Bosgierstgras (Milium effusum) is een overblijvende plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae).
De plant komt van nature voor in Europa, Azië en het oosten van Noord-Amerika.
De dichte zoden-vormende plant wordt 0,5-1,8 m hoog, heeft blauwgroene stengels en vormt korte, kruipende wortelstokken.
Het vlakke, 10-30 cm x 5-15 mm grote, min of meer overhangende blad is bij het tot 7 mm lange tongetje behaard.
Het blad heeft ruwe randen.
Engels : American milletgrass, Wood Millet, Tall Millet-Grass Duits : Wald-Flattergras, Weiches Flattergras Frans : Le millet diffus, lillet étalé, millet sauvage, millet étalé
Bosgierstgras bloeit in mei en juni met 10-30 cm lange, zeer losse pluimen, waarvan de takken rechtafstaan, maar later gaan overhangen.
De aarspil is glad. De 3-4 mm lange aartjes bestaan uit één bloempje, zijn lichtgroen en hebben een tot 5 mm lang steeltje.
De kelkkafjes zijn iets langer dan de ongeveer 3 mm lange kroonkafjes en aan de einden iets ruw. De helmhokjes zijn 2,2 mm lang.
De vrucht is een graanvrucht.
De plant komt voor in loofbossen en onder heggen op vochtige, matig voedselrijke grond.
Op stikstofarme plaatsen wordt de plant geelgroen.
vrucht van het bosgierstgras
auteur : Dragia Savic
Nederland: Vrij algemeen in Zuid-Limburg. Plaatselijk vrij algemeen in Drenthe.
Zeldzaam in het rivierengebied, aan de binnenduinrand tussen Velzen en Voorne, in Twente, in de Achterhoek en in Noord-Brabant.
Elders zeer zeldzaam. Op de Waddeneilanden komt de plant alleen voor op Vlieland.
Niet in Zeeland en niet in het noordelijk zeekleigebied.
België: Vrij algemeen, maar zeldzaam tot zeer zeldzaam in het kustgebied, in Vlaanderen en in de Kempen.
Een cultivar van Bosgierstgras is Milium effusum 'Aureum'.
Deze heeft in het voorjaar heldergele bladeren, die later geelgroen worden.
De bosgeitantilopen (Nemorhaedini) is een tribus van gemsachtige hoefdieren uit de onderfamilie der bokken, die weer behoort tot de familie der holhoornigen.
De tribus bestaat uit twee geslachten en tien soorten: vier gorals en zes bosgemzen.
Gorals komen voor op rotsachtige hellingen in de hooggebergten van Azië.
Ze wegen 25-40 kg en worden 80-130 cm lang. Ze hebben korte, achterwaarts gerichte hoorns en hun vachtkleur varieert van licht grijs tot donker bruinrood, met vaak lichtere onderdelen en een donkere streep over de rug. Ze bezitten een wollige ondervacht, bedekt door grove, langere haren, die een uitstekende bescherming vormen tegen het koude klimaat.
De vrouwtjes bezitten vier functionele tepels in tegenstelling tot geiten en schapen die er slechts twee bezitten.
Chinese Goral
auteur : Robert Lawton (Naemorhedus griseus)
Bosgemzen komen net als hun kleinere verwanten, de gorals, ook voor op rotshellingen, zij het op lagere hoogten. In tegenstelling tot de gorals bezitten bosgemzen pre-orbitale klieren, die gebruikt worden om hun territorium te markeren. Beide geslachten bezitten een sik en achterwaarts gerichte kleine hoorns.
Fossiele bosgemsachtige dieren zijn bekend uit het late Plioceen (2 tot 7 miljoen jaar geleden). Deze vroege vormen worden vaak aanzien als de voorvaderen van de andere geslachten van de Caprinae.
De bosgeelster (Gagea lutea) is een overblijvende plant die behoort tot de leliefamilie (Liliaceae).
Het is een plant van vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en in grasland.
De soort komt van nature voor in delen van West-, Midden- en Oost-Azië (met grote onderbrekingen in Siberië) en in bijna heel Europa. Westelijk tot in Engeland.
De plant wordt 10-30 cm hoog en vormt één ronde, toegespitste bol.
Het geelgroene, grondstandige blad is 5-10 mm breed.
Soms zit er een broedbolletje in de oksel van het blad, die kunnen uitgroeien tot een nieuwe plant.
De vrucht is een doosvrucht. Het zaad heeft een mierenbroodje en wordt daarom door mieren verspreid.
Gagea lutea
foto : Erik Molenaar
De bosgeelster is een overblijvende plant die bloeit van maart tot mei met gele, 1,5-2,5 cm grote bloemen.
De twee schutbladen van de bloeiwijze zijn lancetvormig.
De gele bloemen staan schermvormig met 2 tot 10 bij elkaar.
De kroonbladen zijn langwerpig met een stompe punt.
Na de bloei rollen ze terug en verkleuren dofgroen.
Nederland: Zeldzaam in Drenthe en zeer zeldzaam in Groningen, in Twente, in de Achterhoek, in het rivierengebied (o.a. in het Geuldal in Zuid-Limburg) en aan de Hollandse binnenduinrand.
België: Zeer zeldzaam. Het meest in oost-Vlaanderen.
Vrij zeldzaam in het Maasgebied en in Lotharingen (de zuidelijke Ardennen).
De bosgeelster wordt ook wel gerekend tot de stinzenplanten.
Een Bose-Einsteincondensaat is een laag-energetische aggregatietoestand, die slechts voorkomt bij temperaturen nabij het absolute nulpunt.
In deze toestand overlappen de de Broglie-golven (materiegolven) van de deeltjes zodanig dat ze niet meer van elkaar onderscheiden kunnen worden en er één grote materiegolf, ook wel superatoom genoemd, waarneembaar is.
Deze toestand wordt ook wel de vijfde aggregatietoestand genoemd, naast vast, vloeibaar, gas en plasma.
Een Bose-Einsteincondensaat van interagerende deeltjes is supervloeibaar, hetgeen door Nikolaj Bogoljoebov theoretisch werd voorspeld en door de experimentele observatie van gekwantiseerde wervelingen (vortices) werd bewezen.
Deze kwantumfaseovergang was het eerst voorspeld in 1924 door Albert Einstein gebaseerd op het werk van Satyendra Nath Bose.
Het verschijnsel werd voor het eerst waargenomen in 1995 door de groep van Eric Cornell en Carl Wieman van JILA.
In 2001 kregen zij daarvoor, samen met Wolfgang Ketterle van het MIT de Nobelprijs voor de Natuurkunde.
Engels : BoseEinstein condensate Duits : Bose-Einstein-Kondensat Frans : Un condensat de Bose-Einstein
In de klassieke mechanica beschouwt men de objecten waarvan men de plaats en snelheid wil weten als hele kleine bolletjes.
Bijvoorbeeld om te beschrijven hoe biljartballen over een biljarttafel bewegen.
Als men de bewegingen, of de plaats van hele kleine deeltjes zoals atomen of nog kleiner wil beschrijven, of in geval van extreem lage temperaturen, dan lukt dat niet goed met deze klassieke mechanica.
Men zou zich de atomen dan beter als een vage vlek kunnen voorstellen.
De vlek is eigenlijk een golf-pakketje, dat wil zeggen de plaats in de ruimte waarvan men verwacht het atoom/deeltje aan te treffen.
Deze benadering is afkomstig van de kwantummechanica. Als een groep atomen steeds kouder wordt gemaakt, dan nemen de afmetingen van hun golf-pakketje steeds toe.
Zolang de golf-pakketjes bij elkaar uit de buurt blijven, is het mogelijk de verschillende atomen waar te nemen.
Als de temperatuur maar laag genoeg wordt gemaakt, dan gaan de golf-pakketjes van de atomen overlappen met die van de buur-atomen.
Tijdens dit proces zijn de atomen aan het Bose-Einsteincondenseren, waarbij ze in een situatie met een zo laag mogelijke energie komen.
De golf-pakketjes overlappen op een gegeven moment dusdanig, dat ze overgaan in 1 golf-pakket.
De atomen bevinden zich dan in een kwantum identiteitscrisis: de verschillende atomen zijn dan namelijk niet meer van elkaar te onderscheiden.
Een ideaal gas is een idealisering van de werkelijkheid waarbij de interacties tussen de moleculen in het gas verwaarloosd worden, zodanig dat enkel nog de kinetische energie van de moleculen in rekening gebracht moet worden.
Om als goede benadering gebruikt te kunnen worden moeten de afstanden tussen de moleculen groot en de interacties (aantrekkende of afstotende krachten) zwak zijn.
(Hoewel ze niet in rekening gebracht worden, zijn deze interacties wel noodzakelijk om een thermodynamisch evenwicht te kunnen verkrijgen.)
Een dergelijk ideaal gas dat zich volgens de wetten van de klassieke fysica gedraagt wordt een klassiek ideaal gas genoemd.