NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Marke
Inhoud blog
  • 100 JAAR VLIEGVELD MARKEBEKE
  • DE BUNKER OP DE MARKEBEKE in MARKE.
  • DE BRIEF DIE SCHOOLMEESTER EMIEL DEBEURME DE NEK BRAK.
  • MARKE IN DE EERSTE WERELDOORLOG. Uit het schrift van Maurice Holvoet.
  • DE HANDBOOGGILDE SINT-SEBASTIAAN VAN 1836 TOT DE TWEEDE WERELDOORLOG.
  • DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT.
  • DE JASTA 10 IN MARKE.
  • EHRENFRIEDHOF NR.179 - Een Duitse militaire begraafplaats in Marke
  • HET RECHT TREKKEN VAN DE BUURTWEG Nr.5 OF DE VAGEVUURSTRAAT.
  • DE GEDENKPENNINGEN VAN F.C. MARKE
  • DE PANNENFABRIEK of 'S.A. DES TUILERIES DE MARCKE-LEZ-COURTRAI. Het eerste decennium.
  • 'FLUGPLATZ MARKEBEKE'
  • DWANGARBEID als ZIVIL ARBEITER (Z.A.B.)
  • Een Spoorweg door Marke. Wanneer de trein bleef 'stille' staan.VERVOLG.
  • Een Spoorweg door Marke. Wanneer de trein bleef 'stille' staan.
  • DE BOERENKRIJG IN MARKE (BIJVOEGSEL)
  • DE BOERENKRIJG IN MARKE.
  • HET EEUWFEEST VAN DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID.
  • BOOGSCHIETEN OP LIGGENDE WIP: DE LEERZESCHUTTERS.
  • JAMES H. BIRTWELL - EEN KACHEL WERD HEM FATAAL.
  • DE GESCHIEDENIS VAN DE SCHUTTERSGILDE SINT-BARBARA TOT HET EINDE VAN DE 19e EEUW (2)
  • DE GESCHIEDENIS VAN DE SCHUTTERSGILDE SINT-BARBARA TOT HET EINDE VAN DE 19e EEUW.
  • HET ONTBREKEND OORLOGSVERSLAG.
  • een Granaatinslag op 16 maart 1944 in het Klooster van Don Bosco (Kortrijk)
  • DUIVEN ,GEËERDE KOERIERS IN OORLOGSTIJD
  • Een Vrouw dood gevonden in Marke in 1908
  • Een schrikkelijke Moord in 1905
  • Het Oorlogsdagboek van Jean Verhoye (8 jan.1917 tot 30 juni 1917)
  • Een Onopgehelderde Moord in 1908
  • De Wielrijdersgilde (Veloclub) St. Catherine
  • DE TONEELGROEP "GEEN RIJKER KROON DAN EIGEN SCHOON"
  • De Toneelgroep "ONTWAKENDE JEUGD",
  • HET TONEELGEZELSCHAP "PALLIETER"
  • DE MOEIZAME OPRICHTING VAN HET OORLOGSMONUMENT OP MARKEPLAATS
  • De Toneelkring "Door Taal en Deugd naar Hooger Leven" had een dubbele Taak
  • HET ONDERWIJS IN MARKE TOT EINDE 19e EEUW
  • De Lijst van Cafés in 1941
  • HOE BELEEFDE MARKE 1940-45
  • PLAN met DE KOEKEBERG en TRACE van de SPOORWEG
  • De Kortrijkse Burgerwacht houdt schietoefeningen aan de Koekeberg in Marke
  • De Popp-kaart en de Legger van Marke
  • Het Pionierswerk van Pater Emiel Callewaert
  • Van Café tot Café in Marke
  • Van "Maetschappij van Rhetorica" tot "Alles met den Tijd"
  • Onze Markse Lieve-Vrouwkapelletjes
  • De Markse Cafés in 1914
  • Honderdjarige Regina-Sophie Bels ingehuldigd op 8 sept.1907
  • De Moord op Edouard Algoed in 1863
  • De Moord op Laurent Theys in 1918
  • De Zaak van Marcke 1894 annex
  • De Zaak van Marcke 1894
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 1
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 2
  • De Turngilde "Voor Outer en Heerd" Deel 1
  • DOOR DEN KOP GESCHOTEN
  • Flugplatz Markebeke
  • Verordening caféhouders 1917
  • Een stoomtram doorsnijdt Marke
  • Oorlogsgedenktekens in Marke
  • Marke onder Duits regime.
  • Een misvatting over Manfred von Richthofen
  • Het eerste Jagdgeschwader in wording
  • DE NIEUWE DRIEDEKKER FOKKER DR.I IN MARKE

    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     


    29-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.100 JAAR VLIEGVELD MARKEBEKE

    Op 23 en 24 september tentoonstelling "100 jaar Vliegveld Markebeke" in de voormalige Kringloopwinkel.

    Op 26 en 27 augustus had het feest plaats van "100 jaar Vliegveld Kortrijk-Wevelgem".

    Ik kreeg een foto voorgeschoteld, die aan de ingang van het vliegveld van Wevelgem geëxposeerd was.

    Naast die foto plaats ik deze die op het vliegveld van de Markebeke (Flugplatz Marckebeke) genomen werd. Generaal Erich Ludendorff bezocht op 19 augustus 1917 de Jasta 11. Op de foto ook Manfred von Richthofen. Op de achtergrond de hoeve Bekaert en ook de kerk van Bissegem.

    Wat een lef om onder de foto 'Flugplatz Bisseghem' te plaatsen !!!. 





    29-08-2017, 18:46 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    12-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BUNKER OP DE MARKEBEKE in MARKE.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Onlangs kreeg ik het bezoek van de heer Freddy Vandevoorde en zijn vrouw Anja, die op de Markebeke wonen. Freddy is van plan een grootse tentoonstelling met rondleiding te organiseren ter gelegenheid van '100 jaar Vliegveld Markebeke' (Flugplatz Markebeke).

    De lectuur over de eerste wereldoorlog en vooral het vliegveld Markebeke  boeien hem zeer sterk. 

    In 2015 schreef ik een artikel 'Flugplatz Markebeke' op mijn BLOG. Ik publiceerde een plan van het vliegveld en daarop staan 2 bunkers gelocaliseerd. De ene langs de Overzetweg, dicht bij de Leiebrug en de andere op het gewezen vliegveld zelf , rechtover de woning van Freddy.

    In het boek 'Wereldoorlog I Marke' (A.Flipts-M.en R. Faillie) (1984) (blz.344) wordt in mijn mondelinge bronnen melding gemaakt van de bunker met  de juiste plaatsaanduiding. Getuigenis van burgemeester Aimé Bekaert  in mijn interview van september 1979 : "....MEN BEGON BARAKKEN TE ZETTEN EN RECHTOVER DE SCHUUR VAN VANDENWEGHE ( de trappen zijn nu nog zichtbaar) WERD EEN BETONNEN BUNKER GEBOUWD....." . Ook de getuigenis van Maurice Helin op blz.268. Alle mondelinge bronnen,  uit de mond van Markenaren, in dat boek komen van mij.

    Ik gaf hem een paar foto's mee uit 1979, waarop de 2 zijmuren zichtbaar waren, en zei hem ook waar de bunker juist gelegen was.

    Freddy, enthousiast als hij is, ging onmiddellijk aan het graven en inderdaad met succes. De eerste treden lagen, na enkele dagen zwoegen , bloot.

    Een dikke pluim voor Freddy !                                                                            Michel

    12-08-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (6 Stemmen)
    05-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BRIEF DIE SCHOOLMEESTER EMIEL DEBEURME DE NEK BRAK.

    DE   BRIEF  DIE  SCHOOLMEESTER  EMIEL  DEBEURME  DE  NEK  BRAK.

    ___________________________________________________

     

    Op 1 juli 1879 verscheen onder de liberale regering de fameuze wet Van Humbeeck, die een regelrechte schoolstrijd inluidde (1). Die wet bepaalde dat in elke gemeenteschool het godsdienstonderricht buiten de normale lesuren moest gegeven worden, en alleen op uitdrukkelijk verzoek van de ouders. De kerkelijke overheid deed alles wat ze kon om de onderwijzers van de gemeentescholen tot ontslag te bewegen en ze in nieuw gestichte vrije scholen onder te brengen. Voor die onderwijzers viel een moeilijke keus : namen ze ontslag, dan verdienden ze niet alleen minder, maar ze verloren ook hun recht op pensioen.

    Felix Benoot, onderwijzer van onze gemeenteschool verkoos aan te blijven, maar hij had pech want zijn school liep leeg. In het 4e kwartaal van 1879 telde zijn school nog één leerling (gemeenteraadszitting van 25 januari 1880).

    In afwachting dat , door toedoen van de familie de Bethune, een nieuwe vrije school zou worden opgetrokken, in de Markekerkstraat, gingen de jongens les volgen bij de zusters van het klooster.

    Er werd gestart met de bouwwerken in april-mei 1879, zegge 1 jaar voor het overlijden van Baron Felix Bethune.

    De Gazette van Kortrijk van 2 augustus 1879 : “ Te Marcke doet de heer Baron Bethune eene nieuwe katholijke schole bereiden.” (Beeldbank Kortrijk)

    De Gazette van Kortrijk van 19 september 1879 :” Het nieuw schoollokaal is daaromtrent gedekt. Het binnenwerk gaat zeere voort, en al het schoolgerief zal er zijn tegen oktober.” ( Beeldbank Kortrijk)

    Vanaf november 1879 was de school al toegankelijk, het woonhuis daarentegen was nog niet bewoonbaar. School en woonhuis waren pas totaal afgewerkt halfwege 1880. De laatste facturen dateerden van april-mei 1880 . Henri Sanelé boomplanter uit Lauwe  zorgde in oktober 1879 voor de beplanting met bomen . Charles Lenoir uit Brugge leverde - per spoor- 'savonniéres' stenen als bouwmateriaal. J. Brico beheerder van de 'magasins de Groeninghe - Rivage du Canal' uit Kortrijk leverde drempels en dorpels . Jacques Mahieu, plafonneerder en witter uit de Wetstraat in Kortrijk trok zich in april en mei 1880 het plakwerk en het witten aan.J. Vanbeveren-Biebuyckx uit de Magdalenastraat in Kortrijk zorgde voor de schouwen in  spreekkamer,salon, keuken en eetkamer.(Archief Stichting de Bethune).

    In november 1879 verscheen Emiel (Aloïs) Debeurme, als eerste onderwijzer ,in de nieuwe vrije school. Emiel Debeurme en zijn vrouw vestigden zich, met hun twee kinderen, in de Marktstraat en baatten er een winkel uit (2), naast het latere café ‘Het Hof van Commerce’ ( ook ‘Maison de Commerce’), dat in 1883 uitgebaat werd door Eduard, de broer van gemeentesecretaris Henri Vanhoenackere. In 1889 werden Ivo Petit en zijn vrouw Marie Ghyssel er uitbaters van . Daarna Edmond Verhaege .Georges Delcroix en Elisa Vanrobaeys betrokken het vanaf 1935-36 en veranderden het logo in ‘Het Schuttershof’.

    Emiel Debeurme was geboren in Heestert op 24 mei 1843 en zijn vrouw Octavie Coussement in Deerlijk op 31 oktober 1850. In Marke werd op 8 maart 1880 hun derde kind geboren : Astère Debeurme, die overleed in Heestert in 1952.

    Hij werd hier dus onderwijzer in de kersverse vrije school in de Markekerkstraat,  laat ons zeggen in een nog niet geheel afgewerkt gebouw (hiervoor refereer ik ook naar een volgend artikel ‘De Broeders Van Dale en het onderwijs in Marke van 1894 tot 1965’).

    Lang zou hij het hier niet uithouden, want voor ons plaatselijk fanatiek katholiek bestuur, zat er na één jaar al een kink in de kabel. Wat kon men beter doen dan de familie Bethune raadplegen, die een zeer goeie band had en zeer goed bevriend was met de toenmalige bisschop van Brugge, Mgr.Johan Joseph Faict. Zoals gebruikelijk in die tijd richtte de schoolraad een schrijven naar de kerkelijke overheid in casu de bisschop.

    Op 28 november 1880 vergaderde de schoolraad van Marke in de pastorie (3), onder het voorzitterschap van pastoor Franciscus Xaverius Depoortere, geheimschrijver André Declercq en de leden, onderpastoor Felix Devos, Désiré Herman en Petrus Van Belleghem (4) .Al geruime tijd hielden ze de schoolmeester in de mot, en vonden ze de moment gekomen om toe te slaan… en het papier en de inkt was gewillig.

     

    “ Aen zijne Hoogweerdigheid den Bisschop van Brugge,

                Doorluchtige Hoogweerdigheid,

     

    Wij ondergeteekende, leden van den katholijken schoolraed van Marcke, vergaderd in de pastorij den 28 november 1880, hebben beraedslaegd over hetgene ons te doen stond met den schoolmeester Emiel Deb(e)urme, zijnde in huwelijk met drie minderjarige kinders.

    Ten 1sten: wij hooren sedert eenigen tijd, zonder er iets van geweten te hebben tijdens zijne benoeming als schoolmeester in november 1879, dat hij vele schulden hadde eer hij alhier schoolmeester wierd; schulden die hij gemaekt heeft binst dat hij opvolgentlijk gemeenteontvanger, onderkoster, winkelier en koopman in guano en kolen was te Heestert, en die beloopen tot de somme van ten minsten 4500fr.

    Wij hooren en wij weten zeker dat hij hier te Marcke en te Kortrijk nieuwe schulden maekt, die verscheidene honderde franks bedragen, om zijn oude schulden te betalen.

    Ten 2den: aengaende den drank, wij en weten niet dat hij juiste dronkaerd is, maer wij zijn zeker dat hij hier te Marcke en te Kortrijk in verscheidene herbergen kleene schulden maekt met zijnen drank niet te betalen.

    Ten 3den: de zondag binst de hoogmis is hij bij zijne kinders in de kerke, in de vroegmis en is hij niet te zien, en in de weke zeer zelden woont hij het H. Sakrificie der misse bij.

    Ingezien dat er daerover hier op de parochie, te Kortrijk en zelfs in de slechte gazetten zeer vele geklapt wordt, dat daerdoor zijn eer en fame zoo goed of verloren zijn, dat diensvolgens het katholijke onderwijs zeer vele lijdt; en ware ’t niet dat onze parochie door en door kristelijk en katholijk is , dat onze knechteschole vele kinders zoude verliezen.

    Ingezien dat de schoolmeester van over zeven, acht maenden daerover persoonlijk en in ’t bijzonder vermaend geweest heeft door Mr. Pastor, den onderpastor en andere leden van de schoolraed.

    Ingezien dat hij , naer die persoonlijke vermaningen niet luisterende, naderhand, op het einde van september geroepen geweest heeft voor geheel den schoolraed onder voorzitterschap van Mr. de pastor, en dat hij daer opnieuw alderstrengst vermaend geweest heeft, ja zelfs bedreigd geweest heeft van afgezet te zijn van zijne bedieninge was ’t zake dat hij hem niet en beterde.

    Ingezien wij over deze zaken reeds gehandeld hebben met den Eerw. Heer Dehouck, geestelijke schoolopziener te Kortrijk, en dat hij ons aenraedde van den schoolmeester af te stellen.

    Ingezien eindelijk dat al die vermaningen en bedreigingen niets geholpen hebben om hem te verbeteren, maer in tegendeel dat het verergerd en dat wij voorzien  en allezins overtuigd zijn dat er geen beteren noch uitkomen aen is, om al die redens besluiten wij , na rijpe overweginge en met eenparigheid van stemmen, Emiel Deb(e)urme aftestellen als schoolmeester van de katholijke knechteschole te Marcke.

    Welk besluit,doorluchtige Hoogweerdigheid, wij aan uw oordeel en goedkeuring onderwerpen.

    Gedaen in den schoolraed te Marcke den 28 november 1880.

    Getekend door,

    De voorzitter Franciscus De Poortere, pastor

    De geheimschrijver André Declercq

    Leden: Petrus Van Belleghem - Felix Devos, onderpastor en Désiré Herman “

     

    Al op 2 december 1880 kwam een antwoord van het bisdom, dat instemde met de beslissing om de schoolmeester af te zetten.

    Nog dezelfde maand vertrok het gezin Debeurme naar andere oorden.

    In april 1881 kwam zijn opvolger Aimé Demuynck het afgewerkte woonhuis van de school in de Markekerkstraat betrekken. Deze leerde er Coleta kennen ,de dochter van koster-bakker Désiré Moreels , uit de Pastoor Vandommeledreef, en trouwde ermee in 1883.

     

    (1)Bij de verkiezingen van 11 juni 1878 waren de liberalen de grote overwinnaars. De wet die de radicaalliberale onderwijsminister Pierre Van Humbeeck uit zijn mouw schudde, bepaalde dat elke gemeente tenminste één officiële school moest bezitten. Alle onderwijzers moesten een diploma van een officiële normaalschool bezitten. Het godsdienstprogramma werd uit het leerprogramma geschrapt. En godsdienst moest buiten de lesuren gegeven worden.Niet te verwonderen dat de bisschoppen strenge maatregelen troffen. De pastoors kregen de opdracht een vrije lagere school op te richten in hun parochie. De ouders durfden hun kinderen niet meer zenden naar de gemeenteschool en wilden niet dat ze onderwijs kregen van die ‘Goddelozen’.

     

     

    (2)Later werd het nog bewoond door een zekere Verhaeghe, die er een beenhouwerij op nahield, maar niet lang.

    Toen het huis gebombardeerd werd op 14 mei 1943, hield René Devos-Delporte er een winkel, die men ‘het Sarmatje’ noemde. Na de bombardementen hield het echtpaar ‘het Sarmatje’ weer open , naast café ‘De Middenstand’. Hubert Deconinck en Leona De Praeter hielden er laatst winkel.

     

    (3)De omwalde pastorie was toen gelegen op het einde van de Pastoor Vandommeledreef, diep in de tuin van de huidige pastorie. Jarenlang hadden er pastoors te kampen met vochtigheidsproblemen. Ze was niet meer bewoond sinds 1903.

     

    (4)Franciscus Xaverius Depoortere (Anzegem 1803-Marke 15 januari 1886). Hij was pastoor in Marke van 1854 tot zijn overlijden. Zijn zuster Rosalia (Anzegem 1791-Marke 1886), die blind werd, woonde omtrent 40 jaar bij hem. Zij stierf in het klooster te Marke een week later dan haar broer.

    Felix De Vos (Lichtervelde 1850 – Jonkershove 1904, als pastoor sedert 1900).Hij was onderpastoor in Marke van 30 januari 1880 tot 1 maart 1882.

    André Declercq (Menen 1820 – Marke 1886) was landbouwer op de hoeve ‘Priesterage’ in de Marktstraat.

    Petrus Van Belleghem (Marke 1813-1901) woonde in het eerste huisje in de Marktstraat naast café ‘Het Gemeentehuis’. De huisjes (4) werden vernield onder de bombardementen van 14 mei 1943.

    Désiré Herman (Marke 1828 – 1914) was vlashandelaar.

     

    Foto’s:

    1/ De marktstraat vanuit de kerktoren gekiekt in de jaren’20. Uiterst links woning van Achiel Theys, vlashandelaar. Ernaast café ‘Het Hof van Commerce’, en rechts het huis , waar Emiel Debeurme woonde in 1879 . Links op de achtergrond ,café met zaal ‘Het Volkshuis’, dat ook beschadigd werd door de bombardementen van 14 mei 1943.

     

    2/ Na de bombardementen van 14 mei 1943.

    3/ De pastorie rond 1948, voor ze met de grond gelijk gemaakt werd.

     

    Bron: Bisschoppelijk Archief Brugge.







    05-08-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    02-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARKE IN DE EERSTE WERELDOORLOG. Uit het schrift van Maurice Holvoet.

    Marke in de  Eerste Wereldoorlog

     UIT HET SCHRIFT VAN MAURICE HOLVOET.

    ___________________________________

    Jaren geleden gaf Maurice Holvoet mij een handschrift ter lezing : “De eerste Wereldoorlog in Marke.”

    Het was onder de impuls van Maurice Holvoet (Marke 1900 – Kortrijk 1984) dat in januari 1932 het Davidsfonds, afdeling Marke, werd gesticht. Datzelfde jaar stelde hij zich kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen op de lijst van de Christelijke Werkliedenpartij. Hij werd gemeenteraadslid in 1936, als eerste plaatsvervanger van  Jules Vanhalst (Marke 1882- Marke 1937). Bij de verkiezingen in 1938 werd hij gekozen tot 1945.

    Deze persoonlijke getuigenis biedt een blik in vogelvlucht op de bezettingstijd van onze gemeente tijdens de eerste wereldoorlog (de originele schrijfstijl werd behouden).

     

    “Rond 2uur in de nacht van 4 augustus 1914, luidde de klok op de kerktoren.[ De Duitsers vielen ons land binnen op 4 augustus 1914 . België weigerde toegang te verlenen en zou zware klappen incasseren, nvdr.]

    Vader zaliger sprong uit zijn bed “Brand” riep hij. Buiten gaande, was er niets te bespeuren. Misschien een inbraak bij pastoor of burgemeester, was zijn tweede gedacht. Dan maar eens op verkenning uitgaan en pas enkele meters verder kwam hij reeds een gemobiliseerde champetter tegen, die hem aansprak “Oorlog! ‘k Ben aan ’t uitdragen der oproepingsbevelen. De klas van 1899 moet ook binnen.”

    En dadelijk was het  hele gebuurte op straat en elkeen wist te vertellen, wie er opgeroepen was, Georges Van Doorens! Berre Vanackere! Mauriske kloefkappers! enz…[ Georges Vanderroost, Albert Vanackere, Maurice Maes ] en die mensen kregen bezoek en hulp en geschenken zoveel als ze maar wilden en bij het rijzen van de dag trokken ze op, onze piotten en lansiers en kanonniers en karabiniers.

    Dat was het begin van 4 jaar miserie voor de ouderen en de ouders, en het vooruitzicht van vele avonturen voor de jonkheid.

    Het eerste dat gedaan werd om de vijand tegen te houden was het oprichten van een burgerwacht en het plaatsen van versperringen. De burgerwacht was uitgedost met een grote blauwe kiel en een driekleurige armband en was gewapend met al wat aan geweren geleek; jachtgeweren, tweelopen, oude legergeweren enz….. geweren die nog in orde waren, maar meest dingen die gans opgeroest waren en alleen dienden om ontzag te geven aan de dragers ervan.

    In de Rekkemstraat werd een versperring opgericht, die bestond uit een balie – een stuk hout dwars over de straat- die geopend werd om gerijdsel door te laten en seffens wederom gesloten werd [ter hoogte van café “Au Jardin Botanique”,op de hoek van Rekkemsestraat en Markekerkstraat,nvdr .]

    Er werden krijgsraden gehouden, ’s avonds na het werk en daar werd de Duits verslagen door de dorpsstrategen, die hun licht gingen opsteken bij een of ander burgerwacht die het meeste nieuws wist van een hoge heer met een hoed op! En niettegenstaande de geruststellende geruchten van onze plaatselijke verdedigers, kwamen andere geruchten, die min aantrekkelijk waren. Er waren Duitsers gezien te Rollegem, te Bellegem, te Moeskroen enz…. en ze namen al de mannen mede, daarom ’t beste ware dat de mannen vluchten! En sommigen deden dat.

    Op een zekere middag rond halfoogst, als een lopend vuurtje: “Ze zitten reeds op de Lauwberg” En na een halfuurtje, zag men hier voorbijkomen , mannen met een ballecon op de rug, juist seizoenarbeiders die naar Frankrijk trokken, maar nu in tegengestelde richting.

    Gelukkig hier te Marke, was men in ’t algemeen verstandiger en slechts weinigen gingen ook op ’t lopen tot op de Pottelberg.

    Einde september 1914 kwamen hier toe, de vluchtelingen van Lier( een 350-tal) en omstreken, die door liefdadige burgers opgenomen werden en ook gedeeltelijk in het klooster werden ondergebracht. Deze mensen verbleven hier tot in januari 1915.

    De eerste Duitsers werden hier waargenomen op een vrijdagavond [2 oktober 1914]. Twee Ulanen, die vanuit de richting van Rollegem kwamen door de Kloosterstraat en langs de Markestraat en Bissegemstraat naar Bissegem reden voorafgegaan door een man uit Rollegem met de klompen in de hand, die barrevoets voor hen uit moest lopen om de weg aan te wijzen![ toen noemden de mensen de Duitse soldaten in het algemeen ulanen]

     

     

    Dagelijks werd gebeden aan de kapel in de Markestraat  aan Callens wegelke [ kapel op de hoek van de weg leidend naar AVEVE, nvdr ]. Ook deze avond waren een 100 à 150 tal mensen aan het bidden, als almeteen de roep opging ! Duitsers! En in een oogwenk was alleman spoorloos verdwenen. Al wat maar iets hoger was dan de begane grond diende als bergplaats. De bomen van de kloefkapperij van “Kloefs”  rechtover de kapel, zelfs de aardappelvoren lagen vol [Leon Waelkens, klompenmaker, was uitbater van café “De Nieuwe Kloef”, dat gelegen was in de Marktstraat ( nu nr.39). De bomen lagen een 50-tal meter verder rechtover de weg die leidt naar ‘Aveve’, nvdr ]. En zohaast de Ulanen een 20-tal meter ver waren, allen uit hun schuilplaats en terug naar huis. En de bidstonden hadden afgedaan.

    ’s Anderendaags [lees 6 oktober, nvdr] kwamen ze door Marke! Nu uit de richting Bissegem naar de grote baan naar Moeskroen! Ulanen met hun tafels op hun kop en hun lange lansen. Huzaren ter dood met hun hoge haren mutsen met een doodskop erop.

    Dragonders met hun lange pinnen op de helm en de helm tot op de schouders.

    En nu was het ook gedaan met de burgerwacht. De geweren werden in de waterlopen geworpen, de kielen en driekleuren verbrand, de versperring werd afgebroken en allen hielden zich koest [ de burgerwacht droeg een blauwe kiel, zo konden de inwoners hun verdedigers herkennen, nvdr ]

    En een paar dagen later was het gebeurd. De echte burgerwachten, een tweehonderdtal aangevuld met gendarmen trokken per fiets in de richting van Lauwe en een vijftal minuten later waren ze daar (de Duitsers), te paard en te voet, zoveel ge maar wilt en seffens werd op al de deuren in krijt aangetekend  x mannen   - x  officieren en op de schuren  x  paarden  enz……

    En bevend wachtten de inwoners hun logeurs af, die achteraf toch nog zo wreed niet waren, en heel dankbaar de hun aangeboden warme koffie aanvaardden, in ruil van hetgeen ze meehadden :marmelade en Duits brood.

    Daarmee was de bezetting een feit [ de bezetting van 6 tot 8 oktober 1914, nvdr].

    Zo heel braaf bleven ze niet. Er werd een Kommandantur ingericht: in de broederschool, met een afdeling in het huis nr.25 in de Markekerkstraat [naast “Pierke Strijk”, nvdr]. [ De Ortskommandantur verhuisde op 17 januari 1917 naar de broederschool in de Markekerkstraat, nadat ze zich eerst op  21 oktober  1916 geïnstalleerd had in de villa De Witte-Visage in de Rekkemsestraat ,nvdr]

    De herbergen werden gesloten. Enkele bleven open, alléén voor de bezetters. En enkele voor de bevolking (Zie Blog.’Verordening caféhouders 1917’, nvdr).

    Gans de oorlog was Marke opgehoopt met soldaten, die hier kwamen uitrusten na een vertoef aan het front.

    De 1e Ortskommandant was een Feldwebel, een fatsoenlijk mens, die hier een drietal maanden bleef. Dan hadden we een hele tijd Ortskommandanten die hier om de week afgelost werden, naargelang de ingekwartierde regimenten.

    Daarna een tamelijk lange tijd Hauptmann Rost. Een echte ros. Die de petten van de hoofden sloeg als men hem niet groette.

    Deze werd  in augustus 1917 opgevolgd door Feldwebel Haynau , die hier de ganse bezetting bleef, in het begin nogal menselijk was maar naargelang hun wapenfeiten minder rooskleurig waren, meer Duits werd.

    Van gemeentebestuur was geen sprake meer. Alléén burgemeester en secretaris traden op als onderhandelaars met de bezetter [burgemeester François Bethune en secretaris Henri Vanhoenackere ( Bellegem 1847- Marke 1916), daarna Emiel Boussier (Wevelgem 1874- Marke 1947), nvdr].

    Voor de orde werd gezorgd door de veldwachter Alois Brasseur[ Marke 1878 –1951, nvdr], bijgestaan door 2 à 3 hulpveldwachters, in de volksmond genoemd “Strontchampetters”[ Richard Deleersnijder, Valère Raepsaet, Kamiel Holvoet, Désiré Vanoverberghe en Jules Chanterie, nvdr].

    Daar Marke in het Sperrgebiet gelegen was was er geen sprake naar andere gemeenten te gaan zonder Schein. Dat kon bekomen worden, in het Scheinamt, rechtover de broederschool ( Markekerkstraat nr.25) mits zeer geldige reden en op voorwaarde dat de Herr officier welgeluimd was, anders een kort “Nein en Heraus!” en het pas was gaan vliegen.

    Zonder pas naar Kortrijk gaan dat was mogelijk, maar heel gevaarlijk. Langs de toegangswegen stonden versperringen met een schildwacht, en deze laatste bezat een echt geweer met passende kogels. Langs sommige binnenwegelkes kon dat gaan, maar dan opgepast van de patrouilles.

     

    Versperringen stonden onder andere aan café “Keizer Karel” op de Markesteenweg, aan de kazerne ( nu Koninklijk Atheneum) (aan de villa De Coene), aan café “De Krone” (Pottelberg). Het best geraakten door deze versperringen jonge meisjes, die dan nog hun lange vlechten haar hadden. Ze lieten deze op hun rug hangen en konden alzo zich voor een paar jaar jonger doen doorgaan als ze werkelijk waren. En dat gebeurde veel.

    Stilaan begon nood te komen aan mondvoorraad, het broodgraan steeg voortdurend… zoals we dat allen gekend hebben in de laatste oorlog.

    Toch waren er in  14-18  nog meer menselijke boeren dan nu laatst. Boter! dat was een luxeartikel. Aardappelen werden er gekweekt en gegeten, dat het een plezier was.

    Amerika zond broodgraan, maïs, varkensvlees, maïzena, corned beaf enz…..

    Al deze waren werden in ontvangst genomen door het plaatselijk bevoorradingscomité, dat de verdeling deed per hoofd. Zo zag men wekelijks op een bepaalde dag, uit ieder huis, een man of een vrouw met mand of zak naar het “komiteit” gaan ; dat was in het poortje nevens het huis van de gemeentesecretaris, om juist te zijn, waar thans  Cecile Glorieux woont (Cadolux). Daar ging het er steeds luidruchtig aan toe. Kwinkslagen, allerhande scheldwoorden naar het hoofd van de verdelers. Laster aan het adres van de leden van het comité (het was niet altijd laster, want het was soms de jammerlijke waarheid). Sommige waren werden verdeeld in “klein komiteit”. Het werk lag omzeggens stil, dus was er geen geldwinning. De gemeente liet zelf geld vervaardigen en dat werd uitgedeeld door het zogenaamd “steunkomiteit”, dat zetelde elke dinsdagnamiddag in de oude patronage (toen in de klassen op het gelijkvloers naast de tuin van de broeders). Dat geld bestond uit kartonnen ronde stukjes van verschillende kleur en waarde.[ niet te verwarren met de gemeentefondsbewijzen of het zogenaamde noodgeld, in coupures van 1,2,5 en 10fr., nvdr]

    Wekelijks kon men aan de deur van een inwoner van de Kortrijkstraat, lezen wat zoal binnengekomen was en moest verdeeld worden, doch het was meestal onjuist. Bedoelde persoon trok zo maar alles in het belachelijke. Maar daar zat politiek achter. Dan reeds sprak men al van de “kommunist”[ betrof Valentin Vanhoutte , een spoorwegarbeider die tergende artikels schreef in het weekblad Het Volksrecht, nvdr ]. Hij woonde in het 2e huis rechts voorbij de Ijzeren Poort.  [daar stonden 4 huizen die in 1948 verdwenen voor het verlengen van de viaduct , nvdr]

    Gezien  er zoveel soldaten in de gemeente waren, moesten er ook goddelijke diensten gecelebreerd worden. En zo viel het niet zelden voor dat een of andere mis vervroegd of verlaat werd, en dat er ondertussen een protestantse dienst, gevolgd door een H. Mis voor de soldaten opgedragen werd door hun aalmoezeniers. Dan was het reeds parade vóór en na de plechtigheid met veel gezang en parademars. In de kerk ook algemeen gezang; effenaf schoon!

    In 1917 werden de drie klokken uit de toren gehaald en weggevoerd. De heer onderpastoor die hier op dit ogenblik was, maakte daarover een gedichtje op, dat nog wel ergens moet te vinden zijn op de gemeente. Dat werd de zondag na de roof voorgelezen vanop de preekstoel en al de aanwezigen waren diep onder de indruk.

    UITZICHT  VAN  DE  GEMEENTE:

    _____________________________

    Al de vlasschuren waren omgevormd in paardenstallen of grote kwartieren voor manschappen. Bijvoorbeeld de schuur van de “Rosten” Delcour(Henri Delcour-Declercq) in de Statiestraat, was een paardenstal voor 500 “Pferden”. De schuur van de “Zwarten” Delcour ( Henri Delcour- Vanhoutte, kozijn van de “Rosten”) , in de Rekkemsestraat, was een paardenstal voor 650  “Pferden”. De schuur van Jules Vanhoutte ( waar nu de weduwe Palmer Vandermeersch woont) in de Kerkstraat was ingericht voor inkwartiering van 850 man.

    Dat zijn enkel de grote schuren! Andere schuren waren ingericht voor 20,10 of 5 “Pferden”. Al de gesloten herbergen en burgerhuizen waar maar enigszins plaats was, waren ingericht voor 2,4,6 of 10 man. In de huizen werden daartoe van die bedden met verdiepingen geplaatst met een papieren strozak.

    Al deze werken werden uitgevoerd door dorpelingen en  voor rekening van de gemeente .De benodigdheden voor paardenstallen en huisgerief werden afgehaald met auto’s naar het park te St. Cathérine Heule. Voor het inrichten van het massakwartier  in de Kerkstraat werd een ganse vleugel van de drogerij van de pannenfabriek uitgebroken en al dat kostelijk hout (planken, baddens en pannelatten, alles in pitch-pin) werd verzaagd. Natuurlijk ging er ook een deel van dat hout naar een andere bestemming, het was goed brandhout, en kolen waren er niet.

     

    Aan dat werk heb ik (Maurice Holvoet) mijn vroegere stiel van timmerman geleerd.

    Soldatenbarakken werden opgericht:

    1/ tussen de woningen waar thans Jozef Craeynest en Maurice Ossieur wonen, daar stonden er 3 elk van 50 à 60 man. [ Rekkemsestraat ter hoogte van de bakkerij Jan Santy-Decruyenaere, nvdr].

    2/In de weide van de We Delcour in de Rekkemsestraat ook 3.

    Een deel van het klooster der zusters werd opgeëist en een Feldlazaret werd ingericht. Vele gewonden werden er heengebracht en verzorgd, maar ook velen stierven en werden begraven op het Duits Kerkhof dat gij allen kent.

    De pannenfabriek was ingericht als Sammelstelle; daar vond men alles wat maar dienstig kon zijn voor soldaten: schoenen, kousen,lepels,vorken, messen,nachtlichtjes,kommen, pannen enz….

    Het stuk land tussen ijzerweg en Rekkemsestraat vanaf het huis thans bewoond door Willem Vandendriessche ( woonde er tot 1969, daarna niet meer bewoond, nu afgebroken. Was vroeger café “Den Hert”) tot aan de  villa bewoond door Julien Sergeant  in 1947 was nog een overblijfsel ervan.

    De Baustelle en de Sammelstelle werden bediend door een tram die liep van : de pannenfabriek Pottelberg naar de Kleine Markestraat (de bedding van de lijn heeft lang bestaan), bachten Slossens ( café De Reisduif) om uit te komen in de Markestraat tussen de hofstede Callens en het magazijn van De Wittens, kruiste de Markestraat en richtte zich dwars door het land naar de Rekkemsestraat, omtrent de villa van Dondeyne, volgde de Rekkemsestraat tot op het grondgebied van Lauwe en vervolgde daar, onder de ijzerweg (brug van Spriets).Ook de bedding op de Lauwberg was lang te zien, deze werd gelegd door Russische  en Italiaanse krijgsgevangenen. Achter café “Rubens” nu bewoond door Maurice Lefever was een tramstatie, die verbinding gaf met de pannenfabriek van Marke (Zie Blog ‘Een Stoomtram doorsnijdt Marke’).

    In de weide  van Dekimpe, naast het huis van Marcel Delcour was het “Gefangenenlager”, waar beurtelings Russen en Italianen vertoefden.

    Er waren hier niet minder dan 2 vliegvelden namelijk 1 op de Markebeke [ bedoeld wordt Jasta 4 en 11 op één vliegveld, nvdr]. De hele vlakte  tussen de Bissegemsestraat en de  Kasteeldreef was als vliegveld ingericht. Natuurlijk was de ganse rij bomen voor café “De Vlasbloem” tot het hof van Bekaert gerooid.

    Rechtover het huis van Achille Desmet (Overzetweg) was een grote onderstand gebouwd, waarvan de overblijfselen nu nog zichtbaar zijn.

    Het 2e vliegveld  bevond zich rond de hofstede van Medard Vandewoestijne tussen ijzerweg en Brandelweg.

    In de kleiputten, tussen de Brandelweg en de Molen Glorieux, was een schietstand voor de  piloten en ook voor de soldaten. Menig uurtje brachten we als jongens door met, van op afstand, dit schieten na te gaan.

    Ook hadden we hier:

    -1 gevang genoemd de “cinema” in het huis van Jules Vandesonneville, in de Kloosterstraat, daar waar  de schoenwinkel  van Roger Naert gevestigd was, naast café “De Vlasboot”.

    -1 gaskamer in de “Casino”(café) in de Rekkemsestraat naast het huis bewoond door Gustaaf Missiaen.[ daar werden in 1914 ook de duiven verzameld, nvdr]

    -1 wachthuis in café   “De Bascule” in de Statiestraat waar de bewakers van het station en van de ijzerweg gelogeerd waren [ in 1919 kwamen mijn grootouders Aloïs Faillie –Maria Ludovica Colpaert er met hun gezin wonen, nvdr] .

    In 1918 werd het café “Au Tissage” (naast het conciërgehuis van de firma De Witte-Visage, nvdr) gelegen in de Markestraat  ingericht als Casino maar werd nooit voleindigd, daar de kandidaten bezoekers naar veiliger oorden moesten vertrekken.

    Van in Marke op de Pauvre Leute en op de Koekeberg [ betreft de oude bedding van de spoorweg, nvdr] kon men ’s avonds heel goed de vuurmonden zien losbranden op het front vanaf de Kemmelberg tot Ieper. De kabelballons (“zwijns”) hingen er bij tientallen en gretig werd nagegaan hoeveel er dagelijks werden neergeschoten door de vliegtuigen.

    Bombardementen uit de lucht waren er genoeg op Kortrijk, en zoals in de laatste oorlog, kreeg Marke er zijn deel van.

    Het eerste luchtbombardement had plaats op 29 juli 1916 op een zaterdagavond rond 18 uur. Een 3 tal bommen werden geworpen rond het station namelijk op de grond waar thans de villa staat van Georges d’Hespeel. Twee doden waren te betreuren: Celina Velghe [ haar man Victor Legley sneuvelde als soldaat op 23 augustus 1914, nvdr] en Karel Dubuisson.

    Een ander bombardement of liever aanval van slechts 1 vlieger greep plaats op het vliegveld van Vandewoestijne op een morgen dat het fel geneveld was; er waren een 500 tal soldaten aan het oefenen op het veld en met bommen en boordwapens werden ze aangevallen. Er waren  doden en vele gekwetsten.

    Een andere maal werden de barakken in de Rekkemsestraat en de tramstatie aangevallen.De 3 barakken waren volzet met soldaten. Eén enkele ontsnapte ongedeerd maar werd zinneloos. Dat was het gruwelijkste dat ooit gezien werd.

    Op halfoogst van 1917 was het vliegveld van de Markebeke vol met grazende paarden. Rond het begin van de vespers (2 u 30) wierpen een 5-tal vliegers kettingbommen op dat veld en ook op Kortrijk statie. Het was een plezier om zien hoe de paarden langs alle kanten hun heil zochten in de vlucht. Het was dan ook dat een zekere “Foten van de Cis”, die woonde in het eerste huis van het Hemelrijk, komende van de Rekkemsestraat, door dit bombardement uit zijn middagslaap werd wakker gemaakt. Al grommend kwam hij buiten en naar de lucht ziende, gromde hij “maak er kort spel mee, en werpt een op mijn huis” en zie , een slag en zijn huis lag plat. ”Verdomme smeerlappen” gromde hij “ z’ hebben het zeker gehoord”. En drie weken later had “Foten” zijn huis weer opgebouwd.

    Enige tijd later opnieuw een luchtaanval (2 à 3 bommen) op het vliegveld aan Vandewoestijnes. Slachtoffers : Leon Dufrasne (+ 3 oktober 1918) en erg gekwetst zijn dochter Julia, die nadien overleed (+12 oktober 1918) in het lazaret te Deinze [ Leon Dufrasne was de vader van Valentine Dufrasne, die getrouwd was met onderwijzer Sylvain Haghebaert , nvdr].

    Naarmate de oorlog vorderde, kwam de bezetter steeds driester, en moest mannen hebben om te werk te stellen op het front en in het buitenland ( streek van Verdun).

    Tientallen jonge mannen werden hier bij de dagelijkse monstering der mannen aangehouden en als Zivilarbeiter weggestuurd. Enkelen kwamen niet meer terug en velen kwamen ziek terug.

    Een 14 tal dagen voor de bevrijding werden honderden jonge lieden en gehuwde mannen weggeleid, langs Kortrijk, Zwevegem, Avelgem zelfs tot in Nederbrakel. Velen ontsnapten echter onderweg en kwamen ofwel vóór of dadelijk na de bevrijding terug.

    We zegden reeds dat de voeding veel te wensen overliet. Er werd dan ook gretig gewerkt aan het vervaardigen van bietensiroop. En dat was geen klein bier. Voor mijn deel heb ik er minstens 1000kg gewassen geraspt en na het raspen uitgeperst. Mijn vingers en kneukels droegen daar lange tijd de sporen van.

    En dan de boter! Wat daar al in was. Aardappelbloem, melk en wat weet ik al. Gelukkig de mensen die een geit of schaap konden houden, van de melk van deze dieren was het mogelijk zelf boter te kernen. En dan had men nog karnemelk, voor het bereiden van de smakelijk Vlaamse karnepap met perelgist bij gemis aan rijst.

    Wanneer maïsmeel verdeeld werd, bakte moeder maïskoeken in plaats van brood. Ook goed voor één of tweemaal.

    En ’t vlees! Wat men kreeg van de bevoorrading was van dat spek, met een gele kleur, met ik weet niet welke smaak. En het was verboden zelf een zwijntje te kweken, op gevaar af, als het uitkwam, geen vet, noch vlees  meer te ontvangen van het komiteit. Er was dus kwestie, als ge zulk een beestje in den duik hield, te maken dat het geen gerucht maakte en als het op slachten aankwam, een slachter te vinden die betrouwbaar was.

    Ik herinner mij dat wij thuis, een 4-tal van die spekreservoirs hebben gekweekt, waarvan er 2 geslacht werden in de keuken.

    Tijdens de oorlog kwam er volledige overeenkomst onder alle gemeentenaren. Groepjes geburen kwamen om de beurt in een of ander huis samen en verdreven hun tijd met kaarten of praten en allerhande anekdoten ophalend. Ander verzet was er niet.

    Toch werd eens, door enkele jonge liefhebbers, een toneelavond ingericht, waar een 10-tal alléén- en tweespraken werden voorgedragen enkele liederen gezongen en zelfs een klucht werd opgevoerd. Dat ging door op een plaats, boven de koeiestal bij Remi Bekaert. Veel belangstelling was er. Ruim 100 aanwezigen en van de meest vooraanstaanden der gemeente. De toegang was langs een ladder, en voor het geval  er alarm zou zijn, voor vliegergevaar, werd een nooduitgang voorzien, ook met een ladder. En of het nodig bleek. Na een half uur spel! Alarm! Alleman naar beneden en in de onderstand. Gelukkig geen bommen. Daarna wederom de ladder op en voortgedaan. Slechts éénmaal had dit plaats. De gevaren waren te groot.

    Als gekende piloten hadden we hier:

    -Freiherr von Richthofen, die eens na een vlucht terugkeerde, met het hoofd doorschoten, en toch ’s anderendaags opnieuw de lucht inging.

    -Hermann Goring zowel gekend tijdens de laatste oorlog.

    Veel wandelen, dat deden de mensen en het liefst naar de Markesteert, dat was een redelijk lange wandeling en heel gevaarloos. Ver van alle doelen.

    Het einde van de bezetting was het zwaarste deel! Van den dinsdagnacht tot de vrijdagnacht werd Marke beschoten door de Engelsen, die juist over de Leie nestelden. De Rekkemsestraat en de Markestraat  waren het ergst aan toe. Geen enkel huis had nog een dak!!!  Gelukkig geen slachtoffers.

    Eindelijk de vrijdagochtend rond 2 uur deden de eerste Engelsen hun intrede. Wij waren bevrijd. ’s Anderendaags kwam de eerste Belgische soldaat thuis. Het was Georges Vanderroost.

    De schoolgebouwen werden ook gedeeltelijk opgeëist. En zo vonden we de knechten gedeeltelijk in de schuur naast het huis van Marcel Delcour in de Rekkemsestraat. De meisjes gedeeltelijk in de timmerwinkel van Charles Louis Lannoo  enz…..In de nieuwe zaal van café “het Boldershof” in de Preshoekstraat.

     

    In het komiteit , bij de verdeling van de voedingswaren , zetelden onder andere ook:

    -Rachel Benoot [ de latere echtgenote van Michel Vandewiele, nvdr]

    -Broeder Juliaan (Henri Vancoillie) (later uitgetreden).

    -stationschef August Vanderbauwhede .

    Er waren er veel die bevoordeligd werden bij die bevoorrading!

     

    In 1914-18 was er niet te veel vlas. De schuren werden immers gebruikt voor de paarden en soldaten.

    Op ieder huis stond een bord vastgehecht aan de voordeur met erop het aantal bewoners van het huis.

    De branden werden meestal aangekondigd door de fluiten van de fabrieken.Het alarm werd (bomalarm in de oorlog) gegeven door de klokken.”

     

    Foto’s:

    1/ Maurice Holvoet als voorzitter van het Davidsfonds afdeling Marke (Foto RogerFaillie).

     

    2/Een Duitse ‘Landsturmer’ bewaakt de Leiebrug . Zonder ‘Schein’ geraakte men niet meer over de Leie. De brug, die nog geen 9 jaar oud was, werd op 15oktober 1918 door de terugtrekkende Duitsers vernield.

     

    3/ Markekerkstraat begin jaren 2000. Het huis uiterst rechts werd totaal

    verbouwd in 1957. Emiel Boussier woonde er tot zijn overlijden in    1947. In 1947 kwamen Maurice Deryckere en zijn vrouw Esther Declercq er een kleerwinkel openen. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité zetelde ernaast in het huis , dat later de‘Cadolux’ werd.

     

    4/ Enkele leden van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité in 1917 in de Markekerkstraat. V.l.n.r.: Jules Kerkhove – Richard Deleersnijder – Maurice Desmet – Anna Boussier – Marie Vandorpe – André Boussier en Jozef Ostyn.

    Anna en André Boussier , twee kinderen van gemeentesecretaris Emiel.

     

    5/ Foto genomen achter het café ‘In de Nieuwe Kloef’ in de Marktstraat.

      V.l.n.r.: Leon Waelkens(+ Detroit 1957) – Georgine Deceuninck – Julia

      Waelkens – Ernest Vandaele en Remi Deveugele.

     

    6/ In de jaren ’20 van vorige eeuw. Rechts café ‘In de Vlasboot’. Ernaast links huis Jules Vandesonneville, dat dienst deed als ‘gevang’(‘cinema’) tijdens WO1. Later kwam daar de beenhouwerij van Arthur Verspaille , de apotheek ‘Vandewalle’ en de schoenhandel van Roger Naert.

     

    7/ 19 augustus 1917: bezoek van generaal Erich Ludendorff aan de Jasta 11 op de Markebeke. Op de achtergrond de kerk van Bissegem en de hoeve Bekaert. Ludendorff voert een gesprek met Manfred von Richthofen, de ‘Rode Baron’.

     

     

     















    02-07-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (6 Stemmen)
    14-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE HANDBOOGGILDE SINT-SEBASTIAAN VAN 1836 TOT DE TWEEDE WERELDOORLOG.

    DE  HANDBOOGGILDE  SINT-SEBASTIAAN  VAN  1836  tot DE TWEEDE WERELDOORLOG.

    ____________________________________________________

    Zowel van de handbooggilde Sint-Sebastiaan als van de karabijnschuttersgilde Sint-Barbara kan men de ouderdom niet met zekerheid bepalen. Toch moeten ze een heel stuk ouder zijn dan men vermoedt , want vele archiefstukken werden hoogstwaarschijnlijk vernietigd tijdens de verschillende perioden van  oorlogsgeweld , dat in onze contreien woedde . Ofwel… heeft de verantwoordelijke archivaris gefaald.

    De eeuwenoude traditie van verdediging muteerde in de loop der tijden naar een sport of tot folklore.

    Men kan stellen dat het handboogschieten en het karabijnschieten zonder twijfel   de oudste sporten in Vlaanderen zijn.

    Schuttersgilden waren toen ook beroemd om hun feesten. Men zei wel eens :”van schieten komt men niet rijk ,maar men leeft goed.”

    Men schoot eerst op een wiek van een molen, op een paal of ‘perse’. Dat waren de voorlopers van de ‘staande wip’. Men schoot bij dat laatste op een zogenaamde ‘open wip’ of ‘gaaisprange’ , meestal opgesteld in een weide . Dan vlogen soms meerdere pijlen veel verder dan het beoogde doel. ‘Rijkere’ gilden konden het zich permitteren om te schieten in een overdekte ‘ toren’, een dure aangelegenheid.

    De Markse handbooggilde Sint-Sebastiaan stopte alle activiteit in 2001 ( dixit Gerald Desmet- Van Essche, die zelf stopte in 2000). Sigrid Libbrecht maakte de laatste vlag in 1996 aan de hand van een kopie van de oude vlag . De vlag werd plechtig ingehuldigd op de Markebeke zelf , waar sinds 1970 de ‘staande wip’ stond (1).

     

    De Sint-Sebastiaansgilde in Marke werd opgericht op 8 december 1836. Zo meldt het eerste handboek.

    Al lange tijd geleden hadden de ‘Markse Boogschutters’ twee pogingen ondernomen om een ‘sociëteit’ op te richten. Maar alles mislukte bij gebrek aan ‘goede hoofden, regeltucht en wetten’. Zo verliepen ettelijke jaren vooraleer men dacht om een nieuwe maatschappij op te richten.

    Het was op Markeplaats  in café ‘In den Belle Vue’ , bewoond door Louis Maertens (Bellegem – Harelbeke 1863), dat de vereniging gesticht werd. Ieder lid moest toen 2fr. uitleggen. In 1836 was Petrus Franciscus Van Belleghem eigenaar van het café. In 1853 kwam het café in handen van de Kortrijkse brouwer August Dupont , die het verhuurde aan lid Isidoor Libeer, herbergier en slachter (2).

    Op een buitengewone vergadering besloot men de koningsvogel te schieten op Sint-Pietersdag (feestdag van Petrus) , 29 juni 1837. De ‘perse’ heeft twee jaar in de boomgaard van Petrus Franciscus Van Belleghem (burgemeester) gestaan en in 1839 werd ze verplaatst op zijn ‘land’. Zij kostte 66fr. Petrus Franciscus Van Belleghem woonde toen op ‘Het Hof te Marke’. Hetzelfde jaar nog, werd toegestaan om de koningsschietingen te laten plaatsgrijpen op de ‘Boondriesmolen’(3) in de Watervalstraat.  Petrus Soete  (4) werd de eerste koning. Kort hierop werden op een vergadering Joseph Esquenet, als hoofdman, Eugenius De Brabandere en Petrus Franciscus Van Belleghem, als ‘jugen’ en Marcellin Van Belleghem (zoon van de burgemeester, was gemeentesecretaris van 1842 tot 1869) als griffier gekozen en wetten gemaakt, die door volgende leden aanvaard werden:

    Louis Esquenet- - Josephus De Brabandere – Marcellin Van Belleghem (zoon van Joannes) – Petrus Tack – Carolus (Karel) Delembre – Eduard Van Belleghem – Victor Maertens – Petrus Deborggraeve – Frederic Bostijn – Louis Maertens – Aloïs Josson – Casimir Delcoutre – François Delcour – Frederic Duquesne -  Ivo Libeer – Josephus Grégoire – Ferdinand Bouckaert – Ivo Vanneste – Petrus Geeraerd – Petrus Christiaens – Marcellin Coussement -  Eduard De Brabandere – Felix De Brabandere – Josephus Bu(y)sschaert – Leo Maes – Henri Delbaere – Joannes Planckaert – Judocus Devos – Joannes Devos – Louis Delepaut ( zoon van onderwijzer Petrus).

     

    De basisbesluiten bij de stichting:

    ___________________________

    1/ Elke medebroeder was verplicht een ½ fr. jaargeld te betalen. De som moest op O.L. Vrouw Lichtmis aan de griffier overhandigd worden. Zij die niet betaalden werden uit de sociëteit gezet.

    2/ Bij het overlijden van een medebroeder, moest elk lid 10 centiemen betalen om een mis te laten lezen tot ‘lafenis’ zijner ziel.

    3/ Op de dag van de koningsschieting moest elke confrater aan de griffier 1fr.50 betalen . Het geld werd gebruikt tot het betalen van het ‘gelaege’ en het kopen van de prijzen.

    4/Op de dag van de viering moest iedereen aanwezig zijn en indien belet de gildeknecht verwittigen en 10 centiemen betalen.

    5/ De koningsvogel moest geschoten worden op een ‘molen’ of ‘perse’. De koning had het recht van de ‘ drij eerste scheuten’ te doen. Indien hij hem nog eens afschoot werd hij ‘dobbelen koning’ genoemd. Wanneer hij hem een derde maal naeen afschoot werd hij ‘keizer’ genaamd en maakte men een gedenkstuk dat na zijn dood moest worden terug geschonken.

    6/ De koning moest , in de twee jaren van zijn ‘koningsschap’, 2 missen betalen op ‘Sint-Sebastiaansdag’ (20 januari). Trommelaar en fluiter moesten ook betaald worden.

    Arthur Vandenberghe (Marke 1898- Kortrijk 1983) :” De koningsschieting werd begin jaren 1900 aangekondigd door trommelaar Emile Velghe. Hij ging gans alleen door de straten van Marke om de koningsschieting aan te kondigen. Na de schieting vergezelde de trommelaar de koning naar de cafés, waarvan de baas lid was van de maatschappij.”

     

    7/ De koning moest in de acht dagen na de koningsschieting zijn keuze  maken van  twee commissarissen of ‘jugen’ en een hoofdman , die als oppergriffier werd aangesteld om samen te beraadslagen  met de koning over de zaken van de gilde.

    8/ Ter gelegenheid van de schieting om de jaarprijzen , moest een traktaat gemaakt worden op kosten van de leden.

    9/ De schulden aan de pastoors en de gildeknecht werden verdeeld onder de leden.

    10/ In het schietperk was het verboden vóór toer te schieten, ook te zweren en te vloeken, ‘disputen’ te maken of enige andere zaken , die het schietspel niet aangingen ,te bedrijven op ‘pene’ van 10 centiemen iedere keer.

    11/ Indien er ruzie , weigering van betaling of overtreding ontstond werd alles door de commissarissen onderzocht.

    12/De liefhebbers die in de maatschappij wilden opgenomen worden moesten 5fr.  betalen.

    13/ De mensen die niet eerlijk waren werden niet aanvaard.

    14/ Diegenen die op de vergadering op Sint-Sebastiaansdag  wilden aanwezig zijn moesten een teken naast hun naam zetten op een lijst door de knecht rond gedragen. Diegenen die niet aanwezig waren moesten 1fr. boete neertellen. Diegenen die niet naar de mis gingen moesten daarenboven 25 centiemen  betalen.

    15/ Tegen de koningsschieting moesten de confraters 1fr.50 uitleggen voor het kopen van de prijzen alsook voor het vereren van de koning. De koning zelf werd vereerd met een ‘kom wijn’. De klokkenluiders werden voldaan (5). Drie pond ‘buyskruyt’ voor het schieten van de kanonnen. Ook de kanonnier en de ‘kanontrekkers’ kregen hun loon.

    Bij de gewone schietingen betaalden ‘vreemdelingen’ 20 of 15 centiemen voor deelname. Het boekjaar 1839 en 1840 resulteerde met een winst van 54 centiemen: uitgaven 121fr.57 en ontvangsten 122fr.11. Op de koningsschieting moesten de trommelaar , de fluiter en de gildeknecht ( had als taak brieven ronddragen) ook betaald worden. Ook de pijlenrapers mochten niet vergeten worden en uiteraard de ‘stopen’ bier….achterna.

    Op Sint-Pietersdag  1839 werd besloten een nieuw vaandel te laten maken. Het enige ereteken dat de handbooggilde had was een trommel, dus moest nog een vaandel en een halsband aangeschaft worden. Ieder lid zou moeten bijdragen, maar gezien de ene beter financieel voorzien was dan de andere , concludeerde men dat ieder volgens zijn beurs handelde , met een minimum van 2fr. De gebroeders Eugenius, Eduard en Felix De Brabandere namen de kost van de halsband ter waarde van 36fr. op zich. De volgende leden legden  samen 125fr. uit voor het vervaardigen van het vaandel:

    -Ivo Vanneste (zoon van Petrus ,molenaar op de ‘Cleenen Molen’)– Petrus Van Belleghem - Henri Delbaere – Leo Maes – Joannes Planckaert – Ferdinand Bouckaert – Marcellin Coussement – Marcellinus Van Belleghem – Eduard Van Belleghem – Josephus Grégoire – Casimir Delcoutre – Ivo Libeer – Petrus Tack – François Delcour – Frederic Bostyn – Marcellin Van Belleghem (zoon van de burgemeester) – Petrus Soete –Victor Maertens – Aloïs Josson – Petrus Deborggraeve – Frederic Duquesne – Carolus (Karel)Delembre – Louis Maertens – Judocus Devos – Joannes Devos – Josephus Esquenet – Louis Esquenet – Joseph Busschaert – Petrus Geeraerd – Petrus Christiaens.

    De vlag werd gemaakt door een zekere Deraet, ‘ornementmaker’ te Izegem en kostte 134fr.65 centiemen, staf en alle aanhorigheden inbegrepen. Het tekort werd bijgelegd uit de ‘beurs’(kas). De vlag werd met veel luister ingehuldigd op 23 augustus 1839 en bijgezet in de vergaderzaal. Diezelfde avond schonken de gebroeders De Brabandere de zilveren halsband.

    Op 25 augustus 1839 werd de koningsvogel neergehaald door

    Josephus De Brabandere.  “In de vroegen morgen hoorde men het gedommel van het kanon , het trommelen en fluyten en allerley vreugde  bedrijven, naer (na) de vespers en den uytleg van hun geld, zijn de gildebroeders voorgaen van hunne eerteekens zich naer den molen begeven gezeyd BOONDRIES  om den vogel af te schieten…het getier en gezwaey heeft tot laet in de nacht gedeurd.” 

    Petrus Delepaut (Kortrijk-Buiten 1794 – Kortrijk 1855), onderwijzer, was toen griffier, Petrus Tack  (landbouwer op het ‘Hof te Tollenaers’) oppergriffier en Joseph Esquenet en Frederic Busschaert ‘jugen’.

    Op de koningsschieting van de 3e zondag van augustus 1841 werd Josephus Esquenet koning. Bij het terugkeren naar het ‘gildenhof’ werd de koning “getracteerd langs den weg en op de Plaats door scheydene met eenen kom wijn”.

    Werden benoemd tot griffier Marcellin Van Belleghem, zoon van de burgemeester en tot ‘jugen’ Ivo Vanneste en Frederic Busschaert.

    Op de 4e zondag van augustus 1843 werd tijdens de koningsschieting de hoofdvogel voor de tweede maal afgeschoten door Josephus Esquenet. Hij werd uitgeroepen tot ‘dobbelen koning’.

    Op de derde zondag van augustus 1845 schoot Leo Maes (Marke –Brugge 1867) zich tot koning.

    Op de derde zondag van augustus in 1847 werd Marcellinus Van Belleghem, zoon van de burgemeester, koning gelauwerd.

    Op 20 augustus 1849 werd een belangrijke overeenkomst gesloten tussen de handbooggilde en de ‘bossenieren’ ( de karabijnschutters):

    1/Aanvaarding van de ‘gaaiperse’ van de ‘bossenieren’ , die in ‘lochting’ (tuin) stond achter het café ‘In den Belle Vue’ ( toen eigendom van burgemeester Petrus Franciscus Van Belleghem). Er werd besloten alle ‘toebehoorsels ‘ van de ‘perse’ te aanvaarden. In juni 1853 werd 10fr.50 betaald aan Louis Maertens voor ‘reparatie aan de perse’. De koningsschietingen van de karabijngilde werden gehouden op de ‘Cleenen Molen’ ( een staakmolen). In 1841 kwam een stenen molen in de plaats. Deze vereniging lag stil van 1830 tot 1860 . Vanaf 1860 werden hun koningsschietingen gehouden op hun ‘perse’ achter café ‘In den Belle Vue’ ( zie blog ‘Sint-Barbaragilde’).

     

    In 1849 werd overeengekomen om de koningsvogel te schieten op de 3e zondag van juni. “Voorgegaen van trommel, vaandel en kanons werd naer den boondriesmolen begeven…”. Dat jaar werd de koningsvogelschieting afgelast wegens de benarde tijden. De hoofden der gilde hebben voorgesteld geen noenmaal te houden, zij hebben een klein avondmaal gehouden.” De trommelaere heeft niet gevraegd geweest. Den koning heeft den dagloon daervan , die bestond in 1fr.27 centiemen aen den griffier betaeld ten profyte der gilde .”

    Marcellinus Van Belleghem, al koning in 1847, schoot zich ‘dobbelen koning’ in 1851,  “Hij doet zijnen koninglijken halsband aen, den wijn van eeren wordt hem aengeboden, het losbranden van het kanon  en het luiden der klokken kondigen de ingezetenen van Marcke den uitslag der schieting aen. Den dobbelen koning heeft door de parochianen zeer veel eer aengedaen geweest door het geven van eerewijn enz…” Vanaf toen was Felix Benoot, de pas benoemde onderwijzer, griffier of schrijver, in vervanging van Pierre Terrijn.

    Het jaar daarop op 23 juni 1852 schoot Eduardus Descamps, landbouwer in Marke, zich koning.

    Op 6 juni 1854  schoot Petrus Tack, landbouwer op het ‘Hof te Tollenaers’ in Marke, zich tot koning. Bij een buitengewone vergadering op 5 september werd Baron Paul Bethune , lid van de gilde, erevoorzitter benoemd. Na zijn huwelijk  met Adelaïde Eliaert, vestigde hij zich in 1856 op het kasteel ‘Overham(me)’in Aalst, dat eigendom was van zijn schoonouders.

    In 1856 op 11 augustus werd de hoofdvogel afgeschoten door François Delcour, landbouwer te Marke. Vertrok later naar Lauwe.

    Op 18 augustus 1858 werd de hoofdvogel neergehaald door Eduardus Van Belleghem, landbouwer te Marke op de hoeve in de Hellestraat (bibliotheek).

    Op het einde van het boekjaar 1859 had de gilde al een batig saldo van 109fr.15.

    Op 10 augustus 1860 werd Constant Terrijn koning.

    Désiré Herman was schatbewaarder.

    Op 12 augustus 1862 koningsvogelschieting….om een onbekende reden stopt griffier Felix Benoot het schrijven in het register, dat pas in 1878 heropend werd door de toenmalige griffier Henri Vanhoenackere, die gemeentesecretaris werd in Marke vanaf 1879 tot zijn overlijden in 1916 (6). Uit het verslag van 1878 kunnen we uitmaken dat Louis Vandewiele koning was in 1876.

    Wij moeten ons tevreden stellen met een ledenlijst van 1871. Hierdoor konden we wat namen van leden  , die nog niet op het appel verschenen, toevoegen:

    Jean De Brabandere – André Declercq – Joannes Josson – Eduard Vanhoenackere ( broer van Henri) – Melchior Brasseur – Désiré Lauwers – Emiel Vanneste – Xavier Samain – Emile Beyls – Ivo Cottens – Constant Libeer – Leopold Van Belleghem ( volgde Marcellin op als gemeentesecretaris van 1869 tot 1879)– Jules Dequinnemar – Constant Esquenet – August Stichelbout (baas van café ‘Het Gemeentehuis’) – Leon Piesschaert – August Vandenberghe – Petrus Vrijghem – Petrus Walterumaertens – Petrus Vantomme – Jules Vanhoutte – Joseph Vanopstal – Constant Glorieux – Constant Schoore .

     

    Wij schrijven 23 augustus 1878 , het jaar dat het ‘Gildenhof’ verhuisde van café ‘In den Belle Vue’ naar café ‘Het Gemeentehuis’, dat ook gelegen was op Markeplaats. Désiré Moreels, koster in Marke, mocht zich tooien met de zilveren halsband.

    In 1957 verhuisde het lokaal naar café  ‘Het Middenstandshuis’ in de Marktstraat.

    De gildebroeders namen op 29 april 1879 deel aan de installatie van burgemeester Leopold Van Belleghem ( was voordien gemeentesecretaris vanaf 1869).

    Op 22 augustus 1880  werd August Joseph Everaert, landbouwer op ‘Het Hof van Marke’ (Kimpens hof),  koning. Dat jaar maakte August Busschaert  zich ook lid van de schuttersgilde.

    Op 28 augustus 1882 schoot August Joseph Everaert zich tot ‘dobbelen koning’.

    Nieuwe leden in de periode 1882-1883:

    Camiel Vandenberghe – René Samain – Arthur Tack .

    Op 17 augustus 1884 werd Charles (Karel) Brasseur aan de Boondriesmolen koning. Hij volgde Joseph Everaert , zoon van August , op als gemeenteontvanger, van 1901 tot 1936.  

    In 1885 had men 159fr.55 in kas en in 1887 202fr.45.

    Nieuwe leden in de periode 1884-85:

    Bruno Cagnie – August Delmeire – August Vanhoenacker ( broer van gemeentesecretaris Henri. Hij is vertrokken naar Aalbeke in 1898).

    Op 22 augustus 1886 was het Leopold Schoore, vlashandelaar in Marke, die zich tot koning schoot.

    In 1889 verdween voor goed de Boondriesmolen, en plaatste men de koningsvogel op een boom achter café ‘De Kardinaal’ ( op de hoek van de Kardinaalstraat en de Kalvariestraat, rechover het pestkruis.)  Eduard Vandermeersch, wagenmaker werd er op 19 augustus de eerste koning.

    Nieuwe leden in de periode 1886-88:

    Charles (Karel) Dewilde – Constant Vandorpe – Lefever Petrus – Jules Ghyselinck-

    August Dumortier (naar Amerika) – Jules Vannieuwenhuyse – Jules Vanhoenacker – Polydore Lepere – Cyriel De Brabandere (was pas brouwer)– Ernest Ghyselinck .

     

    Op Sint-Sebastiaansdag 1889 werd Charles (Karel) Brasseur schatbewaarder gebombardeerd in vervanging van Désiré Herman.

    Men schoot niet lang aan ‘De Kardinaal’, want op 17 augustus 1890 werd naar de hoofdvogel ‘ter perse’ geschoten .Uit de rekening van 1890 weet men dat een  ‘perse’ werd aangeschaft die op het goed van de familie de Bethune in de Van Belleghemdreef belandde: de uitgaven waren 313fr.96, zodat een tekort van 185fr.36 in kas was (7).  Désiré Vandaele (vader van ere-secretaris Albert Vandaele) was er de nieuwe koning. De hoofdmannen waren toen Désiré Herman en Cyriel Libeer. Schatbewaarder bleef Charles (Karel) Brasseur en schrijver Henri Vanhoenackere.

    Jules Moreels (koster)werd als nieuw lid ingeschreven.

    Op 21 augustus 1892  trok men ‘ter perse’ en Eduard Schoore, vlashandelaar in Marke, schoot zich koning.

    Op 19 augustus 1894 was August Vanhoutte, landbouwer op Sint-Anne ,de beste.

    Op 10 september 1894 werd door Baron Emmanuel de Bethune een bijzondere schieting gegeven: “De gildebroeders moesten zich begeven naar het kasteel alwaar een broederlijke ontvangst plaats had in het park met trommel en vaandel onder het geschut der kanons.”

    Op 16 augustus 1896 werd Jules Moreels koning.

    In 1897 werd de maatschappij door de gemeenteoverheid verzocht om de twee volgende feestvieringen met haar aanwezigheid op te luisteren:

    1/ Op 10 juli het eerste bezoek van Mgr. Waffelaert, bisschop van Brugge, om hier het H.Vormsel toe te dienen.

    2/Op 8 september het feest der blijde intrede van schepen Baron François de Bethune  ter gelegenheid van zijn onlangs voltrokken huwelijk met Juffr. Hayoit de Termicourt van Leuven.

    Het vaandel nieuw van 23 augustus 1839 was door de jaren versleten geraakt en moest dringend hersteld worden. Doch de gilde besliste in 1895 om het vaandel te verkopen en aanstonds een nieuw te laten vervaardigen. Dat werd mogelijk gemaakt door de familie de Bethune, die 50fr. voorschotelde. Het vaandel kostte  317fr.40. Het werd plechtig ingehuldigd op 20 september 1897.

    “Al de gildebroeders hebben zich ten twee ure namiddag naar het kasteel der heren Baron Bethune begeven om het nieuw vaandel af te halen, na aldaar een broederlijk onthaal genoten te hebben zijn zij zich ter kerk begeven en na de wijding van het nieuw vaandel is er een solemneel lof gedaan geweest tot wereldlijk en geestelijk welzijn der gildebroeders en dan gevolgd van de jaarlijksche koninklijke prijsschieting.”

    Cyriel Ameye  en Alfred Ranson (bakker op Markeplaats) komen de rangen versterken.

     

    Op 21 augustus 1898 werd Charles (Karel) Dewilde , smid in Marke, de nieuwe koning.

    Nieuwe leden in de periode 1898 -1901:

    Ivo Verschuere – Baptiste Gallant (bakker Markekerkstraat) – Aloïs Dekimpe – Henri Vanderheeren – Theophiel Cagnie – Oscar Vandenberghe.

    Op 15 oktober 1898 had de handbooggilde de eer de stoet van de blijde intrede van Baron Emmanuel de Bethune , getrouwd met Jonkvrouw Joséphine de Ghellinck d’Elseghem, bij te wonen. En op zondag 9 oktober nam zij deel aan de stoet in Kortrijk ter gelegenheid van de herdenking aan de Boerenkrijg.

    Op kermiszondag 3 september 1899, was ze ook tegenwoordig op het herdenkingsfeest van de Boerenkrijg, gevierd in onze gemeente.

    Op 19 augustus 1900 werd de koningsvogel afgeschoten door burgemeester Baron Emmanuel de Bethune ( zie foto ontvangst op het kasteel).

    Op 15 augustus 1902 werd na een bitsige strijd onder de verschillende gildebroeders de hoofdvogel afgeschoten door Octaaf Van Laere , geneesheer in Sint-Anne (8).

    Nieuwe leden in de periode 1902-03:

    Theophiel Callens – Ferdinand Glorieux – Petrus Vanoverberghe .

    De gilde hielp ook in Kortrijk de feestelijkheden opluisteren van de 600e verjaring van de Guldensporenslag.

    De gildebroeders waren er ook bij op 1 september 1902 toen  de nieuwe kerk plechtig  ingewijd  werd door bisschop Mgr. Waffelaert.

    In augustus 1904 schoot Baron François de Bethune zich tot koning. De verkozen hoofdmannen waren Octaaf Van Laere en Theophiel Callens. Jozef Denutte schreef zich in.

    Baron François bleef 3 jaren koning tot op 18 augustus 1907, toen mocht Gustaaf Dermaux, schilder te Marke ,zich kronen.

    Nieuwe leden in de periode 1908-1911:

    Dr. Arthur Vanneste – Remi Cottenie – Joseph Raepsaet – Modest Basyn – Omer Verspaille.

    Vergaderd voor de koningsschieting van 15 augustus 1909, besloten de gildebroeders om de koningsvogel jaarlijks te schieten. Bijgevolg moest jaarlijks 1fr. koningsgeld betaald worden door de leden. Constant Vandorpe werd de gelukkige koning. Op 15 augustus 1910 kroonde hij zich tot ‘dobbelen koning ‘ en op 15 augustus 1911 tot ‘keizer’.

    Van 1898 tot 1910 moest de schatbewaarder steeds afrekenen met tekorten.

    Nieuwe leden in 1912 :

    Gabriel De Brabandere – Nestor Delcour – Debouverie R. – Georges Casteleyn – Edmond Verhaege.

    In 1912 is de handbooggilde begiftigd geweest door Baron François de Bethune, erevoorzitter en burgemeester ,met een nieuwe ‘gaaipers’( een lariks). Jozef Denutte, landbouwerzoon in de Bruyningstraat ,tegen Walle, werd op 15  augustus , als eerste gelauwerd (zie ook voetnoot 9).

    Arthur Vandenberghe (Marke 1898 – Kortrijk 1983) :” Ik heb altijd de ‘gaaiperse’ weten staan op de plaats waar Dr. Albert Debeurme zijn huis bouwde in 1949. In 1912 werd een nieuwe boom gekocht, een lariks. Cyriel Ameye en Theophiel Cagnie gingen hem kopen in Geluwe of Geluvelt.De boom bleef nog 1 jaar rusten in de wal van de hoeve Dekimpe. Ik deed de eerste schieting op de nieuwe pers mee, als jongeling van 15 jaar. Naast café ‘De Handboog’ stond ook een ‘perse’. Het waren de ‘blauwe’ (liberalen) van de ‘Ijzeren Poort’ die zich ermee bemoeiden. In 1918 stond die ‘pers’ nog half afgeknakt in de weide.”

    Op 8 juni 1913 werd het jubelfeest van 60 jaar lid gevierd van Petrus Duhem, landbouwer aan de ‘Prinse’. Hij werd ‘ten huize’ afgehaald door de gildeleden en het Sint-Jansmuziek.

    Jozef Denutte schoot zich tot ‘dobbelen koning’ op 25 augustus 1913

    Voor de eerste maal in 1919, na de ‘Grooten Oorlog’, vergaderden de gildebroeders om de koningsvogel af te schieten. Hilaire Denutte, de broer van de vorige koning, werd  de nieuwe naoorlogse koning . Emiel Boussier, gemeentesecretaris werd de nieuwe griffier of schrijver, in vervanging van Henri Vanhoenackere, overleden in 1916. Op kermiswoensdag (september) werd de traditionele koninklijke  prijsschieting gehouden, daarna werd een nieuwe raad gekozen: voorzitter Baron François de Bethune, schatbewaarder Charles (Karel), schrijver Emiel Boussier.

    In 1919  kwamen 14 nieuwe leden bij:  Hilaire Denutte – Alfons Josson – René Vandaele – Jules Vandenberghe – Achiel Goegebeur – Victor Vandewoestijne – Gustaaf Theys – Robert Callens – Arthur Vandenberghe – Arthur Verspaille – Michel Goegebeur – Jean Maelfait – Victor Vandorpe – Emiel Boussier.

    In 1921 werd Petrus Lefever koning  op het ‘schietplein’ in de Van Belleghemdreef.

    In 1922 werden 4 nieuwe leden toegejuicht : Gerard Bourgois – Achille Desmet – Maurice Dufrasne – Urbain Vandaele.

    Op 26 augustus 1923 : “ de koning (Petrus Lefever) werd te zijnen huize afgehaald en van daar toog de stoet der gildebroeders naar het schietplein om er den koningsvogel te betwisten…”De koningsvogel werd afgeschoten door Jozef Moreels. Zeven nieuwe leden werden aanvaard en mochten als bewijs van toetreding het tegenwoordig handboek ondertekenen: Joseph Moreels – Georges Dermaux – Daniël Brasseur – Julien Derdeyn – Aurel Theys – Marcel Benoit –Michel Mulie.

    In het jaar 1924 op 27 augustus werd na een harde strijd Gustaaf Holvoet de nieuwe koning.

    In een algemene vergadering werden enkele standregels gewijzigd :

    1/Voortaan zal elk jaar de koningsschieting plaats hebben op 3e Sinksendag.

    2/De koning moet bij de prijsschieting van de kermis de koningsvogel kopen. Hiervoor krijgt hij 25fr. hulpgeld uit de kas.

    3/ De gilde bekostigt daarenboven nog vier prijzen , twee voor de zijvogels en twee voor de kallen .

    4/Het jaargeld werd gebracht op 5fr.

    Nieuwe leden : Jules Demuynck – Noël Vandenberghe- Louis Dalle – August Vandenberghe – Gustaaf Holvoet – Achiel Vlieghe .

    Jozef Craeynest (Kortrijk 1902 -1991):” Ik woonde met mijn ouders Odilon Craeynest in café ‘De Handboog’ op de hoek van de Marktstraat met de Kleine Marktstraat. Op 2e Sinksendag was het Markestraatkermis en was er ook schieting in de weide naast de hoeve Vandenheede (verblijfshoeve) naar de Plaats toe. Daar stond een ‘pers’ die gebruikt werd door de ‘kliek’ van de ‘Ijzeren Poort’. Vandaar ontstond het café ‘De Handboog’. Dan stond de meid van bij ons met een tafel bij de ‘sprange’ om bier te verkopen. Als kleine jongen moest ik dan niets anders doen dan ‘kitten’ bier gaan halen, terwijl de andere jongens van mijn leeftijd pijlen raapten en zo wat drinkgeld verdienden.” Odilon Craeynest had zich in 1904 in ‘De Handboog’ gevestigd als herbergier -bakker.

     

    Op 3e Sinksendag van 1925 werd de koningsvogel neergehaald door Daniël Brasseur. En op zondag 26 juli vierde de gilde Sint- Sebastiaan het jubelfeest van Charles (Karel), sedert 54 jaren lid en 36 jaren schatbewaarder van de gilde. Dat ging gepaard met een feestmaal in het gildenhof ( café ‘Het Gemeentehuis’).

    Op 26 mei 1926 werd de hoofdvogel afgeschoten door Omer Vandermeersch, die al de gildebroeders ontving in zijn huis in de Hellestraat.

    Nieuwe leden in 1927:

    Baron Jean de Bethune – Omer Vandermeersch – Cyriel Vandermeersch – Arthur Dekimpe – Julien Wyseur – Gerard Brasseur – Georges Basyn – Aimé Bekaert – André Boussier .

    Op 7 juni , derde Sinksendag, 1927 , werd Aurel Theys de nieuwe koning.

    Enkele bijzonderheden uit de annalen van de handboogvereniging in 1927-28:

    1/ Op 20 mei 1927 nam een ‘peloton’ van 7 schutters deel aan een schieting te Bissegem , waar 243 schutters ingeschreven waren. Marke ontving een bijzondere prijs voor het meest afgeschoten vogels ,te weten 13 vogels : Cyriel Ameye, Gerard Bourgois, Georges Delcroix, Arthur Vandenberghe, Gerard Brasseur, Georges Dermaux en Georges Basyn waren de deelnemers. Cyriel Ameye kreeg een persoonlijke premie voor het afschieten van 5  vogels voor het Markse ‘peloton’ (zie foto)

    2/ Op de woensdag van Sinksenkermis 30 mei 1928 werd zoals gewoonlijk de koningsschieting gehouden…lang na zonsondergang had nog geen enkel schot een vogel getroffen, daarop werd besloten de kamp uit te stellen tot ’s anderendaags. Zo gezegd zo gedaan en de hoofdvogel werd geschoten door Cyriel Ameye.

    3/ In de loop van 1928 werden 3 schietingen gehouden: de eerste op Sinksenkermis, de tweede op 29 juli en de derde op 3 september, zijnde kermiszondag, waar 72 schutters aan deel namen.

    4/In 1928 werd hier te Marke het gouwfeest gevierd voor de turngilden van West-Vlaanderen. De handbooggilde van Marke werd uitgenodigd op dat feest door de plaatselijke ‘Turngilde voor Outer en Heerd’ en schonk dan ook een beker.

    5/ Op 23 juli 1928 nam de gilde deel aan de lijkplechtigheid van medelid en bestuurslid Gustaaf Dermaux, die overleed op 20 juli, een van de oudste en trouwste leden. Nieuw lid : Jean De Buyser.

    6/ Op 20 juli 1928 werd ook met eenparigheid van stemmen besloten om deel te nemen aan de feestelijkheden ter gelegenheid van het huwelijk van Baron Jean de Bethune en Barones Louise de Vinck te Zillebeke op 12 juni 1928. De blijde intrede gebeurde op  15 augustus, zijnde  O.L.Vr. Hemelvaart. Koning Cyriel Ameye bood hen een bloemtuil aan. Het feest dat, in het park van het kasteel tot laat in de avond duurde, werd afgesloten met een opwekkend concert en een prachtig vuurwerk.

    Op de algemene vergadering van 4 september 1929 werd verslag gegeven van de werkzaamheden tijdens het verlopen dienstjaar:

    1/ Op Sint-Sebastiaansdag vergaderden 21 leden voor een gezellig avondmaal in de bovenzaal van café ‘Het Gemeentehuis’ .

    2/ Op 5 februari nam de gilde deel aan de lijkplechtigheid van lid Charles-Louis Lannoo.

    3/ Op kermisdinsdag werd de hoofdvogel neergehaald door René Vandaele.

     

    Wij schrijven 1930: Baron Jean de Bethune , lid van de gilde, werd verkozen tot erevoorzitter. Omer Vandermeersch schoot voor de tweede maal de koningsvogel af. Bij de viering van het ‘Eeuwfeest’ mocht de gilde de stoet opluisteren.

    Nieuwe leden ingeschreven in 1930-1931:

    Albert Cagnie – Frans Lamaire – Gerard Blondeel – Victor Blomme –Edmond Bogaert – Achiel Vandecasteele – Denis Deltour – Jozef Denutte (als 100e lid).

     

    Bij de koningsschieting van 1931 en 1932 werd Albert Cagnie als ‘dobbelen koning’ uitgeroepen.

    In 1933 was Albert vast besloten om ‘keizer’ te worden , doch dat lukte hem niet, de oppervogel werd afgeschoten door de toen nog jeugdige Albert Holvoet.

    Op 18 maart 1933 verloor de gilde lid Jules Vandenberghe. De begrafenis werd bijgewoond met vaandel door een zeer groot aantal gildebroeders.

    Bij koninklijk besluit van februari  1934 verleende koning Albert I de maatschappij de titel van KONINKLIJK . Dat jaar werd Julien Derdeyn koning . Ter herinnering aan die eervolle onderscheiding werd een groeps gemaakt.

    In september verloor de gilde een van haar leden : Jozef Moreels.

    In 1935 mocht men Julien Wyseur aanspreken als koning. Fernand Glorieux trad in als nieuw lid.

    In 1936 werd de koningsvogel afgeschoten door Gerard Brasseur. Raphaël Denutte werd als nieuw lid aanvaard.

    In 1937 werd de koningsvogel afgeschoten door een van de jongste leden : Albert Vanackere.

    Op 21 juli , nationale feestdag, werd een buitengewone schieting gehouden. Erevoorzitter Baron Jean de Bethune schonk hiervoor 500fr. De uitslag overtrof alle verwachting :  96 schutters, uit alle gewesten samengekomen !

    Op 6 februari 1938 overleed Gustaaf Lannoo.

    Op 3e Sinksendag trokken 36 leden naar de koningsschieting. De jeugdige Albert Holvoet, al koning in 1933, schoot wederom de koningsvogel naar beneden.

    Op 21 juli schonk erevoorzitter Baron Jean de Bethune opnieuw 500fr. voor de buitengewone schieting. Deze zeldzame schieting , kreeg weer bijval, want niet minder dan 70 schutters kwamen zich presenteren. Ze wensten uiteraard dat ze het ieder jaar zouden kunnen meemaken.

    Op kermiswoensdag 7 september kreeg de koning Albert Holvoet een nieuwe boog en men wenste hem nog vele koningsvogels.

    Op 5 november luidden weeral de klokken . Het was bij de begrafenis van voorzitter en schepen Baron François de Bethune, die in Leuven overleed op 1 november. Hij was sinds het overlijden van zijn broer  Baron Emmanuel de Bethune de nieuwe voorzitter.

    In 1939 werd Gabriel Verhaege aanvaard als nieuw lid.

    In 1939 wist Raphaël Denutte (9) de hoofdvogel neer te halen. Op 21 juli , dag van de jaarlijkse schieting werd een prachtige huldeschieting ingericht ter gelegenheid van het gouden jubileum van erevoorzitter en burgemeester Cyriel De Brabandere , sinds 51 jaar lid van de gilde.

     

    (1)Op het einde van de 19e eeuw (189O) stond de ‘gaaipers’ in de Vanbelleghemdreef ter hoogte van de woning van dokter Albert Debeurme, die er in 1949 bouwde. Vanaf 1948 stond ze op de weide rechtover de ingangspoort van het kasteel Blommeghem tot omtrent 1960. Vervolgens aan de hoeve Courtens ongeveer waar nu de Vesaliusstraat loopt tot in 1967. Toen belandde ze in de Poortersstraat tot 1970 (zie foto).

     

    (2)Cyriel Libeer, de zoon van Isidoor zou in 1886 de eerste uitbater worden van café ‘In de Klok’ in de Vagevuurstraat.

     

    (3)De Boondriesmolen stond op de Pauvre Leute, in de Watervalstraat in een weide ten westen van het hoevetje, nu bewoond door Eric Maertens-Desnock. Lang was daar een ronde watervijver , getuige van de grondvesten van de molen.Het was een windkorenmolen. Op het einde van de 18e eeuw was Guillaume Ameye – Marie Anne Libeer er molenaar. Zijn zoon Petrus en kleinzoon Henri volgden hem op. Leo Spiesschaert ( uit Wingene) was er molenaar tot 1881. De molen verdween in 1889.

    Jan Antone Wolfcarius en zijn vrouw Regina De Brabandere waren de eigenaars.

    In 1829 kwamen de molen en de hofstede , door erfenis van zijn ouders  hiervoor, in handen van Antone Wolfcarius, bierbrouwer en burgemeester van Moen, die het geheel in 1830 verkocht aan zijn broer notaris Josephus Antone Wolfcarius , in Kortrijk.

    In 1852 ,bij de verdeling, waren Auguste Joseph Wolfcarius, grondeigenaar in Kortrijk en zijn zuster Adèle Maria Wolfcarius getrouwd met François Carette, fabrikant in Tourcoing ,eigenaars.

    In 1861 verkochten Auguste Joseph en Adèle de hofstede en molen aan Charles Mailliet (dokter in Tielt) en zijn vrouw Julie Comer (een apothekersdochter uit de Lange Steenstraat in Kortrijk).  Eind 19e eeuw kwam het goed in bezit van hun  zoon Alfred, getrouwd met De Rynck Eugenia , dochter van Carolus een Tieltse bierbrouwer. Begin 20e eeuw werden bij verdeling  Louis Missiaen en echtgenote Anaïs Mailliet eigenaars (zie grondplan van 1927).

    Frans Holvoet, landbouwer op het ‘Hof te Sorys’ kocht de hoeve in 1953 en Albert Vandenheede boerde er van 1947 tot hij in 1953 verhuisde naar de hoeve (verblijfshoeve) in de Kleine Marktstraat. Momenteel wonen  Eric Maertens met zijn echtgenote Christine Desnock er al meer dan 20 jaar en zijn de nazaten van landbouwer Frans Holvoet nog altijd eigenaars.

     

     

    (4) Petrus (Pieter) Soete (Marke-Uitkerke 1856, 76 jaar oud) was de zoon van Jan Soete, bakker en koster. Felix Benoot trouwde in 1852 met Natalia Soete, dochter van Petrus.

     

    (5)In 1858  werd besloten de klokken niet meer te laten luiden voor de koningsvogelschieting. De klokkenluiders hadden toen financiële eisen gesteld en aanspraken gemaakt . Het was ten tijde van het bestuur van Eduard Van Belleghem, toen koning, Felix Benoot, griffier, Pierre Terrijn en Pierre Duhem , ‘jugen’.

     

    (6)In 1879 kwam onder de liberale regering de fameuze wet Van Humbeeck, die tot een regelrechte schoolstrijd leidde. Toen moest Felix Benoot kiezen tussen ontslag nemen of aan blijven. Hij verkoos aan te blijven ,maar voor hem liep het mis ,want zijn school liep leeg. Van dan af is geen spoor meer te vinden van Felix Benoot in de archieven van de handbooggilde.

    Henri Vanhoenackere was al van 1863 de taak van schrijver toebedeeld, doch heeft die wel wat laten verwateren.

     

    (7) De nieuwe gaaipers verving de oude , die al enkele jaren in de Van Belleghemdreef stond, op het perceel meers waar later dokter Albert Debeurme bouwde in 1949.

    In 1883 trok de Schuttersgilde Sint-Barbara naar de ‘Koekeberg’ voor de koningsvogelschieting en liet de ‘perse’, achter het café ‘In de Belle-Vue, voor wat ze was. Hetzelfde jaar nog kreeg ze een schietdoel achter café ‘Het hof van Commerce’ in de Marktstraat.

    (8) ( Octave) Octaaf Van Laere (Avelgem 1856- Kortrijk 1946) was de  zoon van Bruno, ijzerhandelaar ,en Pauline Castelein. Drie van zijn zusters traden in het klooster.

    Octaaf werd in 1883 in Leuven dokter in de genees-,heel- en vroedkunde. Hij vestigde zich eerst als huisarts in Dottenijs en trouwde in 1887 met Léontine De Kien ( Kortrijk 1863 – Dottenijs 1892) , dochter van de textielnijveraar Leonard De Kien. Door toedoen van zijn oudere zus Irma Van Laere ( Moeder Marie-Chantal) (Avelgem 1850- Sint-Michiel Brugge 1928), algemeen overste van het krankzinnigheidsgesticht van Sint-Anne, werd Octaaf er op 15 april 1893 tot adjunct-geneesheer benoemd. Hij verhuisde naar Sint-Anne en werd terzelfdertijd dokter van de aanpalende gemeenten Aalbeke,Marke en Rollegem. In 1895 hertrouwde hij met Marie –Anaïse Bathiat ( Rijsel 1865- Leuven 1939) . In 1904 werd hij bevorderd tot hoofdgeneesheer. Hij stond ook bekend als een verwoed boogschutter ( Kortrijkse Asklepiaden, door Dr. José Van Laere). Hij was katholiek raadslid in Kortrijk van 1904 tot 1911 en van 1921 tot 1927.

     

     

    (9) Raphaël Denutte, een zoon van Jozef Denutte, was gedurende zijn carrière als boogschutter 7 maal koning. In 1992 , toen 62 jaar schutter , behaalde hij nog de titel van koning bij de Sint-Sebastiaansgilde in Kortrijk. Hij was er ook koning in 1979 en 1980. Van pijlenraper was hij al jong bevorderd tot topschutter. In 1930 schoot hij de hoofdvogel bij ‘De Katte’. In 1938 en 1939 was hij koning in Marke en bleef dit gedurende de oorlogsjaren. Hij schoot zich verder koning in 1957 op de Pottelberg (St. Jozef)  en in 1960 bij Willem Tell . Hij veroverde het kampioenschap in Bissegem en won twee keer de trofee van Kortrijk. Hij werd ook koning in de toren met de overdekte wippen. Jozef , zijn vader, was koning  in Marke in 1914 en droeg die titel gedurende gans de eerste wereldoorlog. In Marke was hij al ingeschreven sinds 1904. Na de eerste oorlog trok hij naar Bellegem en in 1931 keerde hij naar Marke terug als 100e lid. In Marke was hij koning in 1913, 1947,1948 en 1964. In Marke vierde hij in 1964 , als koning, zijn diamanten schuttersjubileum ( 60 schutter) .Jozef overleed in september 1965, als ereondervoorzitter.

    Foto’s :

    1/ In 1900 ontvangst op het kasteel de Bethune.

    2/ 1927 :

    V.l.n.r :

    Gerard      Arthur           Gerard     Cyriel   Georges   Georges  Georges

    Brasseur Vandenberghe  Bourgois  Ameye  Dermaux  Delcroix  Basyn

     

    3/Toen de ‘gaaiperse’ in de Poortersstraat , tussen de hoeve ‘Dekimpe’ en

      Het ‘Lindestuk’, stond.

    4/ Detail grondplan uit 1927. Hoeve in de Watervalstraat. Een brede voetweg(een

      ‘karriere’ , waar paard en kar door konden) verbond de Cornelusweg, toen ook

      nog een voetweg, met de hoeve. Er bestond ook een ‘karriere’ die de Kalvarie-

      straat verbond met de hoeve, maar die verdween in 1957 bij het bouwen van

      nieuwe huizen.

      Boven: de Watervalstraat.

      Witte pijl :’put’ overblijfsel grondvesten ‘Boondriesmolen’          

     5/ De vlag van de handbooggilde Sint-Sebastiaan in 1972 tijdens een

      tentoonstelling.

     

     













    14-05-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (6 Stemmen)
    29-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT.

    DE TWEE STEENBAKKERIJEN IN OPEN LUCHT VAN HECTOR ISERBYT

    EERSTE STEENBAKKERIJ IN 1897

    Het initiatief voor de oprichting van een eerste steenbakkerij in Marke kwam van een Harelbekenaar: steenbakker Ferdinand Constant Iserbyt - gezegd Constant (1828-1887) vroeg op 14 maart 1897 aan het Markse gemeentebestuur de toelating om voor onbepaalde duur een steenbakkerij in open lucht te mogen oprichten. Constant, aanvankelijk landbouwer, had zo’n dertig jaar eerder (in 1869) al een steenbakkerij opgericht op Overleie in Harelbeke. Zijn zoon Hector (Harelbeke, 1860-1945) werd in februari 1899 medestichter van de ‘Tuileries de Marcke-lez-Courtrai’ en stond zowel in Harelbeke als in Marke in de volksmond bekend als ‘de Krikkeboer’. Hij had die weinig flatterende roepnaam te danken aan het feit dat hij mank liep (men zei dat hij een houten been had).

    Iserbyts eerste openluchtsteenbakkerij in Marke zou gebeuren langs de Leie, op de percelen van de sectie A 114-115-115b-116e en 116b van het kadaster. De gronden die voor het steenbakken in Marke zouden worden ontgonnen, maakten deel uit van de hoeve bewoond door Theophiel Vanhoutteghem. Noot: boer Vanhoutteghem mocht enige tijd later zijn biezen pakken, want de bouw van de pannenfabriek stond op dat ogenblik al geprogrammeerd. Na de dood van Paul Baron Bethune in 1901 werden die percelen eigendom van zijn dochter Marie-Thérèse Barones de Bethune (echtgenote van Jonkheer Paul de la Croix).

    Burgemeester Leopold Van Belleghem (Marke, 1835-1898) stuurde op 15 maart 1897 het positieve resultaat van de beraadslaging van het schepencollege naar de West-Vlaamse provinciegouverneur. Die liet het Markse gemeentebestuur prompt weten dat gestichten van die aard gerangschikt waren onder ‘gevaarlijke gestichten van 1e klas’ en dat voor dergelijke inrichtingen door de Bestendige Deputatie machtiging moest worden verleend. Iserbyt moest zich schikken naar de wet. Een kadastraal plan met alle gebouwen, wegen en waterlopen die gelegen waren in een kring van 100 meter van de inrichting, moest bij zijn aanvraag worden gevoegd.

    Marke had zich louter op het K.B. van 28 juli 1890 gebaseerd, dat alle inrichtingen van die aard rangschikte onder de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke gestichten van 2e klas. Het K.B. van 1890 sprak echter alleen op tijdelijke steenovens die voor één seizoen werden opgericht. Constant Iserbyt had een machtiging gevraagd voor een bestendige steenbakkerij en Marke werd andermaal op de wet gewezen (brief van 7 april van de gouverneur aan het gemeentebestuur van Marke).

    Twee dagen na de wenken van de gouverneur vroeg het gemeentebestuur van Marke aan dat van Harelbeke om Iserbyt aan te zetten een nieuwe aanvraag te doen en hem er op te wijzen welke vereiste stukken hij daarbij moest voegen. Bijna drie maanden later liet de gemeente Marke de hogere overheid in Brugge weten dat er nog geen (nieuwe) stukken in Marke waren toegekomen (brief van 3 juli 1897 aan de gouverneur).

    Het bijzondere aan het verhaal is dat de steenbakkerij langs de Leie in Marke door Constant Iserbyt in de praktijk al zonder toelating werd uitgebaat… Daarmee stelde hij zich bloot aan gerechtelijke vervolgingen (brief van 14 juli 1897 van de gouverneur aan de gemeente Marke en van 22 juli van ons gemeentebestuur aan de gouverneur).

    Op 31 januari 1898 kwam op het gemeentehuis in Marke volgend schrijven van gouverneur Ruzette toe: “Ik heb de eer u te verzoeken mij te laten weten of sieur Iserbyt, die eene steenbakkerij opgericht heeft zonder de noodige machtiging van de bevoegde overheid, reeds de stukken ingediend heeft waarvan er spraak was in mijnen brief van 7 april 1897. Indien de belanghebbende langer weigert zich te gedragen volgens de voorschriften op het stuk bestaande, zult gij proces verbaal tegen hem moeten opmaken.”

    Op 11 februari 1898 vernam de burgemeester van Marke, via het gemeentebestuur van Harelbeke, dat Iserbyt de vereiste stukken rechtstreeks naar de gouverneur had verstuurd. Wat was daarvan aan? Want eigenaardig genoeg werd op 16 februari door Iserbyts zoon Hector een aanvraag gedaan bij de gouverneur om een bestendige openluchtsteenbakkerij te mogen oprichten in Marke op de percelen van de Sectie A 117b en 118b (dus de percelen ten oosten van deze opgegeven door zijn vader). De oppervlakte bedroeg 78 aren. Wellicht enigszins verwonderd vroeg de gouverneur daarop aan het Markse gemeentebestuur: “… de voornaam van sieur Iserbyt die voordezen (voordien) dezelfde machtiging gevraagd heeft is Constant. Gelieft mij te laten weten of er hier spraak is van een en hetzelfde gesticht.”

    Onze burgemeester antwoordde op 8 maart dat het hier om dezelfde aanvraag ging. De eerste aanvraag was gedaan door vader Constant, die intussen zijn zaken had overgelaten aan zijn zoon Hector. Bijgevolg moest de machtiging gegeven worden aan Hector.

    Het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk, een aanpalende eigenaar van de inrichting, had bij het onderzoek van commodo en incommodo geprotesteerd tegen de komst van de steenbakkerij: “L’établissement d’une briqueterie permanente à coté du rouissoir de notre fermier Verspaille (de hoeve Verspaille, op de oosthoek van de Koedreef en de Rekkemsestraat, was eigendom van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk) sera sans nul doute très préjudiciable à son exploitation et présentera des inconvénients si graves à tout instant que notre locataire se trouvera dans la nécessité d’interrompre son industrie et par suite notre administration se verra dans l’obligation de résilier le bail du rouissoir qui perdra toute clientèle à cause des dommages inévitables occasionnés par la briqueterie. De concert avec notre fermier Verspaille nous nous réservons dès à présent de réclamer chaque année à chaque saison les dommages qui résulteront de la briqueterie projetée.” (brief van 19 maart 1898) Het kwam er dus op neer dat een steenbakkerij zeer nadelig en schadelijk geacht werd voor de rootplaats of Leieroterij.

     

    De verleende machtiging schreef de vervulling van volgende voorwaarden voor:

    1/ Er mocht geen aarde uitgedolven worden op minder dan 1 m van de aanpalende gronden.

    2/ De ovens moesten tenminste op 30 m van de grens met de aanpalende gronden worden geplaatst. Daarbij moesten ze voorzien zijn van een afscherming tijdens het bakken.

    3/ Na het uitdelven moesten de gronden genivelleerd worden tot ongeveer 0,50 m boven het zomerpeil van de Leie.

    4/ Ontvlambare stoffen waren verboden in een zone van 20 m van de spoorweg.

    5/ Hector Iserbyt zag zich genoodzaakt een overdekte hangaar van 5 m lang, 2,50 m breed en 2,50 hoog te bouwen waarin de arbeiders zouden kunnen eten en schuilen.

    6/ De vergunning werd verleend voor een termijn van 30 jaar.

    In zitting van het College van Burgemeester en Schepenen van 9 april 1898 werd gunstig advies gegeven en op 5 augustus werd de vergunning geleverd door de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen.

    Hoewel ‘bestendig’ was de steenbakkerij geen lang leven beschoren: ze viel nog voor de Eerste Wereldoorlog stil.

     

    TWEEDE STEENBAKKERIJ IN 1923

    Een kwarteeuw later, op 10 februari 1923, stuurde Hector Iserbyt rechtstreeks naar de gouverneur een aanvraag om opnieuw een ‘bestendige’ steenbakkerij in open lucht, met verscheidene ovens, te mogen oprichten in Marke. Deze keer op de percelen van de Sectie A 103g en 103h van het kadaster, die gelegen waren langs de Rekkemsetraat, achter café “De Zon”. Die percelen waren oorspronkelijk eigendom van Paul Baron Bethune en werden in 1909 door zijn erfgenamen verkocht aan de pannenfabriek. Hector Iserbyt maakte ook gebruik van het perceel Secie A 103e, dat toebehoorde aan Marie-Thérèse Barones de Bethune, echtgenote van Jonkheer Paul de la Croix.

    Het doel van de onderneming was de ontginning van klei en het vormen en het bakken van bakstenen in veldovens. Het graven gebeurde met de spade en het vormen met de hand.

    Uit het proces-verbaal van commodo en incommodo van 8 mei 1923 bleek dat er geen verzet tegen de aanvraag was ingediend, niettegenstaande een hele resem omwonenden geïmpacteerd waren door de inrichting. Het schepencollege van Marke bracht op 18 mei een gunstig advies uit. Ook de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen gaf haar akkoord in zitting van 9 november 1923.

    Camille Fostier (Waregem 1907 – Kortrijk 1988), die getrouwd was met Adrienne Deceuninck (Marke 1912 – Kortrijk 1996), kon een interessant getuigenis afleggen over de tweede steenbakkerij van Hector Iserbyt in Marke, die – zo blijkt – ook niet lang heeft bestaan:

    “Adrienne heeft geweten toen ze jong was dat achter café ‘De Zon’ een steenoven stond. In 1925 kwam ik (Camille Fostier) daar werken. De stichter van die steenbakkerij was Hector Iserbyt, beheerder van de Markse pannenfabriek. We maakten daar zo ongeveer 16.000 stenen per dag. Het waren bakstenen en ze werden ‘gemouleerd’ in bakjes van 2. Het was de vormelaar die dat deed. Er waren dan mannen die niets anders deden dan mortel maken. De steenbakkerij was geen lang leven beschoren en heeft blijven bestaan tot ongeveer 1933-’34. De reden was dat men geen goede klei meer kon ‘trekken’. Hierop ontstond het voetbalveld van F.C. Marke.

    Gedurig waren 11 mannen aan het werk. Er waren ook ‘branders’. De ‘brander’ maakte het vuur om de stenen te kunnen bakken. Men spreekt van een steenoven, maar er was natuurlijk geen oven. De stenen werden opeengestapeld en langsonder werden dan fijne kolen uit zakjes gestrooid en in brand gestoken. Als het regende moesten de arbeiders ’s nachts uit hun bed om de vlaken te gaan bedekken, opdat de ‘moules’ niet zouden nat worden. De grote baas van de steenoven was Hector Iserbyt van Harelbeke, de ‘krukkeboer’ genaamd. Hij kwam de werken inspecteren met paard en een ‘size’. Hij had bijna altijd een bolhoed op en een wandelstok in de hand. Er werkten nogal wel van Lichtervelde in de steenoven. De arbeiders konden schuilen en slapen in een barak achter het café ‘De Zon’.”

     

    Hector Iserbyt in 1926.

    1/ Foto Sectie A  117b en 118b.

     

    2/ Foto 1924  1/ Hoeve Dendoncker.

                2/ 12 huizen gebouwd in 1923 door de pannenfabriek van Marke,

                  waarvan 2 tweewoonsten. Naast de 8 andere café ‘Hongarië’,

                  café ‘Oostenrijk’ en nog 3 oudere huisjes.

                

                3/ De steenbakkerij. De grond, ‘De Pottier’ genaamd, werd in 1909

                  gekocht aan de erfgenamen van Baron Paul Baron Bethune.

                  Uiterst links staan 6 huizen. Het hoekhuis links is café ‘De Zon’.

                  Het huis rechts is gebouwd door de pannenfabriek in 1923. De

                  4 huizen tussenin zijn gebouwd door Charles-Louis Lannoo in

                  1913. De grond werd gekocht aan Jonkheer Paul de la Croix.

                  Het stuk grond tussen de Keiweg en de steenbakkerij was

                  eigendom van de Burgerlijke Godshuizen van Kortrijk.

     

     

     

     

     

     

     







    29-03-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    09-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE JASTA 10 IN MARKE.

                              DE  JASTA 10  IN  MARKE

                             _____________________

    Eens en voor altijd:

    _______________

    De Jasta 10 landde hier op Flugplatz Marke (tussen de pannenfabriek van de Pottelberg en de verblijfshoeve ) op 29 mei 1917.

    Verschillende auteurs  bijten zich vast op 2 juli 1917. In de “Gazette van oud Cortryck” van maart 2017, in het artikel ‘Flugplatz Marckebeke’ was het ook van dat. Het artikel bevat  historische onjuistheden. Een 6-tal foto's kregen een foutieve omschrijving .Een foto kreeg geen omschrijving. En een anachronistische trucfoto sluit de rij .

    1/ Het dagboek van Jean Verhoye :

         Dinsdag 29 mei 1917: “De vliegers komen toe op ’t vliegplein (aankomst van

         Jasta 10) er zijn er 8 stuks tweedekkers Albatros. Ze doen weer groote

         Manoeuvres ten schade van land en vruchten.”

     

    2/  De gemeenterekeningen anno 1917:

     

         De Jasta 10 hield haar Casino in de Marktstraat in de brouwerij van  Cyriel De

         Brabandere van 29 mei tot 25 november 1917.

        

     

     

                            

              

     

     

                             

       





    09-03-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    23-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EHRENFRIEDHOF NR.179 - Een Duitse militaire begraafplaats in Marke

    EHRENFRIEDHOF NR. 179

    Een Duitse militaire begraafplaats in Marke

    __________________________________________________

    We snijden het artikel aan met wat voorgeschiedenis. Het gaat hier om een stuk grond, gelegen op de hoek van de Hellestraat en de Kleine Pontestraat. Op de Popp-kaart en de kadastrale legger van Marke staat het perceel geboekstaafd als sectie B 179. De eigenaar is het Armbestuur van Kortrijk (Bureel van Weldadigheid), zeg maar het huidige OCMW. Het stuk grond maakt deel uit van de hoeve naast het ontmoetingscentrum in de Hellestraat. Die hoeve was tijdens de Eerste Wereldoorlog bewoond en uitgebaat door Raymond Delobelle (Heestert, 1874 – Kortrijk, 1971) en Leonie Callens (Heule, 1885 – Izegem, 1933).Eric Coucke was de laatste landbouwer op de hoeve. Het perceel sectie B 179 had toen een oppervlakte van 70 are 50 centiare. Meer dan een kwart ervan (18 a 26 ca) werd tijdens de oorlog door de Duitsers opgeëist voor het aanleggen van een begraafplaats.

     We schrijven juni 1917. Marke belandde toen in het ‘Operationsgebiet’. Het klooster werd toen tot een ‘Lazarett’ omgevormd.  De Derde Slag bij Ieper (juni-november 1917), met inbegrip van de ‘Mijnenslag’ (7-14 juni), zorgde voor een enorme toename aan doden en gewonden . De gesneuvelden uit het  Brits zomeroffensief  van 1917 en de Duitse lenteaanvallen van 1918 waren bijzonder talrijk. En omdat het front opschoof, was er nood aan nieuwe begraafplaatsen.

     

    De begraafplaats werd onmiddellijk in gebruik genomen: in juni 1917 al. Hieruit leiden wij af dat de eerste gesneuvelden die hier begraven werden, gewonden waren uit de mijnexplosies van 7 juni 1917. Markenaar Jean Verhoye (1892-1986) noteert op 7 juni 1917 in zijn oorlogsdagboek: "Verledene nacht bereikte het artillerievuur eene nog nooit gehoorde sterkte, een trommelvuur van d’ergste soort en van zeer zware geschutten. Den Duitsch zegt dat het beider zijden van Wijtschaete is, ’t geene waar zijn kan." En 's anderendaags: "De gekwetsten komen toe ’t zijn er al 30 en 9 al gestorven. ’t Schijnt dat het hier de eerste verbandambulance (ingericht in het klooster der zusters) is achter ’t front, want de jongens bloeden en zijn onverbonden, ’t is wreed om zien." Op 7 juni 1917 deden zich geweldige ontploffingen voor. 19 Britse dieptemijnen werden ontstoken in tunnels die men al een jaar op voorhand (1916) had gegraven. De Britten hadden de overmacht met hun tanks en hun vreselijke kanonvuur veroorzaakte zware verliezen bij de Duitsers.

     

    Camiel Lefevere (Marke, 1907 - Kortrijk, 1988) woonde met zijn ouders in het café ‘De Brug’, rechts op het einde van de Kloosterstraat. Ook hij liet een kort ooggetuigenverslag na: “Een zekere Max (een Duitser) was toezichter op het Duits kerkhof en moest het ook onderhouden. Het zijn de Duitsers die de kerkhofmuren met de hulp van Markenaren gezet hebben. Sommige gekwetsten kwamen van het front (eerst met het treintje [de stoomtram, nvdr]) en kwamen dan toe in het klooster op een boerewagen (soms ook kisten op de boerewagens).”

     

    In Marke werden soldaten begraven tot oktober 1918 (zie “Wereldoorlog I Marke” van M. en R. Faillie, 1984, blz. 382 t.e.m. 390 voor een namenlijst). Oorspronkelijk rustten op de begraafplaats 181 Duitsers, 12 Britten, 1 Fransman en 1 Italiaan. Na de oorlog werden de 12 Britten overgebracht naar het Harlebeke New British Cemetery. De enige Italiaan werd herbegraven op het Campo Santo Italiano di Houthulst. De ene Fransman werd wellicht gerepatrieerd op vraag van diens familie.

     

    De foto van het Duits kerkhof dateert van rond 1926.

     

    In een brief van 8 maart 1922, richt het gemeentebestuur van Marke zich als volgt tot de bevelhebber van de 'Krijgsbegravingsdienst IV sector Izegem': “Het opschrift bij de ingang van het kerkhof ‘Verboden aan de bewoners van de aanpalende straten op het militair kerkhof te gaan’, werd door de werklieden van de krijgsbegravingsdienst weggenomen. Een der Engelse werklieden heeft de plank aan een vrouw uit de buurt gegeven, dat zij zelf als souvenir mocht behouden.” Aan wie hebben wij het raden naar ...

     

    In de jaren 1930 werd het Duitse kerkhof aangekocht door de Belgische Staat en ter beschikking gesteld van de Duitse regering. Omstreeks 1931-1932 werden een honderdtal Duitse gesneuvelden van gemeentelijke begraafplaatsen in de omgeving naar Marke overgebracht. Ze kwamen uit Gullegem (29), Zwevegem (1), Harelbeke (22), Stasegem (4), Moeskroen (21), Heestert (5), Gijzelbrechtegem (3), Otegem (4), Avelgem (4), Dottenijs (6) en Kooigem (1). Tegelijk werd het kerkhof ook heraangelegd. De houten grafkruisen die daarbij werden gebruikt, waren van het type Einheitskreuz Nr. 40B en werden gemaakt door Charles-Louis Lannoo, aannemer van timmerwerken in Marke. Het kerkhof bestond uit vier terrassen met hoogteverschil en met steunmuren in baksteen. Op het bovenste terras kwam een massagraf en werd een kleine kapel gebouwd waarin een smeedijzeren kruis werd geplaatst. De twee hoogst gelegen terrassen zijn bewaard gebleven en nog altijd zichtbaar.

     

    Eregemeentesecretaris Albert Vandaele (1925-2016) herinnerde zich over die werken het volgende: “In de jaren ’30 werden er Duitse soldaten van andere kerkhoven overgebracht naar het Duits kerkhof van Marke. Ik woonde toen in de reke van het klooster – de 6 huizen stonden haaks op de Kloosterstraat – met mijn ouders en was toen een jaar of 7. Ik zag hoe gedisciplineerd men de kisten overbracht en zorgvuldig begroef op het Duits kerkhof.”

     

    Voor de volledigheid: op het gemeentelijk kerkhof, toen nog rond de kerk van Marke, lagen ook militairen begraven. Op 10 oktober 1949 werden 8 Franse soldaten, waaronder 2 onderofficieren  er ontgraven. Ze waren in 40-45 van Sint-Anne naar Marke gebracht . De ontgravingen gebeurden in aanwezigheid van burgemeester Alfred (Gabriël) De Brabandere, veldwachter Michel Desmet, Arthur Rottier , Jozef Brasseur en Arthur Maenhout, voorzitter van de oudstrijdersbond.

     

    Een wat onvolmaakte foto uit 1951 toont aan dat het onderhoud van het Duitse militair kerkhof te wensen overliet. Het oord lag er lange tijd verwilderd bij. Uiteindelijk werd de begraafplaats opgeheven bij het centraliseren van de Duitse kerkhoven in mei 1955. De Belgische overheid drong aan het aantal te behouden militaire begraafplaatsen te beperken .

     

    In totaal lagen hier 281 Duitsers begraven. Daarvan werden slechts de graven van 248 bekende gesneuvelden in de week van 15 tot 21 mei 1955 naar Menen-Wald, Feld I (perk I), overgebracht. Volgens het eerste register, dat kort na de oorlog moet opgesteld geweest zijn, waren er 19 onbekenden, die hun laatste rustplaats in het Kameradengrab in Langemark kregen. Ook het massagraf van 14 lijken op de bovenste terras links werd naar diezelfde begraafplaats overgebracht. In totaal dus 33 niet-geïdentificeerde gesneuvelden. Eind mei 1955 waren alle stoffelijke overschotten van de Duitse soldaten elders bijgezet (brief van secretaris-generaal Margraf van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge aan burgemeester Alfred De Brabandere  van 27 mei 1955.)

    Albert Vandaele: “De beenderresten op het Duits kerkhof werden in 1955 in “Vaderlanderkes” (jutezakken) gestoken, zorgvuldig genummerd, volgens de officiële lijsten, dus heel secuur onder de leiding van de Deutsche Kriegsgräberfürsorge. In een graf werd zelfs een fles met een brief erin ontdekt.”

     

    In 1955 was de Belgische Staat zinnens het afgeschafte Duits militair kerkhof te verkopen. Op 21 mei 1955 werd al  aangedrongen door de Duitse Bundesrepublik (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge) om het bestaande monument te behouden en niet te vernietigen. Het gemeentebestuur van Marke wilde de verkooptransactie verhinderen en wendde zich op 31 januari 1956  tot het Ministerie van Financiën, Directie Domeinen in Brussel. De integrale tekst van de brief gericht door het gemeentebestuur van Marke aan het Ministerie van Financiën (de schrijfstijl werd behouden) volgt hierna:

     

    Mijne Heren,

    Naar wij vernemen zouden uwe diensten zinnens zijn het perceel grond sectie B 179 a groot 18 a 26 ca in openbare verkoping te geven. Mogen wij u verzoeken te willen onderhandelen om te verkopen in der minne, zoals wij voorheen gevraagd hebben aan de heer Ontvanger der Domeinen te Kortrijk.

    Indien uwe diensten, toch zouden beslissen het goed in openbare verkoping te geven, zullen wij ons verplicht zien ons te verzetten en dit om volgende redenen.

    Het bijzonder plan van aanleg (BPA) Kloosterstraat dat onlangs zal voorgelegd worden aan de koninklijke goedkeuring voorziet de inname van een deel van dit perceel voor de openbare wegenis; de rest van het perceel zou bestemd zijn als speelplein voor kinderen en rusthoekje voor ouden van dagen, daar in de omgeving huizen voor ouderlingen worden gebouwd. Over gans het perceel werd een zone bouwverbod gelegd, dit in overeenkomst met de diensten voor Stedenbouw West-Vlaanderen.

    Wij zouden aldus in gelijk welke omstandigheden ons verplicht zien over te gaan tot de onteigeningsprocedure, ten einde dit perceel volledig in te lijven bij het gemeentelijk domein.

    Wij hebben voorheen de vraag gesteld aan te kopen in der minne, ten einde de formaliteiten en moeilijkheden van onteigeningen te omzeilen.

    Naar we vernamen van de ‘Umbettungsleiter’ [het hoofd van de ontgravingsdienst, nvdr] zouden ze al de bestaande metselwerken vernietigen. Het tegenovergestelde werd ons aldus toegestaan. Zo werd dit kunstmonument in zijn geheel behouden, rekening houdende met de toekomstplannen van de gemeente [het smeedijzeren kruis in de kapel op de hoogste terras is echter verdwenen in de tachtigerjaren van de 20ste eeuw; zie de foto in betere tijden].

    Om al deze hoger aangehaalde redenen, zullen wij ons verplicht zien ons te verzetten tegen de publieke verkoping, en vragen wij u beleefd de aankoop in der minne toe te staan.

    Wij verhopen dat u onze vraag welwillend zult onderzoeken. In de hoop een gunstig antwoord te mogen ontvangen aanvaardt, mijne heren, de verzekering onzer hoogachting.

    De  secretaris                                                          De burgemeester

    Albert Vandaele                                                     Alfred (Gabriël) De Brabandere”

     

    We laten opnieuw eregemeentesecretaris Albert Vandaele aan het woord: “De Belgische Staat nam het besluit het ontruimde kerkhof in 1955 openbaar te verkopen. Doch de gemeente Marke vroeg dat niet openbaar te doen, maar het aan haar te verkopen ... Er was immers een bijzonder plan van aanleg (een plan van lijntrekking), om de Kloosterstraat en de Hellestraat in rechte lijn te verbinden met de Prinse. Het BPA bestond trouwens al van 1888. Hierbij was de inname van een groot deel van het oude Duits kerkhof voorzien. Later onder het burgemeesterschap van Emmanuel de Bethune kwam dat plan weer op de voorgrond, doch men liet het links liggen.”

     

    Julien Steelandt (1897-1988): “Ik heb altijd horen vertellen van mijn vader Camiel (1857-1936) dat een Van Belleghem op de hoeve woonde en die wilde niet dat de weg door zijn boomgaard liep.” Eduardus Van Belleghem (Marke, 1819 - Marke, 1895), lid van het Bureel van Weldadigheid, baatte toen samen met zijn zuster Barbara-Theresia (Marke, 1824 - Marke, 1894) de hoeve uit. Zij waren kinderen van  Joannes en Rosalia Planckaert.

     

    In 1958 werd beslist in zitting van 24 mei, onder het voorzitterschap van dienstdoend burgemeester Michel Chanterie (1899-1972), om het militair kerkhof voor 90.000 frank aan te kopen aan de Belgische Staat. Michel Chanterie was dienstdoende burgemeester na het overlijden van Alfred Debrabandere in januari 1957 en dit tot aan de benoeming van Aimé Bekaert (1903-1990).

     

    Albert Vandaele sprak niet meer over het ‘speelplein en het rusthoekje voor ouden van dagen’!Volgens hem was burgemeester Alfred (Gabriël) Debrabandere (1891-1957) van plan om een groot Heilig Hartbeeld te laten plaatsen op die plek, doch hij overleed op 25 januari 1957 en ... het resultaat is een parking geworden.

     

    Na de overbrenging van de stoffelijke overschotten van de Duitse soldaten naar Menen-Wald, werd er door de “Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge” (Kassel) op gewezen dat vele familieleden van gesneuvelde Duitse soldaten van een kale reis naar Marke moesten terugkeren, zonder de graven van hun geliefden te hebben kunnen bezoeken. Er werd aan het Markse gemeentebestuur  gevraagd de bezoekende familieleden te verwijzen naar het nieuwe kerkhof in Menen en hen mee te delen dat daar een lijst voorhanden was met de namen van de doden die er rusten: "Uns sind Nachrichten zugegangen, dass Angehörige von einer Reise zurückgekehrt sind, ohne das Grab ihres Toten gefunden zu haben……Ihnen vorsprechende Angehörige nach diesem Friedhof (Menen-Wald) zu verweisen, und sie davon zu unterrichten , dass auf dem Friedhof eine Belegungsliste ausgelegt ist und sie dort die Möglichkeit haben, das Grab ihres Toten ohne weiteres zu finden…."

     

    -Detail uit een kaart van het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw in 1952.

    1/ Het Duits kerkhof rond 1926 (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge).

    2/ Het Duits kerkhof in 1951 .

    3/ Toestand in de jaren ’80 van de 20e eeuw (foto Roger Faillie).

    4/ Een toestand in 1955, kort na de ontgravingen.

     

     

     

     











    23-01-2017, 09:33 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (7 Stemmen)
    02-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET RECHT TREKKEN VAN DE BUURTWEG Nr.5 OF DE VAGEVUURSTRAAT.

    HET  RECHT  TREKKEN  VAN  DE  BUURTWEG  Nr.5  OF DE VAGEVUURSTRAAT

    _____________________________________________

    Op 26 februari 1904 werd door de Kortrijkse arrondissementsingenieur A. Van Tomme een plan opgemaakt om de Vagevuurstraat rechtdoor te trekken. Vanaf café ‘In de Klok’ (1) liep de weg westwaarts in boogvorm over de Markebeek, om een tiental meters verder  weer in te schuiven ( nu in de Kalvariestraat ). De brug over de Markebeek lag toen enkele meters meer westwaarts dan de actuele (zie plan).

    Het plan en de werken werden  goedgekeurd door de gemeenteraad van Marke respectievelijk  in de  zittingen van 12 april  en  18 november 1904 ,en door de Bestendige Deputatie op 27 januari 1905. De nieuwe ontworpen weg was 94m . lang. De werken bestonden in het maken van een nieuwe brug over de Markebeek , in het leggen van grint  en het maken van duikers. Daarbij moest de aannemer ook de nieuwe straat opvoeren en de oude effenen.

    Voor de doortrekking moesten volgende percelen onteigend en aangekocht worden door de gemeente:

               Kadaster    Sectie B 168  :Alfons,Emiel en Jules Vlieghe Marke:         2a54ca

                                         B 11 : Klooster Marke :                                        1a15ca

                                         B 23: Klooster Marke  :                                        5a45ca

                                         B 46 : Plaquet- Duvivier Eugène We. en                 0a45ca

                                                                             kinders Leuze.

    In februari 1905  verkocht het klooster 10 populieren uit de meers ( Sectie B 23) nabij het café ‘In de Klok’  ( Akte not. Guillemyn).

    Het afgeschafte gedeelte van de oude weg kwam in het bezit van de ‘Brouwerij van Stacegem’ (Sectie B 31f)-  We.Grymonprez en erfgenamen (Sectie B 35) –Constant en Louis Van Belleghem (Sectie B 36 en 40) – Plaquet-Duvivier Eugène (Sectie B 46).

     

    De grintwerken omvatten tevens gans de Vagevuurstraat (2), over een lengte van 1600m. De breedte van de begrinting was vastgesteld op 3 m. Het College van Burgemeester en Schepenen had op 29 november 1904 al beslist de landbouwwegen 5 - 6- en 7 te begrinten (3). Gemeentesecretaris Henri Vanhoenackere (Bellegem 1847- Marke 1916) werd  als toezichter van de werken aangesteld.

     

    De grintwerken  startten op 1 april 1905 en werden uitgevoerd door Emile Haesbrouck-Orgaer, aannemer te Harelbeke . De begrinting liep tot het kruispunt Kardinaal-, Keizer-, Kalvarie- en Watervalstraat .Op 9 maart 1907 gaf Emile Haesbrouck ook  zijn akkoord om het gedeelte vanaf begin Keizerstraat tot café ‘In de Keizer’ (4) , tegen de Torkonjestraat , te verharden (begrinten).

     

    De heren Constant en Louis Van Belleghem werden er op gewezen dat zij een uitweg , van 3m. breed, moesten laten bestaan langs de partij Sectie B 35 tot aan de hoek ,tegen café 'In de Klok', verder naar de nieuwe straat , om de verbinding  met de voetweg langs het perceel Sectie B 36 te verzekeren. Gemakkelijk te zien op het plan: de voetweg langs het perceel Sectie B 36 is  het nu nog bestaande wegeltje dat uitkomt op de Preshoekstraat.

    In 1925 bouwde aannemer Gerard Leman 4 huizen tussen de voetweg en de nieuwe straat. Zelf woonde hij in het derde huis  ( vanaf de voetweg) en startte er ook zijn zaak.

     

    De ‘gravierweg’ (grintweg) vanaf Markeplaats tot café ‘In de Keizer’ werd plechtig ingehuldigd op 12 juli 1908 (zie strooibiljet).

     

    (1)Het café werd gebouwd in 1882 door timmerman Gustaaf Destoop ( Kortrijk 1852-Lauwe 1892),  op grond die hij gekocht had aan Melchior Brasseur, vlaskoopman en uitbater van café ‘In d’Arke van Noë’. Door een lening aangegaan aan brouwer Henri Malfait-Bonte te Kuurne, was Destoop verplicht zijn bieren af te nemen  aan die brouwerij. Het café had aanvankelijk als opschrift ‘Sint-Joseph’.  Door een andere geldlening in 1883 aan   Jules en Clothilde De Coninck van de  ‘Brouwerij van Stacegem’  werd die brouwerij de nieuwe leverancier. Op 25 maart 1886 verkocht Gustaaf Destoop het café aan de ‘Brouwerij van Stacegem’ en  het opschrift wijzigde onmiddellijk in ‘In de Klok’. Cyriel Libeer was de eerste uitbater en tezelfdertijd slachter. Hij was de zoon van Isidoor Libeer, die toen uitbater was van café ‘In de Belle Vue’ op Markeplaats. ‘In de Klok’ was café tot in 1955. De ‘Brouwerij van Stacegem’ was ook nog eigenaar van de cafés ‘Het Paradijs’ in de Marktstraat, ‘De Sterre’ eerst in de Kloosterstraat, daarna in de Vagevuurstraat, en  ‘De Kardinaal’ op de hoek van de Kardinaal- en de Kalvariestraat.

     

    (2) In het begin van de 19e eeuw liep de Vagevuurstraat vanaf Markeplaats tot de Torkonjestraat. In zitting van de gemeenteraad van 1 augustus 1910, werd ter gelegenheid van de tienjaarlijkse volkstelling , bepaald dat  de Vagevuurstraat opgesplitst werd  in Vagevuurstraat (vanaf dorpsplaats tot Markebeek),  Kalvariestraat (vanaf de brug over de Markebeek tot de Watervalstraat) en Keizerstraat ( vanaf de Watervalstraat tot de Torkonjestraat). In de 17e eeuw sprak men zelfs van de ‘straat komende van Markeplaats tot de’ Boondries’. De ‘Boondriesmolen’ bevond zich in de Watervalstraat en verdween in 1889.

     

    (3) In zitting van de gemeenteraad van 1 augustus 1910 werden volgende benamingen vastgesteld:

    -buurtweg 6 : Aalbekestraat

    -buurtweg 7: a) van de Aalbekestraat tot de wijk St.Anne-Kortrijk: St.Annestraat

                            b) van de Rolleghemstraat tot de Bergstraat : Lantestraat

                            c) van de Bergstraat tot het grondgebied Aalbeke: Luingnestraat.

     

    (4)Uitbater was Remi Derveaux (Deerlijk 1861-Marke 1949). In 1907 werd het café  , dat eigendom was van brouwer Cyriel De Brabandere ,uitgebaat door Gustaaf Vanrobaeys (Marke 1873-Aalbeke 1940) .Het was in die tijd een ‘afspanning met paardenbakken’. In 1935 kocht Michel Vandenbogaerde (Marke 1901- Kortrijk 1973) het café. Zijn echtgenote Germaine Segaert wilde een ander opschrift. De gebroeders Germain,Urbain en Antoon Vandaele , schilders, fristen het café op. Antoon kwam op het idee van ‘In de groene weide’, uiteindelijk ‘Au Pré Vert’.

    Op 6 januari 1949 kwamen hier de twee broertjes Michel (Kortrijk 1940) en Louis (Kortrijk 1942) Vanborre  om in een brand.

     

    Foto’s:

    1/ Café ‘In de Klok’ in 1955.

    2/ Zicht op de Vagevuurstraat vanaf Markeplaats begin 20e eeuw.

    3/ Café ‘Au Pré Vert’ op 5 juni 1980. Het pijltje duidt de plaats van het onheil in 1949 aan.

    4/ Café  ‘Au Pré Vert’ einde jaren ’30.

      V.l.n.r.:

      X  Madeleine     Marguerite Germaine   Gerard   Georges      Michel                    Michel

          Coussement  Ghiesmans   Segaert     Nuytens Ryckoort   Vandenbogaerde     Rogé

     

     

     

     

     

     

     

     













    02-01-2017, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    21-12-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE GEDENKPENNINGEN VAN F.C. MARKE

            DE  GEDENKPENNINGEN   VAN   F.C. MARKE

           _____________________________________

    Voor wat de geschiedenis van voetbalclub F.C. Marke betreft, verwijs ik graag naar het ‘Heemkundig Kijkboek Marke’ van M. en R. Faillie 1982 blz. 153-154 en naar ‘K.F.C. Marke 1935-1995, 60 jaar voetbal te Marke’ door Philippe Vanhaezebrouck.

    Er werd al gevoetbald met vallen en opstaan vanaf 1914 en ook her en der naar speelweiden gezocht.

     1935 werd beschouwd als het officiële startjaar van de club. Van dan af mocht F.C. Marke bogen op een vast terrein, eigendom van de pannenfabriek van Marke. Het veld was gelegen achter café ‘De Zon’ in de Rekkemsestraat. Zo kregen onze spelers ook de naam van ‘pannenbakkers(jongens)’. Daar werd gespeeld tot in 1940, toen bracht de tweede wereldoorlog roet in het eten.

    In 1945 werd de club heropgericht en men vond een nieuw terrein aan de hoeve Dekimpe.

    Maar wat ons nu aanbelangt zijn de gedenkpenningen die in 1938 en 1939 uitgedeeld werden, door de ‘directie ‘ van de pannenfabriek, aan de spelers. De toenmalige ploeg speelde in 3e afdeling B en werd kampioen in het seizoen 1937-38 met 4 punten voorsprong op Wervik.

    De trainer was toen Arthur Millecamps en het lokaal was gevestigd in café ‘In het Nieuw Kwartier’ bij Aimé Verrue.

    De gedenkpenningen:

     

    1/ De spelers van Marke, alsook van de tegenpartij , een Engels team ,kregen op 18 april 1938 , 2e paasdag , na een voetbalmatch een eerste miniatuur pan. Marke verloor toen met 1-6. De wedstrijd tegen een  Engels team op 2e paasdag was een traditie die nog overeind bleef tot in de jaren '50.

     2/ Op paasdag ,9 april 1939 na een tornooi ,ingericht door ‘De Gazet- De Zondagsvriend’, kregen de spelers hun tweede penning uitgereikt.

     

    3/ Op 13 maart 1938 kregen de spelers van Marke vanwege W.S. Lauwe, die toen in eerste provinciale afdeling speelde, een medaille. Het betrof een bekerwedstrijd tegen W.S. Lauwe, en gewonnen door Marke met 2-3. Het tornooi vond plaats op de Schonekeer in Lauwe, aan de hoeve Delaere.

     

    4/ Foto van de kampioensploeg van F.C. Marke in 1938, genomen op het terrein van Rekkem. Marke won er met 0-4.

     

    Boven: v.l.n.r.:

    Aimé      Maurice   Gerard       Jerome          Marcel          Jerome     Alidor        André

    Verrue   Holvoet    Dekimpe   De Mulder    De Mulder    Dutoit      Holvoet     Lemaitre

     

    Onder : v.l.n.r.:

     Albert        Michel                 Daniel            Camiel      Marcel
     Laverge     Vandebuerie      Goegebeur    Faillie        Faillie

                            

        

       

     

     

     

           

       

     

     

     















    21-12-2016, 00:00 geschreven door Michel Markenaar

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (6 Stemmen)
    Archief per week
  • 28/08-03/09 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!