Genoeg om een schoolstrijd te ontketenen. Ten einde het godsdienstig onderwijs te redden richtten de katholieken over her hele land vrije scholen op die ze met de grootste opofferingen in stand hielden. Bovendien wezen de bisschoppen en de geestelijken een zware druk op hun gelovigen hun kinderen een godsdienstige opvoeding te geven. Vanaf februari 1879 werden van op de kansels een herderlijke brief van de Belgisch bisschoppen afgelezen. Die “vastenbulle” was “gericht  tot de huisvaders en tegen het anti-godsdienstig karakter van dit nieuw ontwerp. De brief eindigde met “Van de scholen zonder God en van de meester zonder geloof, verlos ons Heer.” De priester zou voortaan na elke preek deze zin voorzeggen. Het ministerie deed zijn beklag bij de paus van Rome om het gedrag van de bisschoppen te laken. Tevergeefs ! De betrekkingen met Rome werden in 1880 verbroken. Het buitensporig radicalisme deed een nieuwe partij ontstaan nl. de partij der onafhankelijken. Zij verzekerden in 1884 de zegepraal aan de katholieken.


    Richtlijnen voor leerkrachten uit het jaar des heren 1872

    De leerkrachten moeten iedere dag de lampen bijvullen en de schoorsteen vegen.
    Iedere leerkracht moet een emmer water meebrengen en een bak kolen voor de behoeften van de schooldag.

    Besteed veel zorg aan het maken van de pennen.
    Men kan de pennen aanpunten op de manier die het meest gewenst is voor iedere leerling afzonderlijk.

    Mannelijke leerkrachten mogen per week één avond besteden aan het werven van een echtgenote, of twee avonden per week indien ze geregeld ter kerke gaan.

    Na tien uur aanwezigheid in de school mogen de leerkrachten de resterende tijd besteden aan de lectuur van de Bijbel of andere nuttige boekwerken.

    Vrouwelijke leerkrachten die huwen of zich op het slechte pad begeven dienen ontslagen te worden.

    Iedere leerkracht, zal bij elke uitbetaling een behoorlijk deel van zijn verdiensten opzij leggen om ervan te genieten in de jaren dat hij aftakelt: zo wordt hij geen last van de gemeenschap.

    Iedere leerkracht die rookt, alcohol in enigerlei vorm tot zich neemt, kansspelen bijwoont, herbergen bezoekt of zich laat scheren in een barbierswinkel, zal terecht aanleiding geven tot argwanende bedenkingen over onkreukbaarheid en rechtschapenheid.

    De leerkracht die vijf jaar plichtsgetrouw en zonder fouten zijn taak heeft vervuld, kan een loonsverhoging van 25 cent per week ontvangen, mits akkoord van het Ministerie van Onderwijs.

    .

    Plaatselijke strijd

           “Ten gevolge van de wet  van 1842 werd langs de Capellestraat (nu Pontstraat) een school met bijhorend schoolhuis opgericht. Er liepen meisjes en jongens vanaf de leeftijd van 6 jaar school. Beschrijving van het schoolgebouw: er was één grote klas voor de jongens en een kleinere klas voor de meisjes. Het plafon was heel hoog en op de noordenmuur van de jongensklas was een grote platte grond van Nukerke geschilderd. De speelplaats met sanitair lag langs de Capellestraat waar ook de toegang tot de school was. De meisjes moesten zich tevreden stellen met een klein klaslokaal en een kleine speelplaats achter het gebouw, aan de kant van de Mere. Over de eerste gemeentelijke dorpsonderwijzer én oppermeester weten we het volgende. Pieter Amandus Germonprez oud 47 jaren gemeenteonderwijzer geboren te Kerkhove en wonende te Nukerke ten gehuchte Pontsstraet , gehuwd met Barbara Vanhoutte oud 39 jaar en geboren te Anseghem, komt de geboorte van hun kind Guido aangeven dat geboren werd op 11 september 1850. In 1853 werd in het gezin Ivo Bonifacius geboren.
    Het volgende
    schoolhoofd was Theofiel Gilleman.

    “ Theophiel Gilleman, was het eerste schoolhoofd van de gemeenteschool langs de Capellestraat (nu Pontstraat ) in Nukerke. Een zoon, Joseph, sneuvelde in het begin van W.O.I. De familie Gilleman was afkomstig van Petegem. De eerste vrouw van Theophiel was Marie Melanie Van Lancker. Op haar doodsprentje lezen we: ”Heden is de mensch, en morgen is hij verdwenen * bid voor de Ziel van Marie Melanie Van Lancker, echtgenoote van Theophiel Gilleman, lid der Kruiswegvereeniging geboren te Peteghem den 16 October 1856, en te Nukerke schielijk overleden den 22 Mei 1890.” Bidprentje gedrukt te “ Ronsse, sneldruk van Van den Daele.”


    Een zekere Marie, Chlotilde De Zaeytyd echtgenote van Theofphile Holderbeke gaf aan de meisjes handwerk. Chlotilde woonde iets verderop, nu woning met huisnummer 45. Daar had haar man Theophile een schrijnwerkerij en er was zelfs een herberg ondergebracht. Vooraan stonden drie grote, mooie linden, die gerooid werden bij de heraanleg van de Pontstraat in de 197O. In de volksmond heette het daar “aan kloaten fieli”. In een officiële akte lezen we ondermeer: “Het jaar negentien honderd, den twintigsten December om twee ure namiddag voor ons, Charles,Francis Van der Eecken, Burgemeester ambtenaar van den burgerlijken stand van de gemeente Nukerke zijn verschenen Theophile Holderbeke oud drij en dertig jaren timmerman en Hippoliet Van Lancker oud zeven en dertig jaren hoefsmid alhier beide alhier wonende en zijnde de eerste vader, de tweede gebuur van den overleden, dewelke ons hebben verklaard dat heden om negen en half ure voormiddag ten huize van eersten verschijneren ten gehuchte Capellestraat overleden is Holderbeke Urbain-Leopold oud zeventien maanden, alhier geboren en hier wonende, zoontje van eersten verschijner en van zijne huisvrouw Marie, Clothilde De Zaeytyd oud vier en dertig jaren kleermaakster alhier wonende.”


     Ook toen werd er een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Om de toestand van die tijd goed te begrijpen moet men zich kunnen inleven in de politiek-sociale toestand van die periode. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde, tot er uiteindelijk maar één kind (Florent Brugge) overbleef en de school definitief werd gesloten. Meester Gilleman  bleef nog enkele jaren in het leeg schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het  bewoond door Aloïs Norga  die het goed later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het schoolgebouw een mechanische maalderij  inrichtte. We weten verder van meester Gilleman dat zijn zoon is gesneuveld op de eerste dag van W.O.-I. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. Dat zou wel eens een fonograaf zijn geweest. Die werd uitgevonden in 1877 en wordt beschouwd als de voorlopers van de grammofoon. De meester zou driemaal getrouwd zijn: met een zekere Maes, een Claus en met Gusta Tonneau. Na zijn overlijden is zijn weduwe gaan wonen in het huis naast de  school (zie nr 14). Ze is gestorven in Sint-Denijs-Westrem in 1978. Onder het burgemeestersschap van Armand Vandeputte, dienstdoende burgemeester in de plaats van burgemeester T'Sjoen (buiten strijd wegens ziekte), werd in 1930-1931 langs de Holandstraat een nieuwe gemeenteschool gebouwd door een zekere Van Coppenolle uit Etikhove. Deze school omvatte naast het schoolhuis  twee  klaslokalen. Dit project kon verwezenlijkt worden door het feit dat Armand Vandeputte zich aansloot bij de liberalen. De tegenstanders dreven het zó ver te verkondigen dat het een “goddeloze school” was. In oktober 1986, werd dit gebouw, dat jarenlang en danig was verwaarloosd afgebroken en vervangen door een moderne constructie. De onverdraagzaamheid stak terug de kop op. Maar dat is weer een ander, lang verhaal. Tenslotte werd het nieuwe project op 17 september 1988 officieel ingehuldigd door burgemeester Michel Langie, die zich  volledig had ingezet voor de verwezenlijking van het project.
    Lees verder onder de rubriek " Geschiedenis van het gemeentelijk onderwijs"

     

    Het ontstaan van het katholiek onderwijs.
    Het katholiek onderwijs werd opgericht in 1879.

    De schoolstrijd van 1879 tot 1884 ging om het veroveren van de kinderzieltjes, zo kon men toentertijd lezen in bepaalde politieke pamfletten. De grondwet schreef “vrijheid van onderwijs” voor . Dit wil zeggen dat de staat moet instaan voor het openbaar onderwijs, in rechte, dat was althans het standpunt van de liberalen. Daar tegenover stond het standpunt van de katholieken die als standpunt hadden; “de Staat is volslagen onbevoegd om een nationaal onderwijs te leiden”. Na toegevingen vroegen ze in ruil dat de opvoeding en onderwijs in de openbare scholen op “den Godsdienst” zouden gesteund zijn. Uit een vergelijk tussen de twee partijen ontstond de wet van 1842.

    “Krachtens die wet behoorde het zedelijk en godsdienstig onderricht verplichtend tot het programma der lagere gemeentescholen. Dit onderricht werd in iedere school door de onderwijzer zelf gegeven, overeenkomstig den eredienst waartoe de meerderheid der leerlingen behoorde, en onder de waakzaamheid en leiding der bedienaars van dien godsdienst……

    In die tijd was het pover met de opleiding die de mensen hadden genoten. Immers, amper 49% van de kinderen kon lezen en schrijven.

    In 1840 telde België nochtans 5189 scholen waarvan 2284 vrije (katholiek) scholen.

    Vanaf 1875 schenen de katholieke weg te kwijnen want hun aantal daalde tot 958 terwijl het aantal gemeentescholen steeg tot 4157.

    In 1845 waren er lagere gemeentescholen, aangenomen scholen en vrije scholen.

     

    Ontstaan en evolutie van het katholiek onderwijs te Nukerke

    In 1877 deden de Z.E.H. Kan. Désiré Van Malleghem en zijn zuster Clémence, een klooster en een school bouwen te Nukerke. DE.H. Pastoor De Groote vroeg Zusters van Barmhartigheid om klooster en bewaarschool te bedienen.

    “In de buitenparochiën was ’t eene heele zaak, de katholieke school op te richten. Met groote plechtigheid werd er de eerste steen van gelegd onder de zegeningen der Kerk; dan droeg elk zijn offer bij en dikwijls zijnen arbeid. De gespannen der pachters en der eigenaars deden het vervoer; de materialen werden kosteloos geleverd; in menige plaats werkten metsers, timmerlieden en dekkers zonder loon; de armsten stelden zich om een drankje dienstbaar. De schoolplans, de bestekken, de indeling der klassen, de keus der meubileering waren het voorwerp van veelvuldige studiën in de schoolkomiteiten en in de drukpers. De beste bouwmeesters van het land hadden meêgewerkt om modelgebouwen op te richten. Vele zulke gebouwen, opgericht in den eenvoudigen en slanken gotische stijl, die alsdan in België, dank aan de beroemden baron Bethune, begon terug te komen, hadden een waarlijk aanvallig uitzicht; sommigen waren dusdanig geschikt, dat zij eens of morgen, mits eene geringe verandering, kleine landelijke godshuizen konden worden.” Uit “De schoolstrijd in België”.

    De eerste Zusters: Moeder Raphaël, Zuster Felicitas en Zuster Birgitta kwamen er den 8ste  Juli 1877 toe, en werden er aan de goede zorgen van den E.H. Pastoor toevertrouwd., die aan de Zusters het aller nodigste bezorgde en 100fr per Zuster aan het Moederhuis zou uitbetalen. De Zusters van de Bewaarschool kenden groten bijval: na 8 dagen waren er reeds 81 kinderen. In 1879 werd een jongensklas naast het klooster gebouwd, waar een onderwijzer fungeerde. Tijdens de schoolstrijd 1879-1884 stond het klooster twee lokalen af voor de school. In een dier klassen gaf Zuster Reinilde, later Algemene Overste, het onderricht. In 1884 worden Lagere- en Bewaarschool aangenomen.

    Het leven der school heeft nu zijn normaal verloop: uitbreiding en verbeteringen naarmate de schoolbevolkingtoeneemt of de eisen der hygiëne en gereiflijkheid zich deden gelden.

    Mei 1940 bracht over ’t klooster degrote beroerte. Reeds den 12 Mei kwamen de eerste vluchtelingen. De scholen werden ontruimd en ingericht als nachtverblijf. Den 20ste Mei warende Duitsers daar. Zij eisen gans het gelijkvloers van ’t klooster voor hun gekwetsen; de Zusters met de weesjes werden naar den kelder verwezen, waar ze een akeligen nacht doorbrachten.  s ‘ Morgens, na herhaaldelijk kloppen op de deur mochten een paar Zusters er uit om bij een gebuur koffie en brood te halen. Ze moesten weer de kelder in om 8 u. Als ze boven kwamen lag alles vol soldaten. Dan maar naar de klas van den 4den graad om wat eten voor te bereiden. Ondertussen brachten ze maar gedurig gekwetsten en bij ‘t vallen van den avond verhuisden de Zusters naar ’t hospice en namen in der haast alles mee wat ze konden. ‘s Anderendaags gingen ze vlug een kijkje nemen; alle klassen waren open gebroken en veel was geroofd. Den 30ste Mei werden de klassen ontruimd. Nu konden de Zusters een groot deel van hun inboedel onderbrengen en er met de kinderen slaapgelegenheid vinden. Den 1ste  Juni vertrokken alle soldaten , en nu werd er van alle kanten bijgesprongen: Zusters, schrijnwerkers, kinderen, sjouwden, droegen, kuisten, timmerden met een koortsige bedrijvigheid, zodat op één dag het klooster weer bewoonbaar werd.

    Enkele dagen later kwam nog eens een groep soldaten de rust storen voor enkele uren. Gauw werd echter weer alles in orde gebracht. Verder verliep alles rustig.(uit een kroniek van toen)
     

     

                                            Geschiedenis van de school op het Holand.

    Eerste onderwijsvorm in Nukerke

     

    Het volksonderwijs in Nukerke nam een aanvang in de 18de eeuw. De parochie Melden-Nukerke kreeg z’n eerste onderwijsvorm in 1713 toen een zekere Piet Spileers een beurs stichtte om de arme kinderen te leren lezen en schrijven. De hoofdzaak was de jongeren in de katholieke godsdienst op te voeden. De eerste onderwijzer zou ene Jan Georges Signor zijn geweest. Een “Duitschman hier toegekomen met het duitsche leger”. Hij gaf onderricht van 1719 tot 1729. Veel moet je je van dat onderricht niet bij voorstellen; de dames en heren voor de klas waren in die tijd gewone “goede zielen” van de parochie die soms zelf met moeite konden lezen en schrijven. Ze hadden geen diploma. Kwamen in aanmerking om te onderrichten: “een juffrouw”, de koster, de onderpastoor…

    Nukerke wordt vanaf heden, sinds de Franse Revolutie, op de kaart gezet. Een belangrijke beslissing van het gemeentebestuur was de aanstelling van een dorpsonderwijzer. In de annalen vinden we een zekere Pieter Amandus Germonprez die in 1833 naar Nukerke verhuisde. Aangezien er toen nog geen schoolgebouw voor handen was gaf hij waarschijnlijk onderricht afwisselend in groepjes en waarom niet bij hem thuis. We stellen ons voor dat de kinderen toen in zeer beperkt mate de lessen volgden. Veel plattelandsmensen zagen daar de behoefte nog niet van in. En… het was toen voor de onderwijzer van de gemeenteschool nog de “goeden ouden tijd”! Er was immers nog geen concurrentie; het katholiek onderwijs was nog in wording ! Maar eerst enkele richtlijnen die de leerkrachten in opdracht van het ministerie moesten in acht nemen.

    Eind 19de begin 20ste eeuw: er woedt een plaatselijke schoolstrijd

           “Ten gevolge van de wet  van 1842 werd langs de Capellestraat (nu Pontstraat) een school met bijhorend schoolhuis opgericht. Er liepen meisjes en jongens vanaf de leeftijd van 6 jaar school. Beschrijving van het schoolgebouw: er was één grote klas voor de jongens en een kleinere klas voor de meisjes. Het plafon was heel hoog en op de noordenmuur van de jongensklas was een grote platte grond van Nukerke geschilderd. De speelplaats met sanitair lag langs de Capellestraat waar ook de toegang tot de school was. De meisjes moesten zich tevreden stellen met een klein klaslokaal en een kleine speelplaats achter het gebouw, aan de kant van de Mere.  Het schoolhoofd was Theofiel Gilleman. Een zekere Marie, Chlotilde De Zaeytyd echtgenote van Theophile Holderbeke gaf aan de meisjes handwerk.  Chlotilde woonde iets verderop, nu woning met huisnummer 45. Daar had haar man Theophile een schrijnwerkerij en er was zelfs een herberg ondergebracht. Vooraan stonden drie grote, mooie linden, die gerooid werden bij de heraanleg van de Pontstraat in de 1970. In de volksmond heette het daar “aan kloaten fieli”. In een officiële akte lezen we ondermeer: “Het jaar negentien honderd, den twintigsten December om twee ure namiddag voor ons, Charles,Francis Van der Eecken, Burgemeester ambtenaar van den burgerlijken stand van de gemeente Nukerke zijn verschenen Theophile Holderbeke oud drij en dertig jaren timmerman en Hippoliet Van Lancker oud zeven en dertig jaren hoefsmid alhier beide alhier wonende en zijnde de eerste vader, de tweede gebuur van den overleden, dewelke ons hebben verklaard dat heden om negen en half ure voormiddag ten huize van eersten verschijner en wonende ten gehuchte Capellestraat overleden is Holderbeke Urbain-Leopold oud zeventien maanden, alhier geboren en hier wonende, zoontje van eersten verschijner en van zijne huisvrouw Marie, Clothilde De Zaeytyd oud vier en dertig jaren kleermaakster alhier wonende.”

     Ook toen werd er een plaatselijke schoolstrijd tegen een openbare school uitgevochten. De pastoor Dutordoir predikte tegen de liberale school. Om de toestand van die tijd goed te begrijpen moet men zich kunnen inleven in de politiek-sociale toestand van die periode. Na 1930 begon het mank te lopen met de school, het aantal kinderen verminderde tot er uiteindelijk maar één kind (Florent Brugge) overbleef en de school definitief werd gesloten. Meester Gilleman  bleef nog enkele jaren wonen in het schoolhuis naast het lege schoolgebouw wonen. Na zijn dood werd het schoolgebouw als schrijnwerkerij ingericht. Nadien werd het  bewoond door Aloïs Norga  die het goed later doorverkocht aan de familie Hector Van Moorleghem, die in het schoolgebouw een mechanische maalderij  inrichtte. We weten verder van meester Gilleman dat zijn zoon is gesneuveld op de eerste dag van W.O.-I. Uitzonderlijk voor die tijd was het feit dat meester Gilleman een “spreekmachine” had. Hij zou ook driemaal getrouwd zijn, met een zekere Maes, een Claus en met Gusta Tonneau. Na zijn overlijden is zijn weduwe gaan wonen in het huis naast de school (nu huisnummer 14). “

     

    “ Theophiel Gilleman, was het eerste schoolhoofd van de gemeenteschool langs de Capellestraat (nu Pontstraat ) in Nukerke. Een zoon, Joseph, sneuvelde in het begin van W.O.I. De familie Gilleman was afkomstig van Petegem. De eerste vrouw van Theophiel was Marie Melanie Van Lancker. Op haar doodsprentje lezen we: ”Heden is de mensch, en morgen is hij verdwenen * bid voor de Ziel van Marie Melanie Van Lancker, echtgenoote van Theophiel Gilleman, lid der Kruiswegvereeniging geboren te Peteghem den 16 October 1856, en te Nukerke schielijk overleden den 22 Mei 1890.” Bidprentje gedrukt te “ Ronsse, sneldruk van Van den Daele.”

    Hij huwde drie maal. Tijdens zijn derde huwelijk met Gusta Tonneau werden 2 zonen geboren. De oudste, Joseph-Theofiel-Guido, werd geboren op 13 juli 1918. Tijdens zijn beroepleven was hij werkzaam als technisch tekenaar bij New Holland. Deze heeft tevens een aantal patenten op zijn naam staan onder de naam van Joseph TG Gilleman. Hij woonde destijds in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 6 kinderen en 7 kleinkinderen. De tweede zoon, Marcel, werd geboren op 8januari 1923. Ook hij was later te werk gesteld bij New Holland. Hij werkte er als human recources medewerker, woonde in Sint-Denijs-Westrem, was getrouwd en kreeg 2 kinderen en 6 kleinkinderen. Hij overleed op 6 april 1986. Gusta is na de dood van Theofiel van Nukerke verhuisd naar Sint-Denijs-Westrem nadat ze eerst woonde in het villaatje nr. 14 naast de oude school. Ze is overleden in 1978.”(veel gegevens bereikten ons via Sarah Gilleman, een achterkleindochter van Theofiel)

     

    Jaren 30 met bouw van een nieuwe gemeenteschool

    Onder het burgemeestersschap van Armand Vandeputte, dienstdoende burgemeester in de plaats van burgemeester ‘T Sjoen (buiten strijd wegens ziekte), werd in 1930-1931 langs de Holandstraat een nieuwe gemeenteschool gebouwd door een zekere Fedor Vancoppenolle uit Etikhove. Deze school omvatte naast het schoolhuis twee klaslokalen. Dit project kon verwezenlijkt worden door het feit dat Armand Vandeputte (katholieke partij) zich aansloot bij de liberalen. De tegenstanders dreven het zó ver te verkondigen dat het een “goddeloze school” was. In oktober 1986, werd dit gebouw, dat jarenlang zodanig was verwaarloosd, afgebroken en vervangen door een moderne constructie gebouwd door BBC. De onverdraagzaamheid stak terug de kop op. Maar dat is weer een ander, lang verhaal. Ten slotte werd het nieuwe project op 17 september 1988 officieel ingehuldigd door burgemeester Michel Langie, die zich volledig had ingezet voor de verwezenlijking van het project.

    Periode 1930-1968

    Na de teloorgang van het gemeenteschooltje, gelegen langs de Pontstraat,  plande het gemeentebestuur in 1930 een nieuwe school. Om alle polemiek te vermijden met de parochiale scholen werd geopteerd de school ver van de dorpskern te bouwen. De nieuwe gemeenteschool zou op ’t Holand komen. centraal gelegen, wel is waar  in een heel dun bevolkt gehucht dat hoofdzakelijk bestond uit landbouwbedrijven. Met de nieuwe inplanting op “Den Dries” wou het bestuur ook een oplossing bieden voor de bewoners die tegen het Nukerkes bos woonde op het gehucht Louise-Marie. In oorsprong werd een lap grond voorzien aan de hoek Hoolandstraat-Weystraat. Daar werd na wat gepalaver echter vanaf gezien en werd er gekozen voor een afhellend stuk weiland van Richard Vanderbeke. Deze lap grond grensde aan diens woning (nu Holandstraat 20) . Daar baatte zijn vrouw een winkeltje uit van kruidenierswaren. Kwatongen beweerden dat die hele beslissing een politieke koehandel was.

     In de lente van 1931 was de firma Fedor Vancoppenolle uit het Bakkerbos te Nukerke,  klaar met het gebouw, bestaande uit 2 klassen, een klein lokaal dat dienst deed als keuken, twee speelplaatsen gescheiden door een muur van betonplaten, een klein afdak, een toiletgebouw (zeg maar “vertrekken”) en een kolenhok.  Op 1 mei werd gestart met 2 leerkrachten: De Merlier Fedor werd schoolhoofd en Gremonprez Cécile werd als kleuterleidster aangesteld. Ze werd tevens belast met het vak vrouwelijke handwerken aan de meisjes van de lagere klas. 20 kleuters en 39 leerplichtige kinderen werden die eerste meidag ingeschreven. Tegen het einde van het schooljaar was het aantal leerlingen opgelopen tot respectievelijk 29 en 42. Het aantal leerlingen bleef echter stijgen zodat op 29 november 1932 mevrouw De Ronne-Herregat Julia benoemd werd tot kleuteronderwijzeres, terwijl Gremonprez Cécile werd benoemd tot lagere onderwijzeres. De volksvertegenwoordiger A.Amelot uit Zingem zou een grote rol hebben gespeeld bij de benoeming van sommige leerkrachten. Gedurende de periode april-juni 1937 werd een kleuterklas aan de zuidkant van het bestaande gebouw toegevoegd. Ook het schoolhuis werd dat jaar gebouwd en was op 1 juni 1938 beschikbaar.

    De speelplaats die oorspronkelijk bestond uit grind werd in 1952 verhard met betonstenen. Een fietsenbergplaats  kwam er in 1961. Na de schooluren deed dit gebouwtje dienst als garage. De steenkoolkachels werden pas in 1967 vervangen door  stookoliekachels. Deze verbetering kwam er onder druk van de hogere overheid omdat het gemeentebestuur voordien subsidies, die aan de school toekwamen, voor andere doeleinden had gebruikt. De stookolie tank lag in het vroegere kolenhok, naast de garage. Drinkwater (leidingwater) kwam er pas in 1975. Voordien was er een “steenput”  in de boomgaard . Vanuit de keuken werd het water met een handpompje naar boven gepompt. In dat zelfde keukentje kregen de meisjes van de 4de graad kookles. Er waren geen voorzieningen; enkel een arduinen pompsteen met een zware handpomp en in de hoek een fornuis waarop werd gekookt. Dit antiek kolenfornuis ging in 1968 naar de ijzerhandelaar. Bij de afbraak van de school bleek dat men er niet beter op had gevonden het regenwater van de speelplaats op te vangen in een regenput. Met het handpompje, tegen de muur van het afdak, pompte men dat water op om er de klaslokalen mee te kuisen.

    Tijd voor een anekdote

    Pastoor Dutordoir had in het heetst van de schoolstrijd zelfs luid verkondigd dat hij nooit of ter nooit een voet zou zetten in de gemeenteschool en dat hij er zeker geen catechismusles zou onderrichten. Het gemeentebestuur nam dat niet. Armand Vandeputte en Henri Van Maelsaeke schreven een klachtbrief naar het bisdom. Enige tijd later moest de pastoor de parochie verlaten om directeur te worden in een klooster.

    De nieuwe pastoor werd Reyns. De maandag na zijn inhuldiging stapte daar halfweg  in de voormiddag toch wel die nieuwe pastoor en zijn zus ’t Holand op richting gemeenteschool  met twee maanden boterkoeken. Daar werden alle leerlingen getrakteerd op boterkoeken en chocolademelk. Op die wijze wou pastoor Reyns de relatie met de gemeenteschool weer goed maken.

    Vanaf 1937 waren de drie klassen als volgt verdeeld: een kleuterklas, de klas met 1ste, 2de en 3de leerjaar en de klas vanaf het 4de tot en met het 8ste leerjaar. De meeste leerlingen waren kinderen uit het landbouwmilieu. Talrijk waren toen nog de “koeplekjes” met enkele “bunders” (ha) land. Terwijl de meisjes van de hoogste klas handwerk of huishoudkunde leerden, trokken de jongens met de meester naar de boomgaard met kippenhok of naar de moestuin waar ze leerden zaaien en oogsten. Alles moest worden onderhouden. Er was zelfs een duivenhok op de zolder van het schoolgebouw. Ook daar leerden de kinderen de liefde voor het vak. Voor die tijd een praktijk-gericht-onderwijs. Immers tot de jaren vijftig genoten praktisch alle kinderen enkel lager onderwijs; ze verlieten op 14 jarige leeftijd de school om aan het beroepsleven te beginnen. Enkele vooruitstrevende, begoede  ouders, veelal landbouwers,  lieten hun zonen het middelbaar onderwijs aanvangen. Meisjes moesten niet verder studeren want die werden sowieso in het huishouden ingeschakeld of gingen “dienen” bij een rijke familie in de stad. Na de W.O.-II veranderde de tijdsgeest en kreeg de school meer aandacht.

    De oorlogsjaren met hun armoede en honger waren nog maar pas voorbij maar de noodzaak bleef om de kinderen te leren hoe ze in hun basisbehoeften konden voorzien.  Een andere reden waarom tuinbouw in het lessenpakket paste was het feit dat de school een plattelandsschooltje was, midden de velden en weiden. Landbouw was immers de grootste activiteit van de bewoners en minstens één zoon zou later vader opvolgen op het erf. De meeste landbouwerskinderen hielpen de ouders op het erf voor én na de schooltijd.

    De meisjes van de vierde graad kregen een totaal ander programma. Natuurlijk de gemeenschappelijke lessen als rekenen , taal,  godsdienst en de andere kennisvakken waren gemeenschappelijk. De expressievakken kwamen wekelijks aan de orde. De meisjes werden voorbereid op het huishouden. Het leerplan voorzag voor de meisjes een rubriek “ huishoudelijke vakken” zoals koken en bakken, wassen en plassen, breien , naaien en haken en al van dies meer. Ook het kuisen was een onderdeel van het programma. Zo gaven de jongens en de meisjes met regelmaat de klassen een grondige beurt. Een kuisploeg was er nog niet. Voor al die kook- en breikunst  beschikte de school over heel weinig infrastructuur.  In het schoolgebouw met drie klassen was er een lokaaltje van amper 3 op 4 dat men de keuken noemde. De schooldokter kreeg dit lokaaltje toegewezen als kabinet voor het onderzoek van de leerlingen. Landkaarten werden toen gebruikt om de half ontklede kinderen van privacy te voorzien.

    De steenput in de boomgaard, amper 6 m diep, voorzag de school van water, al of niet drinkbaar. Er was één tafel en een paar stoelen met biezen zittingen. Naar verluidt zou ook  keuken (soms noemde men dat schotelhuis) van het schoolhuis dienst hebben gedaan als verlengstuk van de school. Daar leerden de oudste meisjes soep koken. De kinderen die op school hun boterhammetjes verorberden konden nadien tegen betaling een kom soep bekomen. Jaren gingen  voorbij .. de schoolbevolking groeide langzaam aan. De stadsscholen wenkten en sommige ouders vonden dat hun kinderen Frans moesten kennen om door het leven te gaan. Reeds vóór W.O.-11  werden veel boerenzonen naar Ronse, Leuze, Ath, Lessen, Celles, Pecq… gestuurd. In de jaren 30 was er in Berchem, aan de Schelde, in de Kloosterstraat een technisch instituut voor meisjes waar Frans de voertaal was.(zie verhaal bij Leontine)

    Het schoolmeubilair in de twee lagere klassen stelde toen niet zó veel voor. Onder het bord lag een “trede”, u weet wel, dat verhoogd houten podium waarop de pupiter van de juffrouw of de meester stond. Daarop heeft menig kind wel eens op zijn knieën gezeten. De duur van die straf stond in verhouding tot de zwaarte van de fout. Aan de muur vooraan hing een houten bord dat om het jaar met bordverf moest overschilderd worden want die verf versleet of pelde af . Onderaan het bord hing een houten passer, een meetlat, een houten graadboog en een stokmeter met metalen uiteinden.

    De leerlingen namen plaats op die fameuze zware, houten schoolbanken. De laatste bankjes werden verkocht in 1971aan 50fr het stuk. Het waren banken  met een vast schrijfpaneel en te midden  een porseleinen inktpotje, met een dekseltje (meestal  afgebroken). Wie herinnert zich nog de lessen “schoonschrift” ? In een dun schriftje  moest worden met inkt geschreven. Een gedichtje én de nieuwjaarsbrieven werden met heel veel aandacht geschreven. Plots gebeurde een onheil! Plets! Een inktvlek midden op het grauwkleurige blad. Paniek bij het kind. Bij bevel :”Pennen neer!” werd de pen of griffel naast het potlood in de uitsparing aan de bovenrand van het schrijfplaat gelegd. Om vier uur werden de pennen opgeborgen in een houten pennendoos.  Tot halfweg de jaren 60 gebeurden veel schrijfoefeningen op “den buiten” nog met lei en griffel.

    En dat belangrijkste schrift, noemde dat niet “ Kladschrift” met die vervelende tafels op de achterflap. Als je het waagde in dat kladschrift met inkt te schrijven dan moest je flink oppassen of de uitlopende inkt zorgde algauw voor een klein schilderijtje. Gelukkig was de bic in aantocht. We waren gered. Geen boze blikken of uitbranders meer! Precies af we konden daaraan wat verhelpen. Wie herinnert zich nog de schriftjes “de zaaier”? Die waren van betere kwaliteit.

    Het weinige schoolgerief werd op het einde van de schooldag opgeborgen in het vak onder het schrijfvlak. Wie niet moest “schoolblijven” kon naar huis. Een boekentas hadden we niet. Dat was niet nodig, toch niet  om enkel de catechismus mee te nemen. Dat was zo’n half versleten boekje dat al jaren de tour van de klassen deed. En om een modern woord te gebruiken weet je nog welk didactisch materiaal de juffrouw of de meester gebruikte? Ja, die kartonnen wandplaten over de bijbel, de liturgie, de bij, de delen van de plant,…Tegen de achterwand  hing  die vergeelde kaart van Nukerke;  gewoon het stratenplan en de namen van de buurgemeenten, zoals Sulsique, Ronse … De school in Nukerke beschikte zelfs over tinnen inhoudsmaten. Wat een luxe! In het eerste leerjaar leerden de kinderen lezen d.m.v. die fameuze leeskaartjes die behoorden tot de leesmethode. Eerst de lettertjes leren en daarmee dan woorden vormen. De klassen waren gemengd terwijl de jongens en de meisjes op de speelplaats gescheiden werden.  Seksuele opvoeding kwam er pas via de Schooltelevisie van de beginjaren 70, ten tijde van Roland Verstraelen. De enige kleuterklas was bemeubeld met lage houten tafeltjes waarrond de stoeltjes stonden.

    In ’t midden van elk van de drie klassen stond een kolenkachel; zo’n zwarte cilindervormige ijzeren mantel op vier pootjes. s’ Winters mochten de kinderen er hun drinkbus (pul) op zetten.  

    Bij verstrooidheid of vergetelheid is menig pul bijna ontploft en spatte soms de inhoud tot op het plafond.Niet vergeten dat er kolen op de kachel moesten. Het hete deksel liet men openvallen. Soms leek wel een vuurspuwer uit die vuurmond te springen. Die blies dan een stinkende zwarte walm uit. Vlug kolen gieten in die vuurmond. Dan klep dicht!. Gevaarlijk…. Kinderen mochten daar niet aankomen. Wie dichtbij zat zag er soms uit als een gloeiend kooltje. Wie aan het venster zat had het koud. In de winter bleven de klompen in de gang staan. Dikke wollen sokken hielden de voetjes van de kinderen warm.

    Maar de vooruitgang ging snel. Het onderwijs werd meer en meer gedemocratiseerd en zodoende toegankelijk gemaakt voor iedereen. De stadsscholen kregen een grote aantrekkingskracht terwijl de plattelandsscholen in de verdrukking kwamen. Deze kregen immers het etiket opgekleefd dat ze de kinderen niet voldoende voorbereidden op een voortgezet en hoger onderwijs. Meer en meer  ouders die wensten dat hun kinderen een diploma behaalden trokken hun kinderen vanaf de leeftijd van 12 jaar (soms ook eerder) uit de school weg en stuurden ze naar Ronse of Oudenaarde. Het eens zo rustig dorpsleven werd verstoord. Was voorheen de verstandhouding tussen de beide onderwijsnetten goed – de beide scholen gingen zelfs samen op schoolreis onder de leiding van de pastoor – de concurrentie kon niet uitblijven en grote middelen zullen worden ingezet. Men zei al eens spottend dat “de jacht op de zieltjes werd ingezet!”

    Periode 1968- 1980

    Hierna volgt het reilen en het zeilen van de school en dit soms tot in de details.

    Het werd 1968, een nieuwe start onder een slecht gesternte. De benoeming van een nieuw schoolhoofd was in zicht. Onder de kandidaten had Hedwig Vandenabeele wel de meeste kans. Hij voldeed aan alle voorwaarden en was een rasechte Nukerkenaar. Alhoewel ! Er zaten adertjes onder het gras. Tijd dus voor politieke spelletjes. De gemeenteraad was toen als volgt samengesteld: 5 zetels voor de CVP, 3 voor de liberalen en 1 zetel voor de socialisten. Dagen vóór de bewuste gemeenteraad speelde het jong CVP-raadslid cavalier seul want hij vond het nuttig om me zijn brommertje naarj A. Schoelinck in Ronse (voorzitter van het COO) te stomen om zijn oren te luister te leggen in verband met de politieke gezindheid van de vrouw van de kandidaat. Was dat de voorbode voor de latere strijd ? De openhartige en goedlachse A. Schoelinck, die helemaal niet de politieke gezindheid kende van de familie, stuurde de man terug naar Nukerke met :” Och man , je kan op je twee oren slapen, dat is op en top CVP !” En de stemming kon doorgaan tijdens de zitting van 11 juni 1968. Was het toen geen geheim dan nu zeker niet meer, 4 CVP-verkozenen én 1 oppositielid stemden voor de kandidaat. Het waren met name burgemeester André Hubeau,  Cyriel Verhellen, Marc Capiau, Etienne Lippens én Georges Decuyper (liberaal). Felicien Verroken(CVP) echter onthield zich. De andere leden van de oppositie zoals daar waren, Denis Vander Beken, Maria Van der Donckt en Michel Langie, stemden tegen.

    Gelukkig kon de school op 1 september zonder verdere problemen van start gaan. Eind december ’68 ging Martha Deventer op rust en werd Cécile Roman in haar plaats aangesteld met ingang van 1 januari 1969. Vanaf  dan startte een team jonge leerkrachten. Dat team was van plan tegen heug en meug  het beste van zichzelf te geven om de gemeenteschool nog een generatie in leven te houden.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    01-11-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    31-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geschiedenis van het gemeentelijk onderwijs (vervolg)

    Dankzij een grote inzet groeide, “tot spijt voor wie ‘t benijdt!”,  het aantal leerlingen jaar na jaar aan. Het ontbrak de school aan infrastructuur; geen stromend water, geen telefoon, er was plaatsgebrek, de verwarming deed het niet bij hevige vorst (de mazout stolde in de leidingen) … bovendien verkommerde het gebouw. Er vielen stukken plaaster naar beneden in een klaslokaal. Een klapvenster viel beneden op 20 cm van een leerling… Bij een bezoek van de hoofdinspecteur Van Istendael werd het schoolgebouw omzeggens afgekeurd. De inspecteur stuurde het schoolhoofd met een brief naar de burgemeester waarop werd medegedeeld dat de school haar subsidies zou verliezen indien er geen verbeteringswerken zouden worden uitgevoerd. Het laconieke antwoord van burgemeester was: ”Ze kunnen ons toch niets doen zolang als wij met plannen bezig zijn!” Welke plannen dat waren weten we nog niet. xml:namespace prefix = o />

    Vanaf de jaren 1973 groeide het besef dat het schoolteam het niet  alleen zou halen. Dus werd er een beroep gedaan op de ouders. Dát waren immers de “kiezers”. Een ouderraad werd opgericht in 1972. Doel: druk te zetten op de I.M. De ouders streden voor een volwaardig onderwijs in hun eigen dorp. In die periode werd er ook contact opgenomen met de toenmalige voorzitter van de CVP, Henri Gottigny, om zijn CVP- groep in de gemeenteraad op andere gedachten te brengen. Hij verzekerde ons daarover te praten want “een goed gemeentelijk onderwijs is de vlag van de gemeente”. Aldus de woorden van een ex-schepen van onderwijs in Ganshoren. Achteraf gezien hebben zijn wijze woorden niet te veel indruk gemaakt op zijn discipelen.

    Het werd 1 september 1976. Wegens verhuis van het schoolhoofd kwam  het schoolhuis vrij. En wat denk je? Ruimte voor de schooluitbreiding? Jawel!? Het bestuur verhuurde de woning onder de neus van de schoolgemeenschap aan een inwoner die zijn kinderen naar de vrije school stuurde. Zuivere provocatie! Toen het gezin in 1987 verhuisde werd het schoolhuis na veel poespas eindelijk ter beschikking gesteld  van de school . Zo werd de grote slaapkamer vooraan het klaslokaal van de derde graad terwijl de 2de kleuterklas in de vroegere woonkamer onderricht kreeg. Wat een luxe... een klaslokaal van 3 op 4 ! Ondertussen bleef het bestuur hardnekkig weigeren te investeren in HUN school. Hun leidmotief bleef: ”eerder vroeg dan laat verdwijnt die school toch!”

    Een jaar na de fusie van de scholen kreeg ook de  kinderen  van de  Gemeenteschool te Nukerke het recht op een schoolbus. De leerlingen van de vrije school werden vervoerd met particuliere wagens. Op de smalle Nukerkse wegen gebeurde het al eens dat zo’n particuliere wagen midden op de weg bleef staan om zo de doorgang van de bus te verhinderen. Daarbij klonk al eens verbaal geweld vanwege de buschauffeur. Zo te zien geen stichtende voorbeelden in aanwezigheid van kinderen. Of niet soms?

    De turbulente jaren 80

    We werden slachtoffer van ons eigen succes. De school trok meer en meer kleuters aan. Op 1 oktober 1980 werd zelfs een tweede kleuterklas opgericht. Een kleuterleidster werd aangesteld vanaf 2 oktober 1980. Een lokaal was er niet. Dus alle kleuters in één klas met 2 kleuterleidsters of met een groepje kleuters in het keukentje van nog geen 4 op 4, op grote houten zitbanken. Niet te begrijpen in de 20ste eeuw! Na veel getalm werd het "afdak" afgesloten en werd er een primitief klaslokaal in ondergebracht. Al die voorlopige verbeteringswerken lagen niet zó maar voor de hand. De minste beslissing of zaak had veel voeten in de aarde. Neen, niet alles liep van een leien dakje. Ook in deze zaak nam het schepencollege nooit spontaan enig initiatief. Alle ideeën moesten vanuit de school komen. Ondertussen waren het schoolteam én de ouders het beu vast te stellen hoe weinig interesse het gemeentebestuur had in hun school. Daarop werd door de ouderraad beslist op 5 februari 1981, tijdens de gemeenteraad, een grote protestactie te voeren onder de CVP-slogan “Omdat mensen belangrijk zijn”! Grote paniek natuurlijk!

    Enkele anekdotes .

    Zaterdag 4 september 1982 beslist het schepencollege om de bus van het leerlingenvervoer die voor Nukerke rijdt van af 6 september niet meer tot op het dorpsplein van Etikhove te laten rijden. Reden ? De bus zou eventueel Etikhoofse kinderen meebrengen naar de gemeenteschool en dat wou men vermijden.

    De  toenmalige schepen van openbare werken liet in de Zakstraat het verkeersbord (C3)  plaatsen zodat de schoolbus geen doorgang meer had en een grote omweg moest maken. Dat verkeersbord werd na protest bij het gemeentebestuur na enkele dagen weggenomen.

    In de Turkyestraat woonde een huisgezin waarvan de kinderen naar de gemeenteschool gingen. Om daar te geraken moesten de kinderen de los nemen om tenslotte de Tenholeweg te bereiken. In natte seizoenen ploeterden de kinderen tot over hun enkels door de modder. De brave huisvader Georges trok naar burgemeester Hubeau om te vragen daar in de los een “camionske gravie” te storten. De burgemeester kon dat natuurlijk niet weigeren. Maar, die “gravie” kwam er nooit. Op de vraag van het schoolhoofd waarom dat niet doorging antwoordde de goede burgervader :”Mijne schepen van openbare werken wil dat niet uitvoeren”.” Maar daar kunt gij toch wel iets aan doen zeker? “ “Ja, maar ge kunt toch niet altijd ruzie maken!” En de zaak was af. Tussen haakjes, die brave huisvader was niet bij dezelfde ziekenbond als die van de schepen.


    Het moet wel lukken dat de leerlingen van het 6de jaar jaarlijks in de prijzen viel t.g.v. een opstelwedstrijd uitgeschreven door de NSB-Oost-Vlaanderen. Het werd gebruikelijk dat tijdens de herdenkingsviering op 11 november aan “’t steen” de laureaten een geschenkje ontvingen van de voorzitter van de Nukerkse oudstrijdersbond. Na een paar jaar stak dat natuurlijk de ogen uit en was dat een héél pijnlijke doorn in het oog van de opposanten van de gemeenteschool. Het werd 11 november 1987. Van zodra de voorzitter het woord richtte tot de flinke leerlingen hadden het Nukerks cvp-gemeenteraadslid (M.B) én de vertegenwoordiger (N.V.M.) van de ouders van de vrije school het lef om aan de aanwezige kinderen van die school de richtlijn te geven uit protest deze officiële vaderlandlievende plechtigheid in groep én onder leiding van de twee eerstgenoemde te verlaten. Weliswaar een weinig stichtend voorbeeld!


    Het werd september 1984. Er waren voldoende leerlingen om een derde lagere klas op  te richten. Nu barstte de school echt uit  haar voegen. Weer bleek de school te lijden onder haar succes. Nog meer plaatsgebrek en te weinig lokalen,  een deftige refter ontbrak, middeleeuwse toiletten, geen comfort…. . Er was zelfs geen afdak voor  de 100-tal kinderen. Niemand van het gemeentebestuur die er om maalde. De oppositie sprong bij om een oplossing te zoeken. Er moest héél dringend een oplossing komen. Bijbouwen, nieuwbouw, containers, een keet….Voorlopig kwam daar niets van in huis. Ouders namen het initiatief. Iemand wist een keet te koop staan en belde er heen. Toen moet het wel eens gestoven hebben in het schepencollege want half september schoten de burgemeester Michel Langhie en de schepen van onderwijs Richard Vanderlinden uit de startblokken. Wie nam ook al weer het initiatief om bij boer Marc Devenijns te vragen of daar soms de “schone” plaats kon ter beschikking gesteld worden als uitwijkplaats voor de school. Uit pure compassie met de kinderen heeft Marie-Claire op 17 september vlug toegestemd. Bij een bezoek van de burgemeester en schepenen Vanderlinden en Desmet aan de “boerderijklas” op dinsdag 18 september werd de financiële en praktische kant van de zaak besproken. Om 15uur  kwam de kantonnale inspecteur poolshoogte nemen en die zelfde avond nog werd een vergadering belegd met het schepencollege en de inspectie over de aanstelling van een leerkracht én over de spoedoperatie om tot een nieuwbouw over te gaan.

    Op woensdag 26 september komt de burgemeester persoonlijk met een elektricien om bijkomende verlichting te plaatsen. Verder werd besproken: de veiligheid (hoge treden aan de voordeur), verven en behangen, verwarming. Die werken zouden worden uitgevoerd met eigen personeel. Bovendien moesten nog dringend nog nieuwe stoeltjes en kasten  worden aangekocht.

    Sommige kringen zagen met lede ogen aan hoe het gemeentelijk onderwijs bleef groeien en goed lag bij de bevolking. Dan maar wat  politieke onzin vertellen. De cvp-raadsleden waren plots allen onderwijsspecialisten. (Tussen haakjes, op één uitzondering na, verkozen de raadsleden én het gemeentepersoneel hun kinderen naar het katholiek onderwijs te sturen). Cvp-leden waren niet verlegen te pas en te onpas hun gemeenteschool in Nukerke in het verkeerde daglicht te stellen.Maar de schoolgemeenschap stelde zich zeer hard op. De ouderraad organiseerde zelfs een protestmeeting, voor en tijdens de gemeenteraad van februari 1981. De slogan luidde “omdat mensen belangrijk zijn”. Ondertussen ontving het bestuur een petitie met 150 handtekeningen.
     Toen vanaf 03 januari 1982 een bijzondere lerares catechese werd aangesteld was het dorp te klein om te gaan verkondigen: “Ge moet nu eens weten, ze geven zelfs geen godsdienst meer in de gemeenteschool!” Dé figuur die grotendeels verantwoordelijk was voor al die rotzooi was M. B., een oud-leerling van de gemeenteschool. “Neen, mijnheer gij en uw kompanen zullen uit ander hout moeten gesneden zijn om te school ten gronde te richten! ”Wat ook een heel pijnlijke doorn in het oog was van de tegenstaanders was het feit dat er in de school een cursus niet-confessionele zedenleer liep. Een normale cursus die op aanvraag moet ingericht worden in een school van het Officieel Neutraal Onderwijs.

    Ondertussen werden nieuwe plannen getekend voor een mogelijke nieuwbouw. In oktober 1986, werd een begin gemaakt met de afbraak van de oude school. Er komt een volledige, nieuwe en moderne constructie. De constructeur was Bekaert Construct. Tenslotte werd het nieuwe project op 17 september 1988 officieel ingehuldigd door burgemeester Michel Langie, die zich  volledig had ingezet voor de verwezenlijking ervan. De oude school werd leeggemaakt. De 3 lagere klassen verhuisden naar de lokalen van de vorig jaar teloorgegane gemeenteschool achter het gemeentehuis. Voor de kleuters kon onze Inrichtende Macht geen betere locatie vinden dan de leegstaande,half verkommerde boerderij van Antrop langs de Mellinckstraat te Nukerke. Daar kregen dus een 35-tal kleuters hun eerste en zo belangrijke pedagogische opvoeding in de vroegere woonkamer van nog geen 4 op 4. Het eerste kleuterklasje zat nog meer gekneld in een slaapkamer van amper 3 op 4. In een andere slaapkamer deed dienst als “refter”. Verder was er godzijdank een telefoonaansluiting, 1 toilet, een “schotelhuis”, een speelplaats op het neerhof geplaveid met kasseikoppen. Zo te zien voldoende luxe en comfort voor onze jonge Maarkedalers. Geluk dat het schoolteam en de ouderraad aan één zeel bleven trekken. Van de tegenstanders kwam niet veel fraais.

     

     

     

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bevolkingspiramide in 1972
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     De bevolkingspiramide jaar 1972 betreffende 898 vrouwen en 943 mannen of een totaal van 1841 inwoners.


    Een bevolkingspiramde is een grafische voorstelling van de samenstelling van een bevolking naar leeftijd. Vooraf dit. Een bevolking groeit aan o.a. door geboorten. Diezelfde bevolking sterft of emigreert. De basis van de driehoek stelt de kinderen voor in de leeftijd tot 1 jaar. Bij een normale bevolkingsaangroei zijn de onderste balken de  langste. Deze worden korter naarmate de leeftijd stijgt. De beide benen van de driehoek lopen normalerwijze min of meer symmetrisch naar de top. Wat vertelt ons deze piramide (die er eigenlijk geen is) ? Bij deze piramide wordt links de vrouwelijke bevolkingsgroep weergegeven en rechts de mannelijke. Deze voorstelling heeft echter geen vorm van een piramide. Een brede basis ontbreekt. Dit duidt op een een verouderde bevolking; nl een smalle basis en een breed middenveld wat wijst op een klein geboortecijfer. Wie verder de gegevens ontleedt merkt het lage geboortecijfer tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 (zie leeftijd 29 jaar tot 32 jaar) en een nog meer uitgesproken laag aantal inwoners in de leeftijdsgroep van 50 -55 jarigen. (geboorten tijdens W.O.-I)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    31-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het gemeentelijk onderwijs
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Geschiedenis van het gemeentelijk onderwijs- vervolg 2






    Evolutie van de schoolbevolking in de school op 't Holand.

    Niet te verwonderen dat de pers  aan al het geklungel van het gemeentebestuur een dikke kluif had en niet naliet alles in kranten uitgebreid aan bod te laten komen. En de gemeenteschool van Nukerke kreeg zo waar meer en meer steun van een groot deel van de bevolking. De school kwam ook in de actualiteit dankzij de strijd én dankzij de goede pedagogisch resultaten. Volg maar even de onderstaande opsomming mee doorspekt met anekdoten van alle slag.

     

    1978

    Februari:         de gemeenteschool haalt de Diggiekrant

    1 en 2 juli:       Nukerke heeft flinke leerlingen

    12 november:  Oud-strijders zijn Nukerke jeugd  dankbaar

                            Nieuwe school verdeelt meerderheid te Maarkedal

     

    1979:

    korte uitleg over de school te Nukerke

    Interpellatie van de schepen van openbare werken (sanitair en het verven van de lokalen zonder het schoolhoofd vooraf te verwittigen voor mogelijke hinder)

    Artikel met besluit “het botert niet te goed tussen het onderwijzend personeel en de schepen van openbare werken.

    Juni:           flinke leerlingen te Nukerke

    Augustus:   annonce in een plaatselijke krant

     

    1980

    Juni:             In de Nukerke gemeenteschool zitten flinke leerlingen

    Augustus:     onder zware druk van het schoolteam publiceert de I.M. een annonce in de gemeentelijke uitgave

    1 september:Schepen van onderwijs met vragen bestookt te Maarkedal (Laatste Nieuws)

    16 oktober:   Strijden voor gemeentelijk onderwijs te Nukerke

                       Oudercomité bezorgd te Nukerke

    November:   Verslag over de kaarting met 80 deelnemers en 200 sympathisanten

     

    1981:

    4 februari:   Geen liquidatie van het gemeentelijk onderwijs

    7 februari:   Schoolkinderen eisen hun juf en hun school

    27 februari: Gemeentelijk onderwijs in Nukerke door CVP-GB te koop aangeboden (De Volksvrijheid)

    9 februari :  Schoolperikelen in Maarkedal. Manifestatie door de schoolgemeenschap gemeenteschool Nukerke

    11 februari: Betogen tegen schoolpolitiek te Maarkedal – Nukerke vecht voor gemeenteschool

    Februari :     Maarkedal “school” probleem te Nukerke

    14 maart:     Ouderraad bijt door te Nukerke(Laatste Nieuws)

    30 april:       Viering 50 jaar gemeenteschool Nukerke (AZ)

    April:           Volkssporten in Nukerkse gemeenteschool

    Mei:             50 jaar Gemeenteschool Nukerke op ’t Holand. 
                         Deze reclamebrochure werd over Nukerke verspreid met

                         aankondiging van het feestprogramma van 10 mei én de aankondiging van de kleinkunstavond met Willem Vermanderen op zaterdag  16 mei

    16 mei:        Sfeer, volk en zon in de  Nukerkse gemeenteschool

    6 mei:          Een halve eeuw gemeenteschool te Nukerke (Het Nieuwsblad)

    22 mei:        Gemeentelijk onderwijs redden te Maarkedal (Het Laatste Nieuws)

    11 juni:        Maarkedalse raad wil dorpsscholen redden (Het Nieuwsblad)

    Juni:             Heibel om lerares in raad Maarkedal (Het Nieuwsblad)

    September:   Samen strijden voor gemeentelijk onderwijs te Maarkedal Laatste Nieuws)

    2 oktober:    2de kleuterklas wordt ingericht

    5 oktober:    Nieuwe kleuterleidster te Nukerke (Het Nieuwsblad)

    7 oktober:    Ouders ten strijde voor Nukerke gemeenteschool(Het Volk)

    28 oktober:  Eigen mensen genegeerd te Maarkedal (Het Laatste Nieuws)

    23 oktober:  Onveilig leerlingenvervoer te Maarkedal

     

    1983

    25 juni:       Eerste barbecue van de gemeenteschool in de parochiezaal te Nukerke

    Juni:            Jeugdig schrijverstalent te Nukerke (Het Nieuwsblad)

    Juli:             Barbecue voor de gemeentelijke Basisschool van Nukerke (De Ronsenaar)

    8 september: mogelijk opheffing van de zesde klas LO

    8 september: Maarkedal kort (Het Nieuwsblad)

    November:   2de lustrum  kaarting met 88 kaarters

    November:   Nukerkse oud-strijders zijn schooljeugd genegen (De Ronsenaar)

    December:   2de lustrum kaarting in Nukerkse gemeenteschool (Plus)

    27 december: princiepsbeslissing omtrent het bijbouwen van 2 klaslokalen alsook voor de aankoop van stoelen voor   de Gemeentelijke Basisschool in de Holandstraat. Nog beslissingen uit Maarkedal. Verbeteringswerken aan                      de school te Nukerke voor 5 miljoen BFr  (Pl.Krant)
                         Drie jaar gemeentebeleid in Nukerke (repliek van de CVP). Al of niet bouwen van een centrale                             gemeenteschool.
                         Problemen met het leerlingenvervoer gemeentelijk en vrij onderwijs.
                         (IM vrij onderwijs geeft niet de juiste aantal meerijdende leerlingen op)

     

    1984

    3 januari:      Gemeenteschool Nukerke breidt uit.
                          Broederlijk akkoord tussen meerderheid en oppositie om 2 klassen  bij te bouwen in Nukerke                                                  project waarover men al 2,5 jaar spreekt

    24 mei:         foto (Plus)

    24 mei:         Maarkedalse politici moeten 100 X schrijven: “Ik zal voor nieuwe gebouwen zorgen” (Plus)

    24 mei:         Wat met school in Nukerke ? (het Volk)

    Augustus:     Voor het eerst laat het gemeentebestuur in haar uitgave een aankondiging verschijnen het 
                         gemeentelijk onderwijs wordt aangeprezen.(Info-Maarkedal)

    September:     Nukerkse gemeenteschool huurt tijdelijk noodlokaal vanaf 1 oktober 1984 (Het Nieuwsblad)

    September:     Interpellatie van de oppositie Maarkedal (Het Nieuwsblad)

    11 september: Er is wel plaats voor een extra ambt in Nukerke (Het Volk)

    September:     Er is weer alarm, maar nu is het serieus (Plus)

                          Herstellingswerken Nukerkse gemeenteschool “School” voorbeeld voor trage administratieve molen. 
                         (NB)

    27 september:   Raar maar waar, Maarkedal heeft zijn kinderboerderij, een origineel en goedkope oplossing om de schoonste plaats te huren in de boerderij van M. Devenijns voor het nijpend ruimtetekort  in de gemeenteschool van Nukerke. (Plus)

    23 september: Herstellingswerken gemeenteschool Nukerke, eerst voorlopig dan definitief(Plus)

                            De kogel zit nog steeds in Nukerkse gemeenteschool (Plus)

    27 september: Nukerke gemeenteschool huurt tijdelijk noodlokaal (het Nieuwsblad)

    23 oktober     : Vereniging ter bevordering van het Vlaamse Boekwezen vzw stuurt een uitnodiging om aanwezig te    zijn. op woensdag 31 oktober om 17 uur  op de Boekenbeurs van Vlaanderen in Antwerpen (Plus)

    10 november :Kaarting in de Gemeentelijke Basisschool te Nukerke(De Ronsenaar)

    1984 : Maarkedal: Raad verdeeld over bouwplannen gemeenteschool (De Ronsenaar)

    December 1984: Op 1 januari 1985 wil Richard Vanderlinden, schepen van Onderwijs, van start gaan met gemeen

    schappelijk leerlingenvervoer (Plus)

     

    1985

    28 januari:     Gemeenteschool Nukerke

                          Komt er schot in de zaak?

    28 februari:   College opteert voor nieuwbouw.

                          Gemeenteschool Nukerke blijft brandend actueel

                          Een lang verhaal (Het Nieuwsblad)

                          Aangepast bouwprogramma uitgewerkt

                          Nieuwbouw voor gemeenteschool te Nukerke (Laatste Nieuws)

                          Gemeenteschool Nukerke werd bekroond

                          Nieuwe gemeenteschool verdeeld meerderheid

                          Bauwens wil CVP-sommen niet oplossen (Plus)

                          Nieuwe gebouwen in september 1986 (Plus)

    Juni:              Oorlog en vrede in Nukerkse gemeenteschool

                         Eerste barbecue met 300 sympathisanten

                         Nieuwe school

                         Maarkedal gaf zegen aan vierde voorontwerp

    Juli :              Nukerke: Project wordt uitgevoerd in vier fasen

                          Raakt nieuwbouw gemeenteschool Nukerke af in september 1986 ? (Het Nieuwsblad)

    November:    Ook plaats voor bibliotheek? Nukerke naar nieuwe school

    November:    Nieuws van de Gemeentelijke Basisschool te Nukerke (Info-Maarkedal)

    December:     idem

    21 november: Een ongeluksgetal ? 13 ja-stemmen voor Nukerkse gemeenteschool (Plus)

    14 november: Maarkedal stemt verdeeld over nieuwe school

                           Kostprijs: 33 miljoen (Het Volk)

                           Gemeenteschool Nukerke: volgend jaar in de lente eerste steen ?

    16 november:  Zowel oppositie als meerderheidsleden uiten kritiek op miljoenenproject

                           Maarkedal beslist toch tot bouw gemeenteschool (Het Nieuwsblad)

    1986

    18 april:          Maarkedalse gemeenteschool wordt gesubsidieerd (Weekblad Vlaamse Ardennen)

                            “Gemeenteschool  Nukerke” niet in koelkast.
                            De eerste steen van het nieuwe gebouw zal gelegd worden

                           vóór 1 september 1986  (Het Volk)

                           Ondanks aangekondigde overheidsbesparingen

    2 september:   Etikhoofse gemeenteschool mist nieuwe schoolstart (Het Volk)

                           Nukerke krijgt zeker nieuwe gemeenteschool (Het Nieuwsblad)

    3 september:   Geen aannemer voor gemeenteschool Nukerke

    9 september:   Nog (onbeantwoorde) vragen rond gemeenteschool Nukerke

                           Zal Maarkedal financieel opdraaien,

                           Schepen van onderwijs. School was gedoemd om te verdwijnen

                           Nukerke schreef 102 leerlingen in (Het Volk)

    Oktober:            Nieuws uit de Gemeentelijk Basisschool

                              Wateroverlast op bouwterrein

                              Gemeenteschool Nukerke zorgt voor extra-uitgaven (Het Nieuwsblad)

    2 oktober;          Maarkedals onderwijs blijft het hangijzer (Het Nieuwsblad)

                              Aangepast bouwprogramma uitgewerkt

                             Nieuwbouw voor gemeenteschool Nukerke

     

    1987

    27 mei:         Een school zonder eerste steen

                         Nukerkse gemeenteschool kant en klaar in de vorm van een maquette (Plus)

    13 augustus: Tweede keer, goede keer ?

                         Nukerkse gemeenteschool stuit op procedurefout

    27 mei:          Nukerke gemeenteschool in impasse

                          Aannemer eist half miljhoen schadevergoeding per maand (Het Volk)

    27 augustus:   Kritiek op studiebureau (het Volk)

    27 augustus:   Maarkedalse gemeenteschool in de slop

                          Gemeentebestuur en aannemer met getrokken messen (Plus)

     

    1988

    7 januari:     De blijde en bange verwachting van 1988 (Plus)

    13 januari:   Nukerke wacht af

                        Nieuwe school als paasgeschenk? (Het Volk)

    28 april:        Als ik eens burgemeester was.

                        Nukerke 2de op 13622 onzendingen 6de jaar (Gazet van Antwerpen)

    April:           Als ik eens burgemeester was… (Info-Maarkedal)

    23 mei:        Nukerke heeft zijn schoolwerk af

    17 mei:        Problemen rond de oplevering

                        Nukerke heeft zijn gemeenteschool (Het Nieuwsblad)

    25 mei         Deuren blijven nog dicht van Nukerkse gemeenteschool (Het Volk)

    21 juni:        Nukerke school opent de deuren (Het Volk)

                      “Als ik eens burgemeester was” (Info Maarkedal)

    30 juni:        Nukerke beleeft sprookje met happy end (Het Nieuwsblad)

    September:   School in de nieuwe Nukerkse school (Plus)

                        Drie nieuwe gezichten in gemeentelijk onderwijs

    3 september: Inhuldiging gemeenteschool op 17 september

    15 december: Aannemer vordert ruim 9 miljoen op voor Nukerkse gemeenteschool (Het Nieuwsblad)

    1990

    September:  Nukerkse gemeenteschool wuift kleuterjuf uit (Plus)

                       Magda De Voet met pensioen (Plus)

    1994

    28 juni:           Schooldirecteur weet meer dan de burgemeester (Het Laatste Nieuws)

                           Van schoolbank naar archief (Plus)

    28 november: Liever geen ontvangst in Maarkedalse gemeentehuis. (het Volk)

    8 december:    Schooldirecteur weigert ontvangst op gemeentehuis (Plus)

    15 december:  Gemeentebestuur bedreigde schooldirecteur (Plus)

     2010

    23 oktober:   Gemeente moet 148 000 euro extra kosten ophoesten.

                         Rechter veroordeelt Maarkedal 23 jaar na bouw gemeenteschool

                         Sommige CVP-verkozenen treffen hier schuld wegens slecht opvolgen van het bouwdossier.
                         (Was het  uit
     onwil of uit onkunde?)


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    31-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reliëfkaart van Nukerke
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Deze reliëfkaart duidt om de 5m de hoogtelijnen aan. In het zuiden merk je duidelijk de heuvelrug die in oost/westelijke richting loopt. De uitlopers dalen zacht af  richting Oudenaarde, naar de scheldevallei.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    31-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    30-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vervolg van de Breydelszonen

    Ledenlijst 1961 voor werkjaar 1962

    Tak leiding

    Cardon André                      GrL

    Claus Werner                       VL

    De Merlier Edith                  WLST

    Moreels Lucie                      AWL

    Vandenabeele Herwig        JVL(soldaat)

    Vandenabeele Hedwig       AVL(soldaat)

    Ysebaert Marcel                  JVL

    Besard Liesbet                     AWL

    Walraet Gilbert                    AVL

     

    Tak jong verkenners (Jvk)

    De Paepe Etienne

    Fruyt Mark

    Lataer Michel

    Parent Jean

    Vande Putte J-Paul

     

    Tak verkenners opgemaakt op 17 oktober  1961

    De Weer Roger

    Eykerman Marc

    Geenens André                   PL

    Lodens Germain

    Ysebaert André                   PL                          

    Ysebaert Jean-Pierre          

     

    Tak welpen

    De Maier Eric                                       Rosseel Paul

    De Wilde André                                  Van Herpe André

    D’Hondt Lucien                                  Van Herpe Marc

    D’Hont Noël                                        Werrebroek Marc

    Lourijs Daniël

    Hoste Erwin

    Verstaeten Liban                                 De Catelle Patrick

    Verstraeten Christiaen                        Brugge Jean-Luc

    Aelvoet Jaen-Luc                               Eykerman Pascal

    Aelvoet Jean-Paul                              Heynsens Pierre

    De Baere Marnix                                 Heuvick Stijn

    Ceuteric Ivan                                       Walraet Norbert

    De Riemacker Marnix

    Het valt op dat het aantal verkenners en jong verkenners is geslonken.

     

    Werkjaar 1962/63

    Cardon André                      GrL

    Glibert Dirk                           VL

    Hantson André                   AGrL

    Vandenabeele Hedwig       JVL

     

    Eerste lijst van de tak jong verkenners (Jvk)

    De Molenaere François

    De Vos Fernand

    De Weer Roger

    Eykerman Marc

    Kartens Freddy

    Lodens Germain

    Maes Fernand

    Vandenbossche Alex

    Van Herreweghe Willy

    Van Huffel Willy

    Van Impe Theo

     

    Eerste ledenlijst van de tak verkenners opgemaakt op 2 november 1959

    Claus Werner                       Pl                            De Paepe Etienne                jvk                          Geenens André                   jvk

    De Riemacker Edwin           Vk                           De Molenaere François      jvk                          ’t Kint Etienne                     jvk

    Geenens André                   Vk                           De Weer Roger                    jvk                          Vandenabeele Emiel            jvk

    Hantson Ignace                   Vk                           Eykerman Mark                   jvk                          Ysebaert André                   jvk

    ’t Kint Etienne                     Vk                           Kortens Freddy                   jvk                          Ysebaert Jean Pierre           jvk

    Vandenabeele Emiel            Pl                            Lodens Germain                  jvk                          Ysebaert Marcel                  jvk

    Waelraet Gilbert                   Pl                            Vandenbossche Alex          jvk

    Ysebaert André                   Pl                            Van Impe Theo                     jvk

    Ysebaert Jean-Pierre           Pl

    Ysebaert Marcel                  Vk

     

    Leden van de tak welpen

    Eyckerman Pascal                               Heuvick Stijn

    Brugge Jean-Luc                                 Walraet Norbert

    Heynssens Pierre                                               De Catelle José

    Verstaeten Liban                                 De Bock Norbert

    Verstraeten Christiaen                       Dhondt Noël en Lucien

    Capiau Gilbert                                      Edward Vercauteren

    Aelvoet Jaen-Luc

    Aelvoet Jean-Paul

    De Baere Marnix

    Ceuteric Ivan

    De Riemacker Marnix

     

    Leden tak leiding opgemaakt op 21/11/62

    Besard Liesbet                                      AWL

    Cardon André                                       GRL

    De Merlier Edith                                   WL

    Ysebaert Marcel                                   AVL

    VanPoeck-De Knijf Joseph                 GRA 

     

    Opleiding  van de leiders

    Er werd van uit het verbond in Leuven nadruk gelegd opdat de leiding een vierdaagse cursus zou volgen. Volgende leiders werden officieel erkend door het hoofdbestuur:

    André Cardon                                       in de op 24 augustus 1960  als VT

    Werner Claus                                        in Aalter  op23 april 1960als VT

    De Merlier Edith                                  in Merelbeke op 6 november 1960 als WL
    Hedwig Vandenabeele                        in
    De Kluis (Leuven) op 24 augustus 1961als VT

     

    In de lente van 1963 nam Werner Claus afscheid als groepsleider. Bij stemming werd xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />Hedwig Vandenabeele als nieuwe groepsleider aangeduid. Ondertussen was het enthousiasme bij de Voortrekkers uitgedoofd. Er waren geen leden meer. Maar de welpenleidsters en de verkennersleiders zouden onder leiding van de nieuwe groepsleider niet opgeven. Zo te zien aan de ledenlijst van de welpen zag de toekomst van de Breydelszonen er goed uit. Maar er was onvoldoende steun vanuit de parochie.

     

    Scoutskamp in Waasmunster.

    Tijdens de zomer van 1963 trokken de verkenners op tentenkamp, het hoogtepunt van een werkjaar. Tenten werden gehuurd en Maurice Debaere was zo goed het materiaal naar Waasmunster te voeren. Uitverkoren plaats: een neerhof op de heide. Een zandweg langs de kapel en de Lekkerbek, een bekend restaurant waar Napoleon Bonaparte zou overnacht hebben, leidde naar het bivakterrein. Prachtig weer, mooie bosrijke omgeving en goede sfeer zijn maar enkele superlatieven die bij dit verblijf pasten. We wisten toen nog niet dat dit ons laatste kamp zou zijn.

     

    Werkjaar 1964

     

    Werking
    Het startjaar 1959 en de jaren daarop waren echter moeilijke jaren voor de nieuwe jeugdbeweging. De meeste leiders waren nog volop student in het hoger onderwijs en waren heel weinig beschikbaar omdat ze in die tijd niet wekelijks thuis kwamen. Het ontbrak hen aan tijd om zich volop te kunnen inzetten. Bovendien volgde voor de leiders nadien nog de legertijd. Groepsleider Dirk Glibert, tijdelijk groepsleider stopte zijn activiteit en de leiders Herwig en Hedwig Vandenabeele waren vanaf eind 1961 voor 15 maanden out. Werner Claus deed zijn legerdienst in 1962. Kort na zijn afzwaai zag hij af van leidingsschap. Die situatie was niet zo gunstig voor een goede en constante werking. De aalmoezenier was verplaatst. Maurice Schoorens, toen seminarist, vervang maar gedeeltelijk de aalmoezenier. Hij was immers maar om de zes weken aanwezig. De aanwerving van nieuwe leden stagneerde. Een succes bleef uit. Sommige ouders vonden die scouts maar niets en kinderen van landbouwers konden thuis blijkbaar beter werk doen. Veel welpen en verkenners waren kinderen uit het kindertehuis.

    Ledenlijst   1963/1964

    Welpen

    Aelvoet Jean-Marie                             Baccaert Herman

    Aelvoet Jean-Paul                                Van Herpe André

    De Morelle Eddy                                  De Wilde André

    Haeltsers Herwin                                  Rosseel Paul

    Lippens Gilbert                                     Lathar Norbert

    D’Hondt Noël                                       Kestelijn Etienne

    Ameye Jean-Pierre                               BlockeelMarc

    Ameye Jean Jacques                           D’Hondt Bernard

     

    Verkenners                                           

    Aelvoet Jean-Luc                                 De Vos Fernand

    Ameye André                                       Eyckerman Pascal

    Ameye Freddy                                      Blokeel Armand

    Debaere Marnix                                    Mayer Eric

    D’Hondt Lucien                                   Werbroek Marc

     

    Leiding

    Van Poeck de Knyf                              GRA      Eyckerman Godelieve         AWL

    Cardon André                                       DVTL    Claus Werner                       VL

    Vandenabeele Hedwig                        GRL       Ysebaert Marcel                  AVL

    Ysebaert André                                    AVL      Vandenabeele Emiel            AVL

    De Merlier Edith                                   WL        Schoorens Maurice

    Capiau Rogette                                     AWL

     

    Werkjaar 1965

    Tak welpen

     

    Leiding

    De Merlier Edith                                   WL

    Eyckerman Godelieve                          AWL

    Capiau Rogettea                                   AWL

    E.H. Van Poeck de Knyf                      GRA

     

    Welpen

     

    Aelvoet Jean-Paul                                Vander Eecken André

    Aelvoet Jean-Marie                             Van Sieleghem Marc

    Bauwens Herman                                 Verhellen Cyr

    Bauwens Hubert                                  Verhellen Dany

    Capiau Luc                                            Verhellen Rudy

    Demeulemeester Carl                           Baccaert Herman

    De Morelle Eddy                                  Blockeel Mark

    De Morelle Eric                                     Dhont Bernard

    De Venter Bernard                               De Smet Paul-Louis

    Deschaumes Johan                              De Wilde André

    Geenens Marnix                                   Flaming Alexander

    Haelster Herwin                                    LatearNorbert

    Lippens Gilbert                                     Van Hecke Maurice

    Noterman Luc                                       Van Hecke André

     

    Dit is de laatste ledenlijst die werd teruggevonden. Blijkbaar was 1965 het laatste werkjaar van de scouts te Nukerke.

    Op een goeie dag, ik herinner mij niet meer de juiste datum, hadden wij, de leiding, een afspraak met de aalmoezenier/pastoor in de pastorie. Het doel van het gesprek; steun vragen bij de pastoor opdat hij het initiatief zou nemen om te helpen bij de ledenwerving. Hij had toch meer invloed op de parochianen. Op onze vraag om van op het spreekgestoelte onze jeugdbeweging te promoten antwoordde hij dat dit geen zin had. En het onderhoud eindigde met :” Ja, dat is nu zo in Nukerke, van elke beweging blijft enkel de vlag nog over!” Na wat perikelen werd het slot van het scoutslokaal veranderd. De leiding had geen toegang meer, de schaarse bezittingen verdwenen, het lokaal verviel en werd in de jaren 80 afgebroken. We waren in Nukerke weerom een illusie armer!

     

    TREK UW SPOOR …

    La la la ….

    Een pijl en nog een pijl en nog ‘n pijl dat is een spoor

    En nog een pijl dat is een spoor naar het doel.

     

    Bouw toch je kamp niet in het dal maar boven op den hemeltop dat ieder ’t vindt.

    Hang ’s nachts je lamp niet in je koffer op maar boven in de vlaggenmast als  een signaal, als een signaal.

     

    Onder het motto van ons levenslied verzamelden jaren later vele oud scoutsleden van de Nukerke Breydelgroep in Nukerke.

     

    In november 1971 ontvingen de vroegere vrienden dit schrijven. 

    Goede vriend,

    Dit lied komt als een dankbare tekst vol herinneringen aan onze jeugd opdagen.

    Op een avond van de Vlaamse Kermis te Nukerke, zatenenkele oud-scoutsleiders van de Breydelszonen in de schaduw van hun lokaal gezellig een pintje te drinken. Toen viel de vraag in het midden: “Waarom niet eens ALLE OUD-LEDEN met ECHTGENOTE of VERLOOFDE optrommelen voor een gezellig samenzijn ? Deze vraag werd met enthousiasme positief beantwoord, … kwestie van er allen deugd aan te hebben.

    Een karig mosselmaal zal mede die gezellige avond kruiden.

    Let nu a.u.b. goed op wat volgt:

    WANNEER ? Op zaterdag 18 DECEMBER 1971

    HOE LAAT ? om 19 uur

    WAAR ? in ’t café ’t Moleke, bij Cyriel Verhellen, Holand, Nukeke.

    ONKOSTEN ? zestig franken per persoon (mossels, frieten, één consummatie (dat moet welconsumptie zijn), dienst en algemene kosten)

    INSCHRIJVING en WIJZE van BETALING ?

    Onderstaande strookje invullen en sturen naar Hedwig Vandenabeele  Holand  22   9681 Nukerke

    Ondergetekende ………………. (vergezeld van echtgenote, verloofde) zal aanwezig zijn op zaterdag 18 december.

    Ik betaal                                                 - op voorhand langs P.C. 693850 van bovenstaande adres

                                                                    - ter plaatse

    B.N. De  strookjes worden verwachte ten laatste tegen zaterdag 11 december

    Gegroet met een flinke scoutslinker: Hedwig – Maurice
    We waren met een dertigtal jeugdige vrienden samen geweest !


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    30-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Nukerkse Breydelszonen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     

    De Nukerkse Breydelszonen

     

    Voorwoord

    Alles begon zowat in de lente van 1959. Er was in onze parochie “ n’n  nieuwe zondagonderpaster” aangesteld n.l. E.H. Willy D’Haenens, afkomstig uit Overboelare.  Een piepjonge priester vol levenslust en idealisme met vurig Vlaams bloed in de aderen zoals ze in Nukerke nog niet hadden gezien. In de kerk was hij priester met hart en ziel, er buiten een actieve parochiaan die mensen kon begeesteren. Zijn brede glimlach en die spontane openhartigheid en eenvoud deed de rest. Het niveau van de Nukerke plattelandsjeugd wilde hij optillen en het Vlaamse vuur in hun hart brandend houden. De jeugd was de toekomst ! De Vlaamse beweging was in volle opmars. Wie student was droeg zijn Vlaamse fierheid uit. De studerende  jeugd kende toen alle mooie Vlaamse strijdliederen.

    De meisje hadden hun Chiro maar er was geen jeugdbeweging voor de jongens. Willy D’Haenens droomde van een scoutsgroep met aansluiting bij het VVKS of Vlaams Verbond van Katholieke Scouts. Daartoe zocht hij contact bij de groep van Ronse maar vooral bij de groep van Etikhove. Al zijn vrije tijd stak hij in het afleggen van huisbezoeken om te zien of er voldoende medewerking was. Algauw kon hij rekenen op een groep voortrekkers waaruit later de leiders konden worden gerekruteerd. Er werd snel werk gemaakt van de vorming van de leiders. De officiële naam  van de groep werd “Breydelszonen” en stond in het district Vlaamse Ardennen Berg-en-dal stam ingeschreven onder nummer 44/14. In de aanloopperiode sloot Nukerke aan bij de groep van Etikhove. E.H.W. D’Haenens werd aalmoezenier en André Cardon werd de eerste VTL (voortrekkersleider) en Gilbert Stockman was AVTL. Voorlopig kon nog niet volop worden gestart met de Verkenners omdat de meeste toekomstige leiders hun studies eerst moesten beëindigen. De eerste districtvergadering waaraan Nukerke deelnam ging door te Ronse op vrijdag 27 september 1959 om 10u30. Op een gouwvergadering te Gent in de parochiekring St-Pieter waren W. D’Haenens, André Cardon en Edith de Merlier aanwezig want er zou ook een welpengroep worden opgericht, maar voorlopig werd er gewerkt rond de voortrekkerij. Zie hier een eerste uitnodiging origineel gedrukt op een alcoholrol.

     

    Briefwisseling en activiteiten

    “Nukerke postdatum      Beste vriend voortrekker,  Met deze nodigen wij U uit op de steunvergadering, welke doorgaat in de parochiale zaal op zaterdag 24 october a.s. Als thema van behandeling zal het “Davidsfonds” ter sprake komen door de Heer E. Delbaere. Voor de eerste maal zal ook de groep van Etikhove aan de vergadering deelnemen. Verder kunnen zich  nog een totale ommekeer in de vergadering aanmelden. Neem pen en papier mee alsook uw beste glimlach om dan om 20 uur stipt te beginnen.  Namens de leiding  E.H.W.D’Haenens  aalm.  A Cardon VTL   G. Stockman AVTL  er waren 24 aanwezigen 

    Hierna volgt het voortrekkersgebed. Heer Jezus, geef ons een jong hart en een open ziel, help ons dienen vol geestdrift, zonder moeite te sparen. Laat ons vreugde uitstralen om ons heen en breng ons, die voortrekken langs éénzelfde weg als broeders te samen om samen U te vinden. Amen

     

    De voortrekkers hadden ook hun voortrekkerswet. Lees maar even mee!

     

    Een voortrekker is fier en op zijn eer te vertrouwen. Een voortrekker is trouw aan God, Kerk, Koning en Vaderland.

    En voortrekkers heeft tot plicht zich nuttig te maken en anderen te helpen

    Een voortrekker is een vriend voor allen en een broeder voor ieder ander voortrekker.

    Een voortrekker is hoffelijk. Een voortrekker leeft met open oog in Gods natuur.

    Een voortrekker kan zonder tegenspreken gehoorzamen.

    Een voortrekker glimlacht en fluit onder alle moeilijkheden.

    Een voortrekker is sober en spaarzaam.

    Een voortrekker is rein in gedachten, woorden en daden.

    (… en wat zegt de huidige jeugd van zo’n reglement ?)

     

    De eerste activiteit van de Breydelszonen had plaats te Ronse. Hier volgt de uitnodiging.

    “Berg-en-dal-stam. Beste broer voortrekker, wij nodigen U uit om op zaterdag 29 nov. a.s. met onze vrienden voortrekkers van Ronse kennis te maken en samen een adventstocht te doen. Dit ware voor ons een uitstekende voorbereiding op het kerstgebeuren in ons leven. Deze tocht vangt aan in Ronse om 8 uur. Wij vertrekken dus om 19u30 uit Nukerke. Er is beloofd dat deze tocht tijdig zal gedaan zijn om zodanig fris te zijn op zondag in Ronse ( anti-talentellingsdag). We doen tevens een oproep om zoveel mogelijk in uniform aan te treden. Die er nog geen heeft kome in burgerpak. Met onze beste voortrekkersgroeten, namens de leiding A.Cardon”

     

    Uitnodiging rond het kerstgebeuren.

    “Nukerke 22-12-59 Beste zuster en broers, op initiatief van de leidsters en de leiders van al onze jeugdbewegingen, wordt U uitgenodigd op een gezellig samenzijn rond het Kerstgebeuren, op zaterdag 26 om 19 uur in de parochiale zaal te Nukerke. Met het oog op dit aangenaam samentreffen van onze oudere jeugd, zorgt elkeen voor een klein geschenk (niet te kostelijk !) waarmede we mekaar zullen verrassen.”Kunstenaars”(-sters) van groot en klein formaat krijgen de gelegenheid om de gezelligheid te verhogen. Warme drank en een stukje voor de tand zullen ook van de partij zijn. In afwachting dat we mekaar terug vinden, wensen we U een weldoend Kerstfeest! Berg-en-dal-stam

    Beste Broer voortrekker, benevens dit gezellig vieren is er voor Ons een vóórgaande Kersttocht belegd, die we inzetten te 17 uur stipt, daar we om 19 uur moeten terug zijn. Wees dus tijdig! Gelieve in uniform te komen of met een niet-zondagspak, alsook een paar goede marsschoenen aan te trekken ! Met genegen groeten van uw oubaas  A. Cardon”

     

    Aanvraag voor lidzegels voor het jaar 1959/1960 opgemaakt op 9/12/60 voor werkjaar 1961

    Eerste lijst van de tak leiding

    Cardon André                      GrL

    Glibert Dirk                           VL

    Hantson André                    AGrL

    Vandenabeele Hedwig       JVL

     

    Eerste lijst van de tak jong verkenners (Jvk)

    De Molenaere François

    De Vos Fernand

    De Weer Roger

    Eykerman Marc

    Kartens Freddy

    Lodens Germain

    Maes Fernand

    Vandenbossche Alex

    Van Herreweghe Willy

    Van Huffel Willy

    Van Impe Theo

     

    Eerste ledenlijst van de tak verkenners opgemaakt op 2 november 1959

    Claus Werner Pl                                                                                

    De Riemacker Edwin Vk

    Geenens André Vk

    Hantson Ignace Vk

    ’t Kint Etienne      Vk

    Vandenabeele Emiel Pl

    Waelraet Gilbert   Pl                                            

    Ysebaert André   Pl                                           

    Ysebaert Jean-Pierre Pl

    Ysebaert Marcel  Vk

     

     Jongverkenners

     

    De Paepe Etienne               

    De Molenaere François

    De Weer Roger   

    Eykerman Mark

    Kortens Freddy

    Lodens Germain

    Vandenbossche Alex

    Van Impe Theo

    Geenens André

    Vandenabeele Emiel

    Ysebaert André  

    Ysebaert Jean Pierre

    Ysebaert Marcel

     

    Leden van de tak welpen

    Eyckerman Pascal                               Heuvick Stijn

    Brugge Jean-Luc                                 Walraet Norbert

    Heynssens Pierre                                               De Catelle José

    Verstaeten Liban                                 De Bock Norbert

    Verstraeten Christiaen                       Dhondt Noël en Lucien

    Capiau Gilbert                                      Edward Vercauteren

    Aelvoet Jaen-Luc

    Aelvoet Jean-Paul

    De Baere Marnix

    Ceuteric Ivan

    De Riemacker Marnix

     

    Die eerste aansluiting bij het Verbond kostte de Nukerkse groep 2826 fr. Voor die tijd veel geld. Elk lid van de leiding betaalde 200fr  als lidgeld,  verzekering inbegrepen. Soldaten betaalden minder. Verkenners betaalden 120fr en welpen 100fr.

    De officiële documenten werden mee ondertekend door de pastoor Van Pouck de Knijf als verantwoordelijke voor de parochiegroep.

     

    Aanvraag van een gemeentelijke toelage

    Hier volgt het oorspronkelijk schrijven, taalfouten inbegrepen.

    Nukerke, 28 juli 1960. Aan het College van Burgemeester en Schepenen,

    Geachte Heren, Hierbij vragen wij de heren van het college van Burgemeester en Schepenen om een subsidie voor de plaatselijke V.V.K.S. groep. Als opkomende jeugdbeweging op onze gemeente hebben wij tot taak in wekelijkse bijeenkomsten onze jongens een opleiding te geven die past bij hun toekomst in het nationaal belang van het volk. Wij zijn dan ook zo vrij een beroep te doen op het College van Burgemeester en Schepen en hopen op hun medewerking te kunnen rekenen. Aanvaard intusschen, geachte Heren onze beleefde Scouts groeten. Getekend de aalmoezenier  E.H.W. D’Haenens en de groepsleider

    De eerste gemeentelijke toelage aan de scoutsgroep van Nukerke werd als volgt meegedeeld:

    Nukerke 11 augustus 1960

    Mijnheer de Aalmoezenier, Wij hebben de eer U gevolgd gevend aan Uw schrijven van 28 juli l.l. ter kennis te brengen dat de gemeentelijke zitting van 5 augustus 1960 een toelage verleend heeft van vijfhonderd franken voor de plaatselijke V.V.K.S. groep

    U moogt deze toelage doen afhalen bij dhr. Hoffmann Pierre, Dorp 4, alhier. Met de meeste hoogachting

    Getekend                 André Hubeau   burgemeester       Paul Hoffmann gemeentesecretaris

    Adres:  Aan de Eerwaarde Heer W. D’Haenens  Aalmoezenier V.V.K.S. groep   Hospice te Nukerke

     

     

    0ns eerste groot kamp in 1961

     

    De uitnodiging tot het eerste kamp klonk als volgt:

    “Beste verkenner, Met dit schrijven,hebben wij de eer U uit te nodigen, tot de deelname van ons groot kamp ,welk dit jaar doorgaat te Herchies (xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />10 km over Beloeil) van 17 tot 24 juli. Slechts enkele bijzonderheden delen wij mede: Het kampterrein is gelegen in een enig mooi decor, tussen de rozenperken van een park binnen de muren van een eeuwenoud kasteel omringd door de slotgracht. Vandaar uit hebben we in een straal van 10 km, zéér leerrijke exploratietrekken die zullen bekoren, en u kunnen helpen om uw kennis in vaderlandse geschiedenis bij te werken. Er is geen dropping: geen vermoeiende karwijtjes. Rust hebben we nodig na de zenuwslopende examens. De kostprijs bedraagt 200fr (zichtkaarten zijn ter plaatse te bekomen). U moet mede brengen: kleding: pyjama, 2 paar kousen, trui, zakdoeken, strozak, 1 of 2 dekens, regenmantel, jas, ondergoed. Eetgerief: eetketel, lepel, vork, scoutsmes, 2 keukenhanddoeken, drinkbeker, veldfles. Toiletgerief: waskom, washandje, zeepdoos met zeep, handdoeken, tandenborstel en pasta, kam, spiegel, badpak .Allerlei: zangboekje, notaboekje + potlood, lidboekje, kerkboek, 10m touw, veters, zaklamp, naaigerief, schoengerief,. Hopende op uwe medewerking en deelname aan het kamp bieden wij U onze oprechte scoutsgroeten aan. Namens de leiding en groepsleider André Cardon. Schrijf zo vlug mogelijk in a.u.b., persoonlijk meebrengen: 1 brood +1/4  Kgr margarine. We vertrekken per fiets.” In totaal waren er 22 scouts onderverdeeld in de patrouilles Reebokken, Herten en Vossen.

     

    Groot kampvuur te Nukerke

    Op 2 juni 1960 schrijft het gemeentebestuur volgend Getuigschrift geschreven door burgemeester André Hubeau.

    “De Burgemeester dezer gemeente bevestigt dat het ter gelegenheid van een V.V.K.S. Cursus, aan André Cardon, groepsleider der Scouts, toegelaten is een kampvuur in te richten op het plein dicht de dorpsplaats, op Zaterdag 4 Juni van 20 tot 22 uur.”

     

    Mogelijke dagindeling tijdens een welpenkamp

    Minimum rust :                                     welpen 9 u.

                                                    O.W.8 u.

    7.00 opstaan O.W.

    7.30 opstaan welpen                            - 3 weesgegroetjes en morgenopdracht

                                                    - L.O. stonde – wasbeurt – korte schouwing

    8.00 Angelus – H. Mis

    8.45 Ontbijt – O.W. bedienen de welpen

    9.15 Opruimen slaapzaal – luchten nachtkledij – handdoeken droegen, enz. 

    9.45 Schouwing – horderoep – wet –vlaggegroet – meesterwoord – karweitjes bepalen

    10.00 Kampkledij

              Karweitjes: aardappelen ,boodschappen, water, hout, terrein

    10;45 Hordevergadering

    12.30 Angelus- handen wassen – middagmaal

    13.00 Rust – Halve rust – kaartje schrijven – verhaal – stille proeven in oefenen

    13.45 Tocht – huttenbouw – zandspelen – themaspelen(waaronder vieruurtje)

    18.30 Schoenen poetsen –Grote wasbeurt

    19.00 Angelus – Avondmaal – Slaapplaats klaar voor de nacht

    19;30Avondaktiviteit: Rode bloem – Vertellen – zangavond – avondwandeling

    20;30 Horderoep – vlag breken – avondgebed

    21.00 Stilte

     

    Oproep tot vernieuwde culturele werking  (1960)

    Pastoor Van Poecke De Knijf  zond volgend schrijven naar de jeugdbewegingen.

    “Beste …., met de bedoeling een vernieuwde kulturele werking op touw te zetten op ons dorp wordt U uitgenodigd op een samenkomst van alle belangstellenden op Zaterdag 19 Maart te 19 uur in de Parochiale zaal. De Heer Burgemeester zal deze stichting vereren door zijn aanmoedigende aanwezigheid zoals nog veel andere personaliteiten van ons dorp.

    Graag mochten wij op Uw daadwerkelijke medewerking hopen voor die mooie taak ons volk te verheffen en te verrijken tot een betere samenleving. Dit zou dan tevens de grondslag zijn van een hernemen van ons Davidsfondswerking. Op het programma van de avond staan volgende aktiviteiten: opmaken van een breed bestuur, verkiezen van een voorzitter, opstellen van een werkprogramma volgens ieders wens en tenslotte een goede ontspanning waardoor iedereen met een opgeruimd gemoed huiswaarts zalkunnenkeren. Laten we onze handen samenleggen dan krijgen  we zeker onze wagen terug aan het rollen? Uw dorpsherder Van Poecke De Knijf en onderpastoor D’Haenens     namens het Davidsfonds A. Cardon sekr”

     

     

     

    Wijding van de scoutsvlag in 1960

    Nukerke, postdatum 

    Beste Broer in de V.V.K.S. Met deze nodigen wij U uit deel te nemen aan de plechtige wijding van onze scoutsvlag; welke plaats heeft op zondag aanstaande 18 september om  8.15 uur. Gelieve te vergaderen aan het lokaal om 8;45 uur; vertrek naar de pastorij voor de overhandiging va,n de vlag. Na de vlaggewijding leggenverkenners hun plechtige gelofte af, gevolgd door de plechtige hoogmis. Daarna is er gezellig samenzijn in het lokaal. Voor de verkenners dringen wij ten stelligste aan dat zij de vergadering bijwonen op zaterdag 17 september om 4.30 stipt. Niemand wordt verontschuldigd zonder wettige reden. Intussen groeten wij U met een stevige linker. De Voorzitter-aalmoezenier   De groepsleider

    N.B. Iedereen, V.T., Verkenners en Welpen treden aan in UNIFORM

     

    Het scoutslokaal in 1960 reeds in gebruik.

    In een verslag van 10 spetember 1959 door DS Van Belle lezen we dat Nukerke over een eigen heem beschikte en kon rekenen op een sterke voortrekkersploeg van 11 man. ”De stamwerking van die ploeg is ter bespreking”. In overleg met de pastoor Joseph Van Poecke De Knijf en mits zijn akkoord mocht de scoutsgroep De Breydelszonen een lokaaltje bouwen in de boomgaard aan de westkant van de parochiezaal. Ook de buurman Michel Langie gaf zijn toestemming mits voldaan werd aan een paar voorwaarden qua hoogte en veiligheid van het lokaal. Links en rechts werden goede zielen aangesproken om te komen helpen met raad en daad. Het grootste deel van de ruwbouw werd verricht door Sylvain Devos, een gepensioneerd mijnwerker. Nu klusjesman avant la lettre. De betonvloer werd gegoten door Gilbert Vandenabeele. De voordeur en een paar ramen was “van de krijg” als ook een klein ”duveltje”waarmee we het lokaal verwarmden. Het houtwerk werd geleverd door de gebroeders Aelvoet. De binnenruimte was voorzien van een paar hoeken waar de patrouilles konden afspraken maken. Er was ook een zolder waar het karig, maar kostbaar materiaal, zoals kookgerief, bijltjes en schopjes, werd bewaard. Vóór het lokaal werd een pleintje geëffend en werd een primitieve vlaggenmast geplant. De sleutel van het lokaal werd bewaard door de pastoor.

    Het kostenplaatje voor de bouw werd laag gehouden. Er waren giften en de scouts hadden een papierslag georganiseerd. Het papier werd opgehaald met de camion van Gaston Moreels.

    We vonden een paar facturen terug betreffende de bouw van het heem. Factuur  bij Decordier’s  Bouwmaterialen Oudenaarde voor parochiale werken: 500 kg cement   550 fr  -  1000kg zand    180 fr  -   1000kg gravier      300fr   met taks aan 6 % maakt 1063 fr contant betaald op 31augustus 1961. We vonden nog een rekening gericht aan Eerwaarde Heer Schoorens Maurice voor een bestelling van houtwerk bij Omer Aelvoet voor het dakwerk (unalit, pannelatten en isomo) met een bedrag van 975,80 fr. Een deel van de kosten werd betaald met de opbrengst van een papierslag. Gaston Moreels leende gratis zijn vrachtwagen uit om het papier op te halen. We waren hem daar zeer dankbaar voor.

     

    Aktiviteiten

    De vergaderingen en andere activiteiten konden nu doorgaan in het scoutsheem. Voordien kwamen de scouts samen in de parochiezaal. Onder de leuze “Trek uw spoor” verbleven de scouts meestal in volle natuur. De samenkomst begon om 16u30 en eindigde om 18u30 in de zomer en om 17u30 in de winterperiode van november tot einde februari. Veel activiteiten gingen door in de parochiezaal, de speelplaats van de dorpsschool en natuurlijk in de wijde natuur voor de talrijke natuurexploraties. Vooral het ’t bos De Spijker op ‘Heidje was in trek en dus een geliefkoosd oord om sporen te leggen en bosspelen te organiseren. De Breydelszonen  waren dus veel in het straatbeeld te zien en kregen bij sommigen de naam van straatlopers. Dit werd echter gezegd door diegene die de scouts niet gezind waren. Ja, niet alle ouders wilden hun kinderen aansluiten bij de scouts. Zij te dachten beter te zijn hielden hun kinderen liever thuis om werkjes op te knappen o.a. op de boerderij.

    Het leergehalte bij de scouts was belangrijk. De kinderen leerden over dieren en planten, over de zon,de maan en de sterren. De scouts gebruikten stafkaarten en het kompas en konden de afstand en de richting bepalen. Ze kenden knopen en konden deftige houtconstructie bouwen. Er werden beginselen van hygiëne en eerste hulp bijgebracht  enz. … Voor de kinderen van “den buiten” een hele belevenis.

     

    De aalmoezenier neemt ontslag

    Zoals we schreven in het voorwoord, was Willy D’Haenens een bezielend priester; jong en Vlaams. Hij was leraar aan het Sint-Antonius College te Ronse met toen nog een Franstalige afdeling. In een stad aan de taalgrens was de taalgevoeligheid ook in Ronse sinds decennia een aspect van de samenleving. Ronse was Vlaams, moest Vlaams blijven en moest dat uitstralen. Het werd grote vakantie en mensen hebben al eens wat tijd en krijgen rond 11 juli al eens een ideetje. Op een mooie 11 juli 1960 voerde D’Haenens het woord bij de daad. Hij nam zijn leeuwenvlag onder de arm, beklom wat krakende treden van het collegegebouw en hees de Vlaamse leeuw op het dak. De gele en zwarte kleuren wapperden boven Ronse, toch een Vlaamse stad.  Willy  glunderde zoals nooit te voren . Maar algauw kwam deze typische Vlaamse jongensstreek aan de oren van ene superior Elias Couvreur, een man uit de Ronsische burgerij. Die schoot in een Franse colère en verzocht zijn jonge leraar onmiddellijk een einde te maken aan deze misplaatste grap. En het zou nog een staartje krijgen…Ja, en op 18 september 1960 ontvingen de Breydelszonen van hun aalmoezenier volgende brief.

    “Schorisse 17-9-60  Mijn beste Oubaas, Opman en scouts,

    Het heeft mij zeer verheugd uw  voort bloeiende werking vast te stellen in de uitnodiging die ik kreeg voor de vlaggewijding en belofteaflegging. Ik feliciteer van harte Mark en Theo en hoop dat zij de sporen zullen volgen van hun vrienden naar Kristus toe. Het spijt me enigszins bij U niet te kunnen vertoeven op dit schone ogenblijk maar ik verzeker U van mijn dagelijks gebed voor uw schone jeugd en verwachte hetzelfde van U. In afwachting U nog wel eens hier of daar te ontmoeten wens ik U beste moed en een fiere volharding in de schone opbouw van een jong kristelijk leven. Goede moed en Were Di!

    God zegene en beware U. Uw oud-almoezenier.” Getekend  D’Haenens

    Waar was onze aalmoezenier gebleven. Wel, na het verwijderen van de leeuwenvlag werd hij staandevoets ontslagen als leraar in het college en aangesteld als onderpastoor in Schorisse. De groep zat zonder aalmoezenier want op de pastoor, oud scoutsleider, moest de groep niet veel rekenen. Ondertussen was Maurice Schoorens reeds een paar jaar seminarist maar veel tijd kon hij niet aan de jeugdwerking besteden. In de volgende moeilijke jaren werd aan de pastoor gevraagd van op de predikstoel eens een oproep te doen naar de jeugd van Nukerke. Maar dat wees hij af. Dat had geen nut meer!

     

    De scouts gaan op IJzerbedevaart

    Het plaatselijke Davidsfonds bestuur bestaan uit de voorzitter Henri Gottigny, secretaris André Cardon en medewerker Hedwig Vandenabeele organiseerden op 21 augustus 1960 een reis naar de IJzertoren. De bus vertrok op het Dorpplein om 6u30. Na de plechtigheid op de ijzervlakte bezochten de bedevaarders het kerkhof van Adinkerke om dan te pauzeren in de Panne. Om 18u45 vertrok de bus naar Torhout waar een “T.V.-Blaaskapelle” de groep een gezellige Oberbayeravond bezorgde.

    De deelnemingsprijs bedroeg 95fr en je kon inschrijven via de plaatselijke jeugdbewegingen.

     

    V.T. Distriktdag te Nukerke

    Verslag.” De Distriktdag die in het teken stond van de Voortrekkerij mag zeer goed geslaagd heten, ondanks het slechte weer die we in de voormiddag gehad hebben. De exploratie op sociaal gebied, heeft ten zeerste geboeid en bracht soms in bepaalde gevallen verschillende strekkingen naar voor. Na een smakelijk middagmaal en een gezond ontspanningshalfuurtje werd dan met veel sympathie aan de instruktorenopleiding begonnen die rond 17 uur eindigde met een plechtig lof en een slotformatie. De groepen waren vertegnewoordigd met: Oudenaarde 10 man,   Zottegem   7 man,   Nukerke   7 man,    Ronse    3 man. Ontvangst van de dag 870 fr  middagmaal betaald   400 fr. De rest of 470 fr werd gestort op rekening van de D.S G. Verschoore”

    .

    Ledenlijst 1961 voor werkjaar 1962

    Zie volgende rubriek.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    30-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    29-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tekst bij de tekeningen- vervolg

     

     

    24.    Verblijfplaats van de schrijver Hugo Claus.
    De schrijver kocht de gesloten hoeve, typische bouwtype voor Zuid-Vlaanderen, in 1960. Tot dan was de boerderij een bloeiend bedrijf in eigendom van de familie René Tonniau-Verhellen. Het was toen nog heel uitzonderlijk dat bij het op rust gaan van de landbouwer de boerderij niet werd verder gezet door een van de kinderen. Meer nog deze boerderij werd verkocht aan “stadsmensen” zoals dat toen werd gezegd. Het neerhof ligt in Tenhole nr 3, een oase van rust en groen, in een klein dal tussen twee uitlopers van de getuigenheuvel. De bron geeft het jaar door overvloedig drinkbaar water. Mensen uit de buurt en stadslui kwamen zich hier bevoorraden. Tot de jaren 70 was de weg Tenhole zelfs niet gekasseid  Het merendeel van de wegen in de gemeente waren dat wel (macadam of asfalt kende men hier blijkbaar nog niet); de weg was gewoon met grind verhard en voldoende breed voor stro- of hooiwagen. Hugo Claus liet de oude boerderij opknappen, zeg maar stevig verbouwen.Die karwei nam enkele jaren in beslag. Het woonhuis werd mooi ingericht en schuren en stallingen, met rieten dak, kregen elk hun functie. Deze plek werd voor het gezin Claus een vaste stek vanaf 1963. Algauw werd vrouw Elly een graag geziene dame die vlot met de mensen van “den buiten” kon opschieten. Zo liep zoontje Thomas vanaf de 1ste kleuterklas school in de “Gemeenteschool”. Meermaals liet vrouw Elly haar ongenoegen blijken over de hygiënische toestand van het schooltje. De toiletten waren “vertrekken” zonder waterspoeling en je weet wel …een plank met een rond gat…. Maar, het moet gezegd, … het onderwijs was naar de wens van de ouders want de knaap kon er later zedenleer volgen. En of hij naar zijn zin had. Een dorpsschool midden de velden en weiden met toffe buren… Het jonge kind was verknocht aan de tuinman Georges die hem meermaals van school meenam naar Tenhole, soms achter op de fiets. Hij beleefde er een heerlijke tijd.

    Dat de nieuwe woonst van de schrijver ergens verscholen lag daar in het rustige Nukerke blijkt uit een krantenbericht waarin Hugo Claus liet optekenen dat hij ging wonen “op een plaats in Nukerke waar Christus nog niet voorbij gekomen was”, dit tot ergernis van heel wat mensen. En placht hij niet te zeggen tegen zijn bezoekers:”… volg de gids want anders komt u in de bled (van het Frans le bled, wat zo veel kan betekenen als de woestijn) terecht !”. Hoe je er wel terecht kon bij hem? Ergens langs de Staatsbaan (nu Rijksweg) nam je de Dierickstraat, een kronkelende, wagenbrede kasseiweg. Vóór de klim draaide je rechts het straatje Tenhole in .

     

     

    25.   Villa van Leo Piron te Nukerke.

    Leo Piron werd in 1899 in Marcinelle geboren en overleed in Nukerke in 1962.

    Leo Piron huwde met Marie-Josèphe, een van de drie dochters van de landschapsschilder Valerius de Saedeleer, van wie hij de knepen van het vak leerde. Hij werd dus ook landschapschilder. Na de dood van Valerius in 1937 bleef hij in de villa Tynlon op de Bossenaar wonen tot 1945

    Kort na de Tweede Wereldoorlog kocht hij in Nukerke, langs de Staatbaan, een lapje grond naast het Daelbosch. Op dit uitverkoren plekje met uitzicht op de wijdse scheldevallei liet hij er in 1948 zijn villa bouwen waarin hij voor de rest van zijn leven zou wonen en werken. De villa kreeg de naam “Daelbosch”. Zijn werkkamer op de eerste verdieping had een groot raam op het westen én een heel groot raam ving het noordenlicht op. Hij hield van dat zuiver en fel licht. Vanuit zijn werkkamer had hij een prachtig en wijds vergezicht en volgde gretig het spel van de wolken en het licht. Het panoramisch uitzicht vanuit zijn werkkamer werd door niets gehinderd, geen boom, geen huis. De weiden doken stijl de diepte in richting Donderput, Zulzeke, de scheldevallei… De einder was eindeloos.

    Vele buren zullen hem nog herinneren als een gemoedelijke, stille en rustige man die tijdens zijn vele wandelingen contact zocht met mens en natuur. Na zijn dood werd de los (de landweg) die hij honderden keren bewandelde naar hem genoemd. Het Leo Pironpad duikt vanaf de Smisstraat nog steeds de mysterieuze Donderput in. De schilder genoot van dat panoramisch en schilderachtig landschap, het mooiste hoekje van Nukerke! Hij wandelde omzeggens in zijn eigen schilderijen.

    De schilder is echter tot heden niet terug te vinden op de lijst van de grote Vlaamse kunstenaars.

     

    26.   Watermeulen te Meulebroecke

     

    Deze tekening stelt de watermolen voor zoals hij er uit zag in 1974. Het molenhuis stond langs de Molenbeek en behoorde tot de aanpalende boerderij. Na de W.O.-II was deze watermolen niet meer in functie. Het gebouwtje verviel en werd weldra een ruïne. De afbraak volgde.         

     

     

    27.     Verblijfplaats van de schrijver Hugo Claus.
    De schrijver kocht de gesloten hoeve, typische bouwtype voor Zuid-Vlaanderen, in 1960. Tot dan was de boerderij een bloeiend bedrijf in eigendom van de familie René Tonniau-Verhellen. Het was toen nog heel uitzonderlijk dat bij het op rust gaan van de landbouwer de boerderij niet werd verder gezet door een van de kinderen. Meer nog deze boerderij werd verkocht aan “stadsmensen” zoals dat toen werd gezegd. Het neerhof ligt ”in Tenhole nr 3”, een oase van rust en groen, in een klein dal tussen twee uitlopers van de getuigenheuvel. De bron geeft het jaar door overvloedig drinkbaar water. Mensen uit de buurt en stadslui kwamen zich hier bevoorraden. Tot de jaren 70 was de weg Tenhole zelfs niet gekasseid  Het merendeel van de wegen in de gemeente waren dat wel (macadam of asfalt kende men hier blijkbaar nog niet); de weg was gewoon met grind verhard en voldoende breed voor stro- of hooiwagen. Hugo Claus liet de oude boerderij opknappen, zeg maar stevig verbouwen.Die karwei nam enkele jaren in beslag. Het woonhuis werd mooi ingericht en schuren en stallingen, met rieten dak, kregen elk hun functie. Deze plek werd voor het gezin Claus een vaste stek vanaf 1963. Algauw werd vrouw Elly een graag geziene dame die vlot met de mensen van “den buiten” kon opschieten. Zo liep zoontje Thomas vanaf de 1ste kleuterklas school in de “Gemeenteschool”. Meermaals liet vrouw Elly haar ongenoegen blijken over de hygiënische toestand van het schooltje. De toiletten waren “vertrekken” zonder waterspoeling en je weet wel …een plank met een rond gat…. Maar, het moet gezegd, … het onderwijs was naar de wens van de ouders want de knaap kon er later zedenleer volgen. En of hij naar zijn zin had. Een dorpsschool midden de velden en weiden met toffe buren… Het jonge kind was verknocht aan de tuinman Georges die hem meermaals van school meenam naar Tenhole, soms achter op de fiets. Hij beleefde er een heerlijke tijd.

    Dat de nieuwe woonst van de schrijver ergens verscholen lag daar in het rustige Nukerke blijkt uit een krantenbericht waarin Hugo Claus liet optekenen dat hij ging wonen “op een plaats in Nukerke waar Christus nog niet voorbij gekomen was”, dit tot ergernis van heel wat mensen. En placht hij niet te zeggen tegen zijn bezoekers:”… volg de gids want anders komt u in de bled (van het Frans le bled, wat zo veel kan betekenen als de woestijn) terecht !”. Hoe je er wel terecht kon bij hem? Ergens langs de Staatsbaan (nu Rijksweg) nam je de Dierickstraat, een kronkelende, wagenbrede kasseiweg. Vóór de klim draaide je rechts het straatje Tenhole in .

     

     

    28.  Villa van Leo Piron te Nukerke.

    Leo Piron werd in 1899 in Marcinelle geboren en overleed in Nukerke in 1962.

    Leo Piron huwde met Marie-Josèphe, een van de drie dochters van de landschapsschilder Valerius de Saedeleer, van wie hij de knepen van het vak leerde. Hij werd dus ook landschapschilder. Na de dood van Valerius in 1937 bleef hij in de villa Tynlon op de Bossenaar wonen tot 1945

    Kort na de Tweede Wereldoorlog kocht hij in Nukerke, langs de Staatbaan, een lapje grond naast het Daelbosch. Op dit uitverkoren plekje met uitzicht op de wijdse scheldevallei liet hij er in 1948 zijn villa bouwen waarin hij voor de rest van zijn leven zou wonen en werken. De villa kreeg de naam “Daelbosch”. Zijn werkkamer op de eerste verdieping had een groot raam op het westen én een heel groot raam ving het noordenlicht op. Hij hield van dat zuiver en fel licht. Vanuit zijn werkkamer had hij een prachtig en wijds vergezicht en volgde gretig het spel van de wolken en het licht. Het panoramisch uitzicht vanuit zijn werkkamer werd door niets gehinderd, geen boom, geen huis. De weiden doken stijl de diepte in richting Donderput, Zulzeke, de scheldevallei… Zijn einder was eindeloos.

    Vele buren zullen hem nog herinneren als een gemoedelijke, stille en rustige man die tijdens zijn vele wandelingen contact zocht met mens en natuur. Na zijn dood werd de los (de landweg) die hij honderden keren bewandelde naar hem genoemd. Het Leo Pironpad duikt vanaf de Smisstraat nog steeds de mysterieuze Donderput in. De schilder genoot van dat panoramisch en schilderachtig landschap, het mooiste hoekje van Nukerke! Hij wandelde omzeggens in zijn eigen schilderijen.

    De schilder is echter tot heden niet terug te vinden op de lijst van de grote Vlaamse kunstenaars.

     

    29.   Watermeulen te Meulebroecke

     

    Deze tekening stelt de watermolen voor zoals hij er uit zag in 1974. Het molenhuis stond langs de Molenbeek en behoorde tot de aanpalende boerderij. Na de W.O.-II was deze watermolen niet meer in functie. Het gebouwtje verviel en werd weldra een ruïne. De afbraak volgde.
     


    30. Een veldkapelletje

     

    Dit volledig bakstenen kapelletje tref je aan op de hoek van de Weitstraat en de Keistraat. Het is een typisch klein veldkapelletje, gedeeltelijk gebouwd in de hoge berm, met een hoogte van 1,99m, een breedte van 1,18m en een diepte van 98cm.Een eiken deurtje met vertikale balkjes sloot de nis af. Het werd gebouwd op het land van een zekere Goedgebuer uit Gent. Charles Vander Eecken, een landbouwer die zijn bedrijf runde op de hoek van de Keistraat en de Holandstraat pachtte het van de eigenaar Goedgebuer. Volgens hem heeft de eigenaar de kapel zelf laten bouwen. De juiste datum is echter onbekend. Wel zou het vóór 1900 zijn gebouwd.

    Een andere versie luidt als volgt;

    Het kapelletje werd gebouwd op vraag van Virginie Laurier, echtgenote van Francis Van Maelsaeke (overgrootmoeder van Marie-Odette). Volgens haar zou het daar gespookt hebben. Het land behoorde toen aan de familie Planchon , brouwer te Ronse). Francis en Virginie hadden samen 9 kinderen; 4 zoons en 5 dochters.

    De veldkapel werd juist daar gebouwd, op deze hoek, niet enkel omdat ze eigenaar van het perceel grond waren maar tevens omdat de familie diep gelovig was. Het werd niet samen met een ander gebouw gezet (b.v. een woning) .Het werd toegewijd aan O.L.Vrouw, want er heeft steeds een oud beeldje van O.L.Vrouw in gestaan. Lange tijd heeft de familie Van Maelzaeke de kapel onderhouden. Er werden regelmatig bloemen bijgezet en af en toe brandde er binnen een kaars. Vooral tijdens de meimand gingen de buren regelmatig de bloemen verversen en werden er nieuwe kaarsen op de kandalaars geplaatst.. Het kapelletje heeft geen naam. Volgens Charles is dat te wijten aan het feit dat hier nooit een bedevaart naar de kapel plaats had. “Als het nodig was dan ging nonkel Ernest destijds het kapelletje witkalken.” Maar, na vele generaties begon de kapel te verkommeren. Meer nog, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kapel getroffen tijdens een luchtaanval en bijna volledig verwoest. Nadien werd het min of meer hersteld. Maar na het verbreden en betonneren van de Weitstraat in de jaren 80 werd er niet veel meer naar omgekeken, op het plaatsen van enkele veldbloemen en een kaarsje na. Hoewel, het bakstenen kapelletje werd al eerder gerestaureerd door Ernest Everaert. De ouders van Bertha Van Maelzaeke hebben toen het werk en de materialen bekostigd.

    Tot in de lente van 1980 door de Koning Boudewijn Stichting de actie “Met open oog op weg” op touw werd gezet. De bedoeling ervan was plaatselijke besturen, scholen, verenigingen, buurtcomités,… aan te sporen om kleine projecten in de onmiddellijke omgeving in handen te nemen en de nabije leefwereld aangenamer te maken door o.m. klein historisch erfgoed te herstellen en/of te restaureren. T.g.v. van deze actie hebben de leerlingen van de derde graad van de Gemeentelijke Basisschool zich ingezet om het kapelletje op te smukken.. Maar hoe troffen ze het bouwwerkje aan? Het voegsel verpulverden tot zand en de voegen zaten vol aarde. Niet te verwonderen, want cement was er bij de bouw niet aan te pas gekomen. Toen bouwde men nog met kalk en zavel. Ook hoekstenen kwamen los en nog erger, de natuur ging zijn gang en weldra drongen de wortelen van gras en netels zich in de voegen. Aan de achterzijde groeide een vlierstruik wiens wortelen in de voegen vastzaten. De linker zijkant vertoonde een scheur. Het dak was al eens hersteld want er staken rode bakstenen tussen. Een groot deel van het gebouwtje zat onder de aarde die de berm was afgegleden.

    Gedurende 10 dagen, van 18maart tot 4 juni 1980 werkten groepjes kinderen aan de verfraaiing. Er werd geklopt en geschuurd, gemetseld, gevoegd, geverfd en geplaveid  Na het binnensturen van het dossiertje ontving de school een subsidie van 2000 fr. Daarmee werd het materiaal bekostigd; 145 kg cement, 130 kg zavel, 40 kg glaskorrel, 15 bakstenen, witte verf, kasseistenen,, schuurpapier, een drankje voor de werkers, foto’s, administratie…

    Zo werd het oude kapelletje in een nieuw kleedje gestopt en kon het weer een paar generaties verder… tot een jaar later op een zonnige dag een maaimachine van de gemeente het kapelletje tijdens het maaien raakte en neerlegde. De gemeentewerkman Fernand Ruelle heeft dank zij de plannetjes, die de leerlingen van de school hadden gemaakt met de juiste afmetingen, de kapel in haar oorspronkelijke vorm kunnen heropbouwen.. Sindsdien staat het weer te pronken in een vergeten hoekje.

    Verhalen

    Een overlevering wil dat er heel lang geleden rond de kapel werd gespookt.

    En een waar gebeurd verhaal vertelt dat een zekere Deruyver , een pelsjager (of is het pensjager) hier zou verongelukt zijn door een schotwonde veroorzaakt door zijn eigen karabijn.

     

    In 1980 schreef een plaatselijke reporter in de krant volgend artikeltje.

    Een vervallen kapel te Nukerke

    Maarkedal.- Keurig onderhouden, door bereidwillige buren, zo was ruime tijd de kapel langs de Weitstraat te Nukerke. Vroegere meimaanden stond het veldkapelletje te pronken, Maria ter ere en Nukerke ten bate. Witgekalkt beheerste het de rust van de omgeving aan de hoek van de Keistraat. Maar nu schijnt niemand zich nog over het kapelletje te ontfermen.De belangloze inzet van zovele jaren, is er niet meer. Het mag niet zijn dat aangelanden de kapel laten verkommeren. Een zeker respect dringt zich op voor de landelijke kapellen, tastbare getuigen van betere en vromere tijden. Wegenwerken hebben het kapelletje lelijk verminkt, met uiteindelijke herstellingswerken kreeg het weer een dak. Het werd een kapel zonder kruis. Overgeleverd aan wie ook, heeft de kapel er een zieltogende aanblik gekregen. –(D.R.)

    Even een rechtzetting: het veldkapelletje heeft nooit een kruis.gehad.

     

    31.     ’t Lindeke in zijn wintertenue

    Deze Hollandse linde(v. en m.) is reeds lang een uit de kluiten gegroeid lindeke.  Met zekerheid werd hij aangeplant in de 18de eeuw. De oudste autochtone Nukerkenaren hebben de boom er altijd weten staan. Na al die jaren noemen wij hem nog steeds “het lindeke” ondanks zijn hoge leeftijd en zijn stoer uitzicht. Het is niet enkel een boom maar tevens een plaatsnaam, ja zelfs een groen monument. Zuster Gula begeleidde jarenlang haar leerlingen tot aan de boom. Daar scheidden de wegen want twee voetwegen kruisten mekaar. In omzeggens elke windrichting vertrok een wegje. Geen mens heeft tot heden de linde zijn geheimen kunnen ontfutselen.Teder en zacht zoals hij is heeft hij talrijke verliefde koppeltjes uit voorgaande generaties in zijn brede mantel van jonge groene fluwelen blaadjes omarmd. Geen woordje geen verloren, geen zoentje of smakje werd gehoord. En het onze-lieve-vrouw-beeldje daar boven tegen de dikke stam keek vanuit het kapelletje liefelijk toe en wenste de jonge mensen veel geluk. Hoeveel kerkgangers op weg naar de dienst troffen mekaar hier ‘s zondags. Tijd dus om nieuwtjes door te geven. En dan: “Allez tot volgende week!” Maar menigmaal was ’t lindeke ontroerd telkenmale hij de oude pastoor met grote schreden zag voorbijkomen, lichtjes voorovergebogen, Ons Here dragend, op weg naar een berechting. Zijn dienaar droeg een lantaarn en rinkelde de bel als ze een woning naderden.

    Het was reeds lang gebruikelijk bij onze voorouders dat lindebomen werden geplant bij de boerderijen, op kruispunten van steen- en aardewegen, langs dreven, op dorpspleinen, aan een herberg (bij de stamenie “In de sterre” stonden er zelfs 3 lindebomen). Het mocht al eens meer lukken dat we drie linden bij mekaar zagen aanleunen. Eenvoudige huisjes stonden al eens in de schaduw van een lindeboom. Op vele plaatsen stond de veldkapel onder de beschermende kruin van een stoere linde. En in de hoek van menig boomgaard waakte een linde. Veelal werd aan de boom een godsdienstig beeldje of kapelletje gehangen, toegewijd aan  O.-L.-Vrouw. Soms werd aan de voet van de boom een kruisbeeld geplaatst.  Al deze Vlaamse gebruiken stammen uit de tijd van onze Germaanse voorouders. Toen was de lindeboom toegewijd aan de godin Freia. En was zij niet “de godin der minne”. De mooie lindeboom bracht immers liefde, huwelijkstrouw en …geluk in het huisgezin. Ook in de middeleeuwen speelde de linde een belangrijke rol in het volksleven en in de volksoverleveringen.

     

    32.     De Spoorwegtunnel

    Deze tekening is een weergave van de noordelijke ingang (kant Nukerke) van de spoorwegtunnel.

     

    TUNNELVERHAAL

    “Gaston Devos woonde in die jaren op het Holand, nu huisnummer 17, hij was beroepsmilitair. Zoals velen waren ook zij in 1944 de oorlog grondig beu. Er waren de opeisingen, het voedseltekort, het gebrek aan steenkolen... Vader en zoon bereidden een snood plannetje voor.

    In 1942 werd de omgeving van de tunnel door de Duitsers afgezet. Later werd gezegd dat Hitler zich in de tunnel had opgehouden. In werkelijkheid zou het Goebbels geweest zijn. Niemand mocht toen de sector binnen. ’t Is in die periode dat ons huis werd doorzocht en dat ze in de kelder enkele vaten bier vonden.’t Was toen nog gebruikelijk dat de brouwerij T’Sjoen ,van aan Den engel (het mooie woonhuis werd in de jaren ’70 onteigend en afgebroken) bier uitvoerde met paard en bierwagen..

    De Duitsers vonden niet beter dan al ons bier uit te drinken; ze zeiden dat het toch allemaal van hen was.

    Op een mooie morgen in augustus 1944 werd de tunnel gesaboteerd. Ik weet het nog zo goed als ware het gisteren gebeurd. We hoorden vanuit onze slaapkamer zoals gewoonlijk de eerste trein passeren om vijf vóór vier. Het was de “koolmijnerstrein” (Gent-Blaton) die met onze Vlaamse mijnwerkers naar de “fosten” reed. Zoals gewoonlijk reed de trein ons huis voorbij maar kort nadien hoorden we het knarsen van de remmen. De trein stopte. We vonden dat al eigenaardig. Enkele uren later vernamen we wat er gebeurd was. Gaston Devos en zijn zoon Michel hadden hun plannetje uitgevoerd. De familie Devos woonde toen op het Holand nu huisnummer 7. Tijdens de nacht hadden ze halfweg de tunnel enkele rails losgemaakt. Dat was op de plaats waar de tunnel een lichte bocht maakt. Zij lieten de trein stoppen en verplichtten de machinist de locomotief af te koppelen. Dadelijk werd hij weer onder stoom gezet. De machinist sprong eruit terwijl de machine langzaam op dreef kwam en het donkere gat binnen reed, richting Louise-Marie. Na enkele ogenblikken hoorden ze een schurend geluid gevolgd door zwaar gedonderd. De locomotief was gekanteld en de tunnel was geblokkeerd.

    Maar wat was de bedoeling van die gevaarlijke onderneming. Wel het zat vele burgers hoog dat de goede, vette steenkolen uit de Borinage en andere rijkdom van ons land voor hun neus voorbijreden richting Duitsland. Wij moesten ons tevreden stellen met kolen van heel slechte kwaliteit. Bovendien waren de geallieerden op 6 juni geland in Bretagne en ze maakten snel vooruitgang. Deze sabotage kon alleen maar de aftocht van de bezetter vertragen.

    Wij en alle buren profiteerden van de gelegenheid om de steenkolen uit de tender te halen. Volle kruiwagens werden naar huis gevoerd. De volgende winter zal het feest zijn rond de warme kachel. De tunnel werd pas vrijgemaakt door de Engelsen na de bevrijding.

    Al bij al een gevaarlijke onderneming die sabotage want gewoonlijk waren de Duitsers na een aanslag uit op weerwraak. Dorpen en buurten waar de bezetter een duidelijke weerstand ondervond werden steeds zwaar aangepakt. In een handomdraai werden dorpelingen verzameld en een vuurpeloton deed de rest. Gelukkig voor onze dorpbewoners hadden de Duitsers in augustus dringender zorgen. Zo niet…!”

    De 410 m lange spoorwegtunnel werd gegraven deels onder de Spichtenberg (105m) en de Kafhoek, onder een uitloper van de getuigenheuvel.  Het station van Etikhove ligt op een hoogte van 42,5m. De ingang van de tunnel in Nukerke ligt op 82,5m. De uitgang in Louise-Marie, op grondgebied van Ronse, ligt op 72,5m en op 420m van het station van Louise-Marie.

     

     

     

    33. Zicht op Nukerke

    De kerk van Nukerke gebouwd op het uiterste einde van een uitloper van de getuigenheuvel met een zandlemige ondergrond. Vanop de omliggende heuvels zoals de Eikenberg in Edelare, de Ommegangstraat, de Hotond, ja zelfs vanuit de vallei in Melden merk je de spitse kerktoren die als een baken hoog boven het bosrijke heuvelland uitsteekt, gebouwd op een omzeggens strategische plaats. Want vanaf hier zakt het terrein de diepte in, noordwaarts naar de scheldevallei. Het gehucht “De zak” heeft hier zijn naam verdiend.

    De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk is gebouwd in een eenvoudige classicistische stijl en dateert uit ca 1775 De altaarwijding had plaats in 1777. In de loop van de geschiedenis is de kerk menigmaal verbouwd want een eerste kerkje stond er reeds in 1116 en staat in de kronieken vermeld al  “Nova ecclesia”, wat nieuwe kerk betekent. De nederzetting kreeg algauw de naam Nukerke. In de omgeving van Nukerke werden pre-historische en Gallo-Romeinse vondsten gedaan, wat wijst op oude woonkernen. Tijdens de middeleeuwen hing Nukerke af van de heerlijkheid “'t land tussen Marke en Ronne” die op haar beurt toebehoorde aan de baronie van Pamele (Oudenaarde). De Hervorming kon in Nukerke op tamelijk veel aanhangers rekenen. De bevolking leefde vooral van de bosontginning en de landbouw en nog steeds is Nukerke  een typische landbouwgemeente. Na de grote pestepidemie van 1667 tot 1669 nam de bevolkingsgroei weer snel toe.

    Het inwonersaantal groeide aan tot begin 19de eeuw.

    Was Nukerke een deelparochie van Melden tot aan de Franse Bezetting de inwoners kregen pas hun zelfstandigheid tijdens Het Hollands Bewind toen het zijn wapenschild kreeg in 1843.

    Laatste pastoors: Fivez, De Boe, De Groote, Dutordoir, Reyns (tot 1951), Clément Tirez, Joseph Van Poeck de Knyf, Moras (tot 1968), Naessens, Ghys, Heysse, Remi Godefroid (laatste parochieherder van Nukerke).

     

     

    34. Het hospice met het huis van de zusters, de stallingen en in de verte het “wezenhuis” St-Vincentius. De woning waar later de weeskinderen zullen worden ondergebracht dateert van 1918.

    In het woonhuis waren een paar kamers voorbehouden voor de betere lui. Zo woonde Mevr. De Backer, moeder van zuster Susanne, lange tijd in de kamer onderaan links. Rechts van de voordeur was de spreekkamer met daar achter achter het verblijf van de zusters. Op de eerste verdieping links was er een kapel. De sacristie was boven de voordeur. Het verblijf van de ouderlingen bevond zich in het gebouw, met verdieping, dat dwars opde woning stond.

    De woning in de verte het oorspronkelijk gebouw dat werd ingericht als verblijfplaats voor de weeskinderen. In de jaren 50 werd de woning opgetrokken met één verdieping. Tussen de woning en het hospice zie je de stallingen van de hoeve.

     

    35. Kerkje van Zulzeke

    Kleine deelgemeente van Kluisbergen met een opppervlakte van  562 ha en 627 inwoners in ‘70. De landelijke dorpsplaats bezit een gezellige taverne “In ’t oud gemeentehuis” uit 1841. Het is de laatste van de vier herbergen die er waren tot de jaren 80. Verder is de mooie St-Janskerk een bezoekje waard. Het is een driebeukige hallenkerk met oude vierkante westentoren met harstenen onderbouw. Het voorkomen van de kerk is 18de eeuws maar er zijn talrijke oude sporen. De kerk, het omringend kerkhof en de kerkhofmuur zijn beschermd als monument en als landschap (K.B. van 29 oktober 1975). De binnendecoratie is 17de en 18de eeuws met toch nog een zuideraltaar in de renaissance stijl (ca 1600). Het hoofdaltaar is 18de eeuws. Boven het altaar prijkt het schilderij “Jezus verschijnt aan Maria-Magdalena (Vlaamse school, einde 17de eeuw).

    De pastorij, aan de noordzijde van de kerk, is in 2007 verkocht aan een particulier

    De inwoners van Zulzeke en Nukerke leefden vroeger nauw verbonden met elkaar. Men zocht er al eens zijn partner en beide gemeenschappen namen deel aan elkaars feesten. Zo was de jaarlijkse geitenkeuring, een echte volkstoeloop. En met Sint-Jan in ‘t water was het kermis. Veel inwoners van Zulzeke sloten aan bij het verenigingsleven van Nukerke. We denken hier aan BGG, het Werk van den akker, het davidsfonds… Niet te verwonderen dat bij de fusie van de gemeenten in 1976 men plannen had om het deel van Nukerke ten westen van de Rijksweg bij Kluisbergen aan te sluiten.



    36.  De laatste suisse in de kerk te Nukerke

    De laatste suisse in de O.-L.H.-Hemelvaartkerk te Nukerke was Richard Couvreur die in een klein boerderijtje woonde langs de Mellinckstraat nr 5 te Nukerke waar nu reeds de vierde generatie woont. Een suisse is een ordebewaarder die aangesteld werd in sommige katholieke kerken. Ze droegen een uniform met vermelding “politie” (zonder politiönele macht natuurlijk) met staf of hellebaard (hier in de betekenis van een strijdbijl aan een lange spies) en een bandelier, een brede draagriem of band over schouder en borst. Hun taak bestond erin o.a. praters en telaatkomers terecht te wijzen en oneerbiedige houdingen te verbieden, o.a. het dragen van hoed of klak. Zatteriken werden zonder veel onthaal naar buiten verwezen. Kinderen keken met heel veel ontzag die strenge man aan en durfden geen vin te verroeren. Dat fel blinkend koperen strijdbijl gaf geen vredig gevoel. Athans, zo heb ik het beleefd.

    Richard Couvreur werd “geboren te Etichove den 18 September 1878 en godsvruchtig in den Heer ontslapen te Nukerke den 14 Mei 1933, voorzien van deHH. Sacramenten der stervenden. Hij was lid van de confreriën van het Allerheiligste Sacrament,- het H.Hart,- de Derde Orde van den H. Franciscus en van den H. Franciscus-Xaverius.”

    Uit het doodsprentje of bidprentje vernemen wij dat Richard weduwenaar was in een eerste huwelijk met Odile de Catelle en bij het sterven de echtgenoot was van Adèle Aelvoet.

    De tekst op zijn doodsprentje luidt verder als volgt:

    “Gelukkig den mensch die de dood steeds voor ogen heeft en zich dagelijks bereidt om te sterven. Nav.Christi X.

    Hij gaf luister aan de feesten en verheerlijkte de hoogtijden tot het einde van zijn leven, opdat men den Heiligen Naam der Heeren zoude prijzen en in den vroege morgen Gods heiligheid verkondigen. Eccl.XLVII,12.

    Vaarwel, Beminde Echtgenoote, Kinderen en Kleinkind, troost u, we zullen elkandr wederzien. Duurbare vrienden, lange jaren was ik voorU in de kerk op mijnen post, gedenkt U mijner, Gij, die daar missen of goddelijke diensten bijwoont. Mijne zusters en dochters den Heer in ‘t klooster toegewijd, op uw aandenken in ’t gelid betrouw ik het meest.

    H. Hart van Jezus, wees mijn heil. 500 dag. afl.

    Zoet Hart van Maria, wees mijn toevlucht. 800 dag. afl.”

    Het bidprentje werd gedrukt in de Drukkerij P.Hoffmann te Nukerke.

    Zijn tweede kleinkind, een jongen, kreeg zoals toen gebruikelijk was, bij zijn geboorte in 1934, de naam van grootvader, nl. Richard.

    We begrijpen best waarom Richard die voorname taak kreeg toebedeeld van pastoor Reyns. Hij stamde uit een diep christelijke familie; hij had immers twee zussen en 2 dochters die kloosterzuster waren.

    De kerk van Nukerke gebouwd op het uiterste einde van een uitloper van de getuigenheuvel met een zandlemige ondergrond. Vanop de omliggende heuvels zoals de Eikenberg in Edelare, de Ommegangstraat, de Hotond, ja zelfs vanuit de vallei in Melden merk je de spitse kerktoren die als een baken hoog boven het bosrijke heuvelland uitsteekt, gebouwd op een omzeggens strategische plaats. Want vanaf hier zakt het terrein de diepte in, noordwaarts naar de scheldevallei. Het gehucht “De zak” heeft hier zijn naam verdiend.

    De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk is gebouwd in een eenvoudige classicistische stijl en dateert uit ca 1775 De altaarwijding had plaats in 1777. In de loop van de geschiedenis is de kerk menigmaal verbouwd want een eerste kerkje stond er reeds in 1116 en staat in de kronieken vermeld al  “Nova ecclesia”, wat nieuwe kerk betekent. De nederzetting kreeg algauw de naam Nukerke. In de omgeving van Nukerke werden pre-historische en Gallo-Romeinse vondsten gedaan, wat wijst op oude woonkernen. Tijdens de middeleeuwen hing Nukerke af van de heerlijkheid “t’ land tussen Marke en Ronne” die op haar beurt toebehoorde aan de baronie van Pamele (Oudenaarde). De Hervorming kon in Nukerke op tamelijk veel aanhangers rekenen. De bevolking leefde vooral van de bosontginning en de landbouw en nog steeds is Nukerke  een typische landbouwgemeente. Na de grote pestepidemie van 1667 tot 1669 nam de bevolkingsgroei weer snel toe.

    Het inwonersaantal groeide aan tot begin 19de eeuw.

    Was Nukerke een deelparochie van Melden tot aan de Franse Bezetting de inwoners kregen pas hun zelfstandigheid tijdens Het Hollands Bewind toen het zijn wapenschild kreeg in 1843.

    Laatste pastoors: Fivez, De Boe, De Groote, Dutordoir, Reyns (tot 1951), Clément Tirez, Joseph Van Poeck de Knyf, Moras (tot 1968), Naessens, Ghys, Heysse, Remi Godefroid (laatste parochieherder van Nukerke).

     

     

    37. Het hospice met het huis van de zusters, de stallingen en in de verte het “wezenhuis” St-Vincentius.

    In het woonhuis waren een paar kamers voorbehouden voor de betere lui. Zo woonde Mevr. De Backer, moeder van zuster Susanne, lange tijd in de kamer onderaan links. Rechts van de voordeur was de spreekkamer met daar achter achter het verblijf van de zusters. Op de eerste verdieping links was er een kapel. De sacristie was boven de voordeur. Het verblijf van de ouderlingen bevond zich in het gebouw, met verdieping, dat dwars opde woning stond.

    De woning in de verte dateert uit 1918, is het oorspronkelijk gebouw dat werd ingericht als verblijfplaats voor de weeskinderen. In de jaren 50 werd de woning opgetrokken met één verdieping. Tussen de woning en het hospice zie je de stallingen van de hoeve.

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (9 Stemmen)
    29-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tekst bij de tekeningen

      Korte historische uitleg bij de tekeningen

    1.        Gemeentehuis met pui of bordes, onderpastorie en pastorie te Nukerke. De eerste twee gebouwen werden in de beginjaren 70 jammerlijk gesloopt om plaats te maken voor een parking. Sindsdien is het dorpsplein een kale plaats. Velen zullen met heimwee terugdenken aan de tijd toen onze geüniformeerde veldwachter, Kamiel Verdonckt,  iedere zondag na de hoogmis, de trappen van de pui besteeg , met een armbeweging de aandacht van de menigte vroeg en vervolgens op een statige wijze de “berichten aan de bevolking” kond maakte terwijl groot en klein, opkijkend in de richting van de veldwachter, met aandacht en respect voor het gezag in stilte luisterden. Nadat  “en ieder zegge het voort “ weerklonk verbrak het geroezemoes de stilte van de “plaatse”.

    Over dit gemeentehuis met pui wist Paul Hoffmann, die gemeentesecretaris was tijdens en na de oorlogsjaren , met zekerheid te vertellen dat dit gebouw reeds in 1772 bestond. De beschrijving komt immers voor op het eerste perkament van het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst”. Men weet echter niet wanneer het gebouwd is aangezien het “Landboeck” (1772) het oudste document is dat  vroeger in Nukerke berustte. Het gebouw was vroeger, dus minstens vanaf 1772, de pastorie en is pas in 1903 of 1904 gemeentehuis geworden. Naast het gemeentehuis met pui stond het huis van de onderpastoor. Het klein, muf kantoortje van de secretaris zou de vroegere slaapkamer geweest zijn. Het gemeentehuis zelf was vanaf 1770 ondergebracht in de herberg “In ’t oud gemeentehuis” (zie beschrijving bij nr 6) , schuin tegenover  de pastorie. Later heeft men het secretariaat verplaatst naar het huis waar nadien de koster Deriemaeker woonde (nu drukkerij). Eerst rond 1903 of 1904 is de pastorie gemeentehuis geworden, terwijl iets verderop een nieuwe pastorie werd gebouwd  (zie gebouw links). Aan de oude pastorie bracht men enkele veranderingen aan zoals  de ingang en de toegangstrap. Rond 1905 plaatste men in de hoek van de voorgevel en de westelijke zijgevel een O-L-Vrouwbeeld. Dit beeld was een geschenk  van de toenmalige dorpsonderwijzer van de katholieke school, “meester Jan”, aan zijn gemeente.  (Zie de klasfoto van 1914). Meester Jan woonde op het dorpsplein in de woning waar nu de familie Georges Aelvoet-Restiaens woont. Jarenlang gaf meester Jan aan zijn oud-leerlingen ‘s zondag  na de mis les in de “zondagschool”. De Ontvanger van Belastingen had zijn kantoor tot 1912 naast het gemeentehuis, nadien werd zijn bureel verhuisd naar de herberg “In den Engel” om nadien te verhuizen naar de woning naast de brouwerij ‘T Sjoen.

     

    2.        Zicht op de oude dorpskom van Nukerke, gezien vanuit de vroegere Boelaardstraat. Met zicht op de kerk Onze-Lieve-Vrouw Ten Hemelopneming. Dit dorpszicht is sinds de eindjaren 70 onherroepelijk verdwenen; de oude woningen moesten plaats maken voor parkeerplaats. Links zie je nog de herberg “In ’t oud gemeentehuis”, omdat deze woning het oorspronkelijk gemeentehuis was bij het ontstaan van Nukerke. In het bijhorend kruidenierswinkeltje, konden we, in onze jeugdjaren,voor 5 fr een pakje Belga kopen. Eerst moest je nog 2 treden afdalen. Deze herberg was tot de afbraak eigendom van de familie Ryckbosch. Rechts bevond zich de woning “Blommaert” . In deze woning  werden in de jaren 70, en dit tot aan de fusie van de 4 gemeenten op 1 januari 1977, de gemeentelijke diensten ondergebracht. Sinds die tijd ziet de dorpskern er verlaten en leeg uit en dit bij gebrek aan visie bij het toenmalige gemeentebestuur.

     

    3.        Hospice of  “Oudemannenhuis” te Nukerke, gesloopt begin jaren 70 toen de werken aanvingen voor de bouw van het nieuwe verpleeg- en rustoord, de Samaritaan. In het hospice werden zowel oude vrouwen als mannen opgenomen die niet meer zelfstandig konden leven. De plaatselijke oudjes hadden natuurlijk voorrang. De dagelijkse zorgen waren in handen van enkele zusters van Barmhartigheid. De enkele ongezellige kamers hadden hoge plafonds. Aan het hospice was een grote boomgaard en moestuin verbonden waarin de meest valide bewoners van het tehuis konden werken. De zusters hadden ook de zorg van gerechtskinderen en wezen op zich genomen. De meisjes verbleven in de kloosterwoning, gelegen op de speelplaats van de vrije school terwijl de jongens in een bijgebouw van het hospice verbleven. Niet te verwonderen dat zij de “kinderen van het hospice “ genoemd werden. Dagelijks kwamen zij onder begeleiding van een zuster naar de jongensschool, gelegen naast de meisjesschool.

     

    Ontwikkeling van het hospice “Vóór 1890 bestond er te Nukerke een vreemdsoortig hospice. Oude mannen en vrouwen werden er verzorgd door het echtpaar Antoon de Vos-Theresia Van der Steen, mensen van goeden wil, maar zonder bestuurlijke bevoegdheid, zodat de zaak dreigde ten gronde te gaan. Dit wilden de E.H. Pastoor Files(Fivez) en het Gemeentebestuur van Nukerke ten alle prijzen verhoeden, en dus werden er Zusters van  Barmhartigheid van Ronse gezonden om het vervallen gesticht terug in bloei te brengen. Den 15de december deden de Zusters er hun intrede en werden verwelkomd aan het huis van Therisie Van der Steen met een peperkoek. Toen waren er reeds twintig oudjes opgenomen. Het zogezegd hospice bestond uit een boerenwoning langs de Pontstraat, rechtover de huidige Glorieuxstraat. Het gebouwtje was met stro bedekt en was lang niet waterdicht, maar de Gemeente had plannen om een nieuw hospice te bouwen. Van Ronse kwam de tijding dat Moeder Felicitas Nukerke moest verlaten om in Heldergem een nieuw huis te beginnen. Zuster Venantia werd den 21ste september 1894 als jonge overste in het Hospice aangesteld. Rond die tijd werd de aanvang begonnen van een nieuw Hospice te bouwen dank zij de krachtdadigheid van E.H. Pastoor de Boe. Einde augustus 1897 was de bouw voltooid. Volgens overeenkomst  moesten de Zusters de ouderlingen kost en inwoon geven tegen 0,45 F daags. De kostkopers betaalden 1 F.In 1901 werden de eerste weesjongens geplaatst: het was een schuchter begin, van een werk dat later zou groeien en bloeien. Tijdens de oorlog 1914-1918 werd van 1915 tot op het einde van de oorlog  een deel  van het hospice in lazaret herschapen In 1923 moest Moeder Venantia, reeds 33 jaar in Nukerke, naar Durmen verhuizen, en werd slechts na twee maanden vervangen door Moeder Aveline. De overste was reeds 20 jaar  werkzaam in het hospice. Onder haar bestuur nam het hospice verdere uitbreiding en werd de eigendomskwestie definitief opgelost door de oprichting van een Associatie in 1928, zonder winstgevend doel. De Parochiale werken van Nukerke. In 1932 mocht het H. Sacrament in het hospice blijven. Op 10 augustus celebreerde Eerwaarde Vader Akkerman  de eerste H Mis.Het gesticht had zulk een grote bijval dat het te klein werd, en aldus werd  een tweewoonst, grenzend aan het gesticht aangekocht. Deze woning richtte men in voor de jongens. Het gebouw kreeg de naam van “Palviljoen St-Vincentius”. Langzamerhand werd de inrichting steviger en groter. Op 2 Juli 1939 vierde het hospice een 100 jarige, nl. Madame Justine Segers. Tijdens de oorlog 1940-45 bedroeg het aantal inwoners, 98 nl. 10 zusters, 48 ouden van dagen en kostdames en 40 weesjongens.”(tekst  overgenomen uit een oude kroniek)

    Een andere tekst uit het Gedenkboek gaat als volgt verder. We citeren. “Met de dag steeg het bevolkingsaantal. Ouden van dagen wilden de zorgen  der Zusters genieten, kostkopers vonden er hun gading tegen lage prijzen, weeskinderen werden er flink en vroom opgevoed. Er zat vaart in het Hospice, maar het werd veel te klein.. Gelukkig kon in Juni 1935 een tweewoonst, grenzend aan aan het Gesticht, aangekocht worden. De bewoners echter mochten voorlopig blijven. Doch in September stelde de gewezen eigenaar een deel terbeschikking. Dadelijk sloeg men de hand aan het werk, want werk was er bij de vleet. Metsers, schrijnwerkers, loodgieters, ververs waren allen druk in de weer., en in Februari  1936 was de transfiguratie gebeurd; van een krotwoning hadden ze een keurig jongenstehuis gemaakt, dat met recht den glorieuzen naam droeg van “Paviljoen St Vincentius”. De jongens waren niet weinig tevreden met hun nieuwe inrichting.

    Nu was er meer ruimte in het hospice. De zitkamer der jongens werd ingericht als grote spreekplaats; hun slaapplaats werd beschikbaar gesteld voor latere noodwendigheden. Want toen in Juni 1937 negen oude vrouwtjes van het Moederhuis te Ronse, wegens afbraak der oude gebouwen, naar Nukerke werden overgebracht, konden ze plaats vinden in het leegstaande lokaal.

    En steeds verder ging de uitbreiding. Weldra kwam ook het overige deel van de in 1935 gekochte tweewoonst in handen van het hospice. De zoon van de gewezen eigenaar Merchiers, die volgens een bepaling van den verkoopakt nog drie jaar zijn woning mocht betrekken, tekende den 23 October 1937 een verklaring, waarbij hij afstand deed van zijn voorrecht. Ook dit huisje werd duchtig onder handen genomen en even smaakvol en gerieflijk ingericht als het vorige deel.

    Dit zelfde jaar kocht de Associatie een groot stuk land dat het sinds lang huurde van Mr H. Van Wassenhove. Het grenst onmiddellijk aan den eigendom van het Hospice en is beste labeurland.

    Zoo werd de inrichting immer steviger en groter. De reputatie van het Hospice te Nukerke was voortaan gemaakt: steeds zit het barstensvol. Voortdurend komen er aanvragen, voortdurend moet er geweigerd worden. Want de oudjes leven er lang! Een onder hen, Madame Justine Segers, bereikte zelf de 100 jaar. De eeuwelinge werd plechtig gevierd op 2 Juli 1939., met een solemnele Jubelmis, een gepaste toespraak van den E.H. Pastoor Ryns en een huldezitting op het Gemeentehuis. Daar werden haar een zilveren beker, geschenk van de Koning, en een leunstoel, geschenk van de gemeente, aangeboden.

    In de namiddag trok een prachtige stoet door de straten van de gemeente; hij werd door de honderdjarige in oogenschouw genomen van de eretribune, die bij het gemeentehuis was opgericht. Naast haar had Mr Aveline plaats genomen, die op verzoek van Madame Justine, deze overal vergezelde.

    ’s Avonds werden grote volkspelen en allerlei vermakelijkheden ingericht, die een massa volk lokten. Nukerke beleefde een zijner schoonste dagen.

    Doch nu waren donkerder dagen in ’t verschiet. Met September werd de algemene mobilisatie afgekondigd, en heel den winter 1939-40 werden we telkens opgeschrikt door dringend oorlogsgevaar. Den 10 Mei had de vreselijke uitbarsting plaats en reeds den 20 Mei deden Duitse soldaten hun intrede in het vreedzame Nukerke. Ze legden beslag op alle mogelijke plaatsen en stelden hun kanonnen op rond het hospice voor den slag aan de Schelde. En zo geraakte het Gesticht in de volle branding. Projectielen kwamen terecht in stallingen en op het verdiep in huis,  met  betrekkelijk weinig stoffelijke schade. Drie dagen en drie nachten duurde het bombardement.

    Op Sacramentsdag, 23 Mei  waren de Duitsers over de Schelde. Nu trad rust in. De E.H. Pastoor zou de H. Mis lezen in de kapel van het Gesticht, maar was opgesloten. Toen verzon men een list: er werd aan de Duitsers gemeld dat een grote zieke een priester vroeg. Aanvankelijk bleef alles vruchteloos doch weinige tijd nadien, meldde zich de E.H. Onderpastoor aan, onder bewaking van een Duits soldaat. Zr Suzanne die ziek lag in haar ligstoel, speelde perfect haar rol van zware zieke, biechtte in ’t bijzijn van de schildwacht en ontving de H. Communie.

    ’s Namiddags waren de geestelijken vrij. Daarmee had het Hospice zijn beroerde oorlogsdagen beleefd. Het werd nu stiller en normaler. Enkel de bevoorrading van de 98 inwoners – 10 Zusters, 48 ouden van dagen en kostdames, 40 weesjongens – leed last. Maar dank aan het wijs beleid van Moeder en de ijverige medewerking van de Zusters, was de voeding verzekerd. Het Hospice heeft de oorlogsjaren flink doorgemaakt.”

     

    De “weeskinderen”

    In het hospice werden vanaf 1901 tot 1936 kinderen opgenomen. In Nukerke sprak men van weeskinderen hoewel er ook kinderen verbleven uit ontwrichte gezinnen. In 1936 herstelde men de woning naast het hospice en werd de binneninrichting aangepast om er kinderen in op te nemen. De inrichting kreeg de naam Paviljoen St-Vincentius.

     

     

    4.        In de verte de houten “Snibbemolen” te Nukerke, op een hoogte van 125 m. Omer Wattez vermeldt deze molen in zijn werk “De Vlaamsche Ardennen” voor het eerst gepubliceerd in 1913, maar op een kaart van 1862 staat hij vermeld als  ’t Snibbe molen. De houten windmolen, in de verte, op de hoek van de Staatsbaan (nu Rijksweg) en de Molenstraat (nu Zeelstraat), is .afgewaaid rond 1940 op het ogenblik dat de molenaar pas de molen had verlaten. Het molenaarshuis (nu huisnummer 195) staat tot heden nog aan de overzijde van de Rijksweg . De laatste twee molenaars waren Theofiel Bostijn die opgevolgd werd door zijn zoon Julien. Zijn dochter, Simone, woont nu bij haar dochter, Marie-Paule Deschamps in Ronse. In hoofdzaak werd hier notenolie geproduceerd. Nadat de molen onbruikbaar was werd het vele hout tijdens de oorlogsjaren links en rechts als brandhout aan de man gebracht. Richard De Bisschop heeft jarenlang samen met zijn vrouw, Irma Decuyper, de herberg “In ‘t molenhuis” open gehouden. De woning met bijgebouwen staat op de hoek van de huidige Rijksweg en Zeelstraat. De handboogschutters van de Nukerkse schuttersmaatschappij schoten er naar de liggende wip. De staande wip stond op de terp waarop vroeger de molen stond. In de jaren tachtig verhuisde de staande wip naar het sportterrein langs de Kortekeer. Tot in de jaren 50 waren de vier stenen voeten, op de terp, de enige getuigenissen van de molen. Ook in die periode werd de terp afgegraven om er zavel te ontginnen maar na enkele jaren werd de zavelput gedempt met allerlei afval. Op het voorplan ziet u de stenen windmolen “Ten Kruissens” in volle glorie, honderd meter verder eveneens op het grondgebied van Nukerke. Zie verder bij molen “Ten Kruissens”. Alleen al in Nukerke stonden 4 windmolens wat een bewijs is van de toenmalige rijkdom van de streek.

     

    5.        De witgekalkte stenen windmolen “Ten Kruissens” te Nukerke, ontdaan van de wieken. Deze molen bestond met zekerheid reeds in 1556, als eigendom van de familie Ladeuze te Etikhove. In 1831 werd hij eigendom van de zout- en zeepzieder Desclée-Van Malderd te Ronse. In 1864 ging de molen over naar de familie Willems uit Zulzeke en in 1899 werd de molen dan doorverkocht aan Richard Maes. Op een kaart van 1862 staat de molen aangeduid zonder naam. Tot op heden is de molen in het bezit van de familie Maes A. Een storm vernielde de wieken en in 1929 werd elke activiteit gestopt. De stenen kuip bleef staan terwijl het interieur tot woonhuis werd ingericht. In het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen vermeld als “De hoogmeulen ter Crycen”.

     

     

    6.        Stenen graan- en oliewindmolen “Ten Hengst”, gelegen langs de Ommegangstraat te Nukerke, 112,5m boven zeeniveau op een afgeplatte heuveltop, een getuigenheuvel. Deze molen stond reeds vermeld in het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” van 1772 als “De wint Meulen ten hingst”. Hij zou dateren uit 1571. Deze molen werd in de volksmond zo genoemd omdat de wieken wild konden te keer gaan. Hij stak immers hoog boven het landschap uit en had steeds de wind in de zeilen. De molen werd door een blikseminslag volledig vernield in 1831. Deze graan- en oliemolen werd nadien herbouwd door Constant Kervyn. Meer dan eens werden de wieken tijdens een storm afgerukt. Deze windmolen vormt een mooi decor met de gerestaureerde molenaarshoeve. Sinds K.B. van 30-12-60 is de molen een beschermd monument en kan hij weer lustig met zijn wieken zwaaien. De laatste restauratie gebeurde in 2004. Dat er destijds, alleen al in Nukerke, 5 windmolens en 2 watermolens actief waren getuigt van een zeer grote rijkdom aan graangewassen en een zekere welstand voor de bevolking. Zie ook het Nukerkse wapenschild. De gemeente Nukerke kreeg bij koninklijk besluit van 1843 een mooi wapen toegekend waarvan de beschrijving als volgt luidt: “achtergrond van lazuur(blauw) met de godin Ceres van goud, ze slaat de hand aan de ploeg en draagt een bundel korenhalmen”. Ceres was de Romeinse godin van de landbouw(vruchtbaarheid) en door haar beeltenis wordt dus deze tak van bedrijvigheid, eigen aan de gemeente, op zinnebeeldige manier voorgesteld.

     

     

    7.        Oud schoolhuis behorend bij de eerste gemeenteschool langs de Pontstraat te Nukerke. Om de historiek rond de perikelen - de plaatselijke schoolstrijd - van die gemeenteschool beter te begrijpen is de geschiedenis op nationaal vlak heel belangrijk en verhelderend.

     

     

    8.        Oud, verlaten hoevetje langs de Pontstraat. Afgebroken in 1999. In dit hoevetje woonde jarenlang Richard Van Coppenolle, in de volkmond “ ’t cabineurke”. Deze was immers aangesteld om  de “compteur” of de elektriciteitsmeter in de woningen op te nemen. Omdat Richard  bij een stroomonderbreking naar de elektriciteitescabine moest (met de fiets, in weer en wind)  om de panne te herstellen en omdat hij bovendien niet te groot van gestalte was noemde men hem met een verkleinwoordje. Richard was steeds opgewekt en een graag geziene figuur, potlood achter het oor, sigaartje in de mond en een lederen diensttas aan de zij.

     

     

    9.        Typische Vlaamse hoeve gelegen langs de straat Ruitegem. Dit beeld is in de loop van 2002 iets of wat gewijzigd.

                                                                                                                                                                                                     

     

     

    10.     Stenen korenwindmolen “Molen Ter Slepe” ook genaamd “Molen Ten Nieuwennest” langs de Weitstraat te Nukerke op een hoogte van amper 56 m. Verklaring voor de eerste naam: de molenwieken sleepten traag wegens het feit dat ze weinig wind vingen. Hij prijkt immers niet bovenop een heuvelrug maar op een lage uitloper van de getuigenheuvels. Tweede verklaring: de naam  van het café dat de naam droeg “In de Nieuwennest”. De molen dateert uit de periode 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos.

    Op een kaart van 1862 staat hij aangeduid als Slepe molen, gelegen langs de Wijkstraat. De molen werd verscheidene keren van de hand gedaan. De laatste eigenaars, die de molen als schenking verkregen, waren Octavie-Sidonie De Langhe en Victor De Langhe die hem ten slotte door verkochten in 1910 aan Rafaël Maes-Vandenhende. Vanaf 1938 werd de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Tot overmaat van ramp sloeg de bliksem op de molen en werden de wieken totaal vernield. Een roemloos einde stond hem te wachten. Gilbert Stockman uit Etikhove heeft later de molen opgekocht om hem volledig te restaureren, wat maar gedeeltelijk is gelukt. Nu staat hij weer te koop.

    In 1968 verscheen in “De Ronsenaar” volgend artikel van AVH onder de titel “Nieuwe toekomst voor de molen ter Slepe te Nukerke”. “Wie een beetje de streek van de Vlaamse Ardennen met zijn typische bezienswaardigheden kent, weet dat het gebied Etikhove-Nukerke-Louise-Marie kan omschreven worden als een verrassende oase van pittoreske heuvelachtige natuurpracht. Midden dat deinend landschap prijken - zoals overal trouwens in de Vlaamse Aedennen - een stel oude windmolens die het landelijk karakter van ’t gebied nog meer affirmeren en die omwille van hun aanlokkelijkheid en hun antieke waarde trouw bewaard blijven. Een van deze merkwaardige molens is stellig de windmolen “Ter Slepe” aan de Wijtstraat te Nukerke, dicht bij de spoorweg Oudenaarde-Ronse en slechts een boogscneut verwijderd van de wijk “Donderij” te Etikhove. De molen Ter Slepe is laag gebouwd en prijkt niet zoals vele andere op een heuvel. Zijn naam heeft hij te ontleend aan het feit dat zijn wieken regelmatig op de grond sleepten. (De schrijver bedoelde hiermee dat de wieken meestal traag draaiden omdat ze weinig westenwind vingen . De wind uit de andere richtingen gaven geen probleem.(six)). De niet opgehoogde plek waarop de windmolen “Ter Slepe” in stenen werd opgetrokken wan niet ideaal om veel wind te vatten, vandaar het slepen van de wieken.In feite droerg deze windmolen eerste de naam van een nabij gelegen herberg met uitsteekbord “Nieuwennest”. De molen “Ter Slepe” dateert uit de jaren 1795-1800. Hij werd gebouwd door mulder Devos en door deze laatste uitgebaat tot 1835. Op 15 december 1847 verkocht  notaris Platteau van Ro,nse de molenmet bijhorende molendam aan Louis Vindevogel. In 1848 veranderde de molen terug van eigenaar. Door schenking werd hij de eigendom vanAlbib De Vos uit Elzele. In 1865 werde de molen terug verkocht en kwam in handen van Vital De Langhe uit Schorisse. Deze laatste herbouwde de molen gedeeltelijk in 1880. In 1897 komt de molen toe aan de weduwe en kinderen van de Langhe en wordt een jaar later als schenking toevertrouwd aan Octavie Sidonie De Langhe en Victor De Langhe. In 1910 wordt landbouwer Maes-Vandenhende uit Ronse de nieuwe eigenaar. Vanaf 1938 wordt de molen in het kadaster ingeschreven als puin. Rond die periode sloegde bliksem in op Ter Slepe en de wieken waren totaal vernield. Nooit werden er nog andere wieken op geplaatst. Tijdens de naoorlogse periuode heeft niemand zich meer om het instand houden of om een eventuele restauratie van de molenpuinen bekommerd. De molen stond letterlijk te vergaan en scheen geduldig te wachten op ’n roemloos en stil einde. Door allerlei omstandigheden veranderde de molen ter Slepe tijdens de naoorlogse periode nogmaals van eigenaar. Hij werd aangekocht door Willem Vandereecken-Baeke uit Nukerke. Bij die aankoop bleek het echter dat de heer Gilbert Stockman uit Etikhove zich om tal van redenen voor de puinen van de molen Ter Slepe begon te interesseren. Terecht had de heer  Stockman ingezien dat het zeer spijtig zou zijn de molen volledig teniet te laten gaan én omwillle van zijn passende schilderachtige versieringsrol in het landschap én omwille van zijn antieke en folkloristische waarde. De heer Stockman nam kontakt met de eigeaars Vandereecken-Baeke en slaagde er in de molen in zijn vervallen toestand aan te kopen. Onmiddellijk liet de heer Stockman de restauratie van de molen aanvangen. Het dak in alpenmutsvorm werd volledig vernieuwd. De buitenmuren van de molen werden hersteld engedeeltelijk hermetst. Het interieur van de molenwerd bijgewerkt en inzijnoorspronkelijke toestand herschapen. De restauratie van de molen TerSlepe is thans nog volop aan de gang. De onderkeldering werd ontruimd en alles wordt thans in gereedheid gebracht voor het plaatsen van nieuwe deuren en ramen. Vermoedelijk zal de molen in de loop van de komende zomer tot een juweeltje herschapen zijn enbewoonbaar gemaakt worden. Voor de windmolen Ter Slepe is heel onverwacht ’n nieuwe toekomst begonnen.Hij werd gered vande ondergang. Het is ‘n nieuwe aanwinst voor een heerlijk landschap midden de Vlaamse Ardennen.”

    Tot zo ver het artikel. Maar, geachte schrijver, wij moeten u zwaar teleurstellen. Dat programma werd amper verwezenlijkt, de zaak sleept nog aan, en de molen staat er nu (in 2008) nog even triestig en verlaten bij als toen die tijd…

    Aanvulling: In een plaatselijke krant van mei 2006 verscheen volgend artikel.

    Kunstenaar Piet Van Praet, die al enkele jaren in de vroegere molen Te Slepe aan de Weitstraat in Nukerke woont, ziet zich gedwongen om zijn “woonmolen” te verkopen. Sinds enkele maanden krijgt de man namelijk geen leefloon meer van het OCMW. Na een val drie jaar geleden, zat de kunstenaar maandenlang in een rolstoel. Volgens het OCMW is hij nu echter niet meer arbeidsongeschikt. Voor Van Praet, die de molen zelf restaureerde en inrichtte met kunstwerken uit recuperatiematerialen, is de noodgedwongen verkoop een harde dobber.(CVO)

    Aanvulling mei 2011 uit Plusmagazine

    Kunstenaar Piet Van Praet richtte de stenen molen Ter Sleepe (1795) in Maarkedal (tussen Oudenaarde en Ronse) als vakantiewoning in met knipogen naar Gaudi. Logeren op vijf etages tot onder de molenkap en met schitterend uitzicht op de omgeving.

     

     

    11.     Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming, parochiekerk te Nukerke. Deze eenvoudige classicistische dorpskerk van ca 1775 ligt op een hoogte van 87m boven de zeespiegel. De oudste vermelding van de parochie gaat terug tot 1116. Parochies bestonden lang voor er soms sprake was van een stad of gemeente. Het staat met zekerheid vast dat de naam Nukerke betekent “Nieuwe kerk”,  “Nova Ecclesia”. “Dit kan verklaard worden door het feit dat de kerk van Nukerke, wiens patronaat toebehoorde aan  het kapittel van Kamerrijk ( Cambrai, nu Noord-Frankrijk), omwille van het groot aantal gelovigen dat er de godsdienstige plichten   kwam vervullen, tot afzonderlijke parochie werd verheven  en aldus werd afgescheiden van Melden. Nukerke vormde reeds lang met Melden een “vierschaere”(1)  en maakte met zeven andere localiteiten , deel uit van de baronie die de grondeigendommen, gelegen tussen de twee beken “de Marcke en de Ronne” groepeerde. Deze baronie in de kasselrij van Aalst was leenplichtig tegenover het feodaal hof van de hertog van Kleef te Heinsberg nabij Aken. In 1647 behoorden de dorpen, Nukerke, Edegem, Leupegem, Volkegem, Elst, Melden en Kerkem aan de Baron van Pamele toe. De Nederlandse regering kende op 4 augustus 1818 aan de gemeente Nukerke een wapen toe van lazuur (blauw) met de godin Ceres van goud. Ceres was de Romeinse godin van de vruchtbaarheid. Daarom stond ze op het wapenschild afgebeeld met een bundel korenaren in de linkerarm en de rechterhand aan de ploeg geslagen. Op die wijze wordt deze tak van bedrijvigheid (landbouw) eigen aan de gemeente op een zinnebeeldige manier voorgesteld. Dit wapen werd bekrachtigd bij KB van 11 september 1843. Interessant om weten is het feit dat de gemeenten Voorde en Zulzeke hetzelfde wapen kregen toegewezen op 4 augustus 1818. In oude documenten werd de volgende schrijfwijze van de gemeentenaam teruggevonden: 13 en 14de eeuw Neukirchen, 1538 Nieukerke, 1618 Nova Ecclesia – 1657  Neukercke – 1678 Nieukerk – 1679  Neukerk – 1689 Nieukercke – 1733  Neuféglisse – 1736  Nuyckercke – 1746  n’oeuf es-glisse – 1748 Nukerke  - 1767 Nukercke –1779 Nieuwkercke ,in het jaar negen  en tien van de  Franse Revolutie achtereenvolgens Nieuwerkerken en Neuwkerke ook nog Nukercke, in het jaar 1851 Nukerke en sindsdien ongewijzigd.

    (1) Een vierschaar was oorspronkelijk de plaats waar in de middeleeuwen recht werd gesproken in open lucht. Op een uitgekozen plaats stonden vier banken als een vierkant opgesteld.De vier banken waren respectievelijk de plaats van de schout, de schepenen, de aanklager en de beschuldigde.

     

    12.     Binnenzicht van de dorpskerk te Nukerke. Het meubilair van  de portiekvormige hoofd- en zijaltaren zijn 18° eeuws als ook de twee biechtstoelen en de marmeren doopvont met koperen deksel, waarop de Slang van de bekoring is afgebeeld. De doopvont werd in de jaren 70 vooraan in de kerk geplaatst. Het overige meubilair is 19° eeuws zoals de communiebank in smeedijzer en koper, het hek van de doopkapel, het koorgestoelte, de kerkmeesterbank en de kansel. De orgelkast, met muziektrofeeën, dateert van ca 1850. De schilderij “De Heilige Familie” is 17° eeuws.

     

     

    13.     Herenhuis langs de Louise-Mariestraat in Louise-Marie.

     

     

    14.     Houten windmolen “Ter Gheynst” prijkte op de hoek tussen de Pontstraat en Ruitegem te Nukerke. Dat het een oude molen betrof bewijst volgende tekst: “De wintmolen Ter Gheinst toebehorend hebbend dehoirs van wylent Colaert Pot is verbleven op 13.8.1582.” En verder “ geeft toelating aan Pieter van Butsele Pieters en Lieven Vandevelde om een nieuwe molen te mogen bouwen op den ouden molendam, waar vóór de troubles nog een molen heeft gestaan binnen de parochie van Nukerke op het cauterken ter gheynst ofte cauborrevelt  die van tevoren ghenaemt es gheweest t’meuleken ter  gheynst…(1690). De laatste eigenaar was Emiel De Vos-Hots. In de volksmond gebruikte men de naam “Vossenmolen”. De molen werd volledig afgebroken in 1949, maar de molenstenen werden bewaard.. De mechanische graanmaalderij naast de windmolen werd gebouwd in 1911 door de familie Moreels. Na Gaston Moreels zette zijn dochter Annie de zaak  verder samen met haar echtgenoot, Paul Aelgoet. De activiteit in de mechanische maalderij hield op in 1993. In het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande Van Aelst” staat deze molen bekend als “De wint Meulen ter Geynst”. De terp werd in september 2007 volledig afgegraven om plaats te maken voor een woning.

     

     

    15.     Verdwenen zicht op de kerktoren van Nukerke met vooraan het O.-L.-Vrouwbeeldje dat jarenlang prijkte op de hoek van het gemeentehuis, dat op zijn beurt verdween in de jaren 70. Dit beeldje prijkt nu in het perkje op het dorpsplein.

     

     

    16.     De kerk La Salette te Louise-Marie, gelegen op het grondgebied van Ronse, ligt op een hoogte van 112,5 m. Louise-Marie is een schilderachtig gehucht en kerkdorp in de Vlaamse Ardennen gelegen op de noordelijke flank van de Muziekberg (hoogte 147m). Het grondgebied van de parochie Louise-Marie  behoort tot de stad Ronse en de vroegere gemeenten Nukerke, Etikhove en Schorisse in de provincie Oost-Vlaanderen en tot de gemeente Ellezelles in Henegouwen. Naar verluidt zou de naam van de eerste Belgische koningin Louise-Marie (geboren in Palermo op  3 april 1812 en overleden in Oostende op 11 oktober 1850) , dochter van de Franse koning Lodewijk Filips, aan de oorsprong liggen van de naamgeving van dit gehucht. Immers de eerste steenlegging van deze neo-romaanse parochiekerk in 1851 viel samen met de eerste verjaardag van haar overlijden. Deze kerk is bekend om haar Sint-Apolloniaverering. Rond 9 februari worden hier jaarlijks, tijdens de noveen tegen tandpijn, de alom gekende geutelingen gebakken. De kerk is toegewijd aan O.L.Vrouw van La Salette. Het kerkelijk interieur is 19de eeuws behalve het altaar aan de noordzijde dat 17de en 18de eeuws is. Het schilderij “Verschijning van O.L.Vrouw van La Salette” is 19de eeuws.

    In zijn “Historiek van Etikhove” beschreef A. Van Nieuwenhuyze het ontstaan van de “parochie O-L-Vrouw La Salette als volgt.” Voor de bewoners van de wijk Louise-Marie was het ruim een uur lopen naar de kerken van Etikhove, Nukerke, Ronse of Schorisse om er de goddelijke diensten te kunnen bijwonen.Ten einde deze mensen tegemoet te komen werd besloten in het centrum van de wijk een kerk op te richten met een eigen parochie.

    In zitting van 4 november 1851 aanvaardt de Gemeenteraad de gift, gedaan door de hh Albert Marie Van Hool-broeck de Moorleghem en door Frederic Napoleon Platteau, gewezen notaris, bestaande uit 11a 64 ca grond. bestemd voor het oprichten van de nieuwe kerk. E.H. Glorieux uit Ronse ontgon “de Witte Palmen”. Dit was een gedeelte van het Muziekbos. Hij zette er een steenoven en liet kalk halen(cement was nog niet gebruikelijk) om de werken aan te vangen. Anno 1852 legde deken Liedts van Ronse de eerste steen en wijdde de kerk toe aan O-L-Vrouw La Salette. In 1853 had reeds de plechtige inwijding plaats door Mgr Delbecque. Ditzelfde jaar werd te Leuven een bronzen klok gegoten door Van Aerschottaine en in de toren aangebracht: het gewicht van de klok bedraagt 800 kg: zij heeft een hoogte van 86 cm en een basisdoorsnede van 1,10m. In 1858 worden herstellingswerken uitgevoerd aan de kerk voor de som van 457 359 fr.”

    L’abbé Francis Cambier liet ons in november 2006 het volgende weten. «Je possède la copie d'une lettre que le curé de Louise Marie Vanderooms (?) adressait à Emmanuel Degand, secrétaire communal d'Ellezelles, le 20 décembre 1893 et où il lui fait le récit de la fondation de la paroisse et de l'érection de l'église.»

     

    17.     Dorpszicht van Nukerke.  Zicht vanaf het Lindeke.

     

     

    18.   Oude hoeve op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. Volgens historische bronnen zou  Karel V (Keizer Karel), vóór zijn huwelijk met Isabella van Portugal, bij “Johanna van der Gheynst “ een dochter verwekt hebben, nl. de latere landvoogdes Margaretha van Parma (1522-1586). Tijdens zijn huwelijk werden nog volgende kinderen geboren : Filips, Maria, en Johanna . Ten slotte had hij nog een zoon, Don Juan, buiten zijn huwelijk en na de dood van zijn vrouw Isabelle. Gedurende haar bestuursperiode verbleef Margaretha te Oudenaarde in het “Huis van Margaretha van Parma”, naast de “Boudewijnstoren”. De jonge Karel verbleef wel eens in  Oudenaarde bij de familie de Lalaing  (huis aan de Schelde) en juist daar zou de jonge Johanna dienster zijn geweest. Haar ouders woonden in de boerderij te Nukerke, op de hoek van de Fonteineweg en de Keizerrei. De ouders van Johanna waren tapijtwevers. Omer Wattez beschreef als volgt het feit:” Te Oudenaarde werd in de zestiende eeuw geboren:Margaretha van Parma, natuurlijke dochter van Keizer Karel en Johanna van der Gheenst, dochter van eenen tapijtwever uit Nukerke”. In een voetnota meldt de schrijver nog: “Dit wordt door sommigen echter betwist.”De naam Keizerrei zou kunnen afgeleid zijn van het woord keizer. Wie weet heeft de jonge vorst meermaals, te paard, de bossen van Nukerke doorkruist. Tot heden leven nog nazaten, in rechte lijn, van Johanna van der Gheynst. Het gezin Vandergeynst heeft de boerderij verlaten in 1968. Er waren in het gezin 4 meisjes en 1 jongen, waar van geen enkele het landbouwbedrijf voortzette. Eind 2010 lag de boerderij volledig in puin. Van een renovatie van het oorspronkelijk gebouw was geen sprake meer.

     

     

    19.     Het Sint-Leonardusinstituut in het kerkdorp Louise-Marie In 1892 verwierf de Heer Scribe uit Gent vanwege de eigenaar van het Hof van Fiennes 160 ha grond op de wijk Louise-Marie. In 1905 werd op een deel van die grond een verplegings- en rusthuis opgericht, nl het “Sint-Leonardusinstituut”. Het gebouw was oorspronkelijk eigendom van Mw Liefmans uit Oudenaarde De Zusters van Barmhartigheid uit Ronse oefenden er hun apostolaat uit. Het gebouw is 70m lang op een breedte van 15m. De kostprijs bedroeg toen 150 000 frank. De put die drinkwater verschafte was 57m diep en er moest geboord worden door verscheidene rotslagen. Het waterdebiet was echter ontoereikend zodat er moest overgegaan worden tot nieuwe boringen en tot het gebruiken van bronwater – in de streek zeer voorhanden. De aansluiting op het waternet kwam er pas in 1976. Het instituut kan een 40-tal ouderlingen opnemen die verzorgd werden door 10 kloosterlingen. In de jaren 90 werden meer en meer leken aangeworven en kreeg het interieur een verdiende opknapbeurt.

    Een volgende beschrijving geeft meer uitleg. We citeren letterlijk.

    “Louise-Marie  St. Leonardus Gesticht. De Eerwaarde Vader Van Melle, die in Holland de Zusters van Barmhartigheid aan het werk had gezien in de psychiatrische inrichtingen had het plan opgevat te Louise-Marie een dergelijk gesticht te bouwen. Het mocht echter de goedkeuring van Monseigneur Stillemans, Bisschop van Gent, niet wegdragen. Omdat de reeds bestaande krankzinnigeninstituten in de behoeften voorzagen. Na lange onderhandelingen kwam men tot het besluit een sanatorium te bouwen voor rustbehoevende dames.

    Maar vooraf begonnen de Zusters met het onderwijs. In September 1899, kwamen op aanvraag van den E.H. Van den Abeele, Pastoor, twee Zusters naar Louise-Marie om de lagere school te doen. Zr Placide en Zr Leona. Wat later kwam Zr Begga voor de bewaarschool. Ze bleven voolopig te Ronse overnachten tot in 1901 het huis was voltrokken dat bestemd was tot woonst van den E.H. Onderpastoor, of eventueel van een rustend priester, en nu in gebruik werd genomen door de Zusters. Ondertussen was de bouw begonnen van het gesticht. Moeder Idalie had er in Mei 1900 den eersten steen van gelegd. Doch het werk vorderde maar langzaam; twee volle jaren werden er aan besteed en eerst in 1904 namen de Zusters met enige Dames hun intrek in het Gesticht.

     

     

    20.     “Huis Van Malleghem” in Nukerke-dorp met links van de woning een gebouwtje dat dienst deed als parochiale bewaarschool. We kunnen voorlopig aannemen dat de familie Van Malleghem de grond afstond en er op eigen kosten het gebouwtje betaalde. Op een grafsteen lezen we “Geloofd zij Jezus Christus Amen.Ter Zaliger gedachtenis van Petrus Augustinus Van Malleghem geboren te Nukerke Den 29 november 1775 aldaar overleden den 15 maart 1858 van zijne echtgenote Anna Theresia Van De Putte geboren te Nukerke Den 30 september 1795 van hun kinderen Amelia Clemence geboren te Nukerke 17 December 1821 en aldaar overleden 7 april 1903 Victor Geneesheer en Oud-Burgemeester der gemeente Nukerke geboren den 22 dec 1827 en overleden De 2 mei 1900 en zijne echtgenote Rosalie De Tollenaere 1835-1905  De Zeer Eerwaarden Desiderius-Augustinus Titularis Kannunnik van S.Baafs Hoofdkerk geboren Nukerke Den 14 januari 1831 en overleden te Gent De 29 januari 1890. Deze familie was blijkbaar zeer invloedrijk en bezat veel gronden. Ze was tevens weldoener en geldschieter voor de katholieke gemeenschap te Nukerke. En zo komen we aan de “ontwikkeling van de parochieschool”. Aldus een oude tekst.” In 1877 deden de Z.E.H. Kan. Désiré Van Malleghem en zijn zuster Clémence, een klooster en een school bouwen te Nukerke. De E.H. Pastoor De Groote vroeg Zusters van Barmhartigheid om klooster en bewaarschool te bedienen. De eerste Zusters: Moeder Raphaël, Zr Felicitas en Zr Birgitta kwamen er den 8 Juli 1877 toe, en werden er aan de goede zorgen van de E.H.Pastoor toe vertrouwd, die aan de Zusters het aller nodigste bezorgde en ieder jaar 100 fr per Zuster aan het Moederhuis zou betalen. De Zusters van de bewaarschool kenden groten bijval: na 8 dagen waren er al 81 kinderen. In 1879 werd een jongensklas naast het klooster gebouwd, waar een onderwijzer fungeerde. Tijdens den schoolstrijd 1879-1884 stond het klooster tweelokalen af aan de school. In één dier klassen gaf Zr Reinilde, later Algemene Overste, het onderricht. In 1884 worden Lagere- en Bewaarschool aangenomen. Het leven der school heeft nu een normaal verloop: uitbreiding en verbetering naarmate de schoolbevolking toeneemt of de eisen der hygiëne en gerieflijkheid zich deden gelden. Mei 1940 bracht over ’t klooster de grote beroerte. Reeds den 12 Mei kwamen de eerste vluchtlingen. De scholen werden ontruimd en ingericht als nachtverblijf. Den 20 Mei waren de Duitsers daar. Ze vertrokken slechts op 1 juni. Gauw werd echter alles in orde gebracht. Verder verliep alles rustig.”

     

     

    21.     Watermolen van het hof “Goet ten Broecke “, Kapoenstraat 18 te Zulzeke-Kluisbergen. Het bakstenen watermolenhuis dateert van 1870. Zie studie van P.H.

     

     

    22.     Hof “Goet ten Broecke” , Kapoenstraat 18 te Zulzeke-Kluisbergen.

    Uit treksel uit het Ministrieel Besluit van 14 juli 2004 :

    Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumente, stads- en dorpsgezichten…

    Wegens  “De artistieke, historische en industreeelarcheologische waardeva n de hoeve genaamd “Ten Broecke” met inbegrip van het erf met toegangspoortje , de oude molenvijver, het aanpalend deel van de Molenbeek met oevers en flankerende bomenrij, de aangrenzende gekasseide toegangsweg met twee bruggen, het watermolenhuis met strekdam, woelkom, drie bijhorende linden en het sluiswerk met uitsluiting van de recente bedrijfsgebouwen) gelegen Kapoenstraat 18 te Kluisbergen (Zulzeke)

    De grote hoeve “Ten Broecke” is als site met walgrachten een voormalig foncier (hoeve).van de gelijknamige heerlijkheid, die minstens opklimt tot het derde kwart van de 16de eeuw, cultuurhistorisch een belangrijke getuige voor de landelijke bewoningsgeschiedenis in de regio. Expliciete materiële resten van deze historische oorsprong zijn onder meer de terp en oude overwelfde kelders.waarop in 1729 de kern van de hudige woning werd opgericht, het toegangspoortje ter hoogte van de oude  toegang, de omgrachting gevormd door het deel van de Molenbeek met zijn twee gemetste bruggen en de aanpalende oude spaarvijver.

     

    23.      De Molen Ten Hotond staat langs de Zandstraat te Zulzeke, deelgemeente van Kluisbergen, waarvan sinds generaties enkel de stenen kuip overblijft want hij is ontdaan van wieken en kap. Sinds jaren doet hij dienst als uitkijktoren. Een oriëntatietafel maakt je wegwijs bij de studie van het wijds panorama. De molen staat immers op een pracht van een getuigenheuvel 140m boven de zeespiegel. Het hoogste punt van de heuvel is 150m hoog en ligt een paar honderd meter verder oostwaarts in het bos (aan het waterreservoir). Insiders beweren dat men van op de toren tot 107 kerktorens kan waarnemen, uiteraard bij zeer uitgeklaard weer. In het molenhuis baadt de familie Vande Wiele een taverne uit waar steeds een gezellige sfeer heerst. Deze site nodigt uit om aan een prachtige wandeling te beginnen.

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    29-10-2006, 00:00 geschreven door Hedwig
    Reacties (0)
    Archief per maand
  • 12-2008
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 12-2005
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !
    Archief per week
  • 15/12-21/12 2008
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 12/12-18/12 2005
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Blog als favoriet !
    Startpagina !
    Categorieën
    Hoofdpunten blog Maarkedalbeeld
    Hoofdpunten blog Nukerke
  • Enkele mooie beelden
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Schilderspalet
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • DE 20ste EEUW
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 4.De snibbemolen
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
  • Over de negenkoten en andere anekdoten.
  • Het leven langs de Pontstraat
  • Pittige verhalen
  • Een bijna eeuwelinge vertelt haar leven
  • Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
  • Een levensverhaal vol anekdotes
  • Mensen schrijven geschiedenis
  • Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen
  • Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
  • Oorlogsverhalen
  • Toen er nog champetters waren
  • Burgemeester André Hubeau
  • Nukerke had een 100-jarige
    Inhoud blog
  • Enkele mooie beelden
  • Nukerke, aan de voet van de getuigenheuvels
  • Schilderspalet
  • Opkomst van het protestantisme (vervolg)
  • DE 20ste EEUW
  • Wapenschild van Nukerke
  • 1.Oud-gemeentehuis te Nukerke
  • 3.Hospice
  • 2.Oude dorpskom
  • 4.De snibbemolen
  • 5. Windmolen ten Kruissens
  • 6. Windmolen Ten Hengst
  • 7. Oud-schoolhuis
  • 8. Oud hoevetje
  • 9. Gesloten hoeve
  • 10. Windmolen ter Slepe
  • 11. Kerk te Nukerke
  • 12. Binnenzicht van de kerk
  • 14. Windmolen Ter Geynst
  • 13. Herenwoning te Louise-Marie
  • 15.Kerktoren te Nukerke
  • 16. Louise-Marie
  • 17. Kerk La Salette
  • 18. Huidig dorpszicht
  • 19.Molen ten Hotond
  • 20. De Keizerrei
  • 22. Klooster te Nukerke
  • 21- Kerkje van Melden
  • 24. Tijdelijk verblijf van Hugo Claus
  • 25. Leo Piron
  • 26. Watermolen Ten Meulebroecke
  • 33b. Huisjes van de negenkoten
  • 33a. De negenkoten
  • 33. De negenkoten
  • 32. De oude steenweg
  • 31. Hospice en St-Vincentius
  • 3O. De spoorwegtunnel
  • 29. Aan 't lindeke
  • 28. De laatste suisse in de kerk te Nukerke
  • 27. Veldkapelletje langs de Weitstraat
  • 39. Ingang tot het Muziekbos in Louise-Marie
  • 38. Woning van de familie Van Malleghem
  • 34. Het kerkje te Zulzeke
  • 37. Aan Den Engel
  • 36. Molen ten Hengst met bijgebouwen
  • 35.Pastorie te Nukerke
  • 48.Goet ten Broecke met watermolen
  • 47. Goet ten Broecke
  • 46. Boerderij van oud-burgemeester Francis Vander Eecken.
  • 42. Kapel van mere.
  • 41. De site rond het Waterkasteel
  • 40. Kapel de Rode Haan
  • 49. Lemen schuur op den Dries
  • 45. Veldkruis te Ronse
  • 44. Site met Meulen Ter Gheynst
  • 43. Het Nieuwennest
  • Over de negenkoten en andere anekdoten.
  • Het leven langs de Pontstraat
  • Pittige verhalen
  • Een bijna eeuwelinge vertelt haar leven
  • Gesneuvelde militairen tijdens W.O.-I
  • Een levensverhaal vol anekdotes
  • Mensen schrijven geschiedenis
  • Oorlogsverhalen - Verzamelde opstellen
  • Het monument der gesneuvelden en weggevoerden
  • Oorlogsverhalen
  • Toen er nog champetters waren
  • Burgemeester André Hubeau
  • Nukerke had een 100-jarige

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!