Als men in de tweede helft van de 19e eeuw in Marke de naam Callewaert hoorde klinken , dan dacht men aan het florerend vlasbedrijf van Leo en zijn zonen August, Polydore (Paul) en Odiel . In de bevolkingsregisters staat genoteerd dat het jonge gezin Leo Callewaert - Amelia Cottens in september 1855 verhuisd was van Lauwe naar Marke.Ze moeten nog een tijdje in Lauwe ten huize Callewaert gewoond hebben, om tussen mei 1854 (huwelijk) en februari 1855 (geboorte Elisa(beth) naar Marke te verhuizen.Ze kwamen wonen in de Marktstraat in een van de lage huisjes vooraan links in de straat tegen het kerkhof. Deze huisjes (4) werden tijdens de 2e wereldoorlog in puin gelegd en later helemaal afgebroken. Leo was zwingelaar en Amelie weefster. In 1858 verhuisde het gezin naar de Aalbekestraat (Rodenburgstraat) . Ze kregen 8 kinderen. De glorierijke tijd van de vlasnijverheid was aangebroken en Leo vroeg in 1883 de goedkeuring voor de bouw van een vlaszwingelarij met stoomtuig . Hij zou die samen met zijn bovenvernoemde zoons runnen.(1)Een van de dochters, namelijk Emma, zou als zuster Clara intreden in het klooster van St-Vincentius à Paulo in Avelgem.
Het gezin :
Leo Callewaert ° Lauwe 13/7/1824 + Marke 1/8/1907
Amelia Cottens ° Marke 10/7/1824 + Marke 17/11/1887
Getrouwd in Marke op 2 mei 1854.
Kinderen: ALLEN geboren in Marke
1/ Elisa(beth) 20/2/1855 + Heule 14/2/1925
2/ Emile 10/11/1856 + Ingelmunster 1/3/1938
3/ Cyrille 30/10/1858 + Marke 16/5/1875
4/ August 21/3/1861 + Marke 13/9/1930
5/ Polydore 17/2/1864 + Hamont 8/9/1948
6/ Odilo 17/7/1866 + Marke 28/2/1937
7/ Emma Theresia 27/2/1869 + Avelgem 24/3/1899
8/ Celina 12/3/1871 + Marke 18/1/1932
Niemand had toen gedacht dat een andere spruit, met name Emiel, geboren in Marke op 10 oktober 1856, de eerste Belgische missionaris in het pas ontdekte binnenland van Afrika , zou worden.
Op 1 september 1874 trad hij in de apostolische school van de Jezuïeten te Turnhout. Van daar toog hij naar deze van Amiens. Na drie jaar doorgebracht te hebben in een voorbereidende school van de paters van de H. Geest (een Franse orde), te Langonnet in Bretagne, trok hij in 1879 het kloosterkleed aan bij diezelfde paters te Chevilly, dichtbij Parijs. Men mag spreken van een late roeping, want hij voleindigde zijn studies aan 29 jaar.
Bisschop Mgr. Duboin, een missionaris wijdde hem tot priester te Chevilly op 21 december 1884.
Het dagblad “Bien Public” van 4 oktober 1885 onthulde wellicht waarom Emiel Callewaert voor Kongo koos : “ Hij had vernomen via een Oostends dagblad dat in een toespraak in de Kamer en op een Congres voor doofstommen , Mgr. De Haerne ijverde voor de totstandkoming van het lager onderwijs , ook voor doofstommen in Afrika. De aanwezige koning Leopold II moedigde het dubbel doel fel aan. Callewaert richtte zich zonder aarzelen tot De Haerne en vroeg hem hoe hij in contact kon gebracht worden met Stanley en met de autoriteiten die de zaken van de neutrale associatie in Afrika behartigden.”
De eerste zendelingen, die het katholicisme brachten in de Kongo waren paters van de H. Geest. Het missieveld lag er onbekend en onontgonnen . Alleen Stanley, die pater Callewaert daar mocht begroeten, had in de zeventiger jaren Afrika van oost naar west doorkruist, en in 1880 werd de missiepost Boma op de westelijke Kongostroom gesticht. De paters van de H. Geest hadden tussen 1880 en 1886 diverse posten in het gebied van de Beneden-Kongo gesticht. Door de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885), die de verdeling van Afrika vastlegde , werd Kongo-Vrijstaat toegewezen aan koning Leopold II. De Kongo-Vrijstaat werd op 1 juli 1885 geproclameerd door Kolonel Francis de Winton ( 1835-1901) een Brits legerofficier, eerste gouverneur-generaal van Kongo-Vrijstaat. Pater Callewaert schreef in het blad van de orde “ De goede kolonel de Winton heet ons altijd welkom”. Hetzelfde jaar 1885 op 28 september vertrok Pater Emiel Callewaert , via Parijs , vanuit Liverpool, naar Afrika. Daar scheepte hij in voor de lange vaart naar Landana: een zeereis van 41 dagen op een stormachtige zee. Enkele maanden later trok hij dan het binnenland in. In 1886 kwam hij per boot aan in Kwamouth. Lang zou hij daar niet blijven , want op aandringen van Leopold II drukte Rome de wens uit dat hier enkel Belgen zouden missioneren ( pater Callewaert was wel Belg maar de orde van de H. Geest was een Franse orde). De eerste post van pater Callewaert was dus Kwamouth op de Kongostroom. De missiepost van Kwamouth werd overgebracht naar Brazzaville, die weldra de hoofdplaats werd van Frans-Kongo.
Hij belandde in Boma, maar weer voor korte tijd, want eind 1889 kwam het bevel om de missiepost te verplaatsen naar Kabinda, op Portugees gebied. Daar bouwde hij zijn eerste kerk. Boma en Nemlao werden respectievelijk ontruimd in 1890 en 1892 en werden overgedragen aan de paters Scheutisten ( een Belgische orde).
Onze missionaris leek wel een foorkramer, want kort daarop moest hij nog eens zijn pakken maken om op de post Libolo de overste te vervangen. Het was te Libolo dat pater Callewaert steenbakker, architect en metselaar werd. Een tropenhelm kon hij niet goed verdragen , en hij droeg er dan ook geen .Zijn harde West-Vlaamse kop kon best aan de tropenzon weerstaan. Totnogtoe waren alle gebouwen van de missiepost uit hout vervaardigd, maar de kersverse overste bouwde er al ,na één jaar hard labeur, een bakstenen kerk.
In 1903 was hij totaal uitgeput. Bij de aanvallen van malaria kreeg hij nog een gevaarlijke hematurie, die hem op de rand van het graf bracht. Hij keerde terug naar het thuisfront om te herstellen.
In 1904 zouden de Spiritijnen ( paters van de H. Geest) een nieuw missiecollege openen in Weert (Nederland), en men vond dat men als inrichter geen geschikter man kon vinden dan pater Callewaert, want “beginnen” was voor hem een gewoonte geworden. Deze taak zinde hem niet, want hij was meer het leven in de brousse gewoon. Pater Callewaert was immers zoals men zegt geen “intellectueel”, zijn missie was ten dienste staan voor de materiële benodigdheden van het volk. Hij was ook aangeduid om de apostolische school van Lier te dirigeren. Maar zijn verblijf in Europa duurde niet lang . In 1907 vertrok hij alweer naar Belgisch Kongo. Kindu was nu zijn werkgebied . Op 9 mei 1907 vertrok de eerste missiekaravaan, onder zijn leiding ( paters Callewaert, Villetaz,Brangers en Broeder Euloge) , met het stoomschip de “Léopoldville” richting Katanga (2).
Callewaert meerde aan op 1 juni in Matadi , vervolgde zijn weg 3500km per trein ,en op 30 juli bereikte hij Kindu, het vertrekpunt van een spoorlijn. Een paar dagen later was hij te Lumbulumbu en begon hij aan een grondig onderzoek naar een definitief bouwterrein voor de missie. Op 28 oktober viel de beslissing. In 1909 werd met de bouw van de kerk begonnen en in 1910 kwam het klooster van de Dochters van het Kruis aan de beurt. De pastorij met zijn bijgebouwen deed dienst als missiegebouw . Was Kindu het vertrekpunt van de spoorweg, voor de missie was Kindu de bakermat ,waaruit nieuwe stichtingen uitgezaaid werden: Kongolo in 1909 (3), Lubunda in 1911 en later verschillende missies in Noord-Shaba. In 1907 werd aan de paters van de H. Geest de pastorale zorg toevertrouwd voor de werklieden, die zowat uit alle streken van Belgisch Kongo aangeworven waren voor de aanleg van de spoorlijn Kindu-Kongolo, die onder beheer van de “Compagnie des Grands Lacs” stond. Op 1 januari 1911 was de spoorlijn afgewerkt en pater Emiel Callewaert kwam de spoorlijn in Kongolo inzegenen. Op 30 juni 1911 kregen de paters van de h. Geest in Belgisch-Kongo hun eigen missiegebied, door de oprichting van de Apostolische Prefectuur van Noord-Katanga. Op 25 juli werd pater Callewaert benoemd tot eerste apostolisch prefect en Lubunda werd hoofdplaats van de prefectuur. In Lubunda had hij haast meer oog voor zijn bouwwerken dan voor de zielenzorg. Hij fabriceerde zelf de bakstenen, hij was tegelijkertijd architect en metselaar. Men noemde hem “Monseigneur la Brique”, een spotnaam die een eretitel werd. De inlanders bewonderden hem en noemden hem “Kakulu” wat “de kleine die groot is” betekent. Van nu af was hij monseigneur.
Maar ook als “monseigneur” bleef hij stenen bakken, metselen en timmeren. Met onverwoestbaar dynamisme stichtte hij in 1912 de missie van Nkulu. In 1921 ging hij over tot de stichting van Malela, van waaruit de eerste inlandse priester zou komen. Volgden nog Ankoro en Kibombo. Toen zijn gezondheid wat afzwakte kon men hem met grote moeite terugsturen in revalidatie. In 1922, na 37 jaar hard maar vruchtbaar apostolaat in de tropische streken van Afrika, gaf pater Callewaert zijn ontslag als apostolisch prefect. Tijdens zijn verblijf in Noord-Katanga had hij missies gesticht, kerken,scholen en dispensaria gebouwd .Hij was onvermoeibaar.
Toch moest hij in 1923 naar zijn vaderland terugkeren, want hij had een dubbele cataract. Zeer tegen zijn zin moest hij van zijn oversten in België blijven. … maar in 1924 was hij alweer in Malela . In 1926 was het definitief , België zou zijn thuishaven blijven. In 1934 kwam hij tot rust in het missiecollege van de paters van de H. Geest in Ingelmunster, waar hij de laatste jaren van zijn leven sleet.(4)
Op 3 september 1935 werd te Marke door de bevolking een grootse hulde gebracht aan de 80 –jarige missiebisschop, gevierd als 45 jaar missionaris en 50 jaar priester. De jubilaris celebreerde de mis. De heer Albert Thys, afgevaardigde van Célest Camus ,algemeen directeur van de “Cie des Grands Lacs” uit Kongo was ook tegenwoordig. Op gans de gemeente heerste de feeststemming. Het feestbanket ging door in de bovenzaal van café St.Jean op Markeplaats. Er werd een groepsfoto genomen met op de achtergrond een groot paneel ,dat de werkzaamheden van pater Callewaert in Kongo weergaf.
Anekdote: hij kreeg een gouden horloge met ketting en wat geld. Aan de muur hing het schild van pater Callewaert ; hij trok zijn jas uit en hing het pal vóór het schild. Een eigenaardige man.
Pater Callewaert overleed op vrijdag 1 maart 1938 te Ingelmunster. Het stoffelijk overschot werd, door de zorgen van baron Jean de Bethune, naar Marke overgebracht, waar het opgebaard werd in de kapel van het klooster Onbevlekte Ontvangenis. De begrafenis vond plaats op 5 maart. De kist, bedekt met de Belgische en Congolese vlaggen, werd gedragen door leden van de gemeenteraad en kerkfabriek. De hoeken van het baarkleed werden vast gehouden door de heren Cyriel (burgemeester) en Alfons De Brabandere, Ernest Goethals (arrondissementscommissaris) en een officier. De mis werd opgedragen door pastoor Jozef Lammens bijgestaan door de onderpastoor en pater Omer Devos.De fanfare St. Jan en de harmonie “Hoger Op” begeleidden de triomfantelijke stoet. Waren ook aanwezig: Kanunnik Achiel Van der Heeren, als afgevaardigde van Mgr. Lamiroy (bisschop van Brugge), substituut de Merten ( vertegenwoordiger van minister van Koloniën Rubbens) Kanunnik Camerlinck (deken van Kortrijk), officieren van de vliegschool van Wevelgem, substituut Vanderkerken, commandant Hoffmann, E.H.Albert Vanoverschelde ex-pastoor van Marke ), E.H. Jozef Cosyn (onderpastoor), E.H.Willy Brasseur, E.H. Craeynest, E.H. Gerard Devos en vele missionarissen van verschillende congregaties. De plaatselijke verenigingen ontbraken niet. Het stoffelijk overschot werd begraven naast de begraafplaats van de pastoors aan de oostkant van de kerk. Na de bijzetting werd de lijkrede afgelezen door burgemeester Cyriel De Brabandere en daarna sprak Pater Vandenbulcke provinciaal van de paters van de H. Geest een dankwoord uit.
(1)De Aalbekestraat liep evenwijdig met de Torkonjestraat. De stoomzwingelarij lag in een rechte verticale lijn ten zuiden van de Prinse. Het huis dat hij in 1858 ging bewonen was sinds 1845 eigendom van Leo Cottens-Rosalia Delporte, schoonouders van Leo Callewaert. Leo Callewaert kocht in 1870 het woonhuis ( SA 545a en deel van 545c). In 1875 kocht hij 3a30ca grond aan Appolonia en Ferdinand Cottens (SA deel 545f) ; hierop zou hij in 1883 zijn vlaszwingelarij bouwen.
(2)De Belgische overheid schonk , na een akkoord met Rome, het gebied van Noord-Katanga voor missionering aan de paters van de H. Geest.
(3)In 1914 verbleef een zekere pater Ferry in Kongolo. In januari van dat jaar kwamen de eerste fietsen in de missie. Het dagboek vermeldt dat dank zij dit vervoermiddel de schoolkapellen in de buurt veel vlugger en regelmatiger konden bezocht worden. Het was pater Ferry die de eerste fiets meebracht toen hij terugkeerde uit verlof in Europa. Maar pater Callewaert was er helemaal niet mee in zijn schik: hij vond dat die moderne verkeersmiddelen overtollig waren voor echte apostelen. Sint Paulus had het ook zonder fiets gedaan…Diezelfde pater Ferry bracht in 1927 weer wat nieuws mee: 2 motorfietsen.
(4) Yvonne , dochter van August Callewaert (broer van de pater), trouwde in 1929 met Georges Demuynck. “ Nonkel pater was toen in revalidatie in een klooster in Rochefort. Na een tijdje werd hem gevraagd om bestuurder te worden van het klooster van de zusters van de H. Jozef in Rollegem. Hij was liever in het klooster van zijn geboorteplaats geweest. In Marke kreeg hij een kamer , die hem niet aanstond, en hij sloeg het aanbod af. Tijdens de 2e wereldoorlog had oorlogsburgemeester Aloïs Ostyn de Kloosterstraat omgevormd in Mgr. Callewaertstraat, maar na de oorlog werd die weer veranderd door Cyriel Vandermeersch.Hij werd ziek en belandde in de kliniek “Zeebres” in Brugge. De laatste keer dat hij naar Marke kwam was op 5 december 1937 bij het doopsel van Simonne, dochter van Georges en Yvonne. Mgr. Callewaert overleed aan de gevolgen van een hartinfarct. In 1947-48 was burgemeester Gabriël De Brabandere van plan een groot borstbeeld te laten maken..doch het kwam nooit. Aan burgemeester Aimé Bekaert werd hetzelfde gevraagd, maar daar kwam ook niets van. “
Een apostolisch prefect is het rooms-katholiek hoofd van een missiegebied, en is niet gelijk aan de rang van bisschop, alhoewel hij bij bepaalde gelegenheden een mijter draagt! Hij krijgt wel de titel van monseigneur, maar heeft geen bisschoppelijke wijding ontvangen. De rouwbrief opgemaakt door de paters van de H. Geest in Ingelmunster maakt gewag van het overlijden van pater Emiel Callewaert. De rouwbrief opgemaakt in Marke spreekt van monseigneur. Zijn "obiit" hangt in de Sint-Brixiuskerk te Marke.





|