de maestro
gij zult niet,
aldus sprak de meester,
iedere dag uzelf bevredigen
dat verbleekt het dichterszaad
het is dan zoals woorden
in het luchtledige legen
de maestrogij zult niet,
aldus sprak de meester,
iedere dag uzelf bevredigen
dat verbleekt het dichterszaad
het is dan zoals woorden
in het luchtledige legen
mijn testamentik lees nog eenmaal
mijn verkreukeld testament
met een christusdoorn
naast mij op de vensterbank
zo vaak heb ik
mijn laatste wens
herschreven
waar het nu
nog maar één enkel
woord kent
mij rest slechts "dank"
voor de moeder
van mijn leven
goddeloze boeienals slechts de buitenkant telt
zal genegenheid niet gedijen
wanneer jij van anderen vertelt
als enige maatstaf van leven
val ik telkens terug op de keien
word ik in de hoek gedreven
niets blijft echt van mij over
een ziel zonder mond
of die boom zonder lover
een niets
iets
de gedoofde lont
het brandend water
kan dan niet meer vloeien
misschien veel later
als je eenmaal bevrijd geraakt
uit die goddeloze boeien
zuigend slibeen geblakerd plafond,
wanden met verscheurd behang,
een totaal leeggeroofd huis
dat negatief doordrenkt mijn gedachten
gepaard aan een duistere dodenzang
jij raakte in toenemende mate,
beklonken met een stalen gezicht,
de loodzware deuren van een sluis
waar wij eerst nog kolkten van genot
en naar elkaar werden toe gezogen,
zakkend in de diepte van
onwaarschijnlijk geluk
zo hemels gezind
kon niets meer stuk
wat waren wij op elkaar verzot,
ik heb je zo bemind
het water steeg mij tot de lippen
je vertelde van die ander
waaraan ik niet kon tippen
verwoestend bonkten je blikken
op restanten van begrip
allengs kon ik alleen nog maar stikken
weggegooid, verdwijnen in zuigend slib
in goede dagenik heb je lief mijn medemens
vooral in goede dagen
mijn gemoed is dan opgewekt,
kan zoveel geven
ik hoef niets te vragen
als een tegenwind mij overvalt,
mij tegen de aarde knalt
houd ik mezelf voor
door jou en jou te worden gedragen
ik hoef dan niets te vragen
vragen, vragen
durf ik me er wel aan te wagen,
aan die onzekerheid
in mijn diepere lagen
kan beter jou behagen
ik hoef dan niets te vragen
zo ontkom ik ook aan een dankjewel
stel dat ik dat zou zeggen
even mijn kwetsbaarheid blootleggen
dan moet ik nog dieper naar
mijn eigenwaarde dreggen
ja, ik heb je lief
in goede dagen
ik hoef dan niets te vragen
ik heb een hekel aan uvandaag zaag ik niet door
heb er de fut niet voor
niet dat ik me eraan stoor
als ik enige onvrede hoor
er ging ook niets teloor
brak geen boor of
heb een dichtgeslibd oor
nee, mijn gedachten zijn goor
en dan moet men zwijgen
geen ellenlange rijmpjes rijgen
over zuchten, laat staan hijgen
daar ga ik uw ziel niet mee bedreigen
mijn bijdrage is derhalve kort
zogezegd een ongevuld bord
waar een varken niet voor knort
o ja, dat kan ik nog wel vertellen
zonder mijn geweten te kwellen
ik heb een hekel aan u
klinkt misschien wat cru
het moest er even uit
in de hoop dat u er zich niet aan stuit
wat komt dat komtde pas ontloken zomer
kent al een weelderige bladertooi
als een overrijpe puber
te vroeg volwassen
nu al aangrijpbaar mooi
het doet mij even verwarren
dit ritme van de natuur
zal het lover nu eerder vallen
heeft de koude dag nog rust
voor een vredig openhaardvuur?
och, ik mijmer maar wat,
turend achter een raam
en het water al dagen spoelt
wil eigenlijk niet weten
hoe zo'n vroege ouderdom voelt
ben ook niet wezenlijk
met de toekomst begaan
wat komt dat komt, zo wordt gezegd
verpakt in een verbeelde droom
in die zin ben ik niet overjarig
gelijk de verwachting naar morgen
die evenzo in de jeugd is gelegd
redder van de nachtzuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen
zing met mij over jeugdige frêle velden
die glooien in de einder van mijn dromen
zij zoeken warmte met liefde te omzomen
zodat engelen de tederen maken tot helden
zuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen
ik zweef met open ogen en vragende handen
op het immer lengende lover van lichte luchten
luisterend naar de slepende zoete stille zuchten
die eenmaal in mijn hart een
vlammend vuur doen ontbranden
zuig mij in je armen
redder van de nacht
vertraag het doodse malen
over het vermaledijde aardse dwalen;
bij jou vertoeven is zo innig en zacht
muren van weleerja, het is vaak lopen op sprokkelhout
eer ik het klinket nader, nabij de hoek
diep achter in de verwilderde tuin
het hangt al jaren scheef
aangedaan door de tand des tijds
juist daar ervaar ik de pracht
van het komen en gaan
van gaan en komen
ik ben daar zacht
soms in dromen
ook als ik met het heden ben begaan
zoals nu
hier sta ik dan, of liever leun
tegen muren van weleer
om de toekomst te verslaan
des weders grillentwee planken, twee meter lang,
op rughoogte en verticaal
twee doorgebogen, op konthoogte, horizontaal
gehecht zonder notie aan twee stukken beton
dragen mij in de passerende zon
ik was maar even gaan zitten
kan wel op haar gaan zitten vitten
het leidt deze keer toch niet tot zomerse hitte
ze komt wanneer het wordt voorspeld
en dat is deze week, in aantal, op één hand geteld
het vocht dringt door mijn kleding heen
langzaam trekt het omhoog
het "genieten" kent derhalve twee kanten
zoals het ervaren van natte billen
en het stijgen van een kleffe warmte
het moment toont beide zijden des weders grillen
het moet gezegd, allengs begin ik te rillen
u voelt de bui al hangen, een naderend onheil
ik begin door het optrekkend vocht te verkillen
de stemming zakt naar een dienovereenkomstig peil
dodenmarsbam bam bammerde bam
daar ga ik dan
bam bam
ik lig
in de mars der doden
bam bammerde bam klik klikkerde klik
luiden de trommels
van treurende boden
zij slaan op de hik hikkerde hik hik
ik hoor het schoffelen als valse violen
snaar slof snaar snaar
de juiste tred om achter doden te dolen
het blijft een hopeloos gebaar
slof slof slofferder slof
sprakeloos dof
rom rom rommerde rom
mijn doel lijkt bereikt
de symfonie der tranen
wordt allengs ingezet
morbide in g kleine terts
ik moet me in de hemel wanen
roept the last poster trompet
pet pepettt
de touwen hebben met één enkele
echoënde paukenslag
mij op de klei gezet
dam dam dm dm dm mm
ongerijmdvoorheen
vertederde ik jou
met zachte handen
waar jij nu
warentig
mijn hart verbrijzelt
met stenen
mijn tred is
wankelmoedig
alsof ik dreig
te verzanden
jij ging plots
ongerijmd henen
unne daenckewelleicke daencke miene naoste
ghie sijt unne menske as gine aender
immer bende ghie daor vor miene surg
as icke volle bin met traone ende lit
icke voele me daen so geborg
ende vele mere as ghie ieglich wit
miene stiele is nimmer so enig tu segge
ingekeert is mere dun weghe die icke gaone
geve is vaok better uut te legge
daen unne daenckewelle
nimme doch miene blick in oewe ooge
das mere daen unne wort kaen stelle
(iegene taole)
inzicht door uitzichtmijn neus draagt nieuwe glazen
omhuld met lichtbruine ringen
verbonden met twee schelpen
door armen van gelijke kleur
kan mijn ziel nu beter ontwaren
daar ik de omgeving scherper zie
zal herkenning ontdoen van het maren
heb de waarheid weer onder de knie
amen
wil ik het uitzicht eigenlijk wel knechten?
neen, mijn verbeelding zal het immer bevechten
hocus pocus
musca domesticanog blanco is het beeld
waarop ik mijn dag wil verhalen
als mijn vingers zich vast warm lopen
door van links naar rechts te dwalen
op het door as vervuild toetsenbord
er zit een vlieg rechtsboven op het scherm
en terwijl ik dit schrijf daalt zij teder af
zoekt haar plaats vlak naast de grijze berm
alsof zij wacht wat ik te lezen verschaf
ik ben nu verplicht
over mijn avonturen te vertellen
maar door haar aanwezigheid
verwordt denken tot kwellen
en blijft mijn blik op haar gericht
het is geen schokkend beeld dat ik schets
maar zo ongeveer ervaar ik mijn uren
om dit alles in deze vorm te verwoorden
gaat mijn verslag een eeuwigheid duren
op dode stenen jagennimmer eenzaamheid gekend
of heb je het zielenkleed nog niet afgelegd
en ben je aldoor met lucht verwend?
ook doelloos van deur naar deur gerend
en heeft het uiterlijke slechts in schijn belegd
opdat de leegte moest worden getemd?
of lig je tussen dode stenen geklemd?
eenzaamheid is aan de mens eigen
wanneer wij blijven zwijgen
of schaduwen zich door de jaren heen
aan elkander blijven rijgen
of hangt er om je nek een dode steen?
in het diepste staan we alleen
dat hebben we gemeen
niet enkel door tegenslagen
want naast voorspoed zullen wij,
het wezenlijk gescheiden zijn,
in ons bestaan meedragen
samen zouden we dode stenen kunnen verjagen
icke wige hin ende wereicke draoge in miene aerme
unne keint te waerme
ende drooge haore traone
welcke ut gesicht beglaenst
sie moge sich geruste waone
daer sie in miene haorte is gesloote
ende foele miene haent
waor unne kragte is onsloote
om unne kouwe wegge te slaone
welcke over dees menscke is gelaent
icke wige hin ende were
ende met miene glaensende
lach breet overgoote
singe icke vur haore so tere
unne lietje van wonderliecke boote
ommers ge foelt as oe iege piene
as ge unne keint swaore lieje siene
(iegene taole)
de dood in prijzen
Julius Sjeekspierlangzaam loop ik leeg
gedachten verdwijnen
als ik de zwaarte van
mijn gevoelens weeg
zij zijn omrand met
gekartelde lijnen
wegrollen kunnen ze niet
dan wel morgen in
enige hoop verwijlen
ik zie de zon schijnen
maar het leven niet herrijzen
de groene bladeren gloren
maar blijken onmachtig
mijn ziel te bekoren
traag valt het doek op het toneel
ik ging op in mijn tragische rol
applaus is beheerst, wat onderkoeld
niet alleen ik maar ook mijn gehoor
schoot, teneinde, medelevend vol
lage landen leeddichter in de lage landen
wat dweilt gij met inkt
op het edele pad naar
werkelijk schone poëzie
zo weinigen hebben weet
van uw talrijke woorden
slechts enkelen vinden de weg
naar het fenomeen De Slegte
daar ligt nog voor een euro
al uw uitgebraakt lief en leed
dat u met passie hebt zitten knechten
ach, u hebt nog geen bundel
het licht doen verschijnen
dan is de tragiek niet te overzien
u zal dan na uw heengaan geheel
in het onbekende verdwijnen
nou ja, dat hebben wij dan gemeen
we zullen het moeten stellen
zonder een ISBN nummer op onze steen
het kruis dat u en ik moeten dragen
is tegen vergoeding bij mij te leen