Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Roger Penrose

Roger Penrose


2414222-20c9a1e6cb498a7676aedb902cbf66a6.jpg

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the Missing Science of Consciousness. Synthese en bedenkingen (in de voetnoten) Deel 6

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the
Missing Science of Consciousness.
Synthese en bedenkingen (in de voetnoten)
Deel 6
In het zesde hoofdstuk, Quantumtheorie en realiteit, wordt o.m. de
vraag gesteld of de quantumsprong een reëel proces is. Dit nogal
wiskundige deel wordt hier overgeslagen.
Het zevende hoofdstuk dan: Quantumtheorie en het Brein.(p. 348
vv.).
John Eccles wijst op het belang van quantum-effecten op de
synaptische activiteit in de zenuwgeleiding. Het presynaptisch
netwerk van blaasjes in de pyramidale cellen van de hersenen zou
verband houden met het quantumgebeuren. Het is in elk geval zo,
dat lichtgevoelige cellen reageren als zelfs maar één enkel foton
erop afgevuurd wordt. Misschien is de quantumonbepaaldheid wel
datgene wat de geest toelaat om het brein te beïnvloeden, zeggen
sommige dualisten: de vrije wil zou dan aan de ongedetermineerde
quantumkeuzen een richting geven. Penrose merkt echter op dat
de onbepaaldheid van de quantumsprong pas optreedt in de
overstap van het quantumniveau naar het klassiek niveau. Het
probleem is echter wààr ergens die overstap ligt. Een ander
probleem waarmee dualisten kampen, is het volgende: als lichaam
en ziel dan toch gescheiden zijn, waarom is de vrije wil dan niet in
staat om de resultaten van quantumexperimenten buiten het
lichaam te beïnvloeden?! (1)
In 1943 vergelijken McCullogh en Pitts neuronen met transistoren.
In de Quantum-computation (Deutsch e.a.) wordt het klassiek
begrip van een Turing-machine verbreed tot een corresponderend
quantum-begrip, waarbij de quantum-wetten gelden. Maar zo’n
quantum-computer is alleen maar sneller dan de conventionele,
meer niet. Dit betekent dat alles wat de quantum-computation kan
doen, ook door een gewone computer kan gedaan worden. Hier
valt dus geen heil te zoeken. Dat is misschien wel het geval
wanneer we gaan kijken naar de biologie, meer bepaald naar de
biologische natuur van de hersencellen.
We zien dat een paramecium, een amoebe of een pantoffeldiertje
slechts één cel vormen, en dat ze dus geen zenuwcellen en geen
zenuwstelsel hebben. Nochtans verlopen de ingewikkelde
bewegingen en werkingen die dit eencellig wezen in leven houden
heel gecoördineerd. Hoe komt dat, als er geen zenuwstelsel is?
Eencelligen hebben een cytoskelet, bestaande uit bundels van
microtubuli die tegelijk fungeren als zenuwstelsel, spierstelsel,
enz. Microtubuli bestaan uit eiwitachtige moleculen en vormen elk
een eiwitpolymeer, bestaande uit tubuline, ‘dimers’, die elk 450
aminozuren bevatten met eiwitparen (-tubuline en -tubuline, die
twee soorten elektrische potentialen kunnen veroorzaken). Het
controlecentrum van het cytoskelet is het centrosome, met
daarbinnen de centriole (een soort celoog), dat zijn twee cylinders
in T-vorm van elk 9x3 microtubules die het centrosome verbinden
met de verschillende DNA-strengen in de kern. (Als de DNAstrengen
zich scheiden, krijgen we celdeling). Er zijn dus twéé
hoofdkwartieren in de cel: (1°) de celkern (met het
erfelijkheidsmateriaal, de identiteit, en de eiwitproductie voor de
opbouw van de cel) en (2°) de centrosome (centriole) die de kern
is van het cytoskelet. Zo’n twee hoofdkwartieren bevatten alle
eukariotische cellen - dat zijn de cellen van alle levende wezen,
behalve bacteriën, virussen en blauw-groene algen. Sagan
formuleerde in 1976 de theorie dat vroege pro-karioten werden
geïnfecteerd door spyrocheten (die uit cytoskeletaire eiwitten
bestaan) en die dan ontwikkelde tot het cytoskelet van de cel.
Microtubules vormen communicatienetwerken. Het cytoskelet nu,
beheert de verbinding tussen de synapsen.
Wat heeft dat nu te maken met de kwestie van het nietcomputationele
karakter van de geest? Vooreerst zorgt het
cytoskelet voor een enorme toename van ‘computing power’,
d.w.z.: veel meer dan de 1014 (signalen per seconde?) die
neuronetwerken kunnen leveren, namelijk: 1027. Omwille van die
cytoskeletaire activiteit kan bvb. een mier veel meer dan een
computer. Als microtubules verantwoordelijk zijn voor de
meerwaarde van het brein, dan moet iets daarin nietcomputationeel
zijn: het moet iets quantum-achtigs zijn. We
hebben daar al met heel kleine dingen te maken, en misschien
ontmoeten we daar quantum-werking. Welnu, quantum-coherentie
blijkt een rol te spelen in de cytoskeletaire activiteit!
In 1975 werkt Fröhlich m.b.t. de mogelijkheid van quantumcoherentie
in biologische systemen. Supergeleiding en
supervloeibaarheid, voordien enkel mogelijk gehouden bij
extreem lage temperaturen, blijken namelijk ook op te treden bij
hoge temperaturen zoals die heersen in biologische systemen
(>Bose-Einstein-condensation). Zo’n quantumtoestanden op grote
schaal blijken zich te realiseren in celmembranen (zie Ian
Marshall, ‘89 e.a.). Emilio del Giudice (‘83) zegt dat het quantumself-
focussing effect van elektro-magnetische golven in het
cytoplasma in de cel, signalen veroorzaakt van de grootte van
microtubules (>golfgeleidingstheorie). Maar dit is misschien ook
toepasbaar op de vorming van de microtubules zelf? Bij
watermolecules leken de tubules leeg te zijn (d.w.z.: dat het water
daarin geen ionen bevat), maar het water in de cellen blijkt
geordend (Hameroff ‘87), vandaar de mogelijkheid van quantumcoherente
oscillaties in de tubules. Dat onderzoek is nog gaande
en volgens Penrose is het antwoord daar te zoeken.
Hoe hebben microtubules iets te maken met bewustzijn? We
kunnen het bewustzijn onderzoeken, onder meer door te
onderzoeken wat afwezigheid van bewustzijn veroorzaakt. We
zien namelijk dat er verschillende gassen bestaan die anaesthesie
kunnen veroorzaken. Is hier sprake van chemische interacties? Er
zijn immers ook fijnere interactievormen tussen moleculen, zoals
bvb. de van der Waalskracht, een zwakke aantrekking tussen
moleculen die elektrische bipolaire momenten hebben. Volgens
Hameroff en Watt ('83) treedt algemene anaesthesie op via de
activiteit van de van der Waalsinteracties (op plaatsen waar het
water verdreven is) die interfereren met de normale switching
activiteit van de tubulines. Het gas verspreidt zich in de
individuele zenuwcellen en het onderbreekt daar de activiteit van
de tubulines. Het ziet er dus naar uit dat de vander
Waalsinteracties van deze gassen met de eiwitten van de
hersencellen, bewusteloosheid veroorzaken, en dat de eiwitten in
kwestie de tubiline-’dimers’ in de tubulines zijn, en dat dus de
onderbreking van de functie van de tubulines resulteert in
bewusteloosheid. De verdoving heeft dus blijkbaar niets te maken
met bvb. het onderbreken van de zenuwgeleiding, maar het heeft
een effect op het cytoskelet in de zenuwcellen zelf, niet alleen bij
hogere dieren, maar ook bij bvb. amoeben. Wat niet noodzakelijk
betekent dat ook eencelligen bewustzijn zouden hebben. Zeker is
alvast dat, als het cytoskelet verlamd wordt, bewusteloosheid
intreedt: het cytoskelet is een noodzakelijke voorwaarde voor het
bewustzijn. Deze voor het bewustzijn wezenlijke cytosceletaire
activiteit is meer dan louter computationeel: ze situeert zich heel
dicht bij het quantumgebeuren. Het is door de cytoskeletaire
controle van de synapsverbindingen dat de tussenfase tussen het
klassiek- en het quantumniveau een fundamentele invloed
uitoefent op de activiteit van de hersenen.
Waar zenuwimpulsen puur klassiek worden benaderd, wordt de
hersenactiviteit als louter computationeel beschreven. Bewustzijn
is echter niet computationeel. Komt het mogelijkerwijze tot stand
middels de totale activiteit van massa’s van cytoskeletten? De link
tussen de klassieke- en de quantumfysica wordt genoemd: ‘the
missing OR-theory’. Een theorie is dat alle microtubules in de
cytoskeletten samen een globale quantumcoherentie vormen. Een
klassieke benadering moet dus falen. Hebben de quantumoscillaties
daar iets mee te maken? Bestaat er quantumcomputation
tussen de micro-tubules onderling? Het is zo dat rond
een microtubule regio’s van geordend water voorkomen. Alvast
lijkt het zo te zijn - en hier ontmoeten we de titel van Penrose’s
werk - dat het neuronennetwerk van het brein slechts de schaduw
is van een dieper niveau van cytosceletaire activiteit, waar zich de
fysische basis van de geest bevindt.
(J.B., 10 oktober 1999)
Verwijzingen:
(1) Ons inziens is dit een onterecht argument: de geest kan niet
buiten het lichaam opereren op quantumniveau omdat hij op dit
niveau geen waarnemingen kan doen buiten het lichaam (zie de
paragraaf getiteld De derde component, in het hoofdstuk 22,
Waarnemen en Zijn van Metafysica en ethica – J.B.). Hij kan wel
waarnemingen doen buiten het lichaam op klassiek niveau, en kan
dus ingrijpen buiten het lichaam op klassiek niveau. Verder is het
ook zo, dat de wilskracht (Penrose spreekt op blz. 350 van ‘willpower’)
niets buiten het lichaam kan beïnvloeden om de reden dat
de dingen buiten het lichaam niet met het lichaam ‘mee-leven’. Ik
verduidelijk dit hier eens, want het is m.i. van groot belang, ook in
verband met de kwestie waar de energie dan moet vandaan komen
die de wil moet toelaten om te ageren.
Laten we eens aannemen dat een lichaam dat niet begeesterd zou
zijn, helemaal stuurloos zou zijn. Zo’n lichaam zou echter wél
nog leven (het valt te betwijfelen of dat het geval zou kunnen
zijn, maar dit laten we hier buiten beschouwing). Een levend
wezen nu, produceert voortdurend energie, net zoals een
waterbron voortdurend water voortbrengt. Een levend wezen
behoeft geen extra energie om bijvoorbeeld te bewegen, want
het levende beweegt uit zichzelf; het behoort tot het levende dat
het beweegt, en indien een levend wezen zich onbeweeglijk zou
houden, dan zou dit aan dit wezen veel meer energie kosten dan
in het geval het toch bewegingen zou maken. Het ligt dus in de
natuur van het levend wezen besloten dat het leeft, en
bijvoorbeeld ook beweegt. Een pasgeboren kind of een jonge
baby, ligt niet onbeweeglijk in de wieg, maar maakt totaal
ongestuurde bewegingen. Wanneer het geleerd heeft om zijn
rammelaar vast te grijpen, dan lijkt het erop, wanneer het zijn
rammelaar pakt, dat het hier gaat om een beweging die volgt op
een wilsakt. De feiten leren ons echter dat de bewegingen, zij
het ongecoördineerd, voorafgaan op de act (van bijvoorbeeld het
vastgrijpen van een rammelaar) zelf. Het succesvol vastgrijpen
van de rammelaar is het resultaat van een feed-back-oefening
van het kind. Het kind heeft dus niet geleerd om energie om te
zetten in beweging, want die verbinding tussen energie en
beweging wàs er al, ingegeven door de natuur van het levende
zelf. Wat het kind wél geleerd heeft, is: het maken van een keuze
tussen verschillende, mogelijke bewegingen. Ook elders (zie de
tekst waar hogen naar verwezen wordt) hebben we aangetoond,
zij het via een heel andere weg, dat de essentie van het willen
gelegen is in het kiezen. Om nu een keuze te kunnen maken
tussen mogelijke bewegingen, moeten eerst de verschillende
bewegingen als zijnde verschillend van elkaar onderscheiden
kunnen worden door het kind. En het kind kan de bewegingen
die bvb. zijn armpjes maken onderling onderscheiden op grond
van de verschillende resultaten die ze elk opleveren (een ‘goede’
beweging resulteert bvb. in het beet krijgen van de rammelaar,
een ‘verkeerde’ beweging resulteert in het niet beet krijgen van
het ding). Vanzelfsprekend moeten ook die resultaten onderling
onderscheiden kunnen worden door het kind. En het kind leert
dat, omdat het er belang bij heeft. Dit belang nu, is ook eigen
aan het leven, want het levende schuwt van nature pijn en zoekt
van nature bevrediging (dit is: het ongedaan maken van pijn).
Pijn komt eerst, en bevrediging moet worden uitgedrukt op een
negatieve manier (namelijk: als het uit de weg gaan van pijn), en
dat wordt aangetoond in het fenomeen dat een drugsverslaafde,
eens hij bvb. zijn heroïne gekregen heeft, en dus zijn pijn gestild
is, geen behoefte meer heeft om zijn hongergevoel te
bevredigen. Het leven heeft dus belang bij het ‘in-leven-zijn’ en
middels de truuk van de pijn heeft het de geest van het kind
‘natuurlijk’ (dit wil zeggen: door de geboorte) verbonden met
dat belang: iets wat het leven beschadigt, zal het kind met zijn
geest aanvoelen als onaangenaam, als pijn, en het zal dus alles in
het werk stellen om geen pijn te krijgen. Omdat het niet anders
kan tenzij pijn en niet-pijn onderscheiden, zal het ook datgene
wat pijn veroorzaakt en datgene wat pijn voorkomt
onderscheiden, en zal het dus leren om die keuzen te maken die
zo pijnloos mogelijk zijn. We zagen reeds dat de bewegingen
niet van het kind zelf afkomstig zijn, doch van het leven. En nu
zien we daarenboven dat ook het kiezen (tussen specifieke
bewegingen) niet van het kind afkomstig is, maar opgelegd
wordt door de natuur (die middels de truuk van de pijn, de geest
van het kind verbonden heeft met het belang van het leven). Het
feit dat een kind zijn bewegingen kan leren sturen, is dus een
natuurlijke, dus ingeboren aangelegenheid en geenszins een zaak
van de vermeende wil. Het is pas wanneer het kind tot een
bepaalde graad van bewustzijn gekomen is, dat men over
‘vrijheid’ kan spreken. ‘Een bepaalde graad’ van bewustzijn is
een vaag concept, doch het moet benadrukt worden dat het hier
gaat om een wezenlijk kwalitatief meetbare aangelegenheid. We
hebben het hier meer bepaald over ethisch bewustzijn, dit wil
zeggen: een bewustzijn waarin het besef aanwezig is van de
evenwaardigheid van andere personen aan de eigen persoon. En
zoals we hebben uiteengezet in onze tekt (Metafysica en ethiek,
het hoofdstuk over Job, of: de niet geconditioneerde
waardering), kan het al dan niet aanwezig zijn van dit
bewustzijn gemeten worden door het verstand (Lucifer) middels
de pervertering van het sanctioneringsmechanisme: als blijkt dat
een persoon alle bestraffingen ten spijt volhardt in wat hij ‘het
Goede’ noemt, dan moet het werkelijk bestaan van ‘het Goede’
erkend worden op straffe van contradictie in het andere geval, en
meteen moet dan ook het bestaan van ‘de wil’ worden erkend,
dit is: de aanwezigheid van de keuzeactiviteit die zich niet
langer laat sturen door ‘natuurlijke’ beweegredenen.
Vatten we dit eens samen: de relatie tussen leven en bewegen is
natuurlijk (dit wil zeggen: aangeboren). Ook de relatie tussen
leven en willen (of: kiezen, selecteren, sturen, leren) is natuurlijk
of aangeboren, met die beperking dat we de term ‘willen’
gebruiken terwijl het hier eigenlijk om een ‘gewild-worden’
gaat. Van écht ‘willen’ is pas sprake waar blijkt dat de wil het
natuurlijke, het aangeborene, overstijgt, er zich van losmaakt,
het aan zich onderwerpt: het ‘leven’ wordt beheerst of
onderworpen door het ‘ethisch leven’, en het is ook onmogelijk
dat een immoreel leven het leven zou kunnen beheersen of
onderwerpen, aangezien de immoraliteit precies gekenmerkt
wordt door haar aanslepende afhankelijkheid van ‘beloningen’
of ‘conditioneringen’, want wie het Goede niet kent heeft er
geen enkel belang bij om tegen het ‘voordeel’ in te handelen.
De vraag rijst dan waar die wil tot het doen van het Goede, die
ethische wil dus, vandaan komt. En hier is slechts één antwoord
mogelijk: de mogelijkheid van de mens om lief te hebben (want
dat is de essentie van het kunnen willen in de authentieke zin
van het woord) komt van God. Meer bepaald is de energie om
het Goede te doen afkomstig van een objectief gegeven, en dat
objectief gegeven kunnen wij misschien het beste beschouwen
als zijnde de aanwezigheid van schuld en/of verdienste. Dit
wordt enkele alinea’s verder in deze voetnoot nog verduidelijkt.
Wanneer wij nu een kind zien dat zijn rammelaar pakt, dan
gebruiken wij de term ‘willen’, we zeggen dat hij hem heeft
willen pakken. Maar we kunnen die term pas gebruiken vanuit
onze ervaring van het waarachtige willen: we projecteren m.a.w.
een term uit het ethische om een natuurlijke werkelijkheid te
kunnen benoemen, zoals we bvb. ook doen met de term ‘liefde’,
waar die wordt aangewend om bvb. het natuurlijke ouderinstinct
bij dieren te benoemen, of zoals wij de term ‘creativiteit’ kunnen
gebruiken om aan te duiden hoe vindingrijk mieren of vogels
tewerk gaan bij het bouwen van hun nesten.
Indien het willen van het Goede een kwestie was van fysische
energie, dan zouden fysiek zwakkere mensen benadeligd zijn
tegenover sterkeren. De ervaring leert ons dat het willen van het
Goede en het overwinnen van het kwade met fysische energie
niets te maken hebben. Omdat het waarachtige willen per
definitie een willen van het goede is, zoals boven aangetoond, is
de wil van die aard dat hij geen fysische energie nodig heeft.
Het is dus zo dat het ‘willen’ van het kind, geen écht willen is.
Ook bij de volwassene is er geen sprake van willen wanneer hij
bvb. naar een werktuig grijpt. Maar het is duidelijk dat alle
handelingen van de volwassene die tot ethisch handelen
bekwaam is, net als zijn spierwerking en zijn spijsvertering,
enz., objectief in dienst zullen staan van zijn ethische keuze
voor ‘het Goede’, dat, eens men zich ervan bewust is, aan de
mens de plicht oplegt om te keizen (Zie de eerste paragrafen
van onze Metafysica – J.B.).
Keren we nogmaals terug naar het keuzemoment en de kwestie
waarom er geen extra energie nodig is om te kunnen ‘kiezen’.
We zagen dat hier geen sprake is van waarachtig willen, doch
dat het om een natuurlijkheid gaat, een door het leven zelf
voorziene kracht. Waar waarachtig willen in het spel is, gaat het
om een ethische aangelegenheid die, getuige Job, zelfs met
negatieve energie (dus: zelfs ondanks tegenwerking en,
paradoxaal genoeg precies dank zij die tegenwerking)
uitvoerbaar (of: manifesteerbaar) is. Daar tussenin ligt een regio
van ‘sociaal gedrag’ dat vaak verward wordt met ethiek. In het
gebied van het sociale wordt de keuze-energie gehaald uit al dan
niet geïnterioriseerde ‘druk’. Een man geladen met een vracht op
de schouders, voor wie op een bepaald ogenblik de vracht te
zwaar wordt, moet die laten vallen, hetzij links, hetzij rechts van
hem, teneinde niet verpletterd te worden. Zit links van hem
toevallig een kind te spelen, dan zal hij de vracht rechts droppen.
Dit vraagt geen extra energie: net zoals bij het ‘natuurlijke’
kiezen, wordt zij keuze hier gestuurd door een afgeleide van het
natuurlijke, namelijk het sociale. In tegenstelling tot wat in het
natuurlijke het geval is, is de sanctionering m.b.t. dit soort van
‘keuzen’ indirect (de natuur bestraft verkeerde keuzen via de
tussenkomst van derden), maar wezenlijk niet van het
natuurlijke verschillend.
Nog een aansluitende bedenking m.b.t. de problematiek inzake
mogelijke verbanden tussen quantum-situaties (meer bepaald
‘superposities’) en Lebensweltliche toestanden, m.a.w.: de
kwestie hoe wij ons dergelijke, wat vreemd aandoende
gegevenheden het best kunnen voorstellen, is de volgende - en
hiermee kunnen we ook verklaren hoe de energie tot het zich
realiseren het Goede afkomstig is van God of van een externe,
objectieve (en rechtvaardige) instantie.
Op quantum-niveau is het zo dat de waarneming de toestand van
het waargenomene beïnvloedt. Eigenlijk is iets gelijkaardigs het
geval op het klassieke niveau, want waarneming is interpretatie;
het is waarneming van betekenisdragende patronen. Deze
waarneming gebeurt ‘natuurlijk’, net zoals het ‘willen’ van het
kind een natuurlijke aangelegenheid is, omdat niets behalve de
natuur nodig is om de waarneming te verklaren. Vanaf een
bepaald moment echter, het moment waarop sprake is van
ethisch bewustzijn (- voor een definitie: zie hoger in deze
vootnoot -), bevat de interpretatie die in de waarneming
aanwezig is, meer bepaald in zijn aspect van verwachting, ook
een ethische dimensie. Concreet betekent dit dat de interpretatie
in de waarneming mede gestuurd wordt door een specifieke
verwachting. Van zodra het gaat om een ethisch subject, zal deze
verwachting echter niet langer louter subjectief zijn, doch door
een objectieve pool gekleurd (of: ethisch bepaald) worden. Deze
objectieve pool binnen de verwachting is de aanwezigheid van
hetzij schuld, hetzij verdienste. Nog concreter uitgedrukt: de
aanwezigheid van schuld of van verdienste bij het waarnemend
subject, zal mede de interpretatie van het waargenomene
bepalen, en zal dus mede bepalen met welke werkelijkheid het
subject geconfronteerd wordt. Precies omdat het hier gaat om
een objectieve pool, zal een schuldige waarnemer op die wijze
in het waargenomene zijn bestraffer ontmoeten, en zal hij dus
een straffende werkelijkheid ‘scheppen’; analoog voor de
verdienstige, die aldus een ‘belonende’ werkelijkheid zal
scheppen. Zoals in onze tekst (zie hoger – J.B.) uitvoeriger
beschreven: de wereld is ons loon, en ook al delen wij, fysisch
gezien, dezelfde werkelijkheid, dan nog valt niet te ontkennen
dat bvb. de ene stervende gelukkiger is dan de andere (- Zie:
Metafysica en ethica, o.m. hoofdstuk 3: De facticiteit van geluk
en ongeluk en de paragraaf getiteld: Onze wereld is ons loon, in
hoofdstuk 26: Werkelijkheid en waan). Samenvattend: op
klassiek niveau, maar meer specifiek op ethisch niveau, blijkt
onze wereld ons loon te zijn, m.a.w.: een afspiegeling van onze
ethische schuld en verdienste. Wij gaan er in onze metafysica
van uit dat niet het elementaire deeltje, maar wel de ethische act
de as is waarrond de hele werkelijkheid is opgebouwd. Zo zal
dus ook de quantumwerkelijkheid een afspiegeling zijn van de
ethische werkelijkheid, en is in zijn patroon nog dat patroon
zichtbaar dat geldt in de ethische wereld: de waarneming
beïnvloedt er het waargenomene. Die quantum-feitelijkheid
vertoont dus het patroon van de ethische werkelijkheid.
Een en ander valt verder aan elkaar te relateren als men het
volgende schema voor ogen houdt. Wij kunnen de Natuur
beschouwen als een aan de mens ondergeschikt gegeven waarin
ethiek niet bestaat, en waarin zelfs rede niet bestaat: de Natuur
komt ons dan voor als een redeloos geheel, toevallig tot stand
gekomen, waarbij ‘alles zo goed in elkaar past’ alleen omwille
van een ‘dood’ selectie- en aanpassingsproces: dat vogels zo
behendig een nest bouwen zou dan terug te voeren zijn naar
louter ‘dode’ mechanismen. Maar wij kunnen de Natuur ook
beschouwen als een door de volmaakte Geest van God gestuurd
geheel. De ingeniositeit waarmee bvb. een spin een web bouwt,
zal dan worden gezien als een afspiegeling van de ingeniositeit
van God die in de Natuur werkzaam is. In de eerstgenoemde
beschouwing is de werkelijkheid niets meer dan een geheel van
objecten waarin door louter toeval een bepaalde orde, een
evenwicht of een harmonie ontstaan is. Tot die objecten behoren
dan ook de menselijke subjecten, die dan moeten gezien worden
als even toevallig opgebouwd uit elementaire partikels. In de
laatst genoemde beschouwing van de werkelijkheid echter,
wordt de werkelijkheid gezien als één geheel, gedijend in het
(bewuste, vrije, liefdevolle) Subject dat God is, en dus als een
eenheid. In dat geval ontlenen de delen hun wezen aan het
geheel, terwijl in het eerstgenoemde geval de delen als op
zichzelf bestaande dingen gezien worden, die weliswaar kunnen
gesommeerd worden, maar waarin geen innerlijke eenheid zit.
Wij opteren voor de laatst genoemde
werkelijkheidsbeschouwing: er zijn geen objecten tenzij binnen
een subjectief bewustzijn, wat hier betekent: binnen de
Subjectiviteit van God. En nu kunnen we de volgende
(metaforische) analogie maken ter verduidelijking van onze
visie.
Net zoals het subject niet een object is tussen andere
objecten, maar wel dat- of diegene waarbinnen de objecten hun
bestaan hebben, net zo bestaan de ethische wetten niet binnen het
subject, maar ontleent daarentegen het subject zijn subjectiviteit
aan de ethische wetten waarbinnen het gedijt. Anders gezegd:
zoals de objectenwereld pas bestaat binnen de subjectiviteit, zo
bestaat de subjectiviteit pas binnen de wereld van de ethische
wetten, welke een afspiegeling is van de goddelijke Liefde: eerst
is er dus God, of de Liefde, waarbinnen de subjecten bestaan,
vervolgens bestaat binnen de wereld van de subjectiviteit de
wereld van de objecten. En zoals de objecten een specifieke
tekenwaarde kunnen dragen waarmee zij naar de wereld van de
subjectiviteit, waaraan zij hun bestaan te danken hebben, kunnen
verwijzen, zo ook kunnen de subjecten een ‘tekenwaarde’ hebben
waarmee zij naar de wereld van het goddelijke kunnen verwijzen.
Nog anders uitgedrukt: in de wereld van de objecten bestaan er
objecten die verwijzen naar subjecten, en dat zijn, meer bepaald,
woorden, en in het bijzonder persoonsnamen, welke zich van
andere onderscheiden door het ontbreken van een lidwoord,
precies om hun karakter van niet-object-zijn aan te duiden. Zo ook
kunnen, binnen de wereld van de subjecten, subjecten een
‘tekenwaarde’ vertonen die verder wijst dan het louter subjectieve,
namelijk naar het goddelijke, waaraan de subjectiviteit zijn
bestaan te danken heeft, en die ‘tekens’ zijn handelingen, meer
specifiek: eumorele acten of daden die uit liefde gesteld worden
(en die tegen het natuurlijke of het door de natuur
geconditioneerde) ingaan.

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the Missing Science of Consciousness. Synthese en bedenkingen (in de voetnoten) Deel 4

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the
Missing Science of Consciousness.
Synthese en bedenkingen (in de voetnoten)
Deel 4
Zo belanden we bij het tweede deel: What New Physics We Need
to Understand the Mind. The Quest for a Non-Computational
Physics of Mind. (p. 211)
Heeft de geest een plaats in de klassieke fysica? We nemen aan
dat ons lichaam onderworpen is aan de wetten van de klassieke
fysica, maar wat dan gezegd van onze geest? Als de geest het
lichaam zou kunnen beïnvloeden, zodat het lichaam gaat ageren
los van de wetten van de klassieke fysica, dan zou zulks de
accuraatheid van die zuivere fysische wetenschappelijke wetten
verstoren. Het is Penrose’s overtuiging dat de geest deel moét
uitmaken van het (materiële) universum, want anders zou er geen
wisselwerking tussen lichaam en geest kunnen bestaan. (1)
De wetten van de fysica zijn heel precies, maar niets wijst op het
bestaan van niet computationeel simuleerbare activiteiten.
Nochtans is het dat wat Penrose zoekt. Vandaar moet gezocht
worden naar een nieuwe benadering naast die van de klassieke en
die van de quantumfysica.
De klassieke fysica beschouwt een fysisch systeem met z’n
gegevens op basis waarvan ook zijn toekomstige toestanden
kunnen berekend worden middels Turing-computation. Daartoe
moeten die gegevens gedigitaliseerd kunnen worden teneinde
discrete parameters te verkrijgen (zoals in computers). Verder zijn
heel wat systemen chaotisch: praktisch onvoorspelbaar maar
niettemin principieel berekenbaar. Vandaar: de vraag of onze
precisiegraad adequaat is, hangt af van het feit of we hetzij actueel
gedrag, hetzij een type van gedrag berekenen. Initiële minimale
afwijkingen kunnen de berekeningen totaal onbruikbaar maken.
Het blijft mogelijk dat ook in het precies chaotisch gedrag een
factor van bepaalde continue wiskundige systemen niet door een
discrete benadering kan gevat worden. In de quantumfysica
bestaat een vrijheid die random is, naast alle gedetermineerd en
berekenbaar gedrag, zoals voorzien door de vergelijkingen van de
quantum-theorie. Vandaar: noch in de klassieke noch in de
quantum-fysica is plaats voor niet-berekenbaar gedrag. Vandaar de
vraag: kan het bewustzijn verklaard worden door een nieuwe
fysica of is het een emergent fenomeen?
Het bewustzijn veronderstelt een niet-computationeel fysisch
proces in de hersenen. Dit proces is ook eigen aan de activiteit van
de dode materie (waaruit ook de hersenen zijn opgebouwd). Dat
leidt Penrose tot de volgende vragen: waarom is er pas bewustzijn
in verbinding met de hersenen? En waarom is het nietcomputationeel
gedrag tot nog toe aan de aandacht van de fysici
ontsnapt? Penrose: de organisatie van de hersenen (dus: hun
computationaliteit) biedt geen afdoende verklaring. Ook in de
dode stof bestaat er niet-computationaliteit, maar de fysica heeft er
geen oog voor. Een voorbeeld is de Einstein-trechter m.b.t. het
tijd-ruimte-continuum.
In 1647 komt Newton’s gravitatiewet. In 1865 Maxwell’s
electrische en magnetische velden. In 1915 verklaart Einstein de
gravitatie niet langer als een kracht maar als een ‘geplooidheid’
van de tijd-ruimte. Houdt dit verband met niet-computationaliteit?
Alvast is het zo dat het computationeel denken de fysica sterk in
zijn greep heeft. Verwezen wordt naar de confirmatie in de
sterrenkunde van Einsteins ‘voorspelling’ in 1974, wat de
algemene relativiteitstheorie tot de meest accurate ooit maakt.
Anderzijds is er ook de tweede wet van de thermodynamica (alle
systemen evolueren naar een toestand van maximale entropie).
(Wordt vervolgd)
(J.B., 10 oktober 2021)
Verwijzingen:
(1) In de vier standpunten die Penrose onderscheidt, verwerpt hij
onder meer het dualisme. Zijn hoofdargument luidt: de geest moét
deel uitmaken van het (materiële(*)) universum, want anders zou
er geen wisselwerking tussen lichaam en geest kunnen bestaan.
(Zie: R. Penrose, Shadows of the Mind, onder meer: pag. 213:
“But if the mind were able to influence the body in ways that
cause its body to act outside the constraints of the laws of physics,
then this would disturb the accuracy of those purely physical
scientific laws. It is thus difficult to entertain the entirely
‘dualistic’ view that the mind and the body obey totally
independent kinds of law. Even if those physical laws that govern
the action of the body allow for a freedom within which the mind
may consistently affect its behaviour, then the particular nature of
this freedom must itself be an important ingredient of those very
physical laws. Whatever it is that controls or describes the mind
must indeed be an integral part of the same grand scheme
which governs, also all the material attributes of our universe”).
In acht genomen Penrose’s uitgangspunt, namelijk: dat het
bewustzijn ontspringt uit de hersenwerking - lijkt het ons dat hij
zo doende de zaken op hun kop zet. We verduidelijken met nog
een andere vergelijking. We vergelijken de geest met de
(levende) pottenbakker en het lichaam met de klei. De klei
behoort tot het materiële universum, de pottenbakker is een
mens. We stellen vast dat de pottenbakker de klei kan
beïnvloeden, maar mogen we daarom ook zeggen dat hij behoort
tot het universum van de materiële dingen, zodat er dus geen
wezenlijk verschil zou zijn tussen hem en de klei? Het is precies
andersom: de klei, en al het materiële vormt een
deelverzameling van het levende, en dààrom is een beïnvloeding
vanwege de pottenbakker op zijn klei mogelijk! Met andere
woorden: de (levende) pottenbakker kan de (dode) klei
bewerken, niet omdat ook hij behoort tot het universum van de
dode dingen, maar, andersom, omdat de klei behoort tot (of: een
aspect is van) het universum van de levende dingen. Op analoge
wijze kan de geest het lichaam beïnvloeden, niet omdat de geest
wezenlijk stoffelijk van aard zou zijn, maar: omdat het
stoffelijke behoort tot (of: een deel-aspect is van) het
geestelijke! Het lagere moet gedacht worden als product van het
hogere in plaats van andersom; we mogen immers niet (zoals
Carnap wél doet) de werkelijkheid beschouwen als opgebouwd
uit zijn deelaspecten! (**)
(*) Penrose zegt niet dat het universum materieel van aard is -
zie het laatste zinsdeel van het opgenomen citaat waarin het
gebruik van de term ‘also’ Penrose redt van dit reductionisme -,
maar het lijkt er wel op dat hij bij zijn behandeling van de geest
denkt aan stoffelijke, of dan toch ‘fijnstoffelijke’ werkelijkheden
(hij gelooft dat het bewustzijn ontstaat uit de fysische activiteit
van het brein), dus: dat zijn wereldbeeld in wezen geschoeid
blijft op de leest van de fysica die, klassiek of niet, de
werkelijkheid als object blijft beschouwen - tenzij de
Kopenhaagse interpretatie van de quantumfysica, ten eerste, zeer
ernstig wordt genomen en, ten tweede, op de ene of andere wijze
geëxtrapoleerd wordt naar de ganse werkelijkheid toe - wat ons
inziens pas mogelijk is mits het ‘heropbouwen’ van de
werkelijkheid als zijnde het resultaat van zuiver ethische
activiteit. Zo’n ‘werkelijkheidsreconstructie’ blijft echter
onmogelijk voor de quantumfysica omdat deze willens nillens
gedacht wordt vanuit de uitgangspunten van de klassieke fysica,
en dus: als een object.
(**) Het glas is geen wezenlijk onderdeel van (/geen eigenschap
van) ‘de’ zandloper: er zijn er uit glas, uit plastic, enz.

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the Missing Science of Consciousness. Synthese en bedenkingen (in de voetnoten) Deel 3

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the
Missing Science of Consciousness.
Synthese en bedenkingen (in de voetnoten)
Deel 3
De paragrafen 2.6. Possible technical objections to G (pp.77-88)
tot en met Appendix A: An explicit Gödelizing Turing machine (pp.
88-126) slaan we hier over, en we beschouwen nu enkele
paragrafen uit het derde en laatste hoofdstuk van deel 1, over de
niet-berekenbaarheid in het wiskundige denken.
Zoals we zagen, is het wiskundige begrip geen product van een
algoritme. Maar kan het niet zo zijn dat de wiskundige overtuiging
het resultaat is van een onbekend, onbewust algoritme, of van een
kenbaar algoritme dat echter miskend wordt als zijnde datgene wat
schuilgaat achter de wiskundige overtuiging? En in dit hoofdstuk
toont Penrose aan dat zulks uitgesloten is.
De vraag is dus of wiskundigen onbewuste regels of onwrikbare
waarheden volgen. Zo hebben Gödel en Turing dezelfde
wiskundige evidenties, maar ze komen tot verschillende, zelfs
tegengestelde conclusies (m.b.t. G). Volgens Gödel wordt de geest
niet beperkt door z’n rekenvermogen en evenmin door de
eindigheid van het brein: de geest kan los van de stof bestaan.
Turing echter vecht die stelling aan. Penrose schrijft: “Gödel
rejected Turing’s other contention ‘that there is no mind separate
from matter’, referring to it as ‘a prejudice of our time’. Thus,
Gödel appears to have taken it as evident that the physical brain
must itself behave computationally, but that the mind is something
beyond the brain (...). He did not regard G as a proof of his
viewpoint that the mind acts non-computationally, for he allowed
that: “On the other hand, on the basis of what has been proved so
far, it remains possible that there may exist (and even empirically
discoverable) a theorem-proving machine which in fact is
equivalent to mathematical intuition, but cannot be proved to be
so, nor even proved to yield only correct theorems of finitary
number theory.” (Wang (1993), p. 118, Penrose, p. 128). Het zou
dus mogelijk zijn dat er een theorema-bewijsmachine is die
equivalent is aan de mathematische intuïtie, terwijl ook niet kan
bewezen worden dat dit zo is of dat ze correct werkt. Gödel nam
de logische mogelijkheid van zo’n ‘onkenbaar sound algoritme
aan, maar hij geloofde er niet in; hij geloofde in het losstaan van
de geest van de stof. Turing zegt ook dat een machine die feilloos
is, niet intelligent kan zijn. Hij had ook een eigen computer-versie
van het Gödel-theorema. Turings visie was consistent met Gödel,
en volgens standpunt A. Penrose wil nu A en B uitsluiten, en een
basis geven voor het wiskundig begrip.
Zijn vraag luidt als volgt: kan het wiskundig begrip resulteren uit
een algoritme dat onkenbaar en unsound is of dat onkenbaar
sound is? Met andere woorden: is een vermeende algoritmische
procedure F, die zou schuilgaan achter dit wiskundig begrip,
kenbaar? Nog anders gezegd: stel dat het wiskundig begrip berust
op een algoritmische procedure F; is F dan kenbaar?
Penrose, die dus verwerpt dat zulks mogelijk is, onderscheidt drie
standpunten (- we gaan er hier niet verder op in):
(1°) F is bewust kenbaar, ook in de rol van algoritmische
procedure achter het wiskundig begrip;
(2°) F is bewust kenbaar, maar niet in de rol van algoritmische
procedure achter het wiskundig begrip;
(3°) F is onbewust en onkenbaar.
Uit de conclusies bij hoofdstuk 3 (pp. 201-208) onthouden we nog
dat, met betrekking tot de in het begin van het boek geschetste vier
standpunten, A en B aldus verworpen worden. Maar ook D levert
problemen op, want als men aanneemt dat lichaam en geest niets
met elkaar te maken hebben, hoe komt het dan dat onze geest zo
onlosmakelijk verbonden is met onze hersenen - ja, dat hij de
hersenen blijkbaar nodig heeft? Of waarom dan kunnen
medicijnen of handicaps de geestestoestand beïnvloeden? (1) Maar
ook standpunt C levert problemen op, want het heeft een zeer
speculatief karakter. Alle tot nog toe ontdekte natuurwetten
worden immers computationeel beschreven. We moeten dus
kiezen, aldus Penrose, voor de harde eerder dan voor de zachte
versie van C. Penrose blijft echter geloven in het bestaan van nietcomputationele
activiteit in fysische systemen. En we kunnen die
ontdekken door de zwakke plekken in de wetten te onderzoeken -
vooral de quantummechanica leent zich daartoe.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 10 oktober 1999)
Verwijzingen:
(1) O.i. zijn deze tegenwerpingen onterecht. De geest heeft het
brein nodig op dezelfde manier waarop hij de rest van het lichaam,
en ook al zijn andere instrumenten (werktuigen) nodig heeft om
zijn plannen uit te voeren. Een goede schrijnwerker kan geen goed
werk leveren als de snee van zijn zaagblad is, maar daarom is hij
nog geen slechte schijnwerker. Zo ook zal zelfs een groot retor die
zijn gebit mist, moeite hebben om te praten, en nog meer moeite
heeft hij wanneer zijn hersenen beschadigd werden door een
beroerte. Indien men de proef of de som zou nemen, en men zou
van een welbespraakt iemand dat gedeelte van de hersenen
wegnemen waar zich de spraak situeert, om er nadien ‘nieuwe’ en
‘lege’ hersenencellen in te planten, dan zou men tot de vaststelling
komen dat zich de spraakkundigheid van die man alras zou
herstellen, net zoals de schrijnwerker, aan wie men de oude, botte
zaag zou ontnemen om hem een nieuwe en goede in de plaats te
geven, wel even zou moeten wennen aan het nieuwe werktuig,
doch weldra weer zijn vakkundigheid zou kunnen bewijzen.
Immers, we ervaren toch allen dat het de oefening is die de kunst
baart, dit wil zeggen: de herhaling, het telkens weer trekken van
nieuwe, betere of diepere sporen en verbindingen. Intelligentie
wordt grofweg gedefinieerd als ‘aanpassingsvermogen’,
waaronder niets anders verstaan kan worden tenzij ‘snelheid van
aanpassingsvermogen’, want zich aanpassen doet alles en
iedereen, en ook de efficiëntie is uiteindelijk een zaak van snelheid
en van herhaling. Die snelheid zal dan wel te maken hebben met
een specifieke chemische huishouding, net zoals de mogelijke
snelheid van een wagen van zijn constructie en van de toestand
van het wegdek afhankelijk is, maar élke wagen heeft snelheid,
anders was het geen wagen. Wij kunnen in ons denken inderdaad
belemmerd worden door stoffelijke dingen, maar evenzeer stemt
het tot nadenken dat wij in ons denken ook beïnvloed kunnen
worden door geestelijke dingen: wie bijvoorbeeld door zijn
geweten bezwaard wordt, is niet in staat om een gedicht te lezen,
en wie een compliment gekregen heeft voor vlijt, zal nog beter
presteren dan voordien. En waarom dan richt onze geest zich op
onze hersenen? Duidelijk om dezelfde reden waarom de
schrijnwerker, als hij wil werken, zijn zaag vastneemt, en niet de
zaag van een ander, of een pen. Onze geest heeft de hele evolutie
lang geïnvesteerd in onze hersenen, zoals de schrijnwerker zijn
arbeid toegespitst heeft op zijn schrijnwerkerij. Het is geen
betreurenswaardige zaak dat de geest door de beperkingen van de
hersenen ‘gevangen’ wordt, net zomin als het betreurenswaardig is
dat ikzelf, als auteur van deze tekst, ‘gevangen’ word door deze
tekst - door wat ik reeds neergeschreven heb. De tekenaar die een
cirkel afbeeldt op een blad papier, beperkt zichzelf, want hij kan
daarvan geen vierkant meer maken, en hoe verder hij vordert in
zijn kunstwerk, hoe meer hij zichzelf beperkt. Uiteindelijk blijkt
hij bij de afwerking totaal afhankelijk geworden te zijn van wat er
reeds staat, zodat zijn leermeester, op grond van wat hij ziet, hem
dan wellicht beter dan hijzelf kan zeggen welke retouches hij nog
moet aanbrengen om het werk te voltooien. Alle vrijheid is
zelfbeperking, en het botvieren van de vrijheid (in de goede zin
van het woord), resulteert uiteindelijk onafwendbaar in een
confrontatie met externe en daarom absolute ‘wetten’ waaraan
men zich wel moét onderwerpen, wil men z’n werk tot een goed
einde brengen. Op precies dezelfde wijze ‘onderwerpt’ ook de
geest zich aan de stof; het zou absurd zijn als hij dat niet deed.
Voor derden die onbetrokken zijn met wat er gaande is, kan het er
dan uitzien alsof de stof de geest domineert, maar zo’n
beoordeling mist de pointe. Daarom beschouw ik de genoemde
argumenten van Penrose tegen standpunt D als irrelevant.

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the Missing Science of Consciousness. Synthese en bedenkingen (in de voetnoten) Deel 2

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the
Missing Science of Consciousness.
Synthese en bedenkingen (in de voetnoten)
Deel 2
Gödel houdt zich bezig met de axiomatische gronden van de
wiskunde. Penrose wil middels Gödel aantonen dat ons begrijpen
geen algoritmische activiteit kan zijn. De gewaarwording van
‘rood’ kan niet computationeel worden opgewekt. Dieren rekenen
niet, maar zij worden wel ‘rood’ gewaar.
Wat is nu het verband tussen Gödels theorema en het gezond
verstand? Een niet berekenbaar proces is een onmiddellijk
bewustzijn van iets. Daardoor kan men iets ‘visualiseren’ of een
‘direct begrip’ hebben van iets, een ‘mentaal beeld’. Dat hoeft niet
noodzakelijk ‘visueel’ van aard te zijn. We ‘begrijpen’ de
betekenis van een woord direct, we krijgen er ‘onmiddellijk’ vat
op, alsof we de ervaringen van diegene die ons de mededeling
doet, delen. Een kind krijgt begrip van getallen, geabstraheerd van
de getelde dingen. Dit is geen berekenen meer, maar ‘awareness’.
Penrose geeft voorbeelden met visuele getalbeelden om het
‘begrip’ van de commutativiteit van de vermenigvuldiging
duidelijk te maken. Gödel toont aan dat het onmogelijk is om alle
evidente redeneerstappen in één systeem te steken dat dan bij
machte zou zijn om alles op te lossen: de behoefte aan nieuwe,
vanzelfsprekende begrippen kan niet en nooit weggewerkt
worden. Het wiskundig begrijpen is iets anders dan (be)rekenen.
(1).
Tot hier een herhaling van het hoofdstuk Consciousness and
computation, dat loopt tot pagina 63. Hierna wordt middels Gödel
uiteengezet dat ons begrijpen geen algoritmische activiteit kan
zijn, in: The Gödelian case (pp. 64-126).
Penrose zegt dat de wiskunde het duidelijkste aantoont dat iets in
ons denken ontsnapt aan het loutere ‘berekenen’. Gödel’s stelling
komt hierop neer: Geen enkel formeel systeem van ‘sound’
wiskundige bewijsregels kan (principieel) alle ware uitspraken
van de ordinaire rekenkunde voortbrengen. Wat dus betekent dat
het menselijk verstaan niet kan gereduceerd worden tot een
verzameling van rekenregels. Geen dergelijk systeem kan
bewijzen leveren van die rekenkundige uitspraken waarvan de
waarheid principieel toegankelijk is voor menselijke intuïtie en
begrip. Intuïtie en begrip kunnen dus niet herleid worden tot een
verzameling van regels.
Algoritmes kunnen voorgesteld worden door wiskundig formele
systemen, en een Turing-machine is een wiskundig geïdealiseerde
computer, een stap-voor-stap-procedure. Een ‘universele Tmachine
is er een die om het even welke T-machine kan
nabootsen, en die dus elk algoritme kan uitvoeren, zoals
bijvoorbeeld onze moderne computer.
Berekeningen (computations, algoritmes, logische operaties) zijn
de activiteit van een T-machine. Willen we bijvoorbeeld een getal
zoeken dat niet de som is van drie kwadraten, dan bouwt de
machine de rij van de natuurlijke getallen op (“rij1”), en de rij van
de kwadraten ervan (“rij2”), en daaruit de rij van de som van drie
kwadraten (“rij3”); vervolgens overloopt ze “rij1” en stelt aan elk
getal de vraag of het ook tot “rij 3” behoort; is dat niet het geval,
dan hebben we te maken met één van de gezochte getallen.
Nu zijn er ook oneindige berekeningen: stel dat we een getal
zoeken dat niet de som is van vier kwadraten, dan zal de machine
aan het werk gaan en nooit ophouden met zoeken. Nooit zal zo’n
getal gevonden worden (Lagrange bewees in 1770 dat het niet
bestaat), maar de machine zal daarover nooit uitsluitsel kunnen
geven, want de getallenrijen zijn oneindig lang. Een ander
voorbeeld is het vermoeden van Goldbach (1742), dat door de
oneindige berekeningen van de machine noch weerlegd noch
bewezen kan worden.
Hoe kunnen we nu uitmaken of berekeningen oneindig zijn? Soms
kunnen we dit intuïtief inzien. Soms kunnen we dit ook formeel
bewijzen middels mathematische inductie (waarbij één enkele
berekening relevant wordt geacht voor àlle (natuurlijke) getallen).
Maar deze procedure is ontoereikend om oneindige berekeningen
als dusdanig te ontmaskeren, omdat élke verzameling van regels
ontoereikend is om dat te doen (- wat volgt uit Gödel’s stelling).
M.a.w.: er zijn berekeningen die nooit stoppen, maar dat dit zo is
kan niet altijd wiskundig bewezen worden. De regels kunnen dus
het inzicht nooit vervangen!
Penrose toont nu hoe Gödel deze waarheid demonstreert:
Beschouwen we Penrose’s vereenvoudigde bewijs van de stelling
van Gödel. De conclusie tot welke Gödel in zijn theorema
uiteindelijk komt (en die moet illustreren dat het menselijk denken
en begrijpen de activiteit van het loutere rekenen kwalitatief
overtreft), luidt als volgt: in de rekenkunde bestaan er stellingen
(en die zullen er altijd zijn) waarvan wij de waarheid duidelijk
kunnen inzien, maar waarvoor geen bewijs bestaat.
Penrose geeft een voorbeeld van zo’n ware en onbewijsbare
stelling, namelijk de volgende stelling, genaamd G (waarbij n een
element is van de natuurlijke getallen N):
(G): “Er bestaat geen enkel oneven getal dat de som is van n
aantal even getallen”.
Het is duidelijk want evident voor ons, zegt Penrose, dat deze
stelling waar is, maar wij kunnen deze waarheid niet bewijzen.
Stel dat wij een poging zouden ondernemen om de waarheid van
(G) te bewijzen, dan zouden wij dat moeten doen middels een
algoritme dat alle mogelijkheden narekent.
Na een oneindig lang aantal berekeningen zouden wij nog steeds
geen falsificatie van deze stelling gevonden hebben, maar ook
zouden wij nog steeds geen bewijs gevonden hebben.
Dat bewijs zou er pas zijn op het ogenblik dat we àlle
mogelijkheden onderzocht hebben, en dat zijn er oneindig veel.
Het is dus een bewijs dat nooit eindigt, nooit voltooid is,
onvoltooibaar is.
Welnu, zegt Penrose: misschien kunnen we wel bewijzen dàt zo’n
bewijs nooit eindigt. Stel eens dat we dat zouden kunnen, dan
zouden we dat doen middels een rekenprocedure, genaamd A.
Vanzelfsprekend zou die rekenprocedure A dan wel eindig zijn,
want anders hervielen we in hetzelfde probleem.
Penrose toont nu aan (pp. 72-77): als wij veronderstellen dat A
bestaat, dan leidt A tot een contradictie, dus kunnen we niet
veronderstellen dat A bestaat, met andere woorden: zo’n
rekenprocedure die de oneindigheid van het bewijs van (G) moet
aantonen, bestaat zelf niet. Dus we kunnen niet bewijzen dat (G)
waar is. Ziehier een beknopte weergave van de gedachtengang.
We gaven zopas enkele voorbeelden van de werking van de Tmachine.
Beschouwen we nu zo’n berekening (C) die het
natuurlijk getal n betreft, dus: C(n) = C(0), C(1), C(2), C(3),...,
wat wil zeggen dat C(n) gelijk is aan de activiteit van de Tmachine
op het getal n. De vraag luidt of die activiteit ooit stopt:
bestaat er een procedure die kan beslissen of die berekening ooit
stopt?
Stel dat we een procedure A hebben die zegt dat C(n) nooit stopt.
A moet dus alle mogelijke procedures bevatten. (A is sound,
d.w.z.: geeft altijd correcte antwoorden). Als A zelf ooit eindigt,
dan weten we zeker dat C(n) nooit eindigt.
Als A sound is, dan moet dit kunnen uitgemaakt worden door een
berekening. Er zijn verschillende berekeningen: C0(n), C1(n),
C2(n),... Zo bijvoorbeeld is Cq(n) de activiteit van de q-de Tmachine
op n. Procedure A(q,n) is de specifieke berekening die
bewijst dat Cq(n) nooit stopt; stopt Cq(n) wél, dan hebben we
bewezen dat Cq(n) onjuist is. Dus: als A(q,n) stopt, dan stopt Cq(n)
nooit. Maar stel nu dat q=n. Dan geldt dus: als A(n,n) stopt, dan
stopt Cn(n) nooit. A hangt dus af van één getal en zal dus één van
de volgende rekenprocedures zijn: C0, C1, C2, C3,... Stel dat het Ck
is: A(n,n) = Ck(n). Stel nu dat k=n, zodat geldt: A(k,k) = Ck(k). Dan
geldt dus: als Ck(k) stopt, dan stopt Ck(k) nooit. En dat is een
contradictie. Procedure A kan dus nooit uitmaken of Ck(k) al dan
niet stopt. Als we dus weten dat A sound is, dan weten we dat
Ck(k) nooit stopt. We weten dus iets dat A niet kan bewijzen. Dus
kan A ons begrip niet omvatten! Gödel zegt nu dat wiskundigen
geen enkel sound algoritme kennen dat in staat is om een
wiskundige waarheid te bewijzen. (2)
(Wordt vervolgd)
(J.B., 10 oktober 1999)
Verwijzingen:
(1) Een bedenking bij het abstraheren, bvb. inzake het tellen van
dingen, het verkrijgen van een begrip van kwantiteit onafhankelijk
van de dingen die worden geteld: o.i. is hier cruciaal dat het gaat
om een afbeelden van de tijd in het niet-tijdsgebondene. Tellen is
een activiteit die tijd vergt, een handeling die zich in de tijd
afspeelt. Het getal daarentegen is aan de tijd onttrokken, terwijl
het toch refereert naar een activiteit die tijd in beslag neemt, naar
een duur dus. In het getalbegrip wordt een act, of een duur, of iets
tijdsgebonden, onttrokken aan de tijd en ingepast in een tijd-loos
kader, bijvoorbeeld het kader van de natuurlijke getallen.
Kwaliteiten worden dus afgebeeld naar kwantiteiten. Men kan dus
zeggen dat de kwantiteit een bijzondere kwaliteit is, namelijk deze
die kwaliteit van de tijd (of van de activiteit) afbeeldt in een
tijdloze ruimte (hetzij een Euclidische ruimte, hetzij een ruimte
van getallen, hetzij eender welke ‘ruimte’ van specifieke ‘mentale
beelden’). De activiteit van het abstraheren is dan niets anders dan
het via de ervaring terugvinden van kwaliteiten (wezenheden) in
een wereld van mentale beelden, in een mentale ruimte, waardoor
precies die mentale ruimte ‘zichtbaarder’ of ‘werkelijker’ wordt.
Precies dit zo doende ‘zichtbaar maken’ van de mentale ruimte(n)
is bewustzijn. Bewustzijn is dus participeren aan (een bestaande)
‘mentaliteit’ of geest. Abstraheren is dan het positief
beantwoorden van de uitnodiging tot participatie aan de
geest(eswereld) - een uitnodiging die spreekt uit de dingen vanuit
bvb. hun schoonheid.
De visuele verbeeldingskracht waarover Penrose het heeft,
heeft dus zeker niets te maken met virtuele realiteit. Mentale
beelden zijn niet-computationeel, maar waar blijft het sterke
argument? O.i. Moet onze hele opvatting/wetenschap op zijn kop
worden gezet of binnenste buiten worden gedraaid om dat te
kunnen verstaan: het hogere brengt het lagere voort en in geen
geval is het andersom. Het lijkt alleen andersom wanneer wij onze
menselijke constructies verwarren met het geschapene.
(2) Penrose geeft een voorbeeld van zo’n ware en onbewijsbare
stelling, namelijk de volgende stelling, genaamd G (waarbij n een
element is van de natuurlijke getallen N):
(G): “Er bestaat geen enkel oneven getal dat de som is van n
aantal even getallen”.
Het is duidelijk want evident voor ons, zegt Penrose, dat deze
stelling waar is, maar wij kunnen deze waarheid niet bewijzen.
Stel dat wij een poging zouden ondernemen om de waarheid
van (G) te bewijzen, dan zouden wij dat moeten doen middels een
algoritme dat alle mogelijkheden narekent.
Na een oneindig lang aantal berekeningen zouden wij nog
steeds geen falsificatie van deze stelling gevonden hebben, maar
ook zouden wij nog steeds geen bewijs gevonden hebben.
Dat bewijs zou er pas zijn op het ogenblik dat we àlle
mogelijkheden onderzocht hebben, en dat zijn er oneindig veel.
Het is dus een bewijs dat nooit eindigt, nooit voltooid is,
onvoltooibaar is.
Welnu, zegt Penrose: misschien kunnen we wel bewijzen dàt
zo’n bewijs nooit eindigt. Stel eens dat we dat zouden kunnen, dan
zouden we dat doen middels een rekenprocedure, genaamd A.
Vanzelfsprekend zou die rekenprocedure A dan wel eindig
zijn, want anders hervielen we in hetzelfde probleem.
Penrose toont nu aan (pp. 72-77): als wij veronderstellen dat
A bestaat, dan leidt A tot een contradictie, dus kunnen we niet
veronderstellen dat A bestaat, met andere woorden: zo’n
rekenprocedure die de oneindigheid van het bewijs van (G) moet
aantonen, bestaat zelf niet. Dus we kunnen niet bewijzen dat (G)
waar is.
Het “wonderlijke” van de stelling van Gödel bestaat er dus in,
dat we kunnen inzien dat bepaalde stellingen waar zijn, terwijl we
tevens kunnen aantonen dat we nooit zullen kunnen bewijzen dat
die stellingen waar zijn.
Ik nodig U nu uit tot deelname aan de “ontmaskering” van dit
“wonder”, in de volgende, korte uiteenzetting. Ik zal namelijk
aantonen dat de stelling van Gödel uiterst triviaal is. Met andere
woorden zal ik het volgende betogen: de stelling van Gödel is niet
fout, maar ze zegt in feite niets. Ziehier onze gedachtengang.
Een eerste vaststelling is de volgende:
In de klassieke rekenkunde nemen wij aan dat de rij van de
natuurlijke getallen oneindig is. Dat N een oneindig aantal
elementen bevat, kunnen wij niet bewijzen, maar we nemen het
wel aan als zijnde waar en onbetwistbaar. We poneren hiermee iets
waarvan we eisen dat het waar is, terwijl we ons er op voorhand
bij neerleggen dat we het niet kunnen bewijzen.
Een tweede vaststelling is deze:
De telling is een vorm van bewijs. Als ik de stelling poneer
dat 3 opgeteld bij 4 gelijk is aan 7, dan bestaat een bewijs van
deze stelling daarin, dat ik III + IIII gelijkstel aan IIIIIII , waarbij
ik tel hoeveel IIIIIII werkelijk is, en dan kom ik tot de vaststelling
dat IIIIIII werkelijk gelijk is aan 7, en heb ik de waarheid van deze
stelling bewezen.
Correcter, kunnen wij de axioma’s van Peano ten berde
brengen, en tot hetzelfde besluit komen, maar wat we daarbij doen
is eigenlijk reduceerbaar tot telling, en wat ons hier aanbelangt is
het bewijs door telling.
Nu hebben we aangenomen dat de rij van de natuurlijke
getallen ontelbaar is, met andere woorden, dat er een oneindig
aantal natuurlijke getallen bestaat, terwijl we die niet kunnen
tellen. Een grondstelling van de rekenkunde, en laten we ze (N)
noemen, luidt dus als volgt: “Er bestaat een oneindig aantal
natuurlijke getallen”. We nemen ook aan dat deze stelling waar is.
Stel dat wij een poging zouden ondernemen om de waarheid
van (N) te bewijzen, dan zouden wij dat moeten doen middels een
algoritme dat alle mogelijkheden narekent.
Na een oneindig lang aantal berekeningen zouden wij nog
steeds geen falsificatie van deze stelling gevonden hebben, maar
ook zouden wij nog steeds geen bewijs gevonden hebben.
Dat bewijs zou er pas zijn op het ogenblik dat we àlle
mogelijkheden onderzocht hebben, en dat zijn er oneindig veel.
Het is dus een bewijs dat nooit eindigt, nooit voltooid is,
onvoltooibaar is.
Welnu, zou Penrose zeggen: misschien kunnen we wel
bewijzen dàt zo’n bewijs nooit eindigt. Stel eens dat we dat
zouden kunnen, dan zouden we dat doen middels een
rekenprocedure, genaamd B.
Vanzelfsprekend zou die rekenprocedure B dan wel eindig
zijn, want anders hervielen we in hetzelfde probleem.
Het is nu duidelijk dat wij geen eindige B kunnen vinden,
tenzij B zich kan beroepen op het axiomatisch karakter van (N).
Wij moeten dus aannemen dat (N) waar is, zonder bewijs. (N) is
een grondstelling, een axioma.
Stel nu eens dat we die grondstelling (N) zouden verwerpen
als grondstelling. Welnu, dat kunnen we gerust doen... mits we
maar een andere stelling als grondstelling poneren, bijvoorbeeld
de stelling (G), of een andere, of een combinatie van andere
(onbewijsbare) stellingen waarvan we eisen dat ze waar zijn.
We zien nu duidelijk het volgende in:
(G) is onbewijsbaar omdat (G) “verwant” is aan (N), en
omdat we met betrekking tot (N) hebben aangenomen dat (N)
waar is terwijl we de waarheid van (N) niet hoeven te bewijzen.
(G) is onbewijsbaar omdat ook (N) onbewijsbaar is. En (G) is
waar omdat ook (N) waar is. Maar de onbewijsbare waarheid van
(G) is helemaal niet verwonderlijk, want we hebben zelf
onbewijsbare waarheden in de rekenkunde ingestopt!
Vergelijk deze stand van zaken met het schaakspel. Elke zet
die men doet kan men verantwoorden met betrekking tot eventuele
tegenzetten en uiteindelijk met betrekking tot het doel, namelijk
het winnen van het spel. Maar men kan geen enkele zet doen als er
niet eerst spelregels bestaan, en deze spelregels verantwoordt men
vanzelfsprekend niet met het argument dat men wil winnen, maar
enkel met het argument dat men wil kunnen spelen (dat is: hetzij
winnen, hetzij verliezen; het argument is dus: “kunnen winnen” en
niet: “winnen”). De spelregels zijn als het ware één pool van het
spel: men kan bijvoorbeeld argumenteren: “Deze zet mag je niet
doen, want hij is ‘verboden’, dit wil zeggen: “hij ‘bestaat niet in
dit spel’; hij ‘kan’ niet”. Dit is iets anders dan argumenteren:
“Deze zet mag je niet doen, want dan zal je verliezen” - je zegt
dan dat de zet wel ‘kan’ maar dat het toch niet je bedoeling kan
zijn om te verliezen, en dat je hem daarom voor jezelf moet
beschouwen als verboden. Noemen we deze twee polen de
objectieve en de subjectieve pool, dan kunnen we de analogie met
de rekenkunde gemakkelijk maken: in de rekenkunde mag je niet
de waarheid aan (N) ontzeggen, want anders kan je niet meer
rekenen. Word je geconfronteerd met bijvoorbeeld (G), dan moet
je ook inzien dat je hier weer op (N) botst, en dat het dus
vanzelfsprekend is dat (G), hoewel waar, toch onbewijsbaar is. Je
kan moeilijk verwachten dat (G) bewijsbaar zou zijn als (N) dat
per definitie niet is omdat (N) een grondstelling, een axioma, een
spelregel is. (G) is geen zet, maar een spelregel die zich voordoet
in een wat minder goed herkenbare vorm.
Een opmerking met betrekking tot Penrose’s bewijs:
Penrose’s bewijs is ons inziens eenvoudiger weer te geven, en
wel als volgt.
We gebruiken de volgende symbolen:
C: de bewerking C op n
A: de rekenprocedure die wil bewijzen dat C nooit
eindigt
eindigt nooit
eindigt ooit wel.
Stel dat C oneindig is en dat A bestaat en A zegt dat C
oneindig is, dan moet A eindig zijn en ook sound, wat betekent dat
het niet zo mag zijn dat, als C oneindig is, een eindige A zou
zeggen dat C eindig is. In formulevorm krijgen we dan het
volgende:
{((CC)) & ((CC))}
of {((CC)) & ((CC))}
met andere woorden:
((CC)) & ((CC))
met andere woorden:
CC)
Dus: als A zegt dat C oneindig is, dan moet A sound zijn;
Dus: als A sound is, dan kan A niets anders dan zeggen dat C
oneindig is.
Dus: A is niet hetzelfde soort berekeningen dat kan uitmaken dat C
oneindig is. Dus: alle berekeningen die kunnen uitmaken dat C
eindig is, zijn uitgesloten om van kracht te kunnen zijn om aan te
tonen dat C oneindig is. Dus: A als berekening bestaat niet.
Een alternatief:
Als we er van uit gaan dat de verzameling van natuurlijke
getallen altijd eindig is, dus als we er van uit gaan dat een getal
pas bestaat als het geteld wordt, dan duikt dit probleem niet op.
Gödel zegt: ge kunt niet aantonen dat een bepaalde
berekening nooit stopt. Maar tegelijk aanvaardt men het als
bewezen dat de rij van de natuurlijke getallen nooit stopt. Hier zit
dus de contradictie.

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the Missing Science of Consciousness. Synthese en bedenkingen (in de voetnoten) Deel 1

Roger Penrose, Shadows of the Mind. A Search for the
Missing Science of Consciousness.
Synthese en bedenkingen (in de voetnoten)
Deel 1
In Hoofdstuk 1, getiteld: Consciousness and computation, van het
eerste deel, getiteld: Why We Need New Physics to Understand the
Mind. The non-computability of Conscious Thought, situeert
Penrose zijn standpunt en zegt hij wat hij wil bewijzen: dat ons
bewustzijn een uiteindelijk niet-computationele aangelegenheid is,
en dus niet simuleerbaar door computers. Hij wil dat aantonen
door te wijzen op de aanwezigheid van dat niet-computationele in
het wiskundige begrijpen.
De wetenschap, zegt Penrose, bekommert zich om het stoffelijke
aspect van het heelal, niet om de geest. Volgens sommigen
nochtans is de geest wetenschappelijk verklaarbaar: het is alleen
een kwestie van complexiteit. Volgens anderen is de geest van een
andere orde en dus buiten het bereik van de wetenschap. Penrose
volgt de eerstgenoemden, maar merkt op dat de wetenschappen
nog iets mankeren om dat doel (het verstaan van de geest) te
bereiken: het bewustzijn behoort tot het universum, maar we
hebben een andere fysica nodig om de geest te kunnen begrijpen.
Hij stelt de veel gehoorde vraag of wij de redding van de wereld
ooit aan ‘almachtige’ robots zullen kunnen overlaten. We zien
immers steeds ‘slimmere’ computers op de markt komen. Penrose
antwoordt hier voorlopig met de opmerking dat dan de artificiële
intelligentie de mens ook overbodig zou maken.
Ter situering van het eigen standpunt brengt Penrose de gangbare
meningen onder in vier perspectieven:
A. Alle denken is louter berekenen; het heelal is in dat opzicht
vergelijkbaar met een grote computer. (Functionalisme - Turing).
B. Een computer kan de werking van het brein nabootsen maar
zonder bewustzijn te hebben.
C. De breinactiviteit brengt bewustzijn voort, maar een computer
kan het brein dit niet nadoen. (Penrose).
D. Het bewustzijn staat volledig los van de stof en is
onbereikbaar voor elke wetenschappelijke benadering.
(Mentalisme - Mysticisme).
A is verwerpelijk alsook D, zegt Penrose. M.b.t. B merkt hij op,
met J. Searle, dat de simulatie van een fysisch proces helemaal
niet hetzelfde is als dat fysisch proces zelf. C rest: we hebben een
nieuw begrijpen, een nieuwe fysica nodig. De wetenschap geeft
het dus niet op, maar moet rekening houden met de realiteit van
het bewustzijn (- ze moet dus ergens ‘veranderen’) teneinde haar
naam waard te kunnen blijven.
Berekening is ‘computation’ - de activiteit van een Turingmachine
-, dit is een algoritme. Men onderscheidt top-down en
buttom-up procedures. De eerst genoemde kennen we van de
rekenmachines die sneller rekenen dan de mens; de laatste wordt
in de A.I. benut; zij maakt gebruik van ‘ervaringen’ in een soort
geheugen (- een soort feed-back?).
Turing verwerpt C, maar Church, die in 1936 tot een analoge
stelling kwam laat plaats voor C. De stelling van Church-Turing
zegt dat elk algoritme in een -calculus kan uitgedrukt worden.
Turing zegt dat dat het geval is voor alle fysische activiteiten.
Church niet. Volgens C is het bewustzijn onbereikbaar voor
computers; C vloekt niet met Church.
Een chaotisch systeem is een dynamisch systeem dat zeer
nauwkeurig afhankelijk is van beginvoorwaarden (bvb. het weer),
zodat het lijkt alsof het niet-gedetermineerd én onberekenbaar is.
Dit is echter fout: principieel is het wél berekenbaar, alleen is
zoiets meestal praktisch onuitvoerbaar. Is dus ook de geest
principieel berekenbaar? Penrose zal bewijzen dat dit niet zo is: de
geest is principieel onberekenbaar!
Rijst de vraag welke soort activiteit dan principieel onberekenbaar
zou kunnen zijn. Heeft de uniciteit van omgevingsfactoren hier
iets mee te maken? Neen, want ook ons eigen brein is een unieke
‘omgevingsfactor’. Penrose geeft nu enkele voorbeelden van
principiële onberekenbaarheid in de wiskunde zelf. Vooreerst
Hilbert’s tiende probleem. Een Turingmachine (= een algoritmemachine)
kan uitmaken of bepaalde soorten van problemen een
oplossing hebben of niet. Maar Hilbert laat zien dat de Turingmachine
van geen nut is voor bepaalde vormen van Diophantische
vergelijkingen. Een ander voorbeeld is het tegelprobleem. Iets
(bvb. het heelal) kan dus gedetermineerd zijn doch tegelijk niet
voorspelbaar, want niet berekenbaar. Gedetermineerdheid is dus
iets anders dan berekenbaarheid. (1)
Zo zullen dan volgens A de computers de mens overtreffen;
volgens B zullen ze mensen kunnen nabootsen, terwijl het dan een
irrelevante vraag is of ze ook bewustzijn hebben, want in dit
standpunt wordt bewustzijn geïdentificeerd met uiterlijk gedrag;
volgens C en D blijven computers ondergeschikt aan de mens,
ongeacht wat ze kunnen presteren, want de mens is niet
‘berekenbaar’.
In het antwoord op de vraag of computers rechten en
verantwoordelijkheden kunnen hebben, komt o.m. het essentiële
verschil tussen wettelijkheid en ethiek tot uiting, want volgens A
kunnen computers wettig of onwettig handelen, dat wordt immers
uitgemaakt op grond van uiterlijke ‘gedragingen’ (‘bewegingen’).
Volgens B mankeert een computer daarvoor gevoelens e.d.
Intelligentie kan niet zonder dat er eerst begrip (understanding) is,
en dit kan op zijn beurt niet zonder gewaarwording of besef
(awareness), wat de passieve component is van bewustzijn (- de
actieve component van bewustzijn is volgens Penrose the feeling
of the free will).
Computers rekenen vaak sneller en beter dan mensen, maar wat zij
missen, terwijl een mier dat wél heeft, is: gezond verstand. De
slimheid van bvb. schaakcomputers is vanzelfsprekend alleen te
danken aan wat experten daar ingestopt hebben. Doen zich
situaties voor die een beroep doen op gezond verstand, dan slaat
de sterkste schaakcomputer de bal mis. Penrose zal nu ook
aantonen dat computers ook geen wiskundig begrip hebben, want
wiskundig begrip is iets helemaal anders dan het kunnen
berekenen van dingen. Dit is nu wat Gödel aantoont. En daaruit
volgt dat, zoals ook J.R. Lucas betoogt, bij wie Penrose zich
aansluit, dat A en B de mentale activiteit niet kunnen verklaren en
dus verwerpelijk zijn.
Waarom moeten we nu ook D verwerpen? Omdat , aldus Penrose,
elke geest die wij ontmoeten verbonden blijkt met een fysiek
brein. Anderzijds is het ook zo dat wiskunde en wetenschap
mysterieuze dingen bevatten. Penrose volgt Plato hier: onze
ideeën staan los van de materiële wereld, maar de materiële
wereld kan pas in termen van ideeën worden uitgedrukt en worden
verstaan. Maar verstaan is niet hetzelfde als berekenen!
(Wordt vervolgd)
(J.B., 10 oktober 1999)
Verwijzingen:
(1) O.i. Kunnen we hier zeggen dat we moeten vaststellen dat er
een kloof is en blijft tussen onze kennis en de werkelijkheid,
m.a.w.: deze conclusie houdt in dat de werkelijkheid niet
objectiveerbaar is.
(2) Cf. de zgn. third person account van Shaffer.
(3) O.i. Zijn die eigenschappen niet cruciaal want ook gevoelens
kunnen worden teweeg gebracht zonder dat ze echt zijn (zie onze
kritiek bij Guy Sircello’s A theory of beauty) en dus kunnen ook
onechte reacties op die onechte gevoelens ingebouwd worden:
men komt dan in de situatie die wij kennen van de zgn.
‘electronische troeteldieren’ die gedijen op grond van een
gesofisticeerd zelfbedrog, vergelijkbaar met de poppenkast
waarbij men vragen stelt aan de poppen en ze zelf beantwoordt
terwijl men ze zodanig laat bewegen dat het lijkt alsof zij het zijn
die antwoorden. O.i. Is er geen essentieel verschil tussen de
computer zoals beschreven in standpunt B en de pop van de
buikspreker. Het is dus wél een relevante vraag of computers
bewustzijn hebben, en dat zal altijd een relevante vraag blijven,
omdat wij op zijn minst altijd graag willen weten of het de pop is
die de buikspreker bedient, of de buikspreker die de pop bedient:
ten minste één van de twee bedient de andere als er gesproken
wordt. Vanzelfsprekend komen alleen C en D in deze context als
relevante standpunten naar voren.
(4) Maar is ook het omgekeerde het geval??? Verder is dit ook nog
eens een argument door inductie: het is niet omdat we een
‘losstaande’ geest nooit zouden hebben waargenomen, dat hij er
niet zou kunnen zijn.

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Tiende deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Tiende deel)

– Is dat niet een beetje oneerbiedig uitgedrukt?
OVT: Pardon?
– Je spreekt over onze leiders als over potentaten die zichzelf als
goden beschouwen en die ons als hun vee behandelen.
OVT: Leiders? Zei je dat? Leiders?
– Tja, dat zijn ze toch?
OVT: Ben je het ermee eens dat het leiderschap, tenminste als er
zoiets kan bestaan, een voorbeeld moet nemen aan het goede
ouderschap?
– Jazeker...
OVT: Het ouderschap met verantwoordelijkheidszin en
zelfopoffering?
– Vanzelfsprekend...
OVT: Op dat vlak kunnen we trouwens nog wat leren van de
dieren! Heb je al eens gezien hoe de dieren zorg dragen voor hun
jongen?
– Ja, dat is instinct...
OVT: Dat begrip is achterhaald, mijn beste: je moet dringend gaan
bijlezen!
– Ik heb zo weinig tijd...
OVT: Vissen, zoals je weet, zwemmen in scholen en de kleintjes
zwemmen aan de binnenkant, ze worden beschermd door de grote
vissen die aan de buitenkant van de school gaan zwemmen, zo
omsluiten ze de kleintjes als een levend schild. Alle comfort voor
de kleintjes, zelfopoffering voor de ouderen.
– Inderdaad, ja...
OVT: En om maar het nu maar te houden bij het maritieme: de
reddingssloepen van de Titanic waren gevuld met volwassen
mannen!
– Tja...
OVT: De pausen achten zich de vertegenwoordigers van Christus
op aarde, nietwaar? De leiders van de kerk die naar hun eigen
zeggen het opgestane lichaam van Christus is. Zo is het toch?
– Kennelijk...
OVT: Als wij de oude teksten mogen geloven, was Christus een
leider voor de mensen: hij had zijn leven veil voor hen. Hebben de
pausen hun leven veil voor de mensen?
– Je gaat toch niet weer vertellen over die opalen?
OVT: Inderdaad, ik had het al verteld. Maar je begrijpt toch wel
waarom ik het herhaal?
– Je hoeft dat verhaal niet te herhalen want ik ken het al.
OVT: Mijn beste, denk je echt dat ik het vertel opdat jij het zou
kennen?
– Waarom anders?
OVT: Kijk, dat is wat ik nu precies bedoel: dit gaat helemaal niet
over informatie.
– En waarover gaat het dan wel?
OVT: Als die opalen konden spreken, dan zouden zij ons vertellen
dat ze elk vijftigduizend euro waard zijn. Dat is een bedrag
waarvan welgeteld de vijfentwintigduizend mensen die dagelijks
van honger omkomen, een OCMW-maaltijd kunnen genieten.
– Ja?
OVT: De zaak is nu dat die opalen inderdaad ook kunnen spreken.
Het staat ergens in oude teksten die ik niet meteen kan citeren
omdat mijn geheugen achteruitboert, het zijn teksten waarover
men zegt dat ze figuurlijk moeten opgevat worden omdat iedereen
wel weet dat stenen niet in staat zijn om te spreken, ook niet als
het edelstenen zijn. Maar ik verklap je nu, mijn beste, dat stenen
wél in staat zijn om te spreken. Meer zelfs: stenen zijn in staat om
te getuigen in rechtszaken. De opalen op de mijters van de pausen
en de andere hoogwaardigheidsbekleders in de kerk maar ook de
edelstenen op de kronen van koningen en koninginnen en in de
ringen, in de pols- en halsbanden van miljardairs... zij zijn de
directe getuigen van een niet meer te tellen aantal
volkerenmoorden! En stenen kunnen niet alleen spreken en
getuigen, zij zijn ook perfect geloofwaardige getuigen want stenen
kunnen helemaal niet liegen, mijn beste, ze zijn immers van steen,
begrijp je? De beesten dragen zorg voor hun jongen, zij geven hen
het voedsel uit hun bek en zij beschermen hen met hun eigen lijf.
Maar onze leiders, zoals jij hen noemt: dragen zij mijters met
parels van geslepen glas? Worden zij gekroond met doornen?
Rijden zij rond met een Toyota Corolla?
– Dat is allemaal reeds gekende informatie.
OVT: Toch niet. Het zijn convocaties.
– Convocaties?
OVT: Meer nog: het zijn aantijgingen.
– Aantijgingen?
OVT: Tenlasteleggingen, beschuldigingen.
– En waarvan beschuldig jij onze leiders dan wel?
OVT: Zie je wel hoe diep de leugens zitten? Je hebt het weer over
leiders, mijn beste! Leiders, zo zeg je maar dat zijn ze niet! Het
zijn commerçanten of zelfs platte bedriegers. Zij geven zich uit
voor leiders, maar dat leiderschap is slechts een voorwendsel om
je in de doeken te kunnen doen. Ze hebben limousines nodig om je
ervan te overtuigen dat zij leiders zijn: limousines, mijters, kronen,
paleizen, dienaren, parades: het dient allemaal om te verbergen dat
zij ordinaire dieven zijn terwijl zij dat zodoende etaleren. Zij
blijken niet eens te weten dat leiderschap, dienaarschap is en dat
bevelen hun kracht halen uit het feit dat zij het goede beogen van
diegenen aan wie zij gericht zijn. Nu, zij weten dat natuurlijk wel.
Wat ze doen is helemaal niet leiden maar imponeren, manipuleren,
onder druk zetten, intimideren en afpersen. Heb je al eens gezien
hoe naarstig politici hun ronde doen in de weken voorafgaand aan
de verkiezingen? Handjes geven in de OCMW-rusthuizen, briefjes
uitdelen waarbij zij 'de gewone mensen', zoals zij hen zo graag
noemen, bij de voornaam aanspreken? Als dat geen intimidatie is,
dan ben ik de paus van Rome! Zij doen exact hetzelfde wat Poetin
deed toen hij grote, bemande oorlogsschepen voor de kuststeden
op de Krim liet aanmeren in de aanloop naar het referendum
waarop de bevolking zich 'vrij' kon uitspreken over haar
onderwerping aan Rusland! En nu ga jij wellicht tegenwerpen dat
men onze vriendelijke dorpspolitici niet mag vergelijken met de
dictator van een grootmacht?
– Wij hebben onze politici zelf verkozen.
OVT: Mijn beste: zie je nu zelf niet hoe diep het zit? Wij stemmen
voor zekere politici zoals wij ook zekere merken kopen en dat
doen wij vaker dan wij zelf toegeven onder invloed van reclame.
En is dat niet iets heel anders dan handelen uit vertrouwen? Het
schenken van vertrouwen vereist vrijheid. Reclame is een aanval
op de vrijheid.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 3 mei 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Negende deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Negende deel)

– Omsk Van Togenbirger, je vertelt dat de mens wegvlucht in
wanen omdat hij niet bij zichzelf kan blijven. Pascal zei dat
trouwens ook al: de ergste kwaal van een mens is dat hij niet op
zijn kamer kan blijven. Maar worden de zaken in deze voorstelling
niet op hun kop gezet? En is het niet veeleer zo dat de mens niet
bij zichzelf kan blijven precies omdat hij zoekt naar... neen, niet
naar waanzin maar naar zin? Met andere woorden: laat de mens
zich met allerlei zaken in omdat hij geen rust vindt in zichzelf of
vindt hij geen rust in zichzelf vanwege die drang naar anders en
naar meer? Jij spreekt dan over waanzin, maar kan je het voor
hetzelfde geld ook niet hebben over zin? Zoekt de mens zin omdat
hij onrustig is of is hij onrustig omdat hij naar zin zoekt?
OVT: Het is een feit dat de mens onrustig is en dat hij daarom
hetzij vlucht hetzij zoekt. Waar hij van zichzelf wegvlucht, is
sprake van waanzin; waar hij zoekt, zoekt hij uiteraard naar zin.
En dat wil zeggen dat hij die zin niet in zich heeft. Of tenminste,
dat hij gelooft dat hij die zin niet in zich heeft.
– En wat van de twee is dan het geval?
OVT: Dat is een zeer goede vraag. En misschien is het wel
wezenlijk voor de mens dat hij door zijn natuur wordt aangezet
om te gaan zoeken. Kijk, kinderen voelen zich nog goed in hun
vel, zij zijn als het ware nog altijd tentakels van hun moeder. Maar
eenmaal de puberteit is ingezet, voelen mensen zich niet langer
tevreden bij zichzelf: zij worden onrustig vanwege een ingeboren
verlangen, een verlangen naar... een wederhelft. De Oud-Griekse
wijsgeer Plato verklaarde dat verlangen vanuit de mythe dat de
koppels die zich vormen, in de oertijd ooit één en dezelfde mens
waren. Het verlangen van geliefden naar elkaar is in feite de
heimwee naar een verloren eenheid. De menselijke onrust wordt
althans aangevoeld op een vergelijkbare manier, namelijk als het
besef iets kostbaars verloren te hebben. En niet zomaar iets
waardevols, zoals een geldbeugel, maar wel het meest waardevolle
dat men zich maar bedenken kan: zichzelf! De mens kan niet in
zichzelf rusten totdat hij zijn wederhelft gevonden heeft en dan
lijkt het voor hem alsof hij zichzelf gevonden heeft.
– Dat is alvast een mooie uitleg...
OVT: Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat die gevoelens van
heimwee, verliefdheid en het terugvinden van zichzelf of het
herstel van een verloren geluk, waarachtig zijn.
– Ontegenzeggelijk.
OVT: De mythe van Orpheus en Euridicè zoals verhaald door
Vergilius en door Ovidius heeft het over de noodlottigheid in die
werkelijkheid: wanneer Orpheus' geliefde Euridicè na een
adderbeet sterft en in het dodenrijk belandt, is Orpheus danig
ongelukkig dat hij naar haar op zoek gaat in de Hades zelf: liever
is hij dood dan zonder zijn wederhelft te moeten verder leven. Zijn
smeekbede maakt de harten van de meest hartelozen, de heersers
van de onderwereld, week en zij staan Orpheus uiteindelijk toe dat
hij zijn Euridicè terughaalt. De voorwaarde is wel dat hij
gedurende de terugweg naar het leven, zijn ogen van haar af
houdt. Edoch, dezelfde begeerte die hem naar haar doet verlangen,
maakt dat hij haar weer verliest en dit keer voor immer: hij kijkt
om. Hij wordt verscheurd en zijn geluk is definitief voorbij.
– Ik las het verhaal in een boek dat de Griekse mythologie vertelt
in honderdzesendertig verhalen. (*)
OVT: Met zijn verhaal over de oorspronkelijke oertijd-mensen
waarvan wij in feite slechts helften zijn, verklaart Plato overigens
evenzeer dat sommige koppels bestaan uit mensen van hetzelfde
geslacht: niet een mogelijk gemeenschappelijk doel, zoals
kinderen krijgen, brengt mensen samen maar een
gemeenschappelijke oorsprong. Mensen vinden elkaar niet vanuit
een verlangen naar kinderen maar vanuit een terugverlangen naar
zichzelf. Het verlangen naar kinderen dat het verlangen is naar het
vereeuwigen van die eenheid, komt gebeurlijk later. Dat laatste is
natuurlijk, het eerste heeft iets dat het louter natuurlijke te boven
gaat.
– Inderdaad...
OVT: Uiteraard gaat de onrust waarvan sprake niet over de
menselijke wederhelft maar wellicht is er geen betere vergelijking
mogelijk om het aangeboren gemis dat ons doet zoeken aan te
duiden, dan de vergelijking met het zoeken naar zijn wederhelft.
– Het zoeken naar zin is geen waanzin?
OVT: Niet te vlug hier! Sommigen hebben het over de mens als
zingever en dat zou ik ten stelligste willen tegenspreken. Ik geloof
niet dat mensen in staat zijn om geheel uit zichzelf zin toe te
voegen aan de dingen, het lijkt mij op zijn zachtst gezegd een
beetje aanmatigend om zoiets te geloven. We kunnen uiteraard wel
zin ontdekken en dat is iets helemaal anders.
– Wat is dan het verschil?
OVT: Hun zin ligt reeds in de dingen zelf besloten: wij kunnen er
niet iets uit halen wat er niet al in zit, begrijp je?
– Toch niet...
OVT: Wel, kijk jij soms televisie?
– Dat gebeurt, ja.
OVT: Rij je met de auto?
– Soms.
OVT: Heb je lampen hangen thuis?
– Jazeker... Jij wil het hebben over elektriciteit.
OVT: Bijvoorbeeld! En is elektriciteit een uitvinding of is het een
ontdekking?
– De bliksem was altijd al in de natuur aanwezig en in 1752 heeft
Benjamin Franklin de bliksemafleider... uitgevonden en de
elektriciteit... ontdekt.
OVT: Eigenlijk kenden de Oude Grieken dat al, ze wekten
statische elektriciteit op door met wol over barnsteen te wrijven en
dat noemden ze dan barnsteenkracht. Elektron is trouwens het
Griekse woord voor barnsteen. Sommige vissen, zoals de
sidderaal, kunnen elektrische vonken opwekken en zelfs
bombardeerkevers kunnen vuur maken. De vuurspuwende draken
lijken in die context helemaal geen verzinsels meer te zijn: net
zoals de kabouter en de reuzen blijken heel wat werkelijkheden uit
de sprookjes alles behalve verzonnen. Het is opnieuw
aanmatigend om zomaar te gaan veronderstellen dat de dingen die
wij niet kennen, ook niet bestaan, alsof ze bestonden omdat we ze
kenden. Alsof wij het natuurrecht hadden om alles te kennen.
Alsof het de dingen verboden was om te bestaan totdat wij er
kennis van namen. Maar wat ik wilde zeggen, is dit:
televisiekijken, stofzuigen, het huis verlichten: het zijn dingen die
als mogelijkheden sinds het begin der tijden in de natuur besloten
lagen en ons aandeel erin bestaat enkel uit het vinden van die
dingen, het ontdekken ervan. Het gaat om een zin die wij
gevonden hebben, niet om een zin die zijn oorsprong vindt bij ons.
Wij hebben de elektriciteit ontdekt, dat wil zeggen: wij hebben
hem gevonden maar hij was er al, het is alsof hij lag te wachten
om ontdekt te worden. Die vindingsdrang ligt wellicht in de
menselijke natuur besloten, zoals ook de plant het voedsel zoekt
en vindt dat zij dan omzet in haar levensvormen. Wat dan ook niet
betekent dat bijvoorbeeld het paard geschapen is om de kar te
trekken, zoals sommigen geloven. Wijzelf kunnen bedoelingen
hebben maar we moeten ons ervoor hoeden om ze in de dingen
buiten ons te projecteren want ook dat is waanzin.
Zijn degenen die geloven dat er een pandemie aan de gang is,
waanzinnig?
OVT: In geen geval: er zijn ontelbare pandemieën aan de gang en
dat is ook altijd al het geval geweest: alle wezens strijden
onderling om een zo groot mogelijk stuk van de koek. Waanzinnig
is wel het fenomeen waarvoor Ivan Illich waarschuwt in een van
zijn laatste teksten: mensen die gaan denken dat het normaal is om
te verlangen naar een perfecte gezondheid. Het is volstrekt
uitgesloten dat iemand altijd 'gezond' is omdat het leven een
voortdurend gevecht is tegen ziekte, aftakeling en dood, waarbij
het niet alleen normaal is maar tevens onvermijdelijk dat wij dit
gevecht vroeg of laat zullen verliezen. Wie zich daar niet kunnen
bij neerleggen, zijn waanzinnig en aan die waanzin lijden ook
steeds meer mensen omdat zij van de realiteit vervreemd zijn.
Verregaande vervreemding is ook wat maakt dat men tegen corona
aankijkt zoals men dat nu kennelijk wereldwijd doet. De actuele
visie op de mens, de wereld en de toekomst is een constructie van
een aantal potentaten die van de werkelijkheid vervreemd zijn
door het aanhangen van een wereldbeeld waarin zij zichzelf zien
als goden en waarin zij de mensen behandelen als hun vee.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 2 mei 2021)
Verwijzingen:
(*) Zie: Kris Vansteenbrugge, Uit het schuim van de zee. De
Griekse mythologie in 136 verhalen. Zie ook:
https://www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=3168481

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Achtste deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Achtste deel)

– Omsk Van Togenbirger, als ik na je interessante uitweiding mag
terugkeren naar het onderwerp van ons gesprek, het einde van de
wereld... Moeten wij nu vrezen dat de door corona verkapte
machtsgreep het einde van de mens wordt?
OVT: Er is, zo vrees ik, veel meer aan de hand en de kenteringen
die uiteraard bespoedigd worden door de coronastrategie zijn al
een tijdje aan de gang...
– Je had het over de cultus van de waanzin die ons moet
beschermen tegen de waarheid die anders geheel ondraaglijk
wordt?
OVT: Kijk eens hier, mijn beste... Rome is de hoofdstad van Italië,
nietwaar?
– Jazeker...
OVT: En middenin de stad Rome ligt een staat, genaamd
Vaticaanstad, ja, een heuse staat, geheel ommuurd, met een
staatshoofd, een eigen wetgeving, een quasi uitsluitend mannelijke
bevolking, ambassades alom ter wereld...
– Zo is dat, ja...
OVT: Die staat wordt geregeerd door pausen die tevens regeren
over het verrezen lichaam van Christus waarmee de zogenaamde
kerk samenvalt, nietwaar?
– Dat wordt gezegd, inderdaad...
OVT: Samen met zijn curiekardinalen zit de paus vergaderingen
voor waarin door hooggeleerde geestelijken wordt beslist om
bijvoorbeeld de goudkleurige mijter in het wapenschild van de
regerende paus te vervangen door een meer modieuze en
eenvoudige witte mijter.
– Ja...
OVT: Dat heeft uiteraard allemaal heel wat voeten in de aarde
maar eenmaal men erin geslaagd is om desbetreffend tot een
consensus te komen in de heilige congregatie welke zich het
thema behartigt, en er wordt overgegaan tot het vervangen van de
gouden door de witte mijter, spreekt men over een progressief
pausschap en is dit wereldnieuws, begrijp je?
– Ja...
OVT: Weet je trouwens dat pauselijke mijters bezet zijn met
allerlei edelstenen, zoals opalen, tientallen opalen, zoals men op
recente prentjes kan zien?
– Juist, ja...
OVT: Ken je ook de waarde van zo één opaal?
– Ik heb geen flauw idee...
OVT: Ik heb het onlangs nagekeken: één opaal heeft een waarde
van ongeveer 50.000 euro.
– Dat wist ik helemaal niet.
OVT: Hoeveel mensen kan men met dat bedrag te eten geven?
– Een normale maaltijd?
OVT: Een doordeweeks middagmaal.
– Twee euro besteedt men daaraan in de OCMW-rusthuizen... dat
maakt dan 25.000 maaltijden.
OVT: Goed gerekend. En hoeveel mensen sterven dagelijks door
honger?
– Vijfentwintigduizend ongeveer.
OVT: En is het u al opgevallen dat die opalen in die mijters
blijven staan, ondanks de wereldwijde hongersnood?
– Zo is dat ja.
OVT: Mag men dan niet dat zeggen dat die edelstenen de
schuldbewijzen zijn voor een aanslepende genocide?
– Tja...
OVT: Is genocide een christelijke deugd?
– Niet bepaald...
OVT: Beweert de paus de plaatsvervanger te zijn van Christus?
– Inderdaad...
OVT: Kijk, dat bedoel ik nu juist, begrijp je? Dat is klinkklare
waanzin en niets anders, of vergis ik mij ergens in mijn
redenering, mijn beste?
– Ik denk het niet...
OVT: Als ik mij vergis, zou ik heel graag willen dat je het ook
zegt, ik zal dan met veel plezier mijn visie herzien, het zou al te
jammer zijn mocht een mens door een domme vergissing gek
verklaard worden, vind jij dat ook niet?
– Uiteraard...
OVT: Zie je wel! Want dat gebeurt wel elke dag, weet je dat? Men
zegt dan: die persoon daar lijdt aan grootheidswaanzin, hij gelooft
dat hij de paus de les moet spellen. De paus is namelijk het hoofd
van de katholieke kerk, de plaatsvervanger van God zelf op aarde,
begrijp je? Wie een zo hoogstaand persoon durft aan te vallen,
moet wel niet goed bij zijn hoofd zijn, zo zegt men. Of vergis ik
mij?
– Tja, zo is dat...
OVT: Pausen, presidenten, koningen... kritiek is daar helemaal uit
den boze! Of vergis ik me, mijn beste?
– Welnee, ik zie niet in waar je je zou vergissen...
OVT: De kinderen kwamen vorig jaar op straat voor de gezonde
lucht van morgen maar op de milieutop wees de Amerikaanse
president hen terecht: hebben de kinderen zich dan vergist, mijn
beste? Is het milieu proper en geloven zij alleen maar dat het vuil
is? Worden de mensen er ziek van of is dat allemaal
kwaadsprekerij en achterdocht?
– Toch niet...
OVT: Hoort het niet dat een kind een president aanvalt of is het
heel terecht dat kinderen wantrouwig worden jegens ouderen als
die ouderen gewoon doorgaan met vervuilen omdat dit hun almaar
rijker maakt? Vind jij ook dat kinderen sowieso gehoorzaam
moeten zijn aan ouderen?
– Euh...
OVT: De zaak is dat zij niet ongehoorzaam kunnen zijn, mijn
beste en dat betekent dat het recht van de sterkste het hier haalt op
de redelijkheid en op de deugdzaamheid.
– Ja...
OVT: De waanzin, de onverschilligheid, de stompzinnigheid: het
bestaat allemaal al duizenden jaren, het is er heus niet gekomen
door het virus maar net andersom: het virus is er gekomen door de
waanzin. Als de mensen niets om handen hebben, als ze zich
beginnen te vervelen, vinden ze altijd zo'n dingen uit. De ene keer
is het oorlog, dan fabriceren ze een economische crisis, dan weer
wordt er naar de maan gereisd... Het zijn allemaal waanzinnige
bezigheden en daarin vlucht men weg van zodra men zich begint
te vervelen, begrijp je?
– Niet zo goed, nee.
OVT: Stel eens... een aantal mensen zijn aan het werk in een
fabriek. Er is een elektriciteitspanne en er wordt beslist een pauze
in te lassen. Nu zou men denken: het harde labeur wordt
onderbroken, men heeft de gelegenheid om te rusten en men rust.
Maar wat doet men? Men begint te kaarten! Jawel, mijn beste: gij
hoort het goed: kaarten doet men! En waartoe dient dat spel? Tot
niets, tot twee keer niets en het is nog inspannend ook. Maar liever
dat dan bijvoorbeeld rusten. Men doet ongeacht wat om de tijd te
verdrijven die men anderzijds zegt tekort te hebben, de meest
waanzinnige activiteiten vindt men uit. Kaarten, bidden,
telefoneren, ook als men helemaal niets te zeggen heeft, kletsen,
leugens verzinnen, men kan het zo gek niet bedenken of men doet
het. Wordt de bezigheid onderbroken, dan vlucht men hals over
kop in een andere, het doet er niet toe welke, de meest
waanzinnige is beter dan helemaal niets. Men vlucht. En voor wat
vlucht men dan eigenlijk? Weet je dat?
– Voor de stilte?
OVT: De mens vlucht voor zichzelf, bijna niemand wil met
zichzelf geconfronteerd worden, men vlucht in een personage,
men vlucht achter een masker, heel letterlijk trouwens in deze tijd,
men vlucht in een werk of in een spel, als men maar niet met
zichzelf geconfronteerd wordt. De meeste mensen kunnen niet
alleen zijn en om die reden zijn zij kuddedieren. En zie je hoe men
dan zegt 'kuddedieren' en niet 'kuddemensen'? Want dat is wat er
gebeurt met mensen die vluchten voor zichzelf: zij vluchten voor
hun mens-zijn en zij doen dat door te vluchten in hun dierlijkheid
en dat doen ze door zichzelf te herleiden tot een lid van een kudde.
Het is immers lastig om mens te zijn. Niet het alleen zijn als
zodanig is lastig, ook niet de rust of de stilte maar wel de
confrontatie met zichzelf: het dier dat zijn spel ineens onderbroken
ziet worden, wordt ermee geconfronteerd dat het bovendien mens
is. Mensen willen hoe dan ook hun mens-zijn uit de weg gaan.
– Waarom?
OVT: De kat legt zich in haar mand in een draai en slaapt bijna de
klok rond. De worm knaagt een blad af tot bij de nerf en herbegint
dan met het volgende blad. Alle dieren doen wat voor hen voor de
hand ligt. Alleen de mens is en blijft onrustig: hij wil vooruitgang,
hij wil tijd winnen, hij wil een hogere productie, hij wil records
breken, hij wil naar Mars. Dieren en planten, mijn beste, willen
dat allemaal niet. Zij groeien en bloeien, eten en slapen, en de
kous is af. Ze zijn in vrede. Geen vooruitgang voor de katten, de
koeien, de insecten en de bomen: zij zijn perfect tevreden met het
leven dat ze leiden. De mens wil altijd hoger, sneller en sterker. En
dat maakt hem ongelukkig want ook hij veroudert en verdwijnt.
Zelfs de soort is gedoemd om te verdwijnen, het leven op aarde,
het zonnestelsel: het heeft allemaal een beperkte houdbaarheid, het
einde ervan staat in de sterren geschreven. Maar de mens wil
hiermee niet geconfronteerd worden: hij weigert zich neer te
leggen bij de werkelijkheid. Hij vlucht weg in wanen. En dat is
zijn ongeluk. Daedalus en Icarus en al die andere oeroude
verhalen etaleren de menselijke overmoed, de onrust, het
grenzeloze streven, de wil.
– Is dat dan geen goede zaak?
OVT: Ben jij een fan van Don Quichot?
(Wordt vervolgd)
(J.B., 30 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zevende deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zevende deel)
Plotseling zie ik dat de zuster die de koffie heeft gebracht weer in
het deurgat staat. Van Togenbirger heeft de blik verdroomd gericht
op de toppen van zijn schoenen, de zuster knipoogt, nijgt zich naar
me toe en fluistert me in het oor:
– Het lijkt erop dat hij weer goed op dreef is, eigenlijk is het tijd
voor zijn pillen, ik zal nog een beetje wachten tot het interview
gedaan is...
– O, daar is nog lang geen sprake van, zo antwoord ik haar: tenzij
u daar anders over beslist natuurlijk, u zegt het maar als u vindt
dat dit onderhoud te lang duurt...
– Nee hoor, doen jullie maar rustig verder, zegt ze, en als jullie mij
nodig hebben: hier is de bel!
Zij wijst naar een sinaasappelvormige plastic bol die vast hangt
aan een touw en demonstreert het mechanisme door er eens aan te
trekken. In de verte, elders in het gebouw, is een gerinkel hoorbaar
dat door dit museumstukje voortgebracht wordt en zij lacht, wuift
en verlaat de kamer. Pas nu lijkt Van Togenbirger weer uit zijn
gedachten te ontwaken.
– Als ik het goed begrijp, beste Omsk Van Togenbirger, is er op de
een of andere manier dan toch wel sprake van de door de religies
voorspelde apocalyptische tweestrijd? De lang verwachte
eindstrijd tussen goed en kwaad? En dan zouden, volgens jouw
uitleggingen, de verkondigers van de pandemie, de
wetenschapslui en de politici, in feite de Luciferianen zijn, terwijl
hun tegenstanders, aan wie spreekrecht wordt ontzegd en die
ervan beschuldigd worden complotdenkers te zijn, eigenlijk
moeten worden beschouwd als de redders van de mensheid? Ik
kan mij daarbij echter niet van de indruk ontdoen dat wie de
zaken op die manier voorstellen, zich blootstellen aan de kritiek
dat zij wel bijzonder aanmatigend zijn. Heb je daar al aan
gedacht en heb je daar een antwoord op?
OVT: Mijn beste, luister nu eens hier. De vraag die men zich moet
stellen wanneer men het hele gebeuren in ogenschouw neemt, is
de volgende: wat beogen degenen die onverschrokken de
pandemie verkondigen en wat beogen zij die zich met al hun
hebben en houden tegen hen keren? Wat drijft vooreerst diegenen
die ons komen te vertellen dat wij bedreigd worden door een
welbepaald kwaad en dat zij de oplossing daarvoor in petto
hebben? Je begrijpt toch dat die handelwijze helemaal niet nieuw
is? Dat zij zich alsmaar herhaalt in een ontelbaar aantal vormen?
Op de keper beschouwd gaat het hier om een bijzonder goedkoop
en doortrapt maar even beproefd patroon dat een tactiek verraadt
die zonder uitzondering alle potentaten hanteren om de massa aan
zich te onderwerpen en vervolgens uit te buiten.
– Hoe dan wel?
OVT: Ik maak jou bang voor een zeker kwaad en vervolgens
verkoop ik jou de ultieme oplossing voor een zo dik mogelijk pak
geld! Wel, is dat niet de tactiek waarmee bijvoorbeeld de
katholieke kerk de halve wereldbevolking al tweeduizend jaar lang
aan het lijntje houdt? De katholieke kerk maar ook alle andere
religies? De potentaten in de verschillende religies maar ook de
machtswellustelingen in de politiek en in zowat alle sectoren?
– Tja...
OVT: Mijn beste: waar figuren opduiken die angst zaaien, zijn
gezonde mensen extra op hun hoede want instinctief weten zij heel
goed wat daar op volgen zal. Elke verkoper, of moet ik zeggen:
elke dief, weet dat hij zijn product pas kan slijten als hij bij zijn
potentiële klant een behoefte daaraan kan opwekken. In de huidige
wereld poogt men vooral veiligheid te verkopen, een product dat
goed in de markt ligt na enkele jaren van opgeklopt terreurnieuws
over och arme een paar honderd slachtoffers wereldwijd of waren
het er een paar duizend? Er wordt een kwaad geschapen en een
remedie volgt tegen een prijs die uiteindelijk niemand meer bij
machte is om te betalen omdat, als puntje bij paaltje komt, het om
het eigen leven van de betrokkene gaat. Ja, van niets minder tracht
elke potentaat zijn prooien te beroven dan van hun eigen leven en
als zij het weigeren om hun leven aan hem te schenken, lopen zij
het gevaar bij iedereen voor lafaards door te gaan! Of heb je niet
onthouden wat de leiders rondbazuinen over het volk? “Hebben ze
dan iets nodig om voor te leven?” - zo schreeuwen ze: “Welnee, ze
hebben iets nodig om voor te sterven!”
– We weten pas zeker of we voor een zaak willen leven als we ook
bereid zij er voor te sterven: zijn dat niet de woorden van Erneste
Che Guevara?
OVT: Maar mijn beste: tallozen hebben variaties gemaakt op
datzelfde thema! Martin Luther King, Dag Hammarsjold, Fjodor
Dostojevski, Albert Einstein, Gilbert Chesterton, Arthur
Schopenhauer...
– En spreken zij dan de waarheid niet?
OVT: Mijn beste, ik noem het doen van dergelijke uitspraken een
vorm van de aan mannen eigen drang om te paraderen en sta mij
toe dat ik dit met enkele voorbeelden illustreer. Onlangs zijn
bijzonder betrouwbare getuigenissen vrijgegeven over de
bemanning van de reddingssloepen van de Titanic die in de nacht
van 14 op 15 april van het jaar 1912 tegen een ijsberg aan vaarde
en zonk. Los van het feit dat de opvarenden van tweede of derde
klasse met het neerlaten van hekkens verhinderd werden om het
dek te bereiken waar zich de reddingssloepen bevonden, heeft zich
onder de elite op het dek een nog groter drama, een drama van
eerste klasse afgespeeld. In weerwil van de morele regel dat
vrouwen en kinderen eerst gered moeten worden, bleken de
overlevenden in de schuiten die het schip dat ter hulp kwam,
bereikten, bijna allemaal mannen te zijn.
– Daarvan heb ik inderdaad gehoord, ja...
OVT: Nog een mooi prentje is dit. Er bestaan op televisie
verspreide beelden van een gezin dat in een drive-in natuurpark
niets vermoedend de auto verlaat. Alras wordt het kind belaagd
door een tijger en raad nu eens wat er gebeurt! Terwijl de moeder
haar kind overigens met succes tegen het wilde beest verdedigt,
vlucht de vader snel de auto in.
– Ja, ik heb die beelden ook gezien...
OVT: Ik vermoed niet dat het hier om uitzonderingen gaat en
daarom ook geloof ik dat men hieruit misschien wel met recht en
rede het besluit mag trekken dat ook de gezegdes over de nood aan
een zaak waarvoor men zijn leven veil heeft, berusten op
zelfoverschatting en grootspraak. De befaamde uitspraak over de
nood aan een zaak om voor te sterven dient dus een weinig
aangepast te worden, vind je ook niet?
– Misschien wel, ja...
OVT: Wat dacht je dan van de volgende: “De mensen... of beter:
de mannen... hebben een zaak nodig waarover ze kunnen zéggen
dat ze bereid zijn om er voor te sterven!”
– Klinkt wel cynisch...
OVT: Mannen zijn met andere woorden supporters en dat is iets
heel anders dan helden. Supporters zijn meelopers, massamensen
zo men wil, kuddedieren die een leider volgen.
– Misschien heb je wel gelijk.
OVT: Zeer onlangs las ik in het nieuws dat een burgemeester en
tevens een vooraanstaand lid van een partij met een macho-imago,
nadat hij beschuldigd werd van geldverduistering, zichzelf nu een
slachtoffer van oplichting noemt en luister nu goed, mijn beste:
het was niet een leeuw door wie hij zich liet temmen maar een
vrouw, zij het er een met het kapsel van een leeuw!
– Ha...
OVT: De parade wijkt hier zelfs voor het persoonlijke gewin want
iedereen weet dat een man die door een vrouw geveld werd en dat
ook nog toegeeft, volgens de regelgeving van macho's afgedaan
heeft als leider en dat wie hem dan nog volgen, niet goed snik zijn.
De kerel staat trouwens niet alleen met zijn opportunistische
bekentenis: een partijgenoot van hem zat onlangs in hetzelfde
schuitje en kwam weg met een gelijkaardige uitleg. En zie je nu
wat nog het ergste is?
– Euh...
OVT: Die mannen blijven paraderen op de buis alsof er geen
vuiltje aan de lucht is. Of heb je dan de stoelendans van Ankara
gemist?
– Tja... en wat...
OVT: “Een zaak om voor te sterven”: dat is gewis het aas
waarmee de leider zijn kuddedieren vangt, waarna hij hen prompt
naar het front stuurt om daar met hun leven voor zijn eer te gaan
betalen want zijzelf zijn bittere sukkelaars, zij drentelen achter een
vlag aan die niet eens de hunne is. En dit is exact de manier
waarop vandaag godbetert wereldwijd de massa in het gareel
wordt gehouden door een bende, en ik wik mijn woorden,
gewetenloze megalomane blasé miljardairs.
– Ja?
OVT: Niemand immers, mijn allerbeste, kan de bedoeling hebben
om uitgerekend diegenen bij te staan die hij aan het bestelen is.
Quod erat demonstrandum.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 27 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zesde deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zesde deel)
OVT: Op het ogenblik dat je een steen werpt, ligt het al vast waar
hij terecht zal komen: het einde zit vervat in het begin. Dat komt
uiteraard doordat de steen zelf niets in de pap te brokken heeft met
betrekking tot zijn vlucht, die daarom louter een val is. Had de
steen vleugels, dan kon hij zijn vlucht nog sturen maar een steen
kan helemaal niets doen, hij is overgeleverd aan degene die hem
werpt, de werper is de enige die hem stuurt, de steen zelf
ondergaat alles volstrekt passief: hij valt. Begrijp je?
– Jawel.
OVT: Welnu, ons onderhevig zijn aan de tijd is gelijkaardig: de
tijd gaat in één richting, hij verloopt even rap voor iedereen, wij
bevinden ons allen in dezelfde tijd die gelijk een trein op weg is en
niemand is in staat om hem te laten stoppen. Niemand kan de tijd
rapper of trager doen gaan, niemand kan de tijd doen stilstaan,
niemand kan een stukje wegknippen uit de tijd of er een uur aan
toevoegen. Wij zijn onderhevig aan de tijd zoals de steen
onderhevig is aan de val. Precies zoals de steen zijn val niet kan
sturen, kunnen ook wij helemaal niets ondernemen met betrekking
tot de tijd. De tijd is niet de onze; wij zijn van de tijd. We zitten in
de tijd gevangen. We zijn gevangenen van de tijd. Wij belanden
daar waar de tijd ons heen brengt en niemand die daar wat kan aan
verhelpen. Op die manier gaan wij het einde tegemoet dat vastligt
van bij het begin, net zoals de plek waar de steen zal vallen. De
tijd is zoals de steen en wij zitten vast in die steen, ons lot wordt
bepaald door dat van de steen des tijds die op zijn beurt helemaal
geen zeg heeft over zijn bestemming.
– Ik vind dat griezelig!
OVT: Dat is het ook, mijn beste: het is in feite ondraaglijk voor
een mens om dit te moeten ondervinden. Wij kunnen er niet naast
kijken dat wij helemaal niets te zeggen hebben over ons eigenste
lot en dat het vastligt op de meest absurde manier. Uitgerekend om
die reden geven wij dan ook de vrije teugels aan de waanzin, de
leugens en het bedrog. Alleen met de fictie kunnen wij ons bestaan
een beetje draaglijker maken: wij hongeren naar dromen en naar
leugens en wij leven er echt van, ja, de sprookjes en de verzinsels
zijn gewis onze allerheiligste waarheden. Het bedrog is in feite
een pijnstiller. En herinner u nu wat wij eerder zegden: de pijn valt
samen met het bewustzijn en met de waarheid. Derhalve brengt de
pijnstiller die het bedrog is, ons in een droomtoestand, een roes,
ver van de waarheid vandaan.
– Dat klinkt logisch, dat klinkt redelijk... Ik zei bijna... dat klinkt
Luciferiaans... Lucifer, zo vertelde je net, is het meest redelijke
schepsel en zijn tegenstrever, Jezus, is dan... onredelijk!?
OVT: De Jezusfiguur overstijgt de tweespalt van het redelijke en
het redeloze omdat hij helemaal niet rekent, hij is ook geen retor,
de retorica is de kunst van het liegen. Jezus spreekt in parabels of
gelijkenissen, argumenten kent hij niet omdat argumenten behoren
tot het instrumentarium van wie gehoor geven aan de wetten van
de strijd, van de natuur, begrijp je?
– Niet zo goed, neen...
OVT: Lucifer, het jodendom en ook alle andere religies met hun
zonder, schulden en straffen, de retorica, de wiskunde en de
wijsbegeerte met al haar telgen, incluis de Verlichting: zij zijn
opstandelingen die de allereerste wet verworpen hebben, die in
feite helemaal geen wet is, maar we drukken het nu wel zo uit: de
wet van het vertrouwen of de liefde. Lucifer denkt in termen van
recht, maat en orde. Hij verkoopt en koopt en betaalt en ontvangt
een loon overeenkomstig zijn prestaties. Jezus daarentegen betaalt
aan de arbeider van het elfde uur hetzelfde bedrag dat ook de
arbeider van het eerste uur ontvangt. Volgens het principe van de
wraak moet de schuldenaar worden beboet en de zondaar bestraft
maar volgens dat van de liefde kunnen schulden en zonden
vergeven worden, uiteraard mits er berouw over bestaat. De
volgelingen van Lucifer bouwen voort op de natuur waarvan de
wetten deze zijn van een oog voor een oog en een tand voor een
tand en wetenschapslui of Luciferianen aanbidden de natuur en
leren die kennen... om hem op hun beurt te kunnen verschalken.
Zo geloven zij dat zij datgene tot buit kunnen maken wat in feite
hun leven draagt. Zij zagen de tak op waarop zij zitten, mijn
allerbeste! De koffie is niet warm meer, zal ik wat verse laten
zetten?
– Voor mij niet, dank je...
OVT: Je herinnert je beslist de Franse revolutie van 1789? Het
opstandige volk komt aan de macht, de leden van de clerus en de
adel worden allemaal onthoofd en er wordt een nieuwe kalender
opgesteld: het jaar 1 is niet langer dat van de geboorte van Jezus.
In 1792 wordt het koningschap afgeschaft en herbegint de
tijdrekening. De maanden krijgen nieuwe namen. Er is de
instelling van lekenfeestnamen en kerken worden omgedoopt tot
wetstempels. Er komt een burgerlijke liturgie en een heuse cultus
van de Rede! Ja, de godsdienst wordt verboden en in de plaats
komt de dienst aan Lucifer, de drager van de Rede!
– Zo had ik het nog niet bekeken...
OVT: Vandaag, mijn beste, maken wij precies hetzelfde mee.
Corona is een toverwoord dat de ganse wereldbevolking met angst
verlamt. Religieuze praktijken worden verboden voor de bestwil
van het volk, de doop wordt vervangen door de vaccinatie, de
religie door de wetenschap, het hiernamaals maakt plaats voor het
hiernumaals en ziekten komen in de plaats van zonden. De heilige
hostie uit het tabernakel staat haar plaats af aan de pil van bij de
apotheker, de biechtvader is voortaan de huisarts, de nieuwe bijbel
is de encyclopedie, de televisie is de nieuwe preekstoel, de
camera's zijn de nieuwste kettingen, men vloekt nog slechts op
straffe van torenhoge boetes en zij vervangen de beloofde
hellestraffen van weleer, er is omerta of zwijgplicht bij hen die
weten en biechtplicht bij alle anderen die niet beseffen dat zij door
de belijdenis van hun zonden zichzelf beroven van hun diepste
geheimen en derhalve van hun eigen ziel. Het nieuwe
machtsapparaat parasiteert op de kennis en op de structuren van
het oude, alleen de namen zijn veranderd.
– Dat lijkt mij allemaal wel steek te houden...
OVT: De strijd die heden wordt gevoerd, is heel beslist een
wereldoorlog, mijn beste, en onze vijand is allerminst een virus!
Het gaat hier om een strijd tussen dezelfde machten die ook in de
begintijd vochten zoals Vondel het beschreef en zo weze het
herhaald dat wij pas kennis van het einde kunnen hebben als wij
ook weten hoe het er aan toe ging bij de start. Beseft men wel
hoezeer de Rede de wereld in haar wurggreep houdt? Merkt men
het wel, hoe de huidige economie wat schoon en waar en goed is,
corrumpeert en vernietigt zonder mededogen? Is men zich daar
wel terdege van bewust hoe in de stelsels die zich heel diep in de
wereld hebben geworteld, dezelfde Lucifer aan het werk is die ook
in het begin der tijden de mens ten val bracht? Als hij zijn werk
voltooien kan, dan zullen wij niet alleen het eeuwig leven moeten
derven maar ook het leven zonder meer. Er zullen dan alleen nog
enerzijds de dode stof zijn, de sterren in het ijskoude firmament en
de planeten en anderzijds de zuivere geesten die hun banen sturen.
En uiteraard de zielen van wat eens de mensen waren, in de hel.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 26 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Vijfde deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Vijfde deel)

OVT: Dat het einde vervat zit in het begin, is een wijsheid die
reeds voorkomt in het apocriefe evangelie van de apostel Thomas,
ook genoemd 'de ongelovige Thomas'. Twee boeren vonden nabij
de Egyptische stad Nag Hammadi in 1945.
– Daar heb ik over gehoord, ja...
OVT: In feite gaat het om een Griekse vertaling uit de vierde eeuw
van een oudere tekst waarvan reeds eerder fragmenten opdoken,
maar dat is voer voor kenners. Maar wat mij van belang lijkt, is
dit: de overtuiging groeit bij een aantal onderzoekers dat dit
evangelie, dat alleen bestaat uit opgetekende losse, raadselachtige
uitspraken die doen denken aan de zogenaamde 'koans' uit het
Zen-Boeddhisme, behalve het oudste ook het meest betrouwbare
evangelie is. De vier synoptische evangeliën zouden maaksels zijn
van latere datum, aanpassingen als het ware van de feiten aan de
wensen van de kerk.
– Macht corrumpeert...
OVT: Inderdaad. Het Thomasevangelie verwerpt overigens het
Oude Testament en noemt Jezus ook nooit 'zoon van God' maar
wel 'de Levende', 'de Zoon van de Levende', 'het Licht' en 'het Al'.
Het rijk Gods is alleen weggelegd voor aseksuele enkelingen die
verzaken aan de wereld en het is er reeds, men moet het alleen
zien!
– Vreemd...
OVT: Vind je? Welnu, in dat evangelie vragen Jezus' apostelen
hem hun te willen vertellen hoe het einde zal zijn. Zijn antwoord
luidt als volgt...
Omsk Van Togenbirger spreekt nu de woorden van 'de Levende'
traag, luid en op een heel geprononceerde wijze uit:
OVT: “Hebben jullie het begin ontdekt, dat jullie zoeken naar het
einde? Want waar het begin is, daar zal het einde zijn. Gezegend
hij die staat in het begin, hij zal het einde kennen en de dood niet
smaken.”
– Het klinkt belangrijk... maar wat betekent het?
OVT: Het is een koan, mijn beste, en dat wil zeggen dat niemand
de betekenis ervan beter kan uitdrukken dan zoals dat gebeurd is
in de koan zelf. Je moet er dus over nadenken en misschien komt
er een dag waarop je ineens een licht opgaat zodat je zegt: nu snap
ik het!
– Je laat ons nu wel op onze honger zitten met de vraag naar de
toekomst. Op welke manier moeten wij dan eerst het begin
begrijpen teneinde het einde te kunnen kennen?
OVT: Ken je de grote Nederlandse dramaturg Joost van den
Vondel? In feite is hij een Duitser, hij werd immers geboren in
Keulen maar hij leefde en werkte in Mokum...
Omsk Van Togenbirger begint zowaar te zingen:
OVT: “Brand in Mokum! Brand in Mokum! Zie 't is ginder! Zie 't
is ginder! Brand, brand! Brand, brand! En daar is geen water!” Die
canon ken je toch nog, mijn beste?
– Jazeker...
OVT: Maar dat er geen water zou zijn in Amsterdam dat menig
literator vergeleken heeft met de hel vanwege het water van de
wallen die zich naar verluidt concentrisch schikken zoals de
hellekringen in de Comedia van Dante Alighieri: wat een grap!
Maar wat ik wilde vertellen: Vondel schreef heel veel, de man
werd eenennegentig. Een van zijn toneelwerken heet 'Lucifer' en
het handelt over het begin dat meteen het einde in zich heeft. Ken
je het stuk?
– Lang geleden lazen we een fragment ervan op school...
OVT: Sint-Thomas ken je toch? Ik bedoel niet de ongelovige, de
apostel, maar de grote middeleeuwse theoloog, Thomas van
Aquino? Je kent toch de Thomistische wijsbegeerte? In zijn
Summa Theologiae wist hij naast de neoplatonici ook Aristoteles
voor zijn kar te spannen en zelfs de grote Islamitische filosofen
zoals Averroes en Avicenna?
– Dat herinner ik me, ja...
OVT: Thomas beschreef de schepping als een groot en strikt
geordend geheel waarin alles en iedereen zijn vaste stek en
bestemming heeft...
– Ja, inderdaad...
OVT: Welnu, deze orde was er van bij het begin maar toen God de
mens schiep, oordeelde de burgemeester van het heelal, de engel
Lucifer, dat die orde grondig verstoord werd.
– En waarom? Had de Schepper dan een fout gemaakt?
OVT: Volgens Lucifer wel. Lucifer is namelijk de meest redelijke
onder alle schepselen en daaraan dankt hij ook zijn naam. 'Lucifer'
betekent: 'drager van het licht' of 'drager van het verstand'. Je weet
dat God zijn engelen gebood de mens te dienen? Welnu, voor
Lucifer was dat een stap te ver. De mens is immers deels stoffelijk
terwijl de engelen pure geesten zijn: de pure geesten horen boven
de half geestelijke, half stoffelijke mens te staan. Wat de Schepper
gebood, verstoorde de orde! Het was totaal onredelijk! En Lucifer
kwam in opstand. De rest van het verhaal ken je zeker en vast:
Lucifer met zijn volgelingen, zowat een derde deel der engelen,
gaat in de hemel een strijd aan met Michaël en zijn legerschare.
Lucifer verliest en tuimelt naar beneden in de hel waar hij nu nog
altijd zit. Om zich te wreken, heeft hij in de vorm van een slang
Eva verleid door haar ertoe te brengen te eten van de verboden
vrucht en op haar beurt laat zij ook Adam eten, wat de mens ten
val brengt. De mens wordt verjaagd uit het paradijs en zal
voortaan een aards en sterfelijk wezen zijn dat zijn brood eet in het
zweet van zijn aanschijn. Maar God heeft medelijden en belooft
een Verlosser te zullen zenden. Zijn Zoon neemt de zonden van de
mens op zich en boet ze uit aan het kruis waarna wie in Hem
geloven, opnieuw toegang krijgen tot het eeuwig leven.
– Wanneer je dat zo vertelt, Omsk Van Togenbirger... bespeur ik
terecht een verband tussen Lucifer en de grote kerkleraar Thomas
van Aquino?
– Zeer terecht, mijn beste! Dat heb je trouwens goed gezien! De
grote Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski merkte
het ook al op. In De grootinquisiteur van Sevilla, een
raamvertelling in zijn beroemde roman De Gebroeders
Karamazov, laat hij de kerkvorst kleur bekennen: ons geheim is
dat wij aan de kant staan van de duivel, zo verklaart daar de
vertegenwoordiger van de paus.
– Een ware mythologie!
OVT: Zeg dat wel, alleen gaat het hier niet om mythen maar om
waarachtige feiten.
– Hoezo!?
Pausen, mijn beste, zijn geen mythologische figuren maar politici
van vlees en bloed, wereldlijke machthebbers die te beslissen
hebben over het leven en de dood van tallozen. Zij tooien zichzelf
met mijter en staf en dure gewaden en zij marcheren niet wanneer
zij zich verplaatsen maar zij schrijden en als zij op draagstoelen
liggen, glijden zij voorbij; zij spreken Latijn in een door gewone
mensen volstrekt onverstaanbaar jargon en dat alles doen zij om
de bedrieglijke indruk te wekken dat zijzelf geen mensen zijn doch
engelen of dan toch semi-engelen. Na hun dood verklaren zij,
zoals onderling afgesproken, elkander zalig.
– Geven zij niet het voorbeeld aan de mensen?
OVT: Over hen kan niemand zeggen dat ze, zoals Jezus die zij
hier zeggen na te volgen en te vertegenwoordigen, geen steen
hebben om daarop het hoofd te laten rusten: zij slapen in
ebbenhouten ledikanten met zijden baldakijnen tussen
kunstwerken waarvan de waarde niet kan uitgedrukt worden in
tonnen goud en hun corpulentie verraadt een leven van alles
behalve onthouding en vasten. De Vaticaanse en hoog ommuurde
luxe waarin zij hun ondermaans bestaan doorbrengen, grenst aan
het fabuleuze. Ja, het lijkt erop dat zij hun hemel hier al zullen
hebben gehad en zo behoren zij waarschijnlijk tot degenen die hun
loon al hebben ontvangen.
– Maar er is godsdienstvrijheid! Niemand hoeft dat toch te
geloven?!
OVT: De christelijke beschaving breidde zich in luttele eeuwen
over zowat de ganse aardbol uit: die sprookjes waren voor het
grootste deel van de wereldbevolking altijd bittere ernst.
– Je denkt dus dat er, zoals voorspeld in het christendom, een
apocalyps komt?
OVT: Helemaal niet! De apocalyps is van alle tijden, zoals ook het
rijk Gods en de hel: het is, zoals door de ongelovige Thomas
wellicht heel correct genoteerd, allemaal hier en nu aanwezig. Je
ziet toch dat de tijden de gestalte hebben van een spiraal? Het
geheim van het leven, het DNA, zit in een dubbele helix maar de
tijden vormen zich in een spiraal, en wel van buiten naar binnen,
naar de kern toe.
– Wat wil je daarmee zeggen?
OVT: Als wij een voorstelling maken van de tijd, doen wij dat met
een lijn, een tijdlijn, nietwaar?
– Ja...
OVT: Maar zo loopt de tijd niet, mijn beste. Sommigen zeggen dat
de toekomst steeds het nieuwe en het onverwachte brengt en dat
alles doorgaat, vandaar de lijn; in de religies van het Boek gaat zij
zelfs van een beginpunt naar een eindpunt toe, een lijnstuk dus, al
moet gezegd dat na het eindpunt voor de mens de eeuwigheid
begint. Anderen geloven dat alles zich herhaalt. Maar geen van de
twee opvattingen strookt met de werkelijkheid: wij moeten kijken
naar de banen der planeten om te verstaan hoe ook de tijd zich
door de nacht ontrolt: de tijd valt, precies zoals de massa's vallen.
De maan valt naar de aarde toe, de aarde naar de zon, vandaar de
schijnbare cirkelgang, die in wezen een spiraal is. Twee spiralen
eigenlijk, van de beide massa's, naar elkaar toe. Een oneindig
aantal spiralen, alle massa's in de kosmos in beschouwing
genomen. En zo ook loopt de tijd: hij lijkt alles te herhalen maar
niets keert op exact dezelfde manier terug; wij gaan altijd een
beetje dieper, gestaag maar zonder weerga, met in het vooruitzicht
niets anders dan de eeuwigdurende verstarring. Ken je Das Lied
von der Erde? De tekst is in feite oorspronkelijk in het Chinees en
de dichter heet Li Tai Po. Gustav Mahler heeft het op toon gezet.
Ken je het, mijn beste?
(Wordt vervolgd)
(J.B., 25 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Vierde deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger (Vierde deel)

Na een hoestbui die enkele lange en bange minuten aanhoudt,
neemt Omsk Van Togenbirger een slok van het glas water dat de
dame die eerder ook voor de koffie heeft gezorgd, hem is komen
brengen van zodra zij kennelijk gealarmeerd was door het
luidruchtige voorval en hij zet zijn betoog verder met een ietwat
schorre stem:
OVT: Ik zal mij zo dadelijk nader uitdrukken maar er schiet mij nu
iets te binnen dat ik zopas nog las, het illustreert de
leugenachtigheden en het echt groteske bedrog waaraan wij
geslachtofferd worden in dit niets en niemand meer ontziende
tijdperk van het gouden kalf... Het gaat over de manier waarop
plegers van genocide hun vel alsnog weten te redden wanneer zij
op heterdaad betrapt worden... Misschien heb je er ook over
gehoord, het zogenaamde nepnieuws over een mentor van de
Franse presidenten, een woordvoerder van het World Economic
Forum...
– Je bedoelt Jacques Attali?
OVT: Ik wil geen namen noemen, inderdaad. De zaak is alleen dat
zekere nieuwssites die terecht bekend staan als nep en die er
inderdaad nogal eens met de grove borstel door gaan, de man in
kwestie foutief citeerden uit een boek van hem dat veertig jaar
geleden is verschenen. Attali zou geschreven hebben dat
wereldleiders het plan hebben opgevat om alle economisch
onproductieven te gaan euthanaseren en hij wordt dus 'geciteerd'
waar hij het heeft over de mensen met pensioen, de zieken, de
werklozen, kortom al degenen die alleen maar geld kosten aan de
maatschappij: beter korte metten maken dan alles maar laten
aanmodderen, zo ongeveer worden de woorden hem in de mond
gelegd...
– En klopt het ook?
OVT: Wel, de econoom heeft tegen wie hem al dan niet foutief
citeerden, een proces aangespannen en hij heeft het ook
gewonnen. De rechter oordeelt namelijk dat de econoom de
mensen alleen maar gewaarschuwd heeft dat in een samenleving
waarvan de ultieme maatstaven economisch van aard zijn, de
euthanasie van de onproductieven die ons alleen maar geld kosten,
als oplossing uit de bus zal komen. (1)
– De rechter heeft dan toch gelijk?
OVT: Zie je dan echt niet op welke manier er gelogen wordt?
– Niet echt...
OVT: De econoom in kwestie is een vooraanstaande figuur van
het World Economic Forum, mijn beste: wanneer hij het heeft over
euthanasie om economische redenen op de onproductieve massa,
dan spreekt hij helemaal niet over een bizarre fascistische
economie op de maan of op Mars maar over uitgerekend onze
eigenste wereldeconomie die hij persoonlijk voorzit in Davos,
samen met een congregatie van gelijkgezinden. Het gaat met
andere woorden om het verhaal van de boze wolf en de zeven
geitjes, alleen is het zo dat de rechter de wolf vrijpleit omdat hij
oordeelt dat de boze wolf de geitjes gewaarschuwd heeft voor
boze wolven.
– Vreemd...
OVT: Ik wil slechts zeggen: de hardnekkigheid waarmee gelogen
en bedrogen wordt, lijkt nu wel grenzeloos. De arrogantie en de
onbeschaamdheid van de criminelen die ons met de huidige
wereld hebben opgezadeld overtreft in hoge mate wat figuren
zoals Nero en Hitler presteerden, begrijp je?
– Misschien is daar wel iets van...
OVT: Maar je bent hier om mij te vragen wat er in mijn glazen bol
te lezen staat, nietwaar?
– Dat raad je goed, Omsk Van Togenbirger.
OVT: Ja, maar om het einde van de wereld te kunnen kennen,
moet je eerst het begin begrijpen, zie je? Het einde zit vervat in het
begin en het begin in het einde, ken je dat chiasme?
(Wordt vervolgd)
(J.B., 24 april 2021)
Verwijzingen:
(1) https://factuel.afp.com/attention-cette-fausse-citation-dejacques-
attali-sur-leuthanasie-des-seniors

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Derde deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Derde deel)

OVT: Begrijp mij nu niet verkeerd, zo verbreekt Omsk de stilte:
niemand beweert dat kennis een illusie is. Wel is het zo dat kennis
die niet in betrekking staat tot de werkelijkheid, helemaal geen
kennis is. Als men eerst afspreekt wat getallen zijn en wat
bewerkingen op die getallen zijn, dan doet men eigenlijk niets
anders dan spelregels vastleggen en het spel dat men dan speelt
wanneer men aan het rekenen gaat, kan best leuk zijn maar over
de werkelijkheid buiten het spel zelf, wordt helemaal niets gezegd
of gekend. Wel is het soms mogelijk om een spel met de
werkelijkheid te verbinden en dan lijkt het alsof men orde in de
dingen brengt maar dat blijft allemaal heel relatief. Het
aanbrengen van orde is tenslotte niets anders dan het
vereenvoudigen van zaken die op zich chaotisch zijn: men
verandert de dingen om ze te kunnen inpassen in vaste begrippen
zoals men kleren opvouwt om ze in een kast te kunnen leggen.
Maar zoals men zich met die kleren pas terug kan aankleden als
men ze eerst weer ontvouwt, zo ook verandert onze ordening de
dingen in die mate dat men er eigenlijk nog weinig kan mee
aanvangen.
– Als ik het goed begrijp, zijn er dus twee werelden die eigenlijk
onderling onverenigbaar zijn: enerzijds de werkelijkheid buiten
ons en anderzijds... wat wij er binnen in onszelf over denken?
OVT: Ha, dat is natuurlijk een bijzondere valstrik! Lang heeft men
dat volgehouden, die opvatting over de twee werelden: stof en
geest, lichaam en ziel, aarde en hemel, zelfs de tweedeling van
goed en kwaad had er mee te maken!
– Er zijn geen twee werelden?
OVT: Welnee, beslist niet! Hoe zou dat nu het geval kunnen zijn?
– Is er dan één wereld?
OVT: Dat is wat sommigen beweren, ja. Er zijn er die zeggen dat
alles stof is, materie en energie, en onze gedachten zouden dan
afscheidingen zijn van onze hersenen. Anderen beweren dat alles
geest is: de materiële wereld bestaat vooral in onze geest maar of
hij ook op zichzelf bestaat, valt nog te bezien. En als wij geloven
dat hij wel moet bestaan buiten ons, bijvoorbeeld om het mogelijk
te maken dat wij allen dezelfde buitenwereld beleven, dan is het
de heilige geest die daarvoor borg staat. Zowel de ene als de
andere opvatting is verdedigbaar, zij het met een beperkte
houdbaarheid. Maar alleen al het feit dat twee tegengestelde
uitgangspunten voor mogelijk gehouden worden, ondermijnt hun
geloofwaardigheid. We zitten daar duidelijk in een doodlopend
straatje.
– En wat is dan wel het geval?
OVT: Het hemd is nader dan de rok: die vaststelling moet ons
uitgangspunt wezen. Wij moeten datgene als waarheid erkennen
wat wij onmogelijk kunnen ontkennen, datgene wat noodzakelijk
waar is, wat niet onwaar kan zijn.
– En dat is?
OVT: Dat weet je zelf goed genoeg en wel uit eigen ondervinding.
Wat is het meest nader aan uzelf? Het hemd is nader dan de rok
maar wat is nog nader dan het hemd?
– Het lijf.
OVT: Precies, maar wat dan aan het lijf kan men onmogelijk
negeren?
– De pijn.
OVT: Zie je wel dat je het weet. Niemand is in staat om te
ontkennen dat hij pijn heeft als hij die heeft. Maar wat betekent
dat?
– Geen idee.
OVT: Het wil uiteraard zeggen dat niemand in staat is om zijn
eigen bestaan te ontkennen.
– Dat is niet makkelijk om te vatten...
OVT: Denk dan aan het volgende: waarom grijpen sommigen naar
euthanasie wanneer hun einde nadert en het lijden zich
aankondigt?
– Ze willen dat het lijden ophoudt?
OVT: Ja, maar hoe willen ze dat doel bereiken?
– Door zichzelf van het leven te beroven of te laten beroven...
OVT: Zij geloven dat het lijden zal ophouden van zodra zij zelf
ook ophouden met bestaan, begrijp je?
– Lijkt me logisch, ja.
OVT: Het probleem is wel dat niemand met zekerheid kan weten
of hij of zij inderdaad ophoudt met bestaan op het ogenblik dat hij
ophoudt met leven.
– Dat lijkt moeilijk te bevatten...
OVT: Zeker, maar is het ook moeilijk te bevatten dat de zekerheid
ontbreekt over het feit of men wel ophoudt met bestaan van zodra
men ophoudt met leven?
– Als men ervan uitgaat dat het leven de
mogelijkheidsvoorwaarde is voor het bestaan, dan is het ook
logisch dat men ophoudt met bestaan van zodra men niet langer
leeft.
OVT: Daar zeg je het, mijn beste: als, als, als... je ervan uitgaat
dat! Maar dat is één uitgangspunt en wie zegt dat dit de waarheid
is? Kun je dat weten of kun je het alleen geloven?
– Je kunt dat alleen maar geloven, zo lijkt het mij.
OVT: Inderdaad: wie zich euthanaseren of zelfmoorden, die
hopen dat ze er na die daad niet meer zijn. De kwestie is nu of die
hoop volstaat om te bewerken dat men er dan inderdaad niet
langer is! Is het met andere woorden voldoende om iets te hopen
opdat het ook nog waar zou zijn?
– Beslist niet.
OVT: Welaan dan: dit misverstand moge nu alvast opgeruimd zijn.
Het hemd is nader dan de rok, het lijf is nader dan het hemd, maar
tevens geldt dan ook dat het bestaan nader is dan het leven,
nietwaar?
– Ik weet niet zeker of ik het wel helemaal begrijp...
OVT: Je veronderstelt dat je bestaat bij de gratie van het leven
maar zeker weten doe je dat niet: je veronderstelt dat op grond van
een zekere opvatting over het leven terwijl je niet weet of die
opvatting ook nog de waarheid is.
– Ik zie niet hoe ik dat zou kunnen tegenspreken...
OVT: Maar voel je dan niet dat de ervaring dat je bestaat, nader is
dan de ervaring dat je leeft?
– Ik begrijp niet wat je bedoelt...
OVT: Voel je niet dat het gevoel dat je bestaat en dat je uitdrukt
door te zeggen: “Ik ben”, directer is of dichter bij jezelf staat dan
de opvatting dat je leeft en dat je er bent omdat je leeft?
– Wel...
OVT: Is het niet uitgerekend in de pijn dat je jezelf bent, dat je
niet meer kan negeren dat je bestaat? Val je niet samen met je pijn,
als je pijn hebt? En is het niet uitgerekend dat wat pijn zo erg
maakt? Je kan de pijn niet vluchten omdat je die zelf bent, als je
die hebt.
– Ja...
OVT: De pijn is de kennis die in betrekking staat tot de
werkelijkheid. De pijn is de kennis van de werkelijkheid. De pijn
is de ware kennis. De waarheid is dat de ware werkelijkheid
samenvalt met de pijn én met je eigenste bestaan. Je kunt jezelf
niet bevrijden van je pijn omdat je ermee samenvalt en pas als je
pijn hebt, kun je niet meer betwijfelen dat je bestaat. De pijn wordt
noodzakelijk ervaren door het ik en alleen daar is elke twijfel aan
het feit of dit waar is, uitgesloten. Je twijfelt slechts op straffe van
nog meer pijn en dat wil je niet, dus ben je op dat punt heel zeker.
Volg je nog?
– Maar dan worden wij gedwongen om met de werkelijkheid in
betrekking te staan?
OVT: De pijn dwingt ons daartoe. En dat is een goede zaak.
– Waarom?
OVT: Anders bleven wij in een droom gevangen zitten.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 23 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Tweede deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Tweede deel)
Plotseling viel een schaduw in de kamer binnen en stond daar kennelijk op haar kousenvoeten een nogal corpulente vrouw van middelbare leeftijd en in witte schort in het deurgat:
– Kan ik jullie iets te drinken brengen?
– Wat aardig, antwoordde van Togenbirger, en dan wendde hij zich tot mij: best aardige mensen hier. Wil jij ook koffie? Als je zo goed wilt zijn ons een kannetje te brengen, zuster?
Geen minuut later reed zij een karretje op wieltjes naar binnen, kant en klaar gedekt met kopjes, suiker, melk en geurige koffie, ook de koekjes ontbraken niet.
– Dankjewel!
OVT: Ja, dankjewel! Waar waren we gebleven?
– Je stelde mij de vraag om je in alle eerlijkheid te vertellen of ik weet waar je bent.
OVT: Inderdaad, en weet je het?
– Ik heb geen flauw idee, zei ik.
Daarop neeg Omsk Van Togenbirger zich voorover, stootte bijna de kan koffie om en fluisterde: ik zal het je verklappen maar zeg mij eerst eens: waaraan dacht je hierheen gebracht werd?
– Eerlijk gezegd... het is een beetje akelig om zeggen maar... ik dacht aan de Griekse mythologie...
OVT: Je bedoelt Hades!
– Eigenlijk wel, ja, inderdaad, ik dacht: dit is de Styx, dit zijn Charon en de hellehond Cerberus en nu belanden wij in de onderwereld...
OVT: Wel, ik zal het je vertellen, mijn beste: ik bevind me hier exact in het gebied waarin het 'malin génie', de boze geest van René Descartes heerst, het gebied tussen droom en werkelijkheid! Je herinnert je dat toch nog, neem ik aan?
– Misschien wel, als je mij eventjes helpt om het geheugen op te frissen...
OVT: Rudolf Boehm had het erover in zijn Kritik der Grundlagen des Zeitalters. De grote Franse filosoof René Descartes ontdekt een gigantisch geheim, hij komt namelijk tot de vaststelling dat wiskundige waarheden zodanig waar zijn, dat ze zelfs gelden in de droom en dus in de onwerkelijkheid. Immers, ook in de droom is twee plus twee vier en tellen vierkanten vier zijden; ook in de droom is de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig graden; ook in de droom is de kortste afstand tussen twee punten, een rechte. En Descartes weet wat dit betekent: de wiskundige waarheden en de zogenaamd zuiver theoretische of goddelijke kennis in het algemeen trekken zich kennelijk helemaal niks aan van het onderscheid tussen werkelijkheid en droom! Het kan de allerhoogste kennis klaarblijkelijk helemaal niet schelen of de zaken waar zij het over heeft wel echt bestaan! En dat, mijn beste, en luister nu goed: dat wil zeggen dat de allerhoogste kennis het niet aan haar hart laat komen of zij al dan niet betrekking heeft op de werkelijkheid; zij is er helemaal niet mee verbonden, precies zoals de retorica, die daarom de kunst is van het liegen, zoals al bleek uit de colleges van Michel Foucault over het vrijmoedige spreken of de parrhêsia. De kunst van de retorica, de wiskunde, de Euclidische meetkunde, de wijsbegeerte, kortom al datgene wat wij houden voor de abstracte, verheven, goddelijke kennis is in wezen onwaarachtig: het slaat allemaal op niets! Die zogenaamde wetenschap is zonder meer waanzin! Wel, in dat gebied van de waanzin bevinden wij ons hier ter plekke, in dit... instituut!
– Wat vreemd!
OVT: Dit bastion is het bastion van de kennis, mijn allerbeste! En in het bastion van de kennis worden degenen gehuisvest die de kennis dragen. Meteen zijn zij om de door René Descartes ontdekte redenen de dragers van de waanzin en de leugen. En zij worden hier heel goed verzorgd, zoals je zelf kunt zien: wil je nog wat koffie?
– Dank je...
OVT: De dragers van de waanzin worden hier heel goed verzorgd, zoals ik zei, en de reden daarvoor spreekt voor zich: zonder de waanzin is de werkelijkheid ondraaglijk.
– Is dat zo?
OVT: Wel, overdenk maar eens de woorden van de grootinquisiteur van Sevilla in de parabel van Fjodor Michajlovitsj Dostojevski. De paus is wereldheerser in Gods naam maar staat aan de zijde van de duivel.
– Dat is inderdaad de uitleg van de grootinquisiteur: de kerk beliegt de mensen voor hun eigen bestwil.
OVT: De grote geleerden geloven inderdaad dat zonder de waanzin, de werkelijkheid ondraaglijk is. Maar uiteraard hebben wij het nooit over waanzin: wij spreken over kennis alsof er geen vuiltje aan de lucht was! Wij hebben het over de waarheid, ook al weten wij heel goed dat de waarheid gelogen wordt, zie je? De werkelijkheid is dermate ondraaglijk dat wij niet anders kunnen dan liegen dat wij zwart zien. Wij worden geboren en wij gaan weer dood, maar wij zweren bij alles wat ons lief is dat wij niet sterven doch verrijzen naar het eeuwig leven en om die waarheid te kunnen grondvesten, bouwen wij ingewikkelde filosofieën, theologieën, gigantische hoofdstukken die samen een heilsleer vormen... Gigantische leugens! Begrijp je?
– Misschien een heel klein beetje...
OVT: Uiteraard is het geloof in tussentijd in duigen gevallen, leugens hebben nu eenmaal een beperkte houdbaarheid, ook al worden zij gedragen door een heel leger aan geniale kardinalen. Maar kijk: de kerk is nog niet kopje onder of zij heeft reeds een remplaçant. Wat zeg ik? Een opvolgster! De heilige wetenschap! Neen, wij laten ons niet meer dopen, velen laten zich in deze tijden zelfs ont-dopen! Wij laten ons nu vaccineren, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt.
Omsk Van Togenbirger neemt een koekje uit het tinnen schaaltje op het karretje, hij doopt het in zijn hete koffie, er breekt een stuk af en het tuimelt in de zwarte drank. Hij neemt zijn lepeltje en doet een poging om het stukje koek op te vissen maar het is te laat: de structuur van de speculaas heeft het begeven, er rest alleen nog gruis. De oude man roert het gruis onder de koffie en slurpt dan ongestoord luidruchtig van zijn kopje. Wanneer hij het kopje neergeplaatst heeft in het schaaltje, zucht hij diep, zoals mensen doen na het leveren van een zware inspanning. Mijn zijn betoog heeft er kennelijk niet van te lijden.
OVT: “Welkom in het gemeentelijke vaccinatiecentrum!”, zo klinkt de indrukwekkende uitnodiging van hogerhand, op grote borden in zeven haasten in elkaar getimmerd op het dorpsplein voor de kerk. Inderdaad, de kerkgebouwen van weleer werden omgedoopt tot vaccinatiecentra. Nu het hiernamaals plaats gemaakt heeft voor het hiernumaals, heeft het doopsel waarbij met de duivel uit de ziel het kwaad verdreven werd waarmee elkeen geboren wordt, plaatsgemaakt voor de vaccinatie: het exorcisme van het virus uit het lijf. Want ook het woord 'virus' betekent 'duivel', het is namelijk het Latijnse woord voor 'gif' ofwel 'ziekteverwekker'.
– Ik moet bekennen dat ik het allemaal niet zo goed kan vatten...
OVT: Kijk, mijn beste: ik zal een poging doen om het je uit te leggen. Getallen zijn in feite schimmen, evenals meetkundige figuren en al die andere ideeën die de hoofden vullen van dat soort van mensen die hoeden dragen om hun schedelomvang nog wat groter te doen lijken en aldus nog meer te kunnen imponeren met hun leugens. Inzake algebra, meetkunde, wijsbegeerte en wetenschappen spreken wij over zuivere ideeën weliswaar maar in wezen gaat het om zaken die helemaal geen stek hebben in de echte wereld en om die reden moeten wij belijden dat zij zich bevinden in de schimmenwereld of de Hades.
– Is dat dan zo?
OVT: Ongetwijfeld! Denkers, filosofen, theologen, wetenschappers, zij die de welsprekendheid beoefenen en nog vele andere zogenaamde waarheidszoekers en geleerden: zij zijn allen lieden die zich inlaten met niets dan schimmen en zo onttrekken zij tenslotte ook zichzelf aan het werkelijke leven, ja, worden zij zelf schimmen; zij bevolken het bastion van de wetenschappen en van al die andere telgen van de wijsbegeerte; het bastion van de kennis dat het bastion is van de waanzin, de wereld van de mistigheid, de duisternis, de schemering, de nevelen, het ongrijpbare en het transparante: Hades!
Hij wijst in de richting van een raampje dat ik nu voor het eerst opmerk en dat uitgeeft op de donkere wal die het gebouw helemaal in haar greep houdt.
OVT: Het water waar wij ons nu middenin bevinden, in dit eigenste esbattement, drukt deze toestand tussen werkelijkheid en onwerkelijkheid bijzonder goed uit want water is tegelijk echt stoffelijk en ongrijpbaar; wij kunnen het niet grijpen maar het water zelf kan ons wel grijpen, terwijl het tegelijk de bron is van het leven, precies zoals de ijle droom, waaruit nochtans alles voortspruit dat een tastbare gestalte heeft gekregen. En het is die gestalte die nog van de droom getuigt en van het schimmige van de stof, het dodenrijk. Elke stof immers heeft een vorm en de vorm is het geestelijke dat vastzit aan de stof en er toch los van is; de vorm is het ongrijpbare aan de stoffelijke dingen, datgene wat zich voortplant als het stoffelijke waarop het vastzit, zelf vergaat. Het schimmige, begrijp je, is tegelijk het blijvende, dat wat helemaal niet onderhevig is aan de tand des tijds! Uitgerekend om die reden en om geen andere zijn het schimmen die het dodenrijk bevolken: alleen zij ontsnappen aan het lot dat al het vermeend werkelijke is beschoren!
– Vreemd, wat je allemaal zegt...
OVT: Zie je: als de woorden die ik tot je spreek, nu worden neergeschreven, dan zijn dat tekens en tekens zijn onstoffelijke dingen die om zich te manifesteren ongeacht welke materie te baat kunnen nemen: inkt, krijt, lichtpixels, welbepaalde klanken, noem maar op. Tekens zijn schimmen maar het bestaan van schimmen is standvastiger en duurzamer dan dat van de stof waarop de tekens parasiteren. Daarom staat de stoffelijke wereld helemaal ten dienste van het bastion van de waanzin dat de wereld draaglijk maakt, precies zoals de duisternis het licht draaglijk maakt omdat zij het dempt. Begrijp je? De wereld staat ten dienste van het dodenrijk omdat het uitgerekend de schimmen zijn die de wereld leefbaar maken. Het leven en de dood: alle kinderen in de ganse grote kosmos ontspringen aan de liefde van dit niet te temmen koppel. Begrijp je dat, mijn allerbeste? En wil je nog een kopje koffie? En begrijp je nu ook dat de koffie een kopje behoeft zoals het ijle en voorbijgaande, stoffelijke leven nood heeft aan de standvastigheid van het dodenrijk?
Ik begrijp het niet maar ik knik gedwee omdat ik geloof te begrijpen dat dit de zuiverste waanzin is die men maar kan bedenken. Ik geloof dat ik begrijp dat zij past in de kennis zoals de koffie in het kopje en zoals de vorm van het kopje in de steen waaruit het bestaat. En als ik mij afvraag of het nu de vorm is van het kopje die de koffie draagt ofwel de steen, herinner ik mij Plato die Socrates aan iemand de vraag laat stellen of het dan het hoofd is dat ervoor zorgt dat de ene een kop groter is dan de andere, ofwel de benen.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 17 april 2021)

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Eerste deel)

Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Eerste deel)
Uiteindelijk is het ons gelukt om een bezoek met hem te regelen. Over de details kan hier verder niet veel worden gezegd. De plek waar de heer Van Togenbirger zich bevindt, is afgelegen, geen mens zou er geraken zonder een gedetailleerd plan. Onze gesprekspartner logeert in wat men een instituut zou kunnen noemen. Het gaat om een niet al te groot doch tamelijk indrukwekkend bouwwerk, vermoedelijk daterend uit het begin van de vorige eeuw. Het geheel doet een beetje denken aan een kasteel, vooral vanwege de wal er rond: het gebouw staat in het water. Er is een ophaalbrug maar op het ogenblik van onze aankomst is deze buiten gebruik zodat we moeten overvaren. Het is avond en al donker en koud en het water doet mij een beetje denken aan de beschrijvingen van de Styx uit de Griekse mythologie maar dat heeft dan vooral te maken met de veerman die immers vergezeld is van een grote, zwarte hond. Ik wacht mij er overigens van om daar een toespeling op te maken omdat de man in kwestie niet bijzonder vriendelijk overkomt en nog minder vriendelijk is de hond: hij gromt wanneer ik in het bootje stap, waarop de veerman mompelt dat hij totaal ongevaarlijk is, wat, zoals iedereen weet, alle bazen zeggen over hun geliefde monsters. Het bootje vaart door een open poort het kasteel naar binnen tot in een kleine ruimte die net genoeg verlicht is om daar zonder ongelukken aan te kunnen meren. De veerman helpt mij uit de boot en mompelt andermaal waaruit ik begrijp dat hij wacht op een fooi maar omdat ik dit scenario helemaal niet voorzien heb en slechts beschik over mijn betaalkaartje, moet ik hem teleurstellen. Een bediende wacht mij al op bij een nu hel verlicht portiek en wij komen in een gang terecht waarvan een zijdeur uitgeeft op een klein wachtzaaltje dat slechts wat klaarte vangt door de openstaande deur vanuit de gang. Na ruim een half uur hoor ik naderende voetstappen, niet van schoenen maar van sloffen en ik heb helemaal niet verwacht dat de sukkelachtige gang die ik uit de geluiden wel moet afleiden, deze van Omsk Van Togenbirger is. De verschijning in de deuropening grijpt mij naar de keel: Omsk is niet meer van de jongsten en het is niet bepaald lang geleden dat we elkaar nog gesproken hebben maar indien het niet de man was op wie ik wacht, dan zou ik Omsk Van Togenbirger helemaal niet meer hebben herkend in de fragiele, ineengedoken schaduw die zich nu bewegingsloos aftekent tegen het licht in de gang. Anders dan gewoonlijk wordt de aanvang van ons weerzien vergezeld van een kennelijk wederzijdse emotie die zich verraadt in zijn stem maar die binnen de paar seconden plaatsmaakt voor nuchterheid en rede. Van Togenbirger neemt plaats op de bank tegenover mij en op het ogenblik dat hij teken doet naar mij dat ik mijn mondmasker mag afdoen, merk ik dat hijzelf er helemaal geen draagt, al kan ik in deze halve duisternis van zijn gezicht nauwelijks meer zien dan de contouren. Hij maakt geen aanstalten om een licht op te steken en ten slotte werkt licht alleen maar storend als aandachtig luisteren de boodschap is. En dat moet ik doen, nu ik ineens voel dat dit misschien wel ons allerlaatste gesprek kon zijn, dat tevens een gesprek zal worden over het einde van de wereld.
- Dit lijkt wel het einde van de wereld waar u bent beland, mijn beste Omsk Van Togenbirger, zo probeer ik geheel onhandig en fout het gesprek op gang te brengen maar het is eruit voor ik goed en wel besef wat ik gezegd heb. Hij antwoordt niet meteen doch knikt een hele poos nadenkend en zijn zwakke stem maakt andermaal dat ik met hem te doen heb:
OVT: Het einde van de wereld, ja, zo kun je het wel stellen. Weet je hoe ik hier terecht gekomen ben?
- Euh... neen...
OVT: Met een vloot! Reusachtige zeilschepen! En middenin de nacht! Ik weet heus niet, mijn beste, hoe deze plek er van buiten uit gezien uitziet, ik ken alleen de binnenkant... voor zover ik de binnenkant ken, natuurlijk. Ziet u?
- Zeker, zeker... Verblijven hier veel... mensen?
Het scheelde niet veel of ik had 'patiënten' gezegd en ik vermoed dat Van Togenbirger dit niet op prijs zou stellen.
OVT: De bediening is hier redelijk maar men merkt wel dat het er allemaal niet heel veel meer toe doet, nu de tijd bijna op is, ziet u?
Ik weet niet goed wat hierop te antwoorden. Gelukkig neemt hij weer het woord:
OVT: Aan alles komt een einde, aan alles en aan iedereen, dat weten wij uit ondervinding, maar wij realiseren het ons niet vooraleer het inderdaad zover is en dat maakt dat wij belanden in een waanzin, een collectieve waanzin die de waanzin van de wereld is. De paradox wil nu dat, eenmaal wij uit die waanzin stappen, wij als waanzinnig worden weggezet. En zo bang is men voor diegenen die de schellen van de ogen zijn gevallen, dat men hen wegbrengt naar afgelegen plekken aan de andere kant van de oceaan. O-ce-aan: vind je dat niet een prachtig woord? Van in mijn kindertijd vond ik dit al een prachtig woord, misschien voorvoelde ik wel dat er ooit een dag zou komen... Maar vertel nu eerst eens: wat heeft je hierheen gebracht? Toch niet de vraag wat er nu met de wereld zal gebeuren?
- Je raadt het goed, ja: wij vragen ons wellicht allen af wat er te gebeuren staat, zeker sinds blijkt dat de gesneuvelden steeds jonger worden. En waar zal dat eindigen? Als iemand daar een verklaring voor heeft, dan wel Omsk Van Togenbirger, zo dacht ik, en vandaar...
OVT: En waarom vraag je geen raad aan virologen? Ik ben helemaal geen viroloog!
- Het lijkt mij dat het om veel meer gaat dan alleen maar om virussen. Ik heb het gevoel dat men zich blind kijkt op die dingen...
OVT: Misschien heb je wel gelijk. Maar ikzelf ga te rade bij de viroloog! We hadden het al over Luc Montagnier, nietwaar?
- De nobelprijswinnaar die het virus dat aids veroorzaakt, afzonderde?
OVT: Inderdaad.
- Ik herinner me het interview met de man op televisie, ja.
OVT: Wel, vertelde hij dan niet dat het coronavirus in een lab gemaakt werd en dat er twee fragmenten van het aidsvirus in zitten?
- Dat herinner ik me, ja.
OVT: Mensen die het aidsvirus opgelopen hebben, sterven niet meteen: de zwaksten sterven na relatief korte tijd, de sterksten blijven soms nog jaren in de waan dat hen helemaal niets schort.
- Kennelijk is dat het geval, inderdaad.
OVT: Wel, waarom zou het er dan anders aan toe gaan met het coronavirus dat eigenlijk aidsfragmenten transporteert?
- Wat bedoel je?
OVT: Eerst heeft men verteld dat er alleen ouderlingen aan sterven met onderliggende aandoeningen, nietwaar?
- Ja, dat hebben wij inderdaad vernomen in het nieuws: het virus heeft een voorkeur voor vijfentachtigplussers met onderliggende aandoeningen...
OVT: Juist. En vervolgens vertelde men dat de mensen die medische hulp nodig hebben omwille van besmetting met corona, steeds jonger worden, nietwaar?
- Inderdaad... Het lijkt erop dat het virus het ineens gemunt heeft op een andere leeftijdscategorie, een categorie van wat jongere mensen: zestigers...vijftigers...
OVT: Maar dat kan toch niet!?
- Hoezo?
OVT: Je ziet toch wel direct dat dit gezichtsbedrog is?
- Ik vrees dat ik je niet helemaal begrijp...
OVT: Mijn beste: het virus wordt overgedragen met niesbuien, door aanrakingen, rechtstreeks én onrechtstreeks en via de lucht: het besmet kortom iedereen en wel binnen de kortste keren, laat daarover niet het minste misverstand bestaan!
- Is dat zo?
OVT: Precies! Maar eerst sterven de zwaksten onder ons. Eenmaal die dood zijn, laat ons zeggen na een half jaar, komen diegenen aan de beurt die een klein beetje sterker waren dan de allerzwaksten en dat zijn dan door de band diegenen die een beetje jonger zijn dan de zieke ouderlingen, of vergis ik mij?
- Dat lijkt mij correct, ja...
OVT: Vervolgens, laat ons zeggen na een jaar, komen degenen aan de beurt die sterk genoeg waren om nog een jaar lang gezond te blijven met het virus.
- Lijkt mij logisch, ja.
OVT: Dan volgen na bijvoorbeeld anderhalf jaar diegenen die nog sterk genoeg waren om het anderhalf jaar te overleven.
- Ja...
OVT: Zie je? Het lijkt alsof het virus het gemunt krijgt op steeds jongere mensen maar wat in feite gebeurt, is veel redelijker dan dat: het virus blijft zichzelf en het besmet iedereen maar de zwaksten worden eerst geveld en dan volgen de minder zwakken, totdat op een dag ook de allersterksten aan de beurt zijn.
- Bedoel je nu echt dat je denkt dat het mensdom zal uitsterven?
OVT: Niet noodzakelijk, mijn beste: de allersterksten zullen wellicht oud zijn als zij bezwijken en in tussentijd hebben zij zich al voortgeplant, zie je? Want op die manier is het in feite altijd al gegaan!
- Maar het coronavirus is toch nieuw?!
OVT: Ha, dat zeg jij! Volgens mij bestaat het al millennia. Zoals alle andere virussen trouwens behoort het wellicht tot de alleroudste levensvormen! Want ook hier is gezichtsbedrog in het spel, zie je?
- Neen...
OVT: Zie je dat echt niet?
- Neen...
OVT: Er zijn ontelbare virussen die ons ziek kunnen maken maar uiteraard sterven wij altijd van het kwaadste virus en nooit van het meest goedaardige. Meer zelfs: wij sterven altijd van het allerkwaadste virus en nooit van het virus dat in de rangorde van kwaad naar goedaardig op nummer twee staat. Want hoe kon iemand nu het kwaadste virus overleven en dat wat al was het maar een beetje goedaardiger is, niet? Dat ware toch onzin? Hoe kon een bokser het gevecht winnen tegen de wereldkampioen boksen en verliezen tegen de nummer twee? Als wij moeten opboksen tegen een leger virussen, mijn beste: denk jij dan ook niet dat wij zullen verslagen worden door het kwaadste en niet door de nummers twee, drie of vier? Meer nog: van de nummers twee, drie, vier en al die ontelbare andere, weten wij helemaal niets af zolang de nummer één aan de macht is, om het zo te zeggen. Het is pas nadat de nummer één helemaal verslagen is, dat de nummer twee opduikt als uit het niets en op zijn beurt aan de haal gaat met de zwaksten onder ons. Zolang de nummer één heerst, weten wij zelfs niets af van het bestaan van de ontelbare rij volgelingen. Zolang kijken wij ons gewoon blind op nummer één en geloven wij dat eenmaal wij één hebben bedwongen, wij veilig zijn, ha! Maar dan herbegint het spel natuurlijk! En het is altijd zo geweest!
- Daar zit iets in... Maar wat vinden de medici van die uitleg, of heb je er nog met niemand over gesproken?
OVT: Mijn uitleggingen hebben daarin geresulteerd dat ik hier nu mijn verblijf heb, mijn beste. Maar zeg mij eens in alle eerlijkheid: waar ben ik?
(Wordt vervolgd)
(J.B., 16 april 2021)

Hoe de Oekraïne haar kernarsenaal werd ontfutseld en nu ook haar landbouwgronden

Hoe de Oekraïne haar kernarsenaal werd ontfutseld en nu ook haar landbouwgronden

Als wij ons vanuit België zo'n 1400 km naar het oosten toe verplaatsen, bereiken we de grenzen met Oekraïne, 'de graanschuur van Europa' en sinds 1986 uiteraard bekend vanwege de kernramp in Tsjernobyl dat nabij de hoofdstad Kiev is gelegen.
Oekraïne is na Rusland het grootste Europese land: België kan er twintig keer in en haar zeer vruchtbaar landbouwgebied, de 'zwarte aarde' genoemd, is zo groot als Frankrijk en Duitsland samen.
Duizend jaar geleden stichtten het Scandinavische volk de Varjagen het Kievse Rijk dat Byzantijns Christelijk werd en dat nu nog steeds overwegend christelijk is. In 1240 vielen de Mongolen er binnen, vervolgens viel het onder Litouwen dat met Polen fusioneerde en het raakte verdeeld in een oosters en een westers stuk.
Na de Oktoberrevolutie van 1917 en de Russische burgeroorlog (1917-1922) maakte Oekraïne als SSR deel uit van de USSR. Oekraïne kwam onder het juk van twee volkerenmoordenaars: Stalin brak het verzet van de boeren tegen de toe-eigening van de landbouwgrond door de staat door de Oekraïners uit te hongeren en deze zogenaamde 'holodomor' kostte in 1932-'33 aan tien miljoen mensen het leven. En onder Hitler verloor het land in 1941 een zesde van zijn bevolking. Pas na 1945 werd de Oekraïense SSR opnieuw welvarend. Onder Chroetsjov werd de Krim bij Oekraïne geannexeerd 'als gebaar van vriendschap'.
De recente geschiedenis van de Oekraïne is weer woelig. Na de staatsgreep in Moskou in 1991 waarbij gepoogd werd om de regering Gorbatsjov omver te werpen, riep het parlement van Oekraïne de onafhankelijkheid van het land uit. Die werd bevestigd door een referendum en ook de Krim stemde zich onafhankelijk. Een afschrikwekkend feit was echter dat de Oekraïne naast de Europese graanschuur ook een nucleaire kernmacht was met een gigantisch arsenaal aan kernwapens.
In 1994 bekwamen de VS, Rusland en Engeland dat Oekraïne zijn 1800 kernraketten liet vernietigen in ruil voor zijn soevereiniteitsgarantie... waar de huidige president Zelensky naar verwijst, nu de Russen zijn land lijken binnen te vallen. De gewezen TV-komiek kwam nota bene aan de macht in 2019 waarmee hij zijn Russisch gezinde voorganger van de troon stootte maar niet alle boeren zijn opgezet met zijn komst omdat hij multinationale geldschieters faciliteert om de Oekraïense landbouwgronden op te kopen terwijl een eerdere regeling de grond onder het volk had verdeeld zodat de boeren er konden van leven.
Overigens ook in andere gewezen Oostbloklanden blikken sommigen na een wat overhaaste aansluiting bij het westen met wat heimwee terug naar de 'goede oude tijd' en dat verdeelt uiteraard de gemoederen.
(J.B., 12 april 2021)
Geraadpleegde bronnen:
(*) https://nl.wikipedia.org/wiki/Oekra%C3%AFne
(**) https://www.trouw.nl/nieuws/oekraine-kan-zich-nu-echt-ontwikkelen-tot-europese-graanschuur-tot-woede-van-zelfstandige-boeren~b7608ab4/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

Wordt de westerse vrijheid hoe dan ook bedreigd?

Wordt de westerse vrijheid hoe dan ook bedreigd?

Het door opportunistische potentaten geïnstalleerde panopticum dat ons berooft van privacy is net zoals de geïnstitutionaliseerde religie en de theocratie uit vroegere eeuwen een aanslag op onze vrijheid en derhalve ook een aanslag op de mens als zodanig.
Dezer dagen echter verdubbelt zich de vernietigingskracht van die aan de gang zijnde ramp door een zich aankondigende fysieke geopolitieke oorlog ingevolge een zich herschikkend evenwicht (of onevenwicht) in de wereldpolitiek. Dictaturen moeten het namelijk hebben van volgzame massamensen en gewillige, gemakkelijk programmeerbare soldaten.
In het verleden nam de kerk de programmeerbaarheid van het volk voor haar rekening, in de zogenaamde Verlichting geschiedde conditionering vooral middels geld en een bijkomende derde factor welke de bestuurbaarheid van de massa in de hand werkt, voltrekt zich via de manipulatie middels de nieuwste technologieën. Vandaag echter nemen de potentaten al deze elementen samen te baat waardoor hun effectiviteit zich verveelvoudigt.
Nu de Russen hun troepen naar de grens met Oekraïne sturen, kennelijk met de bedoeling om daar met de tactieken, beproefd bij de annexatie van de Krim, een gelijkaardige slag te slaan die zij dan hopen te herhalen op het grondgebied van de landen die zich na de Tweede Wereldoorlog van het Oostblok hebben losgetrokken om aldus het verloren gebied terug te winnen, dringen de Amerikanen er bij hun Europese NAVO-partners op aan om de Oekraïne militair te gaan verdedigen. Echter, nu Europa daar niet toe in staat blijkt omdat de landen waaruit de Unie samengesteld is, er tegen hun zin deel van uitmaken, bieden plotseling de Turken hun diensten aan.
Of was men dan vergeten dat Turkije met een troepenmacht van 735.000 plus een reserve van 380.000 beschikt over het grootste Europese leger en een van de grootste legers ter wereld? Met een dienstplicht voor alle mannen tussen 20 en 41 jaar, bestaat het Turkse leger uit troepen die, heel anders dan de ondergedisciplineerde en ongeoefende Europese eenheden, dankzij hun semi-theocratie met sterk nationalistische tendensen, nog altijd bereid blijken om gevechten op leven of dood aan te gaan waarin zij trouwens geoefend zijn door hun deelname aan verschillende recente conflicten zoals de nog aan de gang zijnde oorlog met Syrië die eveneens een geschil is aan de grens van de Oosterse met de Westerse invloedssfeer.
Een grondige herschikking van de machtsverhoudingen in het Westen ligt voor de hand nu de Russische dictator de internationale destabilisering van vooral de meest ontwikkelde samenlevingen, die immers ook de meest broze zijn, lijkt te zullen aangrijpen om een slag te kunnen slaan. De pogingen van Amerika om Europa te destabiliseren sinds haar oprichting en vooral sinds de opkomst van de Europese munt die de Amerikaanse dollar als investeringsmunt dreigde voorbij te steken, hebben hun vastberadenheid niet kunnen verhullen waar zij middels verholen activiteiten steun verleenden aan de Europese nationalisten teneinde de verbrokkeling van de EU te kunnen bespoedigen. Het daaruit volgende tanende enthousiasme van het westerse gedeelte van de Europese NAVO-partner blijkt, paradoxaal genoeg, het oosten en met name het vaak als dictatuur weggezette Turkije een mooie kans te bieden om zich als onmisbare toeverlaat van het 'vrije westen' naar het voorplan te werken. Als zich eerlang en dichter bij huis meer grensgeschillen gaan ontrollen naar het model van het conflict in Syrië en van dat over de Krim, zal door zijn bondgenootschap met Amerika, de Turkse staat aan invloed winnen binnen Europa en wellicht valt dan te verwachten dat in het zog daarvan ook culturele en religieuze invloeden zich gaan doen gelden, zodat wat in Europa overblijft van de christelijke cultuur en van de Verlichting, de duimen zal moeten leggen voor de een islamitische theocratie. De weerstand van de massa tegen het acute gevaar van een fatale vrijheidsberoving van de westerse burgers, dreigt echter definitief gebroken te worden als zich het spookbeeld manifesteert waarbij een op religie en nationalisme gebaseerd fascisme een pact zou sluiten met het panopticum van de technocraten.
(J.B., 11 april 2021)

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten