

.



het licht van de doodik leef dicht bij de dood,
zo dichter eigen,
verkeer niet echt in nood
of word beheerst
door ander dreigen
maar zeg nu eerlijk
wat is morgen
en schijnt er zo begeerlijk
aan dat wat toekomst heet
weet men zich daarin geborgen
voegt zich nog inzicht toe
immers het zijn oude dagen
die als nieuw worden beloofd
maar waarvan men gister reeds
de ervaring heeft beleefd
al eeuwen gedragen
vaak door de rede gekloofd
bezondig ik me nu aan een gebod
dat dwingt tot hopen
misken ik het uitgestippeld lot
dat ook mij doet nopen
vast te klampen aan de lopende band
met een tedere liefde voor ogen
of de lusten van een ver verwijderd strand
waar de hemel wordt voorgelogen
het licht van het leven
toont zich op zijn best
daar waar in duisternis
de aardse dorst niet wordt gelest
of waar het zicht
haast eeuwig wordt uitgetest
aan het graf van een geliefde
schreeuwt het licht om lucht
daar giert door alles het gemis
in de niet te beantwoorden vraag
wat is er dat rest;
wil ik nog wel aanschuiven
aan een uitgebreide dis
ik leef dicht bij de dood.
zo dichter eigen,
verkeer niet echt in nood
of word beheerst door ander dreigen
een hedendaagse sprongik mijd de dag
als bomen de lucht bekleden
enkel met kale takken
die snijden dan
door luchtige dromen
en doen vooruitzichten
wezenloos knakken
ik mijd de nacht
als bij volle maan
alles helder schijnt
maar de zon
achter de einder
is geslacht
en in de oceaan
verdwijnt
ik mijd de dag en de nacht
een etmaal lang
spring over het heden heen
het scheelt een helse vracht
van ontwaken, ademen en slikken
van praten en kijken
het is slapen
in het nooitgedacht
ach liefje wat blief jeregeren is begeren of macht vereren
het is in ieder geval beweren
het gepeupel naar het goede te leiden
de bedachte stilstand of achteruitgang
weten om te keren
tot vooruitgang en minder lijden
en het bevredigen van de eigen achterban
mijn broek is versleten, mijn moeder dood
wie naait er nu een nog stuk aan
nee, we gooien het verscheurde in de goot
en lopen door de neonetalagelampenlaan
wie stopt er nog sokken in een tijd
van twee auto's voor de deur
wie stopt er met mokken
als we verdwalen in onze voorkeur
ach liefje wat blief je
een geparfumeerd briefje
of een speels geriefje,
mijn harte diefje
ik verf het behang maar wit
hoef dan geen kleur te bekennen
en met mijn stembiljet sta ik in het gelid
of kniel ik voor de Heilige Beeltenis en bid;
waarom maakt u van zwart niet wit
om aan het levensgrijs te wennen
al die toekomstplannen zijn dromen
uit vervlogen tijden
ze schijnen nooit uit te komen
het moorden is immers ook niet te mijden
ik zie naar buiten
mijn punto voor de deur
een tuintje achter
in de wc een toegankelijke geur
ook het beeldscherm der democratie
staat iedere avond aan
iedere file of stagnatie
het weer en de soap
gaat met ons leven op de loop
koetje boe, roept de ge-es-em
oh, ben jij het alweer
op je onnozel getetter zit geen rem
maar aan mijn hand ontbreekt
in de supermarkt een veer
regeren is vooruitzien
door de bril van morgen
gebouwd op luchtvervuilende angsten
en vijanden overal verborgen
ik hark mijn tuintje maar aan
dat doe ik twee keer per jaar
ben dan heel sociaal begaan
als ik naar mijn buren staar
en zo teren wij op een maakbaar leven
mondiaal door wolven voortgedreven
mijn denken staat op de automatische piloot
ik voel maar niet verder dan de regionale krant
en lees als eerste het adverteren over de dood
dit is een gebed zonder end
een hersenspoelend gedicht
dat bent u niet van mij gewend
ik was immers altijd meer of minder
theatraal en doelgericht
of soms dolend op poëzie gericht
(een onbeduidend gedicht ten behoeve van ene verveling ende kritiek)
het einde der tijdende poort staat open
het einde der tijden heeft zich aangediend
wilde je er even op attenderen
of ik of jij het nu wel hebben verdiend
binnenkort moeten we vroeg uit de veren
de poort staat open
ik kreeg een sms van boven
de zaak is in gereedheid gebracht
ze konden het niet echt 100% beloven
maar aan ieders plaats blijkt gedacht
de poort staat open
vrees niet zo luidde mede de boodschap
hoe je je ooit in het stoffelijk gedroeg
ons fileprobleem vinden ze daar een grap
spraakverwarring gooit men er over de boeg
de poort staat open
aan geloof wordt niet meer gedaan
daar heeft men te veel van ons geleerd
elkaar omwille van de Heer verslaan
is te aards gebleken
de vredige stilte wordt vooral vereerd
de poort staat open
in de hemel vertoeven
blijkt een plek voor reünisten
de ganse dag zielen voorbij zien zoeven
zelfs is er een bijeenkomst voor vermisten
de poort staat open
over het uitzicht valt niets te klagen
vanonder de oude wereld in de smog
daarnaast wordt door engelen
ook nog de hel voor bevlekten gedragen
maar dit blijkt in het aanschijn
van de eeuwige herkenning
een herinnering aan een achterhaald bedrog
de poort staat open
eten en drinken is een onbekend begrip
even als slapen en werken
mens erger je nieten
is een bezigheid met stip
en lachen om die wij waren
komt te samen in het zwarte pieten
de poort staat open
hoe lang het allemaal gaat duren
werd niet meegedeeld
oneindig in de hemel kuren
wordt gemeten langs de menselijke maat
met nadruk werd gezegd
"er wordt niet verveeld"
dat is toch een opluchting
waarbij alles valt of staat
de poort staat open
achterblijvenmet de laatste trein
is ook mijn ziel vertrokken
ik riep nog en wuifde
voelde vocht
in de ogen
mijn arm was kort
de hand te klein
om naar de verte te grijpen
of haar terug te lokken
ik hoorde, heimelijk,
de duivel juichen
wat kan leegte,
zo ingesloten,
eindeloos ver lijken
mij nog verder
in de winter doen zuigen
slechts een
innerlijk sterven
of misschien wel
door in het leven
onder te duiken
hoop ik
met mijzelf
in het reine te komen
en openen zich
ik weet het zeker
als vanzelve,
de nu nog gesloten luiken
als het inzicht kwijntje zit in jouw eigen stoel
hij ruikt nog naar de flat
een eiken fauteuil
met een verleden gevoel
er was ook een ander
maar al jaren onbezet
de beweende leegte
nog wel in een lijstje gezet
de wereld in jezelf
verliest steeds meer
ook het gezicht van weleer
je vraagt naar de onbekende weg
ontelbare malen, keer op keer
over van binnen naar buiten
heerst een vreemd getal
tussen beeldscherm en ruiten
groei je in het laatste verval
er ontbreekt ietser ontbreekt iets
zo moet ik schuchter erkennen
het is één van de drie knopen
die mijn winterjas doet sluiten
en word daarvan gewaar als ik kijk
in spiegelende etalage ruiten
voel me ongemakkelijk,
heb geen vervanger
of naaigerei bij de hand,
vermijd namelijk graag zo'n
ongepast nakend gebaar,
ik ben toch geen
pedofiele handlanger
of walletjes klant
en plaats daarom de hand
voor het onbedekte gat
mijn gemis zit namelijk
ter hoogte van de navel
ik ben niet gewend
zo te staren
en hou zo iets het liefst
ook onder tafel
catwalkmet wiegende
uitstekende heupen
tracht de mannequin
sierlijk geprogrammeerd
over de gestoffeerde
landingsbaan te lopen
terwijl de voyeurs,
zoals ik,
zich vergapen
aan de anorectische libelle
voorzien van in vel verpakte
ronde knopen
vanuit een smile
gepleisterd op twee konen
ziet zij mij glazig aan
zij draagt een modieuze dweil
waaronder haar licht
belegen botten wonen
die wel op hoge hakken,
het moet gezegd,
gedecideerd
voorwaarts gaan
die nogtegaelein diese struukgewasse
naobie braome ende netelgroei
soekt die griesbruune foggel
siene plecke ende raopt klien biestkes
fur siene keinders in die nestebaole
ut foer um tu lefe ende um selfe
ientloos tu singe fur ons allemaole
og, miene gotteku
dies beeske skreewt dun leegte fol
rolt geluuje deur miene siele
icke kenne nie mer dencke
an swarte ende slegte saoke
veur effe worrik opgeligt
deur himmelse klaengcke
um so ofer miene tu waoke
um miene icke fur effe tu sterckere
as die piene von ene verlaotene
gelieke ene skerpmes miene lief
deur sniet ende opsluut
in ene kelderkerckere
hore doch daor in't lofboske
ene nogtegaole singe
hie fult die stille naor ferre gebiet
ut is geliek dunne onsichbaore Got
maor tone in't kliene die kragte
van siene groote lievesgebot
ghie nimt ene wonder waor
die hie uut losse hant
oewe harte trille doet
ut is siene snaovel diene
sulcks op gewoone aortse wiese oet
(iegene taole)
HUGO CLAUS - als een meester gaat-ik ga
ik ga dan als het middag is
vraag niet naar de dag, mijn vrienden
mijn tijd en morgen
zijn reeds van slag door de dwaling
in mijn hoofd
bijna naar gister gebracht
of nog verder in de eeuwige vergetelheid
geborgen
zo moet hij hebben gedacht
in heldere momenten
het scheppen
is hem door geboorte ingehaald
op zoek naar een nieuwe lente
slechts het sterven heeft hij nog
vertaald
onder witte lakens der dramatiek
op een aards baldakijn van staal
de meester van verbeelde woorden
van kijken omzetten in linnenbeelden
en van woorden naar strofen
hij koos voor een spoedige dood
en teelde een leven lang
mijn moedertaal
ik draag jouik draag jou
tot aan de kale rotsrand
een gapend gat
beheerst ons zicht
zeer nabij, naar omlaag
een steile wand
verder weg toont de hemel
zijn immens gewicht;
een oneindig uitdijend gewelf
dat mijn bestaan verengt,
ongrijpbaar voor mij als mens
mijn gedachten worden
allengs, als gedwongen,
naar binnen gericht
op zoek naar een laatste wens
het afscheid valt zwaar
niet alleen in de geest
of in je ogen
doch ook in de laatste stap
op het onvolkomen pad
ik ben klaar,
jij nog het meest
(fictie)
De buurtavond"ga niet weg roep ik naar de gebochelde vrouw
wij nemen je er gewoon bij, zien je als normaal
we loensen wat naar links en hijsen je met een touw
naar de tiende verdieping",
aldus opent de verteller zijn verhaal
een geroezemoes verspreidt zich door de zaal
is hier nog wel sprake van fatsoen en respect
begeven wij ons wellicht op een glijdende schaal
als wij een medemens noemen bij,
in dit geval, haar gebrek
een stoel nadert het podium in vliegende vaart
geschreeuw uit alle hoeken van het wijkgebouw
zelfs de koffiejuffrouw, tot op heden fijn besnaard
schreeuwt naar de acteur " krijg de klere"
in een gepruttel dat eindigt in een venijnige snauw
'jij wordt hier tot Persona Non Grata verklaard"
zei de met haar op de tanden uitgedoste kenau
de zaal kijkt haar verstomd doch vol bewondering aan
welke wijze woorden laat zij hier zweven
zelfs het nobele lokaal bestuur is het niet ontgaan
hier wordt nog eens verbale daadkracht bedreven
op het toneel, stilaan gevuld met gebroken meubilair
overgoten met zwarte koffie en lauwe thee
roept de aangeslagen kunstenaar "dit is niet fair,
de ongelukkige vrouw waarover ik wilde spreken
is een travestiet, hij draagt een kussen met zich mee"
opstandigzou me blij moeten voelen
maar dwingen is niet vrij
zo bedoelt de doodgewaande
wanneer ik even de oude eik raak
waarachter ik mij verschuil
het winters wit weer aan mijn zij
in de dageraad met een waas
over de vijver gespreid
zoals de doffe echo
van Pasen die de leegte
in mijn hart verraadt
stil ben ik na gister:
is dat nu de opstanding
die ik bemin
en waar ik mij zo op verlaat
zo anders gelijkals ik niet ben gelijk jij wilt,
in jouw spiegel;
een bloem die eeuwig weerkaatst,
tot onophoudelijk bloeien bereid
raak ik verstild,
word ter plekke geplaatst
achter in de rij der verscheidenheid
zal je mij dan nog zien
als ik verdwaal in de tuin
van de verschraalde mildheid
ook mijn denken wordt vertroebeld
door ontkende geluiden
mijn ziel door hartstocht
naar het aardse bezoedeld
of afgedekt door vergrijsde
gepantserde huiden
toch kijk ik verder, hoe kan ik anders
als ik weet hoe ik, zo de mens is
groots in de schepping doch kwetsbaar
in zijn bestaan
is het niet zo dat we van nature,
erkenning zoeken en dezelfde weg
in willen slaan
in verwachtingde roos
knakt op
twee balken
doornen etsen
de geest
de mens hoopt
op herleving
mijn hart
het meest
gespletenheidsoms als een ja
- immers je ogen zijn nog toe -
op zich laat wachten
durf jij al de handen
te ontvuisten in kwetsbaarheid
verkrampt als zij waren
de geest moe
door duistere gedachten
weerbarstig
neergedaald ter helle
die door stemmen
daar henen geleid werden
om jou te tarten, te kwellen
al snij je diepe wonden
om te gehoorzamen aan de
satanische dwang
het leidt slechts
tot een tijdelijk uitademen
van verwrongen lucht
gedragen door spookgezang
soms als een ja
op zich laat wachten
- immers je ogen zijn nog toe -
de leden zwaar, te moe
kunnen aardse engelen
je toch even dragen,
het uitzicht verzachten
de laatste kranige druppel
ontboezemingeen lyrische ontboezeming
en dan nog wel kort samengevat
vraagt van de rede
een vroegtijdig bedijken
vaak bezat door overvloeiende
gevoelens, zo willoos bereden,
wordt van mij
het bovenmenselijke gevraagd
immers het stoppen van
innerlijke weerbarstigheden
is vaak ook nog dubbel gelaagd
al heeft men weet van een doofpot,
verstandelijk opgebouwd
ooit worden de sluizen overmatig belaagd
en wat dreigt wordt ontegenzeglijk
uit mijn overtollige boezem gedouwd
twee gezichtenmijn kamer kent twee ramen
zover ik nu kan overzien
ik kijk thans van voren
naar buiten en zie
de staart van een gier
nog hangend in de lucht
een aanvalsplan beramend
op het stervend lijf
van een te vroege mier
gister zag ik
door de ruit aan achterkant
het uitzicht op schitterende
gele narcissen
zij hadden al vroeg
mijn achtertuin bemand
in de vervagende jaargetijden
wilden zij, weliswaar onbewust,
wat eens het voorjaar heette,
de naweeën van een winter bestrijden
om het komen en gaan
te aanschouwen
ben ik met ogen toegerust
en zie dat de natuur met
het tonen van twee gezichten
de schaduw en het daglicht kust