NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Marke
Inhoud blog
  • DE HANDBOOGGILDE SINT-SEBASTIAAN VAN 1836 TOT DE TWEEDE WERELDOORLOG.
  • DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT.
  • DE JASTA 10 IN MARKE.
  • EHRENFRIEDHOF NR.179 - Een Duitse militaire begraafplaats in Marke
  • HET RECHT TREKKEN VAN DE BUURTWEG Nr.5 OF DE VAGEVUURSTRAAT.
  • DE GEDENKPENNINGEN VAN F.C. MARKE
  • DE PANNENFABRIEK of 'S.A. DES TUILERIES DE MARCKE-LEZ-COURTRAI. Het eerste decennium.
  • 'FLUGPLATZ MARKEBEKE'
  • DWANGARBEID als ZIVIL ARBEITER (Z.A.B.)
  • Een Spoorweg door Marke. Wanneer de trein bleef 'stille' staan.VERVOLG.
  • Een Spoorweg door Marke. Wanneer de trein bleef 'stille' staan.
  • DE BOERENKRIJG IN MARKE (BIJVOEGSEL)
  • DE BOERENKRIJG IN MARKE.
  • HET EEUWFEEST VAN DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID.
  • BOOGSCHIETEN OP LIGGENDE WIP: DE LEERZESCHUTTERS.
  • JAMES H. BIRTWELL - EEN KACHEL WERD HEM FATAAL.
  • DE GESCHIEDENIS VAN DE SCHUTTERSGILDE SINT-BARBARA TOT HET EINDE VAN DE 19e EEUW (2)
  • DE GESCHIEDENIS VAN DE SCHUTTERSGILDE SINT-BARBARA TOT HET EINDE VAN DE 19e EEUW.
  • HET ONTBREKEND OORLOGSVERSLAG.
  • een Granaatinslag op 16 maart 1944 in het Klooster van Don Bosco (Kortrijk)
  • DUIVEN ,GEËERDE KOERIERS IN OORLOGSTIJD
  • Een Vrouw dood gevonden in Marke in 1908
  • Een schrikkelijke Moord in 1905
  • Het Oorlogsdagboek van Jean Verhoye (8 jan.1917 tot 30 juni 1917)
  • Een Onopgehelderde Moord in 1908
  • De Wielrijdersgilde (Veloclub) St. Catherine
  • DE TONEELGROEP "GEEN RIJKER KROON DAN EIGEN SCHOON"
  • De Toneelgroep "ONTWAKENDE JEUGD",
  • HET TONEELGEZELSCHAP "PALLIETER"
  • DE MOEIZAME OPRICHTING VAN HET OORLOGSMONUMENT OP MARKEPLAATS
  • De Toneelkring "Door Taal en Deugd naar Hooger Leven" had een dubbele Taak
  • HET ONDERWIJS IN MARKE TOT EINDE 19e EEUW
  • De Lijst van Cafés in 1941
  • HOE BELEEFDE MARKE 1940-45
  • PLAN met DE KOEKEBERG en TRACE van de SPOORWEG
  • De Kortrijkse Burgerwacht houdt schietoefeningen aan de Koekeberg in Marke
  • De Popp-kaart en de Legger van Marke
  • Het Pionierswerk van Pater Emiel Callewaert
  • Van Café tot Café in Marke
  • Van "Maetschappij van Rhetorica" tot "Alles met den Tijd"
  • Onze Markse Lieve-Vrouwkapelletjes
  • De Markse Cafés in 1914
  • Honderdjarige Regina-Sophie Bels ingehuldigd op 8 sept.1907
  • De Moord op Edouard Algoed in 1863
  • De Moord op Laurent Theys in 1918
  • De Zaak van Marcke 1894 annex
  • De Zaak van Marcke 1894
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 1
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 2
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 1
  • DOOR DEN KOP GESCHOTEN
  • Flugplatz Markebeke
  • Verordening caféhouders 1917
  • Marke onder Duits regime.
  • Een stoomtram doorsnijdt Marke
  • Oorlogsgedenktekens in Marke
  • Een misvatting over Manfred von Richthofen
  • Het eerste Jagdgeschwader in wording
  • DE NIEUWE DRIEDEKKER FOKKER DR.I IN MARKE

    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     


    14-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE HANDBOOGGILDE SINT-SEBASTIAAN VAN 1836 TOT DE TWEEDE WERELDOORLOG.

    DE  HANDBOOGGILDE  SINT-SEBASTIAAN  VAN  1836  tot DE TWEEDE WERELDOORLOG.

    ____________________________________________________

    Zowel van de handbooggilde Sint-Sebastiaan als van de karabijnschuttersgilde Sint-Barbara kan men de ouderdom niet met zekerheid bepalen. Toch moeten ze een heel stuk ouder zijn dan men vermoedt , want vele archiefstukken werden hoogstwaarschijnlijk vernietigd tijdens de verschillende perioden van  oorlogsgeweld , dat in onze contreien woedde . Ofwel… heeft de verantwoordelijke archivaris gefaald.

    De eeuwenoude traditie van verdediging muteerde in de loop der tijden naar een sport of tot folklore.

    Men kan stellen dat het handboogschieten en het karabijnschieten zonder twijfel   de oudste sporten in Vlaanderen zijn.

    Schuttersgilden waren toen ook beroemd om hun feesten. Men zei wel eens :”van schieten komt men niet rijk ,maar men leeft goed.”

    Men schoot eerst op een wiek van een molen, op een paal of ‘perse’. Dat waren de voorlopers van de ‘staande wip’. Men schoot bij dat laatste op een zogenaamde ‘open wip’ of ‘gaaisprange’ , meestal opgesteld in een weide . Dan vlogen soms meerdere pijlen veel verder dan het beoogde doel. ‘Rijkere’ gilden konden het zich permitteren om te schieten in een overdekte ‘ toren’, een dure aangelegenheid.

    De Markse handbooggilde Sint-Sebastiaan stopte alle activiteit in 2001 ( dixit Gerald Desmet- Van Essche, die zelf stopte in 2000). Sigrid Libbrecht maakte de laatste vlag in 1996 aan de hand van een kopie van de oude vlag . De vlag werd plechtig ingehuldigd op de Markebeke zelf , waar sinds 1970 de ‘staande wip’ stond (1).

     

    De Sint-Sebastiaansgilde in Marke werd opgericht op 8 december 1836. Zo meldt het eerste handboek.

    Al lange tijd geleden hadden de ‘Markse Boogschutters’ twee pogingen ondernomen om een ‘sociëteit’ op te richten. Maar alles mislukte bij gebrek aan ‘goede hoofden, regeltucht en wetten’. Zo verliepen ettelijke jaren vooraleer men dacht om een nieuwe maatschappij op te richten.

    Het was op Markeplaats  in café ‘In den Belle Vue’ , bewoond door Louis Maertens (Bellegem – Harelbeke 1863), dat de vereniging gesticht werd. Ieder lid moest toen 2fr. uitleggen. In 1836 was Petrus Franciscus Van Belleghem eigenaar van het café. In 1853 kwam het café in handen van de Kortrijkse brouwer August Dupont , die het verhuurde aan lid Isidoor Libeer, herbergier en slachter (2).

    Op een buitengewone vergadering besloot men de koningsvogel te schieten op Sint-Pietersdag (feestdag van Petrus) , 29 juni 1837. De ‘perse’ heeft twee jaar in de boomgaard van Petrus Franciscus Van Belleghem (burgemeester) gestaan en in 1839 werd ze verplaatst op zijn ‘land’. Zij kostte 66fr. Petrus Franciscus Van Belleghem woonde toen op ‘Het Hof te Marke’. Hetzelfde jaar nog, werd toegestaan om de koningsschietingen te laten plaatsgrijpen op de ‘Boondriesmolen’(3) in de Watervalstraat.  Petrus Soete  (4) werd de eerste koning. Kort hierop werden op een vergadering Joseph Esquenet, als hoofdman, Eugenius De Brabandere en Petrus Franciscus Van Belleghem, als ‘jugen’ en Marcellin Van Belleghem (zoon van de burgemeester, was gemeentesecretaris van 1842 tot 1869) als griffier gekozen en wetten gemaakt, die door volgende leden aanvaard werden:

    Louis Esquenet- - Josephus De Brabandere – Marcellin Van Belleghem (zoon van Joannes) – Petrus Tack – Carolus (Karel) Delembre – Eduard Van Belleghem – Victor Maertens – Petrus Deborggraeve – Frederic Bostijn – Louis Maertens – Aloïs Josson – Casimir Delcoutre – François Delcour – Frederic Duquesne -  Ivo Libeer – Josephus Grégoire – Ferdinand Bouckaert – Ivo Vanneste – Petrus Geeraerd – Petrus Christiaens – Marcellin Coussement -  Eduard De Brabandere – Felix De Brabandere – Josephus Bu(y)sschaert – Leo Maes – Henri Delbaere – Joannes Planckaert – Judocus Devos – Joannes Devos – Louis Delepaut ( zoon van onderwijzer Petrus).

     

    De basisbesluiten bij de stichting:

    ___________________________

    1/ Elke medebroeder was verplicht een ½ fr. jaargeld te betalen. De som moest op O.L. Vrouw Lichtmis aan de griffier overhandigd worden. Zij die niet betaalden werden uit de sociëteit gezet.

    2/ Bij het overlijden van een medebroeder, moest elk lid 10 centiemen betalen om een mis te laten lezen tot ‘lafenis’ zijner ziel.

    3/ Op de dag van de koningsschieting moest elke confrater aan de griffier 1fr.50 betalen . Het geld werd gebruikt tot het betalen van het ‘gelaege’ en het kopen van de prijzen.

    4/Op de dag van de viering moest iedereen aanwezig zijn en indien belet de gildeknecht verwittigen en 10 centiemen betalen.

    5/ De koningsvogel moest geschoten worden op een ‘molen’ of ‘perse’. De koning had het recht van de ‘ drij eerste scheuten’ te doen. Indien hij hem nog eens afschoot werd hij ‘dobbelen koning’ genoemd. Wanneer hij hem een derde maal naeen afschoot werd hij ‘keizer’ genaamd en maakte men een gedenkstuk dat na zijn dood moest worden terug geschonken.

    6/ De koning moest , in de twee jaren van zijn ‘koningsschap’, 2 missen betalen op ‘Sint-Sebastiaansdag’ (20 januari). Trommelaar en fluiter moesten ook betaald worden.

    Arthur Vandenberghe (Marke 1898- Kortrijk 1983) :” De koningsschieting werd begin jaren 1900 aangekondigd door trommelaar Emile Velghe. Hij ging gans alleen door de straten van Marke om de koningsschieting aan te kondigen. Na de schieting vergezelde de trommelaar de koning naar de cafés, waarvan de baas lid was van de maatschappij.”

     

    7/ De koning moest in de acht dagen na de koningsschieting zijn keuze  maken van  twee commissarissen of ‘jugen’ en een hoofdman , die als oppergriffier werd aangesteld om samen te beraadslagen  met de koning over de zaken van de gilde.

    8/ Ter gelegenheid van de schieting om de jaarprijzen , moest een traktaat gemaakt worden op kosten van de leden.

    9/ De schulden aan de pastoors en de gildeknecht werden verdeeld onder de leden.

    10/ In het schietperk was het verboden vóór toer te schieten, ook te zweren en te vloeken, ‘disputen’ te maken of enige andere zaken , die het schietspel niet aangingen ,te bedrijven op ‘pene’ van 10 centiemen iedere keer.

    11/ Indien er ruzie , weigering van betaling of overtreding ontstond werd alles door de commissarissen onderzocht.

    12/De liefhebbers die in de maatschappij wilden opgenomen worden moesten 5fr.  betalen.

    13/ De mensen die niet eerlijk waren werden niet aanvaard.

    14/ Diegenen die op de vergadering op Sint-Sebastiaansdag  wilden aanwezig zijn moesten een teken naast hun naam zetten op een lijst door de knecht rond gedragen. Diegenen die niet aanwezig waren moesten 1fr. boete neertellen. Diegenen die niet naar de mis gingen moesten daarenboven 25 centiemen  betalen.

    15/ Tegen de koningsschieting moesten de confraters 1fr.50 uitleggen voor het kopen van de prijzen alsook voor het vereren van de koning. De koning zelf werd vereerd met een ‘kom wijn’. De klokkenluiders werden voldaan (5). Drie pond ‘buyskruyt’ voor het schieten van de kanonnen. Ook de kanonnier en de ‘kanontrekkers’ kregen hun loon.

    Bij de gewone schietingen betaalden ‘vreemdelingen’ 20 of 15 centiemen voor deelname. Het boekjaar 1839 en 1840 resulteerde met een winst van 54 centiemen: uitgaven 121fr.57 en ontvangsten 122fr.11. Op de koningsschieting moesten de trommelaar , de fluiter en de gildeknecht ( had als taak brieven ronddragen) ook betaald worden. Ook de pijlenrapers mochten niet vergeten worden en uiteraard de ‘stopen’ bier….achterna.

    Op Sint-Pietersdag  1839 werd besloten een nieuw vaandel te laten maken. Het enige ereteken dat de handbooggilde had was een trommel, dus moest nog een vaandel en een halsband aangeschaft worden. Ieder lid zou moeten bijdragen, maar gezien de ene beter financieel voorzien was dan de andere , concludeerde men dat ieder volgens zijn beurs handelde , met een minimum van 2fr. De gebroeders Eugenius, Eduard en Felix De Brabandere namen de kost van de halsband ter waarde van 36fr. op zich. De volgende leden legden  samen 125fr. uit voor het vervaardigen van het vaandel:

    -Ivo Vanneste (zoon van Petrus ,molenaar op de ‘Cleenen Molen’)– Petrus Van Belleghem - Henri Delbaere – Leo Maes – Joannes Planckaert – Ferdinand Bouckaert – Marcellin Coussement – Marcellinus Van Belleghem – Eduard Van Belleghem – Josephus Grégoire – Casimir Delcoutre – Ivo Libeer – Petrus Tack – François Delcour – Frederic Bostyn – Marcellin Van Belleghem (zoon van de burgemeester) – Petrus Soete –Victor Maertens – Aloïs Josson – Petrus Deborggraeve – Frederic Duquesne – Carolus (Karel)Delembre – Louis Maertens – Judocus Devos – Joannes Devos – Josephus Esquenet – Louis Esquenet – Joseph Busschaert – Petrus Geeraerd – Petrus Christiaens.

    De vlag werd gemaakt door een zekere Deraet, ‘ornementmaker’ te Izegem en kostte 134fr.65 centiemen, staf en alle aanhorigheden inbegrepen. Het tekort werd bijgelegd uit de ‘beurs’(kas). De vlag werd met veel luister ingehuldigd op 23 augustus 1839 en bijgezet in de vergaderzaal. Diezelfde avond schonken de gebroeders De Brabandere de zilveren halsband.

    Op 25 augustus 1839 werd de koningsvogel neergehaald door

    Josephus De Brabandere.  “In de vroegen morgen hoorde men het gedommel van het kanon , het trommelen en fluyten en allerley vreugde  bedrijven, naer (na) de vespers en den uytleg van hun geld, zijn de gildebroeders voorgaen van hunne eerteekens zich naer den molen begeven gezeyd BOONDRIES  om den vogel af te schieten…het getier en gezwaey heeft tot laet in de nacht gedeurd.” 

    Petrus Delepaut (Kortrijk-Buiten 1794 – Kortrijk 1855), onderwijzer, was toen griffier, Petrus Tack  (landbouwer op het ‘Hof te Tollenaers’) oppergriffier en Joseph Esquenet en Frederic Busschaert ‘jugen’.

    Op de koningsschieting van de 3e zondag van augustus 1841 werd Josephus Esquenet koning. Bij het terugkeren naar het ‘gildenhof’ werd de koning “getracteerd langs den weg en op de Plaats door scheydene met eenen kom wijn”.

    Werden benoemd tot griffier Marcellin Van Belleghem, zoon van de burgemeester en tot ‘jugen’ Ivo Vanneste en Frederic Busschaert.

    Op de 4e zondag van augustus 1843 werd tijdens de koningsschieting de hoofdvogel voor de tweede maal afgeschoten door Josephus Esquenet. Hij werd uitgeroepen tot ‘dobbelen koning’.

    Op de derde zondag van augustus 1845 schoot Leo Maes (Marke –Brugge 1867) zich tot koning.

    Op de derde zondag van augustus in 1847 werd Marcellinus Van Belleghem, zoon van de burgemeester, koning gelauwerd.

    Op 20 augustus 1849 werd een belangrijke overeenkomst gesloten tussen de handbooggilde en de ‘bossenieren’ ( de karabijnschutters):

    1/Aanvaarding van de ‘gaaiperse’ van de ‘bossenieren’ , die in ‘lochting’ (tuin) stond achter het café ‘In den Belle Vue’ ( toen eigendom van burgemeester Petrus Franciscus Van Belleghem). Er werd besloten alle ‘toebehoorsels ‘ van de ‘perse’ te aanvaarden. In juni 1853 werd 10fr.50 betaald aan Louis Maertens voor ‘reparatie aan de perse’. De koningsschietingen van de karabijngilde werden gehouden op de ‘Cleenen Molen’ ( een staakmolen). In 1841 kwam een stenen molen in de plaats. Deze vereniging lag stil van 1830 tot 1860 . Vanaf 1860 werden hun koningsschietingen gehouden op hun ‘perse’ achter café ‘In den Belle Vue’ ( zie blog ‘Sint-Barbaragilde’).

     

    In 1849 werd overeengekomen om de koningsvogel te schieten op de 3e zondag van juni. “Voorgegaen van trommel, vaandel en kanons werd naer den boondriesmolen begeven…”. Dat jaar werd de koningsvogelschieting afgelast wegens de benarde tijden. De hoofden der gilde hebben voorgesteld geen noenmaal te houden, zij hebben een klein avondmaal gehouden.” De trommelaere heeft niet gevraegd geweest. Den koning heeft den dagloon daervan , die bestond in 1fr.27 centiemen aen den griffier betaeld ten profyte der gilde .”

    Marcellinus Van Belleghem, al koning in 1847, schoot zich ‘dobbelen koning’ in 1851,  “Hij doet zijnen koninglijken halsband aen, den wijn van eeren wordt hem aengeboden, het losbranden van het kanon  en het luiden der klokken kondigen de ingezetenen van Marcke den uitslag der schieting aen. Den dobbelen koning heeft door de parochianen zeer veel eer aengedaen geweest door het geven van eerewijn enz…” Vanaf toen was Felix Benoot, de pas benoemde onderwijzer, griffier of schrijver, in vervanging van Pierre Terrijn.

    Het jaar daarop op 23 juni 1852 schoot Eduardus Descamps, landbouwer in Marke, zich koning.

    Op 6 juni 1854  schoot Petrus Tack, landbouwer op het ‘Hof te Tollenaers’ in Marke, zich tot koning. Bij een buitengewone vergadering op 5 september werd Baron Paul Bethune , lid van de gilde, erevoorzitter benoemd. Na zijn huwelijk  met Adelaïde Eliaert, vestigde hij zich in 1856 op het kasteel ‘Overham(me)’in Aalst, dat eigendom was van zijn schoonouders.

    In 1856 op 11 augustus werd de hoofdvogel afgeschoten door François Delcour, landbouwer te Marke. Vertrok later naar Lauwe.

    Op 18 augustus 1858 werd de hoofdvogel neergehaald door Eduardus Van Belleghem, landbouwer te Marke op de hoeve in de Hellestraat (bibliotheek).

    Op het einde van het boekjaar 1859 had de gilde al een batig saldo van 109fr.15.

    Op 10 augustus 1860 werd Constant Terrijn koning.

    Désiré Herman was schatbewaarder.

    Op 12 augustus 1862 koningsvogelschieting….om een onbekende reden stopt griffier Felix Benoot het schrijven in het register, dat pas in 1878 heropend werd door de toenmalige griffier Henri Vanhoenackere, die gemeentesecretaris werd in Marke vanaf 1879 tot zijn overlijden in 1916 (6). Uit het verslag van 1878 kunnen we uitmaken dat Louis Vandewiele koning was in 1876.

    Wij moeten ons tevreden stellen met een ledenlijst van 1871. Hierdoor konden we wat namen van leden  , die nog niet op het appel verschenen, toevoegen:

    Jean De Brabandere – André Declercq – Joannes Josson – Eduard Vanhoenackere ( broer van Henri) – Melchior Brasseur – Désiré Lauwers – Emiel Vanneste – Xavier Samain – Emile Beyls – Ivo Cottens – Constant Libeer – Leopold Van Belleghem ( volgde Marcellin op als gemeentesecretaris van 1869 tot 1879)– Jules Dequinnemar – Constant Esquenet – August Stichelbout (baas van café ‘Het Gemeentehuis’) – Leon Piesschaert – August Vandenberghe – Petrus Vrijghem – Petrus Walterumaertens – Petrus Vantomme – Jules Vanhoutte – Joseph Vanopstal – Constant Glorieux – Constant Schoore .

     

    Wij schrijven 23 augustus 1878 , het jaar dat het ‘Gildenhof’ verhuisde van café ‘In den Belle Vue’ naar café ‘Het Gemeentehuis’, dat ook gelegen was op Markeplaats. Désiré Moreels, koster in Marke, mocht zich tooien met de zilveren halsband.

    In 1957 verhuisde het lokaal naar café  ‘Het Middenstandshuis’ in de Marktstraat.

    De gildebroeders namen op 29 april 1879 deel aan de installatie van burgemeester Leopold Van Belleghem ( was voordien gemeentesecretaris vanaf 1869).

    Op 22 augustus 1880  werd August Joseph Everaert, landbouwer op ‘Het Hof van Marke’ (Kimpens hof),  koning. Dat jaar maakte August Busschaert  zich ook lid van de schuttersgilde.

    Op 28 augustus 1882 schoot August Joseph Everaert zich tot ‘dobbelen koning’.

    Nieuwe leden in de periode 1882-1883:

    Camiel Vandenberghe – René Samain – Arthur Tack .

    Op 17 augustus 1884 werd Charles (Karel) Brasseur aan de Boondriesmolen koning. Hij volgde Joseph Everaert , zoon van August , op als gemeenteontvanger, van 1901 tot 1936.  

    In 1885 had men 159fr.55 in kas en in 1887 202fr.45.

    Nieuwe leden in de periode 1884-85:

    Bruno Cagnie – August Delmeire – August Vanhoenacker ( broer van gemeentesecretaris Henri. Hij is vertrokken naar Aalbeke in 1898).

    Op 22 augustus 1886 was het Leopold Schoore, vlashandelaar in Marke, die zich tot koning schoot.

    In 1889 verdween voor goed de Boondriesmolen, en plaatste men de koningsvogel op een boom achter café ‘De Kardinaal’ ( op de hoek van de Kardinaalstraat en de Kalvariestraat, rechover het pestkruis.)  Eduard Vandermeersch, wagenmaker werd er op 19 augustus de eerste koning.

    Nieuwe leden in de periode 1886-88:

    Charles (Karel) Dewilde – Constant Vandorpe – Lefever Petrus – Jules Ghyselinck-

    August Dumortier (naar Amerika) – Jules Vannieuwenhuyse – Jules Vanhoenacker – Polydore Lepere – Cyriel De Brabandere (was pas brouwer)– Ernest Ghyselinck .

     

    Op Sint-Sebastiaansdag 1889 werd Charles (Karel) Brasseur schatbewaarder gebombardeerd in vervanging van Désiré Herman.

    Men schoot niet lang aan ‘De Kardinaal’, want op 17 augustus 1890 werd naar de hoofdvogel ‘ter perse’ geschoten .Uit de rekening van 1890 weet men dat een  ‘perse’ werd aangeschaft die op het goed van de familie de Bethune in de Van Belleghemdreef belandde: de uitgaven waren 313fr.96, zodat een tekort van 185fr.36 in kas was (7).  Désiré Vandaele (vader van ere-secretaris Albert Vandaele) was er de nieuwe koning. De hoofdmannen waren toen Désiré Herman en Cyriel Libeer. Schatbewaarder bleef Charles (Karel) Brasseur en schrijver Henri Vanhoenackere.

    Jules Moreels (koster)werd als nieuw lid ingeschreven.

    Op 21 augustus 1892  trok men ‘ter perse’ en Eduard Schoore, vlashandelaar in Marke, schoot zich koning.

    Op 19 augustus 1894 was August Vanhoutte, landbouwer op Sint-Anne ,de beste.

    Op 10 september 1894 werd door Baron Emmanuel de Bethune een bijzondere schieting gegeven: “De gildebroeders moesten zich begeven naar het kasteel alwaar een broederlijke ontvangst plaats had in het park met trommel en vaandel onder het geschut der kanons.”

    Op 16 augustus 1896 werd Jules Moreels koning.

    In 1897 werd de maatschappij door de gemeenteoverheid verzocht om de twee volgende feestvieringen met haar aanwezigheid op te luisteren:

    1/ Op 10 juli het eerste bezoek van Mgr. Waffelaert, bisschop van Brugge, om hier het H.Vormsel toe te dienen.

    2/Op 8 september het feest der blijde intrede van schepen Baron François de Bethune  ter gelegenheid van zijn onlangs voltrokken huwelijk met Juffr. Hayoit de Termicourt van Leuven.

    Het vaandel nieuw van 23 augustus 1839 was door de jaren versleten geraakt en moest dringend hersteld worden. Doch de gilde besliste in 1895 om het vaandel te verkopen en aanstonds een nieuw te laten vervaardigen. Dat werd mogelijk gemaakt door de familie de Bethune, die 50fr. voorschotelde. Het vaandel kostte  317fr.40. Het werd plechtig ingehuldigd op 20 september 1897.

    “Al de gildebroeders hebben zich ten twee ure namiddag naar het kasteel der heren Baron Bethune begeven om het nieuw vaandel af te halen, na aldaar een broederlijk onthaal genoten te hebben zijn zij zich ter kerk begeven en na de wijding van het nieuw vaandel is er een solemneel lof gedaan geweest tot wereldlijk en geestelijk welzijn der gildebroeders en dan gevolgd van de jaarlijksche koninklijke prijsschieting.”

    Cyriel Ameye  en Alfred Ranson (bakker op Markeplaats) komen de rangen versterken.

     

    Op 21 augustus 1898 werd Charles (Karel) Dewilde , smid in Marke, de nieuwe koning.

    Nieuwe leden in de periode 1898 -1901:

    Ivo Verschuere – Baptiste Gallant (bakker Markekerkstraat) – Aloïs Dekimpe – Henri Vanderheeren – Theophiel Cagnie – Oscar Vandenberghe.

    Op 15 oktober 1898 had de handbooggilde de eer de stoet van de blijde intrede van Baron Emmanuel de Bethune , getrouwd met Jonkvrouw Joséphine de Ghellinck d’Elseghem, bij te wonen. En op zondag 9 oktober nam zij deel aan de stoet in Kortrijk ter gelegenheid van de herdenking aan de Boerenkrijg.

    Op kermiszondag 3 september 1899, was ze ook tegenwoordig op het herdenkingsfeest van de Boerenkrijg, gevierd in onze gemeente.

    Op 19 augustus 1900 werd de koningsvogel afgeschoten door burgemeester Baron Emmanuel de Bethune ( zie foto ontvangst op het kasteel).

    Op 15 augustus 1902 werd na een bitsige strijd onder de verschillende gildebroeders de hoofdvogel afgeschoten door Octaaf Van Laere , geneesheer in Sint-Anne (8).

    Nieuwe leden in de periode 1902-03:

    Theophiel Callens – Ferdinand Glorieux – Petrus Vanoverberghe .

    De gilde hielp ook in Kortrijk de feestelijkheden opluisteren van de 600e verjaring van de Guldensporenslag.

    De gildebroeders waren er ook bij op 1 september 1902 toen  de nieuwe kerk plechtig  ingewijd  werd door bisschop Mgr. Waffelaert.

    In augustus 1904 schoot Baron François de Bethune zich tot koning. De verkozen hoofdmannen waren Octaaf Van Laere en Theophiel Callens. Jozef Denutte schreef zich in.

    Baron François bleef 3 jaren koning tot op 18 augustus 1907, toen mocht Gustaaf Dermaux, schilder te Marke ,zich kronen.

    Nieuwe leden in de periode 1908-1911:

    Dr. Arthur Vanneste – Remi Cottenie – Joseph Raepsaet – Modest Basyn – Omer Verspaille.

    Vergaderd voor de koningsschieting van 15 augustus 1909, besloten de gildebroeders om de koningsvogel jaarlijks te schieten. Bijgevolg moest jaarlijks 1fr. koningsgeld betaald worden door de leden. Constant Vandorpe werd de gelukkige koning. Op 15 augustus 1910 kroonde hij zich tot ‘dobbelen koning ‘ en op 15 augustus 1911 tot ‘keizer’.

    Van 1898 tot 1910 moest de schatbewaarder steeds afrekenen met tekorten.

    Nieuwe leden in 1912 :

    Gabriel De Brabandere – Nestor Delcour – Debouverie R. – Georges Casteleyn – Edmond Verhaege.

    In 1912 is de handbooggilde begiftigd geweest door Baron François de Bethune, erevoorzitter en burgemeester ,met een nieuwe ‘gaaipers’( een lariks). Jozef Denutte, landbouwerzoon in de Bruyningstraat ,tegen Walle, werd op 15  augustus , als eerste gelauwerd (zie ook voetnoot 9).

    Arthur Vandenberghe (Marke 1898 – Kortrijk 1983) :” Ik heb altijd de ‘gaaiperse’ weten staan op de plaats waar Dr. Albert Debeurme zijn huis bouwde in 1949. In 1912 werd een nieuwe boom gekocht, een lariks. Cyriel Ameye en Theophiel Cagnie gingen hem kopen in Geluwe of Geluvelt.De boom bleef nog 1 jaar rusten in de wal van de hoeve Dekimpe. Ik deed de eerste schieting op de nieuwe pers mee, als jongeling van 15 jaar. Naast café ‘De Handboog’ stond ook een ‘perse’. Het waren de ‘blauwe’ (liberalen) van de ‘Ijzeren Poort’ die zich ermee bemoeiden. In 1918 stond die ‘pers’ nog half afgeknakt in de weide.”

    Op 8 juni 1913 werd het jubelfeest van 60 jaar lid gevierd van Petrus Duhem, landbouwer aan de ‘Prinse’. Hij werd ‘ten huize’ afgehaald door de gildeleden en het Sint-Jansmuziek.

    Jozef Denutte schoot zich tot ‘dobbelen koning’ op 25 augustus 1913

    Voor de eerste maal in 1919, na de ‘Grooten Oorlog’, vergaderden de gildebroeders om de koningsvogel af te schieten. Hilaire Denutte, de broer van de vorige koning, werd  de nieuwe naoorlogse koning . Emiel Boussier, gemeentesecretaris werd de nieuwe griffier of schrijver, in vervanging van Henri Vanhoenackere, overleden in 1916. Op kermiswoensdag (september) werd de traditionele koninklijke  prijsschieting gehouden, daarna werd een nieuwe raad gekozen: voorzitter Baron François de Bethune, schatbewaarder Charles (Karel), schrijver Emiel Boussier.

    In 1919  kwamen 14 nieuwe leden bij:  Hilaire Denutte – Alfons Josson – René Vandaele – Jules Vandenberghe – Achiel Goegebeur – Victor Vandewoestijne – Gustaaf Theys – Robert Callens – Arthur Vandenberghe – Arthur Verspaille – Michel Goegebeur – Jean Maelfait – Victor Vandorpe – Emiel Boussier.

    In 1921 werd Petrus Lefever koning  op het ‘schietplein’ in de Van Belleghemdreef.

    In 1922 werden 4 nieuwe leden toegejuicht : Gerard Bourgois – Achille Desmet – Maurice Dufrasne – Urbain Vandaele.

    Op 26 augustus 1923 : “ de koning (Petrus Lefever) werd te zijnen huize afgehaald en van daar toog de stoet der gildebroeders naar het schietplein om er den koningsvogel te betwisten…”De koningsvogel werd afgeschoten door Jozef Moreels. Zeven nieuwe leden werden aanvaard en mochten als bewijs van toetreding het tegenwoordig handboek ondertekenen: Joseph Moreels – Georges Dermaux – Daniël Brasseur – Julien Derdeyn – Aurel Theys – Marcel Benoit –Michel Mulie.

    In het jaar 1924 op 27 augustus werd na een harde strijd Gustaaf Holvoet de nieuwe koning.

    In een algemene vergadering werden enkele standregels gewijzigd :

    1/Voortaan zal elk jaar de koningsschieting plaats hebben op 3e Sinksendag.

    2/De koning moet bij de prijsschieting van de kermis de koningsvogel kopen. Hiervoor krijgt hij 25fr. hulpgeld uit de kas.

    3/ De gilde bekostigt daarenboven nog vier prijzen , twee voor de zijvogels en twee voor de kallen .

    4/Het jaargeld werd gebracht op 5fr.

    Nieuwe leden : Jules Demuynck – Noël Vandenberghe- Louis Dalle – August Vandenberghe – Gustaaf Holvoet – Achiel Vlieghe .

    Jozef Craeynest (Kortrijk 1902 -1991):” Ik woonde met mijn ouders Odilon Craeynest in café ‘De Handboog’ op de hoek van de Marktstraat met de Kleine Marktstraat. Op 2e Sinksendag was het Markestraatkermis en was er ook schieting in de weide naast de hoeve Vandenheede (verblijfshoeve) naar de Plaats toe. Daar stond een ‘pers’ die gebruikt werd door de ‘kliek’ van de ‘Ijzeren Poort’. Vandaar ontstond het café ‘De Handboog’. Dan stond de meid van bij ons met een tafel bij de ‘sprange’ om bier te verkopen. Als kleine jongen moest ik dan niets anders doen dan ‘kitten’ bier gaan halen, terwijl de andere jongens van mijn leeftijd pijlen raapten en zo wat drinkgeld verdienden.” Odilon Craeynest had zich in 1904 in ‘De Handboog’ gevestigd als herbergier -bakker.

     

    Op 3e Sinksendag van 1925 werd de koningsvogel neergehaald door Daniël Brasseur. En op zondag 26 juli vierde de gilde Sint- Sebastiaan het jubelfeest van Charles (Karel), sedert 54 jaren lid en 36 jaren schatbewaarder van de gilde. Dat ging gepaard met een feestmaal in het gildenhof ( café ‘Het Gemeentehuis’).

    Op 26 mei 1926 werd de hoofdvogel afgeschoten door Omer Vandermeersch, die al de gildebroeders ontving in zijn huis in de Hellestraat.

    Nieuwe leden in 1927:

    Baron Jean de Bethune – Omer Vandermeersch – Cyriel Vandermeersch – Arthur Dekimpe – Julien Wyseur – Gerard Brasseur – Georges Basyn – Aimé Bekaert – André Boussier .

    Op 7 juni , derde Sinksendag, 1927 , werd Aurel Theys de nieuwe koning.

    Enkele bijzonderheden uit de annalen van de handboogvereniging in 1927-28:

    1/ Op 20 mei 1927 nam een ‘peloton’ van 7 schutters deel aan een schieting te Bissegem , waar 243 schutters ingeschreven waren. Marke ontving een bijzondere prijs voor het meest afgeschoten vogels ,te weten 13 vogels : Cyriel Ameye, Gerard Bourgois, Georges Delcroix, Arthur Vandenberghe, Gerard Brasseur, Georges Dermaux en Georges Basyn waren de deelnemers. Cyriel Ameye kreeg een persoonlijke premie voor het afschieten van 5  vogels voor het Markse ‘peloton’ (zie foto)

    2/ Op de woensdag van Sinksenkermis 30 mei 1928 werd zoals gewoonlijk de koningsschieting gehouden…lang na zonsondergang had nog geen enkel schot een vogel getroffen, daarop werd besloten de kamp uit te stellen tot ’s anderendaags. Zo gezegd zo gedaan en de hoofdvogel werd geschoten door Cyriel Ameye.

    3/ In de loop van 1928 werden 3 schietingen gehouden: de eerste op Sinksenkermis, de tweede op 29 juli en de derde op 3 september, zijnde kermiszondag, waar 72 schutters aan deel namen.

    4/In 1928 werd hier te Marke het gouwfeest gevierd voor de turngilden van West-Vlaanderen. De handbooggilde van Marke werd uitgenodigd op dat feest door de plaatselijke ‘Turngilde voor Outer en Heerd’ en schonk dan ook een beker.

    5/ Op 23 juli 1928 nam de gilde deel aan de lijkplechtigheid van medelid en bestuurslid Gustaaf Dermaux, die overleed op 20 juli, een van de oudste en trouwste leden. Nieuw lid : Jean De Buyser.

    6/ Op 20 juli 1928 werd ook met eenparigheid van stemmen besloten om deel te nemen aan de feestelijkheden ter gelegenheid van het huwelijk van Baron Jean de Bethune en Barones Louise de Vinck te Zillebeke op 12 juni 1928. De blijde intrede gebeurde op  15 augustus, zijnde  O.L.Vr. Hemelvaart. Koning Cyriel Ameye bood hen een bloemtuil aan. Het feest dat, in het park van het kasteel tot laat in de avond duurde, werd afgesloten met een opwekkend concert en een prachtig vuurwerk.

    Op de algemene vergadering van 4 september 1929 werd verslag gegeven van de werkzaamheden tijdens het verlopen dienstjaar:

    1/ Op Sint-Sebastiaansdag vergaderden 21 leden voor een gezellig avondmaal in de bovenzaal van café ‘Het Gemeentehuis’ .

    2/ Op 5 februari nam de gilde deel aan de lijkplechtigheid van lid Charles-Louis Lannoo.

    3/ Op kermisdinsdag werd de hoofdvogel neergehaald door René Vandaele.

     

    Wij schrijven 1930: Baron Jean de Bethune , lid van de gilde, werd verkozen tot erevoorzitter. Omer Vandermeersch schoot voor de tweede maal de koningsvogel af. Bij de viering van het ‘Eeuwfeest’ mocht de gilde de stoet opluisteren.

    Nieuwe leden ingeschreven in 1930-1931:

    Albert Cagnie – Frans Lamaire – Gerard Blondeel – Victor Blomme –Edmond Bogaert – Achiel Vandecasteele – Denis Deltour – Jozef Denutte (als 100e lid).

     

    Bij de koningsschieting van 1931 en 1932 werd Albert Cagnie als ‘dobbelen koning’ uitgeroepen.

    In 1933 was Albert vast besloten om ‘keizer’ te worden , doch dat lukte hem niet, de oppervogel werd afgeschoten door de toen nog jeugdige Albert Holvoet.

    Op 18 maart 1933 verloor de gilde lid Jules Vandenberghe. De begrafenis werd bijgewoond met vaandel door een zeer groot aantal gildebroeders.

    Bij koninklijk besluit van februari  1934 verleende koning Albert I de maatschappij de titel van KONINKLIJK . Dat jaar werd Julien Derdeyn koning . Ter herinnering aan die eervolle onderscheiding werd een groeps gemaakt.

    In september verloor de gilde een van haar leden : Jozef Moreels.

    In 1935 mocht men Julien Wyseur aanspreken als koning. Fernand Glorieux trad in als nieuw lid.

    In 1936 werd de koningsvogel afgeschoten door Gerard Brasseur. Raphaël Denutte werd als nieuw lid aanvaard.

    In 1937 werd de koningsvogel afgeschoten door een van de jongste leden : Albert Vanackere.

    Op 21 juli , nationale feestdag, werd een buitengewone schieting gehouden. Erevoorzitter Baron Jean de Bethune schonk hiervoor 500fr. De uitslag overtrof alle verwachting :  96 schutters, uit alle gewesten samengekomen !

    Op 6 februari 1938 overleed Gustaaf Lannoo.

    Op 3e Sinksendag trokken 36 leden naar de koningsschieting. De jeugdige Albert Holvoet, al koning in 1933, schoot wederom de koningsvogel naar beneden.

    Op 21 juli schonk erevoorzitter Baron Jean de Bethune opnieuw 500fr. voor de buitengewone schieting. Deze zeldzame schieting , kreeg weer bijval, want niet minder dan 70 schutters kwamen zich presenteren. Ze wensten uiteraard dat ze het ieder jaar zouden kunnen meemaken.

    Op kermiswoensdag 7 september kreeg de koning Albert Holvoet een nieuwe boog en men wenste hem nog vele koningsvogels.

    Op 5 november luidden weeral de klokken . Het was bij de begrafenis van voorzitter en schepen Baron François de Bethune, die in Leuven overleed op 1 november. Hij was sinds het overlijden van zijn broer  Baron Emmanuel de Bethune de nieuwe voorzitter.

    In 1939 werd Gabriel Verhaege aanvaard als nieuw lid.

    In 1939 wist Raphaël Denutte (9) de hoofdvogel neer te halen. Op 21 juli , dag van de jaarlijkse schieting werd een prachtige huldeschieting ingericht ter gelegenheid van het gouden jubileum van erevoorzitter en burgemeester Cyriel De Brabandere , sinds 51 jaar lid van de gilde.

     

    (1)Op het einde van de 19e eeuw (189O) stond de ‘gaaipers’ in de Vanbelleghemdreef ter hoogte van de woning van dokter Albert Debeurme, die er in 1949 bouwde. Vanaf 1948 stond ze op de weide rechtover de ingangspoort van het kasteel Blommeghem tot omtrent 1960. Vervolgens aan de hoeve Courtens ongeveer waar nu de Vesaliusstraat loopt tot in 1967. Toen belandde ze in de Poortersstraat tot 1970 (zie foto).

     

    (2)Cyriel Libeer, de zoon van Isidoor zou in 1886 de eerste uitbater worden van café ‘In de Klok’ in de Vagevuurstraat.

     

    (3)De Boondriesmolen stond op de Pauvre Leute, in de Watervalstraat in een weide ten westen van het hoevetje, nu bewoond door Eric Maertens-Desnock. Lang was daar een ronde watervijver , getuige van de grondvesten van de molen.Het was een windkorenmolen. Op het einde van de 18e eeuw was Guillaume Ameye – Marie Anne Libeer er molenaar. Zijn zoon Petrus en kleinzoon Henri volgden hem op. Leo Spiesschaert ( uit Wingene) was er molenaar tot 1881. De molen verdween in 1889.

    Jan Antone Wolfcarius en zijn vrouw Regina De Brabandere waren de eigenaars.

    In 1829 kwamen de molen en de hofstede , door erfenis van zijn ouders  hiervoor, in handen van Antone Wolfcarius, bierbrouwer en burgemeester van Moen, die het geheel in 1830 verkocht aan zijn broer notaris Josephus Antone Wolfcarius , in Kortrijk.

    In 1852 ,bij de verdeling, waren Auguste Joseph Wolfcarius, grondeigenaar in Kortrijk en zijn zuster Adèle Maria Wolfcarius getrouwd met François Carette, fabrikant in Tourcoing ,eigenaars.

    In 1861 verkochten Auguste Joseph en Adèle de hofstede en molen aan Charles Mailliet (dokter in Tielt) en zijn vrouw Julie Comer (een apothekersdochter uit de Lange Steenstraat in Kortrijk).  Eind 19e eeuw kwam het goed in bezit van hun  zoon Alfred, getrouwd met De Rynck Eugenia , dochter van Carolus een Tieltse bierbrouwer. Begin 20e eeuw werden bij verdeling  Louis Missiaen en echtgenote Anaïs Mailliet eigenaars (zie grondplan van 1927).

    Frans Holvoet, landbouwer op het ‘Hof te Sorys’ kocht de hoeve in 1953 en Albert Vandenheede boerde er van 1947 tot hij in 1953 verhuisde naar de hoeve (verblijfshoeve) in de Kleine Marktstraat. Momenteel wonen  Eric Maertens met zijn echtgenote Christine Desnock er al meer dan 20 jaar en zijn de nazaten van landbouwer Frans Holvoet nog altijd eigenaars.

     

     

    (4) Petrus (Pieter) Soete (Marke-Uitkerke 1856, 76 jaar oud) was de zoon van Jan Soete, bakker en koster. Felix Benoot trouwde in 1852 met Natalia Soete, dochter van Petrus.

     

    (5)In 1858  werd besloten de klokken niet meer te laten luiden voor de koningsvogelschieting. De klokkenluiders hadden toen financiële eisen gesteld en aanspraken gemaakt . Het was ten tijde van het bestuur van Eduard Van Belleghem, toen koning, Felix Benoot, griffier, Pierre Terrijn en Pierre Duhem , ‘jugen’.

     

    (6)In 1879 kwam onder de liberale regering de fameuze wet Van Humbeeck, die tot een regelrechte schoolstrijd leidde. Toen moest Felix Benoot kiezen tussen ontslag nemen of aan blijven. Hij verkoos aan te blijven ,maar voor hem liep het mis ,want zijn school liep leeg. Van dan af is geen spoor meer te vinden van Felix Benoot in de archieven van de handbooggilde.

    Henri Vanhoenackere was al van 1863 de taak van schrijver toebedeeld, doch heeft die wel wat laten verwateren.

     

    (7) De nieuwe gaaipers verving de oude , die al enkele jaren in de Van Belleghemdreef stond, op het perceel meers waar later dokter Albert Debeurme bouwde in 1949.

    In 1883 trok de Schuttersgilde Sint-Barbara naar de ‘Koekeberg’ voor de koningsvogelschieting en liet de ‘perse’, achter het café ‘In de Belle-Vue, voor wat ze was. Hetzelfde jaar nog kreeg ze een schietdoel achter café ‘Het hof van Commerce’ in de Marktstraat.

    (8) ( Octave) Octaaf Van Laere (Avelgem 1856- Kortrijk 1946) was de  zoon van Bruno, ijzerhandelaar ,en Pauline Castelein. Drie van zijn zusters traden in het klooster.

    Octaaf werd in 1883 in Leuven dokter in de genees-,heel- en vroedkunde. Hij vestigde zich eerst als huisarts in Dottenijs en trouwde in 1887 met Léontine De Kien ( Kortrijk 1863 – Dottenijs 1892) , dochter van de textielnijveraar Leonard De Kien. Door toedoen van zijn oudere zus Irma Van Laere ( Moeder Marie-Chantal) (Avelgem 1850- Sint-Michiel Brugge 1928), algemeen overste van het krankzinnigheidsgesticht van Sint-Anne, werd Octaaf er op 15 april 1893 tot adjunct-geneesheer benoemd. Hij verhuisde naar Sint-Anne en werd terzelfdertijd dokter van de aanpalende gemeenten Aalbeke,Marke en Rollegem. In 1895 hertrouwde hij met Marie –Anaïse Bathiat ( Rijsel 1865- Leuven 1939) . In 1904 werd hij bevorderd tot hoofdgeneesheer. Hij stond ook bekend als een verwoed boogschutter ( Kortrijkse Asklepiaden, door Dr. José Van Laere). Hij was katholiek raadslid in Kortrijk van 1904 tot 1911 en van 1921 tot 1927.

     

     

    (9) Raphaël Denutte, een zoon van Jozef Denutte, was gedurende zijn carrière als boogschutter 7 maal koning. In 1992 , toen 62 jaar schutter , behaalde hij nog de titel van koning bij de Sint-Sebastiaansgilde in Kortrijk. Hij was er ook koning in 1979 en 1980. Van pijlenraper was hij al jong bevorderd tot topschutter. In 1930 schoot hij de hoofdvogel bij ‘De Katte’. In 1938 en 1939 was hij koning in Marke en bleef dit gedurende de oorlogsjaren. Hij schoot zich verder koning in 1957 op de Pottelberg (St. Jozef)  en in 1960 bij Willem Tell . Hij veroverde het kampioenschap in Bissegem en won twee keer de trofee van Kortrijk. Hij werd ook koning in de toren met de overdekte wippen. Jozef , zijn vader, was koning  in Marke in 1914 en droeg die titel gedurende gans de eerste wereldoorlog. In Marke was hij al ingeschreven sinds 1904. Na de eerste oorlog trok hij naar Bellegem en in 1931 keerde hij naar Marke terug als 100e lid. In Marke was hij koning in 1913, 1947,1948 en 1964. In Marke vierde hij in 1964 , als koning, zijn diamanten schuttersjubileum ( 60 schutter) .Jozef overleed in september 1965, als ereondervoorzitter.

    Foto’s :

    1/ In 1900 ontvangst op het kasteel de Bethune.

    2/ 1927 :

    V.l.n.r :

    Gerard      Arthur           Gerard     Cyriel   Georges   Georges  Georges

    Brasseur Vandenberghe  Bourgois  Ameye  Dermaux  Delcroix  Basyn

     

    3/Toen de ‘gaaiperse’ in de Poortersstraat , tussen de hoeve ‘Dekimpe’ en

      Het ‘Lindestuk’, stond.

    4/ Detail grondplan uit 1927. Hoeve in de Watervalstraat. Een brede voetweg(een

      ‘karriere’ , waar paard en kar door konden) verbond de Cornelusweg, toen ook

      nog een voetweg, met de hoeve. Er bestond ook een ‘karriere’ die de Kalvarie-

      straat verbond met de hoeve, maar die verdween in 1957 bij het bouwen van

      nieuwe huizen.

      Boven: de Watervalstraat.

      Witte pijl :’put’ overblijfsel grondvesten ‘Boondriesmolen’          

     5/ De vlag van de handbooggilde Sint-Sebastiaan in 1972 tijdens een

      tentoonstelling.

     

     













    14-05-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    29-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT.

    DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT

    EERSTE STEENBAKKERIJ IN 1897

    Het initiatief voor de oprichting van een eerste steenbakkerij in Marke kwam van een Harelbekenaar: steenbakker Ferdinand Constant Iserbyt - gezegd Constant (1828-1887) vroeg op 14 maart 1897 aan het Markse gemeentebestuur de toelating om voor onbepaalde duur een steenbakkerij in open lucht te mogen oprichten. Constant, aanvankelijk landbouwer, had zo’n dertig jaar eerder (in 1869) al een steenbakkerij opgericht op Overleie in Harelbeke. Zijn zoon Hector (Harelbeke, 1860-1945) werd in februari 1899 medestichter van de ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’ en stond zowel in Harelbeke als in Marke in de volksmond bekend als ‘de Krikkeboer’. Hij had die weinig flatterende roepnaam te danken aan het feit dat hij mank liep (men zei dat hij een houten been had).

    Iserbyts eerste openluchtsteenbakkerij in Marke zou gebeuren langs de Leie, op de percelen van de sectie A 114-115-115b-116e en 116b van het kadaster. De gronden die voor het steenbakken in Marke zouden worden ontgonnen, maakten deel uit van de hoeve bewoond door Theophiel Vanhoutteghem. Noot: boer Vanhoutteghem mocht enige tijd later zijn biezen pakken, want de bouw van de pannenfabriek stond op dat ogenblik al geprogrammeerd. Na de dood van Paul Baron Bethune in 1901 werden die percelen eigendom van zijn dochter Marie-Thérèse Barones de Bethune (echtgenote van Jonkheer Paul de la Croix).

    Burgemeester Leopold Van Belleghem (Marke, 1835-1898) stuurde op 15 maart 1897 het positieve resultaat van de beraadslaging van het schepencollege naar de West-Vlaamse provinciegouverneur. Die liet het Markse gemeentebestuur prompt weten dat gestichten van die aard gerangschikt waren onder ‘gevaarlijke gestichten van 1e klas’ en dat voor dergelijke inrichtingen door de Bestendige Deputatie machtiging moest worden verleend. Iserbyt moest zich schikken naar de wet. Een kadastraal plan met alle gebouwen, wegen en waterlopen die gelegen waren in een kring van 100 meter van de inrichting, moest bij zijn aanvraag worden gevoegd.

    Marke had zich louter op het K.B. van 28 juli 1890 gebaseerd, dat alle inrichtingen van die aard rangschikte onder de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke gestichten van 2e klas. Het K.B. van 1890 sprak echter alleen op tijdelijke steenovens die voor één seizoen werden opgericht. Constant Iserbyt had een machtiging gevraagd voor een bestendige steenbakkerij en Marke werd andermaal op de wet gewezen (brief van 7 april van de gouverneur aan het gemeentebestuur van Marke).

    Twee dagen na de wenken van de gouverneur vroeg het gemeentebestuur van Marke aan dat van Harelbeke om Iserbyt aan te zetten een nieuwe aanvraag te doen en hem er op te wijzen welke vereiste stukken hij daarbij moest voegen. Bijna drie maanden later liet de gemeente Marke de hogere overheid in Brugge weten dat er nog geen (nieuwe) stukken in Marke waren toegekomen (brief van 3 juli 1897 aan de gouverneur).

    Het bijzondere aan het verhaal is dat de steenbakkerij langs de Leie in Marke door Constant Iserbyt in de praktijk al zonder toelating werd uitgebaat… Daarmee stelde hij zich bloot aan gerechtelijke vervolgingen (brief van 14 juli 1897 van de gouverneur aan de gemeente Marke en van 22 juli van ons gemeentebestuur aan de gouverneur).

    Op 31 januari 1898 kwam op het gemeentehuis in Marke volgend schrijven van gouverneur Ruzette toe: “Ik heb de eer u te verzoeken mij te laten weten of sieur Iserbyt, die eene steenbakkerij opgericht heeft zonder de noodige machtiging van de bevoegde overheid, reeds de stukken ingediend heeft waarvan er spraak was in mijnen brief van 7 april 1897. Indien de belanghebbende langer weigert zich te gedragen volgens de voorschriften op het stuk bestaande, zult gij proces verbaal tegen hem moeten opmaken.”

    Op 11 februari 1898 vernam de burgemeester van Marke, via het gemeentebestuur van Harelbeke, dat Iserbyt de vereiste stukken rechtstreeks naar de gouverneur had verstuurd. Wat was daarvan aan? Want eigenaardig genoeg werd op 16 februari door Iserbyts zoon Hector een aanvraag gedaan bij de gouverneur om een bestendige openluchtsteenbakkerij te mogen oprichten in Marke op de percelen van de Sectie A 117b en 118b (dus de percelen ten oosten van deze opgegeven door zijn vader). De oppervlakte bedroeg 78 aren. Wellicht enigszins verwonderd vroeg de gouverneur daarop aan het Markse gemeentebestuur: “… de voornaam van sieur Iserbyt die voordezen (voordien) dezelfde machtiging gevraagd heeft is Constant. Gelieft mij te laten weten of er hier spraak is van een en hetzelfde gesticht.”

    Onze burgemeester antwoordde op 8 maart dat het hier om dezelfde aanvraag ging. De eerste aanvraag was gedaan door vader Constant, die intussen zijn zaken had overgelaten aan zijn zoon Hector. Bijgevolg moest de machtiging gegeven worden aan Hector.

    Het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk, een aanpalende eigenaar van de inrichting, had bij het onderzoek van commodo en incommodo geprotesteerd tegen de komst van de steenbakkerij: “L’établissement d’une briqueterie permanente à coté du rouissoir de notre fermier Verspaille (de hoeve Verspaille, op de oosthoek van de Koedreef en de Rekkemsestraat, was eigendom van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk) sera sans nul doute très préjudiciable à son exploitation et présentera des inconvénients si graves à tout instant que notre locataire se trouvera dans la nécessité d’interrompre son industrie et par suite notre administration se verra dans l’obligation de résilier le bail du rouissoir qui perdra toute clientèle à cause des dommages inévitables occasionnés par la briqueterie. De concert avec notre fermier Verspaille nous nous réservons dès à présent de réclamer chaque année à chaque saison les dommages qui résulteront de la briqueterie projetée.” (brief van 19 maart 1898) Het kwam er dus op neer dat een steenbakkerij zeer nadelig en schadelijk geacht werd voor de rootplaats of Leieroterij.

     

    De verleende machtiging schreef de vervulling van volgende voorwaarden voor:

    1/ Er mocht geen aarde uitgedolven worden op minder dan 1 m van de aanpalende gronden.

    2/ De ovens moesten tenminste op 30 m van de grens met de aanpalende gronden worden geplaatst. Daarbij moesten ze voorzien zijn van een afscherming tijdens het bakken.

    3/ Na het uitdelven moesten de gronden genivelleerd worden tot ongeveer 0,50 m boven het zomerpeil van de Leie.

    4/ Ontvlambare stoffen waren verboden in een zone van 20 m van de spoorweg.

    5/ Hector Iserbyt zag zich genoodzaakt een overdekte hangaar van 5 m lang, 2,50 m breed en 2,50 hoog te bouwen waarin de arbeiders zouden kunnen eten en schuilen.

    6/ De vergunning werd verleend voor een termijn van 30 jaar.

    In zitting van het College van Burgemeester en Schepenen van 9 april 1898 werd gunstig advies gegeven en op 5 augustus werd de vergunning geleverd door de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen.

    Hoewel ‘bestendig’ was de steenbakkerij geen lang leven beschoren: ze viel nog voor de Eerste Wereldoorlog stil.

     

    TWEEDE STEENBAKKERIJ IN 1923

    Een kwarteeuw later, op 10 februari 1923, stuurde Hector Iserbyt rechtstreeks naar de gouverneur een aanvraag om opnieuw een ‘bestendige’ steenbakkerij in open lucht, met verscheidene ovens, te mogen oprichten in Marke. Deze keer op de percelen van de Sectie A 103g en 103h van het kadaster, die gelegen waren langs de Rekkemsetraat, achter café “De Zon”. Die percelen waren oorspronkelijk eigendom van Paul Baron Bethune en werden in 1909 door zijn erfgenamen verkocht aan de pannenfabriek. Hector Iserbyt maakte ook gebruik van het perceel Secie A 103e, dat toebehoorde aan Marie-Thérèse Barones de Bethune, echtgenote van Jonkheer Paul de la Croix.

    Het doel van de onderneming was de ontginning van klei en het vormen en het bakken van bakstenen in veldovens. Het graven gebeurde met de spade en het vormen met de hand.

    Uit het proces-verbaal van commodo en incommodo van 8 mei 1923 bleek dat er geen verzet tegen de aanvraag was ingediend, niettegenstaande een hele resem omwonenden geïmpacteerd waren door de inrichting. Het schepencollege van Marke bracht op 18 mei een gunstig advies uit. Ook de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen gaf haar akkoord in zitting van 9 november 1923.

    Camille Fostier (Waregem 1907 – Kortrijk 1988), die getrouwd was met Adrienne Deceuninck (Marke 1912 – Kortrijk 1996), kon een interessant getuigenis afleggen over de tweede steenbakkerij van Hector Iserbyt in Marke, die – zo blijkt – ook niet lang heeft bestaan:

    “Adrienne heeft geweten toen ze jong was dat achter café ‘De Zon’ een steenoven stond. In 1925 kwam ik (Camille Fostier) daar werken. De stichter van die steenbakkerij was Hector Iserbyt, beheerder van de Markse pannenfabriek. We maakten daar zo ongeveer 16.000 stenen per dag. Het waren bakstenen en ze werden ‘gemouleerd’ in bakjes van 2. Het was de vormelaar die dat deed. Er waren dan mannen die niets anders deden dan mortel maken. De steenbakkerij was geen lang leven beschoren en heeft blijven bestaan tot ongeveer 1933-’34. De reden was dat men geen goede klei meer kon ‘trekken’. Hierop ontstond het voetbalveld van F.C. Marke.

    Gedurig waren 11 mannen aan het werk. Er waren ook ‘branders’. De ‘brander’ maakte het vuur om de stenen te kunnen bakken. Men spreekt van een steenoven, maar er was natuurlijk geen oven. De stenen werden opeengestapeld en langsonder werden dan fijne kolen uit zakjes gestrooid en in brand gestoken. Als het regende moesten de arbeiders ’s nachts uit hun bed om de vlaken te gaan bedekken, opdat de ‘moules’ niet zouden nat worden. De grote baas van de steenoven was Hector Iserbyt van Harelbeke, de ‘krukkeboer’ genaamd. Hij kwam de werken inspecteren met paard en een ‘size’. Hij had bijna altijd een bolhoed op en een wandelstok in de hand. Er werkten nogal wel van Lichtervelde in de steenoven. De arbeiders konden schuilen en slapen in een barak achter het café ‘De Zon’.”

     

    Hector Iserbyt in 1926.

    1/ Foto Sectie A  117b en 118b.

     

    2/ Foto 1924  1/ Hoeve Dendoncker.

                2/ 12 huizen gebouwd in 1923 door de pannenfabriek van Marke,

                  waarvan 2 tweewoonsten. Naast de 8 andere café ‘Hongarië’,

                  café ‘Oostenrijk’ en nog 3 oudere huisjes.

                

                3/ De steenbakkerij. De grond, ‘De Pottier’ genaamd, werd in 1909

                  gekocht aan de erfgenamen van Baron Paul Baron Bethune.

                  Uiterst links staan 6 huizen. Het hoekhuis links is café ‘De Zon’.

                  Het huis rechts is gebouwd door de pannenfabriek in 1923. De

                  4 huizen tussenin zijn gebouwd door Charles-Louis Lannoo in

                  1913. De grond werd gekocht aan Jonkheer Paul de la Croix.

                  Het stuk grond tussen de Keiweg en de steenbakkerij was

                  eigendom van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk.

     

     

     

     

     

     

     







    29-03-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    09-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE JASTA 10 IN MARKE.

                              DE  JASTA 10  IN  MARKE

                             _____________________

    Eens en voor altijd:

    _______________

    De Jasta 10 landde hier op Flugplatz Marke (tussen de pannenfabriek van de Pottelberg en de verblijfshoeve ) op 29 mei 1917.

    Verschillende auteurs  bijten zich vast op 2 juli 1917. In de “Gazette van oud Cortryck” van maart 2017, in het artikel ‘Flugplatz Marckebeke’ was het ook van dat. Het artikel bevat  historische onjuistheden. Een 6-tal foto's kregen een foutieve omschrijving .Een foto kreeg geen omschrijving. En een anachronistische trucfoto sluit de rij .

    1/ Het dagboek van Jean Verhoye :

         Dinsdag 29 mei 1917: “De vliegers komen toe op ’t vliegplein (aankomst van

         Jasta 10) er zijn er 8 stuks tweedekkers Albatros. Ze doen weer groote

         Manoeuvres ten schade van land en vruchten.”

     

    2/  De gemeenterekeningen anno 1917:

     

         De Jasta 10 hield haar Casino in de Marktstraat in de brouwerij van  Cyriel De

         Brabandere van 29 mei tot 25 november 1917.

        

     

     

                            

              

     

     

                             

       





    09-03-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    23-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EHRENFRIEDHOF NR.179 - Een Duitse militaire begraafplaats in Marke

    EHRENFRIEDHOF NR. 179

    Een Duitse militaire begraafplaats in Marke

    __________________________________________________

    We snijden het artikel aan met wat voorgeschiedenis. Het gaat hier om een stuk grond, gelegen op de hoek van de Hellestraat en de Kleine Pontestraat. Op de Popp-kaart en de kadastrale legger van Marke staat het perceel geboekstaafd als sectie B 179. De eigenaar is het Armbestuur van Kortrijk (Bureel van Weldadigheid), zeg maar het huidige OCMW. Het stuk grond maakt deel uit van de hoeve naast het ontmoetingscentrum in de Hellestraat. Die hoeve was tijdens de Eerste Wereldoorlog bewoond en uitgebaat door Raymond Delobelle (Heestert, 1874 – Kortrijk, 1971) en Leonie Callens (Heule, 1885 – Izegem, 1933).Eric Coucke was de laatste landbouwer op de hoeve. Het perceel sectie B 179 had toen een oppervlakte van 70 are 50 centiare. Meer dan een kwart ervan (18 a 26 ca) werd tijdens de oorlog door de Duitsers opgeëist voor het aanleggen van een begraafplaats.

     We schrijven juni 1917. Marke belandde toen in het ‘Operationsgebiet’. Het klooster werd toen tot een ‘Lazarett’ omgevormd.  De Derde Slag bij Ieper (juni-november 1917), met inbegrip van de ‘Mijnenslag’ (7-14 juni), zorgde voor een enorme toename aan doden en gewonden . De gesneuvelden uit het  Brits zomeroffensief  van 1917 en de Duitse lenteaanvallen van 1918 waren bijzonder talrijk. En omdat het front opschoof, was er nood aan nieuwe begraafplaatsen.

     

    De begraafplaats werd onmiddellijk in gebruik genomen: in juni 1917 al. Hieruit leiden wij af dat de eerste gesneuvelden die hier begraven werden, gewonden waren uit de mijnexplosies van 7 juni 1917. Markenaar Jean Verhoye (1892-1986) noteert op 7 juni 1917 in zijn oorlogsdagboek: "Verledene nacht bereikte het artillerievuur eene nog nooit gehoorde sterkte, een trommelvuur van d’ergste soort en van zeer zware geschutten. Den Duitsch zegt dat het beider zijden van Wijtschaete is, ’t geene waar zijn kan." En 's anderendaags: "De gekwetsten komen toe ’t zijn er al 30 en 9 al gestorven. ’t Schijnt dat het hier de eerste verbandambulance (ingericht in het klooster der zusters) is achter ’t front, want de jongens bloeden en zijn onverbonden, ’t is wreed om zien." Op 7 juni 1917 deden zich geweldige ontploffingen voor. 19 Britse dieptemijnen werden ontstoken in tunnels die men al een jaar op voorhand (1916) had gegraven. De Britten hadden de overmacht met hun tanks en hun vreselijke kanonvuur veroorzaakte zware verliezen bij de Duitsers.

     

    Camiel Lefevere (Marke, 1907 - Kortrijk, 1988) woonde met zijn ouders in het café ‘De Brug’, rechts op het einde van de Kloosterstraat. Ook hij liet een kort ooggetuigenverslag na: “Een zekere Max (een Duitser) was toezichter op het Duits kerkhof en moest het ook onderhouden. Het zijn de Duitsers die de kerkhofmuren met de hulp van Markenaren gezet hebben. Sommige gekwetsten kwamen van het front (eerst met het treintje [de stoomtram, nvdr]) en kwamen dan toe in het klooster op een boerewagen (soms ook kisten op de boerewagens).”

     

    In Marke werden soldaten begraven tot oktober 1918 (zie “Wereldoorlog I Marke” van M. en R. Faillie, 1984, blz. 382 t.e.m. 390 voor een namenlijst). Oorspronkelijk rustten op de begraafplaats 181 Duitsers, 12 Britten, 1 Fransman en 1 Italiaan. Na de oorlog werden de 12 Britten overgebracht naar het Harlebeke New British Cemetery. De enige Italiaan werd herbegraven op het Campo Santo Italiano di Houthulst. De ene Fransman werd wellicht gerepatrieerd op vraag van diens familie.

     

    De foto van het Duits kerkhof dateert van rond 1926.

     

    In een brief van 8 maart 1922, richt het gemeentebestuur van Marke zich als volgt tot de bevelhebber van de 'Krijgsbegravingsdienst IV sector Izegem': “Het opschrift bij de ingang van het kerkhof ‘Verboden aan de bewoners van de aanpalende straten op het militair kerkhof te gaan’, werd door de werklieden van de krijgsbegravingsdienst weggenomen. Een der Engelse werklieden heeft de plank aan een vrouw uit de buurt gegeven, dat zij zelf als souvenir mocht behouden.” Aan wie hebben wij het raden naar ...

     

    In de jaren 1930 werd het Duitse kerkhof aangekocht door de Belgische Staat en ter beschikking gesteld van de Duitse regering. Omstreeks 1931-1932 werden een honderdtal Duitse gesneuvelden van gemeentelijke begraafplaatsen in de omgeving naar Marke overgebracht. Ze kwamen uit Gullegem (29), Zwevegem (1), Harelbeke (22), Stasegem (4), Moeskroen (21), Heestert (5), Gijzelbrechtegem (3), Otegem (4), Avelgem (4), Dottenijs (6) en Kooigem (1). Tegelijk werd het kerkhof ook heraangelegd. De houten grafkruisen die daarbij werden gebruikt, waren van het type Einheitskreuz Nr. 40B en werden gemaakt door Charles-Louis Lannoo, aannemer van timmerwerken in Marke. Het kerkhof bestond uit vier terrassen met hoogteverschil en met steunmuren in baksteen. Op het bovenste terras kwam een massagraf en werd een kleine kapel gebouwd waarin een smeedijzeren kruis werd geplaatst. De twee hoogst gelegen terrassen zijn bewaard gebleven en nog altijd zichtbaar.

     

    Eregemeentesecretaris Albert Vandaele (1925-2016) herinnerde zich over die werken het volgende: “In de jaren ’30 werden er Duitse soldaten van andere kerkhoven overgebracht naar het Duits kerkhof van Marke. Ik woonde toen in de reke van het klooster – de 6 huizen stonden haaks op de Kloosterstraat – met mijn ouders en was toen een jaar of 7. Ik zag hoe gedisciplineerd men de kisten overbracht en zorgvuldig begroef op het Duits kerkhof.”

     

    Voor de volledigheid: op het gemeentelijk kerkhof, toen nog rond de kerk van Marke, lagen ook militairen begraven. Op 10 oktober 1949 werden 8 Franse soldaten, waaronder 2 onderofficieren  er ontgraven. Ze waren in 40-45 van Sint-Anne naar Marke gebracht . De ontgravingen gebeurden in aanwezigheid van burgemeester Alfred (Gabriël) De Brabandere, veldwachter Michel Desmet, Arthur Rottier , Jozef Brasseur en Arthur Maenhout, voorzitter van de oudstrijdersbond.

     

    Een wat onvolmaakte foto uit 1951 toont aan dat het onderhoud van het Duitse militair kerkhof te wensen overliet. Het oord lag er lange tijd verwilderd bij. Uiteindelijk werd de begraafplaats opgeheven bij het centraliseren van de Duitse kerkhoven in mei 1955. De Belgische overheid drong aan het aantal te behouden militaire begraafplaatsen te beperken .

     

    In totaal lagen hier 281 Duitsers begraven. Daarvan werden slechts de graven van 248 bekende gesneuvelden in de week van 15 tot 21 mei 1955 naar Menen-Wald, Feld I (perk I), overgebracht. Volgens het eerste register, dat kort na de oorlog moet opgesteld geweest zijn, waren er 19 onbekenden, die hun laatste rustplaats in het Kameradengrab in Langemark kregen. Ook het massagraf van 14 lijken op de bovenste terras links werd naar diezelfde begraafplaats overgebracht. In totaal dus 33 niet-geïdentificeerde gesneuvelden. Eind mei 1955 waren alle stoffelijke overschotten van de Duitse soldaten elders bijgezet (brief van secretaris-generaal Margraf van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge aan burgemeester Alfred De Brabandere  van 27 mei 1955.)

    Albert Vandaele: “De beenderresten op het Duits kerkhof werden in 1955 in “Vaderlanderkes” (jutezakken) gestoken, zorgvuldig genummerd, volgens de officiële lijsten, dus heel secuur onder de leiding van de Deutsche Kriegsgräberfürsorge. In een graf werd zelfs een fles met een brief erin ontdekt.”

     

    In 1955 was de Belgische Staat zinnens het afgeschafte Duits militair kerkhof te verkopen. Op 21 mei 1955 werd al  aangedrongen door de Duitse Bundesrepublik (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge) om het bestaande monument te behouden en niet te vernietigen. Het gemeentebestuur van Marke wilde de verkooptransactie verhinderen en wendde zich op 31 januari 1956  tot het Ministerie van Financiën, Directie Domeinen in Brussel. De integrale tekst van de brief gericht door het gemeentebestuur van Marke aan het Ministerie van Financiën (de schrijfstijl werd behouden) volgt hierna:

     

    Mijne Heren,

    Naar wij vernemen zouden uwe diensten zinnens zijn het perceel grond sectie B 179 a groot 18 a 26 ca in openbare verkoping te geven. Mogen wij u verzoeken te willen onderhandelen om te verkopen in der minne, zoals wij voorheen gevraagd hebben aan de heer Ontvanger der Domeinen te Kortrijk.

    Indien uwe diensten, toch zouden beslissen het goed in openbare verkoping te geven, zullen wij ons verplicht zien ons te verzetten en dit om volgende redenen.

    Het bijzonder plan van aanleg (BPA) Kloosterstraat dat onlangs zal voorgelegd worden aan de koninklijke goedkeuring voorziet de inname van een deel van dit perceel voor de openbare wegenis; de rest van het perceel zou bestemd zijn als speelplein voor kinderen en rusthoekje voor ouden van dagen, daar in de omgeving huizen voor ouderlingen worden gebouwd. Over gans het perceel werd een zone bouwverbod gelegd, dit in overeenkomst met de diensten voor Stedenbouw West-Vlaanderen.

    Wij zouden aldus in gelijk welke omstandigheden ons verplicht zien over te gaan tot de onteigeningsprocedure, ten einde dit perceel volledig in te lijven bij het gemeentelijk domein.

    Wij hebben voorheen de vraag gesteld aan te kopen in der minne, ten einde de formaliteiten en moeilijkheden van onteigeningen te omzeilen.

    Naar we vernamen van de ‘Umbettungsleiter’ [het hoofd van de ontgravingsdienst, nvdr] zouden ze al de bestaande metselwerken vernietigen. Het tegenovergestelde werd ons aldus toegestaan. Zo werd dit kunstmonument in zijn geheel behouden, rekening houdende met de toekomstplannen van de gemeente [het smeedijzeren kruis in de kapel op de hoogste terras is echter verdwenen in de tachtigerjaren van de 20ste eeuw; zie de foto in betere tijden].

    Om al deze hoger aangehaalde redenen, zullen wij ons verplicht zien ons te verzetten tegen de publieke verkoping, en vragen wij u beleefd de aankoop in der minne toe te staan.

    Wij verhopen dat u onze vraag welwillend zult onderzoeken. In de hoop een gunstig antwoord te mogen ontvangen aanvaardt, mijne heren, de verzekering onzer hoogachting.

    De  secretaris                                                          De burgemeester

    Albert Vandaele                                                     Alfred (Gabriël) De Brabandere”

     

    We laten opnieuw eregemeentesecretaris Albert Vandaele aan het woord: “De Belgische Staat nam het besluit het ontruimde kerkhof in 1955 openbaar te verkopen. Doch de gemeente Marke vroeg dat niet openbaar te doen, maar het aan haar te verkopen ... Er was immers een bijzonder plan van aanleg (een plan van lijntrekking), om de Kloosterstraat en de Hellestraat in rechte lijn te verbinden met de Prinse. Het BPA bestond trouwens al van 1888. Hierbij was de inname van een groot deel van het oude Duits kerkhof voorzien. Later onder het burgemeesterschap van Emmanuel de Bethune kwam dat plan weer op de voorgrond, doch men liet het links liggen.”

     

    Julien Steelandt (1897-1988): “Ik heb altijd horen vertellen van mijn vader Camiel (1857-1936) dat een Van Belleghem op de hoeve woonde en die wilde niet dat de weg door zijn boomgaard liep.” Eduardus Van Belleghem (Marke, 1819 - Marke, 1895), lid van het Bureel van Weldadigheid, baatte toen samen met zijn zuster Barbara-Theresia (Marke, 1824 - Marke, 1894) de hoeve uit. Zij waren kinderen van  Joannes en Rosalia Planckaert.

     

    In 1958 werd beslist in zitting van 24 mei, onder het voorzitterschap van dienstdoend burgemeester Michel Chanterie (1899-1972), om het militair kerkhof voor 90.000 frank aan te kopen aan de Belgische Staat. Michel Chanterie was dienstdoende burgemeester na het overlijden van Alfred Debrabandere in januari 1957 en dit tot aan de benoeming van Aimé Bekaert (1903-1990).

     

    Albert Vandaele sprak niet meer over het ‘speelplein en het rusthoekje voor ouden van dagen’!Volgens hem was burgemeester Alfred (Gabriël) Debrabandere (1891-1957) van plan om een groot Heilig Hartbeeld te laten plaatsen op die plek, doch hij overleed op 25 januari 1957 en ... het resultaat is een parking geworden.

     

    Na de overbrenging van de stoffelijke overschotten van de Duitse soldaten naar Menen-Wald, werd er door de “Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge” (Kassel) op gewezen dat vele familieleden van gesneuvelde Duitse soldaten van een kale reis naar Marke moesten terugkeren, zonder de graven van hun geliefden te hebben kunnen bezoeken. Er werd aan het Markse gemeentebestuur  gevraagd de bezoekende familieleden te verwijzen naar het nieuwe kerkhof in Menen en hen mee te delen dat daar een lijst voorhanden was met de namen van de doden die er rusten: "Uns sind Nachrichten zugegangen, dass Angehörige von einer Reise zurückgekehrt sind, ohne das Grab ihres Toten gefunden zu haben……Ihnen vorsprechende Angehörige nach diesem Friedhof (Menen-Wald) zu verweisen, und sie davon zu unterrichten , dass auf dem Friedhof eine Belegungsliste ausgelegt ist und sie dort die Möglichkeit haben, das Grab ihres Toten ohne weiteres zu finden…."

     

    -Detail uit een kaart van het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw in 1952.

    1/ Het Duits kerkhof rond 1926 (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge).

    2/ Het Duits kerkhof in 1951 .

    3/ Toestand in de jaren ’80 van de 20e eeuw (foto Roger Faillie).

    4/ Een toestand in 1955, kort na de ontgravingen.

     

     

     

     











    23-01-2017, 09:33 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (7 Stemmen)
    02-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET RECHT TREKKEN VAN DE BUURTWEG Nr.5 OF DE VAGEVUURSTRAAT.

    HET  RECHT  TREKKEN  VAN  DE  BUURTWEG  Nr.5  OF DE VAGEVUURSTRAAT

    _____________________________________________

    Op 26 februari 1904 werd door de Kortrijkse arrondissementsingenieur A. Van Tomme een plan opgemaakt om de Vagevuurstraat rechtdoor te trekken. Vanaf café ‘In de Klok’ (1) liep de weg westwaarts in boogvorm over de Markebeek, om een tiental meters verder  weer in te schuiven ( nu in de Kalvariestraat ). De brug over de Markebeek lag toen enkele meters meer westwaarts dan de actuele (zie plan).

    Het plan en de werken werden  goedgekeurd door de gemeenteraad van Marke respectievelijk  in de  zittingen van 12 april  en  18 november 1904 ,en door de Bestendige Deputatie op 27 januari 1905. De nieuwe ontworpen weg was 94m . lang. De werken bestonden in het maken van een nieuwe brug over de Markebeek , in het leggen van grint  en het maken van duikers. Daarbij moest de aannemer ook de nieuwe straat opvoeren en de oude effenen.

    Voor de doortrekking moesten volgende percelen onteigend en aangekocht worden door de gemeente:

               Kadaster    Sectie B 168  :Alfons,Emiel en Jules Vlieghe Marke:         2a54ca

                                         B 11 : Klooster Marke :                                        1a15ca

                                         B 23: Klooster Marke  :                                        5a45ca

                                         B 46 : Plaquet- Duvivier Eugène We. en                 0a45ca

                                                                             kinders Leuze.

    In februari 1905  verkocht het klooster 10 populieren uit de meers ( Sectie B 23) nabij het café ‘In de Klok’  ( Akte not. Guillemyn).

    Het afgeschafte gedeelte van de oude weg kwam in het bezit van de ‘Brouwerij van Stacegem’ (Sectie B 31f)-  We.Grymonprez en erfgenamen (Sectie B 35) –Constant en Louis Van Belleghem (Sectie B 36 en 40) – Plaquet-Duvivier Eugène (Sectie B 46).

     

    De grintwerken omvatten tevens gans de Vagevuurstraat (2), over een lengte van 1600m. De breedte van de begrinting was vastgesteld op 3 m. Het College van Burgemeester en Schepenen had op 29 november 1904 al beslist de landbouwwegen 5 - 6- en 7 te begrinten (3). Gemeentesecretaris Henri Vanhoenackere (Bellegem 1847- Marke 1916) werd  als toezichter van de werken aangesteld.

     

    De grintwerken  startten op 1 april 1905 en werden uitgevoerd door Emile Haesbrouck-Orgaer, aannemer te Harelbeke . De begrinting liep tot het kruispunt Kardinaal-, Keizer-, Kalvarie- en Watervalstraat .Op 9 maart 1907 gaf Emile Haesbrouck ook  zijn akkoord om het gedeelte vanaf begin Keizerstraat tot café ‘In de Keizer’ (4) , tegen de Torkonjestraat , te verharden (begrinten).

     

    De heren Constant en Louis Van Belleghem werden er op gewezen dat zij een uitweg , van 3m. breed, moesten laten bestaan langs de partij Sectie B 35 tot aan de hoek ,tegen café 'In de Klok', verder naar de nieuwe straat , om de verbinding  met de voetweg langs het perceel Sectie B 36 te verzekeren. Gemakkelijk te zien op het plan: de voetweg langs het perceel Sectie B 36 is  het nu nog bestaande wegeltje dat uitkomt op de Preshoekstraat.

    In 1925 bouwde aannemer Gerard Leman 4 huizen tussen de voetweg en de nieuwe straat. Zelf woonde hij in het derde huis  ( vanaf de voetweg) en startte er ook zijn zaak.

     

    De ‘gravierweg’ (grintweg) vanaf Markeplaats tot café ‘In de Keizer’ werd plechtig ingehuldigd op 12 juli 1908 (zie strooibiljet).

     

    (1)Het café werd gebouwd in 1882 door timmerman Gustaaf Destoop ( Kortrijk 1852-Lauwe 1892),  op grond die hij gekocht had aan Melchior Brasseur, vlaskoopman en uitbater van café ‘In d’Arke van Noë’. Door een lening aangegaan aan brouwer Henri Malfait-Bonte te Kuurne, was Destoop verplicht zijn bieren af te nemen  aan die brouwerij. Het café had aanvankelijk als opschrift ‘Sint-Joseph’.  Door een andere geldlening in 1883 aan   Jules en Clothilde De Coninck van de  ‘Brouwerij van Stacegem’  werd die brouwerij de nieuwe leverancier. Op 25 maart 1886 verkocht Gustaaf Destoop het café aan de ‘Brouwerij van Stacegem’ en  het opschrift wijzigde onmiddellijk in ‘In de Klok’. Cyriel Libeer was de eerste uitbater en tezelfdertijd slachter. Hij was de zoon van Isidoor Libeer, die toen uitbater was van café ‘In de Belle Vue’ op Markeplaats. ‘In de Klok’ was café tot in 1955. De ‘Brouwerij van Stacegem’ was ook nog eigenaar van de cafés ‘Het Paradijs’ in de Marktstraat, ‘De Sterre’ eerst in de Kloosterstraat, daarna in de Vagevuurstraat, en  ‘De Kardinaal’ op de hoek van de Kardinaal- en de Kalvariestraat.

     

    (2) In het begin van de 19e eeuw liep de Vagevuurstraat vanaf Markeplaats tot de Torkonjestraat. In zitting van de gemeenteraad van 1 augustus 1910, werd ter gelegenheid van de tienjaarlijkse volkstelling , bepaald dat  de Vagevuurstraat opgesplitst werd  in Vagevuurstraat (vanaf dorpsplaats tot Markebeek),  Kalvariestraat (vanaf de brug over de Markebeek tot de Watervalstraat) en Keizerstraat ( vanaf de Watervalstraat tot de Torkonjestraat). In de 17e eeuw sprak men zelfs van de ‘straat komende van Markeplaats tot de’ Boondries’. De ‘Boondriesmolen’ bevond zich in de Watervalstraat en verdween in 1889.

     

    (3) In zitting van de gemeenteraad van 1 augustus 1910 werden volgende benamingen vastgesteld:

    -buurtweg 6 : Aalbekestraat

    -buurtweg 7: a) van de Aalbekestraat tot de wijk St.Anne-Kortrijk: St.Annestraat

                            b) van de Rolleghemstraat tot de Bergstraat : Lantestraat

                            c) van de Bergstraat tot het grondgebied Aalbeke: Luingnestraat.

     

    (4)Uitbater was Remi Derveaux (Deerlijk 1861-Marke 1949). In 1907 werd het café  , dat eigendom was van brouwer Cyriel De Brabandere ,uitgebaat door Gustaaf Vanrobaeys (Marke 1873-Aalbeke 1940) .Het was in die tijd een ‘afspanning met paardenbakken’. In 1935 kocht Michel Vandenbogaerde (Marke 1901- Kortrijk 1973) het café. Zijn echtgenote Germaine Segaert wilde een ander opschrift. De gebroeders Germain,Urbain en Antoon Vandaele , schilders, fristen het café op. Antoon kwam op het idee van ‘In de groene weide’, uiteindelijk ‘Au Pré Vert’.

    Op 6 januari 1949 kwamen hier de twee broertjes Michel (Kortrijk 1940) en Louis (Kortrijk 1942) Vanborre  om in een brand.

     

    Foto’s:

    1/ Café ‘In de Klok’ in 1955.

    2/ Zicht op de Vagevuurstraat vanaf Markeplaats begin 20e eeuw.

    3/ Café ‘Au Pré Vert’ op 5 juni 1980. Het pijltje duidt de plaats van het onheil in 1949 aan.

    4/ Café  ‘Au Pré Vert’ einde jaren ’30.

      V.l.n.r.:

      X  Madeleine     Marguerite Germaine   Gerard   Georges      Michel                    Michel

          Coussement  Ghiesmans   Segaert     Nuytens Ryckoort   Vandenbogaerde     Rogé

     

     

     

     

     

     

     

     













    02-01-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    21-12-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE GEDENKPENNINGEN VAN F.C. MARKE

            DE  GEDENKPENNINGEN   VAN   F.C. MARKE

           _____________________________________

    Voor wat de geschiedenis van voetbalclub F.C. Marke betreft, verwijs ik graag naar het ‘Heemkundig Kijkboek Marke’ van M. en R. Faillie 1982 blz. 153-154 en naar ‘K.F.C. Marke 1935-1995, 60 jaar voetbal te Marke’ door Philippe Vanhaezebrouck.

    Er werd al gevoetbald met vallen en opstaan vanaf 1914 en ook her en der naar speelweiden gezocht.

     1935 werd beschouwd als het officiële startjaar van de club. Van dan af mocht F.C. Marke bogen op een vast terrein, eigendom van de pannenfabriek van Marke. Het veld was gelegen achter café ‘De Zon’ in de Rekkemsestraat. Zo kregen onze spelers ook de naam van ‘pannenbakkers(jongens)’. Daar werd gespeeld tot in 1940, toen bracht de tweede wereldoorlog roet in het eten.

    In 1945 werd de club heropgericht en men vond een nieuw terrein aan de hoeve Dekimpe.

    Maar wat ons nu aanbelangt zijn de gedenkpenningen die in 1938 en 1939 uitgedeeld werden, door de ‘directie ‘ van de pannenfabriek, aan de spelers. De toenmalige ploeg speelde in 3e afdeling B en werd kampioen in het seizoen 1937-38 met 4 punten voorsprong op Wervik.

    De trainer was toen Arthur Millecamps en het lokaal was gevestigd in café ‘In het Nieuw Kwartier’ bij Aimé Verrue.

    De gedenkpenningen:

     

    1/ De spelers van Marke, alsook van de tegenpartij , een Engels team ,kregen op 18 april 1938 , 2e paasdag , na een voetbalmatch een eerste miniatuur pan. Marke verloor toen met 1-6. De wedstrijd tegen een  Engels team op 2e paasdag was een traditie die nog overeind bleef tot in de jaren '50.

     2/ Op paasdag ,9 april 1939 na een tornooi ,ingericht door ‘De Gazet- De Zondagsvriend’, kregen de spelers hun tweede penning uitgereikt.

     

    3/ Op 13 maart 1938 kregen de spelers van Marke vanwege W.S. Lauwe, die toen in eerste provinciale afdeling speelde, een medaille. Het betrof een bekerwedstrijd tegen W.S. Lauwe, en gewonnen door Marke met 2-3. Het tornooi vond plaats op de Schonekeer in Lauwe, aan de hoeve Delaere.

     

    4/ Foto van de kampioensploeg van F.C. Marke in 1938, genomen op het terrein van Rekkem. Marke won er met 0-4.

     

    Boven: v.l.n.r.:

    Aimé      Maurice   Gerard       Jerome          Marcel          Jerome     Alidor        André

    Verrue   Holvoet    Dekimpe   De Mulder    De Mulder    Dutoit      Holvoet     Lemaitre

     

    Onder : v.l.n.r.:

     Albert        Michel                 Daniel            Camiel      Marcel
     Laverge     Vandebuerie      Goegebeur    Faillie        Faillie

                            

        

       

     

     

     

           

       

     

     

     















    21-12-2016, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (6 Stemmen)
    24-11-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE PANNENFABRIEK of 'S.A. DES TUILERIES DE MARCKE-LEZ-COURTRAI. Het eerste decennium.

    DE  PANNENFABRIEK  OF   ‘S.A. DES TUILERIES DE    MARCKE-LEZ-COURTRAI’. HET EERSTE DECENNIUM .EEN NIJVERHEID UIT ONZE GROND GEBOREN.

    Een belangrijke industriële vestiging is verdwenen.  De fabricage van pannen in onze gemeente is verleden tijd. Enig overblijfsel van de bedrijfsgebouwen is niet meer te vinden .De plaatsen echter  waar klei uitgedolven werd, tussen Rekkemsestraat en Leie ,zijn nog met wat scherpzinnigheid duidelijk waar te nemen. Marke was rijk aan klei-ontginningsgebieden, ook naar het zuiden toe, waar de ‘Tuileries du Pottelberg’ actief was ( was al een ‘Société en Nom Collectif’ in 1881 en werd ‘S.A. des Tuileries Mécaniques du Pottelberg’  in 1883, gesticht door Petrus Renaux en Charles Watelet) .

    De ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’  lag tegen de Leievlakte, waar  een zone met vruchtbare kleilagen uitgespreid lag. Het laatste stukje nostalgie,  de oudste ovenzaal, gelegen tegen de spoorweg, verdween in de week van 19 tot 25 oktober 2009.

    De kleigronden van het Kortrijkse danken hun oorsprong aan het tertiaire tijdperk en maken deel uit van de boven-Ypresiaanse kleibank van Vlaanderen, wij zeggen de belangrijkste van België. Deze kleilaag  gekenmerkt door haar zuiverheid en regelmaat heeft  een gemiddelde bruikbare dikte van vijf meter.

    De mens kende al vele eeuwen de plasticiteit van leem en klei. Uit het gemeenterapport van 1830 :” …woningen gebouwd in steen en ‘plak van aarde’ en gedekt met pannen, doch de meeste met stro”. Rond 1823 deden enkele Markse landbouwers, voor het bouwen van een schuur of ander bijgebouw, een aanvraag tot het oprichten van een veldoven in open lucht voor één seizoen. De aarde werd ter plaatse uitgedolven . Naar het einde van de 19e eeuw toe werden verscheidene  aanvragen vastgesteld, zoals  die  van de We. François-Xavier Samain (hoeve Marc Holvoet) in 1894. De weverij De Witte-Visage vroeg in 1897 een vergunning   aan voor één seizoen ,op de noordzijde van de Marktstraat.

    Sinds 1873 was de steenbakkerij van Augustin Claerhout in de zuidelijke driehoek Keizer- en Beginnestraat (Sectie B 254) actief .Constant Iserbyt (1) deed in 1897 een aanvraag voor een openluchtsteenbakkerij voor onbepaalde tijd op  percelen gelegen langs de Leie, rechtover de geplande pannenfabriek, maar baatte die al uit vóór de goedkeuring . Zijn zoon Hector, medestichter van de pannenfabriek baatte vanaf 1898 op de percelen  117b en 118b van Sectie A een openluchtsteenbakkerij uit (zie foto), die nog voor de eerste wereldoorlog verdween. Het ging hier echter om dezelfde aanvraag als die van zijn vader. In 1908 deed de pannenfabriek , die toen op zoek was naar een nieuw kleiveld, haar beklag :” Als Iserbyt zo voort doet voor stenen te bakken, zal er niet veel meer te vinden zijn en  dan zullen we elders moeten kijken voor een kleiveld…”

    Uit archieven van het OCMW weten wij ook dat er kleiontginningen plaats grepen in die omgeving en op de Leieboorden vlakbij. Het stuk land ‘’t Careelstick’ behoorde toe aan de hoeve ‘Te Cockue’ , gelegen tussen de oude en de nieuwe spoorwegberm ,en betekende : het stuk land waar ‘careelbakkers’ bakstenen maakten (F. Decock).

     

    Arthur Maertens:" Vóór 14-18 bestond er een steenoven tussen de pannenfabriek en de Leie. Mijn broer Gustaaf werkte er. Zijn chef was Petrus Goegebeur. Hij had er eens een ongeval: met zijn 'kortewagen' (bakwagen) gleed hij weg van een plank en zijn been was gebroken. Men bakte er stenen om huizen te bouwen. Er stonden ook barakken, want de meeste werklieden moesten er werken van 's morgens tot 's avonds laat en sliepen er. Ze gingen één maal per week naar huis. Het was Iserbyt van Harelbeke , die later beheerder werd in de pannenfabriek, die er baas was."

    Hector Iserbyt, zou in 1923 een steenbakkerij in open lucht voor meerdere seizoenen oprichten langs de Rekkemsestraat, achter café “De Zon”, waar nu gebouwen van de firma Vandewiele gevestigd zijn ( rechtover de woning van dokter C. Vanlede). De pannenfabriek had dat perceel , de’Pottier’ genaamd, (verwijzend naar het Frans ‘potier , pottenbakker) , in juni 1909  aan de erfgenamen van Baron Paul Bethune gekocht .Na de nivellering in 1933-34 werd het terrein gereed gemaakt voor F.C. Marke, de plaatselijke voetbalclub, waarvan de spelers toen ook de ‘pannenbakkers’ werden genaamd.

     

    Op het einde van de 19e eeuw groeide de kleibewerking weliswaar uit tot een industrie.

    Rond 1897 moest Theophiel Vanhoutteghem, getrouwd met Tersille Verspaille zijn hoeve verlaten, om plaats te maken voor de geplande pannenfabriek S.A. Tuileries de Marcke-lez-Courtrai.

    Sinds 1895 bekommerde Pierre Rasson– Nys ,groothandelaar in stoffen in Moeskroen ,en  toekomstig medestichter van de pannenfabriek, zich met de uitbating van het ‘kleibekken’, dat in onze gemeente ongebruikt lag. Jaren lang gaf hij , vooraleer men tot ontginning overging,  geldmiddelen ten beste om grondsonderingen uit te voeren met het zicht op de bouw van een pannenbakkerij. Uit die boringen resulteerden de uitgestrektheid, de dikte en diepte van de verschillende grondlagen, alsook de kenmerken en de kwaliteiten van de kleisoorten.

    Architect Jules Carette (2) uit Kortrijk , die de bouwwerken zou leiden, stuurde op 28 maart 1899 naar de burgemeester van Marke een aanvraag om een ‘mechanische’ pannenbakkerij op te richten in Marke op de percelen 121f , 119d, 120d en 109e van sectie A  (zie het plan) . De dag erop  volgde de aanvraag bestemd voor de gouverneur van de provincie.

    Na het onderzoek van commodo en incommodo  gaf het gemeentebestuur van Marke gunstig advies in zitting van 20 april 1899.

    De nodige vergunningen werden op 19 mei 1899 door de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen toegekend.

     

     Na maandenlange onderhandelingen werd  door de vereffening in der minne van de ‘Tuilerie de Warneton’, Emile De Bruyne (3) en de twee beheerders Louis Gesquière (4) en Paul Octave Laloy vrijgegeven . Emile De Bruyne  had ervoor al stielkennis opgedaan rond het maken van mechanische dakpannen bij de ‘Tuileries du Pottelberg’ , vanwaar hij zelfs ‘vormen’ (moules) had meegebracht . Van Ernest Dumolin was hier nog geen sprake .

    De gronden en  concessies noodzakelijk voor de pannenindustrie waren al door  Baron Paul Bethune uit Aalst, de grootste grondeigenaar, beloofd, en de plannen voor het oprichten van het station van Marke rechtover de geplande fabriek, waren al in de maak. Een betere ligging kon niet . Baron Paul Bethune en zijn familie  gaven blijk van welwillend vertrouwen in de nieuwe zaak en stichtten met Louis Gesquière en Paul Octave Laloy de ‘ S.A. des Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’. De Bethune’s wensten ,voor de totale waarde van hun inbreng aan terreinen en kleiontginningen , in aandelen vergoed te worden.

    DE STICHTINGSAKTE :

    _________________

    Op 27 februari 1899 verschenen vóór notaris Aimé Baert in Meulebeke:

    Enerzijds :

    1/ Baron Paul Valery Jules Bethune (Kortrijk 1830-Aalst 1901) advocaat (1853),senator (1870-1901), provincieraadslid Oost-Vlaanderen (1860-1870)en eerste vicevoorzitter van de Senaat(1892-1901),  woonachtig op het kasteel van Overham(me) in Aalst.

    2/ Baron Felix Bethune (Aalst 1857-1901), advocaat en provincieraadslid Oost-Vlaanderen (1889-1900) woonachtig op het kasteel van Overham(me) in Aalst.

    3/ Baron Leon Bethune( Aalst 1864- 1907), advocaat , schepen (1895-1907) en lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1898-1907) in Aalst.

    4/ Baron Charles Bethune (Aalst 1868-1938), eigenaar te Brussel.

    5/ Baron Louis Jean Bethune( Aalst 1872-1939), advocaat, raadslid (1907-1932),schepen (1926-1927) en volksvertegenwoordiger (1912-1919 en 1921-1932) , provincieraadslid Oost-Vlaanderen woonachtig op het kasteel van Overham(me) in Aalst.

    6/ Barones Marie-Thérèse Bethune (Aalst 1875-Ukkel 1960), eigenares, echtgenote van Pierre Paul de la Croix. Vrijwilligster bij de Geallieerde Inlichtingendienst 1914-1918 en politieke gevangene 1914-1918.

    7/ Pierre Paul de la Croix (Kortrijk 1853- Auray [Morbihan ]1940), hiervoor, eigenaar Brussel.

    8/ Baron Gaston Bethune (Aalst 1877- Newport 1966) , onderluitenant in de militaire school, woonachtig in Ixelles. Werd later luitenant-kolonel van de artillerie.

    De zes laatsten met de naam Bethune waren kinderen van Baron Paul Valery en Adelaïde Eliaert.

    Anderzijds:

    1/ Paul  Octave Laloy ( Tourcoing [Fr.] 1857- Frélinghien [Fr.] 1907) baksteenfabrikant Frélinghien (N-Fr.).

    2/ Hector Iserbyt (Harelbeke 1860-1945), baksteenfabrikant Harelbeke.

    3/ Louis Gesquière ( Waasten 1858-Roumazières[Fr.] 1943), eigenaar Waasten.

    4/ Pierre Rasson-Nys (Estaimpuis 1844-Moeskroen 1925), industrieel Moeskroen.

    5/ Emile De Bruyne (Nieuwkerke 1862-Kortrijk 1913) , directeur van de pannenfabriek, woonachtig in Waasten.

    De maatschappij had haar zetel in Marke.

    Het maatschappelijk kapitaal was vastgesteld op 500.000Fr., verdeeld over 500 aandelen van elk 1000Fr.

    Er werden 56 kapitaalsaandelen en 80 gewone aandelen toegekend als tegenwaarde voor de inbreng.

    De overige aandelen werden onderschreven als volgt:

    Paul Octave  Laloy en de groep waarvoor hij volmacht had: 200,-

    Hector Iserbyt                                                                                  75,-

    Louis Gesquière                                                                               75,-

    Pierre Rasson                                                                                   60,-

    Emile De Bruyne                                                                              34,-

                                                                                                             -------

                                                                                                              444,-

    Wat was nu de inbreng:

    ___________________

    A/ Paul Valery Jules Bethune (5) : het terrein in volle eigendom gelegen in Marke :

         Sectie A 120d en deel van 121f en 119d: voor een oppervlakte van 1ha80a

         De maatschappij moest ook de landbouwers vergoeden voor de oogstschade    en de verbruikte mest.

    B/Baronnen Paul , Felix, Leon, Charles, Louis en Gaston Bethune, Barones Mw. Marie-Thérèse Bethune en Paul de la Croix stelden als inbreng ,de vergunning , voor een periode van 30 jaar, maar hernieuwbaar voor een zelfde periode, ingeval van prorogatie van de maatschappij, om klei te trekken uit de percelen grond, meersen en bos in  Marke: sectie A 83c, 83d, 111b,62c,84c,84b, en deel van 109c, alsook uit 61, 60a,56b, 41a , in totaal voor ongeveer 6ha.

    De maatschappij was ook verplicht een vergoeding te betalen aan de

    eigenaars voor de geleden schade , door kleiontginning , aan de oogst, voor de mest , voor het kreupelhout dat zou vernietigd worden.

    Op 27 februari 1899, dag van de stichting was de beheerraad als volgt:

    Paul  Octave Laloy :                                                  voorzitter

    Baron Felix Bethune                                                beheerder

    Hector Iserbyt                                          afgevaardigd beheerder

    Pierre Rasson -Nys                                                   beheerder

    Louis Gesquière                                                        beheerder

    Emile De Bruyne                      secretaris van de beheerraad en directeur-gerant

     

    Al vanaf 1899 was de kleiwinning  begonnen en wat toen al uit de ‘kleibank’ verscheen bekrachtigde de rijkdom van het kleiveld die men zich al  bij de vroegere sonderingen  voorgesteld had.

     

    Wat opvalt is dat de  katholieke Franse familie Laloy en haar aanverwanten  een belangrijke economische en  financiële rol speelden in de baksteen- industrie. Haar grondige ervaring zou voornamelijk ten goede komen van de nieuwkomer. De naam Laloy was  al lang verbonden met de baksteenindustrie. Daarom  even een duik nemen in die  familie.

     

    De familie Laloy was omzeggens een hoofdrolspeler in onze Markse pannenfabriek :

    ________________________________________________________

    De eersten, die we ontmoetten, met de naam Laloy ten zuiden van Rijsel (Camphin,Carembault,Phalempin…..) waren molenaars. Op het einde van de 17e eeuw vestigde zich een tak in Frélinghien en in Deûlémont. In dat laatste dorp werd geïnvesteerd in een steenbakkerij.

    Op het einde van de 18e eeuw waren de Laloy’s zowel steenbakkers in Deûlémont, als in Waasten, dus langs weerszijden de Leie.

    In Waasten was Roger Laloy (1811-1887) steenbakker, getrouwd met  Sophie Volbrecht .

    De almanakken van Waasten van 1862 en 1882 maken melding van de steenbakkerijen Roger Laloy -Volbrecht .

    Zijn broer Auguste Laloy (Deûlémont 1819- Tourcoing 1865), getrouwd met Rose Cordonnier (Haubourdin 1830- Deûlémont 1914), stichtte een mechanische wolkamfabriek in Tourcoing. Hun vader Roger Louis Joseph Laloy (Deûlémont 1785-Deûlémont 1843) getrouwd met  Adelaïde Dillies (Waasten 1791- Deûlémont 1876), was steenbakker in Waasten.

    De eerstgenoemde Roger (+1887)  had geen kinderen en  Paul Octave Laloy (Tourcoing 1857-Frélinghien 1907) , zoon van Auguste was als zijn opvolger voorbestemd. Paul Octave trouwde met Marie Marguerite Charvet (Rijsel 1858 –Menen 1928).

    Marie Marguerite Charvet, was een dochter van Victor Paul (Rijsel 1818-Armentières 1897) , en Adèle Colombier (Rijsel 1824 – Armentières 1896) eigenaar van een vlasspinnerij.

     

    Paul Octave leerde klaarblijkelijk zijn vak  aan zijn oom Roger, want na diens dood in 1887, stichtte hij in Deûlémont aan de sluizen, op een domein van 19ha, aangekocht aan de familie d’Hespel, de steenbakkerij Saint-Thomas. Het ging hier niet om een Vlaamse veldsteenbakkerij in open lucht, maar om een steenbakkerij met Hoffmann-ovens (ringovens) , waar façade- en vloerstenen geproduceerd werden.

    Roger Albert  Laloy (Tourcoing 1851- Parijs 1909)  getrouwd met  Clémence Moreau (°Douai 1855) , broer van Paul Octave en tevens oudste zoon van Auguste ,was suikerfabrikant.

    Eind 19e ,begin 20e eeuw, richtte Paul Octave ook samen met Alfred Delecourt de kalksteenbakkerij van Rosendael, terzelfdertijd dat hij zijn steenbakkerij van Deûlémont verkocht aan Alphonse Delecourt , broer van Alfred . Op hetzelfde moment stichtte  hij ook met ‘Belgen’ de ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’ (1899).

    De kalksteenbakkerij van Rosendael stopte alle activiteit in 1937.

    Alphonse Delecourt bezat verscheidene steenbakkerijen in de regio Rijsel, onder andere die van de ‘Briques de La Madeleine’. In 1904 was hij  ook een van de  aandeelhouders  van de pannenfabriek van Marke.

    Louis Gesquière, beheerder in Marke had een dochter Marie-Louise, die trouwde met Jean Delecourt, zoon van Alphonse.

    Guy Laloy ( Boulogne-sur-Mer 1923- Moeskroen 2016),de zoon van Paul  Louis Laloy (Frélinghien 1890- Boulogne sur Mer 1981) en Geneviève Piat ( Roubaix 1894-1970), was getrouwd met Henriette Dansette ( Rijsel 1923 – Kortrijk 2005) en zou de laatste met de naam Laloy  zijn, die verbonden was aan de Markse pannenfabriek .Paul Louis en zijn jongste broer Louis (Frélinghien 1894-Villevêque 1949) waren de enige zonen uit het gezin van Paul Octave – Charvet , die een positie van betekenis  zouden betrekken in de pannenfabriek. Guy Laloy  zou zijn  mandaat van beheerder-directeur  verlengen , na de fusie in 1968, bij de N.V. Ostyn-Marke en bij Terca.   Régis en Didier , zoons van Guy Laloy maakten ook deel uit van de directie.

    De beheerraad toen:

    Jozef Ostyn: voorzitter

    Guy Laloy : beheerder-directeur

    Godfried Ostyn: beheerder

    John Tack: beheerder ingenieur.

    Guy Laloy bewoonde vanaf 1947  de directeurswoning. Hij was van 1977 tot 1993 Ereconsul van Frankrijk in Kortrijk.

    [Genealogische gegevens werden mij verstrekt door de heer B. Baudoux, een zoon van André Baudoux en Cécile Boutry, dochter van Joseph Boutry (1885-1945) en Marie-Rose Laloy (1886-1966). Marie-Rose Laloy was een   dochter van Paul Octave (1857-1907) en Marie Marguerite Charvet.

    De heer Baudoux wist ook te vertellen dat een verbitterde Guy Laloy, die toen in een rusthuis in Moeskroen (‘Orchidées’) vertoefde, niet veel wenste te zeggen over de pannenfabriek van Marke.

    Een andere dochter van Paul Octave ,Marguerite Laloy (1898-1968) was getrouwd met Edouard Boutry (1885-1945), een kozijn van Joseph. Joseph en Edouard  hadden een katoenspinnerij in Rijsel.]

    Ik neem eens de aandeelhouders anno 1909 onder de loep:

    Claude Charvet – Hector Iserbyt –Pierre Rasson –Louis Gesquière – Paul de la Croix – Albert Baert (Pittem 1850-Kortrijk 1926) – Jules Vandermeersch(Wervik) – Benoit Van Trappen (Gent 1861- 1949) – Clémence Moreau (Houplines) – Roger Laloy (Student Frélinghien) – Marie Marguerite Charvet – Paul Emile Theetten(Armentières 1852-1936) – Max Verley (Armentières),nakomeling Charvet – Marie de la Croix (Brussel) – Baron Gaston Bethune – Charles Dhaene ( Comines Fr.) – Emile De Bruyne  (Sterreberg) – René Schoot (familielid van Pierre Rasson) – Jean Delecourt (La Madeleine-lez-Lille).

     

    Op de westzijde achter het ‘aardemagazijn’ of de kleizaal (‘aardekot’ of ‘magasin de terre’ ook ‘salle de pourissage’), die 15.000m3 grondstoffen kon bevatten , bevond zich een rijkvolle concessie. Het was het eerste kleiveld .

     

    De meeste kleivelden eigendom of geëxploiteerd door de Markse pannenfabriek waren vanaf de beginjaren  gelegen in het noorden en het noordwesten van Marke en op het grondgebied van Lauwe , op de zuidelijke flank van de Dronckaertstraat, vanaf de grens van Marke  tot  de Aalbeeksesteenweg  (voornamelijk aankopen in 1908, 1909, 1910,1913). In 1915 werd zelfs door de pannenfabriek ,op eigen kosten, een viaduct gebouwd onder de Preshoekstraat (Lauwe), om doorgang te laten aan de locomotief met de  kleiladingen. Een overblijfsel is nog te zien achter de huizen in de Dronckaertstraat.

    Bij de verdeling op 20 juli 1901 van de erfenis van  Paul Bethune, werden  door de erfgenamen 24 percelen onverdeeld  gelaten. Hiervan werden vóór 1910  12 percelen verkocht aan de pannenfabriek ( akten van 10 juli 1901 – 7 december 1903 en 13 mei 1905)  . Ze omvatten alle percelen grenzend aan de zuidkant van de spoorweg, vanaf de pannenfabriek tot de Pontestraat. Men wilde met die immense kleivelden de productie verdubbelen en zelfs verdriedubbelen. Te dien einde werd in 1903 een uitgifte van 200 nieuwe kapitaalsaandelen ( à 1500 het stuk) uitgeschreven.

     

    Voor het uitgraven van gronden als huurder werd een overeenkomst getekend met de eigenaar: “…voor het aanvangen der uitgraving zal de teeltgrond op een dikte van 35cm. weggenomen worden en afzonderlijk bewaard op een niet voorziene exploitatie zone . De diepte van de uitgraving wordt niet bepaald, maar zal zodanig geschieden dat de nivellering  der uitgegraven gronden een goede afloop der wateren verzekert. Het recht tot uitgraven wordt verleend mits de betaling van… Fr.”

    Voor wat de Markse pannenfabriek  betreft waren de meeste percelen, die gehuurd werden, achteraf eigendom.

    In 1900 telde de pannenfabriek 80 tewerkgestelde personen, in 1920 een 280.

     

    Arthur Maertens (1897-1982) : “DE KOEKEBERG: deze berg begon aan het ‘aardekot’ van de Markse Pannenfabriek al langs de spoorweg tot aan het wachthuisje (‘gardehuisje’) om  naar de Co te gaan. Op sommige plaatsen was de heuvel wel 10m hoog .Het was uitgraven met een spade en het was praktisch al kleiaarde. De pannenfabriek van Marke had de grond vanaf de pannenfabriek tot aan de pannenfabriek van Lauwe ( ‘Tuileries du Lauwberg’ ) gekocht. Dat was hun werkterrein. De beste klei ging naar de pannenfabriek voor het vervaardigen van pannen, de slechte of minder goede klei werd gebruikt om stenen te bakken. Dus gans die heuvel werd geëffend. De pannenfabriek heeft dan een ‘railroute’ gelegd tot aan haar kleiputten. Alle klei werd dan met de spade op de wagons gegooid.

    Er werd klei gehaald eerst rond de pannenfabriek. De eerste bazen waren Laloy, de la Croix en Iserbyt. Er werd een ‘route’ (spoorlijn) gelegd tot de pannenfabriek van Lauwe ongeveer, dan heeft men daar begonnen met klei te trekken, zoals aan de ‘Lauwbus’ (Lauwberg) in die tijd.”

     

    Tijdens de bouwwerken gaf Paul Octave Laloy gedurende 1 jaar gratis zijn persoonlijke hoofd-boekhouder Jean Baillez ter beschikking. Een kost gespaard!

    De werktuigen en de stoommachines functioneerden optimaal dank zij de ingenieuze kennis van Polydoor Benoot (6), die hiervoor op de eerste algemene beheerraad van 28 februari 1900, beloond werd met een premie van 5000Fr.

    De eerste  bouwwerken werden voltooid  in maart –april- mei 1900. De aannemers van dienst waren Emile  Vandeghen , uit Moeskroen en Maertens. De bakstenen werden uiteraard  geleverd door Alponse Delecourt & Zoon, uit Deûlémont.

    Dat de ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’ met het modernste machinepark  uitgerust was blijkt uit het boek  “Monographies  industrielles  - Industries Céramiques” van uitgeverij J. Lebègue & Cie uit 1907, waarin 4 kenmerkende foto’s van de pannenfabriek, als toonbeeld gepubliceerd werden. De installatie en het materieel waren uniek en men verheugde zich over de topografische ligging . In een oogwenk bereikte men de eerste plaats in de pannenindustrie in België.

     

     

    In 1901 werd door de Belgische Spoorwegen , op vraag van de pannenfabriek, een viaduct onder de spoorweg gebouwd. De viaduct gaf uit in de ‘oude kant’(oudste droogloods tegen de spoorweg) , waaruit een smalspoor verbinding maakte met een loskaai voor schepen aan de Leie. Het perceel met het smalspoor  was vroeger bos en lag links naast de openluchtsteenbakkerij van Iserbyt. Lang waren er restanten van het ‘Leiebusselke’(Leiebos) zichtbaar. Het vervoer met 'berlientjes' (wagonnetjes) vanuit de 'oude kant' naar de Leie liep niet van een leien dakje en algauw werd  overgeschakeld naar de voerman. Het waren voornamelijk Petrus Casteleyn (verongelukt in 1911) en  Victor Blomme , die de taak op zich namen. Met paard en kar – geen gemakkelijke onderneming – voerde de lading bergafwaarts langs de Leieweg tot aan café ‘Cis’ (soms ‘Cies’ geschreven). Dan moest men, om het gevaarte af te remmen ,letterlijk stokken in de wielen steken. De pannenbestellingen voor Noord-Frankrijk gebeurden meestal per schip.

    Die gang van zaken was ook niet zonder hinderpalen, want tijdens het rootseizoen was veel bedrijvigheid aan de Leieroterij Verspaille (aan café ‘Cis’) en konden  schepen amper ankeren langs de Leieboord. Vanaf april wemelde het gedurende de hele zomer  van vlashekkens (‘rootbakken’) in de Leie . Tijdens de winter werd het vlas gezwingeld. Tot 1932 lagen hier ‘hekkens’ in de Leie. Van dan af werden nu en dan weer pannen geladen op het schip. Maar het gros van de ladingen gebeurde met de spoorweg, want sinds januari 1900 was het goederenstation in de nabijheid van de fabriek toegankelijk. Bewijs hiervan zijn de honderden  bestellingen van pannen op gele briefkaarten in mijn bezit.

    In 1900 al werd een eerste spoorverbinding gelegd naar het goederenstation (7).

    In 1901-02 besliste men bij te bouwen, want men kon de aanvragen van pannen niet meer aan. De werken vingen aan in augustus 1901 en waren in mei 1902 klaar.

    In 1902 was men al in het bezit van 16ha  bouwgrond en kleivelden.

     

    Richard Holvoet (Zwevegem 1922- Kortrijk 2001) : “Café “De Conciergerie” werd gezet in 1900, terzelfdertijd als de Markse pannenfabriek. De eerste bewoners waren Camille Beeusaert- Elisa Ozé. Het was ook café vanaf 1900. Ze waren tevens de eerste uitbaters. Men noemde Camille Beeusaert de ‘Mol’, doordat hij vroeger op logement was bij Elodie Mols op de Pottelberg in café ‘In de Schorsemolen’ (gelegen op de hoek van de Engelse Wandeling en de Pottelberg). Elodie Mols verhuurde er kamers. Marie Beeusaert, de dochter van Camille noemde men ook ‘Marie van Moljes’.

    Toen Camille in de “Conciergerie” woonde was hij meestergast op de koer (‘koerbaas’) in de Markse pannenfabriek. Camille was conciërge van 1900 tot in 1908; dan werd hij meestergast in de pannenfabriek Sterreberg in Aalbeke en werd er ook conciërge tot in 1915. Camille was meegegaan met directeur De Bruyne Emile, toen die de pannenfabriek van de Sterreberg stichtte samen met Ernest Dumolin. Het gezin Beeusaert-Ozé  kwam van 1915 tot 1919 café ‘Burgerswelzijn’ uitbaten in de Rekkemsestraat in Marke. Het was door toedoen van dochter Marie dat het uithangbord ‘’t Zwijntje’ veranderde in ‘Burgerswelzijn’.”

     

    Georges Declercq (Bissegem 1905- Heule 1986) was getrouwd met een zuster van mijn vader en werkte als 14-jarige in de pannenfabriek: “ …er waren een zeker aantal van Bissegem werkzaam in de pannenfabriek van Marke. Ze kwamen in 1919 te voet langs de trakelweg en werden overgezet aan café ‘Cis met een houten overzetvlot, bediend door ‘Romanie van de Cis’ (Romanie Naert) ( tijdens de oorlog 14-18 lag er een brug, gelegd door de Duitsers, die ze lieten springen in 1918). Café ‘Cis’ was toen uitgebaat door Remi Decock en Romanie .Een abonnement voor 1 week kostte toen 1Fr., zaterdag inbegrepen. Langs de kant van Bissegem was een bel, men trok aan de bel en Romanie wist dat er reizigers waren.”

    De directeur van de pannenfabriek was toen Jozef Neirynck, maar de opperbaas was Yserbyt van Harelbeke.”. Joseph Neirynck (Lendelede 1882 – Marke 1943) werd aangenomen op 29 januari 1910 , betrok het huis naast Arthur Maenhout in de Michel Van de Wielestraat en daarna de directeurswoning voor Guy Laloy.

     

    Jules Decock uit de Keiweg (Marke 1910-1997): “Ik ben geboren in café “Den Ondank” in de Aardweg . Mijn vader was Remi en mijn moeder Romanie Naert, ‘Romanie van de Cis’ genaamd. In 1911 gingen ze café ‘De Cis’ uitbaten tot in 1926. In 14-18 lag daar een houten brug, gebouwd door de Duitsers, die ze in 1918 lieten springen. Mijn moeder deed er de overzet na de oorlog ,eerst met een houten overzetvlot, daarna kreeg zij een ijzeren schip van een schipper, om over te zetten. De overzet deed ze elk om beurt met Leonie Kesteloot ( de dochter van Petrus Kesteloot, de eerste eigenaar- uitbater van café ‘Cis’). Ze zetten vooral arbeiders over die naar Frankrijk en ook naar de pannenfabriek moesten gaan werken. Ze zou de overzet doen vanaf 1918 tot 1926.”

     

    In 1980 had ik een interview met Arthur Maertens, die vanaf 1910 tot 1928 in de pannenfabriek werkte, vooral interessant  voor de gebruikte termen in die tijd . Het aantal arbeiders en de zware handenarbeid van sommigen waren kenmerkend :

    “De wagonnetjes (berlientjes) kwamen toe met de klei, met het smalspoor (Decauville) tot aan de ‘rampe’ (hellend vlak). Op de ‘rampe’ aangekomen liet men de wagonnetjes kantelen en de klei viel in het aardekot (‘salle de pourrissage’ voor het rottingsproces). De klei bleef daar enkele weken liggen om te kunnen teren, en omdat het water zou zakken, kapte men de hoop open en men gooide er zavel (zand) en poer op [de poer  die men  in het aardekot op de klei gooide werd bekomen als volgt: van de slechte klei maakte men stenen. De stenen werden dan geplet en tot poeder gemalen door de ‘pletmolen’. Het was een molen die ronddraaide met ijzeren bollen eraan, die de stenen pletten. Men gebruikte ook slecht gebakken pannen, die men ook plette. Daar gaf men hier zelfs de voorkeur aan]. Daarna werd het door een man of drie opgeschept op bakwagens en werd het weggevoerd naar de ‘toile’ (de transportriem) voor bestemming de ‘beer’ ( de mengmachine of ‘malaxeur’). In de ‘beer’ werd de klei in schellen gesneden door twee schijven bijna tegen mekaar gedrukt. Na de ‘beer’ werd de klei weer naar de ‘toile’ gebracht. Van daar ging de klei naar de ‘balançoirs’, waar de klei uitkwam in bollen. Van daar viel het weer op de ‘toile’. Daarna ging het naar de ‘cylinder’(strengpers). In de kop van de ‘cylinder’ zat een speciaal tuig dat de klei deed uitkomen in ‘galetten’( dit is in de vorm van een pan). Achter de ‘cylinder’ stond een man met een kar. Hij legde de ‘galetten’ in pakken van 24 , die naar de ‘presse’(stempelpers) gingen. Er stonden zo een twaalftal ‘pressen’ (persen). De pannen kwamen vers van de ‘presse’ (pers) toe aan de ‘toile’. De ‘toileloper’ schoot de pannen naar de ‘middenloper’, deze schoot ze naar de ‘aangever’ en deze op zijn beurt naar de ‘steker’, die ze in de rekken stak. De ‘galetten’ werden eerst ingewreven met olie door de ‘smouters’ en dan werden ze in de ‘moule’ (vorm) gestoken. De ‘smouters’ hadden een pot olie waarmee zij de kanten van de pannen inwreven.  En pas achterna werden ze geprest in de vorm van een pan. Er zat een man op een stoel en die legde de pannen die uit de ‘presse’ kwamen één voor één op een plank. De ‘scheerder’ scheerde de pannen en legde ze terug op de plank voor de ‘drogerij’. Het scheren bestond uit de kanten af te scheren en gladdig te maken. In de drogerij (natuurdrogerij) zorgde de droger ervoor dat de venstertjes open stonden , zodanig dat de pannen konden drogen. Na het drogen werden ze na ongeveer 1 maand uit de drogerij gehaald en werden ze naar de ‘kruine’ gebracht.

    In de ‘kruine’ , die juist boven de ovens was werden de pannen die reeds tamelijk hard waren, gehangen aan latten voorzien van  een nagel, om het drogen nog te vervolledigen (een echte droogoven) en na twee à vier dagen werden ze dan op de ‘toile’ gelegd en vandaar werden ze door de ‘bakkers’ in de oven, ringoven type Hofmann, geschoten om te bakken. Op de ‘kruine’ boven de ovens is het zeer warm en daar kwamen de pannen aan hun verharding toe. Nadat ze uit de ovens werden gehaald liet men ze een beetje afkoelen en daarna werden ze ‘getrilleerd’ en in de rekken gelegd ( de slechte werden er uit gehaald. De pannen die nog niet goed gebakken waren werden terug in de ovens gelegd).

    Aan de ‘presse’ stonden: 4 pannenmakers – 3 ‘scheerders’- 2 ‘smouters’ – 1 ‘moulekuiser’- 1 ‘plankenraper’ (planken op de onderste ‘toile’) en 1 ‘kuiser’. Er stonden zo 24 pannen op een hoop, boven mekaar. Voor al die opgegeven werken is in 1980 maar één man meer nodig.

    De pannenfabriek van Marke had een ‘pannenmolen’( stempelpers met horizontaal draaiende tafel) van 13 ‘moules’(mallen) en die van de Pottelberg had er 21. Er werkten toen vele mannen van de Marionetten, van Bissegem, van Kortrijk en natuurlijk van Marke.

    Daarna belandden de pannen op de ‘koer’ en werden geladen op camions of wagons. Er werden ook pannen geladen aan de Leie op schepen. ”

     

     

    De eerste oven startte alle activiteit op 1 juni 1900 . De eerste pannen werden op 20 juni 1900 uit de oven gehaald :  specialiteit ,de 'Franse pan' (sluitpan 'Système Le Forest’) 21 op de m² , vorsten, haakpan, platte pan ...De dakpannen van Marke leken op eerste zicht aan die van de Pottelberg, doch waren een beetje groter. Er waren 21 dakpannen van Marke nodig om 1 vierkante meter te dekken, terwijl er met de Pottelberg-pan 22 nodig waren.

    De oven was nog niet  heel heet als de firma Dubois d’Enghien Frères de pannenfabriek vervolgde voor de namaak van de oven. De firma beweerde hiervan het brevet te bezitten en eiste een som van 300.000Fr. Baron Felix Bethune, Paul Octave Laloy en Emile De Bruyne belastten zich met de voorbereiding van de verdediging. Victor  Begerem , advocaat bij het hof van beroep van Gent ( van 1875 tot 1934) nam het op voor de pannenfabriek. Er werd slechts in 1908 over het pleit beslecht, het brevet van de schuldeiser werd nietig verklaard en er moest integendeel  2000Fr. schadeloosstelling  aan onze pannenfabriek worden betaald.

    De kolen voor de ovens werden voornamelijk per spoor besteld bij de ‘Compagnie des mines de Bruay’  (Fr.) en in mindere mate bij de ‘Charbonnage d’ Hornu-Wasmes’. De kolen voor de machines kwamen van de ‘Compagnie de Dourges’ (Fr.).

    Door de verhoging van de productie moest uitgekeken worden naar een derde nieuwe ‘breekmolen’ om holle stenen , gemaakt uit minderwaardige klei , te pletten. Polydore Benoot was de leverancier voor 2700Fr.

    Vanaf  1905 werd ook zavel getrokken op de Markebeke, dat heeft sporen nagelaten. Maar 1908 was dan ook het laatste jaar, want de ‘carrière’ was uitgeput.

    Na  het overlijden van stichter Paul Octave Laloy op 27 februari 1907, werd zijn schoonbroer Claude Charvet (Armentières 1854-1942) voorzitter. Claude en zijn broer Maurice richtten in 1897 een vlas- en wolspinnerij op ,ook ‘Cotonnière d’Armentières’ genaamd.

     In juli 1907 verlieten grondwerkers ‘Marke’ om voor een hoger salaris te gaan werken op ‘Pottelberg’. Marke zag  zich verplicht de lonen te verhogen (Constant Nevejan aan Claude Charvet  ,9 juli 1907) …en  niet wachten tot ze het vroegen! Constant Nevejan (Torhout 1870-Marke 1908) werd aangenomen als bediende-boekhouder in maart 1900. Hij kwam van het Sas van Gent en ging wonen in de Markekerkstraat 21, rechtover de broederschool.

     

    Ernest Dumolin (1882-1974) (8)  werd op 6 november 1900, door Emile De Bruyne aanvaard als bediende  (‘ commis aux écritures’) in de pannenfabriek van Marke en moest vooral de vertegenwoordigers opvolgen en de verzendingen in de gaten houden. Vanaf 1906 werd hij op eigen aanvraag vertegenwoordiger. Emile De Bruyne werd na veel heisa ontslagen en afgezet op 18 april 1907, nadat hij  de pannenfabriek had gedagvaard. Het proces werd steeds op de lange baan geschoven en duurde tot  in oktober 1912. Dumolin  nam in juni 1907 zelf ontslag en dagvaardde ook in 1908  de pannenfabriek, die sterk vermoedde dat het om een complot ging ….voor beiden een kwestie van commissielonen. Er zou een  diep en gedetailleerd onderzoek volgen ( meer hierover in een ander artikel).

     

    In een brief van 3 augustus 1907 van C. Nevejan aan Cl. Charvet werd melding gemaakt :” Une tuilerie dont les promoteurs sont De Bruyne et Dumolin va s’ériger  à Aalbeke, à proximité de la gare.”

    Kwaadwillig  gedoe vanwege de concurrentie, die niets anders deed dan de Markse producten  afbreken: “..agissements malveillants de la concurrence, qui ne fait que dénigrer nos produits. Je commence à me douter si Dumolin ne joue pas un rôle dans toute cette affaire.”( C. Nevejan aan Paul de la Croix , 28 augustus 1907).

     

    In juni 1907 bleek uit een brief van C. Nevejan gericht aan CL. Charvet dat men, gezien de verhoogde productie, moeilijk de provisie poeder (‘poer’) van slecht gebakken pannen kon aanvullen. Men was verplicht nu droog zand te gebruiken, niettegenstaande poeder  van afval van pannen beter ware geweest.

     

    C. Nevejan had vernomen dat een dochter van De Bruyne gesolliciteerd had als telefoniste in Kortrijk. Als dat zo was zou ze alle gesprekken met de klanten kunnen aanhoren en overbrengen aan haar vader. Alles moest in het werk gesteld worden om dat tegen te gaan ( C. Nevejan aan Paul de la Croix , 17 augustus 1907) .

     

    Emile De Bruyne stichtte op 26 september 1907, samen met Ernest Dumolin, de ‘S.A. Tuileries du Sterreberg’, het resultaat van een listig maneuver.

     

    Op 1 september 1907 werd Constant Nevejan , oorspronkelijk boekhouder,  zoon van een arts en familie aan Albert Baert , tot directeur-gerant benoemd in vervanging van De Bruyne.

    Hij zou  amper één jaar aanblijven,  want hij overleed in Marke op 1 november 1908. Zijn opvolger Toby Dandois (Farciennes 1867 –Marke 1933) kwam uit Brussel en zou hem opvolgen en de directeurswoning betrekken.

     

    In een brief van 16 april 1908 drong C.  Nevejan opnieuw aan, vooral om  concurrentiële redens,  om een verhoging van de lonen, vooral voor het personeel ,dat recht had van klagen, want men vreesde voor staking : “Eén centiem meer voor de grondwerkers (0,25Fr.per uur), bakkers 3Fr. per dag, de andere werklieden van de ‘warmtekamer’ in proportie van hun gedrag en rapheid. Kan niet voor ieder gelijk, volgens verdienste. De werklieden van het aardemagazijn, de persen en de drogerijen hebben niet te klagen. Ze hebben voordelen op de anderen.”

     

    ‘Sterreberg’ zou starten op Marke-kermis, maar moest  het uitstellen want een deel van een oven was ineengestort! ( C. Nevejan aan Cl. Charvet , 31 augustus 1908) .

    ‘Sterreberg’ startte op 17 september 1908 : “Vijf werklieden verlaten Marke voor ‘Sterreberg’ die vandaag start. Het zou te verwonderen zijn dat er geen anderen volgen. Wij zorgen onmiddellijk voor vervanging.”

     

    De beheerders van Marke hadden Polydore Benoot gesmeekt om geen werken uit te voeren voor ‘Sterreberg’. De gewiekste Benoot was akkoord doch wenste de winst (12.000Fr.) te krijgen , die hij zou verdienen, indien hij het toch uitvoerde ( C. Nevejan aan Cl. Charvet, 13 november 1907). Men had het voorgevoel, hem kennende, dat hij hierbij zijn vormmodellen zou verhuren en zo zonder moeite (‘sans coup périr’) op twee punten geld zou verdienen. Benoot sloeg de smeekbede in de wind!

    In november 1907 liep het gerucht dat Declerck ( schoonzoon van Petrus Renaux, stichter van ‘Pottelberg’) zijn gieterij aan de Staat  had  verkocht en een nieuwe pannenfabriek wilde bouwen. Het betrof hier de nieuwe fabriek van Pottelberg opgericht in 1910.

    Petrus Renaux had in juli 1908 een vraag gericht aan burgemeester Baron Emmanuel de Bethune  (+ 1909) in verband met het leggen van Decauville-sporen (smalspoor) in Marke. In oktober 1910 vroeg hij aan burgemeester Baron François de Bethune of een deel van het aardemagazijn op het grondgebied Marke mocht gebouwd worden (brieven 4 juli 1908 en 6 oktober 1910). Zo gebeurde het ook.

     

     

    Van in het begin kregen de aandeelhouders-handelaars elk een ‘operatiegebied’ of sector voor de pannenverkoop. Dat was niet de ideale gang van zaken ,want gelet op het commissiesysteem , was het verkoops-monopolie algauw  in handen van enkelen. Daarom besloot de beheerraad  4 vertegenwoordigers te zoeken voor gans het land. In 1908 werd een vertegenwoordiger gezocht voor de regio Brussel, waar nog niet veel te verdienen viel, want daar kende men blijkbaar slechts de concurrerende Hollandse pan. Door de nieuwe concurrentie was men van plan de prijzen te verlagen en zo de Hollandse pan verdringen ( C. Nevejan aan  Cl. Charvet , 28 september 1908 ) . De strijd was hard en Marke had niet genoeg aan 4 vertegenwoordigers, want ‘Sterreberg’ had er in 1909 al 5 , met “ Dumolin die overal zat” en ‘Pottelberg’ had er al 7 en wilde er nog bij (brief  van vertegenwoordiger René Schoot aan Cl. Charvet ,12 oktober 1909). Eind 1908 waren ook geruchten dat een nieuwe pannenfabriek het licht zou zien in Lauwe , de terreinen waren al aangekocht . Het ging hier om de firma ‘Van Enis et Allaert’, gesticht op 12 januari 1909, de latere ‘Tuileries  du Lauwberg’ ( gesticht in 1924).

    Opmerkelijk was  dat in 1911 zelfs Paul Kervyn de Meerendré (1882-1935) een edelman uit Brussel als vertegenwoordiger in Marke op proef werd aangesteld.

     

    Op 15 mei 1908 werden sonderingen gedaan  in Marke en Lauwe op  grond van burggraaf de Nieulant  et de Pottelsberghe (9) ( H. Iserbyt aan de burggraaf, 1 mei 1908)) . In Marke waren de hoeve ‘Ter Tollenaers’ en  , in de Preshoekstraat in Lauwe,de hoeve ‘Wyseur’  zijn eigendom. In Marke ging het om de percelen rechtover de hoeve Dendoncker , langs de zuidkant van de Rekkemsestraat tot de grens met Lauwe  .  Het  bedoelde perceel in Lauwe ,lag langs de Dronckaertstraat (verlengsel van de Rekkemsetraat) . Ook werd de goedkeuring  gevraagd voor het leggen van een smalspoor van 1000m. lang , waarvan 300m. in Lauwe ( C. Nevejan aan gemeentebestuur Lauwe, 5 augustus 1908) . Op 8 oktober 1908 wenste C. Nevejan  die laatste autorisatie nietig te verklaren, want het smalspoor zou gelegd worden op Lauws grondgebied, niet langs de openbare weg , maar  door de velden  . De burggraaf wenste een duidelijk plan van de percelen waar de pannenfabriek  zand  (zavel) zou willen ontginnen en ook van het tracé van het geplande smalspoor.

     De pachters Henri Vanderheeren in Marke en Wyseur in  Lauwe moesten immers schriftelijk hun akkoord laten geworden aan de eigenaar. ( notaris Arthur Guillemyn aan  H. Iserbyt 29 oktober 1908 ). Het definitief akkoord kwam er pas in januari 1910.

    In mei  1908 werd ook beslist een locomotief met stoom, nieuwe ‘berlientjes’ en stalen smalsporen te kopen bij de Fa. Koppel  (Duitsland) of de Fa.Decauville, vertegenwoordigd door Bazin uit Rijsel.  De beheerraad koos voor Decauville, omdat ze een betere ‘service’ had. Het smalspoor was bestemd voor de Rekkemsestraat langs de pachtgronden van de landbouwers Henri Vanderheeren in Marke en  Wyseur in Lauwe. De grondwerkers startten de voorbereidingen voor het leggen van het smalspoor in oktober 1908.

    De aankoop aan Bazin , die hier zelfs ter plekke kwam, vond plaats in februari 1909, prijs 24.500Fr.

    Op 23 juni 1909 begon men klei te delven op de ‘Lauwberg’ en werd voor het eerst de locomotief ingezet.

    Het vervoer van de klei naar het aardemagazijn met de ‘berlientjes’ gebeurde aanvankelijk  door paarden en zelfs door mannenkracht. De eerste ontginningsvelden lagen gelukkig naast de fabriek zelf.

    In mei 1910 werd een aanvraag ingediend bij ons gemeentebestuur om een smalspoor te mogen leggen in de ‘Keiweg’ vanaf de ‘Koekeberg’, tot de Rekkemsestraat met  autorisatie de straat te mogen dwarsen. Het smalspoor moest verbinding maken met het tracé in de Rekkemsestraat. Maar vooreerst werd ook gevraagd om de ‘Keiweg’ , die in een boog lag , recht te trekken.

     ‘Pottelberg’ trachtte  ook Malfeson, een van de beste vertegenwoordigers van Marke aan de haak te slaan. De strijd was hard!

    In november 1908 werd Arthur Maenhout, toen onderofficier bij het  1e  Artillerie Regiment  te Gent, benoemd tot hulp op proef bij Aloïs Vandewiele, de chef-fabricatie.

    Het jaar 1908 was een jaar van zoektochten naar nieuwe kleivelden in Lauwe. Enkele oude eigenaars wilden niet verkopen of verhuren ( C. Nevejan aan  Cl. Charvet 19 juni).

     

    De ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’ had ook een stand, met een assortiment pannen, op de wereldtentoonstelling in Brussel (van 23 april tot 1 november 1910). Ernest Acker (1852-1912) was toen de hoofdarchitect en ontwierp het Belgisch Paviljoen.

    In vele gevallen  gaf de concurrentie 35% korting. Door die verlaging van de verkoopprijs waren de winsten natuurlijk lager . Maar gelukkig had Marke immense réserves en haar producten waren van uitstekende kwaliteit (brief  op 22 maart 1910 van T. Dandois  aan administrateur Jules Vandermeersch i.v.m. de uitbreiding van de Beroepsschool in Roeselare onder econoom De Wispelaere). Marke was bereid om  40% korting toe te staan.

     

    Op 26 augustus 1911 werd  een aanvraag ingediend om een tweede spoorverbinding te leggen naar het goederenstation , vertrekkende langs de zuidkant  van de tweede vleugel.

    Aannemer Charles-Louis Lannoo (Heule 1854-Marke 1929) & Zonen uit Marke kreeg  in  1911  de opdracht om een derde vleugel bij te bouwen. De autorisatie door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen kwam er op 18 november .In april 1912 waren de werken beëindigd . De bakstenen voor de bouw van die vleugel  kwamen eveneens van de steenbakkerij  Alphonse Delecourt & Zoon uit Deûlémont.

     

    In 1911 werd gevraagd toe te treden tot een nieuwe creatie , namelijk een syndicaat van de pannenfabrieken van het Kortrijkse. Doch door haar vooraanstaande situatie tegenover de concurrenten wilde de Markse pannenfabriek zich afzijdig houden :” we zullen alléén kunnen vechten….”.

    De beheerraad in 1911:

    Joseph Nève , advocaat bij het Hof van Beroep Gent , voorzitter.

    Hector Iserbyt ,afgevaardigd beheerder.

    Pierre Rasson-Nys

    Louis Gesquière

    Paul de la Croix

    Benoit Van Trappen Gent (1861- Gent 1949).

     

    Bij de prorogatie van de maatschappij in 1930 bezat de pannenfabriek al  18 ha 13a 45ca in Marke en 13 ha 63 a 1ca in Lauwe. Toen werkten er al 300 arbeiders. 

     

    In 1968 fusioneerde  de pannenfabriek van Marke met de Steenbakkerij Ostyn-D’Haene , baksteenfabrikant uit Rumbeke, om samen de N.V. Ostyn-Marke te vormen. De pannen waren verleden tijd en de fabriek werd N.V. Ostyn. Nu stond hier op het einde van de jaren’70 een ultramoderne steenbakkerij.  Ostyn  verkocht de steenbakkerij aan de Terca-groep. In 1981 werd ‘Steenbakkerij Marke N.V.’ gesticht. In 1983 ontstond Koramic-Terca uit het samenwerkingsakkoord tussen steenbakkersgroep Van Biervliet (Terca) en groep Koramic (het vroeger Kortrijks Dakpannenkantoor). In 1986 werd de controle verworven over de Steenbakkerij Marke N.V. Op het einde van 1997 viel de steenbakkerij stil.

     

    1)Ferdinand Constant Iserbyt (gezegd Constant) werd geboren in Harelbeke in 1828 en overleed er in 1887. Aanvankelijk was Constant landbouwer, maar nadien richtte hij  rond 1870  op Overleie in Harelbeke een steenbakkerij op.

    Hector (Harelbeke 1860-1945), een zoon van Constant, was gekend zowel in Harelbeke als in Marke als ‘de Krikkeboer’, omdat hij een houten been zou hebben gehad. Na de dood van vader Constant zijn het de zonen Jules en Hector die de steenbakkerij in Harelbeke hebben voortgezet. Hun zuster Clotilde was getrouwd met Albert Jean Vandamme (Kortrijk 1859-1936) die in Kortrijk een mouterij had.

    In 1934 kwam een einde aan het steenbakken en verdween de steenbakkerij Iserbyt in Harelbeke, nadat ze al veel aan activiteit had ingeboet. De kleilagen en kleiputten raakten uitgeput.

     

    (2)Jules Carette (Kortrijk 1866- 1927) kreeg zijn architectenopleiding aan de Gentse Sint-Lucasschool in de jaren 1880. Zijn professionele vorming als architect ontving hij van Jean-Baptist Bethune (‘Jantje Gotiek’), een broer van Paul Valéry Bethune (Aalst), wat zijn band met de familie Bethune ontegensprekelijk versterkte. Hij had ook nauw contact met Emmanuel de Bethune, burgemeester van Marke van 1900 tot 1909.

    Hij was de bedenker en de schepper van een echte wereldprimeur nl. van de typische droogloodsen.

     

     

    (3)Emile De Bruyne (Westnieuwkerke 1862- Kortrijk 1913) was gemeenteonderwijzer in Kemmel en  trouwde er in 1885 met Marie Sylvie  , dochter van smid Charles Vandermeersch uit Kemmel. Zij hadden 2 dochters, Beatrice en Alma. Emile werd afgezet tijdens de liberale schoolstrijd in 1884. Hij bleef niet lang bij de pakken zitten , want al gauw kon hij aan de slag in de ‘S.A. des Tuileries du Pottelberg’ (gesticht in 1883), waar hij stielkennis opdeed omtrent het maken van mechanische dakpannen. Het dient opgemerkt dat in die periode vele bedrijven afgezette onderwijzers aantrokken, omwille van hun geleerdheid.  Van daar trok De Bruyne  naar de pannenfabriek van Louis Gesquière in Waasten. Hij was de eerste bewoner van de directeurswoning op het Kokuitplein.

    Zijn broer Jules De Bruyne  was ook gemeenteonderwijzer  in Westnieuwkerke. Hun ouders Constant en Sophie Stragier, waren herbergiers in Westnieuwkerke.

     

     

    (4)Louis Gesquière (Waasten 1858- Roumazières(Charente) 1943) was schepen van Waasten van 1896 tot 1910. Hij was oud-distillateur en suikerfabrikant. Oud - voorzitter van de geteisterden van de oorlog 14-18 en voorzitter van de beheerraden van de ‘Tuileries du Nord ‘en van de ‘Pas-de-Calais ‘te Watten (gesticht in 1912), van ‘Tuileries du  Pottelberg’ in Kortrijk. Hij was beheerder van de ‘Grandes Tuileries de Roumazières ‘ in La Madeleine-Les-Lille , en aandeelhouder van de ‘Tuileries de Beauvais’, van ‘de Littoral’ in Kortrijk en van de steenbakkerijen in Boom. Hij werd begraven in Waasten. In de almanak van 1896 maakt men melding van de pannenbakkerij van Gesquière en Cie in Waasten.

    Louis Gesquière was getrouwd met Hélène Lepoutre van Neer-Waasten (Bas Warneton). Hun dochter Marie-Louise trouwde met Jean Delecourt.

     

    De almanakken van Neer-Waasten (Bas Warneton) van de jaren 1862,1882,1896 en 1910 maken melding van de steenbakkerijen Lepoutre.

     

     

    (5)Baron Paul Bethune (Kortrijk 1830-Aalst 1901) verkreeg de eigendommen    door successie van zijn ouders Baron Felix (Kortrijk 1789- Kortrijk 1880) en Julie Adèle de Renty (Rijsel 1792 – Overhamme 1856) bij de verdelingsakten van 7 juni 1881.

    Verkregen van zijn echtgenote Adelaïde Eliaert (Aalst 1835-Aalst 1896) door akten van 13 december 1879 en 8 juli 1889. En verkregen door zijn kinderen voor een deel door successie bij het overlijden van hun moeder Adelaïde Eliaert.

    Baron Paul Bethune was advocaat aan de balie van Brussel. Hij vestigde zich te Aalst in 1856 , waar hij op 24 april Adelaïde Eliaert trouwde.  Gaston, zijn jongste zoon zou 20 jaar na Felix ter wereld komen.

    Cornelius Eliaert de vader van Adelaïde was eigenaar van het kasteel van Overham(me).

    Na het overlijden van Baron Paul Bethune:

    a/ Marie-Thérèse Bethune kreeg de hoeve (11ha97a6ca)  Delcour  (David) in de Pontestraat met gronden in Marke en Lauwe.

         -Pontestraat: gronden en weiden in Marke en Lauwe verhuurd aan   verscheidenen (2ha42a50ca).

         -Marke en Lauwe ,hoeve verhuurd aan Dubuisson(Lambrecht)(16ha70a15ca)

          Pontestraat.

         -Een huis en gronden, weiden en  bossen in eigen beheer (2ha73a75ca).

    b/ Gaston Bethune  kreeg  hoeve en gronden verhuurd aan Charles Louis Dendoncker en de Wed. Van   Elstraete ( 8ha 28a 2ca)  in de Rekkemsestraat. De hoeve Dendoncker  werd afgebroken in 1992.

      - Een huis verhuurd aan de Wed. Van Elstraete en een deel grond verpacht aan Cyrille Gheysen ,Pontestraat.

      - 4 delen bos in totaal 1ha 04a 17ca en een deel grond 86a 60 ca.

    Daarbij kregen ze ook nog goederen in andere steden en gemeenten.

    De andere erfgenamen ontvingen goederen in andere steden en gemeenten.

     

     (6)Polydore Benoot (Marke1856- Marke 1922)was de zoon van de afgezette Markse gemeenteonderwijzer Felix Benoot (Loppem1824- Marke 1887), tijdens de liberale schoolstrijd.

    Zijn dochter Rachel trouwde in 1921 met Michel Van de Wiele (Kortrijk 1892-1964).

     

    (7)Tot ongeveer 1949-50 werd een boerenpaard ingezet om de wagons met pannen naar het goederenstation te brengen. De stallen waren gelegen langs de Michel Van de Wielestraat, tegenover de derde vleugel. In 1950 werd een speciaal  rijtuig met benzinemotor ontworpen , op rubberen wielen, die door een inkeping pasten op de sporen. Hiermede werden de wagons met pannen  voort geduwd naar het goederenstation. Het toestel werd gebruikt tot 1961-62, daarna werden de pannen vervoerd met vrachtwagens ( vooral  vervoer Gerard Nuyttens ) of kwamen de kopers zelf.

     

    (8)Ernest Dumolin werd geboren in Sint-Denijs in 1882 en overleed te Kortrijk in 1972. Hij was de oudste zoon van Désiré en Octavie Ingels. Désiré was onderwijzer te Sint-Denijs en werd afgezet tijdens de liberale schoolstrijd . Hij werd als bediende aanvaard in ‘Tissage La Flandre’ te Zwevegem.  Zoon Ernest werkte ook een tijdje in ‘La Flandre’ .

    Ernest  Dumolin trouwde in 1915 met Ivonne (1892-1942) een dochter van Jules Vercoutere. Zijn broer Prosper (1891-1970)  trouwde met haar zuster Beatrice (1893 – 1980).

    Jules Vercoutere (1863-1925) was in de periode 1895-1914 de belangrijkste architect in Izegem. In 1901 werd hij aangesteld als eerste directeur van de Stedelijke Nijverheidsschool in Izegem.

     

    (9) André Hubaux (Boezinge 1909- Marke 1986) :In 1897 volgde Aimé Vanderheeren ( Meulebeke 1872- Marke 1954) op de hoeve  zijn vader Henri  (Izegem 1841-Marke 1915) op .Mijn moeder was een zuster van Aimé. Zo nam ik  in 1934 het roer over van mijn nonkel Aimé . De hoeve  (toen 45ha80ca groot) was eigendom van  baron Paul d’Udekem d’Acoz tot diens dood in 1952 via zijn vrouw burggravin Madeleine de Nieulant et de Pottelsberghe. Dochter Geneviève erfde het goed in Marke en zoon Pierre dat van Wyseur in de Preshoekstraat in Lauwe. Ik boerde er tot 1957, dan nam mijn schoonzoon Noël Beyls , die getrouwd was met mijn dochter Rosa, de zaak over. In de jaren ’60 (1965)  werden de gronden verkaveld (BPA Nieuwenhove) door Matexi.  De landweg die in rechte lijn liep van de Rekkemsestraat naar de hoeve, noemde men ‘De Zanddreef’”.

    Een klein stamboompje ter verduidelijking:

    De hoeve en het landbouwareaal waren rond 1840 eigendom van de familie della Faille. Ook de hoeve  Wyseur in de Preshoekstraat en die van Debo in de Dronckaertstraat  (op de westzijde naast de Preshoekstraat) in Lauwe waren eigendom van diezelfde familie.

    Auguste de Clerque, burggraaf van Wissocq trouwde met Marie-Françoise della Faille (einde 18e eeuw).

    Zoon, burggraaf (sinds 1816) François de Clerque de Wissocq trouwde met Eugénie della Faille d’Assenede. Hun zoon Charles (1816-1867), huwde barones Céline de Loën d’Enschede (1816-1856) en werd eigenaar van de hoeve en de ‘erfelijkheden’. In 1869 werd alles eigendom van  diens dochter Herminie (1843-1922), die trouwde met burggraaf François de Nieulant et de Pottelsberghe (1840-1912). Burggravin Madeleine de Nieulant et de Pottelsberghe (1868-1938), hun dochter ,trouwde in 1890 met baron Paul d’Udekem d’Acoz ( Gent 1865-1952).

    De gronden werden verkaveld door N.V. Matexi en de kinderen Vande Vyvere (Meulebeke): goedgekeurd 16 december 1965.

    De hoevegebouwen werden beschermd bij Ministerieel Besluit van 30 april 2004 onder de naam ‘Hof ter drie Gemeenten’.

     

    ARCHIEF  PANNENFABRIEK:

    Rapporten beheerraad van 1900 -1919.

    Uitgaande en inkomende briefwisseling van 1899 – 1910.

    Akten van aankoop  en verkoop 1899-1910.

    Annexen van het Staatsblad.

    Gemeentearchief Marke.

    Luchtfoto naar de Leie toe: beginjaren '70 van de 20e eeuw. 

    Luchtfoto viaduct : 1924















    <

    24-11-2016, 20:01 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    20-11-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. 'FLUGPLATZ MARKEBEKE'

    Onlangs werd het boek "100 jaar vliegen Wevelgem-Kortrijk 1917-2017" gepubliceerd. Auteur Guido Bouckaert.

    In een artikel getiteld 'Flugplatz Markebeke' staat het plan van het vliegveld Markebeke, dat van mijn BLOG overgenomen werd (Flugplatz Markebeke). Ook de tekst werd letterlijk overgenomen. Alles zonder bronmelding. Gemis aan respect.

    M.F.

    20-11-2016, 17:34 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    30-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DWANGARBEID als ZIVIL ARBEITER (Z.A.B.)

    DWANGARBEID ALS ZIVIL ARBEITER (ZAB)
    _______________________
    Het is opvallend dat er in deze jaren van herdenking tot nog toe weinig over onze gedeporteerden uit de Grote Oorlog is geschreven. Soldaten krijgen nu veel lof maar de als dwangarbeiders weggevoerde werkweigeraars mogen zeker niet in de spreekwoordelijke herdenkingskou blijven staan. Dat ook zij hun verdiensten hadden, was in 1918 voor koning Albert I al duidelijk. In zijn troonrede zei de koning-ridder over hen: “Ze zijn de zedelijke overwinnaars van de Grote Oorlog ”( woorden die menigmaal , tijdens toespraken aan het monument, door de woordvoerder van de gedeporteerden, werden herhaald). Dat ze geweigerd hadden voor de vijand te werken, werd officieel als een vaderlandslievende daad erkend bij koninklijk besluit van 19 augustus 1921, maar zij die de dwangarbeid overleefd hadden, kregen zeer moeilijk reële maatschappelijke erkenning. Nochtans verdienden ze die.
    Door Belgische arbeiders te dwingen om te werken in de frontlinie lapte het Duitse bestuur de bepalingen vastgesteld door de Conventie van Den Haag van 18 oktober 1907 aan zijn laars. De Conventie liet wel toe dat burgers verplicht tewerkgesteld werden in de onmiddellijke nabijheid van hun woonplaats.
    De inbezitneming door de Duitsers van de lijsten van de werklozen en steuntrekkers (Werkscheue) op het einde van het oorlogsjaar 1916, leidde al gauw tot het drama van de opeisingen en deportaties. Er was omzeggens geen grotere schok onder de burgerbevolking. De Markse opgeëiste jongens en mannen (87 in totaal) werden ingedeeld in zogenaamde ZAB (Zivil Arbeiter Bataillone) en ingezet in de streek van Verdun, op weinig benijdenswaardige plaatsen vlak achter het front langs de Hindenburglinie. In zeer slechte omstandigheden dienden ze zwaar labeur te verrichten. Ze werden in de Zivil Arbeiter Bataillone 31 en 32 ingedeeld en op 2 december 1916 naar Bouligny (ten noordoosten van Verdun) gestuurd. Richard Glorieux (molenaar) en Georges Casteleyn (voerman) werden door de Duitse overheid aangesteld om met paard en kar de plunjes van de werklozen naar Moeskroen te voeren. Hauptmann Hirt van de Etappenkommandantur Moeskroen gelastte zich met onze weggevoerden. In totaal waren er 34 Zivil Arbeiter Bataillone. ZAB 31 stond onder de bewaking van de 5de Kompanie van het 12. Landsturm-Infanterie-Ersatz-Bataillon van het IV. Armeekorps (later tot Landsturm-Infanterie-Ersatz-Bataillon Saargemünd omgevormd) en ZAB 32 onder bewaking van de 6de Kompanie van het 3. Landsturm-Infanterie-Ersatz-Bataillon Kassel-Niederzwehren (Wereldoorlog I Marke, M. en R. Faillie - Jan Vancoillie).
    De meesten van hen kwamen psychisch kapot en graatmager terug naar Marke, met ziekten en lichamelijke verwondingen die ze vaak voor de rest van hun leven met zich meedroegen.
    De Markenaars , slachtoffers van de deportatie:
    Leopold Decock (Marke 13-4- 1890 + Piennes 20-9-1917) (DECOOK LEOPOLD)
    Gustaaf Lefevere (Marke 8-1-1879 +Lamourière 16-12-1917)(LEFEVRE GUSTAVE)
    Joseph Degroote (Doornik 15-6-1890 + Bouligny 15-3-1917)(DEGROTE JOSEL)
    Henri (Hendrik)Desmet (Marke 21-8-1882 + Bouligny 20-4-1917)(DESMET HENRICH)
    Ze werden in 1924 ontgraven en herbegraven op het Frans Militair Kerkhof van Pierrepont Meurthe-et-Moselle (Fr.).
    De graven van René Dermaux (Marke 22-4-1882 + Bouligny 24-3-1917), René D’Hespeel ( Marke 31-8-1885 + Bouligny 18-3-1917), Leo Spriet (Moorslede 13-6-1884 + Bouligny 24-3-1917) en Achiel Vervaeke (Marke 10-10-1882 + Bouligny 24-3-1917) werden nog niet teruggevonden.
    Achiel Allewaert (Marke 27-12-1877), wiens naam op het monument van Markeplaats gegraveerd staat, stierf in Marke op 10-4-1920 en werd hier begraven op het kerkhof , toen nog gelegen rond de kerk (zie foto). Merkwaardig detail: zijn naam staat niet vermeld op het gedenkteken aan de kerk.
    Polydor Cottens ( Marke 19-4-1874), die niet opgeëist werd in Marke ,overleed op 28-3-1917 in Bouligny. Hij was de zoon van Ivo en Ursula Allaert en trouwde te Aalbeke in 1912 met Ludovica Vandaele. Nergens is een spoor te vinden van zijn graf.
    De vrijwillige arbeidskrachten in de werkkampen in Duitsland hadden het minder hard te verduren. In 1917 beschuldigde een Vlaams blad dezen zelfs ervan oorlogsprofiteurs te zijn, maar het dient gezegd dat de voedselschaarste velen van hen ertoe dwong hun - haast letterlijke - boterham te gaan verdienen in Duitsland.
    De Nationale Federatie ZAB Afdeling Marke werd in 1923 gesticht. Maurice Steelandt (+1949) en Achiel Vanlaecke (+1951) waren respectievelijk de eerste voorzitter en secretaris. Het lokaal van de ZAB was toen het café “Au Tissage” in de Marktstraat.
    De ZAB Afdeling Marke was wel aanwezig bij de inhuldiging van het monument op Markeplaats.
    Maurice Steelandt, voorzitter van de ZAB-afdeling Marke , hield op zondag 2 december 1923 (dag op dag zeven jaar na de wegvoering in 1916) aan het toen pas opgerichte oorlogsmonument een wrange en wrokkige toespraak, waarvan hier een transcript van het originele document volgt (de schrijfstijl werd niet aangepast).
    “Waarom? Wij ons lieten opeischen : liever dan gewillig voor den vijand te werken.
    Medeburgers
    Makkers
    Herinnert gij u nog dien tweeden decemberdag van het jaar 1916, den dag der wegvoering. Als we dien killigen morgen opstonden, had moeder de natuur de aarde overdekt met een wit tapijt, ’t was alsof zij er zelf getuige wilde komen van zijn, van het onrecht en het vreeselijke, dat dien dag ging gebeuren met de jonge mannen, die hier door dien bezettende vijand vastgeknept waren. Maar wij ook voelden al eenigen tijd, dat er een zware atmosfeer boven onze hoofden hing, en dat den overweldiger wel eens den eenen of den anderen dag zijn slag zou slaan in dat jonge volk die hier nog overgebleven was en onze gedachte was daarover nog meer gesterkt geworden, omdat hij gedurende de zomermaanden van datzelfde jaar om vrijwillige arbeiders had gevraagd en dat hij ze tegen hoog verlokkende loonen had willen aanwerven, dewelke hij in zijne verordeningen met plakbrieven aan de muren hing! Om alzo het Belgische volk hier te kunnen gebruiken aan de voorbereiding van zijne legers en ook nog wel om in zijne achterste linies te helpen! Om dan zoodoende zijn soldaten in nog meerdere getalle tegen onze legers te kunnen aanstuwen, om de verbondene te doen sneuvelen en verpletteren. En dat alles was een van die groote krijgsplannen van hunnen Ludendorf en Hindenburg [noot: In augustus 1916 vervingen Ludendorff en von Hindenburg von Falkenhayn in de Oberste Heeresleitung. Ludendorff was een hevig voorstander van de verplichte tewerkstelling van de burgerbevolking. Vanaf 3 oktober 1916 werd in Etappen- en Operationsgebiet een Verordnung uitgevaardigd die dwangarbeid beval.], de bevelhebbers die zich niets ontzagen en geene offers spaarden, als zij onze troepen maar konden doen wijken en vernietigen. Maar ze hadden op die hardnekkige koppigheidt van ons volk hier niet gerekend; ze wisten wel dat we geene wapens hadden om ons tegen hen hier te verdedigen. Maar wat ze niet wisten was dat wij uit verdediging hen alle vrijwilligen arbeidt zouden geweigerd hebben. En ’t is toen als die Duitsche Oversten dat begonnen in te zien dat ze woest zijn recht gesprongen en uitgeroepen hebben: ach! Wij zullen ze als slagvee doen wegvoeren en als boeven behandelen. En alzoo is het dan verder met ons vergaan ook nietwaar kameraden. Maar waarom lieten we ons als slagvee wegvoeren? En waarom lieten we ons ginder afladen achter dat zo bloedende Verdun, gelijk het toendertijd was. En waarom lieten we ons daar als boeven behandelen totdat den eenen na den anderen van ontbering en uitputting stierven, ja waarom hebben wij dat droevig lot verkozen boven dat hooge loon en het vrijwillig werk alhier. Maar neen dat kon niet zijn dat wij zoo maar die eersten zouden geweest zijn die hier vrijwillig het werk opnamen die tegen onze legers gericht was. En ten tweede wij wisten en hoorden het maar al te goedt hoe onze soldaten gindsch in het modder en slijk nog gansche dagen overgoten wierden door ’s vijands moordend vuur van zijne kanonnen geweren en mitraljeuzen. En ’t was ook nog juist datgeene dat er een der onzen die ginder een der eersten gestorven is nog uitriept den avond voor dat hij stierf, ach hij die daar onze jonge aller Vriend was en pas nog maar 20 lenten telde. Wij waren er met een paar Vrienden nogeens bijgerocht dien avond in dat krothospitaalken waarin hij was ondergebracht en die in de omheining van ons Lager gelegen was. En van als we hem daar zagen liggen bemerkten we aanstonds dat de dood reeds om zijn wezen speelde. Maar toen hij ons naar hem zag naderen stak hij zijne beide handen naar ons toe. En met een kleine glimlach zegde jok ons: wat ben ik blijde u nog eens te zien. En dan zegde hij nog verder: ’t is toch wreed nietwaar beste Makkers nog zo jong en hier al te moeten sterven en bijna niet wetende waarom. En toen richtte hij zich nog ’t halven op greep onzen arm vast en zegde nog dit laatste: maar ’t is nog beter alzoo dan die eeuwige schande te moeten lijden dat wij vrijwillig voor onze beulen gingen werken, want dat werk die toch maar alleenlijk tegen onze soldaten gericht was en waartoe onze broeders en Vrienden ook behoren; neen dat mocht niet. En dan liet hij zich weer nedervallen om niet meer op te staan, want ’s anderendaags kwam men ons al zeggen uw jonge Makker is al dood. En alzoo is het met zij, onze duurbare Vrienden ginds zoo vergaan, ja zij wier namen hier op dien gedenksteen gebeiteld staan naast die van onze Broeders Oudstrijders, ja zij allen die ginds gestorven zijn zijn met zulke prevelingen op de lippen heengegaan, doch al goed wetende dat onze misdaad maar enkel deze was dat wij ons liever lieten opeischen en wegvoeren dan vrijwillig voor dien vijand te werken.”
    Vanaf 1925 hield Désiré Verplaetse (+1931), bestuurslid, de traditionele toespraken.
    Al in november 1918 werd door de procureur des konings van Kortrijk een vragenlijst gestuurd in verband met “de schending van de mensenrechten door het Duits leger”. Ons gemeentebestuur stuurde die in maart 1919 terug , vergezeld van bewijsstukken en getuigenissen en met melding van de duur, in dagen, van de ontvoering. Op 28 maart 1919 werd door het gemeentebestuur een lijst opgemaakt “met de inlichtingen betrekkelijk de personen die door het Duitsch bestuur tegen hunnen wil ontvoerd en tot arbeid verplicht werden.” Ook de aard van de ziekte of gebrekkigheid werd erop vermeld.
    In augustus 1919 werd door ieder opgeëiste een” aanvraag tot vaststelling van schade aan personen” getekend. Hiervoor voorzag men drie verschillende documenten :
    1/ voor de gedeporteerden ,die lichamelijke schade, wonden, gebrekkigheden of ziekten opliepen.
    2/ voor zij die noch ziekte, noch verwondingen, noch gebrekkigheden opliepen.
    3/ voor zij die door gewelddaden van de vijand overleden.
    Op 13 juli 1919 had in Kortrijk een grote betoging plaats . Het “Volksrecht” citeert (de schrijfstijl werd behouden): “…Verschillige duizenden opgeëischten uit tal van omliggende gemeenten hebben in de straten van Kortrijk voor hunne rechtmatige eischen betoogd. De stoet werd door verscheidene muziekkorpsen opgeluisterd, waaronder de socialistische harmonie ‘Het Volksrecht’ van Kortrijk. De talrijke toeschouwers konden hun ontroering niet verbergen toen ze de slachtoffers van het Duitsch barbarisme met de gele armband zagen voorbij marcheren. Banderollen werden in de stoet gedragen, die hunne eischen weergaven. Er was onder andere te lezen ‘hulde aan de honderden slachtoffers begraven op de kerkhoven van Frankrijk’….gansche dagen slavenwerk aan 30 pfenningen met weinig eten en vele mishandelingen, Duitschland moet betalen. ‘Wij willen geen aalmoes, maar volledige vergoeding van Duitschland’. De invalieden waren vervoerd in auto.”
    Toespraken en pleidooien werden gehouden, waarin de rechten van de gedeporteerden werden erkend. Ze hadden immers geweigerd hun land en volk te verraden. Op de regering rustte de plicht tussen te komen! De sprekers waren : Louis Lemaitre, secretaris van de Federatie van Weggevoerden van het arrondissement Kortrijk – Arthur Catteeuw (katholiek) eerste volksvertegenwoordiger kristen werkersverbond – Joseph Vandevelde (socialist) volksvertegenwoordiger Moeskroen - Deconinck (liberaal) – Ernest Reynaert (katholiek ) – August Debunne (socialist) en Robert Gillon (liberaal).

    Kort na de oorlog vroeg “ de bond van de opgeëiste werklieden” aan het gemeentebestuur een voorschot op de vergoeding die door de wet van 10 juni 1920 toegekend werd aan de burgerlijke slachtoffers. In de gemeenteraadszitting van 11 januari 1920 was al beslist dat een voorschot van 150Fr. uit de gemeentekas zou betaald worden aan zij die erom vroegen. Maar ze moesten die terugbetalen aan het gemeentebestuur zodra (“ten bekwamen tijde”) ze het ontvingen van de staat (zie formulier). Op 10 mei 1920 schonk het gemeentebestuur aan ieder gedeporteerde en aan de weduwen van overledenen : 3m50 kleergoed , 1 paar schoenen, 1 deken, 1 paar sokken en 1 paar handschoenen of 1 kiel. Voor de ontvangst van dat aalmoes moesten ze ook hun handtekening zetten . In april 1922 werd door de rechtbank voor oorlogsschade te Kortrijk het vonnis geveld , waarbij beslist werd dat ieder Marks slachtoffer 50 Fr. maal het aantal maanden deportatie zou krijgen. Duitsland had immers aanvaard 6Fr. per dag gedwongen arbeid te betalen aan de gedeporteerde.

    Na de oorlog heerste onder de opgeëisten nog lange tijd een grimmige sfeer, die maar geleidelijk zou uitdoven. De eerste jaren negeerden de gedeporteerden de 11 Novemberhulde en brachten , afgezonderd, een eigen bloemenhulde aan het monument op 'hun' verjaardag : de eerste zondag van december. In 1928 kwam toch verandering:”…..”misschien zal het u verwonderen dat de Opgeëischte werklieden van Marcke,nu, samen met hunne Makkers de Oudstrijders en Burgerlijke Slachtoffers het 11e novemberfeest herdenken…”(zie brief) zo luidde de inleiding van de toespraak aan het monument. De bloemenhulde van de eerste zondag van december werd behouden en ging gepaard met een mis voor de overleden opgeëisten. Daarna volgde een algemene vergadering in het lokaal “Au Tissage” in de Marktstraat.
    De gedeporteerden voerden ook een lange strijd tegen de opeenvolgende nationale regeringen om te bekomen waar ze recht op hadden. “De gedeporteerde moet genieten van de wetgeving die een bijzonder recht toekent aan de slachtoffers van de plicht. Het kan niet dat de gedeporteerden verschillend behandeld worden!”, zo luidde hun protest (dat bekend stond als 'de kwestie van de 144 miljoen'). Onze gedeporteerden waren de mening toegedaan dat zij slachtoffers waren van een ware plundering door de regering. Zij waren slachtoffers van de plicht! Ze hielden voet bij stuk en in 1928 werd door elke opgeëiste een aanvraag ingediend voor dat recht . En dat die strijd nodig was, is duidelijk: pas veel later, toen een groot deel van hen al overleden was, werd wettelijk orde op zaken gezet. Ter illustratie een uittreksel uit een toespraak in 1938 : "...wanneer wij gelijke rechten hebben op dit monument, waarom dan krijgen wij dezelfde rechten niet in zoovele andere zaken waarvan de Oorlogsslachtoffers genieten....Het is toch onze schuld niet dat men ons weggevoerd heeft, hadden wij aan de zijde onzer medebroeders op de slagvelden mogen strijden dan waren wij niet in die slechte kampen terecht gekomen. Ondanks dat alles kunnen onze parlementairen nog geene vergoeding of gelijkstelling schikken met de oudstrijders of dat ze ten minste de uitkering van de 144 millioen doen verwezenlijken die onze regering van Duitschland bekomen heeft....".
    Richard Vandendriessche, (opgeëiste + 1985) vertelde mij dat hij sinds 1969-1970 alle drie maanden 500Fr. kreeg “mijn wedde die ik indertijd in Frankrijk heb verdiend. De staat werd een bedrag van 144 miljoen toegekend om aan alle opgeëisten de uitkering toe te laten”.
    Michel Desmet (+ 1999)( zoon van Kamiel, opgeëiste + 1971): “mijn vader kreeg voor de eerste keer smartgeld op 31 december 1969. Hij kreeg 500Fr. per trimester. Pas in 1966 kwam er een wetsbepaling in voege i.v.m. het indienen van een aanvraag om te kunnen genieten van de “rente voor gedeporteerden”.
    Jules Verplaetse ,(opgeëiste + 1985), ontving driemaandelijks het krantje “De Opgeëiste Z.A.B.”.Het kon vergeleken worden met “Het Strijdersblad”. Toen de afdeling Marke stilaan, bij gebrek aan leden, wegdeemsterde woonde Jules de vergaderingen bij van de afdeling Kortrijk in café “Au Casino” in de Doorniksewijk te Kortrijk.

    De Nationale Federatie der Weggevoerden Afdeling Marke telde bij het begin 70 leden. De rest (16) was elders lid. De leden kregen het krantje "De Opgeëiste Z.A.B.". Na de oorlog ontvingen de gedeporteerden - sommigen wel, anderen niet - bij koninklijk besluit een "erekruis der gedeporteerden"(zie afbeelding) . Het art.2 van het K.B. van 27 november 1922 “weigerde het kruis der weggevoerden te geven aan de mensen, die op het ogenblik van hun deportatie, om reden van hun leeftijd, de zedelijke verplichting hadden het vaderland te dienen”. Het was immers beledigend de jonge gedeporteerden aan te zien als hebbende gefaald in hun plicht. Die beperking heeft tot veel tegensputteren geleid. In 1926 werden de opgeëisten opgeroepen voor het ontvangen van hun ereteken (zie folder).
    Foto graf van Achiel Allewaert:
    Vlnr.: Marguerite-André-Augusta Desmet-Jozef-Maria-Albert en Georges.

    Foto : Richard Vandendriessche prijkt boven zijn opeisingsnummer.
    Bronnen:
    ZAB-afdeling Marke. Persoonlijk archief.
    Wereldoorlog I Marke, 1984: M. en R. Faillie (blz. 201 tot 215).
    Marke, voor, tijdens en na de “Groote Oorlog”, 2013: M. Faillie en F. Decock

















    30-09-2016, 12:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    10-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een Spoorweg door Marke. Wanneer de trein bleef 'stille' staan.VERVOLG.

    (1)De familie Ghelein was eigenares van de hoeve van 13ha 07a 80ca ,gelegen op de westelijke hoek van de Aardweg en de Rekkemsestraat. De hoeve was toen in gebruik door Constantia Maes, weduwe van Ignatius Steenhuyse.
    Samenstelling van de familie Ghelein:
    1/Anna Francisca Bouve, weduwe van Joannes Jacobus Ghelein, notaris in Poperinge.
    2/Désiré Joseph, notaris in Poperinge.
    3/ Joannes Josephus, grondeigenaar te Poperinge, echtgenote Julie Bouleanger.
    3/Emelie , echtgenote van luitenant kolonel Pieter Servaes, militair intendent ,onderdirecteur bij het ministerie van oorlog , Brussel.
    4/Auguste, ontvanger van de Burgerlijke Godshuizen te Poperinge.
    5/Adèle, kloosterzuster in Poperinge.
    6/Melanie, echtgenote van Amand Comyn, vader, brouwer in Poperinge.
    7/ Aimé, priester in Poperinge.
    8/Clémence, echtgenote van Amand Comyn, zoon, brouwer te Brugge.
    De Gheleins zagen zich genoodzaakt de hoeve in 13 loten te verkopen op 11 februari 1843. De omwalde hoeve zelf (1e lot), bestaande uit woonhuis, schuur, koeien- en paardenstallen, wagenhuis en ovenbeur, hofplaats en land had een oppervlakte van 1ha 86a 80ca. Die werd gekocht door Petrus Holvoet, landbouwer op Kortrijk-Buiten gehucht Sint-Anne.
    Vanaf 1921 tot 1927 waren Evarist Holvoet- Alida Vanhoucke, ouders van Maurits, de laatste bewoners en eigenaars .De omwalling werd gedempt met vuilnis (vuilnisbelt) tussen 1921 en 1923. Holvoet verkocht het ‘hoveke’ ( er kwam ook een ruiling van grond bij te pas) aan Gustaaf Lannoo die er in 1927 een villa bouwde. De villa staat op de vroegere schuur en koestal. Het andere gedeelte werd ingenomen door de ceramiekfabriek.

    (2)Petrus Josephus Algoed (Marke 1812 + Marke 1879) was getrouwd met Florentine Nys (Aalbeke 1801 + Marke 1848). Hun zoon Edouard werd vermoord op 15 maart 1863 op de hoek van de Kerkdreef (Markekerkstraat) en de Rekkemsestraat ( hoek ‘ De Loco’) ( zie artikel ‘De Moord op Edouard Algoed 1863’).

    (3)Vanaf 1901 werd door de het gemeentebestuur een overeenkomst gesloten met de pannenfabriek van Marke (gesticht in 1899) voor levering van pannenafval.
    In 1886 werd de Marktstraat gekasseid door Raymond Lommens uit Zwevegem. Voerman Adolf Vanhee-Delbeke uit Kortrijk haalde 32 wagens kasseistenen af, ieder van 10 ton , aan het station te Kortrijk.
    In juni 1910 werd door de minister van Landbouw Schollaert het kosteloos vervoer toegestaan van 200 ton ballast voor verharding van onze wegen. De ballast ( steenslag uit de porfiergroeven van Lessen) werd geladen in het station van Lessen en gelost aan het station van Marke.

    (4)Baron Paul Bethune ( 1830-1901) was de zoon van Felix (1789-1880). Hij was senator in Aalst van 1870 tot 1901.
    Hij was eigenaar zowel van een strook ten noorden ( nu Hermelijnstraat) als van ten zuiden ( goederenstation) van de ‘ijzerweg’. Hij bezat grond ten westen en ten oosten van de Pontestraat. De hoeven van Isidore Delcour ( later David) en de kinderen Dubuisson (later Lambrecht) langs weerszijden de Pontestraat aan de oevers van de Leie waren zijn eigendom.

    (5) Leopold Van Belleghem overleed op 10 juni 1898 en was burgemeester sinds 1878. Na het overlijden van Leopold Van Belleghem werd Baron François de Bethune waarnemend burgemeester tot de benoeming van Baron Emmanuel de Bethune op 21 december 1899. Baron Emmanuel was burgemeester tot zijn overlijden op 19 juli 1909. Hij was ook burgemeester van Oostrozebeke van 1895 tot 1899.

    (6) In 1839 hadden de verschillende tarieven betrekking op het gewicht van de lading, het aantal kubieke meters en of ze al dan niet in een speciaal konvooi dienden te worden verzonden. Het stukgoed werd later onderverdeeld in: expreszendingen, ijlgoed en postcolli.

    (7) ‘De leiding van het treinverkeer hangt in hoofdzaak af van een bijzonder bediende ,‘dispatcher’ genaamd, die op ieder ogenblik over al de elementen moet beschikken voor het handhaven van de geregelde gang van de treinomloop of om deze te herstellen. Het is dus noodzakelijk dat de ‘dispatcher’ van uit de posten, waarmede hij bij middel van het ‘dispatchingtoestel’ in verbinding staat, regelmatig en zonder uitstel ingelicht worde over de rit of stand der treinen, voorvallen, ongevallen enz., in een woord over al de feiten die de regelmatigheid van de treinomloop kunnen beïnvloeden. Op elke oproep van de ‘dispatcher’ moet onmiddellijk geantwoord worden ‘Blok 10 Marke is aangeduid voor de aankondiging van alle goederentreinen in beide richtingen, met voorziene stilstand te Marke. Deze mededelingen dulden geen uitstel, ze moeten dadelijk en ambtshalve geschieden….’ ( Uit “Consigne over het gebruik dispatchingtoestel” van Blokpost 10, 3 juli 1951, getekend Van Loocke).
    Al op 26 oktober 1945 vroeg ons gemeentebestuur aan de NMBS om de vereiste plannen voor te leggen van de werken die zouden uitgevoerd worden voor de uitbreiding van het vormingsstation op ons grondgebied. Bij die uitbreiding was sprake van de brug aan de Aardweg te dempen en ook een nieuwe straat aan te leggen tussen de hoek Kortrijkstraat (Markebekestraat) en de Bissegemstraat (Overzetweg) naar de Aardweg, met verdere verbinding langs deze weg naar de Statiestraat (Michel Van De Wielestraat), over de overweg aan het station. Een petitie van 1951 werd door de omwonenden weggewuifd. Uiteindelijk werden 73 eigenaars onteigend van een deel van hun gronden.

    (8)Charles Louis was eerst ‘garde bij de ijzerweg’ aan de Pontestraat. Sidonie Vanhoenacker, de dochter van Charles-Louis en Nathalie Daels, was getrouwd met metsersbaas Cyrille Vanacker. Zij baatten vanaf 1887 café “Het Hof van Brabant”uit.
    Jules Vanhoenacker (1857-1893), zoon van Charles Louis, was cafébaas ‘In de IJzerenpoort’. Diens vrouw Sylvie Deboosere baatte het café verder uit na zijn dood.

    (9) Victor Vansteenberghe was familie aan de d’Hespeels. Op 4 april 1916 werd Victor Vansteenberghe gevangen genomen door de Duitse geheime politie, die zetelde in de Palfijnstraat nr.22 te Kortrijk. Hij was verdacht van spionage. Na 5 maand en 12 dagen gevangenis in Gent werd hij als ‘gefärlicher Kerl’ naar het kamp van Sinnelager bij Paderborn gestuurd en moest er in onmenselijke omstandigheden werken. Daar werd hij op 22 november 1918 vrijgelaten en is op 6 december 1918 heelhuids thuisgekomen (zie ‘Wereldoorlog 1 Marke’ van M. en R. Faillie, blz.199 en 200).
    Alfons Rosseel (°1908):”Jules Rosseel, mijn oom, woonde aan het ‘Haantje’ en was machinist. Zijn vrouw was overwegwachtster. Jules stond in contact met Victor Vansteenberghe, die baanwachter was te Marke. Jules reed met wagons naar het front en die kreeg bij zijn doortocht vele inlichtingen, brieven en missieven van Victor. Jules bracht die op de een of andere manier tot bij de geallieerden.”

    (10) De kinderen Verspaille :
    1/Philomène – 2/Auguste – 3/Gaston – 4/ Emma – 5/Felix allen
    landbouwers en eigenaars in erfpacht van de hoeve ,eigendom van de
    Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk. Tersille was getrouwd met
    Theophiel Vanhoutteghem.

    (11) De Statiestraat werd opengesteld in 1902. En veranderde respectievelijk in 1968 en 1981 in Stationsstraat en Michel Van De Wielestraat.
    Ik verwijs naar het artikel “Het Stationsplein en Het Nieuwkwartier” in de dorpskrant van februari 1995 : door het ontstaan van de Statiestraat (Michel Van De Wielestraat), de pannenfabriek en het station , zagen tal van cafés het levenslicht: in de Koedreef : “De Zalm” - “A la Gare” – “In de Wachtzaal”- “Den Ouden Tijd”; in de Statiestraat : “De Pannenfabriek” – “La Providence” – “De Weegbrug” – “Rubens” – “Sint-Pieter” – “In ’t Nieuw Kwartier”(hoek Rekkemsestraat en Statiestraat) ; aan het Stationsplein : “Conciergerie” (naast ingang pannenfabriek) – “Café Français” (op de hoek van Koedreef en Stationsplein).

    (12)Het wit zand werd gebruikt om de oven binnenin te bekleden, anderzijds was er steeds vers vormzand nodig voor de gietvormen. Oorspronkelijk was dat mooi wit zand, dat met oud zand vermengd werd.
    ____________________


    Wat uitleg in verband met het onteigeningsplan: het zuiden staat
    bovenaan en het noorden onderaan. Dus de Leie ,die in het noorden van de
    gemeente loopt, staat op de plannen in het zuiden .Om praktische redenen
    heb ik het plan gesplitst in twee delen.
    a/Onteigeningsplan, fragment vanaf Markebeke tot hoeve Ghelein ,op de
    de hoek van de Aardweg.
    b/Onteigeningsplan, fragment oorspronkelijk tracé ,vanaf hoeve Ghelein
    tot Lauwe. In 1843 werd een gedeelte verlegd ,in boogvorm vanaf
    de hoeve Ghelein tot de overweg 107, aan de Pontestraat (zie
    onteigeningsplan).

    1/ foto station 1981 (R. Faillie).
    2/ Foto afbraak station maart-april 1985.
    3/ Stationschef Augustin Vanderbauwede.
    4/ Stationschef Remi Van Coillie op het perron anno 1946 (N. Van Coillie).

    5/Laden van pannen op de loskoer van de pannenfabriek rond 1926.

    6/ Beeld omstreeks 1951 vanaf Leieweg (toen nog een smalle weg): links het spoorweghuis of de ‘maisonette’; erachter het station en midden en rechts schoorstenen van de pannenfabriek…alles is nu verdwenen.

    Met dank voor de bereidwillige hulp van mijn broer Roger en van Nestor Van Coillie.























    10-08-2016, 13:44 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    Archief per week
  • 08/05-14/05 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!