foert
Ik ben onderweg naar mijn werk. De zon is pas opgekomen. Het is nog fris.
Ik fiets met handschoenen en een wintermuts aan.
Op de veldweg ligt een dode kat.
Al vijf dagen fiets ik haar ontbindend lijf heen en weer voorbij.
Halfweg blijf ik staan om naar dit zonovergoten landschap te kijken. Er scharrelt een fazant in het pas omgeploegde veld.
Ik voel stilte in mijn binnenste. Ik neem vandaag verlof.
Deze keer heb ik op dit uur het zonlicht in mijn rug. Geen wolk in de lucht.
Thuis gekomen (het is dan kwart na acht) zie ik haar zitten in de fautuille met een tas koffie in haar hand.
Ik heb te lang naar het zonlicht gekeken, zeg ik. Vandaag neem ik vrijaf.
Zie dat ge nog genoeg dagen op overschot houdt voor onze grote vakantie, antwoord ze enigzins bezorgd.
Na vandaag heb ik nog drieëntwintig dagen tegoed.
Nu breek ik met blote handen in ontbloot bovenlijf takken uit de hof en kijk ik verbaasd naar het bloeisel om me heen.
Ondertussen ligt de hond vanop de koer mij te beloeren.
Het is heerlijk heet vandaag. Precies zoals in de Provence.
Zullen we een fles wijn ontkurken met een stukje kaas?
Door de wijn ruist de zee in mijn oren.
Ik was tien toen ik ze voor de eerste keer zag. Met mijn ouders met de trein naar Blankenberge. Ik was toen rood verbrand.
Hmm...die schapenkaas is lekker en die rooie 'Oltesse' vanuit tweeduizendenvier is als een schaamlip vol wellust.
Ik heb zin om zomaar wat voor me uit te turen. Daarna doe ik opnieuw mijn klompen aan. Zalig, die houten klompen.
In deze instandhoudende woelige wereld zit ik op deze plaats op een blad papier bedrukt met goudkorrels en gele gedroogde
bloemen te schrijven.
Op de tafel in de schaduw ligt een woordenboek, staat een inktpot, een fles wijn en een asbak.
Gras kan je het moeilijk noemen wat daar achteraan groeit. Het is een mengsel van boterbloemen, netels, paardebloemen
en konijnenvraatsel. Daarom maai ik het met de sikkel in de hand en laat ik de mooiste exemplaren staan.
Gespreide struiken bind ik met een hennepkoord bij elkaar om het onkruid ertussen te wieden.
De zon verhit mijn rug. De fruitvliegen plagen.
Het is zeventien uur geworden. De tijd wordt. Ik zie het door mijn bezigheden.
Mijn zoon komt thuis en loopt op zijn kousen door de tuin met een bananenschil in zijn hand. Het dient de mesthoop.
Ik heb koffie gemaakt met een more heet water. Een sterke jat die ik in een paar teugen leeg drink.
Dan ga ik terug tussen de struiken met mijn klompen aan.
Anderhalf uur nadien zindert mijn lichaam nog van de koffie die ik gedronken heb. Mijn maag is dichtgeklapt.
Tijd om eten klaar te maken. Sla, tomaten, abrikozen, pepers en zalmsla.
Vandaag heb ik weeral geluk gehad. Mijn hele leven al heb ik geluk ook al zat geluk in mijn kindertijd achter tralies.
Tot een kwade dronk is het nooit gekomen.
Mijn mentale voettocht stuit op ongerijmdheden en spanningen in een niet aflatende wellust naar iets anders.
Steeds opnieuw dat verlangen dat telkens verdwijnt wanneer het ingevuld wordt.
Nu is het bijna donker. Ik kan de inkt waarmee ik deze woorden schrijf moeilijk van de omgeving onderscheiden.
De rest van dit schriftuur dient het restant van leegte op dit blad papier.
Schilderen met woorden zonder betekenis.


