eigenlijk
ja eigenlijk
waarom niet
eigenlijk zou
alles anders zijn
ja, eigenlijk zouden we...
waarom niet eigenlijk?
in feite
ja, in feite
waarom niet
in feite zou alles anders zijn
ja, in feite zouden we...
Waarom niet in feite?
eigenlijk
noskoum
vogelschrik
vervolg durbuyIk ben als eerste wakker. Het is negen uur. Buiten loop ik een geblokte man van een jaar of veertig bijna letterlijk tegen het lijf. De man blijkt de eigenaar van het pachthof te zijn. Hij heeft twee speenvarkens meegebracht. In de feesttent staat een spit dat we buiten klaarzetten samen met drie barbecuestellen. Er worden honderdvijftig personen verwacht.
B heeft een ontbijt klaargemaakt. We bespreken hoe we te werk zullen gaan. We hebben zeven grote tuintafels van drie bij een meter vijftig nodig voor de koffietafel. Die staan nog achteraan. Ik had gezien hoe de eigenaar op eigen houtje zo’n zware tafel verzet. Ik heb er ook een onder mij alleen op mijn rug getild en twintig meter verder gesleurd. De andere tafels hebben we met tweeën verplaatst terwijl B aanwijzingen gaf. We moeten nog kaas, hesp en houtskool kopen en bij de bakker stokbrood en pistolés halen. In het dorp is een circus op doorreis. Op het grasplein grazen lama’s. Terwijl B de rekening betaalt stapel ik de broden op de achterbank. Bij de kruidenier vragen we de weg naar een winkel waar we houtskool kunnen kopen. Niet ver hier vandaan is een tuincentrum. We kopen zestig kilo houtskool al vind B dat te veel. Later zal blijken dat ik niet overdreven heb.
We zijn net op tijd terug om broodjes te smeren en de tafels te dekken. De schikking van het beleg met kaas en hesp op de borden bepaalt B. Het moet nu snel gaan want de eerste gasten komen er aan. De vier vrouwen die het avondeten zullen bereiden zijn ook gearriveerd. Ze palmen de keuken in. Het duurt niet lang of B komt haar beklag doen. Ze lust die vrouwen wel rauw. Het enige wat ik kan doen is trachten haar tot bedaren te brengen.
Laten we een terrasje doen in Durbuy. De barbecue begint pas vanavond.
Voor mij een coupe met aardbeien, voor haar een coupe breziljen.
Ik vertel over L en de kinderen, wat ze doen in het leven, dat ik L al drie en dertig jaar ken en dat ze morgen op bezoek komt.
B vertelt over een man die ze hier heeft leren kennen. Hij is rond de vijftig en afkomstig uit Antwerpen. Twee kinderen uit een vorig huwelijk en hertrouwd met een Waalse. Die is een jaar geleden overleden.
Ze blijft vertellen over die man, over zijn vrouw, hoe mooi en bijzonder ze was. Ze vertelt over vrienden die ze heeft leren kennen op momenten dat ze hier kwam om alleen te zijn.
Het is al een eind in de namiddag als we vertrekken. Rond acht uur worden de andere feestgangers verwacht.
17h: ik heb drie grote barbecues aangestoken en een braadspit. Het varkentje is aan de spies. Geur van pas aangestoken houtskool en het parfum van vier vrouwen. Een van de vier brengt me een groot glas blond bier om af te koelen want het wordt hier heet. Alles staat klaar in de keuken. Het wordt spannend.
20h: Iedereen is zowat tegelijkertijd aangekomen. Champagne als maagdenzucht uitgeschonken. Er is op dit ogenblik personeelstekort. Op de gril boven de gloeiende houtskool staat een grote paellapan waarin verse gamba’s gebakken worden. De sardienen, opgevuld met een zelfbereide pesta mogen ook geroosterd worden. Mensen komen met belangstelling kijken naar het ronddraaiende varkentje aan de spies. Na drie uur is het bijna gaar. De timing is perfect. Ze vragen me telkens hoe ik het klaargemaakt heb en elke keer moet ik vertellen dat ik slechts de vuurman ben die al vijfentwintig kilo houtskool verstookt heeft. Een enkele keer zeg ik dat een speenvarken eigenlijk nog een baby is die ze uit het nest halen en dat deze al een naam had. Men kon er niet om lachen. De mensen willen zien maar niet weten wat ze eten.
Nu nog de koteletten op de grill. Deze plaats wordt bedwelmd door de geur van geroosterd vlees en tijm. Het koud buffet staat al in de feesttent. Er ontstaat discussie achter de barbecue over de gaarheid van het vlees. Volgens de professionals moet gegrild lamsvlees vanbinnen rood blijven terwijl B meent dat het meer doorbakken moet zijn. Veel tijd is er niet om te ruziën. Om kat en hond gescheiden te houden vraag ik aan B om me te helpen met het speenvarken te versnijden. Het ging gemakkelijk van de spies en ik heb een slagersmes gewet. Ik snijd het voorzichtig in plakken en voor het op de schotel ligt heeft B zich vingerlikkend een portie tegoed gedaan. De kop etaleren we in het midden. De achterpoten liggen nog even apart op de rooster en zijn voorbehouden voor iemand die het eerder op de avond kwam opeisen.
Het feest is nu volop aan de gang. We hebben tijd om bier en champagne te drinken. Het begint donker te worden. Aan verlichting boven de barbecue hadden we niet gedacht. Iemand brengt van die stenen potten met geel kaarsvet. Hierdoor kunnen we ons gerief onderscheiden maar ze geven niet genoeg licht om na te gaan of het vlees al dan niet voldoende gaar is. Proeven dan maar, ieder om beurt. En zo ontstaan dan Breugeliaanse toestanden bij werkend personeel in de laatavond onder een sterrenhemel. Er is niets zo overweldigend dan met vier champagne zuipende vrouwen achter een hete barbecue te vertoeven. De tongen komen los en ik wordt op mijn wenken bediend. B loopt er een beetje verloren bij. Veel later in de nacht zal ze me vertellen dat het zo fijn was onder ons twee tot die vier teven de sfeer kwamen verpesten. Ik had het zo niet gezien.
Feestgangers komen op en aan om een geroosterd stuk lamskotelet, sommigen goed aangeschoten door de wijn. J is al vier keer komen vertellen hoeveel plezier het hem doet dat we gekomen zijn. Hij is champagne blijven drinken en het is hem aan te zien. Zijn vlinderdas hangt onderste boven en de elastiek is uit zijn paardenstaart geschoten. Net een Kelt vanuit het hoogland die zijn zwaard vergeten is, gehuld in trouwkostuum.
Een van de professionals slaat haar armen hartelijk rond mijn buik. Nog voor ik iets kan zeggen is ze verdwenen. Het moet een vergissing in het schemerlicht geweest zijn want ‘s anderendaags hoorde ik van J dat die vier lesbiennes zijn.
kamielWeet je nog, die tentoonstelling met Irène en die oude slechtziende schilder in de voorzomer? Zijn die twee boeken al klaar? Het wordt tijd dat we mekaar nog eens zien, dat we met de vrouwen een lamsbout in look met witloof afknagen en ons genadeloos bezatten terwijl mijn zelfgemaakte paté ligt te stinken in de oven.
Nu nog niet want Ik rijd door de stad, geblust door te weinig slaap. Het is alsof ik me in een film verplaats. Tegenstrooms, bergop, met blutsen en builen leunend tegen de ochtend. Ik beklaag me niets.
Ik was met Kamiel op stap geweest, of beter, we hadden zes uur op een stoel gezeten aan een tweepersoonstafel. Of ze rond of vierkant was weet ik niet meer. Namen ben ik ook vergeten.
Kamiel was met zijn dochter een koffie gaan drinken. Daarna is hij naar De Schuit gekomen. We hadden afgesproken om halfvijf.
Heel lang geleden, toen kinderen nog op de straat speelden, zat hij op de voorste bank en ik achteraan in de klas. Een secretariszoon en een schrijnwerkerszoon. Hij de eerste van de klas, ik ergens bij de laatsten, net voor de boerenzonen en één enkele debiel. Toen kon dat nog. Oorvegen waren net uit de mode. En nu zitten we een half mensenleven later in De Schuit aan tafel.
Hij is naar Canada geweest en heeft daar een paar gedichten voorgelezen voor een driemanspubliek. Zolang het publiek talrijker is dan mijn aanwezigheid ga ik ervoor, zei hij. Groot gelijk. Ik zou het ook doen.
Hij was net zoals ik met de fiets gekomen. Ik vergat hem te vragen of hij ooit met een wagen gereden heeft.
Ik gaf hem mijn boek. Het is een gift. Niet om te beoordelen. Hij glimlachte toen ik vertelde dat ik goedkope afdrukken van mijn boek ga laten rondslenteren in kroegen.
Hij schrijft opnieuw een boek. Ruwe samenraapsels uit het leven ordenen. Vodden beschreven papier uit de broekzak halen en een plaats geven in het verhaal, zo heet dat. Niet zomaar een verhaal over een ‘ fin de carriere ‘ maar over iets dat vroegtijdig stopte zonder doodsangst. Zeg ik het goed?
Laten we niet filosoferen in gefluister, maar roepen en tieren, knorren als een varken als het moet.
Mijn hoofd straalt. Mijn ogen niet. Die blijven beschonken voor de rest van de dag tenzij er een wonder gebeurt of een heilige uit de hemel valt en de waas uit mijn ogen blaast.
Terwijl ik niet in het zonlicht kijk denk ik terug aan het zielsgenootschap van voorbije nacht. Nu weet ik zeker dat ik niet alleen ben.
Twee dames van mijn leeftijd drinken trappist op muziek van J.J. Cale, of is het Blue Blot?
Merde. Geen lezer die het kan horen.
Iemand drinkt wisky aan de toog. En ik, ik ga voort.
De dag erna is het zomerweer. De deur staat open. Iemand vraagt hoe je van een kubiekemeter een vierkantemeter maakt. Het heeft iets met hout te maken. Mijn hoofd zit vol met halve manen in sterrenbeelden. Het is zomerdag. Een poging om een laatste antwoord op een vraag vandaag.
Vanavond ga ik in de wind zitten, kijken naar wolken zonder contrast, die snel voorbij schuiven, het gebladerte dat heen en weer beweegt zonder keuze
Ons Nouka heeft mijn stuk chocolade opgegeten. Ik hou op met schrijven. Alhoewel? Ja, toch wel. Anders ga ik vloeken om een reep chocolade
koortsIk ben met koorts opgestaan in ijle werkelijkheid met schrik voor
onwezenlijke schimmen uit hersenspinsels. Mischien is het dat dat doet
leven, net als een arduin jarenlang ondergaat in het gras onder een
sterrenbeeld dat blijft bestaan.
Een glimp naar de toekomst kijken
langs een kier, het nachtlicht voorbij. Volle maan met schaduwen is pas
gedaan. Het wordt een klare ochtend met zen vijven. Ze slapen nog. Er
klinkt oorgesuis in het huis.
Straks komen ze in de koude ochtendlucht een voor een naar buiten. Twee beminnelijke vrouwen, twee mannen met verkrampte tenen.
De deur en ik staan open. De kou botst tegen de warme binnenlucht. Niemand heeft zin om op te staan. Het is nog stil.
Vannacht
gingen we met de tram ver weg. Thuis hingen wervelstormen in de lucht
en het bos raakte overbevolkt. Het land waar we naartoe gingen had geen
naam maar het moet een moslimland geweest zijn want de mannen waren
klein en donker en er waren geen vrouwen te zien. We sliepen in een
klein hotel aan een berg. Meestal was het donker en dat stelde teleur.
Aan
mijn pols sabbelde een schurftige hond. Er stak een duizendpoot half
in. Ik ging naar huis en miste de trein om terug te gaan. Ik werd niets
en was niemand. Het deed geen pijn om zo te verdwijnen.
Existentiël
verwonderd vraag ik me af waar ik aan toe ben. In de spiegel kijken om
onuitgewiste sporen van jongsblik te herontdekken zint me niet eens.
Gedachten
een bestaan geven, een unieke wereld beschrijven, ja dat wel. Of
schreeuwen met uitgedroogde tranen, ja, waarom niet? Niets blijft
hetzelfde in dit hoerig leven. Laten we dan maar eventueel heerlijk
nietsnutten en spelen, desnoods in een besneeuwd landschap.
vogelschrikIemand heeft die vogelverschrikker hier neergezet.
Stil staat hij hier bij elke zonsopgang
in de hitte van de dag en dan wanneer de zon ondergaat af te koelen
hij houd het gevogelte van het land
hopen ze, zij die zwoegen
en de vogelverschrikker als een werktuig zien
durbuy
22 augustus 2007
ooit
11 augustus 2004
vrouw
ergens in augustus 2004
12 september 2004Ze waagt zich iets na het middaguur tussen de duizenden fietsers onder een zinderende zon ergens tussen D en G. Wat haar meteen opvalt is de gejaagdheid waarmee iedereen haar voorbij fietst. Ze rijden nochthans in dezelfde richting en ze is een geoefend fietster, ja, zelfs een straatkrijger. Het ligt mischien aan haarzelf, die traagheid. Ze kijkt om zich heen en schrikt van de massahysterie die democratie al zolang bepaalt. Bier, pensen, hamburgers en zweterige lijven, men schreeuwt het gejoel voorbij. Haar schreeuw houd ze voor zichzelf, die jankt door alles heen.
Eenzame fietsers horen er niet bij en worden van de
weg geduwd, de weg die vandaag aan het peleton behoort. Ik zei het al, wellicht
ligt het aan haarzelf of komt het door de zon die als een gloedheet zwaard haar
vel aanslaat.
Haar geliefkoosde plek is de buitentafel s'nachts met dansend kaarslicht
beschenen, zonder lawaai, een bewegende lichtkring om helemaal alleen te zijn.
Het wordt dan zo stil dat ze het bloed in haar oren hoort suizen. Suizend
bloed, zo zal ze in een volgend leven heten. Who knows.
Halverwege heb ik besloten om te spijbelen. Mijn gevoelens zijn even diffuus als de lucht. Uit het oosten waait een zachte luchtstroom om me heen. Het zal niet lang meer duren voordat de zon licht en warmte gaat verspreiden. Ik vertoef in veld- en boswegen. Het hemd dat ik vanmorgen aangetrokken heb riekt nog naar nieuw. De dag is vroeg begonnen en is voor mij alleen. De wereld is vandaag zoals ik hem me zal voorstellen: sereen, vluchtig en onwaarschijnlijk. Halfdoof en met een troebel zicht beleefd, observerend in en buiten mij want God bestaat. Ik wil ernaar kijken en beleven.
“ We hebben mekaar onverwacht gezien. Ik keek naar die katachtige blik in je ogen. Onze ontmoeting was even schuchter als een eeuwigheid geleden” .
Hoe is het met jou?
Goed, en hoe is het met jou?
Ook goed.
En met de kunst?
Ik werk aan een tentoonstelling. Wanneer ga jij publiceren?
Het zal er nooit van komen.
Waarom niet?
Ik heb de ambitie niet.
De omstandigheden onderbraken ons gesprek dat geen gesprek was, maar een reden voor samenzijn, vluchtig en schuchter maar zo intens dat de breuk een definitief afscheid leek. Deze dag is begonnen met een gedachte aan haar.
Ik kijk naar de in haar bochten kolkende rivier en sta in de schaduw van haar begroeïng. Ze stroomt steeds in dezelfde richting, elke dag is nieuw. Ze heeft al zoveel seizoenen ongemoeid meegemaakt en de tijd verslonden in haar loop. Diep in haar draagt ze leven mee, altijd in beweging. Het water blijft niet in mijn handen staan als ik haar aanraak .
Een reiger scheert langszij met een trage, zelfzekere vleugelslag. Ik zou willen voelen hoe het is om een reiger te zijn, of een boom waarin je de stilte hoort.
Weer verder zie ik de peripherie rond Leuven. Torenspitsen rijzen uit dorpen, bedolven in bebouwing, ze bestaan.
Zonovergoten Brabants landschap, met maïs- en aardappelvelden. Het koren is pas geoogst. De rand van een bos, veld en dan de stad die mateloos moeilijk te onderscheiden grenzen inpalmt. Ik koester haar bevolking, de begangkenis, de geur van frietkoten, zweet, bier-en tabaksgeur die uit cafedeuren walmt.
De troebelheid in vergezichten slokt me op. Mijn rede blijft bestaan als een relekwie. Door verblindend licht zie ik mijn pad niet meer. Ik smeek te beschikken over mijn leven zolang ik het nodig acht, en erover te beslissen. Steek je hand op. Kom op, steek je hand op, niemand kan je zien! Schreeuw jouw schreeuw, al is het regelrechte onzin. Ik heb de kennis van een onwetende.
11 september 2003
eke
slaap slaaptToen hij belde moest hij langer wachten dan hij dacht vooraleer een man, een
generatiegenoot van zijn vader, de voordeur open deed.
Goeie avond mijnheer. Ik maak een wandeling met mijn hond. Die heeft per
ongeluk haar behoefte in uw voortuin gedaan. Geef mij een vuilblik en ik kuis
het op.
Laat maar, ik regel dat morgen wel, antwoordde de man.
Bedankt mijnheer.
Drie straten verder dacht hij, moest het nodig zijn iemand te bestelen om te
overleven, hij zich met die brave man gemakkelijk zou kunnen verrijken. Hij
schaamde zich voor die gedachte.
Niets meer dan een gedachte als een verzinsel voor wat lijkt te zou kunnen
zijn.
Slapende slaap slaapt slapend, voorspelde hij veel later diep in de nacht nadat
hij een zoete haring gebakken had.
Slaap slaapt, schreef hij op een blad papier.
Na de nachtslaap klemt hij uit gewoonte een zelfgedraaide sigaret tussen
twee bruine vingers, net zoals de ochtend voordien. Geboren dagen overleven met
een goed begin.
Mag ik u hierbij mijn medeleven betonen mevrouw? Ik weet het, we worden
onvermijdelijk oud. Een voor een. Het is een kwestie van tijd. Alleen de
sneeuw, regen en wind verouderen niet.
Op zeventien december tweeduizend en vijf heeft hij het licht uitgedaan om de
sneeuwstorm langs het venster beter te kunnen zien. Het verleden welde in hem
op door naar die opgejaagde sneeuwvlokken te kijken. Hij zou er haast de
geschiedenis door herschrijven maar daarvoor zat er te veel chaos in zijn kop.
Liever nog het schrift twintig keer herlezen dan een lettergreep veranderen.
Opwelling in plattelandstaal schrijft hij niet voor iedereen.
De telefoon rinkelt twee keer. Het is zij die vraagt naar hem. Of hij
weggeweest en thuis gekomen is. Ja, zegt hij nog half in slaap.
Een kuch, een zucht, een snuffel in de keukenkast. Wakker worden als een scheet
in een fles.
marktrock
iemand
zonsopgang
2 reacties op dit bericht
ongetiteld
Yep.