Kent gij het land, waar hoog de ceder wies? een adem Gods door ’t moerbeiboomdal blies? van ’t eêlste bloed de bruine druifrots zwol? de olijftak glom, van malse koornen vol? Kent gij dat land? daarheen, daarheen, o leidsman mijner vaadren! voer mijn schreên!
Kent gij de stad? Haar hoog en heerlijk huis maalde, eeuwen door, bij palm- en lofgeruis, met offerbloed, in ’t heiligdom gebracht, de Redder af, door eigen volk geslacht. Verstrooide schaar, daarheen, daarheen! de Rijkstad ligt niet voor altoos vertreên.
Kent gij het volk? Zijn doden leven weer, Zijn stammen gaan weer opwaart, God ter eer. Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak. Vergeving stroomt uit d’ ader, die ’t doorstak. Daarheen, o aard, de blik! daarheen Uw heil vangt aan bij ’t einde zijner weên!
Vraag van mijn lied geen wijsheid en geen grootheid. Dit zijn vier regels en meer heb ik niet. Maar tot de wanhoop van mijn wrede doodstrijd, Laat mij het lied, het lyrisch lied.
't Is of de schucht're maan zich wil omgeven Met breder floers van zwaarder wolkgordijnen, Nu ik het laatste schijnsel zie verkwijnen Van 't zwanendonzen licht, dat was gebleven.
Maar zie, daar laat Seléne de ogen even Weer weiden langs de wolkenlijnen, Doch om weer even haastig te verdwijnen : Zij mijdt de blik van wie op aarde leven:
Zó, schuw voor 't schijnsel van uw eigen glans, Omhult ook gij u met een nevelkrans, Wanneer ik even in uw oog mocht staren...
Ach, of dat wolkenweefsel op wou klaren, En wilde uw beelt'nis aan een held're trans Zich aan mijn beidende ogen openbaren!
Vlieg voort, o mug, mijn snelle bode en fluister Aan de oren van Zenophila héél zacht: 'Gíj slaapt, vergetend lief, híj waakt en wacht.' Vlieg voort, vlieg voort, mijn zangster zoet, maar luister:
Spreek zacht en wil haar slaapgenoot niet wekken, Dat gij niet wekt míjn ijverzucht'ge trots. Als gij haar hier brengt, mug, geef 'k u een knots, En 'k zal u met een leeuwenhuid bedekken.
Hier is jonge aarde één wijde bloesemhalle. Bomen en boompjes, zover de ogen reiken, Doen takske aan takske in gulle blankheid prijken Van bloesemsneeuw, sneeuwigste sneeuw van alle.
Is 't niet of uit zonhemel neer kwam strijken Een vlucht van vlindertjes, zó neergevallen In dromerig verpozen? Duizendtallen Van vlerkjes fijn, die vleugelbloempjes blijken.
Al mondjes 't leven drinkend in de lucht, Gretig, intens; en 't goudlicht neergezegen Liefkoost en koestert ze. - Ritsling van vlucht
Van klemen vogel even.... Dan bewegen Noch ritslen meer.... Ál stilte, àl teerheid: zacht Om ons van 't leven mysterieuze macht.
De lieflijkheid van vrouwen houdt verbonden Wat mannendrift of mannenwijsheid scheidt. Zij voelen achter gronden diepre gronden En achter 't Recht het ongesproken Pleit.
Uit de bundel: Het Zichtbaar geheim (1915)
Oude tijd een goede tijd de meeste mannen zijn tegenwoordig de weg kwijt!
Niet alles was toen beter maar het respect was beter als de dag van vandaag!
Het luchtverkeer zit danig in de knoop. Passagiers zijn her en der gestrand. Een donk’re aswolk drijft naar ’t vasteland. ’t Mag nu wel stoppen, naar ik hoop
Het eiland heeft iets schimmig, lijkt een spook Gaat soms in IJsland alles op in rook?
Een aswolk afkomstig van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull drijft naar het Europese vasteland. Het vliegverkeer in Europa ligt stil. Vele passagiers zitten vast op de luchthavens. Men vraagt zich af wanneer de situatie zich zal normaliseren…
In de jonge Lente,- Ach, hoe dwaas, ‘k Ben mezelf niet meer baas,- In de jonge Lente Hebben twee jodinnetjes, Twee trouwe vriendinnetjes, M’n hart verleid En tot ’n kort geluk geleid.
Nu dwaal ik zonder senten,- We zijn ook in de jonge Lente!- Alleen langsheen de grote straten, M’n portemonnaie is gans verlaten, Gelijk de schatkist van de edele staten Op verkiezingsplakkaten.
Terwijl ik zo langs de straten dwaal, Heb ik m’n heel kapitaal,- Ach, welk een pret,- In de hemelse dauw gezet En hoop dat hij, in de jonge Lente, Me bezorgen mag talrijke renten, Zwaar door de grote persenten.
In jonge wijk van de oude stad gekomen Waar eind'loos straat aan nieuwe straat zich reit, En langs de banen steenloos geplaveid, De nieuwe wagens zonder paarden stromen,
Gevalt mij vaak een vreemde droom te dromen Door een verwisseling van tijd en tijd, Dat zij, die 'k ging door 't lange leven kwijt, Mij konden hier, weer levend, tegen komen.
Ja, als ik zie in Babyloonse maten, De mensen-nestjes staap'len zich tot straten Naar de eeuw'ge drang van liefde en leed gebood,
Is 't mij als deelde ik in der toekomst groeien, Als kon ik nog in de oude liefde bloeien Met wie vóór mij naar 't scheem'rig rijk ontvlood.
Poëzie, tenger en sterk mirakel, dat zich voltrekt boven een trosselke woorden, boven een enkele zin, boven een luttel woord; ach trosselken, ach woordenrei, ach woord weiger van waarde, wie heeft uw geest gewekt en over wrokkige aarde doen heilichten - Gods blik die gloort -?
Dat is de tere, koninklijke kracht uit eenzaamheid geboren - eeuwigheidsnood - aandachtige engelen in de nacht te zien gracielijk schrijden over de logge dood.
Zie hoe die woordgestalte rijst achter der engelen voet, hoe zij ze beuren op hun vleugelenstoet tot zij, in 't licht getild, de schone steun verlaat en in gestuite vaart op hemelbogen staat.
Mystieke luister maakt haar lijf subtiel zodat ze tijd en vormen overwint en vloeiend van gebaar en vol beweeg als wind in smalle spanne diepe tochten doet, miraculeuze reizen naar de abiemen van 't gemoed.
Maar is zij deze ijlte doorgestraald, voert zij geen zielen mede blijde en lichter, dan knielt aan de overzij beschaamd vóór hare voet Gods droeve tovenaar de dichter.
O, dierbaar plekje grond, ontwoekerd aan de baren! O land van mijn geboorte en teed're kinderjaren! Waar ik mijn eerste kinderspelletjes gespeeld, Mijn eerste kunsteloze zangen heb gekweeld-
Wat heeft mijn hart geklopt bij 't horen van uw helden, Die, door Gods hulp gesterkt, de vijand nedervelden, Van Neerlands Vorstenstoet en Staten-Generaal Zo rijk in lauweren en vroomheid allemaal.
O Neêrland! u wijd ik mijn zang, mijn lied, mijn leven, Mijn wens is slechts, voor u op 't bed van eer te sneven, Bescherm, o Neerlands God! ons land en vorstenhuis En sla des vijands heer met sterke hand tot gruis.
Een hartenkreet de schrijver is onbekend het geschrevene is een emotie
dan
is er geen eind als het denken verdwijnt als geen beeld verschijnt als niets is wat het leek er is geen eind als mijn licht niet meer schijnt boven de oever van de beek waarin ik werkelijk keek en mezelf zag hoe ik daar lag wazig en vertekend duizelig en onwetend nee, niet dan er is pas een eind als het dromen verdwijnt als ik dat niet meer kan ja dan….
o Gij, in weedom neergebogen, Weerhoud geen tranen in hun loop: Zij drenken 't bloemetje der Hoop, En moest hun bron bij u verdrogen, Bid God, dat Hij uw leven sloop'.
Het water, in 't metaal bevroren, Splijt wel het zwaarst kanon vaneen, Waar 't vloeien kon, is niets geleên: Zo breekt hem, die zijn leed wou smoren, Het hart door opgekropt geween.
Een zee van golvend purper, in verbazen En ademloos verstijfd (als waar zij dood) Bij 't zien van 't eindloos vlammend avondrood... Zo schijnt de heide; waar, wie honig lazen
Met de avondlast langs bloem en purper razen Om niet te keren vóor de nacht ontvlood. En scheidend houdt de delling in haar schoot De blanke heerde van wie ruisend grazen.
De waakse wolf, die zich geen wolf betoont, Lekt speels de staf en handen van den herder, Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed.
En met een blik, waarin de liefde woont, Drijft hij de witgewolde wolkjes verder... En ziet naar hen, de heide en de' avondgloed.-
Geluk, zo zedig en zo zeker, als water dat in glazen beker zijn zuivere genuchte vat: ik heb uw goede dronk genoten, en 't heeft door mijne leên gevloten, als van wie nooit gedronken had.
Mijn ogen wijd, mijn lippen open, zijt ge in mijn aadren stil gedropen tot de' allerlaatste', en béste drop... Was ik de dorst'ge der woestijnen? Want zag mijn angst uw peerlen schijnen, 't verblijde hunkren slurpte ze op.
- Thans, moe van lusteloos genieten, laat ik uw vliede' onachtzaam vlieten en wíl niet meer gelukkig zijn. Ik voel u naarstig in mij branden, maar gij wordt koorts in mijne handen, en uw genuchten worden pijn.
Ik moet naar andre lustigheden: de kalme lichten van mijn heden vermoeiden mijn verijlde blik. De kier van blijdre smart gaat open: o man, zat aan geluk gezopen, gezel van roder vreugden: ík!
Uit de bundel: De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1905)