even raak ik je aan,
aan hem die ik ben
in mijn kamer waar de schaduw mij als het ware heeft omsloten
en suizen het enige geluid bepaalt dat mij toekomt
maant hij, die ik ben, mij tot schrijven van een laatste brief
niet een relaas naar een onzichtbare verte, waar niemand vertoeft
maar aan hem, die ik ben, omdat hij bekend is met mijn ongerief
opgetekend vooralsnog in denken en ergens ook in mijn wezen gegroefd
dit is het dan, vertel ik hem, die ik ben, als ik voor even de bascule
onthef van zijn plicht, hem, die ik ben, de maat te nemen
enkel door de aangeleerde gewoonte van het sluiten der ogen
hij, die ik ben, neemt bij wijze van spreken de dragende benen
die het juk van ademen dragen en van licht, het zuchten van goddelijk gedogen
toch vertel ik hem, die ik ben, over de reis langs de kleurige regenboog
die mij verleidde naar nog meer en hoger, tot het zwart mij vroeg, te vroeg
meenam aan de hand en hij, die ik ben, als marionet naar binnen zoog
en de touwen, ongelijk, zo ze zijn, in het spel der poppen, hem, die ik ben,
liet bungelen in de zuurstofrijke dood van dag en nacht, van zon en regen
tot het drama van de verwachting niet meer over de toekomst loog
zo toon ik hem, die ik ben, de spagaat, van geboorte en sterven
van liefde ten diepste gevoed door neigen naar herstel der symbiose
van hoogmoed, de wijsheid en ongekende rijkdom te willen erven
dit deel ik met hem, die ik ben, hij kent mij, we hebben ongewild elkaar gekozen
Zadkine aan de Rotte


de vingers knoestig
zij schreeuwen naar de lucht
spieren als gedraaide ijzeren balken
hij roept met brakende mond
het onwezenlijk gerucht
terwijl gewone lieden
rondom hem heen zwalken
gepoot op het altaar
van stenen blokken
blijkt zijn hart al vroeg
er uitgeschoten
doorzeefd met kogels en licht
hij staat verstijfd
doch zie hem knokken
zwarte spreeuwen
weinigzeggend
slaapverwekkend
kuierend is de gang
door mijn welriekende gaard
overeenkomstig mijn vaak
toegedachte luie aard
ik heb mij aan
wat komt dat komt
overgeven en het vreemde
als verzuurd vruchtwater
tijdig afgedreven
bij een boterbloem
verscholen in het gras
sluit ik de ogen en
hoor al een vroeg gezoem
hier zet ik me neer
en word zeker, als vanzelf,
in een dutje gezogen
Arabisch: les 1
een zachte landing
ik ga voorwaarts, de linkervoet eerst
kan ook de rechter zijn, 't is om het even
een schrede die men voorziet en beheerst
en traag een afdruk in het steengruis ververst
zoals de dode even de adem mocht beleven
het spoor naar de laatste toekomst wordt getrokken
in de stoet vergezeld van verstilde zwarte kraaien
zij kennen de mimiek van een afscheid het best
weten de doden over het veld te zaaien
en ons vaardig naar de gapende aarde te lokken
terwijl de touwen langzaam worden gevierd
en de vaart naar de hemel onbetwistbaar lijkt
ofwel het sterfelijke zeker voor het eeuwige wijkt
wordt het notenhout, na de landing, met zand ontsierd
symfonie van de wind
waar de toon van je zuchtende adem
binnenschrijdt en zijn verwachting vindt
in een meeslepend zuigend decorum
ik zal met je zweven op dromerige stromen
het zijn de verweven sliertige draden
die ons dragen en immer nader komen
nimmer zal één ons met donkerte beladen
al zijn het stormen of buien met tranen
dan wel licht met schichtig vuur vermengd
ik hoef hen niet tot een speelse symfonie te manen
ze zijn reeds lang met het eeuwige aangelengd
blaas mijn lief in de oren van de wind
waar reeds lang het geringe wordt bemind
geen woord zou er kunnen verdwalen
het gevoel kan het immers in eenvoud vertalen
ode aan mijzelf
ik kan mijzelf
aan u niet onthouden
soms schep ik een verduisterd einde
opgaand in niets van al het zijnde
een leegte bekroond met cum laude
maar als ik dan zie hoe u
zonder mij in barre koude moet leven
pak ik het plankje met brie,
smeer mij uit
en door nederige liefde gedreven
speel ik tevens op een valse kinderfluit
ik amuseer de schare
kan mijzelf een brok gezonde
arrogantie niet onthouden
immers hoe kan ik baren
mijn grootsheid verklaren
als de bescheidenheid zonder loods
de haven uit zou varen
zeg nu zelf, dat is toch de dood
aan je zijde scharen
daarom, ik strek mijn dikke nek
nog eens flink naar u uit
wat zou u nou moeten beginnen
als ik wegzak in de drek
verjaardag
hallo broer, hoe gaat het met jou
zachte huid
in het landschap
van de zachte huid
ontwaart voor mij
nieuw leven
de bast van de
oude blauwe eik
opent zich als
een jonge maagd
om zonlicht smachtend
te verweven
met een roep die
om bevruchting vraagt
en doet niet anders
dan wordt opgedragen
door de ringen van zijn
bestaand verleden
maar zich ook opent
voor geleedpotigen
die parend naar
de toekomst vragen
gewichtloos
luisterende luchten
ik wilde de volheid bezitten
een leegte ontvluchten met
zoveel donkere muren
en mijn armen doen strekken
naar luisterende luchten
om de vullende verwachting
blindelings op te wekken
die tot in eeuwigheid zou duren
verdwaasd trek ik me op
langs dode takken
de handen geschuurd
nu vol met blaren
zocht de eenzaamheid te bedaren
die al bij aanvang van het leven
voor mij bleek ingehuurd
the day after (paaszaterdag)
verdoofd
een mens
verslagen,
van zijn geest
beroofd
hoe moet ik
het sterven
verdragen
als het na de nacht
niet wil dagen
goede vrijdag
vandaag
sterft
de dood
met volle
overgave
op hout,
niet uit
het lood
de mens
kan zijn
dorst weer
laven
ik heb je lief
weerspiegeld
in mijn ogen,
kan ik een lach
niet weerstaan
telkens word ik
naar jou toe gezogen
reeds vroeg viel de avond
waarbij de huid
opgerekt door jaren
steeds meer ruimte vond
om de vergankelijkheid
zichtbaar te verklaren
telkens als ik je zie
spreek ik in alle stilte
die ene hoopvolle zin;
ik heb je lief
mijn vertrouwde onderkin
in de woestijn
als ik roep hoor jij mij niet
het zijn jouw vroegste oren
waarin ik blijkbaar
dode klanken schiet
wat kan ik nog zeggen
als ik niet in het heden
kleuren kan schilderen
dan raak ik toch verloren
of wordt mijn tong
van woorden afgesneden
schoonheid dreigt
bij voorbaat te verwilderen
troost
al richt ik mijn ogen
aai me
aai me maar, lijkt het gras
mij toe te roepen
ik ben nog vochtig van de
schenkende dauw
laat mij je hand begeleiden
over mijn groene sprieten
voel de aardse trouw;
ze is zo zacht als zijde
als straks de ochtend gloort
en wij het licht begroeten
zal je zeker, met mij, ervaren
waarom de dag ons bekoort
dampend zal hij verklaren
ik heb de nacht vermoord

