Plaza della Pietà
ik tracht met mijn scherven,
op de Plaza della Pietà,
sprakeloos,
weer heelheid te verwerven
wanneer ik oog in oog sta
met de fontein
waarvan de stralen
huilend de leegte erven,
van de val verhalen
en druppels uiteenspatten
op reeds uitgesleten groeven
van de marmeren Moeder,
zodat ze verpletterend
een verlies vertalen
ik zoek de scherven
opnieuw te verwerven
in het voortdurend geruis
dat de stem verbeeldt
van een scheppende hoeder
als de dag van morgen
vertel mij van dromen,
nog verborgen,
maar waarin zeker
het verleden
wordt ontnomen
ik ga nog één keer langs
bij de velden van weleer
die verhalen van droogte
en diepe verlatenheid
die nog steeds de huid
bekrassen, keer op keer
en waar mijn levensvocht
verdampt in gelatenheid
herinner mij
aan de dag van morgen
die vertelt van het
ontluikende groene gras
waarin ik mij dan,
zozeer weet geborgen
alsof nu al het heden,
gisteren was
glazen zerk
als het hemels dak,
vochtig grijs en
alles omhullend,
het ademen beperkt
vraag ik me af
of zich nu reeds
de contouren vormen
van mijn zielverlaten
glazen zerk,
al doende
het ongewisse
met eeuwigheid
vullend
het uitzicht draagt
niet verder dan heden
morgen,
wat dat ook zij,
lijkt een beeld
uit een verleden
een woord
in hoofden geteeld
en zo lang in mijn
wiegend geloof beleden
De verlaten akker
buigt naar de zon
en de aarde
de hemel kust
zoekt de schaduw
traag haar weg
over reeds
gerooid veld
dat verlangt
naar stilte,
een geborgen rust
en vormt de herfstige kilte
in de groeiende duisternis,
langzaam spreidend,
een deken van droefenis
Haiku
een gevallen blad
teken van een stervende
en maagd in wording
.
een verbeelding
het is luisteren naar wat men niet kan horen
zelfs niet met wijd openstaande oren
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
hoe schilder ik intiem ontwaken
het dansen van nevel over een meer
of het knisperen van gevallen bladeren
als ik ze met mijn voeten bezeer
waar ook nog het herfstfruit in eikels gegoten
in groten getale mede de grond bedekken
het duiden zou toch de aardse weelde beknotten
en mij uit een droom van vertedering wekken
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
versterven
wat is het toch
dat in mij zo
dreigt weg te vloeien
ligt er misschien
een voortschrijdende
onthechting te broeien
of verlies ik de wereld uit het oog
alwaar in de gejaagde mallemolen
het steigerend paard mij afwerpt
om mij, in wat nog rest aan adem,
even rond te laten dolen
schuurt de tijd soms aan het stof
dat over mijn beleving is gestrooid
en dat wat zich nu nog openbaart
het naakte bestaan is,
van illusies berooid
De liefde bedrijven
liefde bedrijven
is pogen
blijvend te verblijven
tegen warme lijven
die gewillig
aan elkander
willen beklijven
om op herhalende
vluchtige dromen
te drijven
en als zacht
schurende schijven
de passie nog
nog meer opdrijven
vluchtig
voel ik nu
een druppel zakken
over mijn
ongeschoren wang
een traan
die afscheid vertaalt
in vluchtige vochtigheid
van innerlijk treurgezang
ik kijk nog omhoog
alsof ik de waarheid
verwacht vanboven;
het gevallen leed van een blad
met uitzicht op herfstig sterven
ik hou me van de dove
oude stenen
als ik drijf op de schaduw van heden
en het mij voelbaar ontbreekt aan gerief
maakt het ademen diepe sneden
roept de rust en komt de nacht als een dief
niet dat ik door het sterven ben aangeraakt
of vast de wakken tel voor morgen,
door deze of gene word gelaakt
neen, de ziel is gedwongen verborgen
toch bouw ik op oude stenen
zij vormen het beeld met geduld
om weer iets van de toekomst te lenen
dat nu nog met nevel is omhuld
overbrugging
het is al lang geleden
je zou haast zeggen
in een gedachteloos verleden
dat ik naar jou schreef
ze waren koud, die korte zinnen
gekrast met aangelengde inkt
ik heb het nabij zijn gemeden
kruiste de degens vanbinnen
heb zodoende de eigenliefde verlinkt
leve de republiek schreeuwde ik
tegen het laatste kladblokvelletje
van goor uitziend papier
bekend van de toiletrollen tint
een kleverige band dat resteerde;
een tweehonderd bladzijden oorlelletje
waarvan ik er honderdachtennegentig
heb afgescheurd met ongeschreven gedichten
met de onzalige doch veelzeggende titel;
waarom heb ik mezelf nooit bemind
zo, het laatste vel is nu gevuld
met dwarrelende gedachten
ik stuur ze naar je op
in de hoop dat ze het lange wachten
enigszins kunnen verzachten
de levende dood
soms, als ik
in de dood verblijf
en het schimmenspel
zie om mij heen
gonzen eentonige
geluiden
zij hebben
het sterven gemeen
geen woord of gebaar
kan mij dan raken
ik ben,
zonder iemand te zijn
voel, zonder kreten
te slaken
Luciano Pavarotti (1935-2007)
de grote meester
schuilde in
een omvangrijke harnas
van menselijk genot
deelde zijn hoge C
met passie en elan
was op roem van mij,
van zijn publiek verzot
geen tenor heeft mij
zo diep geroerd,
mijn vezels doen trillen
en de ziel met herkenning gevoerd
gelijk de Schepper het zou willen
achter haar vlakke hand
achter haar vlakke hand;
een collectie slanke vingers
met veel zilver gespalkt
in diverse lagen en dikten
bedekt zij haar mond;
zachte zwoele lippen
als wachters van een
vurig gespierde tongenlont
wordt er een lach verborgen
vanwege mijn verfijnde grappen
of bedekt zij de verveling
om niet uit een ander, afwijzend,
vaatje te hoeven tappen
en mij niet wenst te tergen
als ik haar, mateloos verblind,
mijn zuigende ogen schenk
onkundig mijn passie achter
zwijgzaamheid te verbergen
opdat ik mijn zucht
slechts in speeksel drenk
in het woud van morgen
raap de bladeren, mijn zoon
vrijen in den vreemde
vredig vrijuit vrijen in den vreemde
met een vrijvrouw zonder enige scrupule
is hangen aan gekleurde ballonnen
of zweven in wilgenbomen van chocolade
het is zuigen aan slagroom met aardbeien
ongeremd, verblind en onbezonnen
alhoewel het naast zo'n schone neervlijen
reeds het ervaren is van genade
eer ik werkelijk ben begonnen
ach, wat kan ik zo fijn fantaseren
over onbekende grenzen heen
het is veilig drijven op de wolken
en de liefde op topniveau vereren
ongeschreven gedichten
verderop in de straat zijn er vestingen
al vroeg in de avond met rolluiken gedicht
ik heb niet de indruk dat er veel is te halen
nooit heeft men daar dieven zich zien verdringen
of dat er binnenshuis kwalijke daden worden verricht
daarentegen zet ik de deuren wijd open
dat wil zeggen aan de achterkant
kan men vrijelijk naar binnenlopen
tenminste als de houten poort
niet met sloten zou zijn bemand
voorgevels zijn voor mij gezichten
met glazige vierkante ogen
ik kijk graag bij iedereen naar binnen
het lijken strofes van ongeschreven gedichten
blinde vlekken
een sta in de weg, ben ik
ook terwijl ik langdurig zit
op de juiste momenten ja knik
en eindeloos tot de Schepper bid
hoe is dat zo gekomen
daar ik toch goed van zins ben
de werkelijkheid onderscheid van dromen,
verderf en schoonheid door en door ken
het is als kleurloze verf op een palet
op het doek verwerkt tot blinde vlekken
waar ik de gehele oppervlakte heb besmet
niet in staat zijnde daaruit inzicht op te wekken
de laatste strofe
|
een laatste strofe |

