
Treseke bracht haar jeugd voor een groot deel door in de Pallieterstad Lier. Aan de onbezorgde kinderjaren kwam al vlug een einde toen in de zomer van 1914 de eerste wereldoorlog, “de groote oorlog”, uitbrak.
Een kwart van de Belgische bevolking sloeg op de vlucht voor de niets ontziende agressor.
Op de één of andere manier is ook hun gezin erin geslaagd om de gruwel te ontvluchten.
Ze kwamen terecht in Huddersfield in het Zuid -Westen van Groot- Brittanië.
Vader en de oudste kinderen werkten er in een spinnerij, de jongste kinderen, waaronder Therèse, kregen les in de speciaal opgerichte Belgische school.
Elk kleinkind en zelfs achterkleinkind kregen te pas en te onpas een staaltje van haar kennis van de Engelse taal. Met de nodige mimiek kregen we de uitleg over hoe we onze tong moesten oprollen om het Engelse woordje “The” volgens haar correct uit te spreken.
Dat was steeds lachen geblazen! Ook declameerde ze een Engels versje over enen Thomas(?),waarvan de rest me ontgaan is. Misschien dat een van mijn familieleden dit zich nog herinnert?
Huddersfield werd natuurlijk geromantiseerd en dat prikkeltje mijn nieuwsgierigheid zodanig dat we, mijn man en ik, tijdens een reis naar Schotland daar even halt hielden.
Het leek in niets op de voorstelling die ik me had gemaakt bij de verhalen van moe. Huddersfield, ongeveer 450 km ten Noorden van Dover is een grote moderne industrie- en universiteitstad, tussen Manchester en Leeds.
In het heuvellandschap waren de verlaten kolenterrils de getuigen van het mijnwerkers verleden.
Jammer genoeg waren de archieven in Huddersfield voor het weekend gesloten en duurde een aanvraag enkele dagen anders had ik meer informatie kunnen sprokkelen over hun leefomstandigheden ginds.
1 reactie op dit bericht
Ja dat vind ik ook