hel
zich altijd op de trappen bevinden, en de tussenliggende ruimtes overlaten aan verval en stof.
Zelf bezoek ik de boven- en benedenkamers veelvuldig.
Ze zijn volgepropt met angsten, driften en dromen, opgebaard in kartonnen dozen.
De eenzame leegte die ik daarbij voel heeft iets sacraals. Bonjour aan men eigen.
Zo bewoonde ik in een van die ruimtes een huis met haar. We hadden een relatief vriendschappelijke relatie,
maar de innigheid die we al jaren deelden was verdwenen. Ze had een vriend die mee inwoonde.
Die man had geen zeggenschap. Hij was attentvol voor haar, iets dat ze bij mij miste.
Bij hem zocht ze troost voor het gemis aan liefde die ik haar niet meer kon geven.
Ik verachtte die man. Toch stond ik zijn aanwezigheid toe.
Op een zondag hadden wandelaars zich samengeschaard in onze ruimte. Het duurde een tijd vooraleer
ik merkte dat ze een vreemde taal spraken. Ik werd volkomen genegeerd.
Toen ik haar vroeg wat hier gaande was, bleek dat mijn vader de wandelaars uitgenodigd had.
Op een bed lag een vrouw. Ze schreeuwde dat ze ongesteld was.
Plots ging ze met haar rug naar mij liggen en trok ze jammerend haar kleed over haar dijen.
Tot mijn verbijstering had ze stekelig haar op haar onderrug.
Ze wendde zich van me af en liet zich liefkozen door een bezoeker. Dan merkte ik pas
dat ze zo lelijk als de duivel was.
Iemand vertelde me: ge kunt beter niet verder gaan
maar nu ben ik halverwege in de hel
en besluit ik om er verder door te waden.


