
Eén van de mooiste
sint-Martinushoofden.
Eiken gepolychromeerd
ruiterbeeld.
Vlaams.
Eerste kwartaal 16de eeuw.
Het is waar. Ons sinte-Mettenliedje moet ge horen in " os schoewen Ré-ies " dialect. Anders klinkt dat niet.
Midden de moeilijke jaren '50. Ons dorp likt nog zijn oorlogswonden na de Duitse verschrikking. ( Wisten wij veel ...) Wij waren net tien. Mijn leefwereld was niet groter dan de Kapellepad ( de enige verbindingsweg met de oude sint-Pieterskapel. ) en de heerlijke straten en karrensporen rondom. Naar een ver gehucht gaan voetballen leek een halve reis. Eén nachtje op de sinte-Mettenberg mogen slapen was hemels, maar daar gingen thuis hele discussies aan vooraf. De Kapelstraat ( dat was de echte naam ) was een stukje slechte kasseiweg tussen het dorp en de gehuchten: "Watermolen", "Geenend" en "Duinberg". Deze straat was en is nog steeds slechts driehonderd meter lang. Het einde ervan, leek ook het einde van de beschaving. Verder waren er alleen mulle, zanderige karrensporen, die bij regenweer herschapen werden tot echte modderpoelen. Het was een arme buurt, waar warme mensen dicht bijeen woonden in kleine werkmanshuisjes. " De rij" of "de tien geboden" waren tien piepkleine woningen die tegen elkaar aan leunden. ( Gebouwd door baron Du Four voor zijn werkvolk. ) Als men er echt niet moest zijn werd de straat door de betere klasse gemeden. Voor ons was het het aards paradijs. De vele tuinen en braakliggende gronden waren ons speelterrein. Het was ons avonturen-land. Hier waren we ridders, indianen, cow-boys, Tarzan of Winnetou. ( Al naargelang de film die ze die week bij "de Klomp" speelden.) Kinderen van wroeters, allemaal graag gezien door hun zwoegende ouders. We kregen voldoende ruimte om al "doende" op te groeien en te ontwikkelen. Retie was toen nog een stil dorp. Geen (of zeer weinig) lawaaierige auto's of moto's, alleen enkele fietsen en enkele boerenkarren. T.V., C.D., G.S.M., mini-disk, computer, de ringweg, een rond punt, verkeersboetes, verkeerslichten, parkeerproblemen, het moest allemaal nog uitgevonden worden.
's Avonds zaten wij, snotapen, op de bonkige kasseien met open mond te luisteren naar de sterke vertelsels van de volwassenen. Aangedikte verhalen over "de aachturen moejer" en vooral over de verschrikkelijke oorlog. We hoorden over "witte" en "zwarte", over kaalgeschoren vrouwen, over de Russen die gingen komen en die mensen aten en alle vrouwen "pakten". De meegemaakte onmenselijke toestanden in Duitsland, de Joden. Om het half uur moesten we eens opstaan om een paard met ratelende kar door te laten. En net als we gingen horen wat die Russen allemaal met onze meisjes zouden doen: "Naar bed!" Toen moest een vader dat maar één keer zeggen.
In deze volkse sfeer vierden we onze Sintemetten. Je moest ons zien. Groepjes van vijf of zes ravotters die van deur tot deur gingen. Iedereen op "blokken" (klompen zeggen ze in de stad), lage met een leren band of hoge, in een meestal van kleur verschoten korte broek en daarop een blauwe "keel". Een versleten washandje deed dienst als beurs. Wie ons het liedje aangeleerd heeft weet ik niet. "Ons moeder heeft me dat aangeleerd als ik nog in haar buik zat!" vertelde één van mijn beste vrienden. En ik geloof hem.
Zingen deden we eigenlijk niet. Het was meer ... roepen. We dachten dat hoe luider we zongen hoe meer centen we zouden krijgen. Dat viel soms dik tegen, omdat er 's avonds bij het tellen nogal wat centen in het washandje zaten met vier gaatjes! De meeste mensen hadden niks te veel, ze konden dan ook niet veel missen. Alleen op "de mèt" woonden de mensen met poen. ( Volgens mijn vader.) Daar schreeuwden we natuuurlijk nog harder.
Ik probeer het liedje nu te schrijven in ons Reties dialect, naar best vermogen, zoals wij het toen brulden, het klonk ongeveer zo:
"Vendoag is't sinte mette
en merregen is't de kruk.
We komen uit goeien hèèrten
en helpt os uit d'n druk.
Boeren we wullen van hier nie goan
of we hemmen wa op gedoan.
Iejen turfken of wa heit
sinte mette is ziejverkeit.
'k Weet nog wel een goeie vrauw
die nog wel wa geven zauw.
Laank mag ze lèven
hondert joar en ienen dag
zoelaank as ze brokken in de paap mag.
Geft wa, en heit wa
tu den nuste joaren.
Wemmen gezoengen en wemmen niks gat,
geft e stuk van 't verrekesgat.
Is et verreken nog nie doewet;
sloagt-em tegen z'nnen aachterste poewet.
Is os lieken nog nie uit
geft e stuk van de verrekessnuit!
Uit, uit, uit!"
Werd de deur niet open gedaan, of werden we weggestuurd zonder iets, dan klonk het van:
"Hoe-eg huis, lie-eg huis,
d'r zit een gierege pln in huis!"
Bij 't tellen van de omgekeerde beurs, trilden onze vingers van de spanning. Hoe weinig er ook maar in zat, het viel altijd mee. Hoeveel "pikken" konden we voor die centen wel niet kopen bij " tant Johanneken uit de Klok"?
Die nacht vielen er veel in slaap met een rode blos op hun wangen. Van 't zingen, van vermoeidheid of gewoon van "kontentement"!
Voor ons was toen geluk nog heel gewoon.