de laatste strofe
|
een laatste strofe |
de laatste strofe|
een laatste strofe |
als ik niet kijkze staart naar mijn ogen
aldoor
als ik niet kijk
glimlacht een heel verhaal
gaat op in de verbeelding
die opnieuw geboren lijkt
wat tekent mijn mond
die blijkbaar
een verleden verraadt
zij aait de hond
die haar achterlaat
met een lege schoot
en keert in haar wereld terug
hij die zij verwacht
is vroegtijdig uitgeloot
de pijn kromt weer haar rug
het draagt de stiltejouw hand glijdt
langs mijn wang
zoals de najaarswind
de bladeren streelt
het ruisen is meer
dan een geluid
iets dat nimmer
verveelt
het duidt op
een geschenk
naar verluidt
het draagt de stilte
als een zoekende bruid
steppevreeszoek geen schoonheid
in bedrogen ogen
zij kijken zonder glans
de kilte heeft ze gewogen
en naar de schaduw geleid
daar spreken dorre takken
met zout getraande bladen
over desolate vlakten
die als verstomd
hun verleden verraden
als het doorzicht kwijntspanen hangen langs de boot
een stroom drijft me voort
ik weet niet naar waar
van het vreemde hier
in het uiteinde van
een afgehakte loot
naar het onbekende daar
ik heb weet van de verlamde passie
de opgesloten sier
alsof een eeuwigdurende zielenstaar
mij voortduwt in het zand van de woestijn,
wellicht een onvermijdelijk levensgebaar
de zon weerkaatst op schaduwen
van gedoofde vuren in een geblakerd bos
momenten met gelijmd kluwen
geen draad te pakken, geen uiteinde los
korstgenotlangzaam schraap ik
de roodbruine korsten
van mijn bezeerde arm;
het is peuteren met pijn
negeer het lijfelijk alarm
niet dat ik zomaar
naar bloed zou dorsten
het geeft een aanhoudende kick
en dat is dwangmatig fijn
voorzichtig gaat mijn nagel
langs de rand van gestold vocht
op zoek naar reeds blootgelegen huid
maar bij de onverwijlde afwezigheid
van een loszittende rand
duw ik tegen de ondoorzichtige ruit
hier ervaar ik de pijn waarnaar
mijn zucht wordt toe geleid
het ongekendebenoemen is
een vruchtloos verpozen
in het ongekende
immense heelal
toch ontkom ik niet
aan het erkennen
dat ik me doorgaans
gedragen voel
er niet meer voor
weg kan rennen
dan wel kan zeggen
wat ik er eigenlijk
mee bedoel
of dat ik deze
gewaarwording,
zomaar,
zelf heb uitgekozen
liedje van het ventjeik ben voor de stilte gezwicht
en heb volgens mijn aard
zo min mogelijk uitgericht
refrein:
hij is weer trug hij is weer trug
dat kleine grijze ventje
gooi maar letters op zijn bord
hij maakt een dichie voor een centje
de lucht is dan toch opgeklaard
opdat u zeker niet gaat gissen
of anderszins ten onder gaat
refrein:
hij is weer trug hij is weer trug
dat kleine grijze ventje
gooi maar letters op zijn bord
hij maakt een dichie voor een centje
waarom mijn woorden missen
die de ziel zo kunnen raken
wilde jullie geenszins buitensluiten
of alsmaar zuchten doen slaken
refrein:
boemerdeboem boemerdeboem
hij is weer trug hij is weer trug
dat kleine grijze ventje
gooi maar letters op zijn bord
hij maakt een dichie voor een centje
de maestrogij zult niet,
aldus sprak de meester,
iedere dag uzelf bevredigen
dat verbleekt het dichterszaad
het is dan zoals woorden
in het luchtledige legen
mijn testamentik lees nog eenmaal
mijn verkreukeld testament
met een christusdoorn
naast mij op de vensterbank
zo vaak heb ik
mijn laatste wens
herschreven
waar het nu
nog maar één enkel
woord kent
mij rest slechts "dank"
voor de moeder
van mijn leven
goddeloze boeienals slechts de buitenkant telt
zal genegenheid niet gedijen
wanneer jij van anderen vertelt
als enige maatstaf van leven
val ik telkens terug op de keien
word ik in de hoek gedreven
niets blijft echt van mij over
een ziel zonder mond
of die boom zonder lover
een niets
iets
de gedoofde lont
het brandend water
kan dan niet meer vloeien
misschien veel later
als je eenmaal bevrijd geraakt
uit die goddeloze boeien
zuigend slibeen geblakerd plafond,
wanden met verscheurd behang,
een totaal leeggeroofd huis
dat negatief doordrenkt mijn gedachten
gepaard aan een duistere dodenzang
jij raakte in toenemende mate,
beklonken met een stalen gezicht,
de loodzware deuren van een sluis
waar wij eerst nog kolkten van genot
en naar elkaar werden toe gezogen,
zakkend in de diepte van
onwaarschijnlijk geluk
zo hemels gezind
kon niets meer stuk
wat waren wij op elkaar verzot,
ik heb je zo bemind
het water steeg mij tot de lippen
je vertelde van die ander
waaraan ik niet kon tippen
verwoestend bonkten je blikken
op restanten van begrip
allengs kon ik alleen nog maar stikken
weggegooid, verdwijnen in zuigend slib
in goede dagenik heb je lief mijn medemens
vooral in goede dagen
mijn gemoed is dan opgewekt,
kan zoveel geven
ik hoef niets te vragen
als een tegenwind mij overvalt,
mij tegen de aarde knalt
houd ik mezelf voor
door jou en jou te worden gedragen
ik hoef dan niets te vragen
vragen, vragen
durf ik me er wel aan te wagen,
aan die onzekerheid
in mijn diepere lagen
kan beter jou behagen
ik hoef dan niets te vragen
zo ontkom ik ook aan een dankjewel
stel dat ik dat zou zeggen
even mijn kwetsbaarheid blootleggen
dan moet ik nog dieper naar
mijn eigenwaarde dreggen
ja, ik heb je lief
in goede dagen
ik hoef dan niets te vragen
ik heb een hekel aan uvandaag zaag ik niet door
heb er de fut niet voor
niet dat ik me eraan stoor
als ik enige onvrede hoor
er ging ook niets teloor
brak geen boor of
heb een dichtgeslibd oor
nee, mijn gedachten zijn goor
en dan moet men zwijgen
geen ellenlange rijmpjes rijgen
over zuchten, laat staan hijgen
daar ga ik uw ziel niet mee bedreigen
mijn bijdrage is derhalve kort
zogezegd een ongevuld bord
waar een varken niet voor knort
o ja, dat kan ik nog wel vertellen
zonder mijn geweten te kwellen
ik heb een hekel aan u
klinkt misschien wat cru
het moest er even uit
in de hoop dat u er zich niet aan stuit
wat komt dat komtde pas ontloken zomer
kent al een weelderige bladertooi
als een overrijpe puber
te vroeg volwassen
nu al aangrijpbaar mooi
het doet mij even verwarren
dit ritme van de natuur
zal het lover nu eerder vallen
heeft de koude dag nog rust
voor een vredig openhaardvuur?
och, ik mijmer maar wat,
turend achter een raam
en het water al dagen spoelt
wil eigenlijk niet weten
hoe zo'n vroege ouderdom voelt
ben ook niet wezenlijk
met de toekomst begaan
wat komt dat komt, zo wordt gezegd
verpakt in een verbeelde droom
in die zin ben ik niet overjarig
gelijk de verwachting naar morgen
die evenzo in de jeugd is gelegd
redder van de nachtzuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen
zing met mij over jeugdige frêle velden
die glooien in de einder van mijn dromen
zij zoeken warmte met liefde te omzomen
zodat engelen de tederen maken tot helden
zuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen
ik zweef met open ogen en vragende handen
op het immer lengende lover van lichte luchten
luisterend naar de slepende zoete stille zuchten
die eenmaal in mijn hart een
vlammend vuur doen ontbranden
zuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen;
bij jou vertoeven is zo innig en zacht
muren van weleerja, het is vaak lopen op sprokkelhout
eer ik het klinket nader, nabij de hoek
diep achter in de verwilderde tuin
het hangt al jaren scheef
aangedaan door de tand des tijds
juist daar ervaar ik de pracht
van het komen en gaan
van gaan en komen
ik ben daar zacht
soms in dromen
ook als ik met het heden ben begaan
zoals nu
hier sta ik dan, of liever leun
tegen muren van weleer
om de toekomst te verslaan
des weders grillentwee planken, twee meter lang,
op rughoogte en verticaal
twee doorgebogen, op konthoogte, horizontaal
gehecht zonder notie aan twee stukken beton
dragen mij in de passerende zon
ik was maar even gaan zitten
kan wel op haar gaan zitten vitten
het leidt deze keer toch niet tot zomerse hitte
ze komt wanneer het wordt voorspeld
en dat is deze week, in aantal, op één hand geteld
het vocht dringt door mijn kleding heen
langzaam trekt het omhoog
het "genieten" kent derhalve twee kanten
zoals het ervaren van natte billen
en het stijgen van een kleffe warmte
het moment toont beide zijden des weders grillen
het moet gezegd, allengs begin ik te rillen
u voelt de bui al hangen, een naderend onheil
ik begin door het optrekkend vocht te verkillen
de stemming zakt naar een dienovereenkomstig peil
dodenmarsbam bam bammerde bam
daar ga ik dan
bam bam
ik lig
in de mars der doden
bam bammerde bam klik klikkerde klik
luiden de trommels
van treurende boden
zij slaan op de hik hikkerde hik hik
ik hoor het schoffelen als valse violen
snaar slof snaar snaar
de juiste tred om achter doden te dolen
het blijft een hopeloos gebaar
slof slof slofferder slof
sprakeloos dof
rom rom rommerde rom
mijn doel lijkt bereikt
de symfonie der tranen
wordt allengs ingezet
morbide in g kleine terts
ik moet me in de hemel wanen
roept the last poster trompet
pet pepettt
de touwen hebben met één enkele
echoënde paukenslag
mij op de klei gezet
dam dam dm dm dm mm
ongerijmdvoorheen
vertederde ik jou
met zachte handen
waar jij nu
warentig
mijn hart verbrijzelt
met stenen
mijn tred is
wankelmoedig
alsof ik dreig
te verzanden
jij ging plots
ongerijmd henen