Toen ik nog te jong was om zakgeld te krijgen was ik rijk. Er was een veilig nest en er waren speelkameraadjes en een zusje. Een spaarpot had ik niet. We hadden er wel een, maar die lag in de blokkendoos, hij diende als kasteeltoren.
Geld kende ik enkel als wisselgeld, iets dat ge thuis afgeeft als ge een brood of melk waart gaan halen.
Na mijn eerste communie was het uit met de rust want toen werd ik de wereld van de financiën binnengeleid. Vanaf toen kreeg ik elke zondag één frank. Die frank was veel meer dan een frank want hij had ook toegevoegde waarde, opvoedkundige waarde. Ik werd nl. verondersteld te leren 'omgaan met geld'. Ik zou leren 'besteden', niet zo maar uitgeven. Zo stond ik 's zondags na de mis bij de groten (de zes-plussers) in het kruidenierswinkeltje aan de kerk.
Het winkeltje werd gehouden door de vrouw van de koster. Dat zij zich niet aan de zondagsrust moest houden vonden wij heel gewoon, als vrouw van de koster was zij toch al zeker van een plaatsje in de hemel. Meid van de pastoor leek me ook een interessante post. Maar ik dwaal af.
Door de open deur zag ik mijn moeder en zusje naar huis stappen. Ik stond er dus alleen voor. Zelf een snoepje kiezen, helemaal alleen. Er was zoveel keuze dat ik er duizelig van werd. Wat als ik met het verkeerde snoepje thuiskwam? "Ge moogt zelf kiezen" had mama gezegd. Maar hoe weet ik of ik het juiste kies? Voor andere kinderen was het zondags snoepje een trakatie, voor mij was het een opdracht, een taak die ik moest volbrengen.
En eens het snoepje gekocht, moest ik het dan onmiddellijk opeten, zoals ik andere kinderen had zien doen? Of moest ik het eerst thuis laten zien (niet snoepen voor het eten) en het pas na de middag opeten? Maar 's zondagsnamiddags kwam de ijsjesman. Zou ik wel een ijsje krijgen als ik nog een snoepje had?
"Ge kunt de cent ook sparen" had mama gezegd. In mijn ogen was sparen die frank in de blokkendoos gooien. Dat zag ik niet zitten, dan zou mijn zusje hem in haar mond steken en inslikken, hoe kon een mama zoiets stoms zeggen ...
Ik kon voor die frank ook drie zuurtjes kopen. Dan zou ik eentje opeten onderweg naar huis en de twee andere laten zien aan mama. Ik kon de cent ook bijhouden en na drie zondagen kon ik dan een stuk chocolade kiezen. Maar misschien mocht dat niet. Nú een snoepje kiezen had mama gezegd. Hoe het die eerste zondag afgelopen is weet ik niet meer.
Wat ik me wel herinner is dat ik na verloop van tijd al zenuwachtig werd nog voor we thuis de deur uitgingen. En tijdens de mis ging ik in gedachten de rij bokalen af. Ik kreeg er klamme handen van en wachtte elke zondag in de kerk zuchtend en teneergedrukt op hulp van hogerhand. Die kwam niet en dat was mijn eerste geloofscrisis.
Toen werd er een nog zusje geboren en bleven we zondagsvoormiddag thuis. De snoepcent geraakte in onbruik. En ik kan me zelfs niet herinneren of ik dat toen erg vond.
In financiën ben ik nog altijd geen held en snoepen doe ik nog altijd niet. En het geloof ? Laten we zeggen dat ik zeker niet de vrouw van de koster geworden ben.
m - EZW-01/2012 - bijgewerkt
|