in verwachting
de roos
knakt op
twee balken
doornen etsen
de geest
de mens hoopt
op herleving
mijn hart
het meest
in verwachtingde roos
knakt op
twee balken
doornen etsen
de geest
de mens hoopt
op herleving
mijn hart
het meest
gespletenheidsoms als een ja
- immers je ogen zijn nog toe -
op zich laat wachten
durf jij al de handen
te ontvuisten in kwetsbaarheid
verkrampt als zij waren
de geest moe
door duistere gedachten
weerbarstig
neergedaald ter helle
die door stemmen
daar henen geleid werden
om jou te tarten, te kwellen
al snij je diepe wonden
om te gehoorzamen aan de
satanische dwang
het leidt slechts
tot een tijdelijk uitademen
van verwrongen lucht
gedragen door spookgezang
soms als een ja
op zich laat wachten
- immers je ogen zijn nog toe -
de leden zwaar, te moe
kunnen aardse engelen
je toch even dragen,
het uitzicht verzachten
de laatste kranige druppel
ontboezemingeen lyrische ontboezeming
en dan nog wel kort samengevat
vraagt van de rede
een vroegtijdig bedijken
vaak bezat door overvloeiende
gevoelens, zo willoos bereden,
wordt van mij
het bovenmenselijke gevraagd
immers het stoppen van
innerlijke weerbarstigheden
is vaak ook nog dubbel gelaagd
al heeft men weet van een doofpot,
verstandelijk opgebouwd
ooit worden de sluizen overmatig belaagd
en wat dreigt wordt ontegenzeglijk
uit mijn overtollige boezem gedouwd
twee gezichtenmijn kamer kent twee ramen
zover ik nu kan overzien
ik kijk thans van voren
naar buiten en zie
de staart van een gier
nog hangend in de lucht
een aanvalsplan beramend
op het stervend lijf
van een te vroege mier
gister zag ik
door de ruit aan achterkant
het uitzicht op schitterende
gele narcissen
zij hadden al vroeg
mijn achtertuin bemand
in de vervagende jaargetijden
wilden zij, weliswaar onbewust,
wat eens het voorjaar heette,
de naweeën van een winter bestrijden
om het komen en gaan
te aanschouwen
ben ik met ogen toegerust
en zie dat de natuur met
het tonen van twee gezichten
de schaduw en het daglicht kust
Nikkimijn idool woont in Rooi
een meiske met allure
langharig blond met
een dijk van een stem
over haar lijntje nog maar
te zwijgen;
"daor kunde ge eindeloos naor ture"
bij druilerig weer
in de kiosk op de markt
wordt zij door het volk toegejuicht
de burgervader,
zeer goed geluimd,
doet de loftrompet haast
eindeloos schetteren
waarna zij zwaaiend en roepend,
ontelbare malen,
in de gewenste dankbare
houding buigt
Rooi staat weer op de kaart
zo laat de eerste man weten
nu hebben we onze Nikki
Hello World, zingt zij,
here we are
mijn dorp heeft zich weer
in de publiciteit gebeten
minnenijdals minnenijd
stuurloos wordt
voortgedreven
ongrijpbaar vaak
en in helderheid
zeer slecht bedreven
slaat de twijfel
steeds meer toe
en waar immer mijn
genegenheid toe leidt
schijnt als het ware,
gelijk los zand te zijn
dat door de vingers glijdt
dan ken ik niet meer mijzelf
ben ontketend van eigenwaarde
en dool ik doorgaans door mijn
malend hersengewelf
ik raak niet meer
de vruchtbare aarde,
liefdevol sprekend
over mijzelf
naamloze geuruitgestrekt als een
dalende springer
met parachute
lig ik op pril gewas
nog amper bovengronds,
ik spreek over gras
stengelachtig
en broos van natuur
als het ware zacht neergevlijd
maar zeker tot dragen bereid
zo woel ik met mijn lippen
wat kort geplukt
maagdelijk groen
en aanschouw
de steltlopende snippen
die door weinig wuivend riet
aan het oog worden ontrukt
zwalkend door
de gebroken vliezen
van mijn lage hemel heen
gaat de jonge naamloze geur
verraadt zonder enig geluid
dat de aarde is herboren
in vele gedaanten;
zogezegd,
te kust en te keur
demarrageik weet niet wat mij overkomt
het lot gaat met mij op de loop
men raakt hier toch van verstomd
als je het overzicht verliest
ja, mijn denken geraakt in de knoop
heb ik nu werkelijk zo hard gefietst
was me niet bewust
van enige demarrage
ok, het was even voluit
maar dat heb je met
een talentvolle lust
het is niet zomaar
dat men halverwege de berg stopt
en zijn inspiratie sust
althans zo komt mij dat voor
dat is zonneklaar
maar wat ik wel zie langs de route
zijn renners met een lekke band
is dat nu een sportief gebaar
of hoor ik ze roepen
ga maar voor mijn zoete
ik zie geen hand meer voor de ogen
de mist heeft mij ingesloten
omdat geluk verblindt
het succes heeft mij bedrogen
ik ga niet meer door het lint
diepgangik dicht licht en
vluchtig vandaag
of de zon wel of niet schijnt,
is even niet de vraag
verhaal vooral van eenvoud
vederlicht gewogen,
zo zeg ik tegen mijzelf
neen, geen gezouten tranen
en diepe voorhoofdsrimpels
als ik in onpeilbare zieltjes delf
daarop
zult u mij heden
niet betrappen
laat ieder het verstaan
van diepgang raakt men
immers niet opgetogen
wel van erotiek, Bossche bollen
en heerlijke appelflappen
of eigenaardige gedichten
waar heeft deze man het toch over
zie ik u peinzen
op uw denkbeeldige gezichten
ja, het ging over niets
nog lichter van gewicht
tevens kunt u mij niet betichten
van goddeloos veinzen
gelukkig,
ik ben niet voor diepgang
gezwicht
ik noem u niet bij naam (hekeldicht)ik zal uw naam niet noemen
gehoon of gelach
is even uit den boze
noch dat ik u wil roemen
ik maak van niets gewag
te dien aangaande
het is niet aan mij
de deksel van
een beerput te lichten
of op een zeepkist staande
luid te roepen:
deze man is een ...
oh, daar ging ik
bijna in de fout
pas op,
zeg ik tegen mijzelf.
niet weer voor je
schaduw zwichten
en mijn haat naar u
als het langzaam likken
aan een lolly,
kleur voor kleur,
af te snoepen
dan wel kond te doen
van de geur van uw zweet
onder oksel en voeten
neen,
dit lijkt voor het moment
zelfs voor mijn inborst
iets te boud
mijn geweten zal dan
moeten boeten
ook het schreeuwen
dat ik van u houd
zal gepaard gaan,
vergeef het mij,
met eeuwig geeuwen
ik laat niets over u los
dat is,
openhartig gezegd,
gewoon gemeen
ik gooi u niet
voor de leeuwen;
ben niet als menigeen
de lentevandaag verlaat
de dood het sterven
en zoekt in de kringloop
der seizoenen
alom weer de geboorte
te verwerven
in aangelegde plantsoenen
of op verweesde plekken
waar de mens
geen hand heeft
in het natuurlijk stekken
daar kleurt de lentebodem
weer de winterse graven
verschijnt vernieuwd leven
uit onze baarmoeder aarde
wanneer ik gatussen het licht van de lente
en het zwart van de dood
beschrijft het vaarwel
de eeuwige winter
een leven uit het lood
met verlangen naar verlossing
in de uitademing tijdens de laatste tel
hoe kan men sloten verbreken
van deuren die als muren lijken
met broos levenssap besmeurd
waar de hopende ziel is uitgeweken
en een toekomst al in de jeugd
reeds blijkt afgewezen,
volprezen afgekeurd
heeft men het vertrouwen
reeds vroegtijdig verbeurd
gepaard aan duivelse vrezen
de aangereikte witte linten
kunnen tranen niet drogen
of gaten dichten
veiligheid vervloog eer
het hart het wilde gedogen
warmte kent nog slechts
zwarte tinten
de zinje hijgt het verleden achterna
kom hier, ik vul jouw deel
met mijn kracht
het is snuiven aan het lot
ontvang van mij een bod
uit de hand van een zot
ik gedraag me vreemd,
als ben ik in de war
ontkleed me van het normale
roep krijsend, ik ben de nar
verdwijn gij doemdenkers
speel met mij en
verlies alle kwalen
ik speel op een koninklijke luit
met een overdaad aan snaren
bescheidenheid is uit
zo kan ik verklaren
verheug je met mij
op de zin van het leven
die is kort;
denk niet te veel
je bent er maar even
prille glansik zie het dons
zweven in de ochtendzon
wanneer het licht zich
over je huid verspreidt
ik wil je minnelijk raken,
voel al warmte opkomen
in mijn lijf
samen met jou
zal ik de eerste
lentezuchten slaken
de winternacht
met mijn ogen
bevechten
als ik de schaduw
nog sluimerend aanwezig
uit jou verdrijf
haar jawoordde winterjas glijdt
langzaam van mijn schouder
ik had hem daar geparkeerd
het is immers zonnig weer
en de binnenstad, vereerd
met een zwoele zuidenwind,
kent volle terrasjes
met uitgestalde witte kuiten
van lunchende dames
in de vroege voorjaarssfeer
even weg van kantoor
maar wel met sigaretten
en andere snuisterijen
in modieuze lederen tasjes
juist voor twee
over elkaar geslagen
lelieblanke benen,
raakt mijn kledij
onze moeder aarde
het behoeft geen betoog
dat ik moeite heb met bukken
ook al ben ik nog zo vrijgevochten
zonder vrees voor vlezige stukken
ik behoor eerst haar jawoord te vragen
eer ik naar de bodem reik
"mag ik", vraag ik schuchter,
gepast en zonder uit te dagen
de trombonisthij schuift vooruit
en dan weer terug
doch niet in gelijke mate
in wisselende standen
spuugt hij geluiden voor zich uit
op verschillende tonen en maten
of naar links
dan wel rechts
maar immer in de lucht
waar bollende wangen,
droge keel met opgezette aders
in de nek en op het hoofd
tezamen met verlangende lippen
uitzien naar een tussentijdse
inhalende zucht
omdat de inhoud van de behaarde borst
doorlopend van zijn volume wordt beroofd
de vleugels van de briesende neus
zijn roodblauw gekleurd
niet door het volop musiceren
doch door het smeren
van luchtpijp en vullen van de
overhangende buik
zo onderhoudt de schuiftrompettist
zijn repertoire met cola en bier
en weet hij ritme te houden
in het blazen, drinken, ademen
en slikken,
alles op zijn beurt,
door neus en bovenluik
mijn gebroken armentroosten kan ik
slechts met woorden
maar besef terdege
dat zij de zee er niet
van kan weerhouden
oud zout in jouw wonden te legen
de spiegel van de dag
zo ogenschijnlijk alledaags
legt de leegte bloot
het scheurt het hart in stukken
maakt van de pijn
in de ogen gewag
ziet helen alsmaar mislukken
waar geen leven is,
daar verschijnt de dood
in alles wat de ander
niet meer herkent
zelfs de zeepbel
licht en dromerig van aard
draagt het gewicht van lood
en met de weg naar het licht
ben je niet meer bekend
althans zo kruipt de
schreeuwende stilte
dolend voort
je hoort niet meer mijn roepen
het blijkt, terecht,
gedoofd geluid,
in het kielzog vermoord
schaduwbeeldde schaduw
achtervolgt mij
als zij een oogje
op me heeft
ik loop daarom
het liefst
in duisternis
mijn hersenschim
en ik
rusten dan,
ongedwongen,
in de avondgeest
herscheppenals de straat dreigt dood te lopen
of de lantaarn te weinig belicht
vergeet dan voor een wijle
de naamplaatjes op deuren
of namen van stijlen
schrap nummers
die aan bordjes zijn toegedicht
erken dat het onkruid tussen
klinkers is geslopen
daarmee schep je
nog geen wanorde
of ruïnes in spe
plaats je geen vlaggen
op zwarte lijkauto's
als zou het graf wachten
het is loslaten van routine
ruimte scheppen
voor wellicht een nieuw idee
opnieuw een schoonheid zoeken,
het voortschrijdend leven achten