ongerijmd
voorheen
vertederde ik jou
met zachte handen
waar jij nu
warentig
mijn hart verbrijzelt
met stenen
mijn tred is
wankelmoedig
alsof ik dreig
te verzanden
jij ging plots
ongerijmd henen
ongerijmdvoorheen
vertederde ik jou
met zachte handen
waar jij nu
warentig
mijn hart verbrijzelt
met stenen
mijn tred is
wankelmoedig
alsof ik dreig
te verzanden
jij ging plots
ongerijmd henen
unne daenckewelleicke daencke miene naoste
ghie sijt unne menske as gine aender
immer bende ghie daor vor miene surg
as icke volle bin met traone ende lit
icke voele me daen so geborg
ende vele mere as ghie ieglich wit
miene stiele is nimmer so enig tu segge
ingekeert is mere dun weghe die icke gaone
geve is vaok better uut te legge
daen unne daenckewelle
nimme doch miene blick in oewe ooge
das mere daen unne wort kaen stelle
(iegene taole)
inzicht door uitzichtmijn neus draagt nieuwe glazen
omhuld met lichtbruine ringen
verbonden met twee schelpen
door armen van gelijke kleur
kan mijn ziel nu beter ontwaren
daar ik de omgeving scherper zie
zal herkenning ontdoen van het maren
heb de waarheid weer onder de knie
amen
wil ik het uitzicht eigenlijk wel knechten?
neen, mijn verbeelding zal het immer bevechten
hocus pocus
musca domesticanog blanco is het beeld
waarop ik mijn dag wil verhalen
als mijn vingers zich vast warm lopen
door van links naar rechts te dwalen
op het door as vervuild toetsenbord
er zit een vlieg rechtsboven op het scherm
en terwijl ik dit schrijf daalt zij teder af
zoekt haar plaats vlak naast de grijze berm
alsof zij wacht wat ik te lezen verschaf
ik ben nu verplicht
over mijn avonturen te vertellen
maar door haar aanwezigheid
verwordt denken tot kwellen
en blijft mijn blik op haar gericht
het is geen schokkend beeld dat ik schets
maar zo ongeveer ervaar ik mijn uren
om dit alles in deze vorm te verwoorden
gaat mijn verslag een eeuwigheid duren
op dode stenen jagennimmer eenzaamheid gekend
of heb je het zielenkleed nog niet afgelegd
en ben je aldoor met lucht verwend?
ook doelloos van deur naar deur gerend
en heeft het uiterlijke slechts in schijn belegd
opdat de leegte moest worden getemd?
of lig je tussen dode stenen geklemd?
eenzaamheid is aan de mens eigen
wanneer wij blijven zwijgen
of schaduwen zich door de jaren heen
aan elkander blijven rijgen
of hangt er om je nek een dode steen?
in het diepste staan we alleen
dat hebben we gemeen
niet enkel door tegenslagen
want naast voorspoed zullen wij,
het wezenlijk gescheiden zijn,
in ons bestaan meedragen
samen zouden we dode stenen kunnen verjagen
icke wige hin ende wereicke draoge in miene aerme
unne keint te waerme
ende drooge haore traone
welcke ut gesicht beglaenst
sie moge sich geruste waone
daer sie in miene haorte is gesloote
ende foele miene haent
waor unne kragte is onsloote
om unne kouwe wegge te slaone
welcke over dees menscke is gelaent
icke wige hin ende were
ende met miene glaensende
lach breet overgoote
singe icke vur haore so tere
unne lietje van wonderliecke boote
ommers ge foelt as oe iege piene
as ge unne keint swaore lieje siene
(iegene taole)
de dood in prijzen
Julius Sjeekspierlangzaam loop ik leeg
gedachten verdwijnen
als ik de zwaarte van
mijn gevoelens weeg
zij zijn omrand met
gekartelde lijnen
wegrollen kunnen ze niet
dan wel morgen in
enige hoop verwijlen
ik zie de zon schijnen
maar het leven niet herrijzen
de groene bladeren gloren
maar blijken onmachtig
mijn ziel te bekoren
traag valt het doek op het toneel
ik ging op in mijn tragische rol
applaus is beheerst, wat onderkoeld
niet alleen ik maar ook mijn gehoor
schoot, teneinde, medelevend vol
lage landen leeddichter in de lage landen
wat dweilt gij met inkt
op het edele pad naar
werkelijk schone poëzie
zo weinigen hebben weet
van uw talrijke woorden
slechts enkelen vinden de weg
naar het fenomeen De Slegte
daar ligt nog voor een euro
al uw uitgebraakt lief en leed
dat u met passie hebt zitten knechten
ach, u hebt nog geen bundel
het licht doen verschijnen
dan is de tragiek niet te overzien
u zal dan na uw heengaan geheel
in het onbekende verdwijnen
nou ja, dat hebben wij dan gemeen
we zullen het moeten stellen
zonder een ISBN nummer op onze steen
het kruis dat u en ik moeten dragen
is tegen vergoeding bij mij te leen
het zoete van Morpheus' machtwelterusten
de dag is volbracht
geef me over aan het onbewuste
of het zoete van Morpheus' macht
wat was het vandaag weer denken
denken en denken
aan alles en iedereen aandacht schenken
die men zo zeer verwacht
of liep ik mezelf achterna
wilde zovele mensen verlichten
verenigen wat onhaalbaar is
aan hen die turen achter de begonia's
bevrijdende vreugde toedichten
het zekere voor onzekere nemen
en maar niemand vergeten te wenken
het nieuws verorberen
kortom mijn wezen leegschenken
o, wat ben ik moe
ben ik het, die dat allemaal doe
een burger in optima forma
een sloof, dat is de clou
zuig mij in uw armen
redder van de nacht
stop het malen
over mijn aardse dwalen
val van de duisternisfraai staat de zon in lichterlaaie
als zij vuur schiet over de duinrand
schurend langs helm en slapend zand
lijkt ze de aarde te willen verfraaien
als messen snijden meeuwen
daar waar ik hitte vermoed
strepen door een weidse gloed
alsof het wonder even wil geeuwen
zij gaat echter stijlvol en tergend traag
haar herhalende ondergang tegemoet
alsof telkenmale de nacht haar beboet
terwijl ik toch onophoudelijk om uitstel vraag
op weg naar Hernehimregen
een hemels degen
houdt mensen van de straat
ik voel me veilig onder de plu
maar stap in een plas nonderdju
was al verlaat
en na een uur van verdwalen
neem ik lijn veertien naar Zeeburg
om toch nog op tijd ergens het begin te halen
vraag me af of hij wel gaat
veel trams passeren
maar de zondag kent een ander ritme
mijn lijn rijdt dan onder de wekelijkse maat
dus na vijf sigaretten van ongeduld
stap ik in een wagon om de nicotine te verteren
ja, Molukkenstraat dat is Indische buurt
zegt het opperhoofd aan het roer
ook hij heeft vroeger het koninkrijk
uit zijn hoofd moeten leren
gaat u maar zitten, zeg ik tegen een prille moeder
nee, mijn dochter huilt minder als ik sta
ben dat wel gewend, zijn mijn woorden
en kan weer op mijn formele naastenliefde teren
als ik mijn natte benen over elkander sla
maar ja, gejengel van die bengel
ik zit daar niet op te wachten
hoor dat al genoeg, nu even de rust vereren
mijn ongeduld verzachten
Molukkenstraat, roept de automatische piloot
stap uit en storm naar gesloten poëziedeuren
druk op een armzalig belletje
en na wat minuten komt een man mij opbeuren
daar kunt u betalen
en bij die mevrouw de koffie halen
(inbegrepen)
ik hoor van verre dichters zuchten
ja, zo hoort dat aan op afstand
als een wind van gedempte geruchten
nog stoelen zat, achteraan
en met natte sokken hoor ik gedichten
je bent dan toch iets meer begaan
met wat sprekers uitrichten
maar ook al kom je te laat
de pauze blijft trekken
gek hè
het is niet mijn desinteresse
maar het nut van een onderbreking
is daarmee verklaard
bandeloze vrijheid (snelsonnet)de club voor vrijheid en democratie
heeft Verdonk kennelijk aan banden gelegd
zij had zichzelf al meer invloed toegezegd:
een voorschot op haar eigen inflatie
toch toont een luis in de pels ook haar charme
ze legt verdeeldheid bloot, zonder erbarmen
spin het gewinik spin het gewin
spreek woorden
van jaren ouder
sprokkelend
soms met kwakkelen
zin en tegenzin
ik spin het gewin
spreek woorden
van liefde
die ontspoorde
van tegenwind
en hakkelen
over onbemind
ik spin het gewin
spreek woorden
van jaren ouder
van liefde,
sprokkelend
of ontsporend
soms kwakkelend
in tegenwind
met zin en tegenzin
hakkelend
of liefdeloos gezind
ik spin het gewin
spreek woorden
van liefde
nu, jaren ouder
ter kimme nijgennu mijn krimpende jaren zich doen ontwaren
in een schaduwrijk vooruitzicht
dan wel mijn wegen zich ter kimme nijgen
terwijl ik dubbel waardig op mijn einde ben gericht
ervaar ik de geringheid van mijn schatten
die als het ware mij eerder als bezit zijn toegedicht
waarmee ik mijzelf te vaak deed afmatten
feitelijk tot dwingend overleven afgericht
tenware een onmetelijk scheppend plan
mij drijft tot een menselijk donker gat
waar eerst na een blinde weerbarstigheid
stilte heerst en aanvaarding rijpen kan
op deze wijze, zo is mijn vermoeden
vervalt de herfst in de laatste winter
ik had dat geenszins in mijn jonkheid
kunnen, laat staan willen bevroeden
ik leefdeik leefde liefde lang
langs lange lanen
van een zomers groene lariks
in weelderige bermen
zocht het droog donzig gras
langs water met witte zwanen
waar glinsterende libelles zwermden
en ik prille stilte las
wuifde met mijn wimpers
naar naderende mussen
die ogenschijnlijk bij
iedere tedere tred
Moeder Aarde wilden kussen
ontroering was mijn deel
ik liet de schoonheid onverlet
ga voorbijga voorbij
aan het voorbijgaande
het was slechts een onzinnige brij
dat zich tot heden
schijnbaar krakkemikkig
in u een weg baande
of nog gekrast moet worden op een lei
gelijk de tien geboden op stenen
ook zij vielen in duigen
leg die lei toch opzij
koestert u zich in het gevlei
gij zult niet buigen
neem de benen
ga bij voorbaat juichen
als u gewoon iets
van de toekomst mag lenen
nog bruikbare doch
haast versleten uren
verkoop ik bij opbod
zonder garantie dat wel
het waren uren met turen
belegen met kwel
een enkele met genot
o ja, u hebt uw eigen verleden
uw zeden beleden
stokpaardjes bereden
pijn vermeden
we kunnen nog ruilen
maar wat heb ik eigenlijk
aan uw deuken en builen
niets
mijn kipéén kip uit mijn ren is de favoriet
een hen, derhalve een griet
maar dat even terzijde
het beoordeelt mijn gevoelens niet
ik zou, ten aanzien van een kip,
het onderscheid in sekse willen vermijden
alhoewel ik de haan, het moet gezegd,
geenszins onder zijn schonere outfit zie lijden
dat schijnt evenwel bij het menselijk soort
zich ietwat anders te openbaren
personen van vrouwelijke aard treuren gelaten
ook als zij door hanen ten volle worden bekoord
verlangen ze juist de tegenovergestelde maten
nee, mijn kip heeft een pluim op haar hoofd
hoor haar de hele dag daarover kakelen
hoeft slechts een enkele maal per jaar
van kleding om te schakelen
en wordt niet door enig parfum verdoofd
zij jaagt op mijn zaad bij het ochtendgloren
en bij voldoende licht legt zij een ei
voor de rest lekker scharrelen
en weet dat de haan haar altijd zal bekoren
labidura ripariagij zijt mijn toeverlaat
in het eerste en zeker laatste
uur
fluister stilte in mijn beide oren
gij, mijn alter ego, vriend en
innerlijke buur
kijk over de dag
van morgen heen zolang gij
mij dient, uw naaste in mijzelf,
en ik de voortschrijdende
schoonheid zal bekoren
labidura riparia
labidura riparia
ik herhale uw naam
het is gelijk de mijne
tezamen en aanvullend
dragen wij de faam
in het grote en het kleine
wij, in ons de varia
viva, labidura riparia
de manteleerst als ik mijzelf niet meer afwijs
en zie wie ik werkelijk ben
heb ik voor niemand nog iets te vrezen
ook al tracht men mij nog zo te raken
te schofferen of klein te maken
door geen mens kan ik nog worden afgewezen
ik zeg niet dat dan de wolken zijn verdreven
of een oude leegte wordt gevuld
maar kan wel beter zien
met welke mantel ik of de ander is omhuld