schaduwbeeld
de schaduw
achtervolgt mij
als zij een oogje
op me heeft
ik loop daarom
het liefst
in duisternis
mijn hersenschim
en ik
rusten dan,
ongedwongen,
in de avondgeest
schaduwbeeldde schaduw
achtervolgt mij
als zij een oogje
op me heeft
ik loop daarom
het liefst
in duisternis
mijn hersenschim
en ik
rusten dan,
ongedwongen,
in de avondgeest
herscheppenals de straat dreigt dood te lopen
of de lantaarn te weinig belicht
vergeet dan voor een wijle
de naamplaatjes op deuren
of namen van stijlen
schrap nummers
die aan bordjes zijn toegedicht
erken dat het onkruid tussen
klinkers is geslopen
daarmee schep je
nog geen wanorde
of ruïnes in spe
plaats je geen vlaggen
op zwarte lijkauto's
als zou het graf wachten
het is loslaten van routine
ruimte scheppen
voor wellicht een nieuw idee
opnieuw een schoonheid zoeken,
het voortschrijdend leven achten
de geringstezie mijn pink
aangevoerd door
de kleine nagel
als schild
terwijl mijn
geringste teen,
in deze, ter
rechter zijde,
ook wel de
minste vinger
aan mijn voet,
kneuterig is te noemen
en door verwijdering
van een eksteroog
genadeloos gevild
als vandaagals vandaag
een lenteblad
jou niet zal bereiken
dan leg ik nu
mijn hand
op je wang
we zijn even
als gelijken
ik kijk je aan
nee, wees niet bang
we zijn in
vriendschapsland
om elkaar
in het voorbijgaan
met sprakeloze warmte
te verrijken
een geboren eindeer is een tijd van komen
de eerste stap van gaan
een poging tot scheppen
om dat weer los te laten
ja, ik was met veel begaan
maar het meeste bleek al
in een ver verleden verlaten
of tot stof te zijn vergaan
torens van gestapelde beelden
bouwde ik om me heen
het was slechts mijn gegeven tijd
inkleuren
het waren de momenten van stilte
die ik met leegte deelde
ik verfde lucht met dichte deuren
om op illusies te kunnen bouwen
maar het innerlijk getuigde al vroeg
dat ik over de toekomst zou rouwen
ik was geboren om te sterven
te dichten om het donker te verlichten
het ademen voor anderen te erven
doch teneinde voor het niets te zwichten
van de duivel bevallenmijn liefdevolle hand wil geven
en zo volkomenheid schenken
ik word door onbaatzuchtige
passie gedreven
wil jou met een pauwenstaart zwaaiend
in mijn richting wenken
waar ik het pad alvast
met rozenblaadjes heb gestreeld
opdat je vrijelijk voort kan schrijden
en gratie wordt toebedeeld
om omzichtig tot rijkdom te leiden
toch geraakt
nog eer je die weg bewandelt
een steen op mijn hart
en valt de duisternis
over mijn ziel
het lot heeft zich
teruggekanteld
de dag raakt plots verblind
toen ik, ongewild,
van de duivel beviel
gebroken taalen toen,
andermaal,
zeeg de stilte
er ontbrak lippentaal
overdonderend
de allengs ingeslopen kilte
het klare licht
groeide donker dicht
verbetenheid
enkel op zwart gericht
ruimten met
verstomde gedachten
wirwar van spinsels
die de werkelijkheid
verachtten
dicht de dagvandaag worden woorden uitgelicht
soms aan elkaar geregen
zwaar of licht van gewicht
doch in de mond gelegen
uitgesproken
en meer dan alleen
op pennenlikkers gericht
heden is de dag van het dicht
het verbloemd verbeelden
of afdrukken van vergane weelde
opdat hopelijk menig lezer zwicht
en zich herkent in de ander
poëzie is voor het volk
het wil dromen bij dag en nacht
meedraaien in een strofenkolk
waarin het naakte bestaan
tijdelijk wordt verzacht
of de kunstenaar
in het vlees steekt
met uw eigen dolk
als dan de avond valt
en bundels zijn versleten
doe ik de gordijnen toe
ik wil van geen rijm meer weten
mijn adonishij was nog zo jong
de ruige adonis
die mijn ziel beroerde
toen hij mijn hart bezong
wat was het toch
dat mij diep ontroerde
ikzelf was al vergrijsd
reeds lang gearriveerd
in het zogenaamde leven
de wereld bereisd
met weelde omgeven.
hij keek me uitnodigend
met grote open kijkers aan
mij zuigend in zijn stralende lach
elke beweging die hij maakte
schokte mijn gevestigd bestaan,
zonder te vragen greep ik zijn hand
doch raakte verward in al mijn zielenlagen
zwom ik nu in een
verwarmd bed met rozen
of vertelde mijn jeugd
over de gemiste kans
in mijn voorlaatste dagen
dodenmars (2)ik loop voor
de muziek uit
dat doe ik wel vaker
speel op
mijn oude dwarsfluit
het largo van
mijn eeuwig verdriet
in mijn rug voel ik
de trilling van de trommelaars
met koude rilling gepaard
in weemoedig gelid, het geluid
van de klarinettenbroeders
ik loop vooruit
de tragiek in mijn benen geaard
de laatste gang, gedragen,
van mijn jonge bruid
zie mijmijn lief,
sluit je ogen
en kijk mij aan
zie de
kleurrijke regenbogen
die ons binden
en als vanzelf
onze harten vinden
je teder lijf
raakt mij
binnen de
ruimte van
zij aan zij
ik hoef
niets te zeggen
je bent in mij
gedagik zeg even gedag
laat zien
dat sinds de vorige keer
we waren toen samen
in die ijzige sfeer
ja, ik maak er maar van gewag,
elkanders ziel doopten
in stinkende teer
onze woorden kleefden
aan tongen met pek
we waren kemphanen
met een opgezette nek
en ik tegenover jou stond,
mijn lijfde trilde
toen jij, ja jij
mij naar het graf toe gilde
dat ik je sinds die vorige keer
heb gemist
we raakten elkaar diep
en meer
vanwege dat laatste
ben ik er weer
vertel me wie ik wasal probeer ik
het sterven te mijden
op mijn verleden
kan ik me niet
voorbereiden
ik ben er geweest
zal ik niet kunnen zeggen
mijn bestaan is ook
amper uit te leggen
de dood maakt
dat mijn historie
geschapen wordt:
een groeiend monument
waar voor de nabestaanden
reeds de fundering is gestort
(vernieuwde versie)
ikdat
wat je niet ziet
ben ik ook
voel je iets
wanneer mijn woorden
anders duiden
ook dan zijn het
betekenisvolle geluiden
van deze mens
jawel,
met wisselende
akkoorden
(nieuwe versie)
vergankelijkheidvandaag verliest
het kind in mij
vandaag verliest
het kind in mij
opnieuw de hoop
die blijkt,
al kon hij het weten,
verborgen
in een
onlosmakelijke knoop
van liefde en
zorgen
alhoewel gedragen
door een prille ochtend
ligt het duister op de loer
waar allengs
onder de onbereikbare zon,
de verwachting sterft
wat dan het leven
altijd ongevraagd nalaat
is de eenzaamheid
die men erft
vandaag verliest weer
het kind in mij
ik schrijf je ditik schrijf je dit
als het zwart
nog de ramen
bedekt
en rust nog
naast stilte zit
alsof de nacht,
met gemak,
nog even
de eeuwigheid
oprekt
ik schrijf je dit,
zomaar,
zonder heden
en verleden,
en droom dat het licht
nog niet
door jachtige gedachten
wordt bereden
de ijzeren trapik zie het licht worden
zonder zonnestralen
in het grijs van de ochtend
terwijl de slaap nog vecht
tegen de nieuwe orde
onder de indruk
van gedichten
die over de ziel verhalen
de ijzeren trap
leidt mij omhoog
naar de zolder,
van de avond ervoor,
met licht in glas
met geluid zo zacht als was
waar het gezochte woord
in beelden schiet
en de verwachting
van lettergeliefden
een gedragen stilte
in de harten biedt
sterven bij levenademen zonder morgen
is omgaan met het nu,
het heden,
waar geborgenheid
in vandaag
moet zijn verborgen
het is niet meer verlaten
op een verwachtende hoop
een droom met in wezen
onbekende baten
of zo men wil,
fantasieloze gaten
je bent op
jezelf teruggeworpen
niet om enkel de eenzaamheid
te verheerlijken
of je eigen zijn te stellen
boven de ander
het is een moment
om het leven te herijken
de toekomst anders
te willen leren zien
zoals die je tot nu toe
had aangewend
de overkantsoms denk ik wel
of vaker nog
in momenten
die vragen om lange adem
en er geen sprake meer is
van een ontluikende lente
of ik niet ten onder ga
aan gestapelde lasten
waar gevoelens lijken versteend
of gespletenheid zich uit
in onoverbrugbare barsten
en de resterende tijd alleen
aan de duivel is uitgeleend
als het mij dan toch lukt
een ander echt in de ogen te kijken
ga ik niet alleen
onder de aardse ballast gebukt
om al zwoegend
de overkant te bereiken
hoor mijhoor mij
als ik fluister
over het pad
naar het meer
met roepende vlinders
en broze libelles
leg je oor te luister
hoe zachte klanken
waaien langs mijn tong
en ranke lippen
van het harpspel
uit mijn ademende ziel
het zijn witte engelen
die ook uit mijn zuchten
nog geurende roosjes knippen